[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"decision-ecli-nl-rbnho-2026-2239":3,"decision-more-ecli-nl-rbnho-2026-2239":20},{"id":4,"ecli":5,"caseNumber":6,"courtId":7,"courtName":8,"courtSlug":9,"decisionDate":10,"fullText":11,"language":12,"source":13,"sourceUrl":14,"summary":6,"slug":15,"metadata":16},"1816","ECLI:NL:RBNHO:2026:2239","",73,"Alkmaar","alkmaar","2026-03-05T00:00:00.000Z","RECHTBANK NOORD-HOLLAND\n\nFamilie en Jeugd\n\nlocatie Alkmaar\n\nzaaknummer \u002F rekestnummer: C\u002F15\u002F338474 \u002F FA RK 23-1569 en C\u002F15\u002F343343 \u002F FA RK 23-4088\n\nBeschikking d.d. 5 maart 2026 betreffende de echtscheiding\n\nin de zaak van:\n\n [de vrouw] ,\n\nwonende te [plaats] ,\n\nhierna te noemen de vrouw,\n\nadvocaat mr. N.J. Josipovic, gevestigd te 's-Gravenhage,\n\ntegen\n\n [de man] ,\n\nwonende te [plaats] ,\n\nhierna te noemen de man,\n\nadvocaat mr. M.E.M. Beijersbergen, gevestigd te Den Haag.\n\nIn verband met het bepaalde in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure opgeroepen:\n\nde Raad voor de Kinderbeschermingte Haarlem,\n\nhierna te noemen: de Raad.\n\n1. De procedure\n\n1.1.. Het verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- het verzoekschrift van de vrouw, ingekomen op 31 maart 2023;\n\n- het verweerschrift tevens zelfstandig verzoek van de man, ingekomen op 6 juli 2023;\n\n- het verweerschrift op het zelfstandig verzoek van de vrouw, ingekomen op 21 augustus 2023;\n\n- het aanvullend\u002Fgewijzigd verzoek van de man, ingekomen op 7 januari 2026;\n\n- nadere stukken van de vrouw, ingekomen op 8 januari 2026;\n\n- nadere stukken van de man, ingekomen op 23 januari 2026.\n\n1.2.. \n\nDe mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 5 februari 2026.\n\nBij die gelegenheid zijn verschenen:\n\n- de vrouw, bijgestaan door mr. N.J. Josipovic;\n\n- de man, bijgestaan door mr. M.E.M. Beijersbergen;\n\n- [vertegenwoordiger van de raad] namens de Raad.\n\n2. De beoordeling\n\n2.1.. Partijen zijn met elkaar gehuwd op [huwelijksdatum] te [plaats] . Partijen zijn tijdens het huwelijk huwelijkse voorwaarden aangegaan, waarbij zij iedere gemeenschap hebben uitgesloten. Partijen hebben de Nederlandse nationaliteit.\n\n2.2.. De minderjarige kinderen van partijen zijn:\n\n- [de minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum] te [plaats] en\n\n- [de minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum] te [plaats] .\n\n2.3.. Bij beschikking van deze rechtbank van 7 maart 2023 is bij wijze van voorlopige voorziening bepaald dat [de minderjarige 1] wordt toevertrouwd aan de vrouw, is een zorgregeling tussen de man en [de minderjarige 1] vastgesteld en is bepaald dat de vrouw bij uitsluiting zal zijn gerechtigd tot het gebruik van de echtelijke woning. Daarnaast is een door de man te betalen kinderbijdrage vastgesteld van € 330,- per maand. Het verzoek van de vrouw tot het vaststellen van een bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud is afgewezen.\n\n2.4.. Bij beschikking van deze rechtbank van 4 maart 2024 is een aanvullende zorgregeling vastgesteld tussen de man en de minderjarige [de minderjarige 2] . Verder zijn partijen in de bodemprocedure verwezen naar de hulpverlening in het kader van het Uniform Hulpaanbod (UHA).\n\n2.5.. De vrouw heeft in een afzonderlijke procedure op grond van artikel 1:253a BW – kort gezegd – verzocht haar vervangende toestemming te verlenen om met de minderjarigen te verhuizen naar [plaats] , [de minderjarige 1] in te schrijven op een school in [plaats] en haar vervangende toestemming te verlenen om met de kinderen op vakantie te gaan. Bij beschikking van de meervoudige kamer van deze rechtbank van 8 november 2024 zijn de verzoeken van de vrouw tot vervangende toestemming tot verhuizing en inschrijving van [de minderjarige 1] op een school afgewezen en is de man vervangende toestemming verleend om [de minderjarige 1] in te schrijven op de basisschool [basisschool] in [plaats] . Daarnaast is aan de vrouw vervangende toestemming verleend om met de kinderen op vakantie te gaan naar Disneyland Parijs.\n\n2.6.. Uit het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in kort geding van 11 december 2025 blijkt dat partijen afspraken hebben gemaakt over de zorgregeling gedurende de kerstvakantie 2025\u002F2026. Partijen hebben elkaar verder toestemming verleend om op vakantie te gaan met de kinderen.\n\n2.7.. Scheiding\n\n2.7.1.. Partijen hebben verzocht de echtscheiding tussen hen uit te spreken. Zij hebben gesteld dat het huwelijk duurzaam is ontwricht.\n\n2.7.2.. Op grond van artikel 815, lid 2 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv), voor zover hier van belang, dient een (inleidend) verzoekschrift tot echtscheiding een ouderschapsplan te bevatten ten aanzien van de minderjarige kinderen van partijen over wie zij al dan niet gezamenlijk het gezag uitoefenen. Nu het ouderschapsplan in de wet is geformuleerd als een processuele eis bij een verzoek tot echtscheiding heeft de rechtbank de bevoegdheid een echtgenoot in het verzoek tot echtscheiding niet-ontvankelijk te verklaren, tenzij er redenen zijn om aan te nemen dat het ouderschapsplan redelijkerwijs niet kan worden overgelegd (artikel 815, lid 6 Rv).\n\n2.7.3.. Door de vrouw is geen ouderschapsplan overeenkomstig artikel 815, lid 2 Rv overgelegd. Naar het oordeel van de rechtbank is gebleken dat partijen niet in staat zijn om met elkaar afspraken te maken over de kinderen. Hulpverlening in het kader van het UHA is onvoldoende van de grond gekomen. Nu de vrouw voldoende heeft gemotiveerd dat het voor haar op dit moment redelijkerwijs niet mogelijk is een door beide partijen akkoord bevonden ouderschapsplan over te leggen, zal de rechtbank de vrouw ontvangen in haar verzoek tot echtscheiding.\n\n2.7.4.. Het verzoek tot echtscheiding zal, als op de wet gegrond, worden toegewezen.\n\n2.8.. Verblijfplaats\n\n2.8.1.. De vrouw heeft verzocht te bepalen dat de hoofdverblijfplaats van de kinderen bij haar zal zijn.\n\n2.8.2.. De man heeft zich hiertegen verweerd en heeft verzocht te bepalen dat de hoofdverblijfplaats van de kinderen bij hem zal zijn. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de man verklaard dat hij de beslissing over de hoofdverblijfplaats van de kinderen aan het oordeel van de rechtbank overlaat, maar dat hij van mening is dat de hoofdverblijfplaats in ieder geval bij hem moet worden bepaald als de vrouw niet in [plaats] of omgeving blijft wonen.\n\n2.8.3.. De rechtbank stelt vast dat de vrouw sinds het uiteengaan van partijen de hoofdverzorger is geweest. De man en [de minderjarige 2] hebben nimmer in gezinsverband samengeleefd, omdat hij pas is geboren nadat partijen feitelijk al uit elkaar waren. Om die reden sluit de hoofdverblijfplaats bij de vrouw het meest aan bij de situatie zoals die al enkele jaren is. De rechtbank zal daarom bepalen dat de hoofdverblijfplaats van de kinderen bij de vrouw zal zijn. Dit betekent dat haar verzoek daartoe zal worden toegewezen en dat het verzoek van de man op dit punt zal worden afgewezen.\n\n2.9.. Vervangende toestemming verhuizing\n\n2.9.1.. De vrouw heeft, na wijziging en aanvulling van haar verzoek, verzocht haar toestemming te verlenen om met de kinderen te verhuizen naar [plaats] aan [adres] . Daarbij heeft zij verzocht haar vervangende toestemming te verlenen om [de minderjarige 1] in te schrijven op de [basisschool] in [plaats] , de kinderen in te schrijven bij de huisartsenpraktijk [huisartsenpraktijk] te [plaats] , de kinderen in de schrijven bij [tandartspraktijk] en om [de minderjarige 1] in te schrijven op zwemles bij [zwembad] te [plaats] .\n\n2.9.2.. De vrouw stelt dat na de beschikking van 8 november 2024, waarin haar verzoek tot vervangende toestemming om met de kinderen naar [plaats] te verhuizen is afgewezen, een wijziging van omstandigheden heeft plaatsgevonden.\n\n2.9.3.. De man heeft zich verweerd tegen het verzoek van de vrouw. Hij heeft gesteld dat de beschikking van 8 november 2024 in kracht van gewijsde is gegaan en tussen partijen ook gezag van gewijsde heeft. De rechtbank heeft het verzoek van de vrouw destijds beoordeeld aan de hand van dezelfde criteria als waar de vrouw zich nu op beroept. Zij heeft geen nieuwe feiten en omstandigheden naar voren gebracht.\n\n2.9.4.. De rechtbank zal het verzoek van de vrouw om haar vervangende toestemming te verlenen om met de kinderen naar [plaats] te verhuizen, afwijzen. Vast staat dat de meervoudige kamer van deze rechtbank bij beschikking van 8 november 2024 hetzelfde verzoek van de vrouw reeds heeft afgewezen. In tegenstelling tot wat de vrouw heeft gesteld, betrof dit een beslissing op een bodemverzoek op grond van artikel 1:253a BW en was dit geen voorlopige maatregel. De vrouw heeft geen hoger beroep ingesteld tegen voornoemde beschikking, waarmee de beslissing in kracht van gewijsde is gegaan. Daarmee heeft de beslissing ook gezag van gewijsde gekregen, wat betekent dat de beslissing in de onderhavige procedure bindend is voor partijen. Voor zover de vrouw heeft gesteld dat er na de beschikking van 8 november 2024 een wijziging van omstandigheden heeft plaatsgevonden die een nieuw verzoek en nieuwe beoordeling rechtvaardigen, heeft zij dat onvoldoende onderbouwd. De feiten en omstandigheden die de vrouw aanvoert, waren in de eerdere procedure al aan de orde en zijn meegenomen bij de beoordeling door de rechtbank.\n\n2.9.5.. Het voorgaande brengt mee dat de overige met de verhuizing samenhangende verzoeken van de vrouw over de inschrijving van de kinderen op school, bij de huisarts, de tandarts en zwemles, eveneens zullen worden afgewezen.\n\n2.10.. Verdeling zorg- en opvoedingstaken\n\n2.10.1.. Beide partijen hebben verzocht een regeling inzake de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken (hierna: de zorgregeling) vast te stellen.\n\n2.10.2.. De vrouw heeft, na wijziging van haar verzoek, verzocht een zorgregeling vast te stellen waarbij de kinderen om de week van vrijdag na school (dan wel 17.00 uur) tot zondag 17.00 uur bij de man verblijven, alsmede iedere woensdag na school (dan wel 12.00 uur) tot donderdag naar school (dan wel 8.30 uur). De vakanties en feestdagen zullen bij helfte worden verdeeld. Daarnaast kunnen de man en de kinderen contact via Facetime hebben op maandag en dinsdag om 7.30 uur, voordat zij naar school gaan. Op studiedagen die aansluiten op de zorgregeling, zullen de kinderen bij de man zijn.