Skip to main content

ECLI:NL:RBNNE:2025:5933

Rechtbank

Assen

Datum

22 December 2025

Taal

nl

Samenvatting

Rechtsvraag

Civiel recht; Insolventierecht

Uitspraak / Beslissing

Uitspraak

Assen

Procedure: UitspraakDomain: Civiel recht; InsolventierechtType: uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling Privaatrecht

Locatie: Assen

zaaknummer: C/18/241761 / FT RK 25/57 faillissementsnummer: C/18/24/404 F

vonnis van 22 december 2025

in het faillissement van:

[schuldenaar], geboren op [geboortedatum] 1983 te [geboorteplaats] , wonende te [adres] , voorheen handelend onder de naam [handelsnaam] . gevestigd te [adres] , KvK-nummer [nummer] , hierna te noemen: de schuldenaar.

PROCESGANG

Bij vonnis van deze rechtbank van 24 december 2024 is ten aanzien van de schuldenaar het faillissement uitgesproken met benoeming van mr. H.J. Idzenga tot rechter-commissaris en aanstelling van mrs. P. van Rossum en C. Bergmans tot curatoren.

Op 17 januari 2025 heeft de schuldenaar een verzoekschrift ingediend tot opheffing van zijn faillissement onder het gelijktijdig uitspreken van de wettelijke schuldsaneringsregeling (hierna: Wsnp).

Na afronding van het rechtmatigheidsonderzoek in het faillissement hebben de curatoren op 17 oktober 2025 advies uitgebracht over het omzettingsverzoek.

Naar aanleiding van het advies heeft de rechter-commissaris op 21 oktober 2025 bepaald dat het omzettingsverzoek op zitting dient te worden behandeld alsmede de rechtbank voorgedragen om het faillissement op te heffen.

De rechtbank heeft de voordracht en het omzettingsverzoek behandeld op de zitting van

8 december 2025 in aanwezigheid van de schuldenaar en curator mr. C. Bergmans.

Ten slotte is vonnis bepaald op heden.

RECHTSOVERWEGINGEN

De schuldenlastUit het verslag van de curatoren en de voordracht van de rechter-commissaris is gebleken dat de schuldenaar een schuldenlast heeft van € 415.943,35, waaronder belastingschulden van in totaal € 189.879,18. De belastingschulden hebben betrekking hebben op zorgtoeslag, omzetbelasting, loonheffing, motorrijtuigenbelasting en bijdrage zorgverzekeringswet en zijn in de periode 2019 tot en met 2024 ontstaan. Verder is er sprake van een schuld bij Het Pensioenfonds van € 19.160,19 die betrekking heeft op onbetaalde premies uit de periode 2019 tot en met 2023. Voor 2024 gaat betreft het met name opgelegde boetes die het gevolg zijn van de onbetaalde premies uit de voorgaande jaren en premies die zijn opgelegd en waarschijnlijk zien op een werknemer die een paar maanden bij de schuldenaar in dienst is geweest. Tot slot is er een vordering van het UWV van € 8.643,29 die betrekking heeft op het salaris en het vakantiegeld van de voormalig werknemer in de periode juni tot september 2024. De werknemer is voor een groot deel van zijn dienstverband niet uitbetaald en heeft uiteindelijk het faillissement van de schuldenaar aangevraagd.

Het advies van de curatoren op het verzoek

De curatoren hebben negatief over het omzettingsverzoek geadviseerd. Kort samengevat hebben de curator aan hun advies ten grondslag gelegd dat de schuldenaar op 31 mei 2024 (een half jaar voor faillissementsdatum) via de notaris een bedrag van € 202.588,11 aan overwaarde heeft ontvangen na de verkoop van zijn woning. Uit de bankafschriften van de schuldenaar is de curatoren gebleken dat een groot deel van de overwaarde vervolgens is uitgegeven aan kansspelen. De recente bankmutaties tonen volgens de curatoren aan dat de schuldenaar nog steeds aanzienlijke bedragen aan gokken besteedt, wat de curatoren duiden als indicatie van een gokverslaving die niet onder controle is. Hierdoor is niet voldaan aan het criterium dat de schuldenaar te goeder trouw is geweest ten aanzien van het ontstaan van de schulden in de afgelopen drie jaar voorafgaand aan het faillissement en ook niet aan het criterium dat aannemelijk is dat de schuldenaar de uit de WSNP voortvloeiende verplichtingen zal nakomen en zich zal inspannen om zoveel mogelijk baten voor de boedel te verwerven.

