Skip to main content

ECLI:NL:RBMNE:2026:4024

Rechtbank

Lelystad

Datum

7 July 2026

Taal

nl

Samenvatting

Rechtsvraag

Strafrecht

Uitspraak / Beslissing

Uitspraak

Lelystad

Procedure: UitspraakDomain: StrafrechtType: uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Strafrecht

Zittingsplaats Lelystad

Parketnummer: 16.054442.26

Tegenspraak

Vonnis van de meervoudige kamer van 7 juli 2026 in de strafzaak van:

[verdachte] ,

geboren op [2009] in [geboorteplaats] ,

verblijvende op het adres [adres] in [woonplaats] ,

(hierna: [verdachte] ).1. Zitting

De strafzaak van [verdachte] is inhoudelijk behandeld op de besloten zitting van 23 juni 2026.

Op de zitting waren aanwezig:

[verdachte] ;

de officier van justitie: mr. F. Koolhof;

de advocaat van [verdachte] : mr. D.G. Nagel (hierna: de advocaat);

de ouders van [verdachte] ;

mevrouw [A] , jeugdreclasseringswerker van Samen Veilig.2. Tenlastelegging

De officier van justitie beschuldigt [verdachte] ervan dat hij, samengevat:

feit 1 primair:

op 21 februari 2026 in Zeewolde [slachtoffer 1] heeft afgeperst;

dit is subsidiair tenlastegelegd als een poging tot afpersing.

feit 2

op 21 februari 2026 in Zeewolde [slachtoffer 2] heeft mishandeld.

De volledige tekst van de beschuldiging staat in bijlage I bij dit vonnis.3. Bewijs

3.1..

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat kan worden bewezen dat [verdachte] de feiten 1 primair en 2 heeft gepleegd.

3.2..

Standpunt van de verdediging

De advocaat voert geen verweer over het bewijs.

3.3..

Oordeel van de rechtbank

[verdachte] bekent dat hij de feiten 1 primair en 2, namelijk afpersing en mishandeling, heeft gepleegd, zoals deze hieronder bewezen zijn verklaard. Door of namens hem is ook niet om vrijspraak van die feiten gevraagd. In die situatie hoeft de rechtbank niet de inhoud van de bewijsmiddelen op te schrijven. De rechtbank noemt daarom alleen de bewijsmiddelen waarop zij haar oordeel baseert:

de bekennende verklaring van [verdachte] ter terechtzitting van 23 juni 2026;

het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 2] van 21 februari 2026 met in de bijlage de letselfoto;

  • het proces-verbaal van verhoor getuige [slachtoffer 1] van 21 februari 2026.

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de feiten 1 primair en 2 wettig en overtuigend bewezen zijn.

Er zijn meerdere feiten bewezen verklaard. De bewijsmiddelen worden alleen gebruikt voor het feit of de feiten waarover deze gaan.

3.4..

Bewezenverklaring

De rechtbank verklaart bewezen dat [verdachte] :

feit 1 primairop 21 februari 2026 te Zeewolde met het oogmerk om zich te bevoordelen door bedreiging met geweld [slachtoffer 1] heeft gedwongen tot de afgifte van geldbedragen, die aan [winkel] toebehoorden, door:- een wapen op die [slachtoffer 1] te richten, en- te zeggen: "Maak dat ding open" en daarbij naar de cashbox te wijzen, en- te zeggen: "Snel, schiet op, doe het geld erin!" en een tas op de balie te leggen, waarna die [slachtoffer 1] geldbriefjes in de tas heeft gestopt, en- daarna te zeggen: "hij hoeft niet op slot, maak die kassa open" en "alleen de briefjes van 50, 20 en 10", waarna die [slachtoffer 1] de kassa heeft geopend en geldbriefjes in de tas heeft gestopt, en- met de tas in de richting van de uitgang van de winkel te lopen;

feit 2op 21 februari 2026 te Zeewolde [slachtoffer 2] heeft mishandeld, door die [slachtoffer 2] met een wapen, in elk geval met zijn hand, in het gezicht te slaan.

De rest van de tekst van de beschuldiging kan niet worden bewezen. [verdachte] wordt daarvan vrijgesproken.4. Kwalificatie en strafbaarheid

4.1..

Kwalificatie

De bewezen feiten leveren de volgende strafbare feiten op:

feit 1 primair: afpersing;

feit 2: mishandeling.

