Skip to main content

ECLI:NL:RBNHO:2026:2240

Rechtbank

Alkmaar

Datum

5 March 2026

Taal

nl

Samenvatting

Rechtsvraag

Civiel recht; Personen- en familierecht

Uitspraak / Beslissing

Uitspraak

Alkmaar

Procedure: UitspraakDomain: Civiel recht; Personen- en familierechtType: uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Familie en Jeugd

locatie Alkmaar

zaaknummer / rekestnummer: C/15/360255 / FA RK 24-6431 en C/15/366942 / FA RK 25-3302

Beschikking d.d. 5 maart 2026 betreffende de echtscheiding

in de zaak van:

[de man] ,

wonende te [plaats] , gemeente [gemeente] ,

hierna te noemen de man,

advocaat mr. A.C. Mens, gevestigd te Hoofddorp,

tegen

[de vrouw] ,

wonende te [plaats] , [land] ,

hierna te noemen de vrouw,

advocaat mr. B.R. de Boer-Kühn, gevestigd te Amsterdam.

1. De procedure

1.1.. Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • het verzoekschrift van de man, ingekomen op 17 december 2024;

  • het verweerschrift tevens zelfstandig verzoek van de vrouw, ingekomen op 20 mei 2025;

  • het verweerschrift op het zelfstandig verzoek van de man, ingekomen op 24 juni 2025;

  • nadere stukken van de vrouw, ingekomen op 18 september 2025;

  • het gewijzigd verzoek van de vrouw, ingekomen op 8 januari 2026;

  • nadere stukken van de man, ingekomen op 26 januari 2026 en 27 januari 2026;

  • nadere stukken van de vrouw, ingekomen op 3 februari 2026.

1.2..

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 5 februari 2026.

Bij die gelegenheid zijn verschenen partijen, bijgestaan door hun advocaten.

2. De beoordeling

2.1.. Partijen zijn met elkaar gehuwd op [huwelijksdatum] te [plaats] . De man heeft de Nederlandse nationaliteit. De vrouw is burger van de Bondsrepubliek Duitsland.

2.2.. Scheiding

2.2.1.. De man heeft verzocht de echtscheiding tussen partijen uit te spreken. Hij heeft gesteld dat het huwelijk duurzaam is ontwricht.

2.2.2.. De vrouw heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

2.2.3.. Nu ten tijde van de indiening van het verzoekschrift de gewone verblijfplaats van de man zich in Nederland bevond, deze daar sinds ten minste zes maanden onmiddellijk voorafgaand aan die indiening verblijfplaats had en ten tijde van de indiening reeds de Nederlandse nationaliteit bezat, komt de Nederlandse rechter rechtsmacht toe om te oordelen over het verzoek tot echtscheiding.

2.2.4.. Op grond van artikel 10:56 van het Burgerlijk Wetboek is Nederlands recht op het verzoek tot echtscheiding van toepassing.

2.2.5.. Het verzoek tot echtscheiding zal, als niet weersproken en op de wet gegrond, worden toegewezen.

2.3.. Onderhoudsbijdrage

2.3.1.. De man heeft verzocht te bepalen dat de vrouw aan hem een bijdrage in de kosten van zijn levensonderhoud (hierna: partnerbijdrage) moet betalen van € 1.500,- per maand.

2.3.2.. De vrouw heeft zich verweerd tegen dit verzoek en heeft verzocht de partnerbijdrage op nihil te stellen. De rechtbank begrijpt dat de vrouw verzoekt het verzoek tot het vaststellen van een partnerbijdrage af te wijzen, omdat van nihilstelling pas sprake kan zijn als eerder een partnerbijdrage is vastgesteld.

Rechtsmacht en toepasselijk recht

2.3.3.. De Nederlandse rechter is op grond van artikel 3 sub b van de Alimentatieverordening (nr. 4/2009 Raad van 18 december 2008) bevoegd om van het alimentatieverzoek kennis te nemen.

2.3.4.. De rechtbank zal op grond van artikel 3 van het Protocol van 23 november 2007 het Nederlands recht toepassen op het verzoek tot vaststelling van een partnerbijdrage, nu de onderhoudsgerechtigde gewone verblijfplaats in Nederland heeft.

