[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"decision-ecli-nl-rbnne-2026-1749":3,"decision-more-ecli-nl-rbnne-2026-1749":20},{"id":4,"ecli":5,"caseNumber":6,"courtId":7,"courtName":8,"courtSlug":9,"decisionDate":10,"fullText":11,"language":12,"source":13,"sourceUrl":14,"summary":6,"slug":15,"metadata":16},"447","ECLI:NL:RBNNE:2026:1749","",65,"Groningen","groningen","2026-05-08T00:00:00.000Z","RECHTBANK Noord-Nederland\n\nCiviel recht\n\nZittingsplaats Groningen\n\nZaaknummer: C\u002F18\u002F252582 \u002F KG ZA 26-45\n\nVonnis in kort geding van 8 mei 2026\n\nin de zaak van\n\nde besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid\n\nCGI NEDERLAND B.V.,\n\nte Amstelveen,\n\neisende partij,\n\nhierna te noemen: CGI,\n\nadvocaten: mrs. S.C. Brackmann en P.M. Smid,\n\ntegen\n\nde publiekrechtelijke rechtspersoon\n\nGEMEENTE GRONINGEN,\n\nte Groningen,\n\ngedaagde partij,\n\nhierna te noemen: de Gemeente,\n\nadvocaten: mrs. S.S. Schouten en M.R. Blom\n\nen\n\nde besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid\n\nOPEN LINE MANAGED SERVICES B.V.,\n\ngevestigd te Maastricht,\n\nde tussenkomende partij, hierna te noemen: Open Line,\n\nadvocaten mrs. B.C. Lievers en P.F.C. Heemskerk.\n\n1. De procedure\n\n1.1.. Het verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- de dagvaarding; - de producties van CGI, waaronder producties die niet kenbaar zijn voor Open Line; - de conclusie van antwoord, waarbij een versie met passages die niet kenbaar zijn voor Open Line; - de producties van de Gemeente, waaronder productie 10 die niet kenbaar is voor Open Line;\n\n- de incidentele conclusie tot tussenkomst, subsidiair tot voeging van Open Line; CGI en de Gemeente hebben verklaard daartegen geen bezwaar te hebben; de voorzieningenrechter heeft vervolgens bepaald dat Open Line als tussenkomende partij wordt toegelaten;\n\n- de producties van Open Line; - de mondelinge behandeling van 21 april 2026; - de pleitnota van CGI; - de pleitnota van de Gemeente, waarbij een versie met passages die niet kenbaar zijn voor Open Line;\n\n- de pleitnota van Open Line.\n\n2. De feiten\n\n2.1.. \n\nDe Gemeente op 15 oktober 2024 op Tenderned een Europese aanbesteding volgens de mededingingsprocedure met onderhandeling gepubliceerd voor de volgende opdracht:\n\nBack-end: Platformdiensten en Technisch Applicatiebeheer.\n\nVoor nadere informatie over de opdracht is daarbij verwezen naar het betreffende hoofdstuk 3 van de Selectieleidraad.\n\nOp 17 april 2025 is de Gunningsleidraad verstrekt aan de geselecteerde gegadigden. De Gunningsleidraad geeft inzicht in de procedure en inhoudelijke aspecten van de onderhandelings- en gunningsfase. De aanbesteding wordt in drie fasen gehouden: een Selectiefase, de Onderhandeling en een Gunningsfase. In de Selectiefase zijn vijf gegadigden geselecteerd, waaronder CGI en Open Line.\n\n2.2.. De Opdracht wordt gegund aan de inschrijver met de economisch meest voordelige inschrijving (EMVI) op basis van beste prijs-kwaliteitverhouding (BPKV), waarbij naast de prijs ook de kwalitatieve aspecten worden beoordeeld.\n\n2.3.. In de Gunningsleidraad is op pagina 24 (paragraaf 5.3.1. en 5.3.2.) de volgende beoordelingsmethodiek opgenomen:\n\n“5.3.1 Beoordelingsmethodiek\n\nAls Gunningscriterium hanteert de Aanbestedende Dienst EMVI op basis van ‘beste prijs-kwaliteitverhouding’ waarbij kwaliteit en prijs als gunningscriteria worden gehanteerd. Onder kwaliteit wordt de wijze van invulling van Kwalitatieve Gunningscriteria verstaan (zie Bijlage D). Onder prijs wordt verstaan de totaalprijs die volgt uit de optelling van de subtotaalposten in het Prijzenblad (zie Bijlage E).5.3.2. \n\nOverzicht gunningscriteria en weging\n\nVoor kwaliteit geldt een weging van 70%, en voor prijs 30%. Deze verhouding is al\n\nverwerkt in de maximaal per criterium te behalen punten, namelijk 700 punten voor\n\nkwaliteit en 300 punten voor prijs. De punten behaald voor de beide gunningscriteria worden bij elkaar opgeteld voor de totaalscore. In totaal kan Inschrijver voor zijn Inschrijving maximaal 1.000 punten behalen.”2.4.. \n\nDe inschrijvers hebben een groot aantal vragen gesteld, die de Gemeente in vier Nota’s van Inlichtingen (NvI) heeft beantwoord. In de NvI’s zijn diverse vragen gesteld ten aanzien van de gebruikte definities voor “wijzigingen\u002Fchanges” en het prijscriterium.