\n\n2.10.3.. De man heeft bij wijze van zelfstandig verzoek, na wijziging van zijn verzoek, verzocht een zorgregeling vast te stellen, inhoudende dat de kinderen in de oneven weken van maandag naar school tot woensdag 8.00 uur bij de vrouw en van woensdag 8.00 uur tot vrijdag 17.00 uur bij de man verblijven en vervolgens van vrijdag 17.00 uur tot woensdag 17.00 uur bij de vrouw en van woensdag 17.00 uur tot zondag 18.00 uur bij de man. Daarnaast heeft de man verzocht een verdeling van de vakanties en feestdagen vast te stellen.\n\n2.10.4.. Uit de stukken en hetgeen partijen tijdens de mondelinge behandeling hebben verklaard, leidt de rechtbank af dat de man een grotere rol in de verzorging en opvoeding van de kinderen wenst. Hij heeft verklaard dat hij in staat is de door hem verzochte zorgregeling na te komen, omdat hij zijn werk flexibel kan inrichten en hij veel kan thuiswerken. De vrouw heeft verklaard dat zij de kinderen te jong vindt voor een co-ouderschapsregeling, mede omdat zij nog borstvoeding geeft aan [de minderjarige 2] . Zij wil een opbouwregeling vaststellen, zodat [de minderjarige 2] eraan kan wennen dat hij met zijn vader mee gaat.\n\n2.10.5.. De Raad heeft tijdens de mondelinge behandeling naar voren gebracht dat er geen redenen zijn om de door de man verzochte zorgregeling niet toe te wijzen. De rechtbank sluit hierbij aan. Daartoe overweegt de rechtbank dat de man, gelijk aan de vrouw, ouder is van de kinderen. [de minderjarige 1] is gewend aan het contact met zijn vader en ook [de minderjarige 2] heeft inmiddels meermalen bij de man overnacht. Niet gebleken is dat de man niet in staat is een groter gedeelte van de zorg voor de kinderen op zich te nemen. Ook de kinderen laten geen signalen zien waarom dat niet mogelijk zou zijn. Dat zij zich na terugkomst bij de vrouw anders gedragen, is niet ongebruikelijk, omdat zij moeten schakelen tussen hun ouders. De rechtbank acht het voor de kinderen van belang dat zij een gelijk contact hebben met beide ouders en er geen onderlinge verschillen zijn. De leeftijd van de kinderen vormt evenmin een belemmering voor uitbreiding van de zorgregeling. De keuze van de vrouw om nog borstvoeding te geven aan [de minderjarige 2] , maakt dit niet anders, temeer nu [de minderjarige 2] niet meer afhankelijk is van borstvoeding en dit dus geen belemmering vormt om langer aaneengesloten bij de man te verblijven.\n\n2.10.6.. Het voorgaande leidt ertoe dat de rechtbank de door de man verzochte zorgregeling zal toewijzen, inhoudende dat de kinderen in de oneven weken van woensdag 8.00 uur tot vrijdag 17.00 uur bij hem zullen zijn en in de even weken van woensdag 17.00 uur tot zondag 18.00 uur. Nu beide kinderen al contact hebben met de man, ziet de rechtbank geen reden een opbouwregeling vast te stellen, zoals door de vrouw is verzocht. De rechtbank geeft partijen in overweging de hulpverlening vanuit het Centrum voor Jeugd en Gezin (Wijkteam) te hervatten, zodat zij ondersteuning kunnen krijgen in het verder vormgeven van het co-ouderschap. Van belang is namelijk dat de vrouw vertrouwen heeft in de man als vader en dat zij de kinderen emotionele toestemming kan geven om bij de man te zijn. Voor zover zij twijfels of negatieve gevoelens heeft over de zorgregeling, zal dit zijn weerslag hebben op de kinderen, wat mogelijk tot loyaliteitsproblemen kan leiden bij hen.\n\n2.10.7.. Tussen partijen is niet langer in geschil dat de vakanties bij helfte moeten worden verdeeld. Tijdens de mondelinge behandeling hebben beide partijen erkend dat het praktisch is als de kinderen de eerste helft van de vakantie zullen verblijven bij de ouder waar zij het weekend daaraan voorafgaand zijn. De rechtbank gaat ervan uit dat partijen aan de hand van dit uitgangspunt jaarlijks samen tot een verdeling van de vakanties kunnen komen. Een meer gedetailleerde verdeling, zoals door de man is verzocht, acht de rechtbank niet uitvoerbaar, omdat de vakanties per jaar mogelijk kunnen verspringen naar even weken of oneven weken.\n\n2.10.8.. Voor wat betreft de verdeling van de feestdagen zal de rechtbank de verdeling vaststellen zoals hierna te melden. De rechtbank volgt daarbij het verzoek van de man, omdat de vrouw niet heeft onderbouwd waarom een andere verdeling moet gelden.\n\n2.11.. Woning\n\n2.11.1.. De vrouw heeft het voortgezet gebruik van de woning verzocht voor de duur van drie dan wel zes maanden.\n\n2.11.2.. De rechtbank zal het verzoek van de vrouw toewijzen voor de duur van zes maanden, nu de man zich niet, althans onvoldoende onderbouwd, heeft verweerd tegen dit verzoek. De vrouw heeft hiermee de gelegenheid een andere woning in de omgeving van de echtelijke woning te zoeken waar zij met de kinderen kan wonen.\n\n2.11.3.. Ten overvloede merkt de rechtbank op dat de termijn van zes maanden de wettelijke maximum termijn is. Dit laat onverlet dat als de vrouw eerder andere woonruimte kan betrekken, de woning eerder zou kunnen worden geleverd aan de man.\n\n2.12.. Onderhoudsbijdragen\n\nKinderbijdrage\n\n2.12.1.. De vrouw heeft, na wijziging van haar verzoek, verzocht een door de man te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarigen (hierna ook: kinderbijdrage) van € 383,- per kind per maand.\n\n2.12.2.. De man heeft zich verweerd tegen dit verzoek.\n\n2.12.3.. De rechtbank zal het verzoek beoordelen aan de hand van de aanbevelingen die zijn opgenomen in het rapport Alimentatienormen. De hierna genoemde bedragen zijn steeds op hele euro’s afgerond. De rechtbank verwijst naar de aan deze beschikking gehechte berekeningen. Met betrekking tot de daarin gehanteerde uitgangspunten overweegt de rechtbank als volgt.\n\nBehoefte\n\n2.12.4.. Partijen zijn het erover eens dat de behoefte van de kinderen, geïndexeerd naar 2026, € 1.700,- per maand bedraagt, wat neerkomt op € 850,- per kind per maand. De rechtbank zal hierbij aansluiten.\n\n2.12.5.. Vervolgens zal de rechtbank beoordelen op welke wijze deze kosten van de kinderen moeten worden verdeeld tussen de ouders.\n\nDraagkracht man\n\n2.12.6.. De man is in loondienst. Zijn fiscaal loon volgens de jaaropgave over 2025 bedroeg € 175.131,-. Volgens de man is dit loon inclusief de bijtelling van zijn auto van de zaak. Uit de salarisspecificatie van de man over december 2025 blijkt dat de totale bijtelling over dat jaar € 18.271,44 bedroeg, zodat dit bedrag op het fiscaal loon van de man in mindering zal worden gebracht. De rechtbank gaat daarom uit van een fiscaal loon van de man over 2025 van € 156.860,-.\n\n2.12.7.. Op basis van dit inkomen van de man, berekent de rechtbank zijn netto besteedbaar inkomen op € 7.440,- per maand. Hij heeft daarmee een draagkracht voor het betalen van een kinderbijdrage van € 2.690,- per maand.\n\nDraagkracht vrouw\n\n2.12.8.. De vrouw is in loondienst. Zij heeft een salaris van € 5.159,- bruto per maand, te vermeerderen met het wettelijk vakantiegeld en een dertiende maand waarvoor zij € 430,- per maand opbouwt. Daarnaast heeft de vrouw de beschikking over een EBB budget van € 600,- per maand. De vrouw heeft toegelicht dat zij dit budget naar keuze kan inzetten voor bijvoorbeeld de aanschaf van een fiets of extra verlofuren en dat dit daarom niet moet worden meegenomen bij haar inkomen. Nu de vrouw heeft verklaard dat zij het afgelopen jaar het EBB budget niet heeft ingezet en dit bedrag volledig is uitbetaald, zal de rechtbank hiermee rekening houden bij de berekening van haar draagkracht. Verder houdt de rechtbank rekening met de pensioenpremie die de vrouw betaalt van € 245,- per maand en de PAWW-premie van € 5,- per maand.\n\n2.12.9.. De vrouw maakt aanspraak op een kindgebonden budget inclusief alleenstaande ouderkop van € 5.043,- per jaar.\n\n2.12.10.. Op basis van bovenstaande gegevens berekent de rechtbank het netto besteedbaar inkomen van de vrouw op € 5.017,- per maand. Zij heeft dan een draagkracht van € 1.503,- per maand.\n\nDraagkrachtvergelijking\n\n2.12.11.. De gezamenlijke draagkracht van partijen bedraagt € 4.193,- per maand. Dit bedrag overschrijdt de behoefte [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] van € 1.700,- per maand en daarom is er aanleiding om een draagkrachtvergelijking te maken. Het aandeel van de man in de kosten van de kinderen bedraagt dan € 1.091,- per maand en het aandeel van de vrouw bedraagt dan € 609,- per maand.\n\n2.12.12.. Op het berekende aandeel van de man dient de zorgkorting in mindering te worden gebracht. Gelet op de zorgregeling zoals die in deze beschikking wordt vastgesteld, is een zorgkorting van 35% van toepassing. De zorgkorting beloopt € 596,- per maand. De man wordt geacht dit bedrag minimaal te besteden aan de kinderen bij de uitoefening van zijn zorgtaken. Het aandeel van de man in de kosten van de kinderen na aftrek van de zorgkorting bedraagt € 495,- per maand, ofwel € 247,- per kind per maand.\n\nIngangsdatum\n\n2.12.13.. De vrouw heeft verzocht voor de ingangsdatum voor wat betreft [de minderjarige 1] uit te gaan van de datum van deze beschikking en voor wat betreft [de minderjarige 2] met ingang van de dag van zijn geboorte, te weten [geboortedatum] , omdat de man tot op heden geen kinderbijdrage voor hem heeft voldaan. De man heeft zich hiertegen niet verweerd, zodat de rechtbank van deze ingangsdata zal uitgaan.\n\nConclusie\n\n2.12.14.. Op grond van het voorgaande zal de rechtbank bepalen dat de man een kinderbijdrage voor de kinderen van € 247,- per kind per maand aan de vrouw moet betalen, voor [de minderjarige 1] met ingang van de datum van deze beschikking en voor [de minderjarige 2] met ingang van [geboortedatum] . Daarbij geldt dat de kinderbijdrage voor beide kinderen voor het eerst zal worden geïndexeerd met het wettelijke percentage met ingang van 1 januari 2027.\n\nPartnerbijdrage\n\n2.12.15.. De vrouw heeft verzocht een door de man te betalen bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud (hierna ook: partnerbijdrage) van € 2.187,- per maand vast te stellen.\n\n2.12.16.. De man heeft zich verweerd tegen dit verzoek.