[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"decision-ecli-nl-rbnne-2023-1529":3,"decision-more-ecli-nl-rbnne-2023-1529":20},{"id":4,"ecli":5,"caseNumber":6,"courtId":7,"courtName":8,"courtSlug":9,"decisionDate":10,"fullText":11,"language":12,"source":13,"sourceUrl":14,"summary":6,"slug":15,"metadata":16},"622","ECLI:NL:RBNNE:2023:1529","",65,"Groningen","groningen","2023-04-13T00:00:00.000Z","RECHTBANK NOORD-NEDERLAND\n\nBestuursrecht\n\nlocatie Groningen\n\nzaaknummers: LEE 21\u002F2044 en 22\u002F1347\n\nuitspraak van de enkelvoudige kamer van de rechtbank van 13 april 2023 in de zaken tussen\n\n [eiser], te [plaats], eiser,\n\n(gemachtigde: mr. R.J. Skala),\n\nen\n\nhet college van burgemeester en wethouders van de gemeente Groningen, verweerder,\n\n(gemachtigde: mr. J.P. Ketelaar).\n\nAls derde-partijheeft aan het geding deelgenomen: [belanghebbende], te [plaats], vergunninghouder,\n\n(gemachtigde: mr. R.S. Wertheim).\n\nProcesverloop\n\nInzake LEE 21\u002F2044\n\nBij besluit van 26 november 2019 (het primaire besluit I) heeft verweerder aan vergunninghouder een omgevingsvergunning ingevolge de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) verleend voor het aanleggen van een vaarverbinding met bijbehorend pad tussen het Paterwoldsemeer en de woningen, gelegen aan de [adres] te [plaats].\n\nBij besluit van 19 mei 2021 (het bestreden besluit I) heeft verweerder de bezwaren van eiser ongegrond verklaard en het primaire besluit I van 26 november 2019 onder een aanvullende motivering gehandhaafd.\n\nTegen het bestreden besluit I heeft eiser beroep ingesteld. Dit beroep is geregistreerd onder het procedurenummer LEE 21\u002F2044.\n\nVerweerder heeft een verweerschrift ingediend.\n\nInzake LEE 22\u002F1347\n\nBij besluit van 21 juli 2021 (het primaire besluit II) heeft verweerder aan vergunninghouder een omgevingsvergunning ingevolge de Wabo verleend voor het oprichten van een ophaalbrug op de locatie, [adres] te [plaats] in verband met een aan te leggen vaarverbinding naar het Paterswoldsemeer vanaf een aantal woningen aan de Meerweg in Haren.\n\nTegen het primaire besluit II heeft eiser bezwaar gemaakt. Tevens heeft eiser de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. Dit verzoek om voorlopige voorziening is geregistreerd onder het procedurenummer LEE 21\u002F2523. Bij uitspraak van 13 september 2021 heeft de voorzieningenrechter het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen.\n\nBij besluit van 7 maart 2022 (het bestreden besluit II) heeft verweerder de bezwaren van eiser ongegrond verklaard en de bij het primaire besluit II verleende omgevingsvergunning gewijzigd, in die zin dat de omgevingsvergunning is verleend in afwijking van het bestemmingsplan “Ecologische Hoofdstructuur en recreatieterrein zuidoostzijde Paterswoldsemeer”.\n\nTegen het bestreden besluit II heeft eiser beroep ingesteld bij de rechtbank. Dit beroep is geregistreerd onder het procedurenummer 22\u002F1347.\n\nVerweerder heeft een verweerschrift ingediend.\n\nDe zaken zijn gelijktijdig behandeld op de zitting van 7 maart 2023. Tijdens deze zitting zijn tevens de zaken met procedurenummers LEE 21\u002F1920 en 22\u002F1427 behandeld. Eiser is in persoon verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde, mr. R.R. Top-van Houdt en J. Hortensius. Vergunninghouder is in persoon verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde.\n\nVoor het doen van uitspraak zijn de zaken met de procedurenummers LEE 21\u002F2044 en 22\u002F1347 gesplitst van de zaken met de procedurenummers LEE 21\u002F1920 en 22\u002F1427.\n\nFeiten en omstandigheden\n\n1. Bij haar oordeelsvorming betrekt de rechtbank de navolgende feiten en omstandigheden.\n\nInzake LEE 21\u002F2044\n\n1.1. In 2018 is door de raad van de voormalige gemeente Haren een voorbereidingsbesluit vastgesteld om het beoogde recreatieterrein achter de bestaande recreatiewoningen aan de zuid-oostzijde van het Paterswoldsemeer toe te voegen aan het bestemmingsplan EHS. In dit voorbereidingsbesluit is ook vastgelegd dat aan enkele bewoners van de Meerweg destijds is toegezegd dat de door hen gewenste vaarverbinding zou worden gefaciliteerd. Voorafgaand aan dit voorbereidingsbesluit hebben diverse procesafspraken plaatsgevonden op het gemeentehuis met de afdeling ontwikkeling, bewoners van de Meerweg en leden van recreatiewoningen “Ol Veen” en het Meerschap Paterswolde. Deze vaarverbinding is vervolgens in nauw overleg met de provincie Groningen tot stand gekomen, gelet op het aanwezige NNN-gebied.\n\nTevens is overleg gevoerd met de eigenaar van het adres Meerweg 205, die in het bezit is van een vergunning voor een alternatieve vaarverbinding van zijn perceel aan de Meerweg naar het Paterswoldsemeer. Dit overleg (met als doel om te komen tot een gemeenschappelijke vaarverbinding) heeft echter niet tot het gewenste resultaat geleid zodat een besluit moest worden genomen omtrent het verlenen van de vergunning voor de gevraagde vaarverbinding.\n\n1.2. Vergunninghouder heeft op 9 juni 2020 een aanvraag om omgevingsvergunning (eerste fase) bij verweerder ingediend voor het aanleggen van een vaarverbinding met bijbehorend pad tussen het Paterwoldsemeer en de woningen, gelegen aan de [adres] te Haren. Deze aanvraag om omgevingsvergunning heeft betrekking op de navolgende activiteit:\n\n- het uitvoeren van een werk of werkzaamheden.\n\n1.3. Bij primair besluit I van 26 november 2019 heeft verweerder aan vergunninghouder een omgevingsvergunning ingevolge de Wabo verleend voor het aanleggen van een vaarverbinding met bijbehorend pad tussen het Paterwoldsemeer en de woningen, gelegen aan de [adres] te [plaats].\n\n1.4. De commissie heeft verweerder bij brief van 22 april 2021 geadviseerd om de bezwaren van eiser ongegrond te verklaren en het primaire besluit I van 26 november 2020 onder een aanvullende motivering te handhaven.\n\n1.5. Onder overneming van het advies van de commissie heeft verweerder met het bestreden besluit I de bezwaren van eiser ongegrond verklaard en het primaire besluit I van 26 november 2020 onder een aanvullende motivering gehandhaafd.\n\nInzake LEE 22\u002F1347\n\n1.6. Vergunninghouder heeft op 21 december 2020 een aanvraag om omgevingsvergunning bij verweerder ingediend voor het oprichten van een ophaalbrug op de locatie, [adres] te Haren (Gn.) in verband met een aan te leggen vaarverbinding naar het Paterswoldsemeer vanaf een aantal woningen aan de Meerweg in Haren.\n\n1.7. Bij primair besluit II van 21 juli 2021 heeft verweerder aan vergunninghouder een omgevingsvergunning ingevolge de Wabo verleend voor het oprichten van een ophaalbrug op de locatie, [adres] te [plaats] in verband met een aan te leggen vaarverbinding naar het Paterswoldsemeer vanaf een aantal woningen aan de Meerweg in Haren.\n\n1.8. De commissie heeft verweerder bij brief van 15 februari 2022 geadviseerd om de bezwaren van eiser ongegrond te verklaren en het primaire besluit II gewijzigd in stand te laten onder aanvulling van de motivering en het opnemen van voorschriften. Verder heeft de commissie in voormelde brief aan verweerder geadviseerd om de omgevingsvergunning te verlenen onder afwijking van het bestemmingsplan “Ecologische Hoofdstructuur en recreatieterrein zuidoostzijde Paterswoldsemeer”.\n\n1.9. Onder overneming van het advies van de commissie heeft verweerder met het bestreden besluit II de bezwaren van eiser ongegrond verklaard en de bij het primaire besluit II verleende omgevingsvergunning gewijzigd, in die zin dat de omgevingsvergunning is verleend in afwijking van het bestemmingsplan “Ecologische Hoofdstructuur en recreatieterrein zuidoostzijde Paterswoldsemeer” met toepassing van artikel 4, derde lid, van bijlage II van het Besluit omgevingsrecht (Bor).\n\nToepasselijke regelgeving\n\n2. De relevante regelgeving is opgenomen in de bijlage bij deze uitspraak. De bijlage maakt deel uit van deze uitspraak.\n\nOverwegingenInzake LEE 21\u002F2044\n\nHet geschil\n\n3. Tussen partijen is in geschil of verweerder terecht en op juiste gronden een omgevingsvergunning heeft verleend voor het aanleggen van een vaarverbinding met bijbehorend pad tussen het Paterwoldsemeer en de woningen, gelegen aan de [adres] te [plaats]. Dienaangaande overweegt de rechtbank als volgt.\n\nTen aanzien van de goede procesorde\n\n4. Ter zitting heeft de gemachtigde van eiser naar voren gebracht dat de door de gemachtigde van eiseres in procedurenummers LEE 21\u002F1920 en 21\u002F1427 naar voren gebrachte gronden als herhaald en ingelast dienen te worden beschouwd, indien de rechtbank tot het oordeel komt dat eiseres in die procedures geen procesbelang meer heeft.\n\n4.1.. Verweerder en vergunninghouder hebben naar aanleiding daarvan ter zitting gesteld dat dit in strijd komt met de beginselen van een goede procesorde.\n\n4.2.. Naar het oordeel van de rechtbank komt het verzoek van de gemachtigde van eiser eerst ter zitting om de gronden van eiseres van overeenkomstige toepassing te verklaren zonder een nadere toelichting en zonder te specificeren om welke gronden het gaat in strijd met de beginselen van een goede procesorde. Dit brengt met zich dat de rechtbank het verzoek van de gemachtigde van eiser afwijst en de gestelde van overeenkomstige toepassing zijnde gronden van beroep buiten beschouwing zal laten.\n\nTen aanzien van de relativiteit\n\n5. Eiser betoogt dat er onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de gebruiksmogelijkheden van de omliggende percelen. In dit verband wijst eiser erop dat de te graven vaarverbinding de zonneweide en het strandje grenzend aan het Paterswoldsemeer zal doorsnijden en dat hierdoor de recreatieve capaciteit voor dagrecreanten voor een groot deel (30%) zal worden ingeperkt.\n\n5.1.. Verweerder stelt zich op het standpunt dat de door eiser gestelde schending van het belang van de dagrecreanten niet een belang is dat in deze beroepsprocedure aan de rechtbank ter toetsing kan worden voorgelegd, aangezien het hier niet gaat om een persoonlijk belang van eiser. In dit verband wijst verweerder erop dat uit artikel 8.69a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) volgt dat eiser in deze procedure uitsluitend kan opkomen voor zijn eigen belangen en niet ook voor de belangen van anderen.\n\n5.2.. Ingevolge artikel 8:69a van de Awb vernietigt de bestuursrechter een besluit niet op de grond dat het in strijd is met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of een algemeen rechtsbeginsel, als deze regel of dit beginsel kennelijk niet strekt tot bescherming van de belangen van degene die zich daarop beroept. Uit de geschiedenis van de totstandkoming van de Wet aanpassing bestuursprocesrecht (Kamerstukken II, 2009\u002F10, 32 450, nr. 3, blz. 18-20) heeft de wetgever met artikel 8:69a van de Awb de eis willen stellen dat er een verband moet bestaan tussen een beroepsgrond en het belang waarin eiser door het bestreden besluit dreigt te worden geschaad. De bestuursrechter mag een besluit niet vernietigen wegens schending van een rechtsregel die kennelijk niet strekt tot bescherming van het belang van eiser.\n\n5.3.. Met verweerder is de rechtbank van oordeel dat de norm waarop eiser zijn gestelde schending van de belangen van de dagrecreanten baseert, niet geschreven is ter bescherming van zijn persoonlijke belangen. Omdat de beroepsgrond van eiser gezien het relativiteitsvereiste in zoverre niet tot vernietiging van het bestreden besluit I kan leiden, ziet de rechtbank af van een inhoudelijke bespreking daarvan (vgl. Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (AbRvS) 30 maart 2022, ECLI:NL:RVS:2022:900).\n\nTen aanzien van een alternatief\n\n6. Eiser stelt voor om het oost-west gedeelte van de vaarweg iets meer richting het zuiden aan te leggen.\n\n6.1.. \n\nVerweerder stelt zich op het standpunt dat met dit door eiser voorgestelde alternatieve tracé niet hetzelfde resultaat kan worden bereikt met aanmerkelijk minder\n\nbezwaren. In dit verband wijst verweerder erop dat in dit alternatief het oost-west gedeelte van de vaarweg ongeveer 20 meter zuidelijker zou komen te liggen, ongeveer ter hoogte van de huidige sloot op het perceel van de eigenaar van Meerweg 205.