[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"decision-ecli-nl-rbnho-2026-7585":3,"decision-more-ecli-nl-rbnho-2026-7585":20},{"id":4,"ecli":5,"caseNumber":6,"courtId":7,"courtName":8,"courtSlug":9,"decisionDate":10,"fullText":11,"language":12,"source":13,"sourceUrl":14,"summary":6,"slug":15,"metadata":16},"991","ECLI:NL:RBNHO:2026:7585","",67,"Haarlem","haarlem","2026-06-10T00:00:00.000Z","RECHTBANKNOORD-HOLLAND\n\nCiviel recht\n\nKantonrechter\n\nZittingsplaats Haarlem\n\nZaaknummer \u002F rekestnummer: 12001278 \\ EJ VERZ 25-62\n\nBeschikking van 10 juni 2026\n\nin de zaak van\n\n1. [verzoeker 1], 2. [verzoeker 2], 3. [verzoeker 3], 4. [verzoeker 4], 5. [verzoeker 5], 6. [verzoeker 6], 7. [verzoeker 7], 8. [verzoeker 8], 9. [verzoeker 9], 10. [verzoeker 10],\n\nallen wonende te [plaats],\n\nverzoekende partijen,\n\nhierna samen te noemen: [verzoekers],\n\ngemachtigde: mr. M.B. van Munster,\n\ntegen\n\n1. [VVE 1], gevestigd te [plaats],\n\nniet verschenen, 2. [VVE 2],\n\ngevestigd te [plaats],\n\ngemachtigde: mr. P.G. Bekkers,\n\nverwerende partijen,\n\nhierna te noemen: [VVE 1] dan wel [VVE 2].\n\nDe zaak in het kortDe verzoeken tot nietigheid dan wel vernietiging van de besluiten zijn niet toewijsbaar. Van strijd met de splitsingsakte is geen sprake, evenmin zijn de besluiten van de ALV van de VvE’s van 6 november 2025 in strijd met de redelijkheid en billijkheid genomen. Ook van misbruik van een meerderheidsstem in de ALV van [VVE 2] is de kantonrechter niet gebleken. De verzochte voor recht verklaring is niet toewijsbaar, omdat dit verzoek niet ziet op de rechtsverhouding tussen [verzoekers] en de VvE’s.\n\n1. De procedure\n\n1.1.. Het verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- het verzoekschrift\n\n- het verweerschrift\n\n- de mondelinge behandeling van 21 april 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt - de spreekaantekeningen die door Schreiber zijn overgelegd en voorgedragen.\n\n1.2.. De beschikking is bepaald op vandaag.\n\n2. De feiten\n\n2.1.. Het complex [naam] bestaat uit een parkeergarage met bergingen in de kelder, winkels op de begane grond en 79 woningen op de 1e, 2e, 3e en 4e verdieping.2.2.. Bij akte van 5 juli 2005, ingeschreven in het kadaster onder nummer 19243\u002F150, (hierna: splitsingsakte) is het complex gesplitst in drie appartementsrechten, te weten 79 woningen met index A1, winkels\u002Fbedrijfsruimte(n) met index A2 en een parkeergarage met index A3. Bij de splitsingsakte is eveneens [VVE 1] opgericht.\n\n2.3.. Binnen de [VVE 1] zijn de drie hiervoor genoemde appartementsrechten opnieuw gesplitst in verschillende appartementsrechten, waarbij namens het appartementsrecht met index A1 de [VVE 3], namens het appartementsrecht met index A2 de [VVE 4] en namens het appartementsrecht met index A3 de [VVE 2] optreedt.\n\n2.4.. \n [VVE 2] is ondergesplitst in 235 appartementsrechten. In artikel 32 lid 3 van het model splitsingsreglement 1992 (hierna: splitsingsreglement 1992) die ziet op de ondersplitsing van [VVE 2] staat – voor zover van belang –: “(…) De stemmen voor het in de ondersplitsing betrokken appartementsrecht behoeven niet eensluidend te worden uitgebracht.(…)”.\n\n2.5.. \n [verzoekers] zijn allen eigenaars van appartementsrechten binnen het wooncomplex van [naam]. [verzoekers] zijn als eigenaars van die appartementsrechten van rechtswege lid van [VVE 3] en [VVE 2].\n\n2.6.. Op 6 november 2025 heeft een algemene ledenvergadering (hierna: ALV) plaatsgevonden in [VVE 2]. Uit de notulen van die ALV volgt dat – voor zover van belang – de volgende besluiten zijn genomen: “Besluitenlijst [VVE 2](…)8. Boetebesluit [VVE 2]8.1 De leden besluiten het boetebesluit, zoals besproken, niet vast te stellen voor de [VVE 2].9. Boetebesluit VvE Hoofdvereniging9.1 Er wordt op eensluidende wijze gestemd om de vertegenwoordiger [VVE 2] niet te machtigen voor wat betreft het stemmen voor het boetebesluit [VVE 1].10. Incassoprocesvolmacht10.2 De vergadering besluit het bestuur (in welke vorm deze zich bevind) volmacht te verlenen zoals omschreven in het belegstuk.11. Bestuursprocesvolmacht11.1 Er wordt door de vergadering geen procesvolmacht verleent aan het bestuur.12. Ontslag bestuur [VVE 2]12.1 De vergadering besluit het bestuur van [VVE 1] per direct te ontslaan.13. Benoeming bestuur [VVE 2]13.1 De vergadering besluit tegen het instellen van een intern bestuur.13.2 De vergadering besluit tegen het machtigen van het bestuur om de werving via meervoudig aanbesteden te initiëren.13.3 De vergadering besluit de externe partij, [bedrijf], te benoemen als bestuur van de [VVE 2]. Hoorne Vastgoed zal de aanvullende kosten voor dit externe bestuur op zich nemen.”\n\n2.7.. Ook op de ALV van [VVE 1] van 6 november 2025 zijn besluiten genomen. In de besluitenlijst van die ALV staat: “Besluitenlijst [VVE 1](…)7. Incassoprocesvolmacht7.1 De leden stemmen tegen het verlenen van incassoprocesvolmacht aan haar bestuur.8. Bestuursprocesvolmacht8.1 De leden stemmen tegen het verlenen van bestuursprocesvolmacht aan haar bestuur.”\n\n3. Het verzoek en het verweer\n\n3.1.. \n [verzoekers] verzoeken de kantonrechter – voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad –:\n\nom de besluiten van [VVE 1] en [VVE 2] zoals genomen op de ALV’s van 6 november 2025 en die zien op: 1) de afwijzing van het voorstel om het bestuur (de kantonrechter begrijpt: van [VVE 1]) een incassovolmacht en een procesvolmacht te verlenen; en 2) de besluiten dat de stemmen van [VVE 2] eensluidend zullen worden meegeteld in de ALV van [VVE 1]; nietig te verklaren dan wel te vernietigen,\n\nvoor recht te verklaren dat het stemrecht dat aan [VVE 2] toekomt in [VVE 1] op de ALV van [VVE 1] moet worden uitgebracht conform de stemverhoudingen zoals die zijn uitgebracht op de ALV van [VVE 2],\n\nom de besluiten van [VVE 2] zoals genomen op de ALV van 6 november 2025 en die zien op: A) de afwijzing van het voorstel om een boetebesluit vast te stellen; B) het besluit om de vertegenwoordiger van [VVE 2] niet te machtigen voor wat betreft het stemmen voor het boetebesluit in [VVE 1]; C) de afwijzing van het voorstel om aan het bestuur een procesvolmacht te verlenen; D) het besluit om het bestuur van [VVE 2] direct te ontslaan; E) het besluit om (en deel van) het zittende bestuur dan wel een ander lid van [VVE 2] te benoemen als bestuur; F) het besluit om niet via een meervoudige aanbesteding een nieuw bestuur voor [VVE 2] te werven; en G) het besluit om [bedrijf] te benoemen als bestuurder van [VVE 2], waarbij Hoorne Vastgoed B.V. de aanvullende kosten op zich zal nemen; te vernietigen,\n\nom aan het bestuur van [VVE 1] een incassovolmacht en een procesvolmacht te verlenen, alsmede om aan het bestuur van [VVE 2] een procesvolmacht te verlenen, zoals verzocht op de ALV van beide VvE’s van\n\n6 november 2025,\n\n- [VVE 1] en [VVE 2] te veroordelen in de proceskosten.\n\n3.2.. Aan de verzoeken hebben [verzoekers] – voor zover van belang – het volgende ten grondslag gelegd. Ten aanzien van de wijze van stemmen beroepen [verzoekers] zich op artikel 33 lid 3 van de splitsingsakte van [VVE 2], waaruit volgt dat in dit geval sprake is van een stelsel van evenredige vertegenwoordiging. Het besluit dat de stemmen van [VVE 2] op eensluidende wijze moeten worden meegenomen bij [VVE 1] is in strijd met de splitsingsakte en levert daarom nietigheid van dat besluit op. Verder zijn de besluiten vernietigbaar, omdat die in strijd met de redelijkheid en billijkheid zijn genomen. Hoorne Vastgoed B.V. (hierna: Hoorne Vastgoed) is evenals [verzoekers] lid van [VVE 2] en maakt misbruik van haar meerderheidsmacht. Hoorne Vastgoed handelt feitelijk in haar eigen belang en daarmee overduidelijk in strijd met het belang van [VVE 2], aldus [verzoekers]\n\n3.3.. \n [VVE 1] is niet in deze procedure verschenen. [VVE 2] verzet zich tegen toewijzing van de verzoeken. Op haar verweer wordt – voor zover van belang – bij de beoordeling van het geschil ingegaan.\n\n4. De beoordeling\n\nBevoegdheid van de kantonrechter\n\n4.1.. Voordat de kantonrechter op de standpunten van partijen kan ingaan, zal zij eerst moeten vaststellen of hij bevoegd is om te oordelen over het primaire verzoek van verzoekers. Vernietiging van een besluit van de VvE vindt weliswaar plaats door een uitspraak van de kantonrechter, maar een beroep op de nietigheid van een VvE-besluit moet volgens de wet aan de orde worden gesteld door middel van een dagvaarding bij de rechtbank.\n\n4.2.. De kantonrechter komt tot het oordeel dat hij in dit geval bevoegd is om de verzoeken te beoordelen. Het hof Den Haag heeft in zijn arrest van 18 december 2018namelijk geoordeeld dat in een geval waarin zowel een beroep op de nietigheid van een besluit als een beroep op vernietiging van dat besluit wordt gedaan de kantonrechter bevoegd is om over beide kwesties te beslissen. De Hoge Raad heeft dit bevestigd in zijn arrest van 10 juli 2020. De procedure hoeft dus niet te worden gesplitst om de nietigheid van de besluiten in een afzonderlijke dagvaardingsprocedure bij de rechtbank te laten beoordelen.