\n\n2.12.17.. De rechtbank zal ook dit verzoek beoordelen aan de hand van de aanbevelingen die zijn opgenomen in het rapport Alimentatienormen. De hierna genoemde bedragen zijn steeds op hele euro’s afgerond. De rechtbank verwijst naar de aan deze beschikking gehechte berekeningen. Met betrekking tot de daarin gehanteerde uitgangspunten overweegt de rechtbank als volgt.\n\nBehoefte\n\n2.12.18.. De vrouw heeft haar huwelijksgerelateerde behoefte aan de hand van de zogenoemde Hofnorm berekend. De rechtbank zal hierbij uitgaan van de inkomens van partijen over het jaar 2023, omdat zij in dat jaar feitelijk uit elkaar zijn gegaan. Uitgaande van het loon volgens de jaaropgave van de man van € 142.863,- per jaar en het loon volgens jaaropgave van de vrouw van € 67.207,- per jaar, heeft de vrouw het netto besteedbaar inkomen van partijen over 2023 berekend op € 10.824,- per maand. Na aftrek van de kosten van de kinderen ter hoogte van € 1.460,- per maand, bedroeg de huwelijksgerelateerde behoefte volgens de vrouw € 5.619,- netto per maand. De rechtbank zal van deze behoefte uitgaan, nu de man zich daartegen niet althans onvoldoende gemotiveerd heeft verweerd. Geïndexeerd naar 2026 bedraagt de huwelijksgerelateerde behoefte dan € 6.648,- netto per maand.\n\nAanvullende behoefte\n\n2.12.19.. Vervolgens zal de rechtbank beoordelen in hoeverre de vrouw zelf in deze behoefte kan voorzien. Daarbij houdt de rechtbank rekening met haar inkomen uit loondienst zoals hierboven in het kader van de kinderbijdrage is vermeld, waarbij geen rekening wordt gehouden met het kindgebonden budget dat zij ontvangt. Op basis van deze gegevens heeft de vrouw een netto besteedbaar inkomen van € 4.597,- per maand. Dit betekent dat zij een aanvullende behoefte heeft aan een bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud van € 2.051,- netto per maand, wat neerkomt op € 4.045,- bruto per maand.\n\nDraagkracht man\n\n2.12.20.. Voor de draagkracht van de man verwijst de rechtbank naar hetgeen hierboven is overwogen in het kader van de kinderbijdrage, waaruit volgt dat de man een netto besteedbaar inkomen heeft van € 7.440,- per maand.\n\n2.12.21.. De rechtbank houdt rekening met het aandeel van de man in de kosten van de kinderen (inclusief zorgkorting) van € 1.091,- per maand. Hij heeft dan een resterende draagkracht van € 1.215,- netto per maand, wat gebruteerd neerkomt op € 1.945,- per maand.\n\nInkomensvergelijking\n\n2.12.22.. \n\nDe man heeft verzocht een inkomensvergelijking te maken. De rechtbank stelt voorop dat als uitgangspunt geldt dat de onderhoudsgerechtigde (in dit geval de vrouw) na ontvangst van de partnerbijdrage niet méér heeft te besteden dan de onderhoudsplichtige (in dit geval de man). Een inkomensvergelijking wordt gemaakt om te berekenen welk bedrag de vrouw maximaal kan ontvangen zonder dat zij in een betere financiële positie komt te verkeren dan de man. Uit de inkomensvergelijking volgt dat partijen in een gelijke financiële positie komen te verkeren als de man een partnerbijdrage voldoet van € 955,- bruto per maand, zodat de rechtbank dit bedrag zal vaststellen.\n\nIngangsdatum\n\n2.12.23.. Uit de wet volgt dat de rechtbank de partnerbijdrage niet kan laten ingaan op een datum gelegen voor de dag van inschrijving van de beschikking tot echtscheiding. De rechtbank zal de ingangsdatum dan ook bepalen op deze datum.\n\nConclusie\n\n2.12.24.. Op grond van het voorgaande zal de rechtbank bepalen dat de man met ingang van de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking een bijdrage in de kosten van levensonderhoud van de vrouw dient te voldoen van € 955,- per maand.\n\n2.13.. Verdeling\n\n2.13.1.. Partijen hebben verzocht te bepalen dat de tussen hen bestaande eenvoudige gemeenschappen worden verdeeld op de door ieder van hen voorgestelde wijze. De rechtbank zal hieronder de vermogensbestanddelen bespreken die volgens partijen of één van hen moeten worden verdeeld.\n\n2.13.2.. De rechtbank stelt voorop dat op grond van artikel 3:185 BW de rechter de wijze van verdeling gelast of de verdeling vaststelt, enkel indien en voor zover partijen over een verdeling niet tot overeenstemming komen. Voor zover partijen overeenstemming hebben bereikt, is er geen rol voor de rechter weggelegd.\n\n1. De echtelijke woning aan [adres]\n\n2.13.3.. Vast staat dat partijen gezamenlijk eigenaar zijn van de echtelijke woning aan [adres] . Op deze woning rust een hypothecaire geldlening bij Nationale Nederlanden.\n\n2.13.4.. De man heeft gesteld dat hij al duidelijkheid heeft dat hij in staat is de woning te financieren. Tussen partijen is niet in geschil dat de woning aan de man zal worden toebedeeld tegen de waarde waarvoor deze conform het hierna bepaalde wordt getaxeerd, onder de voorwaarde dat de man uiterlijk 5 juni 2026 ervoor dient zorg te dragen dat de vrouw wordt ontslagen uit haar hoofdelijke aansprakelijkheid voor de hypothecaire geldlening, met de bepaling dat aan haar de helft van de overwaarde van de woning wordt uitgekeerd (dan wel dat de onderwaarde door partijen ieder voor de helft zal worden gedragen).\n\n2.13.5.. Teneinde de waarde van de woning vast te stellen, zal de rechtbank bepalen dat partijen gezamenlijk een makelaar taxateur van onroerend goed opdracht dienen te geven de woning te taxeren, uitgaande van de vrije verkoopwaarde. De kosten van deze taxatie dienen door partijen bij helfte te worden gedeeld, nu het om gezamenlijk eigendom gaat. De vrouw heeft drie NVM-makelaars voorgesteld om de taxatie te laten uitvoeren, te weten [makelaarskantoor] , [makelaarskantoor] en [makelaarskantoor] . De man heeft hiertegen naar voren gebracht dat hij een taxatie wil via het NWWI, zodat andere makelaars ook naar het taxatierapport kijken om de onafhankelijkheid te waarborgen. Naar het oordeel van de rechtbank is een taxatie door een NVM-makelaar met voldoende waarborgen omkleed. De rechtbank zal daarom niet bepalen dat de taxatie via het NWWI moet plaatsvinden. De man dient binnen een week na de datum van deze beschikking één van bovenstaande makelaars, die door de vrouw zijn voorgesteld, te kiezen.\n\n2.13.6.. De vrouw heeft gesteld dat de man een rentevoordeel heeft, indien hij de woning overneemt met behoud van de huidige hypotheekrente. Zij stelt dat de man hiermee ongerechtvaardigd wordt verrijkt en dat hij de vrouw hiervoor moet vergoeden. De vrouw heeft dit verzoek verder niet geconcretiseerd en onderbouwd. Om die reden zal de rechtbank het verzoek afwijzen als te onbepaald.\n\n2. Bankrekeningen\n\n2.13.7.. Partijen zijn het erover eens dat de bankrekening op naam van partijen wordt opgeheven nadat de echtelijke woning aan de man is geleverd, waarbij het dan aanwezige saldo bij helfte zal worden verdeeld tussen partijen. In de tussenliggende periode wordt deze bankrekening gebruikt om de lasten van de echtelijke woning van te betalen. Nu partijen hierover overeenstemming hebben bereikt, hoeft de rechtbank geen beslissing meer te nemen.\n\n2.13.8.. Het verzoek van de vrouw te bepalen dat zij voortaan alleen het beheer over de spaarrekening van [de minderjarige 1] zal hebben, zal worden afgewezen. Op grond van artikel 1:253i BW voeren de ouders gezamenlijk het bewind over het vermogen van hun minderjarige kinderen. Partijen kunnen onderling wel andere afspraken maken, zoals het voorstel van de man om het saldo te splitsen zodat ieder van partijen voortaan apart voor [de minderjarige 1] kan sparen.\n\n3. Inboedel\n\n2.13.9.. De vrouw heeft verzocht de volledige inboedel aan de man toe te delen tegen een waarde van € 6.045,-, onder vergoeding van de helft van deze waarde aan de vrouw. De man heeft hiertegen naar voren gebracht dat hij inboedel in onderling overleg met de vrouw wil verdelen.\n\n2.13.10.. Voor het geval partijen geen afspraken kunnen maken over de verdeling van de inboedel, zal de rechtbank de wijze van verdeling gelasten op de navolgende wijze. Partijen dienen dan gezamenlijk een inboedellijst te maken, waarop alle te verdelen inboedel staat vermeld. Door middel van het opgooien van een dobbelsteen wordt bepaald wie begint met kiezen van een goed (degene die het hoogst gooit, mag als eerste kiezen) en vervolgens kiezen partijen om de beurt een inboedelgoed, een en ander zonder nadere verrekening, totdat alle inboedelgoederen zijn verdeeld.\n\n2.14.. Proceskosten\n\n2.14.1.. Gelet op de aard van de procedure zal de rechtbank bepalen dat elk van de partijen de eigen kosten draagt.\n\n3. De beslissing\n\nDe rechtbank:\n\n3.1.. spreekt de echtscheiding uit tussen partijen, gehuwd te [plaats] op [makelaarskantoor] ;\n\n3.2.. bepaalt dat de minderjarigen hun hoofdverblijfplaats zullen hebben bij de vrouw;\n\n3.3.. bepaalt dat de regeling inzake de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken als volgt zal zijn:\n\nde kinderen verblijven in de oneven weken van woensdag 8.00 uur tot vrijdag 17.00 uur bij de man en in de even weken van woensdag 17.00 uur tot zondag 18.00 uur;\n\nde vakanties worden bij helfte verdeeld tussen partijen, waarbij de kinderen de eerste helft van de vakantie zijn bij de ouder waar zij het weekend direct voorafgaand aan de start van de vakantie zijn;\n\nde feestdagen worden als volgt verdeeld:\n\nin de even jaren: op Goede Vrijdag, Pasen, Hemelvaartsdag vanaf 9.00 uur tot 9.00 uur de dag daarop zullen de kinderen bij de man zijn;\n\nin de oneven jaren: op Goede Vrijdag, Pasen, Hemelvaartsdag vanaf 9.00 uur tot 9.00 uur de dag daarop zullen de kinderen bij de vrouw zijn;\n\nin de even jaren: op Koningsdag vanaf 9.00 uur tot 9.00 uur de dag daarop en Sinterklaas uit school\u002Fcrèche, of 13.00 uur indien de kinderen die dag geen crèche en\u002Fof school hebben, tot naar school\u002Fcrèche, of bij geen school\u002Fcrèche 9.00 uur de dag daarop, zullen de kinderen bij de vrouw zijn;\n\nin de oneven jaren: op Koningsdag vanaf 9.00 uur tot 9.00 uur de dag daarop en Sinterklaas uit school\u002Fcrèche, of 13.00 uur indien de kinderen die dag geen crèche en\u002Fof school hebben, tot naar school\u002Fcrèche, of bij geen school\u002Fcrèche 9.00 uur de dag daarop, zullen de kinderen bij de man zijn;\n\nTenzij Goede Vrijdag, Pasen, Hemelvaartsdag, Koningsdag of Sinterklaas in de vakantie valt, dan is de vakantieverdeling bepalend;\n\nop hun verjaardagen zijn de kinderen in de even jaren bij de man en in de oneven jaren bij de vrouw;\n\nop de verjaardag van de