\n\n6.2.. De rechtbank stelt voorop dat als uitgangspunt heeft te gelden dat verweerder beslist op de aanvraag om omgevingsvergunning, zoals die is ingediend. Indien een plan op zichzelf aanvaardbaar is, kan het bestaan van alternatieven slechts tot het onthouden van medewerking nopen, indien op voorhand duidelijk is dat door de verwezenlijking van die alternatieven een gelijkwaardig resultaat kan worden bereikt met aanmerkelijk minder bezwaren (vgl. AbRvS, 20 september 2017, ECLI:NL:RVS:2017:2510).\n\n6.3.. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat er sprake is van een alternatief waarbij een gelijkwaardig resultaat kan worden bereikt met aanmerkelijk minder bezwaren. Hierbij acht de rechtbank van belang dat het door eiser naar voren gebrachte alternatief door verweerder is beoordeeld en vergeleken met de aangevraagde variant. Daarbij heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank in aanmerking kunnen nemen dat het door eiser naar voren gebrachte alternatief als nadeel heeft dat een groot deel van de zonneweide en het strandje aan het Paterswoldsemeer doorkruist worden door dit alternatieve tracé en dat dit voor het Meerschap Paterswolde als eigenaar van de grond reden was om hieraan geen medewerking te verlenen. Hieruit volgt dat met het door eiser naar voren gebrachte alternatief niet een gelijkwaardig resultaat kan worden bereikt. Deze grond van eiser slaagt niet.\n\nTen aanzien van de aanlegvergunning voor het pad\n\n7. Eiser betoogt dat verweerder ten onrechte geen aanlegvergunning voor het pad heeft verleend voor zover dit zich ten zuiden van de vaarweg bevindt. In dit verband wijst eiser erop dat dit pad naar zijn mening aanlegvergunningplichtig is omdat het aanbrengen van oppervlakteverhardingen aanlegvergunningplichtig is.\n\n7.1.. \n\nVerweerder stelt zich op het standpunt dat uitsluitend een aanlegvergunning is vereist voor het pad voor zover dat is gelegen in de bestemming “Agrarisch met\n\nwaarden” van de beheersverordening Paterswoldsemeer (dat is het deel van het pad dat\n\nis gelegen ten westen van de vaarweg, daar waar de vaarweg van zuid naar noord\n\nloopt). Daar waar het pad ten zuiden van de vaarweg ligt, geldt volgens verweerder voor het meest westelijke deel daarvan de bestemming “Recreatie-Dagrecreatie” uit de beheersverordening Paterswoldsemeer. Deze bestemming kent in de visie van verweerder geen aanlegvergunningstelsel. Voor het overige deel van het pad zuidelijk van de vaarweg, geldt volgens verweerder de bestemming “Natuur” uit het bestemmingsplan EHS. Naar de mening van verweerder valt de aanleg van het pad niet onder de in artikel 3.4 van dit bestemmingsplan genoemde vergunningplichtige activiteiten. In dit verband wijst verweerder erop dat artikel 3.4 onder a, sub 4, van de planregels van dit bestemmingsplan weliswaar bepaalt dat een aanlegvergunning vereist is voor het aanbrengen van oppervlakteverhardingen, maar dat uit de aanvraag blijkt dat er sprake is van een onverhard pad, zodat op grond van deze bepaling geen aanlegvergunningplicht geldt.\n\n7.3.. Artikel 3 van het bestemmingsplan “EHS en recreatieterrein Zuidoostzijde Paterswoldsemeer” luidt als volgt:\n\n1. De voor Natuur aangewezen gronden zijn bestemd voor:\n\na. het behoud, het herstel en\u002Fof de ontwikkeling van de natuurwetenschappelijke en landschappelijke waarden, in het bijzonder gericht op ontwikkeling en instandhouding van een robuuste ecologische verbindingszone (EHS);\n\nb. waterhuishoudkundige doeleinden, waaronder kaden en dijken mede zijn begrepen;\n\nmet daaraan ondergeschikt:\n\nc. recreatief medegebruik en extensief agrarisch medegebruik.\n\n(…)\n\n4.a. Het is verboden zonder of in afwijking van een schriftelijke vergunning de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden uit te voeren, te doen en te laten uitvoeren:\n\n1. het egaliseren en ophogen van gronden anders dan ten behoeve van de ontwikkeling van natuur of in verband met de waterhuishouding.\n\n7.4.. De rechtbank stelt vast dat de aanvraag om omgevingsvergunning betrekking heeft op het aanleggen van een vaarverbinding met bijbehorend pad. Verder wordt vastgesteld dat verweerder uit deze aanvraag om omgevingsvergunning heeft afgeleid dat er geen sprake is van aanlegvergunningplichtige activiteiten op grond van artikel 3, vierde lid, aanhef en onder a, van de planregels van het bestemmingsplan “EHS en recreatieterrein zuidoostzijde Paterswoldsemeer” omdat het een onverhard pad betreft. De rechtbank volgt verweerder niet in deze stelling. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich ten onrechte op het standpunt gesteld dat er bij de aanleg van het bijbehorende pad geen sprake is van het egaliseren van gronden, als bedoeld in artikel 3, vierde lid, aanhef en onder a, van de planregels van voormeld bestemmingsplan. Hieruit volgt dat eiser terecht betoogt dat er sprake is van een aanlegvergunningplicht voor het bijbehorende pad ten zuiden van de aan te leggen vaarverbinding. Dit brengt met zich dat het bestreden besluit in strijd komt met artikel 3, vierde lid, aanhef en onder a, van de planregels van voormeld bestemmingsplan. Deze grond van eiser slaagt.\n\nTen aanzien van de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende percelen\n\n8. Eiser betoogt dat het verlenen van de aanlegvergunning voor de voorgenomen vaarwegverbinding voor een onevenredige afbreuk van de gebruiksmogelijkheden van zijn perceel zorgt. In dit verband wijst eiser erop dat het realiseren van de vaarwegverbinding ertoe bijdraagt dat de toegang tot zijn perceel wordt weggenomen. Bovendien meent eiser dat ook de toegang tot het perceel van hulpdiensten, zoals de brandweer en\u002Fof een ambulance, niet langer mogelijk wordt door het aanleggen van de vaarwegverbinding. Dit wordt ook bemoeilijkt door hier een voorgenomen brug over te plaatsen). Verweerder alsmede de vergunninghouder hebben te kennen gegeven dat de toegang tot het perceel van eiser kan worden hersteld, door hiervoor naderhand dus een brug aan te leggen. Het zou hierbij gaan om een ophaalbrug die door de vergunninghouder zelf zal worden beheerd, aldus eiser. In de visie van eiser is dit niet wenselijk, omdat hij voor de toegang tot het perceel daardoor afhankelijk wordt van derden. Ook zet hij vraagtekens bij de veiligheid van het beheer en onderhoud van een dergelijke constructie door een partij die daarin vrijwel geen enkele deskundigheid heeft. Verder is het volgens eiser nog maar de vraag of de eerdergenoemde hulpdiensten nog bij het perceel kunnen komen wanneer beheer en het onderhoud van de brug in beheer wordt gebracht bij de initiatiefnemer zelf. Naar de mening van eiser heeft verweerder in het bestreden besluit op dit punt geen enkele reactie naar voren gebracht, hetgeen in strijd is met de beginselen van behoorlijk bestuur. Meer specifiek wijst eiser op het bepaalde in artikel 3:2 en artikel 7:12, eerste lid, van de Awb.\n\n8.1.. Verweerder stelt zich op het standpunt dat de aanleg van de vaarwegverbinding een beperkte ruimtelijke uitstraling heeft en dat er geen sprake is van een onevenredige afbreuk van de gebruiksmogelijkheden van het perceel van eiser. In dit verband wijst verweerder erop dat uit de feitelijke situatie naar voren komt dat de relatief smalle, deels onverharde, toegangsweg niet bedoeld en geschikt is voor grote en zware voertuigen. Ook uit de betreffende koopovereenkomst tussen het Meerschap en een aantal eigenaren van de recreatiewoningen blijkt dat de toegangsweg uitsluitend bedoeld is voor het gebruik door personenauto’s, bestelauto’s, (brom\u002Fmotor)fietsers en voetgangers, aldus verweerder. Volgens verweerder gebeurt het gebruik van de weg door grote en zware vrachtvoertuigen wel incidenteel, maar is dit alleen mogelijk met behulp van rijplaten. Verder wijst verweerder erop dat gezien het beperkte privégebruik door vier huishoudens van de aan te leggen vaarweg de brug in het vaarseizoen hooguit een aantal malen per dag gedurende korte tijd (enkele minuten) geopend zal zijn. In de visie van verweerder kan niet worden uitgesloten dat de eigenaren\u002Fgebruikers van deze recreatiewoningen tijdens het vaarseizoen met enige regelmaat gedurende korte tijd zullen moeten wachten voor een geopende brug, maar deze omstandigheid brengt niet met zich dat de belangen van eiser hierdoor onevenredig worden geschaad. Hoewel de vrees voor een defect aan de brug terecht is, is verweerder van mening dat de kans klein is dat er een defect zal optreden, waar eiser mogelijk last van zal hebben. In dit verband wijst verweerder erop dat een defect waardoor eiser mogelijk zal worden geraakt, zich alleen zal voordoen als dit defect optreedt bij een geopende brug, want een defect dat optreedt bij een gesloten brug raakt alleen vergunninghouder en de andere gebruikers van de vaarweg, aangezien de brug in dat geval niet meer omhoog gebracht kan worden. Aangezien de brug in het vaarseizoen slechts korte tijd per dag geopend zal zijn, zal ook de kans op een eiser benadelend defect klein zijn. Voor het geval een dergelijk defect onverhoopt toch optreedt, dan kan de brug handmatig met een lier in de uitgangspositie worden teruggebracht, aldus verweerder. In dit kader acht verweerder van belang dat door de fabrikant van de brug is bevestigd dat er een dergelijke veiligheidsvoorziening zal worden aangebracht bij de aanleg van de brug en dit is als voorschrift aan de vergunning verbonden.\n\n8.2.. Daarnaast wijst verweerder erop dat de brug toegankelijk is voor ambulances. Ten aanzien van de bereikbaarheid van de recreatiewoningen voor de brandweer is het volgens verweerder opmerkelijk dat eiser stelt dat de bereikbaarheid voor de brandweer zal verslechteren door de aanleg van de brug en de vaarweg en daarbij geheel voorbij gaat aan het feit dat uit de bevindingen van de brandweer is gebleken dat er juist in de huidige situatie een zeer grote kans is dat de brandweer de recreatiewoningen niet (tijdig) kan bereiken met blusmateriaal. In dit verband wijst verweerder erop dat door de brandweer, die de situatie ter plekke in ogenschouw heeft genomen, is geconstateerd dat het onzeker is of een (zware met water gevulde) blusauto de recreatiewoningen zal kunnen bereiken over de deels onverharde toegangsweg. Bovendien is er volgens verweerder in de huidige situatie in de nabijheid geen mogelijkheid om bluswater in te nemen, omdat het Paterswoldsemeer vanaf de toegangsweg niet goed bereikbaar is voor een blusauto en de dichtstbijzijnde brandkraan 170 meter is verwijderd van de plek waar de brug wordt aangelegd. In de visie van verweerder blijkt dit uit het advies van de Veligheidsregio. Verder wijst verweerder erop dat de Veiligheidsregio positief heeft geadviseerd over de aanleg van een brug, onder de voorwaarde dat er een opstelplaats voor de brandweer wordt gerealiseerd, die voldoet aan bijlage 4 van de Handleiding Bereikbaarheid en Bluswatervoorziening regio Groningen. Daarbij acht verweerder van belang dat vergunninghouder heeft verklaard een dergelijke waterwin- en opstelplaats aan te zullen leggen en in het bestreden besluit I is dit als voorschrift verbonden aan de vergunning.\n\n8.3.. Wat betreft de belangenafweging in het kader van een goede ruimtelijke ordening, zal de rechtbank het project in zijn geheel bezien met inbegrip van de rol van de aanleg van de brug daarin. De rechtbank overweegt dat in de met betrekking tot deze omgevingsvergunning voor het afwijken van het bestemmingsplan te maken belangenafweging daarbij uitsluitend de gevolgen van de afwijkingen van het bestemmingsplan dienen te worden meegewogen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder onvoldoende gemotiveerd waarom de belangen van vergunninghouder zwaarder dienen te wegen dan de belangen van eiser voor wat betreft de gebruiksmogelijkheden van zijn perceel. Hierbij neemt de rechtbank in aanmerking dat door verweerder niet inzichtelijk en duidelijk is gemaakt hoe vaak per dag door vergunninghouder en de overige eigenaren van de vier woningen aan de Meerweg gebruik gemaakt zal worden van de aan te leggen brug, terwijl eiser voor wat betreft de bereikbaarheid en de toegankelijkheid van zijn perceel afhankelijk zal worden van de brugbediening door derden, waaronder vergunninghouder. Nu verweerder niet inzichtelijk heeft gemaakt hoe vaak gebruik gemaakt zal worden van de aan te leggen brug, is het bestreden besluit voor wat betreft de belangenafweging in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel als bedoeld in artikel 3:2 van de Awb tot stand gekomen. Hieruit volgt dat het bestreden besluit voor wat betreft de belangenafweging op een ondeugdelijke motivering berust hetgeen strijd met het bepaalde in artikel 7:12, eerste lid, van de Awb oplevert. Dit betekent dat deze grond van eiser slaagt. Ook om die reden is het beroep van eiser gegrond.