\n\nOntvankelijkheid van [verzoekers]\n\n4.3.. De volgende vraag die de kantonrechter moet beantwoorden is of [verzoekers] ontvankelijk zijn in het verzoek. De kantonrechter overweegt daartoe als volgt. [verzoekers] hebben weliswaar niet betwist dat zij geen lid zijn van [VVE 1], maar dat betekent nog niet dat zij geen procedure tegen die VvE kunnen voeren. Uit de wet volgt dat iedereen die daar een redelijk belang bij heeft om vernietiging van een besluit kan verzoeken. Het is dus niet noodzakelijk om lid van de VvE te zijn, wel dat sprake is van een redelijk belang. Dat [verzoekers] als bewoners een redelijk belang hebben bij vernietiging van de besluiten staat naar het oordeel van de kantonrechter niet ter discussie.\n\n4.4.. De kantonrechter is van oordeel dat het voorgaande ook geldt voor een beroep op nietigheid van een besluit. Nietigheid van een besluit betekent immers dat dat besluit geacht wordt nooit te hebben bestaan. In principe kan dus een ieder die meent dat een besluit nietig is dit mededelen aan degene die zich op dat nietige besluit beroept. Voor een verklaring voor recht is wel vereist dat de verzoeker daarbij voldoende belang heeft, maar zoals hiervoor overwogen staat dat naar het oordeel van de kantonrechter niet ter discussie.\n\nDe verzoeken tot nietigverklaring van de besluiten zijn niet toewijsbaar4.5.. Als een besluit van de VvE strijdig is met de splitsingsakte, leidt dat tot nietigheid van dat besluit. De beoordeling of het besluit al dan niet nietig is, is niet onderworpen aan een belangenafweging.\n\n4.6.. \n [verzoekers] verzoeken om het besluit tot afwijzing van het voorstel om het bestuur (de kantonrechter begrijpt: van [VVE 1]) een incassovolmacht en een procesvolmacht te verlenen, zoals genomen op de ALV van [VVE 1] van 6 november 2025, nietig te verklaren. Niet is gebleken dat dit besluit is genomen in strijd met de splitsingsakte. Evenmin hebben [verzoekers] onderbouwd op welke gronden dit besluit nietig moet worden verklaard. Van nietigheid van dat besluit kan daarom geen sprake zijn. Dit deel van de vordering is niet toewijsbaar.\n\n4.7.. \n [verzoekers] verzoeken de kantonrechter ook om het besluit dat de stemmen van [VVE 2] eensluidend zullen worden meegeteld in de ALV van [VVE 1], nietig te verklaren. Daartoe stellen [verzoekers] dat dit besluit in strijd is met het ten behoeve van [VVE 2] opgestelde splitsingsreglement 1992. Daaruit volgt immers dat de stemmen van [VVE 2] naar rato, en dus op basis van evenredige vertegenwoordiging, moeten worden uitgebracht in [VVE 1], aldus [verzoekers]\n\n4.8.. De wetschrijft voor dat de stemmen van de leden van de onder-VvE’s (de ondersplitsingen) in de vergadering van eigenaars van de hoofd-VvE worden uitgebracht door het bestuur van de onder-VvE’s. Die stemmen behoeven niet eensluidend te worden uitgebracht.\n\n4.9.. In het onderhavige geval heeft [VVE 2] gemotiveerd betwist dat het besluit tot afwijzing van een incasso- en procesvolmacht in strijd is met de splitsingsakte. Uit de splitsingsakte van [VVE 1] volgt dat de wijze waarop de stemmen van [VVE 2] in de ALV van [VVE 1] worden uitgebracht, wordt overgelaten aan de splitsingsakte van [VVE 2]. In de ALV van [VVE 1] van 6 november 2025 is besloten dat de wijze waarop zal worden gestemd in de ALV van [VVE 1] door [VVE 2] eensluidend zal zijn. Dit is niet in strijd met het splitsingsreglement 1992 van [VVE 2], want volgens [VVE 2] volgt uit artikel 33 lid 3dat het districtenstelsel hier van toepassing is. Dit houdt in dat de stemmen die worden uitgebracht in de ALV van [VVE 2] eensluidend – oftewel unaniem – in de ALV van [VVE 1] zullen worden uitgebracht. Ter onderbouwing verwijst [VVE 2] naar een uitspraak van het hof Amsterdam van 7 april 2005, dat het betoog van [VVE 2] volgens haar ondersteunt.\n\n4.10.. Scheiber c.s. hebben het voorgaande niet gemotiveerd weersproken. Voor zover [verzoekers] stellen dat in het verleden niet eensluidend is gestemd, maakt dat naar het oordeel van de kantonrechter niet dat de ALV van [VVE 2] niet mag besluiten over te gaan op een dergelijke wijze van stemmen. Uit het splitsingsreglement 1992 die op [VVE 2] van toepassing is, volgt dat een dergelijke keuze weldegelijk mag worden gemaakt. De kantonrechter concludeert daarom dat geen sprake is van een besluit genomen in strijd met de splitsingsakte, zodat de verzochte nietigheid van dat besluit niet toewijsbaar is.\n\nDe verzochte verklaring voor recht wordt afgewezen4.11. Hoewel een verklaring voor recht in beginsel ook in een verzoekschriftprocedure kan worden gegeven, is daarvoor wel vereist dat die verklaring voor recht binnen de grenzen blijft van de toepasselijke wetsbepalingen en zich beperkt tot de vaststelling van de rechtsverhouding tussen verzoeker en verweerder. Dat is hier niet het geval. Uit het verzoek volgt dat [verzoekers] voor recht wenst te verklaren dat het stemrecht dat binnen [VVE 1] toekomt aan [VVE 2] op de ALV van [VVE 1] moet worden uitgebracht conform de stemverhoudingen zoals die zijn uitgebracht op de ALV van [VVE 2]. De verzochte verklaring voor recht ziet dan ook specifiek op de rechtsverhouding tussen [VVE 1] en [VVE 2] en niet op de rechtsverhouding tussen [verzoekers] en [VVE 2] dan wel [VVE 1]. De verzochte verklaring voor recht is daarom niet toewijsbaar.\n\nHet juridisch kader omtrent vernietiging van besluiten\n\n4.12.. De kantonrechter stelt voorop dat het verzoekschrift is ingekomen op de griffie op 5 december 2025. Aangezien de ALV waarop de besluiten zijn genomen, heeft plaatsgevonden op 6 november 2025, is het verzoek tot vernietiging tijdig gedaan, namelijk binnen een maand.\n\n4.13.. De kantonrechter overweegt dat een besluit van een orgaan van een rechtspersoon vernietigbaar is wegens (a) strijd met wettelijke of statutaire bepalingen die het tot stand komen van besluiten regelen, (b) strijd met de redelijkheid en billijkheidof (c) strijd met een reglement.Ten aanzien van een beroep op vernietiging wegens ‘strijd met de redelijkheid en billijkheid’ geldt het volgende. De toetsing door de rechter is marginaal. Dat betekent dat de vergadering een ruime mate van eigen verantwoordelijkheid toekomt. Het gaat er niet om of een ‘beter’ besluit genomen had kunnen worden, maar of de vergadering bij afweging van alle bij het besluit betrokken belangen in redelijkheid en naar billijkheid tot het besluit heeft kunnen komen.\n\n4.14.. \n\nOf het besluit vernietigbaar is wegens misbruik van een meerderheidspositie hangt af van de vraag of het besluit naar inhoud of totstandkoming in strijd met de redelijkheid en billijkheid is. Feitelijk komt dit neer op de vraag of een eigenaar met doorslaggevende stem (in dit geval Hoorne Vastgoed), mede gelet op de belangen van de minderheidseigenaren, in redelijkheid tot verwerping van het voorstel kon komen. Een eigenaar mag zijn\n\nmeerderheidsmacht binnen de vergadering van de VvE gebruiken en haar belangen binnen redelijke grenzen beschermen. Een besluit van de VvE moet echter voldoen aan de eisen van redelijkheid en billijkheid die ten opzichte van de overige eigenaren in acht moet worden genomen. Vooral bij mogelijke verstrengeling van belangen moet de eigenaar met een meerderheidsbelang een hoge mate van zorgvuldigheid en openheid betrachten, waarbij hij zoveel mogelijk de verschillende belangen gescheiden moet houden. Daartegenover staat dat enkele feit dat een lid van een VvE vanwege haar meerderheidsbelang een besluit eenzijdig kan tegenhouden, niet maakt dat dat lid misbruik maakt van haar meerderheidsmacht.\n\nHet verzoek tot vernietiging van het besluit van de ALV van [VVE 1] van 6 november 2025 tot afwijzing van een incasso- en procesvolmacht, alsmede de verzochte vervangende machtiging tot verkrijging daarvan zijn niet toewijsbaar\n\n4.15.. De besluiten ten aanzien van de incasso- en procesvolmacht die op 6 november 2025 in de ALV van [VVE 1] zijn genomen, zijn volgens [verzoekers] genomen ook in strijd met de redelijkheid en billijkheid. [VVE 1] heeft een belang bij een incassomandaat, zodat zij incassomaatregelen kan treffen tegen een lid van die VvE dat haar betalingsverplichtingen niet nakomt. Hetzelfde geldt voor de procesvolmacht. Door tegen het besluit tot verkrijging daartoe te stemmen, is het voor het bestuur van [VVE 1] niet mogelijk om de regels die gelden binnen de VvE te kunnen handhaven. Daarbij komt dat misbruik wordt gemaakt van een meerderheidsmacht, omdat Hoorne Vastgoed volgens [verzoekers] enkel oog heeft voor haar eigen belangen. Het voorgaande is door [VVE 2] gemotiveerd betwist.\n\n4.16.. De kantonrechter is van oordeel dat [VVE 1] in redelijkheid heeft kunnen besluiten tot afwijzing van het verzoek tot afgifte van een incasso- en procesvolmacht. De kantonrechter overweegt daartoe als volgt. Zoals hiervoor uiteengezet is de toetsing door de rechter marginaal. In het onderhavige geval is de kantonrechter niet gebleken dat het niet verkrijgen van een incasso- en procesvolmacht voor het bestuur van [VVE 1] zodanige nadelige gevolgen heeft dat het haar onmogelijk wordt gemaakt om een debiteurenbeheer te voeren. Het betoog van [VVE 2] dat op het moment dat dergelijke incasso- of procesrechtelijke kwesties spelen er bij ALV gestemd kan worden over de voortgang van die specifieke zaak, is daarnaast door [verzoekers] niet weersproken. Dat het bijeenroepen van een ALV per incident inefficiënt is, maakt naar het oordeel van de kantonrechter niet dat sprake is van een besluit dat is genomen in strijd met de redelijkheid en billijkheid. Dat binnen de ALV van [VVE 1] bij de besluitvorming van de ALV van 6 november 2025 geen rekening is gehouden met de belangen van haar leden, is de kantonrechter niet gebleken.