man en Vaderdag: de kinderen zijn vanaf 9.00 uur tot 9.00 uur de volgende dag bij de man;\n\nop de verjaardag van de vrouw en Moederdag: de kinderen zijn vanaf 9.00 uur tot 9.00 uur de volgende dag bij de vrouw;\n\n3.4.. bepaalt dat de vrouw tegenover de man het recht heeft om in de woning aan het adres [adres] te blijven wonen en de tot de inboedel daarvan behorende zaken te blijven gebruiken tot zes maanden na de inschrijving van de beschikking tot echtscheiding in de registers van de burgerlijke stand, als zij de woning ten tijde van die inschrijving bewoont;\n\n3.5.. bepaalt dat de man € 247,- per kind per maand dient te betalen aan de vrouw als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de voornoemde minderjarigen, voor [de minderjarige 1] met ingang van de dag van deze beschikking en voor [de minderjarige 2] met ingang van [geboortedatum] , telkens bij vooruitbetaling te voldoen;\n\n3.6.. bepaalt dat de man € 955,- per maand dient te betalen aan de vrouw als uitkering tot levensonderhoud, met ingang van de dag van inschrijving van de beschikking tot echtscheiding in de registers van de burgerlijke stand, telkens bij vooruitbetaling te voldoen;\n\n3.7.. gelast de wijze van verdeling van de echtelijke woning van partijen en de daaraan verbonden hypothecaire lening overeenkomstig het hierboven in rechtsoverweging 2.13.4 en 2.13.5 bepaalde;\n\n3.8.. gelast de wijze van verdeling van de inboedelgoederen aldus, dat partijen de inboedel in onderling overleg zullen verdelen. Voor het geval partijen hierover geen overeenstemming bereiken dienen zij gezamenlijk één inboedellijst te maken, waarna partijen om beurten een goed kiezen. De partij die het hoogste aantal ogen gooit met een dobbelsteen mag beginnen met kiezen;\n\n3.9.. verklaart de beslissing met betrekking tot de hoofdverblijfplaats, de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken, het voortgezet gebruik van de woning, de kinderbijdrage, de partnerbijdrage en de verdeling uitvoerbaar bij voorraad;\n\n3.10.. bepaalt dat elke partij de eigen kosten van deze procedure draagt;\n\n3.11.. wijst het meer of anders verzochte af.\n\nDeze beschikking is gegeven door mr. C.S. Goedèl, rechter, tevens kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier T. Jelierse op 5 maart 2026.\n\nTegen deze beschikking kan - voor zover er definitief is beslist - door tussenkomst van een advocaat hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te Amsterdam. De verzoekende partij en verschenen belanghebbenden dienen het hoger beroep binnen de termijn van drie maanden na de dag van de uitspraak in te stellen. Andere belanghebbenden dienen het beroep in te stellen binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of nadat deze hun op andere wijze bekend is geworden en overeenkomstig artikel 820 lid 2 Rv openlijk bekend is gemaakt.","nl","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBNHO:2026:2239","ecli-nl-rbnho-2026-2239",{"courtName":8,"legalDomain":17,"decisionType":18,"procedureType":19},"Civiel recht; Personen- en familierecht","uitspraak","Uitspraak",[21,32,43,53,63],{"id":22,"ecli":23,"caseNumber":6,"courtId":24,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":26,"language":12,"source":13,"sourceUrl":27,"summary":6,"slug":28,"metadata":29},"410","ECLI:NL:RBLIM:2026:6423",66,"2026-07-08T00:00:00.000Z","RECHTBANK limburg\n\nZittingsplaats Roermond\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: ROE 25 \u002F 2565\n\nuitspraak van de meervoudige kamer van 8 juli 2026 in de zaak tussen\n\n [belanghebbende] , gevestigd te [plaats], belanghebbende\n\n(gemachtigde: M.O.E. Uyen)\n\nen\n\nde heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking Gemeenten en Waterschappen, de heffingsambtenaar (gemachtigde: A. van den Dool).\n\nProcesverloop\n\nDe heffingsambtenaar heeft op grond van de Wet waardering onroerende zaken (Wet woz) de waarde van de onroerende zaken van belanghebbende voor het belastingjaar 2025 vastgesteld (het primaire besluit).\n\nBelanghebbende heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt.\n\nDe heffingsambtenaar heeft het bezwaar van belanghebbende gegrond verklaard (het bestreden besluit). Aan belanghebbende is een proceskostenvergoeding van in totaal € 161,74 toegekend.\n\nBelanghebbende heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.\n\nDe heffingsambtenaar heeft verweer gevoerd.\n\nOp 4 mei 2026, aangevuld op 11 mei 2026, zijn van belanghebbende nadere gronden en stukken ontvangen.\n\nHet onderzoek ter zitting heeft vervolgens plaatsgevonden op 15 mei 2026. Belanghebbende heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. L.H.G.M. Driessen, kantoorgenote van haar gemachtigde bij Previcus B.V. te Boxmeer. De heffingsambtenaar heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.\n\nOverwegingen\n\n1. De rechtbank stelt vast dat de woz-waarde tussen partijen niet meer in geschil is. Het beroep van belanghebbende richt zich enkel tegen de toegekende proceskostenvergoeding en spitst zich toe op de vraag of de heffingsambtenaar bij de vaststelling van de proceskostenvergoeding in bezwaar toepassing heeft mogen geven aan de vermenigvuldigingsfactor 0,125 van artikel 30a, eerste lid, van de Wet woz, zoals dit artikellid luidt met ingang van 1 januari 2025.\n\n2. De heffingsambtenaar heeft in het bestreden besluit de proceskostenvergoeding van € 161,74 als volgt gespecificeerd:\n\n- indienen bezwaarschrift: 1 punt x waarde per punt € 647,- x factor 0,125 = € 80,87 +\n\n- bijwonen hoorzitting: 1 punt x waarde per punt € 647,- x factor 0,125 = € 80,87 = € 161,74.\n\n3. Belanghebbende vindt dat de heffingsambtenaar een te lage proceskostenvergoeding heeft toegekend. Zij verzoekt de rechtbank om artikel 30a van de Wet woz buiten toepassing te laten, omdat haar gemachtigde een bijzonder geval is als bedoeld in het zogenoemde 30a-arrest van de Hoge Raad van 17 januari 2025 (ECLI:NL:HR:2025:46).\n\n4. In het 30a-arrest heeft de Hoge Raad geoordeeld dat bijzondere gevallen zich onderscheiden doordat zij niet voldoen aan de volgende kenmerken: dat aan de belanghebbende rechtsbijstand wordt verleend door een beroepsmatig optredende gemachtigde, dan wel een kantoor, waarvan het bedrijfsmodel eruit bestaat dat\n\n( i) wordt opgetreden op basis van no cure no pay,\n\n(ii) daarbij zodanige afspraken met de cliënten worden gemaakt dat het bedrag van eventuele proceskostenvergoedingen aan de gemachtigde of aan het kantoor wordt afgedragen, en\n\n(iii) de procedures op een zodanige wijze worden gevoerd dat de daarin toegekende proceskostenvergoedingen de in redelijkheid gemaakte kosten ver overtreffen.\n\n5. De daarbij te hanteren regels zijn nader uitgewerkt in de arresten van de Hoge Raad van 25 april 2025 (ECLI:NL:HR:2025:670) en 18 juli 2025 (ECLI:NL:HR:2025:1175).\n\n5.1.. Volgens de Hoge Raad rusten op de belanghebbende de stelplicht en bewijslast van feiten die meebrengen dat buiten redelijke twijfel komt vast te staan dat, beoordeelt naar de situatie op het moment waarop het desbetreffende rechtsmiddel is aangewend, het bedrijfsmodel van de betreffende gemachtigde of diens kantoor kennelijk niet allehiervoor bedoelde drie kenmerken heeft en dat aldus sprake is van een bijzonder geval. Er is dus (al) sprake van een bijzonder geval als één van de drie kenmerken niet van toepassing is.\n\n5.2.. Bij de beoordeling van het bedrijfsmodel gaat het niet specifiek om de werkzaamheden die de gemachtigde heeft verricht in de procedure waarop de proceskostenvergoeding ziet. Met het bedrijfsmodel is namelijk meer in het algemeen de wijze bedoeld waarop de gemachtigde zijn inkomsten verwerft met het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand.\n\n5.3.. Indien het bedrijfsmodel van een gemachtigde of een kantoor inhoudt dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay (i), of op een grondslag die daarmee in wezen overeenkomt en daarmee dus op één lijn kan worden gesteld, en dat daarbij afspraken met de cliënten worden gemaakt als hiervoor onder (ii) bedoeld, zal aldus moeten worden beoordeeld of dit bedrijfsmodel voldoet aan het hiervoor onder (iii) vermelde kenmerk van vergaande overdekking. Daartoe moet een vergelijking worden gemaakt tussen enerzijds het totale bedrag aan proceskostenvergoedingen dat aan de gemachtigde of aan het kantoor wordt afgedragen, en anderzijds het totale bedrag van de kosten van de gemachtigde of van het kantoor die kunnen worden toegerekend aan het voeren van de procedures waarop die proceskostenvergoedingen betrekking hebben. Het komt dus erop aan of het totale bedrag van de afgedragen proceskostenvergoedingen het totale bedrag van de zojuist bedoelde kosten verre overtreft. De omstandigheid dat vaak geheel of ten dele gebruik wordt gemaakt van gestandaardiseerde tekstblokken die niet zijn toegespitst op de desbetreffende zaak, vormt een aanwijzing dat het bedrijfsmodel wel het derde kenmerk van vergaande overdekking heeft, en zal daarom in het algemeen volstaan om aan te nemen dat de belanghebbende niet in dit door hem te leveren bewijs is geslaagd.\n\n6. In het arrest van 26 september 2025 (ECLI:NL:HR:2025:1375) heeft de Hoge Raad nader uitgewerkt wanneer sprake is van een bedrijfsmodel dat eruit bestaat dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay (i). Bij optreden op basis van no cure no pay moet worden uitgegaan van afspraken tussen de belanghebbende en de rechtsbijstandverlener op grond waarvan de belanghebbende geen financieel risico loopt bij inschakeling van de rechtsbijstandverlener, omdat geen instapvergoeding verschuldigd is noch een percentage van de bespaarde belasting als vergoeding moet worden afgestaan (zie Kamerstukken II 2023\u002F24, 36 427, nr. 3, blz. 2). Bij de beoordeling van de vraag of het bedrijfsmodel van een beroepsmatig optredende gemachtigde, dan wel een kantoor, eruit bestaat dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay, komt het dus erop aan of die gemachtigde dan wel diens kantoor afspraken maakt met klanten op grond waarvan zij geen financieel risico lopen bij het verstrekken van de opdracht tot het verlenen van rechtsbijstand in een belastingprocedure. De verschuldigdheid van een instapvergoeding staat niet in alle gevallen eraan in de weg dat afspraken met een rechtsbijstandsverlener worden aangemerkt als afspraken op basis van no cure no pay. Onder het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand op basis van no cure no pay wordt namelijk ook begrepen het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand op een grondslag die daarmee in wezen overeenkomt en daarmee dus op één lijn kan worden gesteld. Dan moet worden gedacht aan de betaling van een zodanig laag bedrag dat die betaling als een pro forma of symbolische bijdrage moet worden beschouwd.