Behoefte

2.8.3.. De rechtbank zal het verzoek beoordelen aan de hand van de aanbevelingen die zijn opgenomen in het Tremarapport. De hierna genoemde bedragen zijn steeds op hele euro’s afgerond.

Ingangsdatum

2.3.5.. Uit de wet volgt dat de rechtbank de partnerbijdrage niet kan laten ingaan op een datum gelegen voor de dag van inschrijving van de beschikking tot echtscheiding. De rechtbank zal de ingangsdatum dan ook bepalen op laatstgenoemde datum.

Behoefte

2.3.6.. De man heeft zijn huwelijksgerelateerde behoefte aan de hand van de zogenoemde Hofnorm berekend, waartegen de vrouw zich niet heeft verweerd. De rechtbank zal de huwelijksgerelateerde behoefte van partijen beoordelen aan de hand van het netto gezinsinkomen van partijen over 2023, zijnde het laatste volledige jaar voordat partijen medio 2024 feitelijk uit elkaar zijn gegaan. De rechtbank volgt de vrouw niet in haar stelling dat de behoefte moet worden berekend aan de hand van het inkomen van één echtgenoot. Tijdens haar studie heeft de vrouw immers evenals de man gewerkt en in Duitsland heeft de man ook gewerkt gelijktijdig met de vrouw. De rechtbank constateert verder dat geen van partijen duidelijk en volledig inzage heeft gegeven in zijn of haar inkomen over 2023. Van de vrouw is een salarisspecificatie van juni 2023 overgelegd, waaruit een netto inkomen volgt van € 2.048,- per maand, exclusief extra’s zoals de kerstbonus die zij stelt jaarlijks te ontvangen. Zij heeft zelf gesteld dat zij een netto besteedbaar inkomen had van € 2.115,- per maand, wat de rechtbank gelet op het bovenstaande netto inkomen van de vrouw niet onaannemelijk voorkomt, zodat hierbij zal worden aangesloten. De man heeft gesteld dat hij tijdens het huwelijk een salaris had van € 1.933,- netto per maand, welk bedrag door de vrouw niet is betwist, zodat de rechtbank daar eveneens van zal uitgaan.2.3.7.. Op grond van bovenstaande inkomens van partijen, bedroeg het netto besteedbaar inkomen van partijen in 2023 € 4.048,- per maand. De huwelijksgerelateerde behoefte van de man bedroeg dan 60% hiervan, te weten € 2.429,- netto per maand.

Aanvullende behoefte

2.3.8.. De vrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat de man geen behoefte heeft aan een bijdrage in de kosten van zijn levensonderhoud. De man heeft gedurende het huwelijk altijd gewerkt en heeft voldoende mogelijkheden om een baan te vinden. Volgens de vrouw moet worden uitgegaan van een verdiencapaciteit van de man gelijk aan het minimumloon voor een 36-urige werkweek ter hoogte van € 2.304,- netto per maand. De man heeft gesteld dat hij niet in staat is te werken vanwege zijn psychische gesteldheid. Hij lijdt aan een depressie als gevolg van de scheiding van partijen en de situatie waarin hij hierdoor is komen te verkeren. De man ontvangt sinds mei 2025 een bijstandsuitkering, waarbij hij is vrijgesteld van zijn sollicitatieplicht.

2.3.9.. De rechtbank stelt vast dat de man al langere tijd een bijstandsuitkering ontvangt. De man heeft verder voldoende onderbouwd dat hij om psychische redenen nu niet in staat is te werken. Om die reden zal de rechtbank niet uitgaan van een hogere verdiencapaciteit aan de zijde van de man. Wel wordt rekening gehouden met een eigen inkomen ter hoogte van de bijstandsuitkering die de man ontvangt van € 782,- netto per maand. Na aftrek van deze eigen inkomsten, resteert een aanvullende behoefte van de man van € 1.647,- netto per maand.

Draagkracht vrouw

2.3.10.. De rechtbank verwijst naar de aan deze beschikking gehechte draagkrachtberekening. Met betrekking tot de daarin gehanteerde uitgangspunten overweegt de rechtbank als volgt.