\n\n4.17.. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat het verzoek om de besluiten van de ALV van [VVE 1] van 6 november 2025 tot afwijzing van verlening van een incasso- en procesvolmacht te vernietigen, zal worden afgewezen. Er is daarom ook geen grond om [verzoekers] een vervangende machtiging te verlenen. Ook dit verzoek wordt afgewezen.\n\nDe verzoeken tot vernietiging van de besluiten van de ALV van [VVE 2] van 6 december 2025 zijn niet toewijsbaar\n\n4.18.. Ten aanzien van het verzoek tot vernietiging van besluit A), overweegt de kantonrechter als volgt. In dit geval is de kantonrechter niet gebleken dat in strijd is gehandeld met de belangen van de belangen van alle (in de minderheid zijnde) eigenaren. Zoals hiervoor overwogenis dit besluit niet in strijd met de splitsingsakte. De kantonrechter passeert het betoog van [verzoekers] dat sprake is van een frustratie van de besluitvorming van de ALV van 6 november 2025 door Hoorne Vastgoed, omdat dergelijke omstandigheden hem niet zijn gebleken. Het enkele feit dat Hoorne Vastgoed een meerderheidsbelang heeft is hiertoe in ieder geval onvoldoende. De verzochte vernietiging is daarom niet toewijsbaar.\n\n4.19.. \n [verzoekers] verzoeken verder vernietiging van het besluit zoals opgenomen onder B) en C). Zij stellen daartoe dat doel van het boetebesluit is om een objectief referentiekader te geven voor de inhoud van de bevoegdheid die het bestuur van [VVE 2] heeft volgens het splitsingsreglement 1992. Het niet vaststellen van het boetebesluit maakt het volgens [verzoekers] niet onmogelijk om als bestuur boetes op te leggen. Het boetebesluit is ter sprake gekomen omdat leden van [VVE 2] – in het bijzonder Hoorne Vastgoed – zich niet altijd aan de splitsingsakte houden en het bestuur van [VVE 2] een ‘stok’ wenst te verkrijgen om overtreders aan te kunnen pakken. Hoorne Vastgoed heeft tegen dit besluit gestemd uit eigenbelang, aldus [verzoekers]4.20.. De kantonrechter oordeelt dat besluit B) en C) niet zijn genomen in strijd met de redelijkheid en billijkheid, noch dat sprake is van misbruik van een meerderheidsmacht. In het onderhavige geval hebben [verzoekers] onomwonden gesteld dat het bestuur wordt gefrustreerd om bij toekomstige overtredingen door Hoorne Vastgoed te kunnen handhaven (de kantonrechter begrijpt) in de vorm van het opleggen van boetes conform het boetebesluit. Dat Hoorne Vastgoed tegen deze besluiten heeft gestemd, maakt onder deze omstandigheden niet dat misbruik is gemaakt van haar meerderheidsmacht. De verzochte vernietiging van die besluiten is daarom niet toewijsbaar.\n\n4.21.. Omdat van vernietiging van het besluit zoals opgenomen onder C) geen sprake is, is het verzoek tot verkrijging van een vervangende machtiging daartoe niet toewijsbaar.\n\n4.22.. \n [verzoekers] verzoeken vernietiging van de besluiten onder D) tot en met G). Zij stellen daartoe dat Hoorne Vastgoed op onredelijke wijze misbruik maakt van haar meerderheidsmacht, omdat het oude bestuur hoofdzakelijk is ontslagen wegens de stroeve samenwerking met Hoorne Vastgoed. Dat dit bestuur niet functioneerde is volgens [verzoekers] aantoonbaar onjuist. Het ontslag van het bestuur is buitenproportioneel en weerspiegelt uitsluitend de belangen van Hoorne Vastgoed. Daarbij komt dat de aanstelling van [bedrijf] in strijd is met de reeds door de ALV van [VVE 2] vastgestelde criteria waar beheerders aan moeten voldoen. Ter onderbouwing leggen [verzoekers] het document “Selectie VvE-beheerder [naam]” over, waarin – voor zover van belang – staat: “Selectie van de beoogde VvE-beheerder zal in beginsel plaatsvinden aan de hand van de volgende gunningscriteria:(…)”. [bedrijf] is een adviseur van Hoorne Vastgoed. Dat Hoorne Vastgoed daarbij de extra kosten van [bedrijf] op zich neemt is verder zeer onwenselijk, aldus [verzoekers]\n\n4.23.. \n [VVE 2] heeft hiertegen ingebracht dat een onwerkbare situatie was ontstaan tussen het oud bestuur en Hoorne Vastgoed. Een onderbouwing dat bij de totstandkoming van deze besluiten misbruik is gemaakt van de stemmeerderheid van Hoorne Vastgoed ontbreekt. Hoorne Vastgoed heeft aangeboden de meerkosten die [bedrijf] met zich meebrengt op zich te nemen, om zo de andere leden van [VVE 2] niet met hogere kosten te confronteren, aldus [VVE 2].\n\n4.24.. De verzochte vernietiging van de besluiten zoals opgenomen onder D) tot en met G) zijn niet toewijsbaar. Daartoe overweegt de kantonrechter als volgt. In een ALV kan te allen tijde besloten worden het bestuur van de VvE te ontslaan. Daarvoor is niet vereist dat het huidige bestuur niet of niet naar behoren functioneert. Verder is voor het benoemen van een nieuw bestuur binnen [VVE 2] een document opgesteld waarin de selectieprocedure wordt omschreven die in beginselmoet worden gevolgd. Daaruit volgt genoegzaam dat afwijking van die selectieprocedure mogelijk is. Uit de besluiten genomen op de ALV van [VVE 2] van 6 november 2025 volgt genoegzaam dat van die standaard selectieprocedure is afgeweken. Niet gebleken is waarom die besluiten in strijd zouden zijn met de redelijkheid en billijkheid. Evenmin is gebleken dat Hoorne Vastgoed misbruik maakt van haar meerderheidsmacht. In dit geval heeft [VVE 2] gemotiveerd uiteen gezet op welke wijze de besluiten tot stand zijn gekomen, waarbij gemotiveerd is aangevoerd welke belangen Hoorne Vastgoed en de andere eigenaren daarbij hadden. Daarbij komt dat Hoorne Vastgoed bij de besluitvorming het financieel belang van de overige eigenaren heeft meegenomen door de kosten voor inschakeling van [bedrijf] op zich te nemen. Dat daarbij sprake is van een mogelijke belangenverstrengeling, zoals [verzoekers] stellen, is de kantonrechter niet gebleken. Het enkele feit dat Hoorne Vastgoed vaker betrokken is bij een VvE waarbij [bedrijf] als bestuurder optreedt, maakt niet dat sprake is van een verstrengeling van belangen zoals bedoeld in rechtsoverweging 4.14.\n\n [verzoekers] moeten de kosten betalen.\n\n4.25.. De proceskosten komen voor rekening van [verzoekers] omdat zij ongelijk krijgen.\n\n5. De beslissing\n\nDe kantonrechter\n\n5.1.. wijst de verzoeken af,\n\n5.2.. veroordeelt [verzoekers] tot betaling van de proceskosten, die tot en met vandaag voor [VVE 2] worden vastgesteld op € 576,00 (2x € 288,00) aan salaris van de gemachtigde,5.3.. verklaart de veroordeling in deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad,\n\n5.4.. wijst het meer of anders verzochte af.\n\nDeze beschikking is gegeven door mr. S.N. Schipper en in het openbaar uitgesproken op 10 juni 2026.\n\n Waarbij [verzoekers] een beroep doen op artikel 5:130 jo. 2:15 jo. 2:8 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW).\n\n Artikel 5:130 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) in verbinding met artikel 2:15 BW.\n\n Artikel 2:14 BW.\n\n ECLI:NL:GHDHA:2018:3932.\n\n ECLI:NL:HR:2020:1275\n\n Artikel 5:130 lid 1 BW in verbinding met artikel 2:15 lid 3 BW.\n\n Vgl. artikel 3:303 BW.\n\n Op grond van artikel 2:14 jo 5:129 lid 1 BW.\n\n Artikel 5:127 lid 1 BW.\n\n Dit volgt ook uit de splitsingsakte.\n\n De kantonrechter begrijpt dat [VVE 2] hier tracht te verwijzen naar artikel 32 lid 3 van het splitsingsreglement 1992.\n\n ECLI:NL:GHAMS:2005:AT6340.\n\n Hoge Raad 31 maart 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA5319, r.o. 3.2.2.\n\n Zoals vereist op grond van artikel 5:130 lid 2 BW.\n\n Die door artikel 2:8 BW worden geëist.\n\n Op grond van artikel 2:15 BW.\n\n Zie rechtsoverweging 4.5. tot en met 4.10.","nl","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBNHO:2026:7585","ecli-nl-rbnho-2026-7585",{"courtName":8,"legalDomain":17,"decisionType":18,"procedureType":19},"Civiel recht; Verbintenissenrecht","uitspraak","Uitspraak",[21,32,43,53,63],{"id":22,"ecli":23,"caseNumber":6,"courtId":24,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":26,"language":12,"source":13,"sourceUrl":27,"summary":6,"slug":28,"metadata":29},"410","ECLI:NL:RBLIM:2026:6423",66,"2026-07-08T00:00:00.000Z","RECHTBANK limburg\n\nZittingsplaats Roermond\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: ROE 25 \u002F 2565\n\nuitspraak van de meervoudige kamer van 8 juli 2026 in de zaak tussen\n\n [belanghebbende] , gevestigd te [plaats], belanghebbende\n\n(gemachtigde: M.O.E. Uyen)\n\nen\n\nde heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking Gemeenten en Waterschappen, de heffingsambtenaar (gemachtigde: A. van den Dool).\n\nProcesverloop\n\nDe heffingsambtenaar heeft op grond van de Wet waardering onroerende zaken (Wet woz) de waarde van de onroerende zaken van belanghebbende voor het belastingjaar 2025 vastgesteld (het primaire besluit).\n\nBelanghebbende heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt.\n\nDe heffingsambtenaar heeft het bezwaar van belanghebbende gegrond verklaard (het bestreden besluit). Aan belanghebbende is een proceskostenvergoeding van in totaal € 161,74 toegekend.\n\nBelanghebbende heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.\n\nDe heffingsambtenaar heeft verweer gevoerd.\n\nOp 4 mei 2026, aangevuld op 11 mei 2026, zijn van belanghebbende nadere gronden en stukken ontvangen.