\n\nInzake LEE 22\u002F1347\n\nHet geschil\n\n9. Tussen partijen is in geschil of verweerder een omgevingsvergunning heeft kunnen verlenen voor het oprichten van een ophaalbrug op de locatie, [adres] te [plaats] in verband met een aan te leggen vaarverbinding naar het Paterswoldsemeer vanaf een aantal woningen aan de [adres] in [plaats]. Dienaangaande overweegt de rechtbank als volgt.\n\nTen aanzien van de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende percelen\n\n10. Aan het bestreden besluit II heeft verweerder ten grondslag gelegd dat zware en grote vrachtvoertuigen weliswaar geen gebruik kunnen maken van de brug, maar dat met de toegestane belastbaarheid van de brug van 5.100 kg de recreatiewoningen voldoende toegankelijk zijn. Met deze belastbaarheid kunnen de meest gangbare voertuigen - waaronder personenauto’s, (grote) bestelauto’s en kleine vrachtauto’s - de recreatiewoningen bereiken. Ook is gebleken dat de brug toegankelijk is voor ambulances. Verder blijkt uit de betreffende koopovereenkomst tussen het Meerschap en een aantal eigenaren van de recreatiewoningen dat de toegangsweg uitsluitend bedoeld is voor gebruik door personenauto’s, bestelauto’s, (brom\u002Fmotor)fietsers en voetgangers. Daarbij is in aanmerking genomen dat de toegangsweg waarin de brug zal worden aangebracht, geen openbare weg is die normale verkeersstromen moet verwerken, maar een niet-openbare weg die slechts zeven recreatiewoningen ontsluit. Bovendien betreft het een relatief smalle, niet geasfalteerde weg die niet bedoeld en geschikt is voor grote en zware voertuigen. Verder is daarbij in aanmerking genomen dat de belangen van eisers niet onevenredig worden geschaad. Er is geen sprake van strijd met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij is in overweging genomen dat de brug alleen in het vaarseizoen zal worden gebruikt en alleen door bewoners van de vier woningen aan de Meerweg. Door dit niet-openbare gebruik zal de brug (alleen tijdens het vaarseizoen) enkele malen per dag gedurende enkele minuten geopend zijn. Van een onaanvaardbare belemmering van de toegankelijkheid van de recreatiewoning van eiser is geen sprake.\n\n10.1.. \n\nEiser betoogt dat het gestelde geringe gebruik van de vaarweg en de daarin gelegen brug uitgaat van de veronderstelling dat er slechts één schip per woning zal zijn. Dat is in tegenspraak met het aantal feitelijk aanwezige aantal personen dat in staat zal zijn met een\n\nschip gebruik te maken van de vaarweg, aldus eiser. Dat zullen minimaal twee volwassenen zijn met een aantal kinderen. Dat impliceert volgens eiser tenminste twee schepen per woning. Dat aantal zal snel toenemen als de kinderen de leeftijd van acht jaren hebben bereikt en ieder kind zijn eigen zeilboot(je) zal varen. Thans uitgaan van drie schepen per woning, acht eiser een reële optie en impliceert reeds een gemiddeld openstaan van de brug\n\nvan tenminste 60 minuten per dag. Daarmede wordt de gestelde beperkte hinder voor eiser en de andere eigenaren van de recreatiewoningen tot een aanmerkelijke niet meegewogen hinder. Daarbij moet in de visie van eiser ook bezien worden wat de gemiddelde openingstijd zal zijn voor het passeren van een schip. Eiser is van mening dat voor iedere keer openen van de brug voor het landverkeer een vertraging ontstaat van tien minuten. Eiser berekent dan\n\nmaximaal 24 x openen gedurende 10 minuten, zijnde een stremming van vier uur per dag. Daarenboven zijn de scheepsbewegingen volgens eiser niet beperkt tot een vaarseizoen,\n\nmaar vinden die gedurende het hele jaar plaats. Alleen bij ijsgang zal het gebruik van de\n\nvaarweg en de brug niet mogelijk zijn. In de visie van eiser schetst verweerder een onjuist beeld, waaruit niet de conclusies kunnen worden getrokken, die verweerder trekt. Het openen van de brug zal voor eiser en de overige eigenaren van de recreatiewoningen aanmerkelijke hinder veroorzaken. Die hinder zal slechts toenemen bij de groei van het aantal schepen per woning en in het geval van niet voorziene calamiteiten ten gevolge van incidenten.\n\n10.2.. Verweerder stelt zich op het standpunt dat zware en grote vrachtvoertuigen weliswaar geen gebruik kunnen maken van de brug, maar dat met de toegestane belastbaarheid van de brug van 5.100 kg de recreatiewoningen voldoende toegankelijk zijn. Ook uit de betreffende koopovereenkomst tussen het Meerschap en een aantal eigenaren van de recreatiewoningen blijkt dat de toegangsweg uitsluitend bedoeld is voor het gebruik door personenauto’s, bestelauto’s, (brom\u002Fmotor)fietsers en voetgangers, aldus verweerder. Volgens verweerder gebeurt het gebruik van de weg door grote en zware vrachtvoertuigen wel incidenteel, maar is dit alleen mogelijk met behulp van rijplaten. Verder wijst verweerder erop dat gezien het beperkte privégebruik door vier huishoudens van de aan te leggen vaarweg de brug in het vaarseizoen hooguit een aantal malen per dag gedurende korte tijd (enkele minuten) geopend zal zijn. In de visie van verweerder kan niet worden uitgesloten dat de eigenaren\u002Fgebruikers van deze recreatiewoningen tijdens het vaarseizoen met enige regelmaat gedurende korte tijd zullen moeten wachten voor een geopende brug, maar deze omstandigheid brengt niet met zich dat de belangen van eiser hierdoor onevenredig worden geschaad. Hoewel de vrees voor een defect aan de brug terecht is, is verweerder van mening dat de kans klein is dat er een defect zal optreden, waar eiser mogelijk last van zal hebben. In dit verband wijst verweerder erop dat een defect waardoor eiser mogelijk zal worden geraakt, zich alleen zal voordoen als dit defect optreedt bij een geopende brug, want een defect dat optreedt bij een gesloten brug raakt alleen vergunninghouder en de andere gebruikers van de vaarweg, aangezien de brug in dat geval niet meer omhoog gebracht kan worden. Aangezien de brug in het vaarseizoen slechts korte tijd per dag geopend zal zijn, zal ook de kans op een eiser benadelend defect klein zijn. Voor het geval een dergelijk defect onverhoopt toch optreedt, dan kan de brug handmatig met een lier in de uitgangspositie worden teruggebracht, aldus verweerder. In dit kader acht verweerder van belang dat door de fabrikant van de brug is bevestigd dat er een dergelijke veiligheidsvoorziening zal worden aangebracht bij de aanleg van de brug en dit is als voorschrift aan de vergunning verbonden. Daarnaast wijst verweerder erop dat de brug toegankelijk is voor ambulances.\n\n10.3.. Verweerder komt bij de beslissing om al dan niet toepassing te geven aan de hem toegekende bevoegdheid om in afwijking van het bestemmingsplan een omgevingsvergunning te verlenen, beleidsruimte toe en het moet de betrokken belangen afwegen. De bestuursrechter oordeelt niet zelf of verlening van de omgevingsvergunning in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. De bestuursrechter beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit in overeenstemming is met het recht. Daarbij kan aan de orde komen of de nadelige gevolgen van het besluit onevenredig zijn in verhouding tot de met de verlening van de omgevingsvergunning te dienen doelen (vgl. AbRvS, 31 augustus 2022, ECLI:NL:RVS:2022:2493).\n\n10.4.. De rechtbank ziet geen grond om tot een ander oordeel te komen dan is verwoord in rechtsoverweging 8.3. Dit brengt naar het oordeel van de rechtbank met zich dat het bestreden besluit II voor wat betreft de belangenafweging in strijd met artikel 3:2 en artikel 7:12, eerste lid, van de Awb tot stand is gekomen. Deze grond van eiser slaagt.\n\nTen aanzien van het Bouwbesluit\n\n11. Eiser betoogt dat in de huidige situatie de voorziene waterwin- en opstelplaats voor de brandweer niet bereikbaar is voor een brandweerauto. Volgens eiser is de weg in een dermate slechte toestand dat zonder herstel van de weg op kosten van de verantwoordelijken voor die abominabele toestand, waarin niet is voorzien in de verleende vergunning, de\n\nzogenaamde gelijkwaardige oplossing illusoir is. Naar de mening van eiser is de geboden oplossing niet gelijkwaardig, zoals in artikel 1.3 van het Bouwbesluit 2012 is aangegeven. In dit verband wijst eiser erop dat in de voorheen geldende situatie de hulpverleningsvoertuigen tot op enkele meters van het object konden komen. Na realisering van de vergunde ophaalbrug moet in de visie van eiser altijd nog maximaal 160 tot 180 meter met slangen overbrugd worden. Dat is volgens eiser niet aan te merken als gelijkwaardig.\n\n11.1.. Verweerder stelt zich op het standpunt dat ten aanzien van de bereikbaarheid van de recreatiewoningen voor de brandweer is het opmerkelijk is dat eiser stelt dat de bereikbaarheid voor de brandweer zal verslechteren door de aanleg van de brug en de vaarweg. Eiser gaat daarbij geheel voorbij aan het feit dat uit de bevindingen van de brandweer is gebleken dat er juist in de huidige situatie een zeer grote kans is dat de brandweer de recreatiewoningen niet (tijdig) kan bereiken met blusmateriaal. In dit verband wijst verweerder erop dat door de brandweer, die de situatie ter plekke in ogenschouw heeft genomen, is geconstateerd dat het onzeker is of een (zware met water gevulde) blusauto de recreatiewoningen zal kunnen bereiken over de deels onverharde toegangsweg. Bovendien is er volgens verweerder in de huidige situatie in de nabijheid geen mogelijkheid om bluswater in te nemen, omdat het Paterswoldsemeer vanaf de toegangsweg niet goed bereikbaar is voor een blusauto en de dichtstbijzijnde brandkraan 170 meter is verwijderd van de plek waar de brug wordt aangelegd. In de visie van verweerder blijkt dit uit het advies van de Veiligheidsregio. Verder wijst verweerder erop dat de Veiligheidsregio positief heeft geadviseerd over de aanleg van een brug, onder de voorwaarde dat er een opstelplaats voor de brandweer wordt gerealiseerd, die voldoet aan bijlage 4 van de Handleiding Bereikbaarheid en Bluswatervoorziening regio Groningen. Daarbij acht verweerder van belang dat vergunninghouder heeft verklaard een dergelijke waterwin- en opstelplaats aan te zullen leggen en in het bestreden besluit I is dit als voorschrift verbonden aan de vergunning. Naar de mening van verweerder is er geen sprake van strijd met het Bouwbesluit 2012.\n\n11.3.. Ingevolge artikel 1.3 van het Bouwbesluit 2012 behoeft aan een in hoofdstuk 2 tot en met 7 (https:\u002F\u002Frijksoverheid.bouwbesluit.com\u002FInhoud\u002Fdocs\u002Fwet\u002Fbb2012\u002Fhfd1?lmcode=pyioim) gesteld voorschrift niet te worden voldaan indien het bouwwerk of het gebruik daarvan anders dan door toepassing van het desbetreffende voorschrift ten minste dezelfde mate van veiligheid, bescherming van de gezondheid, bruikbaarheid, energiezuinigheid en bescherming van het milieu biedt als is beoogd met de in die hoofdstukken gestelde voorschriften.\n\n11.3.. Aan de hand van de gedingstukken gaat de rechtbank er vanuit dat de recreatiewoning van eiser met personenauto’s en een ambulance bereikbaar zal zijn na de aanleg van de brug. Die bereikbaarheid zal niet afwijken van de capaciteit van de huidige, niet openbare, toegangsweg tot hun recreatiewoningen. Verder blijkt uit een daartoe strekkend advies van de Veiligheidsrisico dat er na realisatie van het project voor wat betreft de blusmogelijkheden sprake zal zijn van een verbetering ten opzichte van de bestaande situatie. Dit advies heeft verweerder aan het bestreden besluit II ten grondslag gelegd. Met betrekking tot dit advies heeft eiser zich op het standpunt gesteld dat er geen sprake is van een gelijkwaardige oplossing als bedoeld in artikel 1.3 van het Bouwbesluit 2012. De rechtbank stelt in dit verband vast dat eiser geen contra-expertise van een deskundige op het gebied van waterwin- en opstelplaatsen voor de brandweer heeft overgelegd.