4.2..

Strafbaarheid feiten en verdachte

De feiten en de verdachte zijn strafbaar.5. Straf

5.1..

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie eist dat [verdachte] wordt veroordeeld tot:

  • een jeugddetentie van 4 maanden, met aftrek van het voorarrest, waarvan een gedeelte van 93 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaar, met als bijzondere voorwaarden, kort gezegd:

o een ambulante behandeling bij de Waag;

o meewerken aan hulpverlening;

o een locatiegebod en -verbod, te controleren met elektronische monitoring;

o een contactverbod met [slachtoffer 2] ;

o meewerken aan een zinvolle dagbesteding;

o meewerken aan een positieve vrijetijdsinvulling;

o deelnemen aan onderwijs;

  • een taakstraf in de vorm van een werkstraf van 80 uur, te vervangen door 40 dagen jeugddetentie als [verdachte] deze taakstraf niet of niet goed uitvoert.

5.2..

Standpunt van de verdediging

De advocaat voert aan dat rekening gehouden moet worden met de stoornis van [verdachte] en dat het feit in verminderde mate aan hem is toe te rekenen. Zijn school was het enige positieve dat hij had en dat is hij verloren door de voorlopige hechtenis. Ook hier moet rekening mee gehouden worden. [verdachte] heeft al 4 maanden elektronische monitoring, waardoor hij als het ware nog steeds in een soort gevangenis leeft, omdat zijn bewegingsvrijheid is beperkt.

De advocaat heeft bepleit dat de jeugddetentie beperkt moet worden tot 27 dagen onvoorwaardelijk met aftrek en dat er geen voorwaardelijke jeugddetentie maar een voorwaardelijke werkstraf moet worden opgelegd. De behandeling is nog niet gestart en [verdachte] heeft nog veel te leren. Als een voorwaardelijke jeugddetentie ten uitvoer wordt gelegd, zal zijn schoolgang opnieuw onderbroken worden. Verder heeft de advocaat bepleit om de werkstraf te matigen.

Ten aanzien van de elektronische monitoring als bijzondere voorwaarde heeft de advocaat primair bepleit om dit af te wijzen en subsidiair om het te beperken in tijd tot 1 september 2026.

5.3..

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank legt aan [verdachte] op een jeugddetentie van 120 dagen, waarvan 93 dagen voorwaardelijk met aftrek en een proeftijd van 2 jaren met algemene en bijzondere voorwaarden. Daarnaast legt de rechtbank een taakstraf in de vorm van een werkstraf op voor de duur van 60 uren, subsidiair 30 dagen jeugddetentie.

Bij het bepalen van deze straffen houdt de rechtbank rekening met de ernst van de gepleegde feiten en de omstandigheden waaronder [verdachte] deze feiten heeft gepleegd. Ook weegt de rechtbank de persoonlijke omstandigheden van [verdachte] mee.

Ernst en omstandigheden van de feiten

[verdachte] heeft zich schuldig gemaakt aan afpersing en mishandeling. Hij is met een wapen naar de [winkel] gegaan omdat hij geld wilde hebben. Voor die tijd heeft hij zich omgekleed en de kleding in de omgeving verstopt om zich na de afpersing/overval weer om te kleden. De merkjes die zichtbaar waren op de kleding heeft hij afgeplakt met tape zodat hij minder goed herkenbaar zou zijn. [verdachte] is dus geraffineerd te werk gegaan. [verdachte] heeft voordat hij de overval pleegde een plan van aanpak op papier gezet; ook hieruit blijkt dat hij van tevoren heeft nagedacht over wat hij ging doen.

Aangekomen bij de [winkel] heeft hij zijn wapen gericht op [slachtoffer 1] en gezegd dat hij geld in de tas moest doen. Toen [verdachte] met de tas met geld weg wilde lopen werd hij tegengehouden door [slachtoffer 2] . Om weg te komen heeft hij [slachtoffer 2] met het wapen in zijn hand in het gezicht geslagen. Hier heeft [slachtoffer 2] littekens in zijn gezicht aan overgehouden.

De rechtbank neemt het [verdachte] kwalijk dat hij niet heeft nagedacht over de gevolgen die dit voor de slachtoffers heeft gehad, maar alleen aan zichzelf heeft gedacht omdat hij geld wilde hebben.