\n\nHet onderzoek ter zitting heeft vervolgens plaatsgevonden op 15 mei 2026. Belanghebbende heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. L.H.G.M. Driessen, kantoorgenote van haar gemachtigde bij Previcus B.V. te Boxmeer. De heffingsambtenaar heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.\n\nOverwegingen\n\n1. De rechtbank stelt vast dat de woz-waarde tussen partijen niet meer in geschil is. Het beroep van belanghebbende richt zich enkel tegen de toegekende proceskostenvergoeding en spitst zich toe op de vraag of de heffingsambtenaar bij de vaststelling van de proceskostenvergoeding in bezwaar toepassing heeft mogen geven aan de vermenigvuldigingsfactor 0,125 van artikel 30a, eerste lid, van de Wet woz, zoals dit artikellid luidt met ingang van 1 januari 2025.\n\n2. De heffingsambtenaar heeft in het bestreden besluit de proceskostenvergoeding van € 161,74 als volgt gespecificeerd:\n\n- indienen bezwaarschrift: 1 punt x waarde per punt € 647,- x factor 0,125 = € 80,87 +\n\n- bijwonen hoorzitting: 1 punt x waarde per punt € 647,- x factor 0,125 = € 80,87 = € 161,74.\n\n3. Belanghebbende vindt dat de heffingsambtenaar een te lage proceskostenvergoeding heeft toegekend. Zij verzoekt de rechtbank om artikel 30a van de Wet woz buiten toepassing te laten, omdat haar gemachtigde een bijzonder geval is als bedoeld in het zogenoemde 30a-arrest van de Hoge Raad van 17 januari 2025 (ECLI:NL:HR:2025:46).\n\n4. In het 30a-arrest heeft de Hoge Raad geoordeeld dat bijzondere gevallen zich onderscheiden doordat zij niet voldoen aan de volgende kenmerken: dat aan de belanghebbende rechtsbijstand wordt verleend door een beroepsmatig optredende gemachtigde, dan wel een kantoor, waarvan het bedrijfsmodel eruit bestaat dat\n\n( i) wordt opgetreden op basis van no cure no pay,\n\n(ii) daarbij zodanige afspraken met de cliënten worden gemaakt dat het bedrag van eventuele proceskostenvergoedingen aan de gemachtigde of aan het kantoor wordt afgedragen, en\n\n(iii) de procedures op een zodanige wijze worden gevoerd dat de daarin toegekende proceskostenvergoedingen de in redelijkheid gemaakte kosten ver overtreffen.\n\n5. De daarbij te hanteren regels zijn nader uitgewerkt in de arresten van de Hoge Raad van 25 april 2025 (ECLI:NL:HR:2025:670) en 18 juli 2025 (ECLI:NL:HR:2025:1175).\n\n5.1.. Volgens de Hoge Raad rusten op de belanghebbende de stelplicht en bewijslast van feiten die meebrengen dat buiten redelijke twijfel komt vast te staan dat, beoordeelt naar de situatie op het moment waarop het desbetreffende rechtsmiddel is aangewend, het bedrijfsmodel van de betreffende gemachtigde of diens kantoor kennelijk niet allehiervoor bedoelde drie kenmerken heeft en dat aldus sprake is van een bijzonder geval. Er is dus (al) sprake van een bijzonder geval als één van de drie kenmerken niet van toepassing is.\n\n5.2.. Bij de beoordeling van het bedrijfsmodel gaat het niet specifiek om de werkzaamheden die de gemachtigde heeft verricht in de procedure waarop de proceskostenvergoeding ziet. Met het bedrijfsmodel is namelijk meer in het algemeen de wijze bedoeld waarop de gemachtigde zijn inkomsten verwerft met het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand.\n\n5.3.. Indien het bedrijfsmodel van een gemachtigde of een kantoor inhoudt dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay (i), of op een grondslag die daarmee in wezen overeenkomt en daarmee dus op één lijn kan worden gesteld, en dat daarbij afspraken met de cliënten worden gemaakt als hiervoor onder (ii) bedoeld, zal aldus moeten worden beoordeeld of dit bedrijfsmodel voldoet aan het hiervoor onder (iii) vermelde kenmerk van vergaande overdekking. Daartoe moet een vergelijking worden gemaakt tussen enerzijds het totale bedrag aan proceskostenvergoedingen dat aan de gemachtigde of aan het kantoor wordt afgedragen, en anderzijds het totale bedrag van de kosten van de gemachtigde of van het kantoor die kunnen worden toegerekend aan het voeren van de procedures waarop die proceskostenvergoedingen betrekking hebben. Het komt dus erop aan of het totale bedrag van de afgedragen proceskostenvergoedingen het totale bedrag van de zojuist bedoelde kosten verre overtreft. De omstandigheid dat vaak geheel of ten dele gebruik wordt gemaakt van gestandaardiseerde tekstblokken die niet zijn toegespitst op de desbetreffende zaak, vormt een aanwijzing dat het bedrijfsmodel wel het derde kenmerk van vergaande overdekking heeft, en zal daarom in het algemeen volstaan om aan te nemen dat de belanghebbende niet in dit door hem te leveren bewijs is geslaagd.\n\n6. In het arrest van 26 september 2025 (ECLI:NL:HR:2025:1375) heeft de Hoge Raad nader uitgewerkt wanneer sprake is van een bedrijfsmodel dat eruit bestaat dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay (i). Bij optreden op basis van no cure no pay moet worden uitgegaan van afspraken tussen de belanghebbende en de rechtsbijstandverlener op grond waarvan de belanghebbende geen financieel risico loopt bij inschakeling van de rechtsbijstandverlener, omdat geen instapvergoeding verschuldigd is noch een percentage van de bespaarde belasting als vergoeding moet worden afgestaan (zie Kamerstukken II 2023\u002F24, 36 427, nr. 3, blz. 2). Bij de beoordeling van de vraag of het bedrijfsmodel van een beroepsmatig optredende gemachtigde, dan wel een kantoor, eruit bestaat dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay, komt het dus erop aan of die gemachtigde dan wel diens kantoor afspraken maakt met klanten op grond waarvan zij geen financieel risico lopen bij het verstrekken van de opdracht tot het verlenen van rechtsbijstand in een belastingprocedure. De verschuldigdheid van een instapvergoeding staat niet in alle gevallen eraan in de weg dat afspraken met een rechtsbijstandsverlener worden aangemerkt als afspraken op basis van no cure no pay. Onder het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand op basis van no cure no pay wordt namelijk ook begrepen het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand op een grondslag die daarmee in wezen overeenkomt en daarmee dus op één lijn kan worden gesteld. Dan moet worden gedacht aan de betaling van een zodanig laag bedrag dat die betaling als een pro forma of symbolische bijdrage moet worden beschouwd.\n\n7. De rechtbank stelt vast dat de gemachtigde van belanghebbende in deze zaak niet heeft bestreden dat haar bedrijfsmodel de hiervoor onder (ii) en (iii) vermelde kenmerken heeft.\n\n8. Belanghebbende bestrijdt dat het bedrijfsmodel van haar gemachtigde ten tijde van het instellen van bezwaar (en beroep) eruit bestaat dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay (i). Hiertoe heeft de gemachtigde verwezen naar een beschrijving van haar per 1 januari 2025 gewijzigde bedrijfsmodel (“Bijzonder geval: bedrijfsmodel Previcus en artikel 30a Wet WOZ”).\n\n8.1.. Volgens die beschrijving is de werkwijze met ingang van 1 januari 2025 fundamenteel gewijzigd. Het aantal dossiers is vanaf 2025 aanzienlijk afgenomen van 128.000 zaken naar circa 1.291 zaken. De zaken worden (vrijwel) niet meer op basis van no cure no pay uitgevoerd, maar volgens een regulier model waarin een cliënt, ongeacht de uitkomst van de zaak, een vaste startvergoeding betaalt (doorgaans gebaseerd op het aantal aanslagbiljetten) en\u002Fof een deel van de gerealiseerde besparing afdraagt (in bijna alle gevallen 40% van de besparing). De vóór 2025 aangebrachte zaken worden nog op basis van no cure no pay uitgevoerd. Bovendien worden vanaf 2025 alle aanslagbiljetten op voorhand gescreend en worden enkel de zaken doorgezet waarbij op voorhand onvoldoende duidelijk is dat er geen fouten zijn gemaakt. Er is, aldus de beschrijving, geen sprake meer van een grote massa waar de wetswijziging (Wet herwaardering proceskostenvergoeding WOZ en Bpm) op zag. De gemachtigde richt zich voortaan op de zakelijke markt, waarbij vrijwel altijd ook prijsafspraken met belanghebbenden worden gemaakt die losstaan van eventueel toegekende proceskostenvergoedingen.\n\n8.2.. De gemachtigde heeft de prijsafspraken over 2025 als volgt in een overzicht opgenomen.\n\n8.3.. De vermelding in de volmacht dat de vergoeding voor de werkzaamheden uitsluitend het totaal van de proceskostenvergoedingen bedraagt, klopt, aldus de beschrijving, niet meer. De onderliggende overeenkomsten bepalen dat cliënten zelf vergoedingen verschuldigd zijn. De proceskostenvergoeding speelt daarin nog slechts een kleine aanvullende rol.\n\n9. Op 4 mei 2026 heeft de gemachtigde van belanghebbende de facturen en betaalbewijzen in een groot aantal zaken, waarin zij als gemachtigde optreedt, ingezonden. Op 11 mei 2026 is daarvan een overzicht overgelegd. Die stukken bevestigen het beeld dat de beschrijving van het bedrijfsmodel geeft. Uit de facturen en betaalbewijzen blijkt namelijk dat de gemachtigde van een groot deel van haar cliënten een “besparingsfee” van minimaal 30% van de eventuele belastingbesparing vraagt, zij die “besparingsfee” aan haar cliënten factureert en die “besparingsfee” vervolgens ook door de cliënten wordt betaald.\n\n10. Daarnaast komt uit de facturen en betaalbewijzen naar voren dat de meeste cliënten (bovenop de “besparingsfee”) tevens een (in hoogte variërende) “startfee” zijn verschuldigd. Op zitting heeft de gemachtigde toegelicht dat, indien overeengekomen, de “startfee” altijd wordt gefactureerd en betaald. Dat dit niet in alle gevallen gebeurt blijkt uit de overgelegde facturen en betaalbewijzen, en komt, aldus de gemachtigde, doordat de “startfee”, die ongeacht de uitkomst is verschuldigd, in die gevallen eerder is gefactureerd en betaald. Dat is anders bij de “besparingsfee”, die niet eerder dan na het nemen van het bestreden besluit in rekening kan worden gebracht, omdat dan pas de (hoogte van de) besparing duidelijk is.