\n\n11.4.. Vervolgens is de vraag of eiser erin geslaagd is om aannemelijk te maken dat er sprake is van concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de juistheid of de volledigheid van voormeld advies van de Veiligheidsregio. De rechtbank beantwoordt die vraag ontkennend en overweegt daartoe als volgt. Hoewel aan eiser dient te worden toegegeven dat er sprake is van kritische opmerkingen in voormeld advies, blijkt uit de conclusie dat er met het realiseren van een opstelplaats voor de brandweer die voldoet aan bijlage 4 van de Handleiding Bereikbaarheid en Bluswatervoorziening regio Groningen sprake is van een verbetering ten opzichte van de bestaande situatie. Geen grond bestaat voor het oordeel dat voormelde conclusie niet volgt uit de bevindingen van het advies van de Veiligheidsregio. Het enkel plaatsen van kritische kanttekeningen door eiser leidt naar het oordeel van de rechtbank in dit geval niet tot de conclusie dat het advies van de Veiligheidsregio onzorgvuldig is dan wel inhoudelijk niet concludent is (vgl. AbRvS, 11 januari 2012, ECLI:NL:RVS: 2012:BV0578). Dit brengt met zich dat verweerder het advies van de Veiligheidsregio aan het bestreden besluit II ten grondslag heeft mogen leggen. Deze grond van eiser slaagt niet.\n\nConclusie\n\nZaaknummer LEE 21\u002F2044\n\n12. Gelet op de rechtsoverwegingen 7.4. en 8.3. is het beroep van eiser gegrond en komt het bestreden besluit I voor vernietiging in aanmerking. De rechtbank ziet geen aanleiding om zelf in de zaak te voorzien of te bepalen dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit (deels) in stand blijven, maar volstaat met de opdracht aan verweerder om opnieuw te beslissen op de bezwaren van eiser, met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen.\n\n12.1.. Aangezien het beroep gegrond wordt verklaard, ziet de rechtbank aanleiding om verweerder ingevolge artikel 8:75 van de Awb in de proceskosten van eiser te veroordelen. Onder toepassing van het Bpb kunnen deze kosten worden begroot op € 1.674,- in verband met door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.\n\nZaaknummer 22\u002F1346\n\n13. Gelet op rechtsoverweging 10.4 is het beroep van eiser gegrond en komt het bestreden besluit II voor vernietiging in aanmerking. De rechtbank ziet geen aanleiding om zelf in de zaak te voorzien of te bepalen dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit (deels) in stand blijven, maar volstaat met de opdracht aan verweerder om opnieuw te beslissen op de bezwaren van eiser, met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen.\n\n13.1.. Aangezien het beroep gegrond wordt verklaard, ziet de rechtbank aanleiding om verweerder ingevolge artikel 8:75 van de Awb in de proceskosten van eiser te veroordelen. Onder toepassing van het Bpb kunnen deze kosten worden begroot op € 837,- in verband met door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.\n\n13.2.. Ten aanzien van de vergoeding van verletkosten waarom eiser verzoekt, overweegt de rechtbank als volgt. Eiser heeft verzocht om vergoeding van verletkosten, als bedoeld in artikel 1, aanhef en onder e, van het Bpb, tot een bedrag van in totaal € 200,-. Als verletkosten komen slechts voor vergoeding in aanmerking de kosten van tijdsverzuim als gevolg van het bijwonen van de zitting en de heen- en terugreis (Nota van Toelichting, Stb. 1993, 763). Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser met de enkele vermelding van een bedrag van in totaal € 200,- aan verletkosten de hoogte van zijn verletkosten onvoldoende met gegevens of bescheiden gestaafd. Gelet hierop ziet de rechtbank aanleiding om de verletkosten van eisers op een forfaitair bedrag vast te stellen (vgl. AbRvS 21 maart 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BV9511). De rechtbank stelt de verletkosten derhalve vast tegen het minimumtarief van € 7,- per uur voor in totaal drie uren in verband met het bijwonen van de zitting op 7 maart 2023. Verder heeft eiser verzocht om vergoeding van de kosten van verschotten, als bedoeld in artikel 1, aanhef en onder f, van het Bbp tot een bedrag van in totaal € 100,-. Naar het oordeel van de rechtbank komen de door eiser opgevoerde kosten van verschotten ingevolge het Bbp niet voor vergoeding in aanmerking nu de daarvoor benodigde specificatie ontbreekt.\n\n13.3.. Hieruit volgt dat het totaal van de voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten van eiser door de rechtbank worden vastgesteld op € 2.532,-.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\nverklaart de beroepen van eiser gegrond en vernietigt de bestreden besluiten I en II van verweerder;\n\nbepaalt dat verweerder opnieuw dient te beslissen op de bezwaren van eiser met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;\n\nveroordeelt verweerder tot vergoeding van de bij eiser in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten in zaaknummer 21\u002F2044 tot een bedrag van € 1.674,-;\n\nveroordeelt verweerder tot vergoeding van de bij eiser in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten in zaaknummer 22\u002F1347 tot een bedrag van € 2.532,-;\n\nbepaalt dat verweerder de door eiser betaalde griffierechten van in totaal € 365,- aan hem dient te vergoeden.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. M.S. van den Berg, rechter, in aanwezigheid van\n\nmr. H.L.A. van Kats als griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op\n\n13 april 2013.\n\ngriffier rechter\n\nRechtsmiddel\n\nTegen de uitspraak op het beroep kan binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.\n\nAls hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.\n\nAfschrift verzonden op:\n\nBijlage\n\nWet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo)\n\nArtikel 2.1\n\n1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit:\n\na. het bouwen van een bouwwerk,\n\nb. het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden, in gevallen waarin dat bij een bestemmingsplan of beheersverordening, (…) is bepaald.\n\nc. het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan of beheersverordening.\n\nArtikel 2.10\n\n1. Voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, wordt de omgevingsvergunning geweigerd indien:\n\n(…)\n\nc. de activiteit in strijd is met het bestemmingsplan, de beheersverordening (…)\n\n(…)\n\n2. In gevallen als bedoeld in het eerste lid, onder c, wordt de aanvraag mede aangemerkt als een aanvraag om een vergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, en wordt de vergunning op de grond, bedoeld in het eerste lid, onder c, slechts geweigerd indien vergunningverlening met toepassing van artikel 2.12 niet mogelijk is.\n\nArtikel 2.12\n\n1. Voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, kan de omgevingsvergunning slechts worden verleend indien de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening en:\n\na. indien de activiteit in strijd is met het bestemmingsplan of de beheersverordening:\n\n(…)\n\n2°.in de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen gevallen (…).\n\nArtikel 3.3\n\n1. Indien de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a of b, houdt het bevoegd gezag, in afwijking van artikel 3.9, eerste lid, onderscheidenlijk artikel 3:18 van de Algemene wet bestuursrecht (https:\u002F\u002Fwetten.overheid.nl\u002Fjci1.3:c:BWBR0005537&artikel=3:18&g=2023-02-15&z=2023-02-15), de beslissing aan, indien er geen grond is de vergunning te weigeren maar voor het gebied waarin de activiteit zal worden verricht vóór de dag van ontvangst van de aanvraag:\n\n(…)\n\nb. een bestemmingsplan in ontwerp ter inzage is gelegd.\n\n(…)\n\n3. In afwijking van het eerste lid, eerste volzin, kan het bevoegd gezag de omgevingsvergunning verlenen, indien de activiteit niet in strijd is met het in voorbereiding zijnde bestemmingsplan.\n\nBesluit omgevingsrecht\n\nBijlage II\n\nArtikel 4\n\nVoor verlening van een omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de wet waarbij met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 2°, van de wet van het bestemmingsplan of de beheersverordening wordt afgeweken, komen in aanmerking:\n\n3. een bouwwerk, geen gebouw zijnde, of een gedeelte van een dergelijk bouwwerk, mits wordt voldaan aan de volgende eisen:\n\na. niet hoger dan 10 m, en\n\nb. de oppervlakte niet meer dan 50 m².\n\nBeheersverordening “Paterswoldsemeer”\n\nArtikel 1nn Landschappelijke waarden\n\nIn de regels van de beheersverordening wordt onder landschappelijke waarden verstaan: de aan een gebied toegekende waarden in verband met de waarneembare verschijningsvorm van dat gebied.\n\nArtikel 5 Agrarisch met waarden\n\n1. De voor Agrarisch met waarden aangewezen gronden zijn bestemd voor:\n\na. de uitoefening van het agrarisch bedrijf;\n\nb. het behoud, herstel en\u002Fof ontwikkeling van de landschappelijke en natuurweten-schappelijke waarden van de gronden. Deze gronden kenmerken zich met name vanwege de openheid in de richting van het meer en de aanwezigheid van weide-vogels. In vochtige weilanden komt pitrus en in de sloten onder meer kranswieren en fonteinkruiden voor. De oeverzones, die voorzien zijn van riet, wilgenbosjes en\u002Fof\n\nandere oevervegetatie, bieden broedgelegenheid voor water- en moerasvogels, zoals fuut, meerkoet en kleine karekiet;\n\nc. waterhuishoudkundige doeleinden, waaronder kaden en dijken mede zijn begrepen;\n\nmet daaraan ondergeschikt:\n\nd. recreatief medegebruik;\n\nmet de daarbij behorende:\n\ne. voet-, fiets- en ruiterpaden;\n\nf. openbare nutsvoorzieningen;\n\ng. water.\n\n(…)\n\n5.a. Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren:\n\n1. het graven, verdiepen, uitbaggeren, dempen of verbreden van sloten, vaarten en naar de aard daarmee gelijk te stellen waterlopen;\n\n2. - 4. (…);\n\n5. het aanbrengen of aanleggen van oppervlakteverhardingen, paden en\u002Fof parkeer-voorzieningen.\n\n5.c. De onder a genoemde vergunning kan slechts worden verleend, mits:\n\n1. geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de landschappelijke en de natuurlijke waarden;\n\n2. geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de waterhuishouding van het gebied en de omliggende percelen, c.q. de gebruiksmogelijkheden daarvan.\n\nArtikel 12 Recreatie - Dagrecreatie\n\n1. De voor Recreatie – Dagrecreatie aangewezen gronden zijn bestemd voor:\n\na. dag- en watersportrecreatie;\n\nmet daaraan ondergeschikte:\n\nb. - f. (…);\n\ng. wegen en paden;\n\nh. parkeervoorzieningen;\n\ni. groenvoorzieningen;\n\nj. - m. (…);\n\nn. water.\n\nHet bestemmingsplan “EHS en recreatieterrein zuidoostzijde Paterswoldsemeer”\n\nArtikel 1aa Recreatief medegebruik\n\nIn de planregels van het bestemmingsplan wordt onder recreatief medegebruik verstaan: die vormen van recreatie die plaats hebben in een gebied met een niet-recreatieve hoofdfunctie waarbij het recreatieve medegebruik ondergeschikt is aan de hoofdfunctie en het hoofgebruik van de bestemming.\n\nArtikel 3 Natuur\n\n1. De voor Natuur aangewezen gronden zijn bestemd voor:\n\na. het behoud, het herstel en\u002Fof de ontwikkeling van de natuurwetenschappelijke en landschappelijke waarden, in het bijzonder gericht op ontwikkeling en instandhouding van een robuuste ecologische verbindingszone (EHS);\n\nb. waterhuishoudkundige doeleinden, waaronder kaden en dijken mede zijn begrepen;\n\nmet daaraan ondergeschikt:\n\nc. recreatief medegebruik en extensief agrarisch medegebruik.\n\n(…)\n\n4.a. Het is verboden zonder of in afwijking van een schriftelijke vergunning de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden uit te voeren, te doen en te laten uitvoeren:\n\n1. het egaliseren en ophogen van gronden anders dan ten behoeve van de ontwikkeling van natuur of in verband met de waterhuishouding.\n\n(…)\n\n4.c. De onder a genoemde vergunning kan slechts worden verleend, mits:\n\n1. geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de landschappelijke, de natuurlijke en de geomorfologische waarden;\n\n2. geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de waterhuishouding van het gebied en de omliggende percelen, c.q. de gebruiksmogelijkheden daarvan.