Persoonlijke omstandigheden van de verdachte

Bij haar beslissing heeft de rechtbank ook rekening gehouden met:

  • een uittreksel justitiële documentatie betreffende [verdachte] van 19 mei 2026;

  • een jeugdreclasseringsadvies van 16 juni 2026, uitgebracht door SAVE Jeugdreclassering;

  • een advies van 17 juni 2026, uitgebracht door de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad);

  • een psychologisch rapport van 1 mei 2026.

Uit het rapport van de psycholoog volgt dat bij [verdachte] sprake is van een autismespectrumstoornis en ouder-kindproblematiek. Hij kon de wederrechtelijkheid van zijn gedrag begrijpen en gedragsalternatieven overwegen. Zijn autismespectrumstoornis heeft het keuzeproces wel beïnvloed, maar niet zodanig dat de gedragsvrijheid wezenlijk is opgeheven. Daarom acht de psycholoog [verdachte] verminderd toerekeningsvatbaar.

De rechtbank is gelet op de conclusie van de psycholoog van oordeel dat het hiervoor bewezenverklaarde in verminderde mate aan [verdachte] kan worden toegerekend.

Uit het rapport van de Raad blijkt dat [verdachte] een goede band heeft met de coaches die betrokken zijn vanuit JAM Harderwijk. Er is nog wel sprake van instabiliteit op meerdere leefgebieden, waaronder beperkte schoolgang, dagbesteding en toekomstperspectief. Daarom is intensieve monitoring en regie noodzakelijk. [verdachte] vindt het lastig om intrinsiek gemotiveerd te blijven. Externe motivatie lijkt helpend te zijn voor hem. Daar kan elektronische monitoring bij helpen.

Om het recidiverisico te beperken hebben de verschillende rapporteurs geadviseerd om een deels voorwaardelijke jeugddetentie op te leggen met bijzondere voorwaarden, waarbij [verdachte] ambulante behandeling krijgt, er een locatiegebod- en verbod geldt, er een contactverbod is en waarbij hij een positieve dagbesteding en vrijetijdsbesteding moet hebben.

Daarnaast is geadviseerd om een taakstraf, in de vorm van een werkstraf op te leggen. Enerzijds omdat de ernst van de verdenking vraagt om passende consequenties en anderzijds omdat dit voor [verdachte] mogelijk kan bijdragen aan motivatie om een bijbaan te kunnen vinden.

Strafkader

Om in vergelijkbare zaken zoveel mogelijk gelijk te straffen, werken strafrechters met landelijke oriëntatiepunten. Deze zijn gebaseerd op opgelegde straffen in andere, vergelijkbare zaken. Het oriëntatiepunt voor minderjarigen voor een overval op een winkel is een onvoorwaardelijke jeugddetentie van minstens 4 maanden. Strafverzwarend in dit geval is het feit dat [verdachte] hierbij heeft gedreigd met een wapen.

Het oriëntatiepunt voor minderjarigen voor mishandeling door een enkele klap is een taakstraf van 20 uur. Strafverzwarend daarbij is dat [verdachte] op dat moment het wapen in zijn hand had en dat er letsel is ontstaan.

Door de advocaat is verzocht om geen voorwaardelijke jeugddetentie op te leggen, omdat dit mogelijk de toekomst van zijn schoolgang in gevaar kan brengen. De rechtbank is van oordeel dat juist een jeugddetentie een goede stok achter de deur is om niet opnieuw tot een strafbaar feit te komen. [verdachte] weet dat hij iets te verliezen heeft, namelijk zijn school, als hij zich niet aan de voorwaarden houdt. Bovendien heeft [verdachte] ervaren hoe het is om vast te zitten en heeft hij ook ervaren dat hij dat niet nog een keer wil.

Verder is door de advocaat verzocht om de elektronische monitoring niet op te leggen, dan wel voor een beperkte tijd op te leggen. De rechtbank vindt de elektronische monitoring nog wel van belang omdat school en dagbesteding nog moeten starten en voor beide nog niet zeker is dat dit kan worden vormgegeven zoals nu wordt gehoopt. Wel zal de rechtbank een einddatum voor de elektronische monitoring opleggen, te weten tot uiterlijk 1 oktober 2026 of zoveel eerder als de jeugdreclassering noodzakelijk acht. Hierdoor heeft de jeugdreclassering enige tijd om te beoordelen of de schoolgang goed op gang is gekomen.