\n\nVoor zover thans van belang luiden vraag 391 en 392 in de derde NvI en vraag 438 in de vierde NvI en het antwoord daarop van de Gemeente als volgt.\n\nVraag 391: In de terugkoppeling & uitkomsten Onderhandelingen geeft u onder\n\n“wijzigingen” op pagina 4 geeft u aan dat “Voor het Prijzenblad worden er andere\n\ndefinities gehanteerd voor wijzigingen”. Deze definities komen niet overeen met de\n\ndefinities zoals door u gegeven in Bijlage B-Definities v1.1. Mag inschrijver ervan uitgaan dat de definities van Bijlage B-Definities v1.1 prevaleren? Zo nee, kunt u dit toelichten?\n\nAntwoord: Nee, daar mag u niet vanuit gaan. Aanbestedende Dienst heeft in het prijzenblad de specificaties aangegeven op basis waarvan Inschrijver wijzigingen dient te beprijzen. De definities in Bijlage B - Definities geven inzicht in de wijze waarop Aanbestedende Dienst wijzigingen in het kader van het Changemanagement proces definieert. Om onduidelijkheid te voorkomen heeft Aanbestedende Dienst in het Prijzenblad de Engelse terminologie gehanteerd en Bijlage B - Definities hierop aangepast.\n\nVraag 392: In Bijlage B-Definities v1.1 hebt u gedefinieerd wat u onder standaardwijzigingen verstaat en in het Prijzenblad geeft u aan dat alle standaardwijzigingen deel uit moeten maken van hier genoemde prijs. In Gunningsleidraad v1.1 vraagt u ons op pagina 20 van 33 een overzicht van standaardwijzigingen bij te voegen. Kunt u aangeven wat het doel\u002Fnut van dit overzicht van standaardwijzigingen is aangezien de definitie reeds bepaalt wat een standaardwijziging is?\n\nAntwoord; In het Prijzenblad geeft Aanbestedende Dienst aan welke wijzigingen tot\n\nstandaardwijzigingen behoren. Deze definitie prevaleert gedurende de looptijd van de overeenkomst. Gegadigde wordt gevraagd een overzicht van de standaardwijzigingen van Gegadigde in te dienen om Aanbestedende Dienst inzicht te geven in de best practices van Gegadigde.\n\nVraag 438: In het antwoord (op vraag 392, opm. vzr.) is gesteld: “Gegadigde wordt gevraagd een overzicht van de standaardwijzigingen van Gegadigde in te dienen om Aanbestedende Dienst inzicht te geven in de best practices van Gegadigde.” Op welke wijze wordt het inzicht in de best practices van gegadigde meegewogen in de beoordeling van zijn inschrijving?\n\nAntwoord: De lijst weegt niet mee in de beoordeling, maar wordt gebruikt om inzicht te verschaffen in standaardwijzigingen. In bijlage B ‘Definities’ staat bij begrip ‘Emergency Change’ beschreven wat een standaardwijziging betreft.\n\n2.5.. \n\nDe aangepaste definities zijn opgenomen in de aangepaste Bijlage B, versie 1.2 alsmede in het aangepaste Prijzenblad, versie 1.3.\n\nDaarin is – voor zover thans van belang – het volgende opgenomen:\n\n2.6.. \n\nGovernance wordt gedefinieerd als het geheel van afspraken, structuren en processen waarmee besluitvorming, coördinatie en verantwoording tussen Opdrachtgever en Opdrachtnemer wordt vormgegeven en bewaakt, met als doel een voor alle partijen duidelijke samenwerking en sturing. Aangaande Governance is in punt SM-20 van het Programma van Eisen (PvE) opgenomen dat de inschrijver zich conformeert aan de werkwijze zoals uiteengezet in Bijlage Q – Governance, in welke bijlage onder meer wordt beschreven aan welke processen en vereisten Governance moet voldoen.\n\nMet betrekking tot de kosten van Governance heeft de Gemeente geen apart prijsonderdeel opgenomen in het Prijzenblad; de inschrijvers worden geacht deze kosten te verwerken in andere kostenposten.\n\n2.7.. Onderdeel van de mededingingsprocedure met onderhandeling zijn onderhandelingen met de inschrijvers. De gemeente Groningen heeft hiervan een verslag opgesteld dat aan alle inschrijvers is verstrekt.