\n\nHet ontwerpbestemmingsplan “Veegplan 2019”\n\nArtikel 9 Verblijfsrecreatie uit te werken\n\nDe bestemming Verblijfsrecreatie-uit te werken wordt gewijzigd in de bestemming Natuur zoals aangegeven op de verbeelding. Deze bestemming Natuur blijft ongewijzigd.","nl","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBNNE:2023:1529","ecli-nl-rbnne-2023-1529",{"courtName":8,"legalDomain":17,"decisionType":18,"procedureType":19},"Bestuursrecht","uitspraak","Uitspraak",[21,32,43,53,61],{"id":22,"ecli":23,"caseNumber":6,"courtId":24,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":26,"language":12,"source":13,"sourceUrl":27,"summary":6,"slug":28,"metadata":29},"410","ECLI:NL:RBLIM:2026:6423",66,"2026-07-08T00:00:00.000Z","RECHTBANK limburg\n\nZittingsplaats Roermond\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: ROE 25 \u002F 2565\n\nuitspraak van de meervoudige kamer van 8 juli 2026 in de zaak tussen\n\n [belanghebbende] , gevestigd te [plaats], belanghebbende\n\n(gemachtigde: M.O.E. Uyen)\n\nen\n\nde heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking Gemeenten en Waterschappen, de heffingsambtenaar (gemachtigde: A. van den Dool).\n\nProcesverloop\n\nDe heffingsambtenaar heeft op grond van de Wet waardering onroerende zaken (Wet woz) de waarde van de onroerende zaken van belanghebbende voor het belastingjaar 2025 vastgesteld (het primaire besluit).\n\nBelanghebbende heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt.\n\nDe heffingsambtenaar heeft het bezwaar van belanghebbende gegrond verklaard (het bestreden besluit). Aan belanghebbende is een proceskostenvergoeding van in totaal € 161,74 toegekend.\n\nBelanghebbende heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.\n\nDe heffingsambtenaar heeft verweer gevoerd.\n\nOp 4 mei 2026, aangevuld op 11 mei 2026, zijn van belanghebbende nadere gronden en stukken ontvangen.\n\nHet onderzoek ter zitting heeft vervolgens plaatsgevonden op 15 mei 2026. Belanghebbende heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. L.H.G.M. Driessen, kantoorgenote van haar gemachtigde bij Previcus B.V. te Boxmeer. De heffingsambtenaar heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.\n\nOverwegingen\n\n1. De rechtbank stelt vast dat de woz-waarde tussen partijen niet meer in geschil is. Het beroep van belanghebbende richt zich enkel tegen de toegekende proceskostenvergoeding en spitst zich toe op de vraag of de heffingsambtenaar bij de vaststelling van de proceskostenvergoeding in bezwaar toepassing heeft mogen geven aan de vermenigvuldigingsfactor 0,125 van artikel 30a, eerste lid, van de Wet woz, zoals dit artikellid luidt met ingang van 1 januari 2025.\n\n2. De heffingsambtenaar heeft in het bestreden besluit de proceskostenvergoeding van € 161,74 als volgt gespecificeerd:\n\n- indienen bezwaarschrift: 1 punt x waarde per punt € 647,- x factor 0,125 = € 80,87 +\n\n- bijwonen hoorzitting: 1 punt x waarde per punt € 647,- x factor 0,125 = € 80,87 = € 161,74.\n\n3. Belanghebbende vindt dat de heffingsambtenaar een te lage proceskostenvergoeding heeft toegekend. Zij verzoekt de rechtbank om artikel 30a van de Wet woz buiten toepassing te laten, omdat haar gemachtigde een bijzonder geval is als bedoeld in het zogenoemde 30a-arrest van de Hoge Raad van 17 januari 2025 (ECLI:NL:HR:2025:46).\n\n4. In het 30a-arrest heeft de Hoge Raad geoordeeld dat bijzondere gevallen zich onderscheiden doordat zij niet voldoen aan de volgende kenmerken: dat aan de belanghebbende rechtsbijstand wordt verleend door een beroepsmatig optredende gemachtigde, dan wel een kantoor, waarvan het bedrijfsmodel eruit bestaat dat\n\n( i) wordt opgetreden op basis van no cure no pay,\n\n(ii) daarbij zodanige afspraken met de cliënten worden gemaakt dat het bedrag van eventuele proceskostenvergoedingen aan de gemachtigde of aan het kantoor wordt afgedragen, en\n\n(iii) de procedures op een zodanige wijze worden gevoerd dat de daarin toegekende proceskostenvergoedingen de in redelijkheid gemaakte kosten ver overtreffen.\n\n5. De daarbij te hanteren regels zijn nader uitgewerkt in de arresten van de Hoge Raad van 25 april 2025 (ECLI:NL:HR:2025:670) en 18 juli 2025 (ECLI:NL:HR:2025:1175).\n\n5.1.. Volgens de Hoge Raad rusten op de belanghebbende de stelplicht en bewijslast van feiten die meebrengen dat buiten redelijke twijfel komt vast te staan dat, beoordeelt naar de situatie op het moment waarop het desbetreffende rechtsmiddel is aangewend, het bedrijfsmodel van de betreffende gemachtigde of diens kantoor kennelijk niet allehiervoor bedoelde drie kenmerken heeft en dat aldus sprake is van een bijzonder geval. Er is dus (al) sprake van een bijzonder geval als één van de drie kenmerken niet van toepassing is.\n\n5.2.. Bij de beoordeling van het bedrijfsmodel gaat het niet specifiek om de werkzaamheden die de gemachtigde heeft verricht in de procedure waarop de proceskostenvergoeding ziet. Met het bedrijfsmodel is namelijk meer in het algemeen de wijze bedoeld waarop de gemachtigde zijn inkomsten verwerft met het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand.\n\n5.3.. Indien het bedrijfsmodel van een gemachtigde of een kantoor inhoudt dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay (i), of op een grondslag die daarmee in wezen overeenkomt en daarmee dus op één lijn kan worden gesteld, en dat daarbij afspraken met de cliënten worden gemaakt als hiervoor onder (ii) bedoeld, zal aldus moeten worden beoordeeld of dit bedrijfsmodel voldoet aan het hiervoor onder (iii) vermelde kenmerk van vergaande overdekking. Daartoe moet een vergelijking worden gemaakt tussen enerzijds het totale bedrag aan proceskostenvergoedingen dat aan de gemachtigde of aan het kantoor wordt afgedragen, en anderzijds het totale bedrag van de kosten van de gemachtigde of van het kantoor die kunnen worden toegerekend aan het voeren van de procedures waarop die proceskostenvergoedingen betrekking hebben. Het komt dus erop aan of het totale bedrag van de afgedragen proceskostenvergoedingen het totale bedrag van de zojuist bedoelde kosten verre overtreft. De omstandigheid dat vaak geheel of ten dele gebruik wordt gemaakt van gestandaardiseerde tekstblokken die niet zijn toegespitst op de desbetreffende zaak, vormt een aanwijzing dat het bedrijfsmodel wel het derde kenmerk van vergaande overdekking heeft, en zal daarom in het algemeen volstaan om aan te nemen dat de belanghebbende niet in dit door hem te leveren bewijs is geslaagd.\n\n6. In het arrest van 26 september 2025 (ECLI:NL:HR:2025:1375) heeft de Hoge Raad nader uitgewerkt wanneer sprake is van een bedrijfsmodel dat eruit bestaat dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay (i). Bij optreden op basis van no cure no pay moet worden uitgegaan van afspraken tussen de belanghebbende en de rechtsbijstandverlener op grond waarvan de belanghebbende geen financieel risico loopt bij inschakeling van de rechtsbijstandverlener, omdat geen instapvergoeding verschuldigd is noch een percentage van de bespaarde belasting als vergoeding moet worden afgestaan (zie Kamerstukken II 2023\u002F24, 36 427, nr. 3, blz. 2). Bij de beoordeling van de vraag of het bedrijfsmodel van een beroepsmatig optredende gemachtigde, dan wel een kantoor, eruit bestaat dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay, komt het dus erop aan of die gemachtigde dan wel diens kantoor afspraken maakt met klanten op grond waarvan zij geen financieel risico lopen bij het verstrekken van de opdracht tot het verlenen van rechtsbijstand in een belastingprocedure. De verschuldigdheid van een instapvergoeding staat niet in alle gevallen eraan in de weg dat afspraken met een rechtsbijstandsverlener worden aangemerkt als afspraken op basis van no cure no pay. Onder het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand op basis van no cure no pay wordt namelijk ook begrepen het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand op een grondslag die daarmee in wezen overeenkomt en daarmee dus op één lijn kan worden gesteld. Dan moet worden gedacht aan de betaling van een zodanig laag bedrag dat die betaling als een pro forma of symbolische bijdrage moet worden beschouwd.\n\n7. De rechtbank stelt vast dat de gemachtigde van belanghebbende in deze zaak niet heeft bestreden dat haar bedrijfsmodel de hiervoor onder (ii) en (iii) vermelde kenmerken heeft.\n\n8. Belanghebbende bestrijdt dat het bedrijfsmodel van haar gemachtigde ten tijde van het instellen van bezwaar (en beroep) eruit bestaat dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay (i). Hiertoe heeft de gemachtigde verwezen naar een beschrijving van haar per 1 januari 2025 gewijzigde bedrijfsmodel (“Bijzonder geval: bedrijfsmodel Previcus en artikel 30a Wet WOZ”).\n\n8.1.. Volgens die beschrijving is de werkwijze met ingang van 1 januari 2025 fundamenteel gewijzigd. Het aantal dossiers is vanaf 2025 aanzienlijk afgenomen van 128.000 zaken naar circa 1.291 zaken. De zaken worden (vrijwel) niet meer op basis van no cure no pay uitgevoerd, maar volgens een regulier model waarin een cliënt, ongeacht de uitkomst van de zaak, een vaste startvergoeding betaalt (doorgaans gebaseerd op het aantal aanslagbiljetten) en\u002Fof een deel van de gerealiseerde besparing afdraagt (in bijna alle gevallen 40% van de besparing). De vóór 2025 aangebrachte zaken worden nog op basis van no cure no pay uitgevoerd. Bovendien worden vanaf 2025 alle aanslagbiljetten op voorhand gescreend en worden enkel de zaken doorgezet waarbij op voorhand onvoldoende duidelijk is dat er geen fouten zijn gemaakt. Er is, aldus de beschrijving, geen sprake meer van een grote massa waar de wetswijziging (Wet herwaardering proceskostenvergoeding WOZ en Bpm) op zag. De gemachtigde richt zich voortaan op de zakelijke markt, waarbij vrijwel altijd ook prijsafspraken met belanghebbenden worden gemaakt die losstaan van eventueel toegekende proceskostenvergoedingen.\n\n8.2.. De gemachtigde heeft de prijsafspraken over 2025 als volgt in een overzicht opgenomen.\n\n8.3.. De vermelding in de volmacht dat de vergoeding voor de werkzaamheden uitsluitend het totaal van de proceskostenvergoedingen bedraagt, klopt, aldus de beschrijving, niet meer. De onderliggende overeenkomsten bepalen dat cliënten zelf vergoedingen verschuldigd zijn. De proceskostenvergoeding speelt daarin nog slechts een kleine aanvullende rol.\n\n9. Op 4 mei 2026 heeft de gemachtigde van belanghebbende de facturen en betaalbewijzen in een groot aantal zaken, waarin zij als gemachtigde optreedt, ingezonden. Op 11 mei 2026 is daarvan een overzicht overgelegd. Die stukken bevestigen het beeld dat de beschrijving van het bedrijfsmodel geeft. Uit de facturen en betaalbewijzen blijkt namelijk dat de gemachtigde van een groot deel van haar cliënten een “besparingsfee” van minimaal 30% van de eventuele belastingbesparing vraagt, zij die “besparingsfee” aan haar cliënten factureert en die “besparingsfee” vervolgens ook door de cliënten wordt betaald.\n\n10. Daarnaast komt uit de facturen en betaalbewijzen naar voren dat de meeste cliënten (bovenop de “besparingsfee”) tevens een (in hoogte variërende) “startfee” zijn verschuldigd. Op zitting heeft de gemachtigde toegelicht dat, indien overeengekomen, de “startfee” altijd wordt gefactureerd en betaald. Dat dit niet in alle gevallen gebeurt blijkt uit de overgelegde facturen en betaalbewijzen, en komt, aldus de gemachtigde, doordat de “startfee”, die ongeacht de uitkomst is verschuldigd, in die gevallen eerder is gefactureerd en betaald. Dat is anders bij de “besparingsfee”, die niet eerder dan na het nemen van het bestreden besluit in rekening kan worden gebracht, omdat dan pas de (hoogte van de) besparing duidelijk is.