Mediation

Gebleken is dat [verdachte] en [slachtoffer 1] met zijn ouders bereid waren zich open te stellen voor bemiddeling. Zij hebben een mediation-traject doorlopen en met elkaar gesproken. [verdachte] heeft aan [slachtoffer 1] uitgelegd hoe hij tot deze daad is gekomen en hoe hij er nu zelf op terugkijkt. [verdachte] en dit slachtoffer waren klasgenoten en kwamen en komen elkaar af en toe tegen in hun woonplaats. Zij hebben afspraken gemaakt over hoe ze dan met elkaar omgaan.

Gelet op het bepaalde in artikel 51h, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering houdt de rechtbank rekening met de uitkomst van de geslaagde mediation. De uitkomst van de mediation heeft meegewogen bij de beslissing om aan [verdachte] een lagere taakstraf dan door de officier van justitie was gevorderd op te leggen.

Gelet op dit alles legt de rechtbank op aan [verdachte] : een jeugddetentie voor de duur van 120 dagen met aftrek van het voorarrest, waarvan 93 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren en met de bijzondere voorwaarden kort gezegd:

  • ambulante behandeling;

  • meewerken aan hulpverlening;

  • een locatiegebod en -verbod met elektronische monitoring;

  • een contactverbod met [slachtoffer 2] ;

  • meewerken aan een zinvolle dagbesteding;

  • meewerken aan een positieve invulling van vrije tijd;

  • meewerken aan onderwijs.

Daarnaast legt de rechtbank aan [verdachte] op een taakstraf in de vorm van een werkstraf voor de duur van 60 uren, bij niet voldoen te vervangen door 30 dagen jeugddetentie.

De rechtbank wijkt af van de eis van de officier van justitie voor wat betreft de hoogte van de werkstraf, vanwege de positieve uitkomst van de mediation en omdat [verdachte] met de op te leggen straf al een vol programma heeft en hij niet overvraagd moet worden. Daarom heeft de rechtbank de werkstraf enigszins gematigd.

De voorlopige hechtenis

De rechtbank zal de geschorste voorlopige hechtenis opheffen, zodat de in dit vonnis genoemde bijzondere voorwaarden de schorsingsvoorwaarden zullen vervangen.6. Vordering benadeelde partij

6.1..

Vordering van de benadeelde partij

[slachtoffer 2] heeft zich gesteld als benadeelde partij en vordert [verdachte] te veroordelen tot het betalen van een schadevergoeding van € 1.600,- voor feit 2, vermeerderd met de wettelijke rente. Dit bedrag bestaat uit immateriële schade (smartengeld).

Verder verzoekt de benadeelde partij de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.

6.2..

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gesteld dat de vordering van de benadeelde partij passend is en geheel kan worden toegewezen met de wettelijke rente en de schadevergoedingsmaatregel waarbij het aantal dagen gijzeling op nihil wordt gezet.

6.3..

Standpunt van de verdediging

De advocaat heeft verzocht om niet alleen te kijken naar de ‘Rotterdamse schaal’, maar ook rekening te houden met de smartengeldgids. De advocaat heeft verzocht de schadevergoeding te matigen tot maximaal € 500,- en geen wettelijke rente op te leggen, omdat dit niet te verenigen is met het lik-op-stukbeleid.

6.4..

Oordeel van de rechtbank

Vergoeding van immateriële schade is op grond van art. 6:106 sub b BW onder meer mogelijk als de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen. In dit geval staat vast dat de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen als gevolg van het door [verdachte] gepleegde strafbare feit. Gelet op de bedragen die in soortgelijke zaken worden toegekend als schadevergoeding, waarbij de rechtbank ook aansluiting heeft gezocht bij de ‘Rotterdamse schaal’, is de rechtbank van oordeel dat een vergoeding van € 1.000,- billijk is. De rechtbank wijst dit deel van de vordering van de benadeelde partij daarom tot dat bedrag toe. De rechtbank wijst het meer gevorderde af.

De rechtbank wijst de gevorderde wettelijke rente toe vanaf 21 februari 2026 (de datum van het ontstaan van de schade) tot de dag dat [verdachte] de schadevergoeding volledig heeft betaald.

De rechtbank legt de schadevergoedingsmaatregel aan [verdachte] op, zodat (kort gezegd) de benadeelde partij de schadevergoeding niet zelf bij [verdachte] hoeft te incasseren, maar dat de Staat dit voor hem doet. De rechtbank bepaalt daarom dat [verdachte] een bedrag van € 1.000,- aan de Staat moet betalen.