\n\n2.8.. CGI heeft op 1 september 2025 tijdig haar inschrijving, het Best and Final Offer, ingediend.2.9.. \n\nDe Gemeente heeft de inschrijving beoordeeld en CGI op 19 januari 2026 geïnformeerd over het resultaat daarvan. De inschrijving van CGI is als tweede gerangschikt, en CGI komt daarom in aanmerking voor de wachtkamerovereenkomst. De Gemeente heeft de inschrijving van Open Line als eerste gerangschikt en de opdracht voorlopig aan haar gegund.\n\nCGI heeft een totaalscore van 739,5 punten behaald tegenover 845 punten voor de voorlopige winnaar Open Line (een verschil van 105,5 punten). CGI heeft op kwaliteit 472,5 punten gescoord en op prijs 267 punten. Open Line verkreeg op kwaliteit 545 punten, en op prijs 300 punten.\n\n2.10.. Naar aanleiding van de gunningsbeslissing wenste CGI een bespreking met de Gemeente omdat zij vragen had over de beoordeling en de onderbouwing ervan. Dat gesprek heeft plaatsgevonden op woensdag 4 februari 2026.\n\n3. Het geschil\n\n3.1.. De vordering van CGI strekt ertoe:\n\nPrimair:\n\nde Gemeente te gebieden om, uiterlijk twee (2) kalenderdagen na dagtekening van dit vonnis, althans binnen een door de voorzieningenrechter in goede justitie vast te stellen termijn, de in de aanbesteding verzonden voorgenomen gunningsbeslissing d.d. 19 januari 2026 in te trekken en ingetrokken te houden en de Gemeente te verbieden uitvoering te geven aan deze voorgenomen gunningsbeslissing en de Gemeente te verbieden om op basis van de huidige aanbestedingsprocedure een opdracht te gunnen; en\n\nde Gemeente te gebieden om uiterlijk twee (2) kalenderdagen na dagtekening van dit vonnis, althans een door de voorzieningenrechter in goede justitie vast te stellen termijn, de aanbesteding te staken en gestaakt en ingetrokken te houden; én\n\nde Gemeente te gebieden om, als zij nog steeds een overeenkomst wenst te gunnen, over te gaan tot heraanbesteding van die overeenkomst.\n\nSubsidiair:\n\nde Gemeente te gebieden om, uiterlijk twee (2) kalenderdagen na dagtekening van dit vonnis, althans binnen een door de voorzieningenrechter in goede justitie vast te stellen termijn, de in de aanbesteding verzonden voorgenomen gunningsbeslissing d.d. 19 januari 2026 in te trekken en ingetrokken te houden en de Gemeente te verbieden uitvoering te geven aan deze voorgenomen gunningsbeslissing en de Gemeente te verbieden om op basis van de huidige aanbestedingsprocedure een opdracht te gunnen; en\n\nde Gemeente te gebieden om, voor zover zij de Opdracht nog wil gunnen, over te gaan tot herbeoordeling van alle voor de aanbesteding Platformdiensten en TAP tijdige ingediende en geldige inschrijvingen, door een nieuw samen te stellen en onafhankelijke beoordelingscommissie, waarbij de beoordelingscommissie bij haar herbeoordeling in acht neemt de beoordelingsbezwaren en motiveringsbezwaren tegen de voorgenomen gunningsbeslissing (zoals die uiteengezet zijn in de inleidende dagvaarding) waarvan de voorzieningenrechter in dit vonnis heeft geoordeeld dat die bezwaren gegrond zijn, en waarna een nieuwe gunningsbeslissing wordt genomen met daarin wederom een standstilltermijn van 20 dagen.\n\nMeer subsidiair:\n\nde Gemeente te gebieden om, uiterlijk twee (2) kalenderdagen na dagtekening van dit vonnis, althans binnen een door de voorzieningenrechter in goede justitie vast te stellen termijn, de in de aanbesteding verzonden voorgenomen gunningsbeslissing d.d. 19 januari 2026 in te trekken en ingetrokken te houden en de Gemeente te verbieden uitvoering te geven aan deze voorgenomen gunningsbeslissing en de Gemeente te verbieden om op basis van de huidige aanbestedingsprocedure een opdracht te gunnen; en\n\nde Gemeente te gebieden om, uiterlijk twee (2) kalenderdagen na dagtekening van dit vonnis, althans binnen een door de voorzieningenrechter in goede justitie vast te stellen termijn, voor zover zij de opdracht nog wil gunnen, over te gaan tot het verstrekken van een nieuwe motivering van de verzonden gunningsbeslissingen in de aanbesteding, waarbij de beoordelingscommissie bij haar nieuwe motivering in acht neemt de motiveringsbezwaren tegen de voorgenomen gunningsbeslissing (zoals die uiteengezet zijn in de inleidende dagvaarding) waarvan de voorzieningenrechter in dit vonnis heeft geoordeeld dat die bezwaren gegrond zijn, en waarna een nieuwe gunningsbeslissing wordt genomen met daarin wederom een standstilltermijn van 20 dagen.