2.3.11.. Bij het bepalen van de draagkracht van de vrouw, sluit de rechtbank aan bij haar inkomen zoals blijkt uit haar salarisspecificatie van november 2025. De rechtbank is van oordeel dat hieruit voldoende gegevens zijn af te leiden over het inkomen van de vrouw, mede gelet op de toelichting die de vrouw ter zitting heeft gegeven, zodat voorbij zal worden gegaan aan het verzoek van de man de vrouw te gelasten haar jaaropgave 2025 te overleggen, temeer nu de vrouw onweersproken heeft gesteld dat deze in beginsel niet wordt verstrekt in Duitsland.

2.3.12.. Partijen zijn het erover eens dat de draagkracht moet worden berekend aan de hand van het netto inkomen van de vrouw, omdat zij in Duitsland belastingplichtig is. Uit de salarisspecificatie van november 2025 blijkt een netto inkomen van de vrouw van € 2.358,- per maand, wat neerkomt op € 28.296,- netto per jaar. De vrouw heeft gesteld dat zij daarnaast jaarlijks een “kerstbonus” krijgt, welke in 2025 € 888,- netto bedroeg. De rechtbank houdt daarom rekening met een totaal inkomen van de vrouw van € 29.184,- netto per jaar.

2.3.13.. Verder houdt de rechtbank rekening met de forfaitaire woonlast. De man heeft gesteld dat de vrouw bij haar ouders woont en geen woonlasten heeft. De vrouw heeft deze stelling weersproken en gesteld dat zij inmiddels weer een eigen woning heeft en hiervoor maandelijks huur betaalt. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de man onvoldoende onderbouwd dat moet worden afgeweken van het uitgangspunt om rekening te houden met de forfaitaire woonlast.

2.3.14.. Uitgaande van bovenstaande gegevens, berekent de rechtbank de draagkracht van de vrouw op € 202,- netto per maand. De rechtbank zal een door de vrouw aan de man te betalen partnerbijdrage vaststellen ter hoogte van dit bedrag, te voldoen met ingang van de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de daartoe bestemde registers van de burgerlijke stand. De rechtbank zal de partnerbijdrage vaststellen als netto bijdrage, omdat partijen niet weten of deze bijdrage aftrekbaar is voor de vrouw in Duitsland.

2.4.. Verdeling

2.4.1.. Partijen hebben verzocht te bepalen dat de tussen hen bestaande beperkte gemeenschap van goederen wordt verdeeld op de door ieder van hen voorgestelde wijze.

Rechtsmacht en toepasselijk recht

2.4.2.. Nu de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft met betrekking tot het verzoek tot echtscheiding, heeft hij tevens rechtsmacht ten aanzien van het verzochte met betrekking tot het huwelijksvermogensregime van partijen.

2.4.3.. Op het huwelijksvermogensregime is het Haags Huwelijksvermogensverdrag 1978 van toepassing.

2.4.4.. Niet gebleken is dat partijen een geldige rechtskeuze hebben uitgebracht.

2.4.5.. Zij hadden bij de huwelijksvoltrekking dan wel kort daarna geen nationaliteit gemeenschappelijk in de zin van artikel 15, lid 1 van het Verdrag.

2.4.6.. Partijen hebben hun eerste gewone verblijfplaats na de huwelijksvoltrekking op het grondgebied van dezelfde staat gevestigd. Nu geen van de uitzonderingen van artikel 4, lid 2 van het Verdrag zich heeft voorgedaan, werd krachtens het bepaalde in artikel 4, lid 1 van het Verdrag vanaf de datum van de huwelijksvoltrekking het recht van de eerste gewone verblijfplaats, te weten het Nederlandse recht, van toepassing op het huwelijksvermogensregime. Dit recht is daarop nog steeds van toepassing.

2.4.7.. Partijen hebben geen huwelijkse voorwaarden opgesteld. Dit betekent dat tussen hen een wettelijke beperkte huwelijksgemeenschap is ontstaan.

Peildatum

2.4.8.. De rechtbank stelt voorop dat de wettelijke peildatum voor de omvang van de gemeenschap de datum van indiening van het verzoekschrift is, zijnde 17 december 2024. Vanaf dat moment is de gemeenschap ontbonden en vatbaar voor verdeling.

2.4.9.. Voor wat betreft de waarde van de bestanddelen zal ten aanzien van de banksaldi en de schulden in beginsel worden uitgegaan van de waarde per peildatum. Ten aanzien van de overige bestanddelen is het uitgangspunt de waarde op het moment van de feitelijke verdeling, waarvan partijen in onderling overleg kunnen afwijken. Voor wat betreft schulden van partijen geldt dat deze niet kunnen worden verdeeld. De rechtbank kan enkel een beslissing nemen over de onderlinge draagplicht van partijen.