Dit bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 21 februari 2026 (datum ontstaan schade) tot de dag dat [verdachte] het volledige bedrag heeft betaald.

Als een verdachte niet (volledig) betaalt, kan gijzeling (een vorm van vrijheidsbeneming van de verdachte) worden toegepast. Gelet op de jonge leeftijd van [verdachte] in deze zaak vindt de rechtbank het echter niet passend om gijzeling aan de schadevergoedingsmaatregel te verbinden. De rechtbank bepaalt de duur van de gijzeling daarom op nul dagen.7. Toegepaste wetsartikelen

De opgelegde straffen en maatregel zijn gebaseerd op de volgende wetsartikelen:

  • 36f, 77a, 77g, 77i, 77m, 77n, 77x, 77y, 77z, 77aa, 77gg, 300 en 317 van het Wetboek van Strafrecht.8. De beslissing

De rechtbank:

bewezenverklaring

verklaart bewezen dat [verdachte] de feiten 1 primair en 2 heeft gepleegd, zoals hierboven in paragraaf 3.4 is omschreven;

verklaart het overige dat in de beschuldiging staat niet bewezen en spreekt [verdachte] daarvan vrij;

strafbaarheid feit

  • verklaart het bewezenverklaarde strafbaar en kwalificeert dit zoals hiervoor in paragraaf 4.1 is vermeld;

strafbaarheid verdachte

  • verklaart [verdachte] strafbaar voor het bewezenverklaarde;

straf

  • veroordeelt [verdachte] tot een jeugddetentie van 120 dagen;

  • bepaalt dat de tijd, door [verdachte] vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de jeugddetentie in mindering zal worden gebracht;

  • bepaalt dat van de jeugddetentie een gedeelte van 93 dagen, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders gelast op grond van het feit dat [verdachte] de hierna te melden algemene en/of bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd;

  • stelt daarbij een proeftijd van 2 (twee) jaren vast;

  • als voorwaarden gelden dat [verdachte] :

  • zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

  • ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van één of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

  • medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 77aa, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de jeugdreclassering zo vaak en zolang als de jeugdreclassering dit noodzakelijk acht, daaronder begrepen;

  • stelt als bijzondere voorwaarden dat [verdachte] gedurende de proeftijd:
  • op geen enkele wijze – direct of indirect – contact zal opnemen, zoeken of hebben met [slachtoffer 2] (geboren op [1984] ), zolang de jeugdreclassering dit noodzakelijk acht;

  • zich niet zal bevinden op binnen een straal van 50 meter van de [winkel] te [woonplaats] , [plaats] , zolang de jeugdreclassering dit noodzakelijk acht;

  • aanwezig zal zijn op de navolgende locatie: [adres] , [woonplaats] . Dit locatiegebod geldt om te beginnen voor de tijdsblokken waarop het huisarrest voor [verdachte] van kracht is en geldt zolang de jeugdreclassering dit noodzakelijk acht;

  • zich ter controle van het locatiegebod en -verbod onder elektronische monitoring zal stellen van de gecertificeerde instelling Samen Veilig te Almere. De elektronische monitoring duurt tot uiterlijk 1 oktober 2026 of zoveel korter als Samen Veilig te Almere nodig vindt;

  • zich onder behandeling zal stellen van de Waag of een soortgelijke instelling, op de tijden en plaatsen als door of namens die instelling aan te geven, teneinde zich te laten behandelen zolang de jeugdreclassering dit noodzakelijk acht;

  • zal meewerken aan hulpverlening als dit door jeugdreclassering passend bevonden wordt;

  • zal meewerken aan een zinvolle dagbesteding in de vorm van werk, stage of vrijwilligerswerk voor de duur van tenminste 24 uur per week zolang het onderwijs nog niet gestart is;

  • zal meewerken aan een positieve invulling van zijn vrije tijd naast werk, stage of vrijwilligerswerk;

  • bij de start van onderwijs zal meewerken aan het positief vormgeven en deelnemen aan onderwijs;

  • waarbij aan de gecertificeerde instelling te weten Samen Veilig te Almere opdracht wordt gegeven als bedoeld in artikel 77a, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en [verdachte] ten behoeve daarvan te begeleiden;