\n\nIn alle gevallen:\n\nde in dit petitum verwoorde en op te leggen geboden en verboden op straffe van verbeurte van een eenmalige en in geval van overtreding van het betreffende gebod of verbod direct opeisbare dwangsom ter hoogte van € 5.000,00 (zegge: vijfduizend euro) per dag van overtreding, met een maximum van € 250.000,00 (zegge: tweehonderdvijftigduizend euro) per gedagvaarde partij, dan wel een door de voorzieningenrechter in goede justitie te bepalen bedrag.\n\nde Gemeente te veroordelen in de kosten van in dit kort geding, waaronder begrepen een redelijke tegemoetkoming in de kosten van rechtsbijstand van CGI, alsmede de nakosten (zonder of met betekening) van dit vonnis, met de aantekening dat als niet binnen veertien (14) kalenderdagen na wijziging van het vonnis aan de proceskostenveroordeling is voldaan daarover de wettelijke rente verschuldigd is vanaf de vijftiende (15e) kalenderdag na dagtekening van dit vonnis tot aan de dag der algehele voldoening.\n\n3.2.. De Gemeente heeft verweer gevoerd.\n\n3.3.. De vordering van Open Line strekt ertoe:\n\nIN HET INCIDENT:\n\n toe te staan dat Open Line in het kort geding wordt toegelaten als tussenkomende partij, althans subsidiair in het kort geding wordt toegelaten als voegende partij aan de zijde van de Gemeente, met veroordeling van CGI in de kosten van dit incident, met bepaling dat deze kosten binnen twee weken na dagtekening van dit vonnis moeten zijn voldaan, bij gebreke waarvan CGI zonder nadere aankondiging over die kosten wettelijke rente zal zijn verschuldigd;\n\nIN DE HOOFDZAAK:\n\n1. CGI niet-ontvankelijk te verklaren in haar vorderingen, althans de vorderingen van CGI af te wijzen; en\n\n2. voorwaardelijk, indien dat door de voorzieningenrechter noodzakelijk wordt geacht voor toelating van Open Line als tussenkomende partij, de Gemeente te gebieden om de Opdracht, indien zij deze nog wenst te vergeven, te gunnen aan Open Line; en\n\n3. CGI in de kosten van deze procedure te veroordelen, waaronder begrepen de nakosten, met bepaling dat deze kosten binnen twee weken na dagtekening van het vonnis aan Open Line moeten zijn voldaan, bij gebreke waarvan CGI zonder nadere aankondiging over die kosten wettelijke rente is verschuldigd.\n\n4. De beoordeling\n\nHet incident ter zake van de interventie\n\n4.1.. \n\nDe voorzieningenrechter overweegt het volgende terzake van de incidentele conclusie van Open Line tot tussenkomst, subsidiair voeging. Het kenmerkende verschil tussen voeging en tussenkomst is dat een gevoegde partij geen zelfstandige, eigen vordering jegens de anderen instelt en een tussenkomende partij wel.\n\nOpen Line heeft weliswaar een eigen vordering jegens het UMCG ingesteld, doch materieel komt deze naar het oordeel van de voorzieningenrechter neer op afwijzing van de vordering van CGI zodat geen sprake is van een zelfstandige, eigen vordering van Open Line. Derhalve kan Open Line slechts als gevoegde partij worden toegelaten en heeft zij geen belang bij beoordeling van haar vordering. De voorzieningenrechter overweegt dat een gevoegde partij in eerste aanleg als procespartij wordt aangemerkt en uit dien hoofde in beginsel het recht heeft een rechtsmiddel aan te wenden tegen een in die procedure gewezen vonnis, zodat dit evenmin reden is Open Line toe te laten om tussen te komen.\n\nHet incident ter zake van de producties4.2.. De voorzieningenrechter heeft ter zitting dienaangaande – zakelijk weergegeven – het volgende overwogen.