Skip to main content

ECLI:NL:RBNHO:2026:3556

Rechtbank

Haarlem

Datum

31 March 2026

Taal

nl

Samenvatting

Rechtsvraag

Bestuursrecht; Belastingrecht

Uitspraak / Beslissing

Uitspraak

Haarlem

Procedure: UitspraakDomain: Bestuursrecht; BelastingrechtType: uitspraak

Rechtbank noord-holland

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummer: HAA 24/7969

uitspraak van de [verwijderd:enkelvoudige]meervoudige kamer van 31 maart 2026 in de zaak tussen

[eiseres] B.V., gevestigd te [vestigingsplaats] , eiseres

(gemachtigden: mr. M.G.A. Maas en mr. T.A.R. van Brederode),

en

de inspecteur van de Belastingdienst, verweerder.

Procesverloop

Verweerder heeft aan eiseres met dagtekening 6 januari 2024 een voorlopige aanslag vennootschapsbelasting (Vpb) voor de periode 1 januari 2021 tot en met 31 december 2021 opgelegd (de aanslag). Bij gelijktijdig gegeven beschikking is € 33.927 belastingrente in rekening gebracht (de beschikking). Verweerder heeft het verzoek van eiseres om herziening van de beschikking afgewezen.

Eiseres heeft bezwaar gemaakt tegen de afwijzing van het verzoek om herziening van de beschikking.

Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar de afwijzing gehandhaafd.

Eiseres heeft daartegen beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Verweerder heeft vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn in afschrift verstrekt aan eiseres.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 september 2025 te Haarlem. Namens eiseres zijn haar gemachtigden verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden mr. [naam 1] , mr. [naam 2] en mr. [naam 3] .

De rechtbank heeft het onderzoek heropend op 2 oktober 2025 en partijen in de gelegenheid gesteld om te reageren op de conclusie van de Procureur-Generaal van de Hoge Raad inzake belastingrente (conclusie van de P-G van 26 september 2025, ECLI:NL:PHR:2025:1044). Partijen hebben hierop schriftelijk gereageerd. Hierna heeft de rechtbank de zaak op 5 november 2025 aangehouden in afwachting van de uitkomst van de procedure over belastingrente die bij de Hoge Raad aanhangig was (zaaknummer 24/04619). Nadat de Hoge Raad in genoemde zaak arrest had gewezen heeft de rechtbank op 28 januari 2026 aangegeven een nadere zitting niet nodig te achten en partijen in de gelegenheid gesteld om aan te geven of zij ter zitting mondeling wilden worden gehoord. Partijen hebben niet binnen de door de rechtbank gestelde termijn op dit verzoek gereageerd en dus heeft de rechtbank geconcludeerd dat partijen afzien van een nadere zitting. Het onderzoek is vervolgens gesloten op 17 februari 2026.

Overwegingen

Feiten

1. Op 6 januari 2024 heeft verweerder de aanslag opgelegd, berekend naar een belastbaar bedrag van € 1.908.610. Tegelijkertijd is middels de beschikking € 33.927 aan belastingrente in rekening gebracht. Dit bedrag is als volgt berekend, rekening houdend met artikel 31 van de Uitvoeringsregeling Algemene Wet inzake Rijksbelastingen 1994:

Periode

Aantal dagen

Rente%

Rentebedrag

1-7-2022 – 31-12-2023

540

8%

€ 30.598

1-1-2024 – 17-2-2024

47

10%

€ 3.329

€ 33.927

2. Eiseres heeft bij brief met dagtekening 15 januari 2024 bezwaar gemaakt, welk bezwaar door verweerder is aangemerkt als een verzoek om herziening. Bij brief van 5 maart 2024 heeft verweerder het herzieningsverzoek afgewezen.

Geschil 3. In geschil is of de beschikking terecht en tot een juist bedrag is vastgesteld.

4. Eiseres stelt zich primair op het standpunt dat de beschikking moet worden verminderd tot nihil. Volgens eiseres moet het Besluit belasting- en invorderingsrente (het Besluit) onverbindend verklaard worden omdat de daarin opgenomen tarieven in strijd zijn met het evenredigheidsbeginsel en de exceptieve toetsing van de Hoge Raad niet doorstaan. Subsidiair bepleit zij dat de beschikking moet worden verminderd tot een beschikking die is berekend op grond van een (lager) redelijk rentepercentage, bijvoorbeeld 1%. Eiseres verwijst ter onderbouwing van haar standpunt naar de uitspraak van rechtbank Noord-Nederland van 7 november 2024, ECLI:NL:RBNNE:2024:4361 en de uitspraak van rechtbank Den Haag van 22 juli 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:16368. Tot slot betoogt eiseres dat sprake is van willekeur gelet op het verschil in belastingrentetarief tussen ondernemers voor de inkomstenbelasting en voor de Vpb.

Eiseres concludeert tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de uitspraak op bezwaar en vermindering van de beschikking tot nihil, dan wel een (lager) redelijk rentepercentage.