Bestanddelen

2.4.10.. De rechtbank zal hieronder de bestanddelen bespreken die volgens partijen of één van hen in de verdeling moeten worden betrokken.

2.4.11.. De rechtbank stelt voorop dat op grond van artikel 3:185 BW de rechter de wijze van verdeling gelast of de verdeling vaststelt, enkel indien en voor zover partijen over een verdeling niet tot overeenstemming komen. Voor zover partijen overeenstemming hebben bereikt, is er geen rol voor de rechter weggelegd.

1. Inboedel

2.4.12.. Tussen partijen is niet in geschil dat de vrouw een bedrag van € 500,- zal voldoen aan de man, zijnde de helft van de verkoopopbrengst van de inboedel. Nu partijen het hierover eens zijn, hoeft de rechtbank op dit punt geen beslissing meer te nemen.

2. Bankrekeningen

2.4.13.. De man had op de peildatum een bankrekening bij de ABN AMRO met rekeningnummer [nummer] . Uit de door man overgelegde bankafschriften leidt de rechtbank af dat het saldo op deze bankrekening op de peildatum (nagenoeg) nihil was, zodat partijen in zoverre niets meer met elkaar hebben te verdelen.

2.4.14.. De vrouw heeft geen inzage gegeven in haar banksaldi per peildatum. De rechtbank zal daarom de wijze van verdeling van de banksaldi vaststellen, inhoudende dat de vrouw alsnog inzage dient te geven aan de man in haar banksaldi per 17 december 2024, waarna deze saldi bij helfte tussen partijen zullen worden verdeeld, dan wel waarbij zij ieder voor de helft draagplichtig zijn voor het negatieve saldo.

3. Waarborgsom

2.4.15.. Vast staat dat de waarborgsom voor de huurwoning van partijen € 2.400,- bedroeg. Partijen verschillen van mening over de vraag hoe deze waarborgsom moet worden verdeeld.

2.4.16.. De rechtbank stelt vast dat de vrouw in haar verweerschrift heeft gesteld dat de waarborgsom van partijen nog niet is vrijgegeven, omdat de nevenkosten nog moesten worden voldaan en de hoogte daarvan nog moest worden vastgesteld. De man heeft zich op het standpunt gesteld dat de nevenkosten moeten worden verrekend met de waarborgsom die de vrouw heeft teruggekregen en dat het restant tussen partijen moet worden verdeeld. Uit de door de vrouw overgelegde stukken leidt de rechtbank af dat over 2023 een bedrag van € 1.290,97 aan nevenkosten in rekening is gebracht en over 2024 een bedrag van € 588,-, derhalve in totaal € 1.878,97. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de vrouw met de door haar overgelegde stukken niet aangetoond dat zij de waarborgsom niet heeft teruggekregen en dat bovenstaande nevenkosten hier bovenop in rekening zijn gebracht. Nu de nevenkosten de waarborgsom niet overstijgen, zal de rechtbank bepalen dat het resterende deel van de waarborgsom bij helfte moet worden verdeeld tussen partijen. Dit betekent dat de vrouw een bedrag van € 260,52 aan de man moet voldoen (€ 2.400 - € 1.878,97 / 2).

4. Tegemoetkoming DUO

2.4.17.. Tussen partijen staat vast dat de vrouw tijdens het huwelijk een tegemoetkoming heeft ontvangen van de DUO ter hoogte van € 1.800,-. De man heeft verzocht te bepalen dat de vrouw de helft van dit bedrag aan hem moet voldoen. De vrouw heeft hiertegen naar voren gebracht dat de tegemoetkoming niet in de gemeenschap valt, omdat deze is verknocht aan haar.