\n\n4.3.. \n\nNu Open Line als interveniërende partij tot dit kort geding is toegelaten, heeft zij in beginsel op grond van de artikelen 19 en 85 Rv recht op alle gedingstukken die relevant zijn voor de onderhavige beoordeling.\n\nUit het arrest Varecblijkt echter dat dat recht niet onbeperkt is en dat onder omstandigheden ook overgelegde stukken die vertrouwelijk moeten blijven en niet kunnen worden gedeeld met iedere partij, bij de beoordeling kunnen worden betrokken.4.4.. Gelet op het toetsingskader van het vorenbedoeld arrest is de voorzieningenrechter van oordeel dat de door CGI en de Gemeente weggelakte passages in de aan Open Line overgelegde producties niet openbaar behoeven te worden gemaakt en ook niet aan Open Line kenbaar behoeven te worden gemaakt. Het gaat in dit kort geding immers om een niet-afgeronde aanbesteding. Het openbaar maken van de weggelakte passages zouden nadelig kunnen zijn bij de afronding van deze aanbestedingsprocedure en gelet op de wijze waarop Open Line haar zaak bij de voorzieningenrechter heeft doen bepleiten, kan niet worden volgehouden dat de weggelakte passages aan een effectieve rechtsbescherming van Open Line in de weg hebben gestaan. Open Line heeft overigens ook zelf erkend dat stukken die met de inschrijving van CGI verband houden, niet aan haar behoeven te worden geopenbaard. Dit betreft in ieder geval de producties 12a-12c van CGI. Naar het voorlopig oordeel is ook de gunningsbeslissing (productie 13) en de notulen van de onderhandelingen (productie 11) en productie 10 bij de conclusie van antwoord nauw verbonden met de inschrijving zodat ook deze stukken vertrouwelijk behoren te blijven.\n\n4.5.. Ten slotte heeft de voorzieningenrechter overwogen dat, indien tijdens de mondelinge behandeling blijkt dat nadere kennisneming van enige weggelakte passages en of de overige producties door Open Line toch nodig is, zal worden bezien of en in hoeverre dat – beperkt – kan worden toegestaan, bijvoorbeeld in die zin dat de advocaten van Open Line kennis nemen van de weggelakte dan wel anderszins geredigeerde stukken. Partijen hebben zich akkoord verklaard met deze gang van zaken. Tijdens de mondelinge behandeling is dat verder niet nodig gebleken.\n\nInhoudelijk\n\nGrossmann-verweer\n\n4.6.. Het meest verstrekkende verweer van de Gemeente – evenals van Open Line – is dat CGI haar recht heeft verloren c.q. verwerkt om zich alsnog op vermeende onregelmatigheden in de aanbestedingsprocedure te beroepen. Daartoe hebben de Gemeente en Open Line verwezen naar de inmiddels uitgebreide jurisprudentie in het spoor van het arrest Grossmann.4.7.. In algemene zin overweegt de voorzieningenrechter omtrent de beweerdelijke gebrekkigheid van de door Gemeente verstrekte informatie het volgende. De aanbestedende dienst dient zich in te spannen om aanbestedingsdocumenten duidelijk, precies en ondubbelzinnig te doen zijn, opdat enerzijds de inschrijvers de draagwijdte kunnen begrijpen en gelijk interpreteren, anderzijds de dienst in staat is de offertes naar behoren te beoordelen; een en ander is verwoord in het Succhi di Frutta-arrest. Uit het Grossmann-arrest en de mede daarop gebaseerde jurisprudentie volgt evenwel dat in het belang van een snelle en effectieve aanbestedingsprocedure, van een meedingende onderneming een pro-actieve houding mag worden verwacht: als deze inschrijver onduidelijkheden of onvolkomenheden in de aanbestedingsstukken signaleert in een stadium waarin deze nog ongedaan kunnen worden gemaakt, dient hij daarin in dat stadium tegen op te komen. Van een inschrijver mag worden verwacht dat hij bezwaar maakt tegen de procedure of de daarin te hanteren gunningscriteria op een moment dat deze zo nodig nog kunnen worden gecorrigeerd met zo gering mogelijke consequenties voor het verloop van de aanbestedingsprocedure.Met dit een en ander staan aanbestedende dienst en mededingende onderneming in een zodanige relatie met elkaar dat zij beide, in het eigen belang en dat van de ander, voortdurend gespitst moeten zijn op het zo mogelijk verhelpen van onvolkomenheden. De potentiële