De schuldenaar heeft op de zitting erkend dat hij de overwaarde van zijn woning heeft vergokt. Dit is mede gekomen onder druk van zijn toenmalige vriendin. De relatie is nu uit. Volgens de schuldenaar is de gokverslaving nu niet meer aan de orde. Hij heeft via de huisarts hulp gezocht en staat ingeschreven bij [instelling] . De schuldenaar is op dit moment niet aan het werk. Hij ontvangt een uitkering van ongeveer € 700,00 per maand vanwege een bedrijfsongeval dat hij in het verleden heeft gehad. De schuldenaar verwacht dat hij met zijn achtergrond als chefkok op korte termijn een baan met een goed salaris kan vinden, waarmee hij kan afdragen voor zijn schuldeisers.

De curator heeft op de zitting het standpunt van de curatoren herhaald. Desgevraagd heeft zij aangegeven dat van een keer ten goede is vooralsnog geen sprake is, omdat de schuldenaar niet werkt en daardoor in het faillissement tot op heden niet heeft afgedragen voor zijn schuldeisers.

BEOORDELING

Op grond van artikel 288, eerste lid, aanhef en onder b Faillissementswet (Fw) wordt een verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling slechts toegewezen indien voldoende aannemelijk is dat verzoeker ten aanzien van het ontstaan of onbetaald laten van zijn schulden in de drie jaar voorafgaand aan de dag waarop het verzoekschrift is ingediend, te goeder trouw is geweest. Bij de beoordeling daarvan kan de rechtbank rekening houden met alle omstandigheden, waaronder de aard en de omvang van de vorderingen, de mate waarin de schuldenaar een verwijt kan worden gemaakt dat de schulden zijn ontstaan of onbetaald gelaten alsmede het gedrag van de schuldenaar wat betreft zijn inspanningen de schulden te voldoen.

De rechtbank stelt vast dat verzoeker een hoge schuldenlast heeft, waarvan een groot deel in de afgelopen drie jaar voorafgaand aan het omzettingsverzoek ontstaan. Vaststaat dat de schulden bij de Belastingdienst, het UWV en het Pensioenfonds niet als te goeder trouw kunnen worden aangemerkt. Vaststaat ook dat de schuldenaar ten aanzien van het onbetaald laten van de schulden niet als te goeder trouw kan worden aangemerkt, nu hij de overwaarde van zijn woning volledig heeft opgesoupeerd in plaats van die ten goede te laten komen van zijn schuldeisers. De rechtbank overweegt dat van een keer ten goede nog niet kan gesproken, mede omdat de schuldenaar tot op heden nog niets heeft gespaard voor zijn schuldeisers. Een beroep op de hardheidsclausule als bedoeld in artikel 288 lid 3 Fw strandt reeds om die reden. Het omzettingsverzoek zal daarom worden afgewezen. Naar het oordeel van de rechtbank zal de schuldenaar eerst minimaal een half jaar moeten laten zien dat hij zich tot het uiterste inspant voor zijn schuldeisers, waarna hij opnieuw een verzoek ter beoordeling aan de rechtbank zal kunnen voorleggen.

BESLISSING

De rechtbank:

  • wijst het omzettingsverzoek af;

  • wijst het verzoek tot opheffing van het faillissement af.

Dit vonnis is gewezen door mr. D.J. Klijn en in het openbaar uitgesproken op

22 december 2025, in tegenwoordigheid van de griffier.

Tegen deze uitspraak kan degene, aan wie de Faillissementswet dat recht toekent, uitsluitend via een advocaat binnen acht dagen na de dag van deze uitspraak hoger beroep instellen bij het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, locatie Leeuwarden.

Meer Beslissingen