2.4.18.. De rechtbank stelt voorop dat naar vaste rechtspraak alleen in uitzonderlijke gevallen op grond van bijzondere verknochtheid kan worden afgeweken van de hoofregel dat de gemeenschap alle tegenwoordige en toekomstige goederen van de echtgenoten omvat. De vraag of een goed op bijzondere wijze is verknocht en zo ja, in hoeverre die verknochtheid zich ertegen verzet dat het goed in de gemeenschap valt, hangt af van de aard van dat goed, zoals mede door de maatschappelijke opvattingen wordt bepaald. De omstandigheid dat de vrouw een tegemoetkoming heeft ontvangen, omdat zij in coronatijd is afgestudeerd, betekent niet reeds dat sprake is van verknochtheid. De stelplicht en de bewijslast ten aanzien van de verknocht rust op de vrouw.

2.4.19.. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de vrouw onvoldoende gesteld en onderbouwd dat de tegemoetkoming die zij heeft ontvangen van de DUO, aan haar is verknocht. De tegemoetkoming is een financiële compensatie waar studenten tijdens de corona epidemie onder voorwaarden aanspraak op hebben, wat niet kan worden aangemerkt als verknocht aan de vrouw. Dit betekent dat de tegemoetkoming bij helfte moet worden verdeeld tussen partijen, wat betekent dat de vrouw een bedrag van € 900,- aan de man moet voldoen.

5. Schulden

2.4.20.. Uit de door de man overgelegde stukken leidt de rechtbank af dat op de peildatum een schuld aan de belastingdienst aanwezig was in verband met teveel ontvangen zorgtoeslag over de jaren 2018 tot en met 2020. De man heeft daarnaast gesteld dat op de peildatum een creditcardschuld aanwezig was van de ABN AMRO Credit Card, welke schuld is ontstaan tijdens het huwelijk. Ook heeft de man gesteld dat hij daadwerkelijk een schuld heeft aan [naam] vanwege een lening die hij heeft afgesloten om in de kosten van zijn levensonderhoud te kunnen voorzien. De man heeft daartoe ook een lening overeenkomst overgelegd.

2.4.21.. Nu de vrouw niet, althans onvoldoende gemotiveerd heeft weersproken dat bovenstaande schulden huwelijkse schulden betreffen die aanwezig waren op de peildatum, zal de rechtbank bepalen dat partijen ieder voor de helft draagplichtig zijn voor de hoogte van deze schulden per peildatum (17 december 2024).

2.5.. Proceskosten

2.5.1.. Gelet op de aard van de procedure zal de rechtbank bepalen dat elk van de partijen de eigen kosten draagt.

3. De beslissing

De rechtbank:

3.1.. spreekt de echtscheiding uit tussen partijen, gehuwd te [plaats] op [huwelijksdatum] ;

3.2.. bepaalt dat de vrouw € 202,- per maand dient te betalen aan de man als uitkering tot levensonderhoud, met ingang van de dag van inschrijving van de beschikking tot echtscheiding in de registers van de burgerlijke stand, telkens bij vooruitbetaling te voldoen;

3.3.. gelast de wijze van verdeling van de banksaldi van partijen aldus, dat de vrouw de man inzage moet geven in de saldi van de op haar naam staande bankrekeningen per peildatum (17 december 2024), waarna zij de helft van de banksaldi aan de man moet betalen;

3.4.. bepaalt verder in het kader van de verdeling dat de vrouw een bedrag van € 260,52 aan de man moet voldoen uit het restant van de waarborgsom, alsmede een bedrag van € 900,- inzake de tegemoetkoming van DUO;

3.5.. bepaalt dat partijen ieder voor de helft draagplichtig zijn voor de hoogte van de schuld aan de belastingdienst, de creditcardschuld bij de ABN AMRO en de schuld aan [naam] per peildatum (17 december 2024);

3.6.. verklaart de beslissing met betrekking tot de verdeling uitvoerbaar bij voorraad;

3.7.. bepaalt dat elke partij de eigen kosten van deze procedure draagt;

3.8.. wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mr. C.S. Goedèl, rechter, en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier T. Jelierse op 5 maart 2026.

Tegen deze beschikking kan - voor zover er definitief is beslist - door tussenkomst van een advocaat hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te Amsterdam. De verzoekende partij en verschenen belanghebbenden dienen het hoger beroep binnen de termijn van drie maanden na de dag van de uitspraak in te stellen. Andere belanghebbenden dienen het beroep in te stellen binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of nadat deze hun op andere wijze bekend is geworden en overeenkomstig artikel 820 lid 2 Rv openlijk bekend is gemaakt.

Meer Beslissingen