\n\n7. De rechtbank stelt vast dat de gemachtigde van belanghebbende in deze zaak niet heeft bestreden dat haar bedrijfsmodel de hiervoor onder (ii) en (iii) vermelde kenmerken heeft.\n\n8. Belanghebbende bestrijdt dat het bedrijfsmodel van haar gemachtigde ten tijde van het instellen van bezwaar (en beroep) eruit bestaat dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay (i). Hiertoe heeft de gemachtigde verwezen naar een beschrijving van haar per 1 januari 2025 gewijzigde bedrijfsmodel (“Bijzonder geval: bedrijfsmodel Previcus en artikel 30a Wet WOZ”).\n\n8.1.. Volgens die beschrijving is de werkwijze met ingang van 1 januari 2025 fundamenteel gewijzigd. Het aantal dossiers is vanaf 2025 aanzienlijk afgenomen van 128.000 zaken naar circa 1.291 zaken. De zaken worden (vrijwel) niet meer op basis van no cure no pay uitgevoerd, maar volgens een regulier model waarin een cliënt, ongeacht de uitkomst van de zaak, een vaste startvergoeding betaalt (doorgaans gebaseerd op het aantal aanslagbiljetten) en\u002Fof een deel van de gerealiseerde besparing afdraagt (in bijna alle gevallen 40% van de besparing). De vóór 2025 aangebrachte zaken worden nog op basis van no cure no pay uitgevoerd. Bovendien worden vanaf 2025 alle aanslagbiljetten op voorhand gescreend en worden enkel de zaken doorgezet waarbij op voorhand onvoldoende duidelijk is dat er geen fouten zijn gemaakt. Er is, aldus de beschrijving, geen sprake meer van een grote massa waar de wetswijziging (Wet herwaardering proceskostenvergoeding WOZ en Bpm) op zag. De gemachtigde richt zich voortaan op de zakelijke markt, waarbij vrijwel altijd ook prijsafspraken met belanghebbenden worden gemaakt die losstaan van eventueel toegekende proceskostenvergoedingen.\n\n8.2.. De gemachtigde heeft de prijsafspraken over 2025 als volgt in een overzicht opgenomen.\n\n8.3.. De vermelding in de volmacht dat de vergoeding voor de werkzaamheden uitsluitend het totaal van de proceskostenvergoedingen bedraagt, klopt, aldus de beschrijving, niet meer. De onderliggende overeenkomsten bepalen dat cliënten zelf vergoedingen verschuldigd zijn. De proceskostenvergoeding speelt daarin nog slechts een kleine aanvullende rol.\n\n9. Op 4 mei 2026 heeft de gemachtigde van belanghebbende de facturen en betaalbewijzen in een groot aantal zaken, waarin zij als gemachtigde optreedt, ingezonden. Op 11 mei 2026 is daarvan een overzicht overgelegd. Die stukken bevestigen het beeld dat de beschrijving van het bedrijfsmodel geeft. Uit de facturen en betaalbewijzen blijkt namelijk dat de gemachtigde van een groot deel van haar cliënten een “besparingsfee” van minimaal 30% van de eventuele belastingbesparing vraagt, zij die “besparingsfee” aan haar cliënten factureert en die “besparingsfee” vervolgens ook door de cliënten wordt betaald.\n\n10. Daarnaast komt uit de facturen en betaalbewijzen naar voren dat de meeste cliënten (bovenop de “besparingsfee”) tevens een (in hoogte variërende) “startfee” zijn verschuldigd. Op zitting heeft de gemachtigde toegelicht dat, indien overeengekomen, de “startfee” altijd wordt gefactureerd en betaald. Dat dit niet in alle gevallen gebeurt blijkt uit de overgelegde facturen en betaalbewijzen, en komt, aldus de gemachtigde, doordat de “startfee”, die ongeacht de uitkomst is verschuldigd, in die gevallen eerder is gefactureerd en betaald. Dat is anders bij de “besparingsfee”, die niet eerder dan na het nemen van het bestreden besluit in rekening kan worden gebracht, omdat dan pas de (hoogte van de) besparing duidelijk is.\n\n11. De heffingsambtenaar heeft zich ter zitting op het standpunt gesteld dat het pas op 4 mei 2026 door de gemachtigde van belanghebbende indienen van facturen en betaalbewijzen (die op 6 mei 2026 door de rechtbank zijn vrijgegeven), die al in 2025 beschikbaar waren, in strijd is met een goede procesorde. De rechtbank overweegt dat partijen in beginsel vrij zijn om gedurende de procedure hun standpunten aan te vullen. Die vrijheid wordt echter begrensd door de beginselen van de goede procesorde. Hoewel de late indiening van reeds voorhanden zijnde stukken niet de schoonheidsprijs verdient, ziet de rechtbank hierin geen grond om die stukken vanwege strijd met een goede procesorde buiten beschouwing te laten. Hiertoe acht de rechtbank van belang dat de stukken een onderbouwing vormen van een eerder door de gemachtigde ingenomen standpunt, een reactie zijn op het verweerschrift en dat de aard en de omvang van de stukken niet zodanig zijn dat van de heffingsambtenaar om adequaat hierop te kunnen reageren een nader diepgaand (feiten)onderzoek wordt gevergd. De inhoudelijke reactie van de heffingsambtenaar op de stukken in de pleitnota bevestigen dit oordeel.\n\n12. De rechtbank stelt voorop dat voor haar de facturen en de betaalbewijzen leidend zijn voor de beoordeling van de vraag of kenmerk (i) op de gemachtigde van belanghebbende van toepassing is. Naar het oordeel van de rechtbank zijn (alleen) die stukken, en niet (ook) de overeenkomst, de website en de algemene voorwaarden van de gemachtigde (op 9 februari 2025), waarvan gesteld is dat die op dat moment nog niet in overeenstemming met het gewijzigde bedrijfsmodel waren gebracht, relevant voor de vraag of sprake is van een bedrijfsmodel op basis van no cure no pay. Omdat het bedrijfsmodel van de gemachtigde (en niet de vergoedingen in de aan de rechtbank voorliggende zaken) moet worden beoordeeld, blijft die beoordeling, anders dan de heffingsambtenaar stelt, niet beperkt tot de gemeenten binnen het ambtsgebied van de heffingsambtenaar. Daaruit volgt ook dat op grond van het (incidenteel) ontbreken van facturen en betaalbewijzen in aan de rechtbank voorliggende zaken niet zonder meer kan worden geconcludeerd dat kenmerk (i) op het bedrijfsmodel van de gemachtigde van toepassing is.\n\n13. De rechtbank is van oordeel dat met voldoende gegevens is onderbouwd dat de gemachtigde in 2025 voor een groot deel van de procedures een “besparingsfee” in rekening heeft gebracht. Door het betalen van een “besparingsfee” loopt een belanghebbende bij de inschakeling een gemachtigde voor het voeren van een procedure een financieel risico (zie hiervoor het arrest van de Hoge Raad van 26 september 2025). Deze door de gemachtigde gevraagde vergoeding (van 30-40%) acht de rechtbank, nog daargelaten dat de Hoge Raad dat enkel ten aanzien van “instapvergoedingen” heeft geoordeeld, ook niet dusdanig laag dat kan worden gesproken van rechtsbijstandverlening op een grondslag die in wezen overeenkomt met rechtsbijstandverlening op basis van no cure no pay. Op grond van het vorenstaande heeft belanghebbende, naar het oordeel van de rechtbank, buiten redelijke twijfel bewezen dat het bedrijfsmodel van de gemachtigde ten tijde van het instellen van bezwaar niet het kenmerk van optreden op basis van no cure no pay heeft (i). Daaraan doet niet af dat een belanghebbende vooraf ermee heeft ingestemd dat een eventuele vergoeding van proceskosten aan de gemachtigde toekomt. Dat geldt ook voor het ontbreken van facturen en betaalbewijzen van op een eerder moment in rekening gebrachte “startfees” en de door de heffingsambtenaar gestelde inconsistenties in de hoogte hiervan.\n\n14. Uit het vorenstaande volgt dat sprake is van een bijzonder geval en de heffingsambtenaar ten onrechte toepassing heeft gegeven aan artikel 30a, eerste lid, van de Wet woz.\n\n15. Dit betekent dat het beroep van belanghebbende gegrond is. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit voor zover dat ziet op de toegekende proceskostenvergoeding en bepaalt met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht de proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase op € 1.332,- (2 x € 666,-).\n\n16. Aan het standpunt van belanghebbende dat aan het bestreden besluit een motiveringsgebrek kleeft, wordt niet toegekomen.\n\n17. Omdat het beroep gegrond is, moet de heffingsambtenaar het griffierecht aan belanghebbende vergoeden.\n\n18. De rechtbank acht termen aanwezig om de heffingsambtenaar te veroordelen in de proceskosten die belanghebbende redelijkerwijs heeft moeten maken in verband met de behandeling van het beroep, een en ander eveneens overeenkomstig de normen van het Besluit proceskosten bestuursrecht. Aan belanghebbende is door een derde beroepsmatig rechtsbijstand verleend. Voor de in aanmerking te nemen proceshandelingen worden 2 punten (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen op zitting met een waarde van € 934,- per punt) toegekend. De rechtbank bepaalt in overeenstemming met het Richtsnoer proceskostenvergoeding belastingkamers gerechtshoven 2024 (neergelegd in de uitspraak van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 7 augustus 2024, ECLI:NL:GHSHE:2024:2524) de wegingsfactor op 0,5. Gelet hierop bedraagt het vanwege de in deze zaak verleende rechtsbijstand te vergoeden bedrag in totaal € 934,-.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep gegrond;\n\n- vernietigt het bestreden besluit voor zover dat ziet op de toegekende proceskostenvergoeding, stelt de proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase vast op € 1.332,- en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;\n\n- draagt de heffingsambtenaar op het betaalde griffierecht van € 385,- aan belanghebbende te vergoeden;\n\n- veroordeelt de heffingsambtenaar in de proceskosten van belanghebbende wegens verleende rechtsbijstand in beroep tot een bedrag van € 934,-.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. B.F.A. van Huijgevoort, voorzitter, en mrs. E.P.J. Rutten en J.H. van Hoof leden, in aanwezigheid van mr. D.D.R.H. Lechanteur, griffier.De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 8 juli 2026.\n\ngriffier rechter\n\nAfschrift verzonden aan partijen op: 8 juli 2026.