  • veroordeelt [verdachte] tot een taakstraf bestaande uit een werkstraf van 60 uren;

  • beveelt dat voor het geval [verdachte] de taakstraf niet of niet naar behoren verricht de taakstraf wordt vervangen door 30 dagen jeugddetentie;

vordering tot schadevergoeding van benadeelde partij [slachtoffer 2] (feit 2)

wijst de vordering van [slachtoffer 2] gedeeltelijk toe tot een bedrag van € 1.000,-, bestaande uit immateriële schade;

veroordeelt [verdachte] tot betaling aan [slachtoffer 2] van het toegewezen bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 21 februari 2026 tot de dag van volledige betaling;

wijst de vordering van [slachtoffer 2] voor wat betreft het meer gevorderde af;

legt aan [verdachte] de verplichting op ten behoeve van [slachtoffer 2] aan de Staat € 1.000,- te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 21 februari 2026 tot de dag van volledige betaling, bij niet betaling aan te vullen met 0 dagen gijzeling;

bepaalt dat [verdachte] van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij op een van de hiervoor beschreven manieren de schade aan de benadeelde dan wel aan de Staat heeft vergoed;

voorlopige hechtenis

  • heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis.

Dit vonnis is gewezen door mr. S.C. Hagedoorn, voorzitter, mrs. H. den Haan en J.S. Spijkerman, rechters, in tegenwoordigheid van mr. B.T. Feenstra als griffier en is in het openbaar uitgesproken op 7 juli 2026.

De voorzitter, jongste rechter en de griffier zijn niet in de gelegenheid dit vonnis te ondertekenen.

Bijlage I: De tenlastelegging

Aan [verdachte] is ten laste gelegd dat:

feit 1 hij op of omstreeks 21 februari 2026 te Zeewolde met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [slachtoffer 1] heeft gedwongen tot de afgifte van een of meerdere geldbedrag(en), in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [winkel] en/of een derde toebehoorde(n), door: - een (vuur)wapen op die [slachtoffer 1] te richten, en/of - te zeggen: "Maak dat ding open" en (daarbij) naar de cashbox te wijzen, en/of - te zeggen: "Snel, schiet op, doe het geld erin!" en/of een tas op de balie te leggen, waarna die [slachtoffer 1] geldbriefjes in de tas heeft gestopt, en/of - (daarna) te zeggen: "hij hoeft niet op slot, maak die kassa open" en/of "alleen de briefjes van 50, 20 en 10", waarna die [slachtoffer 1] de kassa heeft geopend en/of geldbriefjes in de tas heeft gestopt, en/of - met de tas in de richting van de uitgang van de winkel te lopen;

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 21 februari 2026 te Zeewolde ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om met het oogmerk om zich of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [slachtoffer 1] te dwingen tot de afgifte van een geldbedrag, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [winkel] , in elk geval aan een derde toebehoorde(n) - een (vuur)wapen op die [slachtoffer 1] heeft gericht, en/of - heeft gezegd: "Maak dat ding open" en (daarbij) naar de cashbox heeft gewezen, en/of - heeft gezegd: "Snel, schiet op, doe het geld erin!" en/of een tas op de balie heeft gelegd, waarna die [slachtoffer 1] geldbriefjes in de tas heeft gestopt, en/of - (daarna) heeft gezegd: hij hoeft niet op slot, maak die kassa open" en "alleen de briefjes van 50, 20 en 10", waarna die [slachtoffer 1] de kassa heeft geopend en/of geldbriefjes in de tas heeft gestopt, en/of - met de tas in de richting van de uitgang van de winkel is gelopen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

feit 2 hij op of omstreeks 21 februari 2026 te Zeewolde [slachtoffer 2] heeft mishandeld, door die [slachtoffer 2] met een wapen, in elk geval met zijn hand, in het gezicht te slaan.

Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit pagina’s uit het dossier van politie eenheid Midden-Nederland met proces-verbaalnummer MD2R026032 JARRAH, doorgenummerd pagina 1 tot en met 110. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren, opgemaakt proces-verbaal. Voor zover het gaat om geschriften als bedoeld in artikel 344 eerste lid onder 5 van het Wetboek van Strafvordering worden deze alleen gebruikt in verband met de inhoud van andere bewijsmiddelen.

Pagina’s 34, 35 en 38.

Pagina’s 92 en 93.

Meer Beslissingen