\n\n11. De heffingsambtenaar heeft zich ter zitting op het standpunt gesteld dat het pas op 4 mei 2026 door de gemachtigde van belanghebbende indienen van facturen en betaalbewijzen (die op 6 mei 2026 door de rechtbank zijn vrijgegeven), die al in 2025 beschikbaar waren, in strijd is met een goede procesorde. De rechtbank overweegt dat partijen in beginsel vrij zijn om gedurende de procedure hun standpunten aan te vullen. Die vrijheid wordt echter begrensd door de beginselen van de goede procesorde. Hoewel de late indiening van reeds voorhanden zijnde stukken niet de schoonheidsprijs verdient, ziet de rechtbank hierin geen grond om die stukken vanwege strijd met een goede procesorde buiten beschouwing te laten. Hiertoe acht de rechtbank van belang dat de stukken een onderbouwing vormen van een eerder door de gemachtigde ingenomen standpunt, een reactie zijn op het verweerschrift en dat de aard en de omvang van de stukken niet zodanig zijn dat van de heffingsambtenaar om adequaat hierop te kunnen reageren een nader diepgaand (feiten)onderzoek wordt gevergd. De inhoudelijke reactie van de heffingsambtenaar op de stukken in de pleitnota bevestigen dit oordeel.\n\n12. De rechtbank stelt voorop dat voor haar de facturen en de betaalbewijzen leidend zijn voor de beoordeling van de vraag of kenmerk (i) op de gemachtigde van belanghebbende van toepassing is. Naar het oordeel van de rechtbank zijn (alleen) die stukken, en niet (ook) de overeenkomst, de website en de algemene voorwaarden van de gemachtigde (op 9 februari 2025), waarvan gesteld is dat die op dat moment nog niet in overeenstemming met het gewijzigde bedrijfsmodel waren gebracht, relevant voor de vraag of sprake is van een bedrijfsmodel op basis van no cure no pay. Omdat het bedrijfsmodel van de gemachtigde (en niet de vergoedingen in de aan de rechtbank voorliggende zaken) moet worden beoordeeld, blijft die beoordeling, anders dan de heffingsambtenaar stelt, niet beperkt tot de gemeenten binnen het ambtsgebied van de heffingsambtenaar. Daaruit volgt ook dat op grond van het (incidenteel) ontbreken van facturen en betaalbewijzen in aan de rechtbank voorliggende zaken niet zonder meer kan worden geconcludeerd dat kenmerk (i) op het bedrijfsmodel van de gemachtigde van toepassing is.\n\n13. De rechtbank is van oordeel dat met voldoende gegevens is onderbouwd dat de gemachtigde in 2025 voor een groot deel van de procedures een “besparingsfee” in rekening heeft gebracht. Door het betalen van een “besparingsfee” loopt een belanghebbende bij de inschakeling een gemachtigde voor het voeren van een procedure een financieel risico (zie hiervoor het arrest van de Hoge Raad van 26 september 2025). Deze door de gemachtigde gevraagde vergoeding (van 30-40%) acht de rechtbank, nog daargelaten dat de Hoge Raad dat enkel ten aanzien van “instapvergoedingen” heeft geoordeeld, ook niet dusdanig laag dat kan worden gesproken van rechtsbijstandverlening op een grondslag die in wezen overeenkomt met rechtsbijstandverlening op basis van no cure no pay. Op grond van het vorenstaande heeft belanghebbende, naar het oordeel van de rechtbank, buiten redelijke twijfel bewezen dat het bedrijfsmodel van de gemachtigde ten tijde van het instellen van bezwaar niet het kenmerk van optreden op basis van no cure no pay heeft (i). Daaraan doet niet af dat een belanghebbende vooraf ermee heeft ingestemd dat een eventuele vergoeding van proceskosten aan de gemachtigde toekomt. Dat geldt ook voor het ontbreken van facturen en betaalbewijzen van op een eerder moment in rekening gebrachte “startfees” en de door de heffingsambtenaar gestelde inconsistenties in de hoogte hiervan.\n\n14. Uit het vorenstaande volgt dat sprake is van een bijzonder geval en de heffingsambtenaar ten onrechte toepassing heeft gegeven aan artikel 30a, eerste lid, van de Wet woz.\n\n15. Dit betekent dat het beroep van belanghebbende gegrond is. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit voor zover dat ziet op de toegekende proceskostenvergoeding en bepaalt met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht de proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase op € 1.332,- (2 x € 666,-).\n\n16. Aan het standpunt van belanghebbende dat aan het bestreden besluit een motiveringsgebrek kleeft, wordt niet toegekomen.\n\n17. Omdat het beroep gegrond is, moet de heffingsambtenaar het griffierecht aan belanghebbende vergoeden.\n\n18. De rechtbank acht termen aanwezig om de heffingsambtenaar te veroordelen in de proceskosten die belanghebbende redelijkerwijs heeft moeten maken in verband met de behandeling van het beroep, een en ander eveneens overeenkomstig de normen van het Besluit proceskosten bestuursrecht. Aan belanghebbende is door een derde beroepsmatig rechtsbijstand verleend. Voor de in aanmerking te nemen proceshandelingen worden 2 punten (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen op zitting met een waarde van € 934,- per punt) toegekend. De rechtbank bepaalt in overeenstemming met het Richtsnoer proceskostenvergoeding belastingkamers gerechtshoven 2024 (neergelegd in de uitspraak van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 7 augustus 2024, ECLI:NL:GHSHE:2024:2524) de wegingsfactor op 0,5. Gelet hierop bedraagt het vanwege de in deze zaak verleende rechtsbijstand te vergoeden bedrag in totaal € 934,-.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep gegrond;\n\n- vernietigt het bestreden besluit voor zover dat ziet op de toegekende proceskostenvergoeding, stelt de proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase vast op € 1.332,- en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;\n\n- draagt de heffingsambtenaar op het betaalde griffierecht van € 385,- aan belanghebbende te vergoeden;\n\n- veroordeelt de heffingsambtenaar in de proceskosten van belanghebbende wegens verleende rechtsbijstand in beroep tot een bedrag van € 934,-.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. B.F.A. van Huijgevoort, voorzitter, en mrs. E.P.J. Rutten en J.H. van Hoof leden, in aanwezigheid van mr. D.D.R.H. Lechanteur, griffier.De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 8 juli 2026.\n\ngriffier rechter\n\nAfschrift verzonden aan partijen op: 8 juli 2026.\n\nRechtsmiddel\n\nTegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof ’s-Hertogenbosch (belastingkamer).\n\nU kunt digitaal beroep instellen via www.rechtspraak.nl. Daar klikt u op “Formulieren en inloggen”. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ’s-Hertogenbosch (belastingkamer).\n\nBij het instellen van het hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:\n\n1. bij het hogerberoepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;\n\n2 - het hogerberoepschrift moet, indien het op papier wordt ingediend, ondertekend zijn. Verder moet het ten minste het volgende vermelden:\n\na. de naam en het adres van de indiener;\n\nb. de datum van verzending;\n\nc. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;\n\nd. de redenen waarom u het niet eens bent met de uitspraak (de gronden van het hoger beroep).","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBLIM:2026:6423","ecli-nl-rblim-2026-6423",{"courtName":30,"legalDomain":31,"decisionType":18,"procedureType":19},"Roermond","Bestuursrecht; Belastingrecht",{"id":33,"ecli":34,"caseNumber":35,"courtId":36,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":37,"language":38,"source":39,"sourceUrl":6,"summary":40,"slug":41,"metadata":42},"85","ECLI:RO:2026:JudecatoriaSECTORUL5BUCURESTI:17050-302-2025-a1","17050\u002F302\u002F2025\u002Fa1",97,"Admite cererea de îndreptare a erorii materiale din cuprinsul sentin?ei civile nr. 2484\u002F06.03.2026, pronunţată de Judecătoria Sectorului 5 Bucure?ti în dosar nr. 17050\u002F302\u002F2025, formulată din oficiu.       \nDispune îndreptarea erorii materiale strecurată în cuprinsul sentin?ei civile nr. 2484\u002F06.03.2026 pronun?ată în cadrul dosarului nr. 17050\u002F302\u002F2025, în sensul re?inerii că pârâtul Vasile Constantin are codul numeric personal ............, iar nu ............., astfel cum în mod eronat s-a consemnat.   \nPrezenta încheiere face parte integrantă din cuprinsul sentin?ei civile nr. 2484\u002F06.03.2026 pronun?ată în cadrul dosarului nr. 17050\u002F302\u002F2025.   \nÎndreptarea se va efectua în toate exemplarele sentin?ei.\n\tCu drept de apel în 30 de zile de la comunicare. Cererea de apel se va depune la Judecătoria Sectorului 5 Bucure?ti.   \n\tPronun?ată prin punerea solu?iei la dispozi?ia păr?ilor prin intermediul grefei instan?ei, astăzi, 08.07.2026.\n","ro","portalquery_ro","Admite cererea","ecli-ro-2026-judecatoriasectorul5bucuresti-17050-302-2025-a1",null,{"id":44,"ecli":45,"caseNumber":6,"courtId":46,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":47,"language":12,"source":13,"sourceUrl":48,"summary":6,"slug":49,"metadata":50},"296","ECLI:NL:GHDHA:2026:2250",58,"Rolnummer: 22-001978-23\n\nParketnummer: 10-066729-23\n\nDatum uitspraak: 8 juli 2026\n\nTEGENSPRAAK\n\nArrestvan de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Den Haag gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 28 juni 2023 in de strafzaak tegen de verdachte:\n\n [verdachte],\n\ngeboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2002,\n\nBRP-adres: [BRP-adres] , [woonplaats] .