5. Verweerder stelt zich op het standpunt dat de beschikking terecht en tot een juist bedrag is vastgesteld. Hiertoe betoogt verweerder dat er ruimte is voor exceptieve toetsing, maar dat dit hooguit zeer beperkt kan plaatsvinden. In dit kader betoogt verweerder bovendien dat de belastingrentepercentages welbewust zijn gekozen en dus, voor zover deze toetsbaar zijn aan het evenredigheidsbeginsel, van strijd hiermee geen sprake is.

Verweerder concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.

Beoordeling van het geschil

6. Op grond van artikel 30f, eerste lid, van de Algemene Wet inzake Rijksbelastingen (AWR) wordt belastingrente in rekening gebracht indien zes maanden na afloop van het einde van het tijdvak waarover Vpb wordt geheven een voorlopige aanslag met een door de belastingplichtige te betalen bedrag aan belasting wordt vastgesteld.

7. Op grond van artikel 30f, tweede lid, van de AWR wordt belastingrente enkelvoudig berekend over het tijdvak dat aanvangt zes maanden te rekenen vanaf het einde van het tijdvak waarover de belasting wordt geheven en eindigt op de dag voorafgaand aan de dag waarop de voorlopige aanslag invorderbaar is en heeft de belastingrente als grondslag het te betalen bedrag aan belasting.

8. Het (minimum)percentage belastingrente was tot 1 oktober 2020 neergelegd in artikel 30hb, eerste lid, van de AWR. Met ingang van 1 oktober 2020 staat het (minimum)percentage belastingrente in artikel 1, aanhef en onderdeel b, van het Besluit. In artikel 1, onderdeel b, van het Besluit is bepaald dat de belastingrente voor de Vpb gelijk is aan de wettelijke rente voor handelstransacties, maar tenminste 8% is. In de onderhavige zaak is de verschuldigde belastingrente voor de periode tussen 1 juli 2022 en 31 december 2023 vastgesteld op 8% en voor de periode tussen 1 januari 2024 en 17 februari 2024 op 10%.

9. Eiseres’ beroepsgronden zijn gericht tegen de op grond van het Besluit gehanteerde belastingrentepercentages. De rechtbank overweegt als volgt. In het arrest van de Hoge Raad van 16 januari 2026, ECLI:NL:HR:2026:59, is artikel 1, letter b, van het Besluit onverbindend verklaard en zal als gevolg daarvan buiten toepassing moeten blijven (zie r.o. 4.8.10). Het beroep is derhalve gegrond. Tussen partijen is nog in geschil wat de hoogte van de belastingrente zou moeten zijn. Volgens de Hoge Raad dient het belastingrentepercentage te worden bepaald met toepassing van de algemene regel van artikel 1, letter a, van het Besluit (zie r.o. 4.11.2 van het hiervoor genoemde arrest van de Hoge Raad van 16 januari 2026). Dit betekent dat de belastingrente moet worden berekend naar een percentage van 4% voor de periode van 1 juli 2022 tot en met 31 december 2023 en 4,5% voor de periode van 1 januari 2024 tot en met 17 februari 2024. Hiervan uitgaande dient de beschikking te worden vastgesteld op € 16.797 ((540/360 x 4% x € 254.990) + (47/360 x 4,5% x € 254.990)).

10. Gelet op het vorenstaande dient het beroep gegrond te worden verklaard.

Proceskosten

11. Omdat het beroep gegrond wordt verklaard, heeft eiseres recht op een proceskostenvergoeding. De rechtbank stelt de proceskosten op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 3.001 (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift met een waarde per punt van € 666, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 0,5 punt voor het indienen van schriftelijk commentaar op de conclusie van de Procureur-Generaal van de Hoge Raad en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 934 en een wegingsfactor 1). Ook dient verweerder het door eiseres betaalde griffierecht te vergoeden.Beslissing

De rechtbank:

  • verklaart het beroep gegrond;

  • vernietigt de uitspraak op bezwaar;

  • vermindert de beschikking inzake belastingrente tot een bedrag van € 16.797;

  • bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde uitspraak op bezwaar;

  • veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 3.001;

  • draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 371 aan eiseres te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.C. van As, voorzitter, mr. A.A. Fase en mr. C. Huisman, in aanwezigheid van mr. F.C. Claushuis, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 31 maart 2026.

griffier voorzitter

Een afschrift van deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert, is een afschrift per post verzonden op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof Amsterdam (belastingkamer).

U kunt digitaal beroep instellen via www.rechtspraak.nl. Daar klikt u op “Formulieren en inloggen”. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Amsterdam (belastingkamer), Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1. bij het hogerberoepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. het hogerberoepschrift moet, indien het op papier wordt ingediend, ondertekend zijn. Verder moet het ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de datum van verzending;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de redenen waarom u het niet eens bent met de uitspraak (de gronden van het hoger beroep).

Meer Beslissingen