inschrijver kan niet volstaan met een verwijzing naar de verantwoordelijkheid van de dienst voor goede informatievoorziening; bij die inschrijver berust – uiteraard – niet de verantwoordelijkheid om de aanbestedingsdocumenten op te stellen, maar wel degelijk de mede-verantwoordelijkheid om deze voldoende duidelijk, precies en ondubbelzinnig te doen zijn, op straffe van het later niet meer ontvangen worden in klachten die voortvloeien uit eigen onwetendheid.4.8.. Weliswaar zijn in diverse vragenrondes – die hebben geleid tot de Nota’s van Inlichtingen 1 tot en met 4 – vragen gesteld aan de Gemeente omtrent het Prijzenblad, de gehanteerde definities van de verschillende typen wijzigingen, Governance en overige gebleken onduidelijkheden, doch waar voor CGI zich kennelijk – gelet ook op de in het onderhavige kort geding aan de orde gestelde punten – nog steeds onduidelijkheden voordeden, ondanks de door de Gemeente gegeven antwoorden, had het op de weg van CGI gelegen in een eerder stadium, te weten vóór de inschrijving, nadere actie te ondernemen. CGI heeft echter na de Nota’s van Inlichtingen en vóór de inschrijving geen aanvullende vragen gesteld, geen nadere bezwaren aangevoerd en geen kort geding aanhangig gemaakt. CGI heeft gesteld dat zij de kwestie heeft aangeroerd (‘We moeten dit goed afstemmen’) tijdens de onderhandelingen met de Gemeente. Maar hierin is naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter geen klacht te lezen. Evenmin is gesteld of gebleken dat CGI haar inschrijving onder protest en\u002Fof voorbehoud heeft gedaan.\n\n4.9.. \n\nOnder deze omstandigheden heeft CGI naar het oordeel van de voorzieningenrechter haar recht verwerkt om over de door haar aangevoerde punten ná inschrijving alsnog te klagen.\n\nVermeende gebreken\n\n4.10.. Ten aanzien van de Grossmann-doctrine heeft CGI aangevoerd dat in de onderhavige aanbestedingsprocedure sprake is van fundamentele gebreken en dat de Gemeente zich daarom daarop niet kan beroepen.\n\n4.11.. In de jurisprudentie daaromtrent, waarnaar CGI ook heeft verwezen, is overwogen dat bij een fundamenteel gebrek in de aanbestedingsprocedure een beroep op de Grossmann-doctrine en rechtsverwerking niet kan worden gehonoreerd. De redelijkheid en billijkheid die de rechtsverhouding tussen de aanbestedende dienst en de inschrijver op grond van artikel 6:2 BW beheerst, brengt mee dat bij een fundamenteel gebrek in de aanbestedingsstukken en in de beoordelingssystematiek, zoals hier aan de orde, de aanbestedende dienst zich er niet tegen kan verzetten dat een inschrijver dit gebrek in de procedure voor de rechter aan de orde stelt, ook al heeft deze vóór de inschrijving daarover geen bezwaren geuit. Bij een fundamenteel gebrek mag de aanbestedende dienst er niet op vertrouwen dat de inschrijver door na te laten vóór inschrijving actie te ondernemen, dit aspect niet meer aan de rechter ter beoordeling kan voorleggen.\n\n4.12.. \n\nVan een fundamenteel gebrek als hiervoor bedoeld is in het onderhavig geval naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter echter geen sprake.\n\nTer zake overweegt de voorzieningenrechter het volgende.\n\n4.13.. De voorzieningenrechter stelt bij deze beoordeling de ratio van elke aanbestedingsprocedure voorop. Die ratio is dat ondernemers met gelijke kansen in kunnen schrijven op overheidsopdrachten, opdat in vrije concurrentie een optimale prijs-kwaliteitverhouding voor de overheid tot stand komt. Alle vragen die rijzen dienen in het licht van deze ratio te worden beantwoord.