\n\nOnderzoek van de zaak\n\nDit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof.\n\nHet hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.\n\nProcesgang\n\nIn eerste aanleg is de verdachte van het onder 1 tenlastegelegde vrijgesproken en ter zake van het onder 2 en 3 tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 120 dagen, met aftrek van voorarrest, waarvan 73 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren. Voorts is beslist op de vorderingen van de benadeelde partijen, zoals nader omschreven in het vonnis waarvan beroep.\n\nNamens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.\n\nOmvang van het hoger beroep\n\nDe verdachte is door de rechtbank Rotterdam vrijgesproken van hetgeen aan hem onder 1 is tenlastegelegd. Het hoger beroep is door de verdachte onbeperkt ingesteld en is derhalve mede gericht tegen de in eerste aanleg gegeven beslissing tot vrijspraak. Gelet op hetgeen is bepaald in artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering staat voor de verdachte tegen deze beslissing geen hoger beroep open. Het hof zal de verdachte mitsdien niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep gegeven vrijspraak.\n\nWaar hierna wordt gesproken van \"de zaak\" of \"het vonnis\", wordt daarmee bedoeld de zaak of het vonnis voor zover op grond van het vorenstaande aan het oordeel van dit hof onderworpen.\n\nTenlastelegging\n\nAan de verdachte is – voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen – tenlastegelegd dat:\n\n2. hij op of omstreeks 01 januari 2023 te 's-Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard, openlijk, te weten, op of aan de Smidsweg en\u002Fof de Langestraat, in elk geval op of aan (een) openbare weg(en), in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een of meer verbalisanten van de politie Eenheid Rotterdam, te weten [hoofdagent] (hoofdagent) en\u002Fof [aspirant] (aspirant) en\u002Fof één of meer verbalisanten, zijnde groepsleden van de Mobiele Eenheid van politie Eenheid Rotterdam, te weten [verbalisant 1] en\u002Fof [verbalisant 2] en\u002Fof [verbalisant 3] en\u002Fof [verbalisant 4] en\u002Fof [verbalisant 5] en\u002Fof [verbalisant 6] en\u002Fof [verbalisant 7] en\u002Fof [verbalisant 8] en\u002Fof [verbalisant 9] en\u002Fof [verbalisant 10] en\u002Fof [verbalisant 11] en\u002Fof [verbalisant 12] en\u002Fof [verbalisant 13] en\u002Fof [verbalisant 14] en\u002Fof [verbalisant 15] en\u002Fof [verbalisant 16] en\u002Fof [verbalisant 17] en\u002Fof [verbalisant 18] en\u002Fof [verbalisant 19] en\u002Fof [verbalisant 20] , althans een of meer (andere) verbalisanten door\n\n- één of meer stuks zwaar (illegaal) vuurwerk (betreffende onder meer: cobra's \u002F nitraten \u002F shells) en\u002Fof vuurwerkbommen op\u002Ftegen, althans in de richting van\u002Fnaar voornoemde verbalisanten af te schieten en\u002Fof te gooien, waarbij voornoemd(e) vuurwerk\u002Fvuurwerkbommen vlakbij\u002Fnaast het\u002Fde lichamen en\u002Fof het\u002Fde hoofden\u002Fgezichten van voornoemde verbalisanten tot ontploffing is\u002Fzijn gekomen en\u002Fof\n\n- ( met kracht) één of meer stenen en\u002Fof glaswerk op\u002Ftegen, althans in de richting van voornoemde verbalisanten te gooien en\u002Fof\n\n- ( dreigend) zich op te dringen aan voornoemde ambtenaren en\u002Fof\n\n- ( daarbij) (dreigend) een of meerdere ploertendoders, althans slagvoorwerpen, aan voornoemde ambtenaren te tonen\u002Fvoor te houden en\u002Fof\n\n- ( daarbij) aan die [aspirant] en\u002Fof [hoofdagent] en\u002Fof een of meer (andere) verbalisanten de weg te versperren, althans de doorgang te beletten en\u002Fof (daarbij) te verhinderen dat die [aspirant] en\u002Fof [hoofdagent] en\u002Fof anderen met\u002Fin een (politie)voertuig weg konden rijden en\u002Fof\n\n- naar\u002Fin de richting van voornoemde ambtenaren te schelden, met de woorden: \"Kankerlijers\", \"Kanker op joh\" en\u002Fof \"Kankerpolitie\" en\u002Fof\n\n- ( met kracht) op\u002Ftegen het (politie)schild van die [verbalisant 2] te trappen\u002Fschoppen;\n\n3. hij op of omstreeks 31 december 2022 te 's-Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard opzettelijk en wederrechtelijk een vuilnisbak\u002Fprullenbak, in elk geval enig goed, dat\u002Fdie geheel of ten dele aan Gemeente Hoeksche Waard, in elk geval aan een ander dan aan verdachte toebehoorde(n) heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt.\n\nVordering van de advocaat-generaal\n\nDe advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de bewezenverklaring zal worden bevestigd en dat de verdachte ter zake van het onder 2 en 3 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 107 dagen, met aftrek van voorarrest, waarvan 60 dagen voorwaardelijk en met een proeftijd van 2 jaren.\n\nHet vonnis waarvan beroep\n\nHet vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.\n\nVrijspraak\n\nDe advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het onder 2 tenlastegelegde wettig en overtuigend kan worden bewezenverklaard, nu de verdachte met zijn handelen een bijdrage van voldoende gewicht heeft geleverd aan het openlijk geweld tegen de desbetreffende verbalisanten. Zo heeft de verdachte voorafgaand aan de jaarwisseling deel genomen aan een WhatsApp-groep waarin werd gesproken over het voornemen onrust te veroorzaken ten tijde van de jaarwisseling. Voorts heeft de verdachte in de nacht van de jaarwisseling – nadat hij door leden van de Mobiele Eenheid (ME) was ingesloten –op zijn telefoon een video-opname gemaakt waarin er samen met medeverdachte [medeverdachte] (hierna: [medeverdachte] ) wordt gepraat over het doodschoppen van een ME’er. Vijftien minuten nadat hij deze video had opgenomen, is [medeverdachte] aangehouden voor het schoppen tegen het schild van een ME’er.\n\nHet hof overweegt als volgt.\n\nHet hof stelt voorop dat van het \"in vereniging\" plegen van geweld sprake is, indien de betrokkene een voldoende significante of wezenlijke bijdrage levert aan het geweld, zij het dat deze bijdrage zelf niet van gewelddadige aard hoeft te zijn. De enkele omstandigheid dat iemand aanwezig is in een groep die openlijk geweld pleegt is niet zonder meer voldoende om hem te kunnen aanmerken als iemand die \"in vereniging\" geweld pleegt. Beoordeeld zal moeten worden of de door de verdachte geleverde – intellectuele en\u002Fof materiële – bijdrage aan het delict van voldoende gewicht is.\n\nMet de advocaat-generaal en de verdediging is het hof van oordeel dat op grond van het verhandelde ter terechtzitting niet kan worden bewezen dat de verdachte omstreeks de jaarwisseling geweld heeft gebruikt jegens de verbalisanten, zoals het gooien met stenen of vuurwerk. Het hof is voorts van oordeel dat evenmin bewezen kan worden dat de verdachte op enige wijze geweldshandelingen die door andere personen zijn gepleegd heeft ondersteund of anderszins heeft bijgedragen aan het ontstaan of het voortduren van het geweld jegens de verbalisanten. Het hof neemt hierbij in aanmerking dat [medeverdachte] bij de raadsheer-commissaris als getuige is gehoord en heeft verklaard dat hetgeen de verdachte in de video-opname heeft gezegd, los stond van zijn handelen daarna en dat de verdachte niet in de buurt was toen [medeverdachte] tegen het schild van verbalisant [verbalisant 2] aan schopte. De enkele aanwezigheid in de groep die door de politie\u002FME was ingesloten en het feit dat de verdachte deel uit maakte van een WhatsApp-groep acht het hof evenmin een bijdrage van voldoende gewicht. Gelet op het voorgaande is niet vast komen te staan dat de verdachte een voldoende significante of wezenlijke bijdrage heeft geleverd aan het tenlastegelegde geweld tegen de desbetreffende verbalisanten, zodat het ten laste gelegde niet kan worden bewezen en de verdachte daarvan zal worden vrijgesproken.\n\nBewezenverklaring\n\nHet hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 3 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:\n\n3. hij op of omstreeks31 december 2022 te 's-Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard opzettelijk en wederrechtelijk eenvuilnisbak\u002Fprullenbak, in elk geval enig goed,dat\u002Fdiegeheel of ten deleaan Gemeente Hoeksche Waard, in elk geval aan een ander dan aan verdachtetoebehoorde(n)heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt;.\n\nHetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.\n\nBewijsvoering\n\nHet hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.\n\nIn die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.\n\nStrafbaarheid van het bewezenverklaarde\n\nHet onder 3 bewezenverklaarde levert op\n\nopzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen.\n\nStrafbaarheid van de verdachte\n\nEr is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.\n\nStrafmotivering\n\nHet hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.\n\nDaarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.