\n\n11. De heffingsambtenaar heeft zich ter zitting op het standpunt gesteld dat het pas op 4 mei 2026 door de gemachtigde van belanghebbende indienen van facturen en betaalbewijzen (die op 6 mei 2026 door de rechtbank zijn vrijgegeven), die al in 2025 beschikbaar waren, in strijd is met een goede procesorde. De rechtbank overweegt dat partijen in beginsel vrij zijn om gedurende de procedure hun standpunten aan te vullen. Die vrijheid wordt echter begrensd door de beginselen van de goede procesorde. Hoewel de late indiening van reeds voorhanden zijnde stukken niet de schoonheidsprijs verdient, ziet de rechtbank hierin geen grond om die stukken vanwege strijd met een goede procesorde buiten beschouwing te laten. Hiertoe acht de rechtbank van belang dat de stukken een onderbouwing vormen van een eerder door de gemachtigde ingenomen standpunt, een reactie zijn op het verweerschrift en dat de aard en de omvang van de stukken niet zodanig zijn dat van de heffingsambtenaar om adequaat hierop te kunnen reageren een nader diepgaand (feiten)onderzoek wordt gevergd. De inhoudelijke reactie van de heffingsambtenaar op de stukken in de pleitnota bevestigen dit oordeel.\n\n12. De rechtbank stelt voorop dat voor haar de facturen en de betaalbewijzen leidend zijn voor de beoordeling van de vraag of kenmerk (i) op de gemachtigde van belanghebbende van toepassing is. Naar het oordeel van de rechtbank zijn (alleen) die stukken, en niet (ook) de overeenkomst, de website en de algemene voorwaarden van de gemachtigde (op 9 februari 2025), waarvan gesteld is dat die op dat moment nog niet in overeenstemming met het gewijzigde bedrijfsmodel waren gebracht, relevant voor de vraag of sprake is van een bedrijfsmodel op basis van no cure no pay. Omdat het bedrijfsmodel van de gemachtigde (en niet de vergoedingen in de aan de rechtbank voorliggende zaken) moet worden beoordeeld, blijft die beoordeling, anders dan de heffingsambtenaar stelt, niet beperkt tot de gemeenten binnen het ambtsgebied van de heffingsambtenaar. Daaruit volgt ook dat op grond van het (incidenteel) ontbreken van facturen en betaalbewijzen in aan de rechtbank voorliggende zaken niet zonder meer kan worden geconcludeerd dat kenmerk (i) op het bedrijfsmodel van de gemachtigde van toepassing is.\n\n13. De rechtbank is van oordeel dat met voldoende gegevens is onderbouwd dat de gemachtigde in 2025 voor een groot deel van de procedures een “besparingsfee” in rekening heeft gebracht. Door het betalen van een “besparingsfee” loopt een belanghebbende bij de inschakeling een gemachtigde voor het voeren van een procedure een financieel risico (zie hiervoor het arrest van de Hoge Raad van 26 september 2025). Deze door de gemachtigde gevraagde vergoeding (van 30-40%) acht de rechtbank, nog daargelaten dat de Hoge Raad dat enkel ten aanzien van “instapvergoedingen” heeft geoordeeld, ook niet dusdanig laag dat kan worden gesproken van rechtsbijstandverlening op een grondslag die in wezen overeenkomt met rechtsbijstandverlening op basis van no cure no pay. Op grond van het vorenstaande heeft belanghebbende, naar het oordeel van de rechtbank, buiten redelijke twijfel bewezen dat het bedrijfsmodel van de gemachtigde ten tijde van het instellen van bezwaar niet het kenmerk van optreden op basis van no cure no pay heeft (i). Daaraan doet niet af dat een belanghebbende vooraf ermee heeft ingestemd dat een eventuele vergoeding van proceskosten aan de gemachtigde toekomt. Dat geldt ook voor het ontbreken van facturen en betaalbewijzen van op een eerder moment in rekening gebrachte “startfees” en de door de heffingsambtenaar gestelde inconsistenties in de hoogte hiervan.\n\n14. Uit het vorenstaande volgt dat sprake is van een bijzonder geval en de heffingsambtenaar ten onrechte toepassing heeft gegeven aan artikel 30a, eerste lid, van de Wet woz.\n\n15. Dit betekent dat het beroep van belanghebbende gegrond is. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit voor zover dat ziet op de toegekende proceskostenvergoeding en bepaalt met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht de proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase op € 1.332,- (2 x € 666,-).\n\n16. Aan het standpunt van belanghebbende dat aan het bestreden besluit een motiveringsgebrek kleeft, wordt niet toegekomen.\n\n17. Omdat het beroep gegrond is, moet de heffingsambtenaar het griffierecht aan belanghebbende vergoeden.\n\n18. De rechtbank acht termen aanwezig om de heffingsambtenaar te veroordelen in de proceskosten die belanghebbende redelijkerwijs heeft moeten maken in verband met de behandeling van het beroep, een en ander eveneens overeenkomstig de normen van het Besluit proceskosten bestuursrecht. Aan belanghebbende is door een derde beroepsmatig rechtsbijstand verleend. Voor de in aanmerking te nemen proceshandelingen worden 2 punten (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen op zitting met een waarde van € 934,- per punt) toegekend. De rechtbank bepaalt in overeenstemming met het Richtsnoer proceskostenvergoeding belastingkamers gerechtshoven 2024 (neergelegd in de uitspraak van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 7 augustus 2024, ECLI:NL:GHSHE:2024:2524) de wegingsfactor op 0,5. Gelet hierop bedraagt het vanwege de in deze zaak verleende rechtsbijstand te vergoeden bedrag in totaal € 934,-.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep gegrond;\n\n- vernietigt het bestreden besluit voor zover dat ziet op de toegekende proceskostenvergoeding, stelt de proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase vast op € 1.332,- en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;\n\n- draagt de heffingsambtenaar op het betaalde griffierecht van € 385,- aan belanghebbende te vergoeden;\n\n- veroordeelt de heffingsambtenaar in de proceskosten van belanghebbende wegens verleende rechtsbijstand in beroep tot een bedrag van € 934,-.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. B.F.A. van Huijgevoort, voorzitter, en mrs. E.P.J. Rutten en J.H. van Hoof leden, in aanwezigheid van mr. D.D.R.H. Lechanteur, griffier.De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 8 juli 2026.\n\ngriffier rechter\n\nAfschrift verzonden aan partijen op: 8 juli 2026.\n\nRechtsmiddel\n\nTegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof ’s-Hertogenbosch (belastingkamer).\n\nU kunt digitaal beroep instellen via www.rechtspraak.nl. Daar klikt u op “Formulieren en inloggen”. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ’s-Hertogenbosch (belastingkamer).\n\nBij het instellen van het hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:\n\n1. bij het hogerberoepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;\n\n2 - het hogerberoepschrift moet, indien het op papier wordt ingediend, ondertekend zijn. Verder moet het ten minste het volgende vermelden:\n\na. de naam en het adres van de indiener;\n\nb. de datum van verzending;\n\nc. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;\n\nd. de redenen waarom u het niet eens bent met de uitspraak (de gronden van het hoger beroep).","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBLIM:2026:6423","ecli-nl-rblim-2026-6423",{"courtName":30,"legalDomain":31,"decisionType":18,"procedureType":19},"Roermond","Bestuursrecht; Belastingrecht",{"id":33,"ecli":34,"caseNumber":35,"courtId":36,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":37,"language":38,"source":39,"sourceUrl":6,"summary":40,"slug":41,"metadata":42},"85","ECLI:RO:2026:JudecatoriaSECTORUL5BUCURESTI:17050-302-2025-a1","17050\u002F302\u002F2025\u002Fa1",97,"Admite cererea de îndreptare a erorii materiale din cuprinsul sentin?ei civile nr. 2484\u002F06.03.2026, pronunţată de Judecătoria Sectorului 5 Bucure?ti în dosar nr. 17050\u002F302\u002F2025, formulată din oficiu.       \nDispune îndreptarea erorii materiale strecurată în cuprinsul sentin?ei civile nr. 2484\u002F06.03.2026 pronun?ată în cadrul dosarului nr. 17050\u002F302\u002F2025, în sensul re?inerii că pârâtul Vasile Constantin are codul numeric personal ............, iar nu ............., astfel cum în mod eronat s-a consemnat.   \nPrezenta încheiere face parte integrantă din cuprinsul sentin?ei civile nr. 2484\u002F06.03.2026 pronun?ată în cadrul dosarului nr. 17050\u002F302\u002F2025.   \nÎndreptarea se va efectua în toate exemplarele sentin?ei.\n\tCu drept de apel în 30 de zile de la comunicare. Cererea de apel se va depune la Judecătoria Sectorului 5 Bucure?ti.   \n\tPronun?ată prin punerea solu?iei la dispozi?ia păr?ilor prin intermediul grefei instan?ei, astăzi, 08.07.2026.\n","ro","portalquery_ro","Admite cererea","ecli-ro-2026-judecatoriasectorul5bucuresti-17050-302-2025-a1",null,{"id":44,"ecli":45,"caseNumber":6,"courtId":46,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":47,"language":12,"source":13,"sourceUrl":48,"summary":6,"slug":49,"metadata":50},"296","ECLI:NL:GHDHA:2026:2250",58,"Rolnummer: 22-001978-23\n\nParketnummer: 10-066729-23\n\nDatum uitspraak: 8 juli 2026\n\nTEGENSPRAAK\n\nArrestvan de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Den Haag gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 28 juni 2023 in de strafzaak tegen de verdachte:\n\n [verdachte],\n\ngeboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2002,\n\nBRP-adres: [BRP-adres] , [woonplaats] .\n\nOnderzoek van de zaak\n\nDit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof.\n\nHet hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.\n\nProcesgang\n\nIn eerste aanleg is de verdachte van het onder 1 tenlastegelegde vrijgesproken en ter zake van het onder 2 en 3 tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 120 dagen, met aftrek van voorarrest, waarvan 73 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren. Voorts is beslist op de vorderingen van de benadeelde partijen, zoals nader omschreven in het vonnis waarvan beroep.\n\nNamens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.\n\nOmvang van het hoger beroep\n\nDe verdachte is door de rechtbank Rotterdam vrijgesproken van hetgeen aan hem onder 1 is tenlastegelegd. Het hoger beroep is door de verdachte onbeperkt ingesteld en is derhalve mede gericht tegen de in eerste aanleg gegeven beslissing tot vrijspraak. Gelet op hetgeen is bepaald in artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering staat voor de verdachte tegen deze beslissing geen hoger beroep open. Het hof zal de verdachte mitsdien niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep gegeven vrijspraak.\n\nWaar hierna wordt gesproken van \"de zaak\" of \"het vonnis\", wordt daarmee bedoeld de zaak of het vonnis voor zover op grond van het vorenstaande aan het oordeel van dit hof onderworpen.\n\nTenlastelegging\n\nAan de verdachte is – voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen – tenlastegelegd dat:\n\n2. hij op of omstreeks 01 januari 2023 te 's-Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard, openlijk, te weten, op of aan de Smidsweg en\u002Fof de Langestraat, in elk geval op of aan (een) openbare weg(en), in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een of meer verbalisanten van de politie Eenheid Rotterdam, te weten [hoofdagent] (hoofdagent) en\u002Fof [aspirant] (aspirant) en\u002Fof één of meer verbalisanten, zijnde groepsleden van de Mobiele Eenheid van politie Eenheid Rotterdam, te weten [verbalisant 1] en\u002Fof [verbalisant 2] en\u002Fof [verbalisant 3] en\u002Fof [verbalisant 4] en\u002Fof [verbalisant 5] en\u002Fof [verbalisant 6] en\u002Fof [verbalisant 7] en\u002Fof [verbalisant 8] en\u002Fof [verbalisant 9] en\u002Fof [verbalisant 10] en\u002Fof [verbalisant 11] en\u002Fof [verbalisant 12] en\u002Fof [verbalisant 13] en\u002Fof [verbalisant 14] en\u002Fof [verbalisant 15] en\u002Fof [verbalisant 16] en\u002Fof [verbalisant 17] en\u002Fof [verbalisant 18] en\u002Fof [verbalisant 19] en\u002Fof [verbalisant 20] , althans een of meer (andere) verbalisanten door\n\n- één of meer stuks zwaar (illegaal) vuurwerk (betreffende onder meer: cobra's \u002F nitraten \u002F shells) en\u002Fof vuurwerkbommen op\u002Ftegen, althans in de richting van\u002Fnaar voornoemde verbalisanten af te schieten en\u002Fof te gooien, waarbij voornoemd(e) vuurwerk\u002Fvuurwerkbommen vlakbij\u002Fnaast het\u002Fde lichamen en\u002Fof het\u002Fde hoofden\u002Fgezichten van voornoemde verbalisanten tot ontploffing is\u002Fzijn gekomen en\u002Fof\n\n- ( met kracht) één of meer stenen en\u002Fof glaswerk op\u002Ftegen, althans in de richting van voornoemde verbalisanten te gooien en\u002Fof\n\n- ( dreigend) zich op te dringen aan voornoemde ambtenaren en\u002Fof\n\n- ( daarbij) (dreigend) een of meerdere ploertendoders, althans slagvoorwerpen, aan voornoemde ambtenaren te tonen\u002Fvoor te houden en\u002Fof\n\n- ( daarbij) aan die [aspirant] en\u002Fof [hoofdagent] en\u002Fof een of meer (andere) verbalisanten de weg te versperren, althans de doorgang te beletten en\u002Fof (daarbij) te verhinderen dat die [aspirant] en\u002Fof [hoofdagent] en\u002Fof anderen met\u002Fin een (politie)voertuig weg konden rijden en\u002Fof\n\n- naar\u002Fin de richting van voornoemde ambtenaren te schelden, met de woorden: \"Kankerlijers\", \"Kanker op joh\" en\u002Fof \"Kankerpolitie\" en\u002Fof\n\n- ( met kracht) op\u002Ftegen het (politie)schild van die [verbalisant 2] te trappen\u002Fschoppen;\n\n3. hij op of omstreeks 31 december 2022 te 's-Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard opzettelijk en wederrechtelijk een vuilnisbak\u002Fprullenbak, in elk geval enig goed, dat\u002Fdie geheel of ten dele aan Gemeente Hoeksche Waard, in elk geval aan een ander dan aan verdachte toebehoorde(n) heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt.\n\nVordering van de advocaat-generaal\n\nDe advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de bewezenverklaring zal worden bevestigd en dat de verdachte ter zake van het onder 2 en 3 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 107 dagen, met aftrek van voorarrest, waarvan 60 dagen voorwaardelijk en met een proeftijd van 2 jaren.\n\nHet vonnis waarvan beroep\n\nHet vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.\n\nVrijspraak\n\nDe advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het onder 2 tenlastegelegde wettig en overtuigend kan worden bewezenverklaard, nu de verdachte met zijn handelen een bijdrage van voldoende gewicht heeft geleverd aan het openlijk geweld tegen de desbetreffende verbalisanten. Zo heeft de verdachte voorafgaand aan de jaarwisseling deel genomen aan een WhatsApp-groep waarin werd gesproken over het voornemen onrust te veroorzaken ten tijde van de jaarwisseling. Voorts heeft de verdachte in de nacht van de jaarwisseling – nadat hij door leden van de Mobiele Eenheid (ME) was ingesloten –op zijn telefoon een video-opname gemaakt waarin er samen met medeverdachte [medeverdachte] (hierna: [medeverdachte] ) wordt gepraat over het doodschoppen van een ME’er. Vijftien minuten nadat hij deze video had opgenomen, is [medeverdachte] aangehouden voor het schoppen tegen het schild van een ME’er.\n\nHet hof overweegt als volgt.\n\nHet hof stelt voorop dat van het \"in vereniging\" plegen van geweld sprake is, indien de betrokkene een voldoende significante of wezenlijke bijdrage levert aan het geweld, zij het dat deze bijdrage zelf niet van gewelddadige aard hoeft te zijn. De enkele omstandigheid dat iemand aanwezig is in een groep die openlijk geweld pleegt is niet zonder meer voldoende om hem te kunnen aanmerken als iemand die \"in vereniging\" geweld pleegt. Beoordeeld zal moeten worden of de door de verdachte geleverde – intellectuele en\u002Fof materiële – bijdrage aan het delict van voldoende gewicht is.\n\nMet de advocaat-generaal en de verdediging is het hof van oordeel dat op grond van het verhandelde ter terechtzitting niet kan worden bewezen dat de verdachte omstreeks de jaarwisseling geweld heeft gebruikt jegens de verbalisanten, zoals het gooien met stenen of vuurwerk. Het hof is voorts van oordeel dat evenmin bewezen kan worden dat de verdachte op enige wijze geweldshandelingen die door andere personen zijn gepleegd heeft ondersteund of anderszins heeft bijgedragen aan het ontstaan of het voortduren van het geweld jegens de verbalisanten. Het hof neemt hierbij in aanmerking dat [medeverdachte] bij de raadsheer-commissaris als getuige is gehoord en heeft verklaard dat hetgeen de verdachte in de video-opname heeft gezegd, los stond van zijn handelen daarna en dat de verdachte niet in de buurt was toen [medeverdachte] tegen het schild van verbalisant [verbalisant 2] aan schopte. De enkele aanwezigheid in de groep die door de politie\u002FME was ingesloten en het feit dat de verdachte deel uit maakte van een WhatsApp-groep acht het hof evenmin een bijdrage van voldoende gewicht. Gelet op het voorgaande is niet vast komen te staan dat de verdachte een voldoende significante of wezenlijke bijdrage heeft geleverd aan het tenlastegelegde geweld tegen de desbetreffende verbalisanten, zodat het ten laste gelegde niet kan worden bewezen en de verdachte daarvan zal worden vrijgesproken.\n\nBewezenverklaring\n\nHet hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 3 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:\n\n3. hij op of omstreeks31 december 2022 te 's-Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard opzettelijk en wederrechtelijk eenvuilnisbak\u002Fprullenbak, in elk geval enig goed,dat\u002Fdiegeheel of ten deleaan Gemeente Hoeksche Waard, in elk geval aan een ander dan aan verdachtetoebehoorde(n)heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt;.\n\nHetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.\n\nBewijsvoering\n\nHet hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.\n\nIn die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.\n\nStrafbaarheid van het bewezenverklaarde\n\nHet onder 3 bewezenverklaarde levert op\n\nopzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen.\n\nStrafbaarheid van de verdachte\n\nEr is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.\n\nStrafmotivering\n\nHet hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.\n\nDaarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.\n\nDe verdachte heeft zich op oudejaarsavond schuldig gemaakt aan vernieling van een prullenbak door hierop zwaar vuurwerk tot ontploffing te brengen. Een dergelijk feit is gevaarzettend en geschikt om gevoelens van angst en onveiligheid in de maatschappij teweeg te brengen. De verdachte heeft met zijn handelen de gemeente en daarmee de gemeenschap financiële schade berokkend en hij heeft hiermee overlast veroorzaakt.\n\nHet hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie van 1 juni 2026, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder voor een vergelijkbaar feit is veroordeeld.\n\nTen aanzien van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) overweegt het hof dat deze is aangevangen op 6 maart 2023. In eerste aanleg is de redelijke termijn niet overschreden. Het hof stelt vast dat de behandeling van de zaak in hoger beroep niet heeft plaatsgevonden binnen de daartoe gestelde redelijke termijn,. Namens de verdachte is immers op 4 juli 2023 hoger beroep ingesteld en het hof wijst op 8 juli 2026 eindarrest. De redelijke termijn van de berechting in hoger beroep is derhalve met meer dan één jaar overschreden. Het hof ziet, ook gelet op de duur van de procedure als geheel, aanleiding te volstaan met de constatering van dit verzuim, gelet op de gekozen strafmodaliteit en de hoogte van de op te leggen straf.\n\nHet hof is – alles afwegende – van oordeel dat een onvoorwaardelijke taakstraf van na te melden duur een passende en geboden reactie vormt. Anders dan de verdediging heeft bepleit acht het hof een geldboete, gelet op de context waarin en de wijze waarop de vernieling plaatsvond – tijdens de jaarwisseling en met (illegaal) vuurwerk – niet passend. Evenmin zal om die reden toepassing worden gegeven aan het bepaalde in artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht.\n\nVorderingen tot schadevergoeding\n\nIn het onderhavige strafproces hebben tweeëntwintig verbalisanten zich als benadeelde partij gevoegd ter zake van het onder 2 ten laste gelegde. De benadeelde partijen [verbalisant 17] , [verbalisant 12] , [verbalisant 8] , [verbalisant 9] , [verbalisant 19] , [verbalisant 20] , [verbalisant 18] , [verbalisant 15] , [verbalisant 10] , [verbalisant 4] , [verbalisant 1] , [verbalisant 16] , [verbalisant 3] , [aspirant] , [verbalisant 7] , [hoofdagent] , [verbalisant 14] , [verbalisant 5] en [verbalisant 6] vorderen per persoon een vergoeding van € 350,00 aan immateriële schade. De benadeelde partijen [verbalisant 13] en [verbalisant 11] vorderen per persoon een vergoeding van € 400,00 aan immateriële schade en de benadeelde partij [verbalisant 2] vordert een vergoeding van € 750,00 aan immateriële schade.\n\nNu de verdachte ter zake van het onder 2 tenlastegelegde wordt vrijgesproken, zullen de benadeelde partijen niet-ontvankelijk worden verklaard in hun vordering.\n\nGelet daarop zullen de benadeelde partijen worden veroordeeld in de kosten die de verdachte tot aan deze uitspraak in verband met de verdediging tegen die vorderingen heeft moeten maken, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil.\n\nToepasselijke wettelijke voorschriften\n\nHet hof heeft gelet op de artikelen 9, 22c, 22d en 350 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.\n\nBESLISSING\n\nHet hof:\n\nVerklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder 1 tenlastegelegde.\n\nVernietigt het vonnis waarvan beroep voor zover thans aan het oordeel van het hof onderworpen en doet in zoverre opnieuw recht:\n\nVerklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 2 tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.\n\nVerklaart, zoals hiervoor overwogen, bewezen dat de verdachte het onder 3 tenlastegelegde heeft begaan.\n\nVerklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.\n\nVerklaart het onder 3 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.\n\nVeroordeelt de verdachte tot een taakstrafvoor de duur van60 (zestig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door30 (dertig) dagen hechtenis.\n\nBeveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van 2 uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.\n\nVordering van de benadeelde partijen:\n\n- [verbalisant 17] ,\n\n- [verbalisant 12] ,\n\n- [verbalisant 13] ,\n\n- [verbalisant 8] ,\n\n- [verbalisant 9] ,\n\n- [verbalisant 19] ,\n\n- [verbalisant 20] ,\n\n- [verbalisant 11]\n\n- [verbalisant 18] ,\n\n- [verbalisant 15] ,\n\n- [verbalisant 10] ,\n\n- [verbalisant 4] ,\n\n- [verbalisant 1] ,\n\n- [verbalisant 16] ,\n\n- [verbalisant 3] ,\n\n- [verbalisant 2]\n\n- [aspirant] ,\n\n- [verbalisant 7] ,\n\n- [hoofdagent] ,\n\n- [verbalisant 14] ,\n\n- [verbalisant 5] , en\n\n- [verbalisant 6]\n\nVerklaart de hiervoor genoemde benadeelde partijen telkens niet-ontvankelijk in hun vordering tot schadevergoeding.\n\nVeroordeelt de hiervoor genoemde benadeelde partijen telkens in de door verdachte gemaakte kosten en begroot deze telkens op nihil.\n\nDit arrest is gewezen door mr. F.W. Pieters, als voorzitter, mr. E.C. van Veen en mr. M.C. Bruining, leden, in bijzijn van de griffier mr. V.V. de Lange.\n\nHet is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 8 juli 2026.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHDHA:2026:2250","ecli-nl-ghdha-2026-2250",{"courtName":51,"legalDomain":52,"decisionType":18,"procedureType":19},"Den Haag","Strafrecht",{"id":54,"ecli":55,"caseNumber":6,"courtId":7,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":56,"language":12,"source":13,"sourceUrl":57,"summary":6,"slug":58,"metadata":59},"348","ECLI:NL:RBDHA:2026:18721","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Groningen\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL26.20806\n uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n \n [naam], eiseres,\n\nV-nummer: [v-nummer:],\n\n(gemachtigde: mr. I.M. Zuidhoek),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, de minister.\n\nInleiding\n\n1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 7 april 2026 niet in behandeling genomen omdat daarvoor Frankrijk verantwoordelijk is.\n\n1.1.. De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiseres. Zij doet dat mede aan de hand van de argumenten die eiseres heeft aangevoerd, de beroepsgronden.\n\n3. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiseres ongelijk krijgt en het bestreden besluit in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nToepasselijk recht\n\n4. Op deze zaak is het recht van toepassing dat gold vóór 12 juni 2026.\n\nTotstandkoming van het besluit\n\n5. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening.Op grond van de Dublinverordening neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.In dit geval heeft Nederland bij Frankrijk een verzoek om terugname gedaan. Frankrijk heeft dit verzoek aanvaard.