\n\nRechtsmiddel\n\nTegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof ’s-Hertogenbosch (belastingkamer).\n\nU kunt digitaal beroep instellen via www.rechtspraak.nl. Daar klikt u op “Formulieren en inloggen”. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ’s-Hertogenbosch (belastingkamer).\n\nBij het instellen van het hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:\n\n1. bij het hogerberoepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;\n\n2 - het hogerberoepschrift moet, indien het op papier wordt ingediend, ondertekend zijn. Verder moet het ten minste het volgende vermelden:\n\na. de naam en het adres van de indiener;\n\nb. de datum van verzending;\n\nc. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;\n\nd. de redenen waarom u het niet eens bent met de uitspraak (de gronden van het hoger beroep).","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBLIM:2026:6423","ecli-nl-rblim-2026-6423",{"courtName":30,"legalDomain":31,"decisionType":18,"procedureType":19},"Roermond","Bestuursrecht; Belastingrecht",{"id":33,"ecli":34,"caseNumber":35,"courtId":36,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":37,"language":38,"source":39,"sourceUrl":6,"summary":40,"slug":41,"metadata":42},"85","ECLI:RO:2026:JudecatoriaSECTORUL5BUCURESTI:17050-302-2025-a1","17050\u002F302\u002F2025\u002Fa1",97,"Admite cererea de îndreptare a erorii materiale din cuprinsul sentin?ei civile nr. 2484\u002F06.03.2026, pronunţată de Judecătoria Sectorului 5 Bucure?ti în dosar nr. 17050\u002F302\u002F2025, formulată din oficiu.       \nDispune îndreptarea erorii materiale strecurată în cuprinsul sentin?ei civile nr. 2484\u002F06.03.2026 pronun?ată în cadrul dosarului nr. 17050\u002F302\u002F2025, în sensul re?inerii că pârâtul Vasile Constantin are codul numeric personal ............, iar nu ............., astfel cum în mod eronat s-a consemnat.   \nPrezenta încheiere face parte integrantă din cuprinsul sentin?ei civile nr. 2484\u002F06.03.2026 pronun?ată în cadrul dosarului nr. 17050\u002F302\u002F2025.   \nÎndreptarea se va efectua în toate exemplarele sentin?ei.\n\tCu drept de apel în 30 de zile de la comunicare. Cererea de apel se va depune la Judecătoria Sectorului 5 Bucure?ti.   \n\tPronun?ată prin punerea solu?iei la dispozi?ia păr?ilor prin intermediul grefei instan?ei, astăzi, 08.07.2026.\n","ro","portalquery_ro","Admite cererea","ecli-ro-2026-judecatoriasectorul5bucuresti-17050-302-2025-a1",null,{"id":44,"ecli":45,"caseNumber":6,"courtId":46,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":47,"language":12,"source":13,"sourceUrl":48,"summary":6,"slug":49,"metadata":50},"296","ECLI:NL:GHDHA:2026:2250",58,"Rolnummer: 22-001978-23\n\nParketnummer: 10-066729-23\n\nDatum uitspraak: 8 juli 2026\n\nTEGENSPRAAK\n\nArrestvan de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Den Haag gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 28 juni 2023 in de strafzaak tegen de verdachte:\n\n [verdachte],\n\ngeboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2002,\n\nBRP-adres: [BRP-adres] , [woonplaats] .\n\nOnderzoek van de zaak\n\nDit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof.\n\nHet hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.\n\nProcesgang\n\nIn eerste aanleg is de verdachte van het onder 1 tenlastegelegde vrijgesproken en ter zake van het onder 2 en 3 tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 120 dagen, met aftrek van voorarrest, waarvan 73 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren. Voorts is beslist op de vorderingen van de benadeelde partijen, zoals nader omschreven in het vonnis waarvan beroep.\n\nNamens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.\n\nOmvang van het hoger beroep\n\nDe verdachte is door de rechtbank Rotterdam vrijgesproken van hetgeen aan hem onder 1 is tenlastegelegd. Het hoger beroep is door de verdachte onbeperkt ingesteld en is derhalve mede gericht tegen de in eerste aanleg gegeven beslissing tot vrijspraak. Gelet op hetgeen is bepaald in artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering staat voor de verdachte tegen deze beslissing geen hoger beroep open. Het hof zal de verdachte mitsdien niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep gegeven vrijspraak.\n\nWaar hierna wordt gesproken van \"de zaak\" of \"het vonnis\", wordt daarmee bedoeld de zaak of het vonnis voor zover op grond van het vorenstaande aan het oordeel van dit hof onderworpen.\n\nTenlastelegging\n\nAan de verdachte is – voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen – tenlastegelegd dat:\n\n2. hij op of omstreeks 01 januari 2023 te 's-Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard, openlijk, te weten, op of aan de Smidsweg en\u002Fof de Langestraat, in elk geval op of aan (een) openbare weg(en), in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een of meer verbalisanten van de politie Eenheid Rotterdam, te weten [hoofdagent] (hoofdagent) en\u002Fof [aspirant] (aspirant) en\u002Fof één of meer verbalisanten, zijnde groepsleden van de Mobiele Eenheid van politie Eenheid Rotterdam, te weten [verbalisant 1] en\u002Fof [verbalisant 2] en\u002Fof [verbalisant 3] en\u002Fof [verbalisant 4] en\u002Fof [verbalisant 5] en\u002Fof [verbalisant 6] en\u002Fof [verbalisant 7] en\u002Fof [verbalisant 8] en\u002Fof [verbalisant 9] en\u002Fof [verbalisant 10] en\u002Fof [verbalisant 11] en\u002Fof [verbalisant 12] en\u002Fof [verbalisant 13] en\u002Fof [verbalisant 14] en\u002Fof [verbalisant 15] en\u002Fof [verbalisant 16] en\u002Fof [verbalisant 17] en\u002Fof [verbalisant 18] en\u002Fof [verbalisant 19] en\u002Fof [verbalisant 20] , althans een of meer (andere) verbalisanten door\n\n- één of meer stuks zwaar (illegaal) vuurwerk (betreffende onder meer: cobra's \u002F nitraten \u002F shells) en\u002Fof vuurwerkbommen op\u002Ftegen, althans in de richting van\u002Fnaar voornoemde verbalisanten af te schieten en\u002Fof te gooien, waarbij voornoemd(e) vuurwerk\u002Fvuurwerkbommen vlakbij\u002Fnaast het\u002Fde lichamen en\u002Fof het\u002Fde hoofden\u002Fgezichten van voornoemde verbalisanten tot ontploffing is\u002Fzijn gekomen en\u002Fof\n\n- ( met kracht) één of meer stenen en\u002Fof glaswerk op\u002Ftegen, althans in de richting van voornoemde verbalisanten te gooien en\u002Fof\n\n- ( dreigend) zich op te dringen aan voornoemde ambtenaren en\u002Fof\n\n- ( daarbij) (dreigend) een of meerdere ploertendoders, althans slagvoorwerpen, aan voornoemde ambtenaren te tonen\u002Fvoor te houden en\u002Fof\n\n- ( daarbij) aan die [aspirant] en\u002Fof [hoofdagent] en\u002Fof een of meer (andere) verbalisanten de weg te versperren, althans de doorgang te beletten en\u002Fof (daarbij) te verhinderen dat die [aspirant] en\u002Fof [hoofdagent] en\u002Fof anderen met\u002Fin een (politie)voertuig weg konden rijden en\u002Fof\n\n- naar\u002Fin de richting van voornoemde ambtenaren te schelden, met de woorden: \"Kankerlijers\", \"Kanker op joh\" en\u002Fof \"Kankerpolitie\" en\u002Fof\n\n- ( met kracht) op\u002Ftegen het (politie)schild van die [verbalisant 2] te trappen\u002Fschoppen;\n\n3. hij op of omstreeks 31 december 2022 te 's-Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard opzettelijk en wederrechtelijk een vuilnisbak\u002Fprullenbak, in elk geval enig goed, dat\u002Fdie geheel of ten dele aan Gemeente Hoeksche Waard, in elk geval aan een ander dan aan verdachte toebehoorde(n) heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt.\n\nVordering van de advocaat-generaal\n\nDe advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de bewezenverklaring zal worden bevestigd en dat de verdachte ter zake van het onder 2 en 3 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 107 dagen, met aftrek van voorarrest, waarvan 60 dagen voorwaardelijk en met een proeftijd van 2 jaren.\n\nHet vonnis waarvan beroep\n\nHet vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.\n\nVrijspraak\n\nDe advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het onder 2 tenlastegelegde wettig en overtuigend kan worden bewezenverklaard, nu de verdachte met zijn handelen een bijdrage van voldoende gewicht heeft geleverd aan het openlijk geweld tegen de desbetreffende verbalisanten. Zo heeft de verdachte voorafgaand aan de jaarwisseling deel genomen aan een WhatsApp-groep waarin werd gesproken over het voornemen onrust te veroorzaken ten tijde van de jaarwisseling. Voorts heeft de verdachte in de nacht van de jaarwisseling – nadat hij door leden van de Mobiele Eenheid (ME) was ingesloten –op zijn telefoon een video-opname gemaakt waarin er samen met medeverdachte [medeverdachte] (hierna: [medeverdachte] ) wordt gepraat over het doodschoppen van een ME’er. Vijftien minuten nadat hij deze video had opgenomen, is [medeverdachte] aangehouden voor het schoppen tegen het schild van een ME’er.\n\nHet hof overweegt als volgt.\n\nHet hof stelt voorop dat van het \"in vereniging\" plegen van geweld sprake is, indien de betrokkene een voldoende significante of wezenlijke bijdrage levert aan het geweld, zij het dat deze bijdrage zelf niet van gewelddadige aard hoeft te zijn. De enkele omstandigheid dat iemand aanwezig is in een groep die openlijk geweld pleegt is niet zonder meer voldoende om hem te kunnen aanmerken als iemand die \"in vereniging\" geweld pleegt. Beoordeeld zal moeten worden of de door de verdachte geleverde – intellectuele en\u002Fof materiële – bijdrage aan het delict van voldoende gewicht is.\n\nMet de advocaat-generaal en de verdediging is het hof van oordeel dat op grond van het verhandelde ter terechtzitting niet kan worden bewezen dat de verdachte omstreeks de jaarwisseling geweld heeft gebruikt jegens de verbalisanten, zoals het gooien met stenen of vuurwerk. Het hof is voorts van oordeel dat evenmin bewezen kan worden dat de verdachte op enige wijze geweldshandelingen die door andere personen zijn gepleegd heeft ondersteund of anderszins heeft bijgedragen aan het ontstaan of het voortduren van het geweld jegens de verbalisanten. Het hof neemt hierbij in aanmerking dat [medeverdachte] bij de raadsheer-commissaris als getuige is gehoord en heeft verklaard dat hetgeen de verdachte in de video-opname heeft gezegd, los stond van zijn handelen daarna en dat de verdachte niet in de buurt was toen [medeverdachte] tegen het schild van verbalisant [verbalisant 2] aan schopte. De enkele aanwezigheid in de groep die door de politie\u002FME was ingesloten en het feit dat de verdachte deel uit maakte van een WhatsApp-groep acht het hof evenmin een bijdrage van voldoende gewicht. Gelet op het voorgaande is niet vast komen te staan dat de verdachte een voldoende significante of wezenlijke bijdrage heeft geleverd aan het tenlastegelegde geweld tegen de desbetreffende verbalisanten, zodat het ten laste gelegde niet kan worden bewezen en de verdachte daarvan zal worden vrijgesproken.