\n\nDe verdachte heeft zich op oudejaarsavond schuldig gemaakt aan vernieling van een prullenbak door hierop zwaar vuurwerk tot ontploffing te brengen. Een dergelijk feit is gevaarzettend en geschikt om gevoelens van angst en onveiligheid in de maatschappij teweeg te brengen. De verdachte heeft met zijn handelen de gemeente en daarmee de gemeenschap financiële schade berokkend en hij heeft hiermee overlast veroorzaakt.\n\nHet hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie van 1 juni 2026, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder voor een vergelijkbaar feit is veroordeeld.\n\nTen aanzien van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) overweegt het hof dat deze is aangevangen op 6 maart 2023. In eerste aanleg is de redelijke termijn niet overschreden. Het hof stelt vast dat de behandeling van de zaak in hoger beroep niet heeft plaatsgevonden binnen de daartoe gestelde redelijke termijn,. Namens de verdachte is immers op 4 juli 2023 hoger beroep ingesteld en het hof wijst op 8 juli 2026 eindarrest. De redelijke termijn van de berechting in hoger beroep is derhalve met meer dan één jaar overschreden. Het hof ziet, ook gelet op de duur van de procedure als geheel, aanleiding te volstaan met de constatering van dit verzuim, gelet op de gekozen strafmodaliteit en de hoogte van de op te leggen straf.\n\nHet hof is – alles afwegende – van oordeel dat een onvoorwaardelijke taakstraf van na te melden duur een passende en geboden reactie vormt. Anders dan de verdediging heeft bepleit acht het hof een geldboete, gelet op de context waarin en de wijze waarop de vernieling plaatsvond – tijdens de jaarwisseling en met (illegaal) vuurwerk – niet passend. Evenmin zal om die reden toepassing worden gegeven aan het bepaalde in artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht.\n\nVorderingen tot schadevergoeding\n\nIn het onderhavige strafproces hebben tweeëntwintig verbalisanten zich als benadeelde partij gevoegd ter zake van het onder 2 ten laste gelegde. De benadeelde partijen [verbalisant 17] , [verbalisant 12] , [verbalisant 8] , [verbalisant 9] , [verbalisant 19] , [verbalisant 20] , [verbalisant 18] , [verbalisant 15] , [verbalisant 10] , [verbalisant 4] , [verbalisant 1] , [verbalisant 16] , [verbalisant 3] , [aspirant] , [verbalisant 7] , [hoofdagent] , [verbalisant 14] , [verbalisant 5] en [verbalisant 6] vorderen per persoon een vergoeding van € 350,00 aan immateriële schade. De benadeelde partijen [verbalisant 13] en [verbalisant 11] vorderen per persoon een vergoeding van € 400,00 aan immateriële schade en de benadeelde partij [verbalisant 2] vordert een vergoeding van € 750,00 aan immateriële schade.\n\nNu de verdachte ter zake van het onder 2 tenlastegelegde wordt vrijgesproken, zullen de benadeelde partijen niet-ontvankelijk worden verklaard in hun vordering.\n\nGelet daarop zullen de benadeelde partijen worden veroordeeld in de kosten die de verdachte tot aan deze uitspraak in verband met de verdediging tegen die vorderingen heeft moeten maken, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil.\n\nToepasselijke wettelijke voorschriften\n\nHet hof heeft gelet op de artikelen 9, 22c, 22d en 350 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.\n\nBESLISSING\n\nHet hof:\n\nVerklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder 1 tenlastegelegde.\n\nVernietigt het vonnis waarvan beroep voor zover thans aan het oordeel van het hof onderworpen en doet in zoverre opnieuw recht:\n\nVerklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 2 tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.\n\nVerklaart, zoals hiervoor overwogen, bewezen dat de verdachte het onder 3 tenlastegelegde heeft begaan.\n\nVerklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.\n\nVerklaart het onder 3 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.\n\nVeroordeelt de verdachte tot een taakstrafvoor de duur van60 (zestig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door30 (dertig) dagen hechtenis.\n\nBeveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van 2 uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.\n\nVordering van de benadeelde partijen:\n\n- [verbalisant 17] ,\n\n- [verbalisant 12] ,\n\n- [verbalisant 13] ,\n\n- [verbalisant 8] ,\n\n- [verbalisant 9] ,\n\n- [verbalisant 19] ,\n\n- [verbalisant 20] ,\n\n- [verbalisant 11]\n\n- [verbalisant 18] ,\n\n- [verbalisant 15] ,\n\n- [verbalisant 10] ,\n\n- [verbalisant 4] ,\n\n- [verbalisant 1] ,\n\n- [verbalisant 16] ,\n\n- [verbalisant 3] ,\n\n- [verbalisant 2]\n\n- [aspirant] ,\n\n- [verbalisant 7] ,\n\n- [hoofdagent] ,\n\n- [verbalisant 14] ,\n\n- [verbalisant 5] , en\n\n- [verbalisant 6]\n\nVerklaart de hiervoor genoemde benadeelde partijen telkens niet-ontvankelijk in hun vordering tot schadevergoeding.\n\nVeroordeelt de hiervoor genoemde benadeelde partijen telkens in de door verdachte gemaakte kosten en begroot deze telkens op nihil.\n\nDit arrest is gewezen door mr. F.W. Pieters, als voorzitter, mr. E.C. van Veen en mr. M.C. Bruining, leden, in bijzijn van de griffier mr. V.V. de Lange.\n\nHet is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 8 juli 2026.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHDHA:2026:2250","ecli-nl-ghdha-2026-2250",{"courtName":51,"legalDomain":52,"decisionType":18,"procedureType":19},"Den Haag","Strafrecht",{"id":54,"ecli":55,"caseNumber":6,"courtId":56,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":57,"language":12,"source":13,"sourceUrl":58,"summary":6,"slug":59,"metadata":60},"348","ECLI:NL:RBDHA:2026:18721",65,"RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Groningen\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL26.20806\n uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n \n [naam], eiseres,\n\nV-nummer: [v-nummer:],\n\n(gemachtigde: mr. I.M. Zuidhoek),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, de minister.\n\nInleiding\n\n1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 7 april 2026 niet in behandeling genomen omdat daarvoor Frankrijk verantwoordelijk is.\n\n1.1.. De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiseres. Zij doet dat mede aan de hand van de argumenten die eiseres heeft aangevoerd, de beroepsgronden.\n\n3. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiseres ongelijk krijgt en het bestreden besluit in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nToepasselijk recht\n\n4. Op deze zaak is het recht van toepassing dat gold vóór 12 juni 2026.\n\nTotstandkoming van het besluit\n\n5. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening.Op grond van de Dublinverordening neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.In dit geval heeft Nederland bij Frankrijk een verzoek om terugname gedaan. Frankrijk heeft dit verzoek aanvaard.\n\nMag de minister ten opzichte van Frankrijk uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel?\n\n6. Eiseres stelt zich op het standpunt dat er in Frankrijk voor haar een onveilige situatie zal optreden. Dit is het gevolg van de aanwezigheid van veel Libanezen in Frankrijk, waaronder ook de familie van haar moeder die haar eerder al bedreigde. Bovendien heeft eiseres in Nederland een community gevonden waar zij zich veilig bij voelt en in Frankrijk heeft zij niemand, dit is voor haar een angstaanjagend vooruitzicht. Dit terwijl in Nederland er een sterke en diverse LHBT-gemeenschap is waar zij zich veilig voelt. Volgens eiseres is er in Frankrijk bovendien nog steeds een groot probleem met betrekking tot de opvang van asielzoekers. Ze verwijst naar het AIDA-rapport over Frankrijk, update 2024.Er is een tekort aan opvangplekken en eiseres loopt bij terugkeer een reëel risico om in een situatie van materiële deprivatie terecht te komen. Volgens eiseres is het bestreden besluit niet zorgvuldig voorbereid en berust het evenmin op een deugdelijke motivering.\n\n6.1.. De beroepsgrond slaagt niet. Naar het oordeel van de rechtbank mag de minister ten aanzien van Frankrijk uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. De Afdelingheeft meermaals bevestigd dat ten aanzien van Frankrijk in algemene zin kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Hierbij is ook het AIDA rapport, update 2024, betrokken. De rechtbank overweegt ambtshalve dat ook het recente AIDA rapport, update 2025, geen wezenlijk ander beeld geeft van de opvangvoorzieningen in Frankrijk dan de informatie die is betrokken door de Afdeling in eerdere uitspraken.\n\n6.2.. Uit de AIDA rapporten blijkt niet dat sprake is van structurele tekortkomingen in de opvang of asielprocedure, ook niet ten aanzien van de LHTBI-gemeenschap. Eiseres heeft bovendien niet aannemelijk gemaakt dat zij bij overdracht aan Frankrijk persoonlijk geen opvang, rechtsbescherming of toegang tot de procedure zal krijgen. Eiseres heeft niet eerder een asielaanvraag in Frankrijk ingediend waardoor zij geen persoonlijke ervaring heeft met de kwaliteit van de asielprocedure en de opvangvoorzieningen in Frankrijk.\n\n6.3.. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van bijzondere, individuele omstandigheden op basis waarvan de minister de aanvraag toch zou moeten behandelen.\n\nConclusie en gevolgen\n\n7. Het beroep is kennelijk ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft en eiseres overgedragen kan worden aan Frankrijk. Eiseres krijgt geen vergoeding van haar proceskosten.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. A. Sibma, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Strating, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.