\n\n4.13.1.. Het beginsel van gelijke behandeling van inschrijvers beoogt de ontwikkeling van een gezonde en daadwerkelijke mededinging tussen de aan de procedure deelnemende ondernemingen te bevorderen en vereist dat alle inschrijvers bij het opstellen van hun voorstel en de beoordeling door de aanbestedende dienst dezelfde kansen krijgen. Het hiermee samenhangende transparantiebeginsel strekt ertoe te waarborgen dat elk risico van favoritisme en willekeur door de aanbesteder wordt uitgebannen en impliceert dat alle voorwaarden en modaliteiten voor de inschrijvers op ondubbelzinnige wijze worden geformuleerd, opdat, enerzijds, alle behoorlijk geïnformeerde en normaal oplettende inschrijvers de juiste draagwijdte kunnen begrijpen en zij deze op dezelfde manier interpreteren, en, anderzijds, de aanbestedende dienst in staat is om metterdaad na te gaan of de offertes van de inschrijvers beantwoorden aan de criteria welke op de betrokken opdracht van toepassing zijn. Een en ander brengt niet alleen mee dat alle aanbieders gelijk worden behandeld, maar ook dat zij in gelijke mate, mede met het oog op een goede controle achteraf, een duidelijk inzicht moeten hebben in de voorwaarden waaronder de aanbesteding plaats heeft.4.14.. Een ander uitgangspunt is dat aanbesteders bij hantering van het gunningscriterium de economisch meest gunstige aanbiedingeen ruime beoordelingsmarge hebben bij de vergelijking van ingediende offertes, mits deze beoordeling is gebaseerd op objectieve en transparante criteria, die expliciet en uitputtend in de aankondiging of het bestek dienen te worden vermeld.4.15.. \n\nTerzake van de door CGI gestelde gebreken in de gevolgde procedure heeft zij onder meer het volgende aangevoerd.\n\ni) Gebrek aan gelijke behandeling en transparantie doordat de inschrijvers hun inschrijvingen niet baseren op dezelfde informatie en uitgangspunten voor wat betreft Standaardwijzigingen en Niet-Standaardwijzigingen.\n\nii) Gebrek aan gelijke behandeling en transparantie doordat niet is vast te stellen of en hoe de inschrijvers de kosten voor Governance hebben verwerkt in de componenten in het prijzenblad, doordat niet is te controleren of de inschrijvingen voldoen aan de eisen die de Gemeente heeft gesteld aan Governance en doordat niet is te controleren of de inschrijvers de Governance realistisch hebben ingeschat.\n\niii) Gebrek aan zorgvuldigheid doordat de beoordeling van de inschrijving van CGI zo onzorgvuldig is verlopen dat herstel via herbeoordeling niet aan de orde is.\n\nTer zake bezwaar i)\n\n4.16.. De in casu opgestelde en in geding zijnde gunningsleidraad en de daarbij behorende bijlages zijn door de Gemeente in het kader van de aanbestedingsprocedure opgesteld. De uitleg daarvan betreft derhalve in beginsel de uitleg van een eenzijdige rechtshandeling (en de daaraan te ontlenen verwachtingen) en ziet derhalve niet op de uitleg van hetgeen partijen zijn overeengekomen. Over het algemeen zullen bij de uitleg van een dergelijke, door één partij opgestelde, tekst de bewoordingen daarvan zwaar wegen, nu er doorgaans geen bijkomende omstandigheden zijn die een van de bewoordingen afwijkende uitleg zullen (kunnen) rechtvaardigen. Dergelijke omstandigheden kunnen immers niet voortvloeien uit een aan de betreffende rechtshandeling voorafgaand onderhandelingsproces (en de daaraan - over en weer - te ontlenen verwachtingen en bedoelingen). Bovendien gaat het hier om een geschrift waarin een regeling is vastgelegd die naar haar aard is bestemd (ook) de rechtspositie te beïnvloeden van derden, die de bedoeling van de opsteller uit dat geschrift niet kunnen kennen en die geen invloed op de inhoud of de formulering daarvan hebben gehad, zodat ook daarom een uitleg naar objectieve maatstaven van de bewoordingen van de aanbestedingsdocumenten het meest voor de hand zal liggen.4.17.. In de kern komt de klacht van CGI erop neer dat in de aanbestedingsdocumenten de definities voor ‘standaardwijzigingen’ en ‘niet-standaard wijzigingen’ in bijlage B en het prijzenblad niet duidelijk zijn. Het onderscheid tussen beide is relevant, want de inschrijver moet de kosten van de standaardwijziging verwerken in de geoffreerde prijzen en tarieven in het prijzenblad. Volgens CGI is de demarcatie tussen deze begrippen onduidelijk.