\n\nMag de minister ten opzichte van Frankrijk uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel?\n\n6. Eiseres stelt zich op het standpunt dat er in Frankrijk voor haar een onveilige situatie zal optreden. Dit is het gevolg van de aanwezigheid van veel Libanezen in Frankrijk, waaronder ook de familie van haar moeder die haar eerder al bedreigde. Bovendien heeft eiseres in Nederland een community gevonden waar zij zich veilig bij voelt en in Frankrijk heeft zij niemand, dit is voor haar een angstaanjagend vooruitzicht. Dit terwijl in Nederland er een sterke en diverse LHBT-gemeenschap is waar zij zich veilig voelt. Volgens eiseres is er in Frankrijk bovendien nog steeds een groot probleem met betrekking tot de opvang van asielzoekers. Ze verwijst naar het AIDA-rapport over Frankrijk, update 2024.Er is een tekort aan opvangplekken en eiseres loopt bij terugkeer een reëel risico om in een situatie van materiële deprivatie terecht te komen. Volgens eiseres is het bestreden besluit niet zorgvuldig voorbereid en berust het evenmin op een deugdelijke motivering.\n\n6.1.. De beroepsgrond slaagt niet. Naar het oordeel van de rechtbank mag de minister ten aanzien van Frankrijk uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. De Afdelingheeft meermaals bevestigd dat ten aanzien van Frankrijk in algemene zin kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Hierbij is ook het AIDA rapport, update 2024, betrokken. De rechtbank overweegt ambtshalve dat ook het recente AIDA rapport, update 2025, geen wezenlijk ander beeld geeft van de opvangvoorzieningen in Frankrijk dan de informatie die is betrokken door de Afdeling in eerdere uitspraken.\n\n6.2.. Uit de AIDA rapporten blijkt niet dat sprake is van structurele tekortkomingen in de opvang of asielprocedure, ook niet ten aanzien van de LHTBI-gemeenschap. Eiseres heeft bovendien niet aannemelijk gemaakt dat zij bij overdracht aan Frankrijk persoonlijk geen opvang, rechtsbescherming of toegang tot de procedure zal krijgen. Eiseres heeft niet eerder een asielaanvraag in Frankrijk ingediend waardoor zij geen persoonlijke ervaring heeft met de kwaliteit van de asielprocedure en de opvangvoorzieningen in Frankrijk.\n\n6.3.. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van bijzondere, individuele omstandigheden op basis waarvan de minister de aanvraag toch zou moeten behandelen.\n\nConclusie en gevolgen\n\n7. Het beroep is kennelijk ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft en eiseres overgedragen kan worden aan Frankrijk. Eiseres krijgt geen vergoeding van haar proceskosten.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. A. Sibma, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Strating, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.\n\nDe uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over verzet\n\nAls partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.\n\n Zie artikel 84 van de Asiel- en migratiebeheerverordening inzake het overgangsrecht.\n\n Verordening (EU) nr. 604\u002F2013.\n\n Dit staat ook in artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.\n\n Update 2024 van juni 2025.\n\n Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.\n\n Update 2025 van mei 2026.\n\n Zie ook de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Arnhem, van 3 juli 2026. (ECLI:NL:RBDHA:2026:18469, r.o. 7.1) en de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Middelburg, van 25 juni 2026 (ECLI:NL:RBDHA:2026:17711).","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18721","ecli-nl-rbdha-2026-18721",{"courtName":8,"legalDomain":60,"decisionType":18,"procedureType":19},"Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht",{"id":62,"ecli":63,"caseNumber":6,"courtId":64,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":65,"language":12,"source":13,"sourceUrl":66,"summary":6,"slug":67,"metadata":68},"418","ECLI:NL:RBDHA:2026:18726",61,"RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Rotterdam\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL26.36068uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n\n [naam eiser] , eiser\n\nV-nummer: [V-nummer]\n\n(gemachtigde: mr. J.S. Dobosz),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, verweerder\n\n(gemachtigde: mr. C. van der Zijde).\n\nSamenvatting\n\n1. Deze uitspraak gaat over de maatregel van vreemdelingenbewaring die aan eiser is opgelegd. Deze maatregel is opgelegd op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser is het niet eens met die maatregel. Hij voert daartegen een beroepsgrond aan. Onder meer aan de hand van deze beroepsgrond beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van die maatregel en de vraag of aan eiser een schadevergoeding moet worden toegekend.\n\n1.1.. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep gegrond is. Het opleggen van de maatregel van vreemdelingenbewaring is onrechtmatig. De rechtbank kent daarom een schadevergoeding toe. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.\n\n1.2.. In deze uitspraak gebruikt de rechtbank de volgende afkortingen voor de wet- en regelgeving:\n\nAwb: Algemene wet bestuursrecht\n\nVw: Vreemdelingenwet 2000\n\nVb: Vreemdelingenbesluit 2000\n\nProcesverloop\n\n2. Met het bestreden besluit van 29 juni 2026 heeft verweerder aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.\n\n2.1.. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.\n\n2.2.. De rechtbank heeft het beroep op 7 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, K.A. Ozdzinska als tolk en de gemachtigde van verweerder.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\nToetsingskader\n\n3. Verweerder kan als het belang van de openbare orde of de nationale veiligheid dat vordert, de vreemdeling die geen rechtmatig verblijf heeft in vreemdelingenbewaring stellen.Verweerder stelt een vreemdeling slechts in vreemdelingenbewaring, voor zover geen minder dwingende maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast en de vreemdelingenbewaring blijft achterwege of wordt beëindigd, indien deze niet langer noodzakelijk is met het oog op het doel van de vreemdelingenbewaring.Deze vreemdeling kan in vreemdelingenbewaring worden gesteld op grond dat het belang van de openbare orde of nationale veiligheid zulks vordert, indien a) een onderduikrisico bestaat, of b) de vreemdeling de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert.De maatregel kan alleen worden opgelegd wegens het bestaan van een onderduikrisico, indien ten minste twee van de gronden, genoemd in artikel 5.6, tweede lid, van het Vb zich voordoen.\n\nGronden\n\n4. Eiser heeft de gronden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd niet bestreden. De gronden, die de ambtshalve toetsing van de rechtbank doorstaan, zijn tezamen voldoende om de maatregel van bewaring te kunnen dragen.\n\nRechtmatig verblijf\n\n5. Eiser heeft aangevoerd dat er sprake is van een rechtmatig verblijf van eiser in Nederland op grond van artikel 7 van de Richtlijn 2004\u002F38\u002FEG. Eiser is een maand voorafgaand aan de onderhavige zaak opgehouden op 3 juni 2026. Hij heeft ter onderbouwing het proces-verbaal van ophouding overgelegd. Op deze dag is onderzoek gedaan naar de arbeidssituatie van eiser. Gebleken is dat eiser arbeid verricht voor een Nederlands uitzendbureau en beschikte over een arbeidscontract. Eiser is vervolgens heengezonden wegens bestendig verblijf. Verweerder kon ten aanzien van de onderhavige maatregel van bewaring op 29 juni 2026 niet zonder meer terugvallen op het standpunt dat sprake is van voortgezet onrechtmatig verblijf. Dit is onverenigbaar met de bevinding op 3 juni 2026. De maatregel van bewaring is dan ook onvoldoende zorgvuldig voorbereid en onvoldoende gemotiveerd.\n\n5.1.. Verweerder heeft aan de maatregel ten grondslag gelegd dat eiser geen rechtmatig verblijf in Nederland heeft, nu zijn verblijfsrecht als Unieburger bij beschikking van 6 maart 2025 is beëindigd. De rechtbank stelt voorop dat de enkele omstandigheid dat het verblijfsrecht van een Unieburger eerder is beëindigd, niet zonder meer meebrengt dat deze op een later moment geen rechten meer aan het Unierecht kan ontlenen. Indien sprake is van gewijzigde feiten en omstandigheden dient verweerder de verblijfsrechtelijke positie van de betrokkene opnieuw te beoordelen alvorens tot het oordeel te komen dat hij geen rechtmatig verblijf heeft.\n\n5.2.. De rechtbank oordeelt als volgt. In de maatregel van bewaring is vermeld dat eiser heeft verklaard werkzaam te zijn voor een Nederlands uitzendbureau en dit ook heeft aangetoond, dat eiser werkzaam is in België waar hij ook wordt voorzien van woonruimte door de werkgever en dat hij in België mag verblijven. Naar het oordeel van de rechtbank vormen deze omstandigheden concrete aanwijzingen dat de feitelijke situatie van eiser sinds de beschikking van 6 maart 2025 is gewijzigd. Van verweerder mocht daarom worden verwacht dat hij kenbaar zou onderzoeken welke betekenis deze gewijzigde omstandigheden hebben voor de actuele verblijfsrechtelijke positie van eiser. Uit de maatregel van bewaring, het gehoor voorafgaand aan deze maatregel en de overige stukken in het dossier is niet gebleken dat een dergelijk onderzoek heeft plaatsgevonden. Daarbij betrekt de rechtbank dat uit het proces-verbaal van ophouding van eiser op 3 juni 2026 blijkt dat eiser is heengezonden, omdat sprake was van ‘mogelijk bestendig verblijf’. Uit het proces-verbaal van verhoor op die dag blijkt dat het werken voor een Nederlands uitzendbureau hier ook aan de orde is geweest. Vervolgens wordt nog geen maand later in de onderhavige maatregel van bewaring zonder kenbare motivering aangenomen dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft. Niet valt in te zien waarom verweerder er zonder nader onderzoek van uit heeft kunnen gaan dat eiser geen aan het Unierecht ontleend verblijfsrecht had. De motivering dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft, is onder deze omstandigheden onvoldoende draagkrachtig. Gelet hierop is de maatregel in strijd met artikel 3:2 en 3:46 van de Awb tot stand gekomen en is dan ook onrechtmatig. Deze beroepsgrond slaagt.\n\nConclusie en gevolgen\n\n6. Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is gegrond. Deze maatregel is vanaf het moment van het opleggen daarvan onrechtmatig. De rechtbank beveelt de opheffing van deze maatregel met ingang van vandaag.\n\n6.1.. Op grond van artikel 106 van de Vw kan de rechtbank indien zij de opheffing van de maatregel van vreemdelingenbewaring beveelt aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen. De rechtbank acht gronden aanwezig om een schadevergoeding toe te kennen voor 10 dagen onrechtmatige (tenuitvoerlegging van de) vreemdelingenbewaring ten bedrage van 0 x € 160,- (verblijf politiecel) en 10 x € 120,- (verblijf detentiecentrum) = € 1.200,-.\n\n6.2.. Eiser krijgt een vergoeding van zijn proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- omdat de gemachtigde van eiser geacht wordt beroep te hebben ingesteld en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep gegrond;\n\n- veroordeelt de Staat der Nederlanden tot het betalen van € 1.200,- aan schadevergoeding aan eiser, te betalen door de griffier en beveelt de tenuitvoerlegging van deze schadevergoeding;\n\n- beveelt de opheffing van de maatregel van vreemdelingenbewaring met ingang van vandaag;\n\n- veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiser.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. S.N. Abdoelkadir, rechter, in aanwezigheid van mr. M. Stehouwer, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.\n\n Het beroep tegen een maatregel van bewaring wordt ook aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding. Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 59c van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 5.5 van het Vb.\n\n Dit volgt uit artikel 5.6, eerste lid, van het Vb.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18726","ecli-nl-rbdha-2026-18726",{"courtName":69,"legalDomain":60,"decisionType":18,"procedureType":19},"Rotterdam"]