\n\nDe uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over verzet\n\nAls partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.\n\n Zie artikel 84 van de Asiel- en migratiebeheerverordening inzake het overgangsrecht.\n\n Verordening (EU) nr. 604\u002F2013.\n\n Dit staat ook in artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.\n\n Update 2024 van juni 2025.\n\n Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.\n\n Update 2025 van mei 2026.\n\n Zie ook de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Arnhem, van 3 juli 2026. (ECLI:NL:RBDHA:2026:18469, r.o. 7.1) en de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Middelburg, van 25 juni 2026 (ECLI:NL:RBDHA:2026:17711).","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18721","ecli-nl-rbdha-2026-18721",{"courtName":61,"legalDomain":62,"decisionType":18,"procedureType":19},"Groningen","Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht",{"id":64,"ecli":65,"caseNumber":6,"courtId":66,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":67,"language":12,"source":13,"sourceUrl":68,"summary":6,"slug":69,"metadata":70},"418","ECLI:NL:RBDHA:2026:18726",61,"RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Rotterdam\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL26.36068uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n\n [naam eiser] , eiser\n\nV-nummer: [V-nummer]\n\n(gemachtigde: mr. J.S. Dobosz),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, verweerder\n\n(gemachtigde: mr. C. van der Zijde).\n\nSamenvatting\n\n1. Deze uitspraak gaat over de maatregel van vreemdelingenbewaring die aan eiser is opgelegd. Deze maatregel is opgelegd op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser is het niet eens met die maatregel. Hij voert daartegen een beroepsgrond aan. Onder meer aan de hand van deze beroepsgrond beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van die maatregel en de vraag of aan eiser een schadevergoeding moet worden toegekend.\n\n1.1.. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep gegrond is. Het opleggen van de maatregel van vreemdelingenbewaring is onrechtmatig. De rechtbank kent daarom een schadevergoeding toe. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.\n\n1.2.. In deze uitspraak gebruikt de rechtbank de volgende afkortingen voor de wet- en regelgeving:\n\nAwb: Algemene wet bestuursrecht\n\nVw: Vreemdelingenwet 2000\n\nVb: Vreemdelingenbesluit 2000\n\nProcesverloop\n\n2. Met het bestreden besluit van 29 juni 2026 heeft verweerder aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.\n\n2.1.. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.\n\n2.2.. De rechtbank heeft het beroep op 7 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, K.A. Ozdzinska als tolk en de gemachtigde van verweerder.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\nToetsingskader\n\n3. Verweerder kan als het belang van de openbare orde of de nationale veiligheid dat vordert, de vreemdeling die geen rechtmatig verblijf heeft in vreemdelingenbewaring stellen.Verweerder stelt een vreemdeling slechts in vreemdelingenbewaring, voor zover geen minder dwingende maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast en de vreemdelingenbewaring blijft achterwege of wordt beëindigd, indien deze niet langer noodzakelijk is met het oog op het doel van de vreemdelingenbewaring.Deze vreemdeling kan in vreemdelingenbewaring worden gesteld op grond dat het belang van de openbare orde of nationale veiligheid zulks vordert, indien a) een onderduikrisico bestaat, of b) de vreemdeling de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert.De maatregel kan alleen worden opgelegd wegens het bestaan van een onderduikrisico, indien ten minste twee van de gronden, genoemd in artikel 5.6, tweede lid, van het Vb zich voordoen.\n\nGronden\n\n4. Eiser heeft de gronden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd niet bestreden. De gronden, die de ambtshalve toetsing van de rechtbank doorstaan, zijn tezamen voldoende om de maatregel van bewaring te kunnen dragen.\n\nRechtmatig verblijf\n\n5. Eiser heeft aangevoerd dat er sprake is van een rechtmatig verblijf van eiser in Nederland op grond van artikel 7 van de Richtlijn 2004\u002F38\u002FEG. Eiser is een maand voorafgaand aan de onderhavige zaak opgehouden op 3 juni 2026. Hij heeft ter onderbouwing het proces-verbaal van ophouding overgelegd. Op deze dag is onderzoek gedaan naar de arbeidssituatie van eiser. Gebleken is dat eiser arbeid verricht voor een Nederlands uitzendbureau en beschikte over een arbeidscontract. Eiser is vervolgens heengezonden wegens bestendig verblijf. Verweerder kon ten aanzien van de onderhavige maatregel van bewaring op 29 juni 2026 niet zonder meer terugvallen op het standpunt dat sprake is van voortgezet onrechtmatig verblijf. Dit is onverenigbaar met de bevinding op 3 juni 2026. De maatregel van bewaring is dan ook onvoldoende zorgvuldig voorbereid en onvoldoende gemotiveerd.\n\n5.1.. Verweerder heeft aan de maatregel ten grondslag gelegd dat eiser geen rechtmatig verblijf in Nederland heeft, nu zijn verblijfsrecht als Unieburger bij beschikking van 6 maart 2025 is beëindigd. De rechtbank stelt voorop dat de enkele omstandigheid dat het verblijfsrecht van een Unieburger eerder is beëindigd, niet zonder meer meebrengt dat deze op een later moment geen rechten meer aan het Unierecht kan ontlenen. Indien sprake is van gewijzigde feiten en omstandigheden dient verweerder de verblijfsrechtelijke positie van de betrokkene opnieuw te beoordelen alvorens tot het oordeel te komen dat hij geen rechtmatig verblijf heeft.\n\n5.2.. De rechtbank oordeelt als volgt. In de maatregel van bewaring is vermeld dat eiser heeft verklaard werkzaam te zijn voor een Nederlands uitzendbureau en dit ook heeft aangetoond, dat eiser werkzaam is in België waar hij ook wordt voorzien van woonruimte door de werkgever en dat hij in België mag verblijven. Naar het oordeel van de rechtbank vormen deze omstandigheden concrete aanwijzingen dat de feitelijke situatie van eiser sinds de beschikking van 6 maart 2025 is gewijzigd. Van verweerder mocht daarom worden verwacht dat hij kenbaar zou onderzoeken welke betekenis deze gewijzigde omstandigheden hebben voor de actuele verblijfsrechtelijke positie van eiser. Uit de maatregel van bewaring, het gehoor voorafgaand aan deze maatregel en de overige stukken in het dossier is niet gebleken dat een dergelijk onderzoek heeft plaatsgevonden. Daarbij betrekt de rechtbank dat uit het proces-verbaal van ophouding van eiser op 3 juni 2026 blijkt dat eiser is heengezonden, omdat sprake was van ‘mogelijk bestendig verblijf’. Uit het proces-verbaal van verhoor op die dag blijkt dat het werken voor een Nederlands uitzendbureau hier ook aan de orde is geweest. Vervolgens wordt nog geen maand later in de onderhavige maatregel van bewaring zonder kenbare motivering aangenomen dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft. Niet valt in te zien waarom verweerder er zonder nader onderzoek van uit heeft kunnen gaan dat eiser geen aan het Unierecht ontleend verblijfsrecht had. De motivering dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft, is onder deze omstandigheden onvoldoende draagkrachtig. Gelet hierop is de maatregel in strijd met artikel 3:2 en 3:46 van de Awb tot stand gekomen en is dan ook onrechtmatig. Deze beroepsgrond slaagt.\n\nConclusie en gevolgen\n\n6. Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is gegrond. Deze maatregel is vanaf het moment van het opleggen daarvan onrechtmatig. De rechtbank beveelt de opheffing van deze maatregel met ingang van vandaag.\n\n6.1.. Op grond van artikel 106 van de Vw kan de rechtbank indien zij de opheffing van de maatregel van vreemdelingenbewaring beveelt aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen. De rechtbank acht gronden aanwezig om een schadevergoeding toe te kennen voor 10 dagen onrechtmatige (tenuitvoerlegging van de) vreemdelingenbewaring ten bedrage van 0 x € 160,- (verblijf politiecel) en 10 x € 120,- (verblijf detentiecentrum) = € 1.200,-.\n\n6.2.. Eiser krijgt een vergoeding van zijn proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- omdat de gemachtigde van eiser geacht wordt beroep te hebben ingesteld en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep gegrond;\n\n- veroordeelt de Staat der Nederlanden tot het betalen van € 1.200,- aan schadevergoeding aan eiser, te betalen door de griffier en beveelt de tenuitvoerlegging van deze schadevergoeding;\n\n- beveelt de opheffing van de maatregel van vreemdelingenbewaring met ingang van vandaag;\n\n- veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiser.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. S.N. Abdoelkadir, rechter, in aanwezigheid van mr. M. Stehouwer, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.\n\n Het beroep tegen een maatregel van bewaring wordt ook aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding. Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 59c van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 5.5 van het Vb.\n\n Dit volgt uit artikel 5.6, eerste lid, van het Vb.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18726","ecli-nl-rbdha-2026-18726",{"courtName":71,"legalDomain":62,"decisionType":18,"procedureType":19},"Rotterdam"]