\n\nBewezenverklaring\n\nHet hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 3 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:\n\n3. hij op of omstreeks31 december 2022 te 's-Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard opzettelijk en wederrechtelijk eenvuilnisbak\u002Fprullenbak, in elk geval enig goed,dat\u002Fdiegeheel of ten deleaan Gemeente Hoeksche Waard, in elk geval aan een ander dan aan verdachtetoebehoorde(n)heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt;.\n\nHetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.\n\nBewijsvoering\n\nHet hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.\n\nIn die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.\n\nStrafbaarheid van het bewezenverklaarde\n\nHet onder 3 bewezenverklaarde levert op\n\nopzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen.\n\nStrafbaarheid van de verdachte\n\nEr is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.\n\nStrafmotivering\n\nHet hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.\n\nDaarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.\n\nDe verdachte heeft zich op oudejaarsavond schuldig gemaakt aan vernieling van een prullenbak door hierop zwaar vuurwerk tot ontploffing te brengen. Een dergelijk feit is gevaarzettend en geschikt om gevoelens van angst en onveiligheid in de maatschappij teweeg te brengen. De verdachte heeft met zijn handelen de gemeente en daarmee de gemeenschap financiële schade berokkend en hij heeft hiermee overlast veroorzaakt.\n\nHet hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie van 1 juni 2026, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder voor een vergelijkbaar feit is veroordeeld.\n\nTen aanzien van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) overweegt het hof dat deze is aangevangen op 6 maart 2023. In eerste aanleg is de redelijke termijn niet overschreden. Het hof stelt vast dat de behandeling van de zaak in hoger beroep niet heeft plaatsgevonden binnen de daartoe gestelde redelijke termijn,. Namens de verdachte is immers op 4 juli 2023 hoger beroep ingesteld en het hof wijst op 8 juli 2026 eindarrest. De redelijke termijn van de berechting in hoger beroep is derhalve met meer dan één jaar overschreden. Het hof ziet, ook gelet op de duur van de procedure als geheel, aanleiding te volstaan met de constatering van dit verzuim, gelet op de gekozen strafmodaliteit en de hoogte van de op te leggen straf.\n\nHet hof is – alles afwegende – van oordeel dat een onvoorwaardelijke taakstraf van na te melden duur een passende en geboden reactie vormt. Anders dan de verdediging heeft bepleit acht het hof een geldboete, gelet op de context waarin en de wijze waarop de vernieling plaatsvond – tijdens de jaarwisseling en met (illegaal) vuurwerk – niet passend. Evenmin zal om die reden toepassing worden gegeven aan het bepaalde in artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht.\n\nVorderingen tot schadevergoeding\n\nIn het onderhavige strafproces hebben tweeëntwintig verbalisanten zich als benadeelde partij gevoegd ter zake van het onder 2 ten laste gelegde. De benadeelde partijen [verbalisant 17] , [verbalisant 12] , [verbalisant 8] , [verbalisant 9] , [verbalisant 19] , [verbalisant 20] , [verbalisant 18] , [verbalisant 15] , [verbalisant 10] , [verbalisant 4] , [verbalisant 1] , [verbalisant 16] , [verbalisant 3] , [aspirant] , [verbalisant 7] , [hoofdagent] , [verbalisant 14] , [verbalisant 5] en [verbalisant 6] vorderen per persoon een vergoeding van € 350,00 aan immateriële schade. De benadeelde partijen [verbalisant 13] en [verbalisant 11] vorderen per persoon een vergoeding van € 400,00 aan immateriële schade en de benadeelde partij [verbalisant 2] vordert een vergoeding van € 750,00 aan immateriële schade.\n\nNu de verdachte ter zake van het onder 2 tenlastegelegde wordt vrijgesproken, zullen de benadeelde partijen niet-ontvankelijk worden verklaard in hun vordering.\n\nGelet daarop zullen de benadeelde partijen worden veroordeeld in de kosten die de verdachte tot aan deze uitspraak in verband met de verdediging tegen die vorderingen heeft moeten maken, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil.\n\nToepasselijke wettelijke voorschriften\n\nHet hof heeft gelet op de artikelen 9, 22c, 22d en 350 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.\n\nBESLISSING\n\nHet hof:\n\nVerklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder 1 tenlastegelegde.\n\nVernietigt het vonnis waarvan beroep voor zover thans aan het oordeel van het hof onderworpen en doet in zoverre opnieuw recht:\n\nVerklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 2 tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.\n\nVerklaart, zoals hiervoor overwogen, bewezen dat de verdachte het onder 3 tenlastegelegde heeft begaan.\n\nVerklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.\n\nVerklaart het onder 3 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.\n\nVeroordeelt de verdachte tot een taakstrafvoor de duur van60 (zestig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door30 (dertig) dagen hechtenis.\n\nBeveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van 2 uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.\n\nVordering van de benadeelde partijen:\n\n- [verbalisant 17] ,\n\n- [verbalisant 12] ,\n\n- [verbalisant 13] ,\n\n- [verbalisant 8] ,\n\n- [verbalisant 9] ,\n\n- [verbalisant 19] ,\n\n- [verbalisant 20] ,\n\n- [verbalisant 11]\n\n- [verbalisant 18] ,\n\n- [verbalisant 15] ,\n\n- [verbalisant 10] ,\n\n- [verbalisant 4] ,\n\n- [verbalisant 1] ,\n\n- [verbalisant 16] ,\n\n- [verbalisant 3] ,\n\n- [verbalisant 2]\n\n- [aspirant] ,\n\n- [verbalisant 7] ,\n\n- [hoofdagent] ,\n\n- [verbalisant 14] ,\n\n- [verbalisant 5] , en\n\n- [verbalisant 6]\n\nVerklaart de hiervoor genoemde benadeelde partijen telkens niet-ontvankelijk in hun vordering tot schadevergoeding.\n\nVeroordeelt de hiervoor genoemde benadeelde partijen telkens in de door verdachte gemaakte kosten en begroot deze telkens op nihil.\n\nDit arrest is gewezen door mr. F.W. Pieters, als voorzitter, mr. E.C. van Veen en mr. M.C. Bruining, leden, in bijzijn van de griffier mr. V.V. de Lange.\n\nHet is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 8 juli 2026.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHDHA:2026:2250","ecli-nl-ghdha-2026-2250",{"courtName":51,"legalDomain":52,"decisionType":18,"procedureType":19},"Den Haag","Strafrecht",{"id":54,"ecli":55,"caseNumber":6,"courtId":56,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":57,"language":12,"source":13,"sourceUrl":58,"summary":6,"slug":59,"metadata":60},"348","ECLI:NL:RBDHA:2026:18721",65,"RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Groningen\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL26.20806\n uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n \n [naam], eiseres,\n\nV-nummer: [v-nummer:],\n\n(gemachtigde: mr. I.M. Zuidhoek),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, de minister.\n\nInleiding\n\n1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 7 april 2026 niet in behandeling genomen omdat daarvoor Frankrijk verantwoordelijk is.\n\n1.1.. De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiseres. Zij doet dat mede aan de hand van de argumenten die eiseres heeft aangevoerd, de beroepsgronden.\n\n3. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiseres ongelijk krijgt en het bestreden besluit in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nToepasselijk recht\n\n4. Op deze zaak is het recht van toepassing dat gold vóór 12 juni 2026.\n\nTotstandkoming van het besluit\n\n5. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening.Op grond van de Dublinverordening neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.In dit geval heeft Nederland bij Frankrijk een verzoek om terugname gedaan. Frankrijk heeft dit verzoek aanvaard.\n\nMag de minister ten opzichte van Frankrijk uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel?\n\n6. Eiseres stelt zich op het standpunt dat er in Frankrijk voor haar een onveilige situatie zal optreden. Dit is het gevolg van de aanwezigheid van veel Libanezen in Frankrijk, waaronder ook de familie van haar moeder die haar eerder al bedreigde. Bovendien heeft eiseres in Nederland een community gevonden waar zij zich veilig bij voelt en in Frankrijk heeft zij niemand, dit is voor haar een angstaanjagend vooruitzicht. Dit terwijl in Nederland er een sterke en diverse LHBT-gemeenschap is waar zij zich veilig voelt. Volgens eiseres is er in Frankrijk bovendien nog steeds een groot probleem met betrekking tot de opvang van asielzoekers. Ze verwijst naar het AIDA-rapport over Frankrijk, update 2024.Er is een tekort aan opvangplekken en eiseres loopt bij terugkeer een reëel risico om in een situatie van materiële deprivatie terecht te komen. Volgens eiseres is het bestreden besluit niet zorgvuldig voorbereid en berust het evenmin op een deugdelijke motivering.\n\n6.1.. De beroepsgrond slaagt niet. Naar het oordeel van de rechtbank mag de minister ten aanzien van Frankrijk uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. De Afdelingheeft meermaals bevestigd dat ten aanzien van Frankrijk in algemene zin kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Hierbij is ook het AIDA rapport, update 2024, betrokken. De rechtbank overweegt ambtshalve dat ook het recente AIDA rapport, update 2025, geen wezenlijk ander beeld geeft van de opvangvoorzieningen in Frankrijk dan de informatie die is betrokken door de Afdeling in eerdere uitspraken.\n\n6.2.. Uit de AIDA rapporten blijkt niet dat sprake is van structurele tekortkomingen in de opvang of asielprocedure, ook niet ten aanzien van de LHTBI-gemeenschap. Eiseres heeft bovendien niet aannemelijk gemaakt dat zij bij overdracht aan Frankrijk persoonlijk geen opvang, rechtsbescherming of toegang tot de procedure zal krijgen. Eiseres heeft niet eerder een asielaanvraag in Frankrijk ingediend waardoor zij geen persoonlijke ervaring heeft met de kwaliteit van de asielprocedure en de opvangvoorzieningen in Frankrijk.\n\n6.3.. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van bijzondere, individuele omstandigheden op basis waarvan de minister de aanvraag toch zou moeten behandelen.\n\nConclusie en gevolgen\n\n7. Het beroep is kennelijk ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft en eiseres overgedragen kan worden aan Frankrijk. Eiseres krijgt geen vergoeding van haar proceskosten.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. A. Sibma, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Strating, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.\n\nDe uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over verzet\n\nAls partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.\n\n Zie artikel 84 van de Asiel- en migratiebeheerverordening inzake het overgangsrecht.\n\n Verordening (EU) nr. 604\u002F2013.\n\n Dit staat ook in artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.\n\n Update 2024 van juni 2025.\n\n Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.\n\n Update 2025 van mei 2026.\n\n Zie ook de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Arnhem, van 3 juli 2026. (ECLI:NL:RBDHA:2026:18469, r.o. 7.1) en de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Middelburg, van 25 juni 2026 (ECLI:NL:RBDHA:2026:17711).","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18721","ecli-nl-rbdha-2026-18721",{"courtName":61,"legalDomain":62,"decisionType":18,"procedureType":19},"Groningen","Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht",{"id":64,"ecli":65,"caseNumber":6,"courtId":66,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":67,"language":12,"source":13,"sourceUrl":68,"summary":6,"slug":69,"metadata":70},"418","ECLI:NL:RBDHA:2026:18726",61,"RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Rotterdam\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL26.36068uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n\n [naam eiser] , eiser\n\nV-nummer: [V-nummer]\n\n(gemachtigde: mr. J.S. Dobosz),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, verweerder\n\n(gemachtigde: mr. C. van der Zijde).\n\nSamenvatting\n\n1. Deze uitspraak gaat over de maatregel van vreemdelingenbewaring die aan eiser is opgelegd. Deze maatregel is opgelegd op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser is het niet eens met die maatregel. Hij voert daartegen een beroepsgrond aan. Onder meer aan de hand van deze beroepsgrond beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van die maatregel en de vraag of aan eiser een schadevergoeding moet worden toegekend.\n\n1.1.. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep gegrond is. Het opleggen van de maatregel van vreemdelingenbewaring is onrechtmatig. De rechtbank kent daarom een schadevergoeding toe. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.\n\n1.2.. In deze uitspraak gebruikt de rechtbank de volgende afkortingen voor de wet- en regelgeving:\n\nAwb: Algemene wet bestuursrecht\n\nVw: Vreemdelingenwet 2000\n\nVb: Vreemdelingenbesluit 2000\n\nProcesverloop\n\n2. Met het bestreden besluit van 29 juni 2026 heeft verweerder aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.\n\n2.1.. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.\n\n2.2.. De rechtbank heeft het beroep op 7 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, K.A. Ozdzinska als tolk en de gemachtigde van verweerder.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\nToetsingskader\n\n3. Verweerder kan als het belang van de openbare orde of de nationale veiligheid dat vordert, de vreemdeling die geen rechtmatig verblijf heeft in vreemdelingenbewaring stellen.Verweerder stelt een vreemdeling slechts in vreemdelingenbewaring, voor zover geen minder dwingende maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast en de vreemdelingenbewaring blijft achterwege of wordt beëindigd, indien deze niet langer noodzakelijk is met het oog op het doel van de vreemdelingenbewaring.Deze vreemdeling kan in vreemdelingenbewaring worden gesteld op grond dat het belang van de openbare orde of nationale veiligheid zulks vordert, indien a) een onderduikrisico bestaat, of b) de vreemdeling de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert.De maatregel kan alleen worden opgelegd wegens het bestaan van een onderduikrisico, indien ten minste twee van de gronden, genoemd in artikel 5.6, tweede lid, van het Vb zich voordoen.\n\nGronden\n\n4. Eiser heeft de gronden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd niet bestreden. De gronden, die de ambtshalve toetsing van de rechtbank doorstaan, zijn tezamen voldoende om de maatregel van bewaring te kunnen dragen.\n\nRechtmatig verblijf\n\n5. Eiser heeft aangevoerd dat er sprake is van een rechtmatig verblijf van eiser in Nederland op grond van artikel 7 van de Richtlijn 2004\u002F38\u002FEG. Eiser is een maand voorafgaand aan de onderhavige zaak opgehouden op 3 juni 2026. Hij heeft ter onderbouwing het proces-verbaal van ophouding overgelegd. Op deze dag is onderzoek gedaan naar de arbeidssituatie van eiser. Gebleken is dat eiser arbeid verricht voor een Nederlands uitzendbureau en beschikte over een arbeidscontract. Eiser is vervolgens heengezonden wegens bestendig verblijf. Verweerder kon ten aanzien van de onderhavige maatregel van bewaring op 29 juni 2026 niet zonder meer terugvallen op het standpunt dat sprake is van voortgezet onrechtmatig verblijf. Dit is onverenigbaar met de bevinding op 3 juni 2026. De maatregel van bewaring is dan ook onvoldoende zorgvuldig voorbereid en onvoldoende gemotiveerd.\n\n5.1.. Verweerder heeft aan de maatregel ten grondslag gelegd dat eiser geen rechtmatig verblijf in Nederland heeft, nu zijn verblijfsrecht als Unieburger bij beschikking van 6 maart 2025 is beëindigd. De rechtbank stelt voorop dat de enkele omstandigheid dat het verblijfsrecht van een Unieburger eerder is beëindigd, niet zonder meer meebrengt dat deze op een later moment geen rechten meer aan het Unierecht kan ontlenen. Indien sprake is van gewijzigde feiten en omstandigheden dient verweerder de verblijfsrechtelijke positie van de betrokkene opnieuw te beoordelen alvorens tot het oordeel te komen dat hij geen rechtmatig verblijf heeft.\n\n5.2.. De rechtbank oordeelt als volgt. In de maatregel van bewaring is vermeld dat eiser heeft verklaard werkzaam te zijn voor een Nederlands uitzendbureau en dit ook heeft aangetoond, dat eiser werkzaam is in België waar hij ook wordt voorzien van woonruimte door de werkgever en dat hij in België mag verblijven. Naar het oordeel van de rechtbank vormen deze omstandigheden concrete aanwijzingen dat de feitelijke situatie van eiser sinds de beschikking van 6 maart 2025 is gewijzigd. Van verweerder mocht daarom worden verwacht dat hij kenbaar zou onderzoeken welke betekenis deze gewijzigde omstandigheden hebben voor de actuele verblijfsrechtelijke positie van eiser. Uit de maatregel van bewaring, het gehoor voorafgaand aan deze maatregel en de overige stukken in het dossier is niet gebleken dat een dergelijk onderzoek heeft plaatsgevonden. Daarbij betrekt de rechtbank dat uit het proces-verbaal van ophouding van eiser op 3 juni 2026 blijkt dat eiser is heengezonden, omdat sprake was van ‘mogelijk bestendig verblijf’. Uit het proces-verbaal van verhoor op die dag blijkt dat het werken voor een Nederlands uitzendbureau hier ook aan de orde is geweest. Vervolgens wordt nog geen maand later in de onderhavige maatregel van bewaring zonder kenbare motivering aangenomen dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft. Niet valt in te zien waarom verweerder er zonder nader onderzoek van uit heeft kunnen gaan dat eiser geen aan het Unierecht ontleend verblijfsrecht had. De motivering dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft, is onder deze omstandigheden onvoldoende draagkrachtig. Gelet hierop is de maatregel in strijd met artikel 3:2 en 3:46 van de Awb tot stand gekomen en is dan ook onrechtmatig. Deze beroepsgrond slaagt.\n\nConclusie en gevolgen\n\n6. Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is gegrond. Deze maatregel is vanaf het moment van het opleggen daarvan onrechtmatig. De rechtbank beveelt de opheffing van deze maatregel met ingang van vandaag.\n\n6.1.. Op grond van artikel 106 van de Vw kan de rechtbank indien zij de opheffing van de maatregel van vreemdelingenbewaring beveelt aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen. De rechtbank acht gronden aanwezig om een schadevergoeding toe te kennen voor 10 dagen onrechtmatige (tenuitvoerlegging van de) vreemdelingenbewaring ten bedrage van 0 x € 160,- (verblijf politiecel) en 10 x € 120,- (verblijf detentiecentrum) = € 1.200,-.\n\n6.2.. Eiser krijgt een vergoeding van zijn proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- omdat de gemachtigde van eiser geacht wordt beroep te hebben ingesteld en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep gegrond;\n\n- veroordeelt de Staat der Nederlanden tot het betalen van € 1.200,- aan schadevergoeding aan eiser, te betalen door de griffier en beveelt de tenuitvoerlegging van deze schadevergoeding;\n\n- beveelt de opheffing van de maatregel van vreemdelingenbewaring met ingang van vandaag;\n\n- veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiser.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. S.N. Abdoelkadir, rechter, in aanwezigheid van mr. M. Stehouwer, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.\n\n Het beroep tegen een maatregel van bewaring wordt ook aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding. Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 59c van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 5.5 van het Vb.\n\n Dit volgt uit artikel 5.6, eerste lid, van het Vb.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18726","ecli-nl-rbdha-2026-18726",{"courtName":71,"legalDomain":62,"decisionType":18,"procedureType":19},"Rotterdam"]