\n\n4.18.. Met de stelling dat sprake is van een fundamenteel gebrek in de aanbestedingsprocedure in die zin dat onduidelijkheid bestaat over de definitie en begrippen ten aanzien van de verschillende typen wijzigingen\u002Fchanges miskent CGI naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter dat in de NvI’s 3 en 4 door de Gemeente nieuwe, verduidelijkende definities\u002Fbegrippen zijn gebruikt. De Gemeente heeft een Nederlandstalig (standaardwijziging en niet-standaardwijziging) en een Engelstalig begrippenpaar (Standard change en non-standard change) ingevoerd. Na vraag 391 (3e NvI) heeft de Gemeente de definities in het prijzenblad en bijlage B juist op elkaar afgestemd. Uit het prijzenblad en bijlage B blijkt dat een ‘standard change’ betrekking heeft op wijzigingen die doorgevoerd (moeten) worden om de dienstverlening aan het Programma van Eisen te blijven voldoen. Als er al onduidelijkheden bestonden, waardoor verwarring zou kunnen ontstaan over de door de Gemeente gebruikte definities als zojuist bedoeld, zijn deze onduidelijkheden weggenomen in de NvI’s 3 en 4. De voorzieningenrechter is echter van oordeel dat door de Gemeente later aangebrachte verduidelijkingen iedere behoorlijk geïnformeerde en normaal oplettende inschrijver de juiste draagwijdte van die definities heeft kunnen begrijpen en op dezelfde manier interpreteren en voor iedere inschrijver was op dit punt geheel duidelijk waaraan de inschrijving moest voldoen.4.19.. In dit opzicht kan naar voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter dan ook niet worden gesproken van een zodanig gebrek dat (enige van) de beginselen van het aanbestedingsrecht zijn geschonden, laat staan een fundamenteel gebrek.\n\nTer zake bezwaar ii)\n\n4.20.. \n\nOver het vermeende fundamentele gebrek vanwege de omgang met “Governance” overweegt de voorzieningenrechter dat geen rechtsregel bestaat die de Gemeente ertoe verplicht om tijdens een aanbestedingsprocedure een controle uit te voeren op iedere\n\nwillekeurige uitvoeringseis van de Opdracht. Evenmin is er een rechtsplicht om te controleren of alle inschrijvers daadwerkelijk alle kosten voor de uitvoering van de Opdracht juist en realistisch in hun prijsaanbieding hebben verdisconteerd. De Gemeente als aanbestedende dienst mag erop vertrouwen dat inschrijvers datgene nakomen waaraan zij zich door inschrijving hebben gecommitteerd: een uitvoering van Governance conform het PvE (in het bijzonder Eis SM-20) en Bijlage Q. CGI heeft nog aangedragen dat zij tijdens de onderhandelingen de Gemeente heeft verzocht de prijssystematiek aan te passen. De voorzieningenrechter is met de Gemeente echter van oordeel dat de Gemeente vrij is om zelf te bepalen hoe zij haar systematiek wenst in te richten.\n\nDe stelling van CGI dat de Gemeente het Prijzenblad zo had moeten inrichten dat de Gemeente in staat zou zijn geweest om op het punt van “Governance” te controleren of\n\ninschrijvers alle daaraan verbonden kosten volledig en realistisch in hun prijsaanbieding\n\nhebben verdisconteerd, is naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter dan ook onjuist.\n\n4.21.. Ook in dit opzicht kan naar voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter dan ook niet worden gesproken van een zodanig gebrek dat (enige van) de beginselen van het aanbestedingsrecht zijn geschonden, laat staan een fundamenteel gebrek.\n\nTer zake bezwaar iii)\n\n4.22.. Omtrent de op dit punt door CGI aangevoerde beoordelingsgebreken overweegt de voorzieningenrechter het volgende. De gemeente heeft alle door CGI aangevoerde beoordelingsgebreken gemotiveerd betwist. Verder heeft de Gemeente ook gesteld dat CGI ook na de door haar gevorderde herbeoordeling het verschil van 105,5 punt in geen geval zou kunnen overbruggen met de maximale 95 punten die ze zou kunnen behalen in het geval dat ze op ieder van 6 planonderdelen (waarop haar 11 klachtonderdelen zien) het maximale cijfer ‘10’ zou scoren, in plaats van het behaalde cijfer.\n\n4.23.. \n\nDe voorzieningenrechter stelt het volgende bij de beoordeling voorop. Slechts indien zodanige procedurele of inhoudelijke tekortkomingen aan de beoordeling kleven dat de beoordelingscommissie in redelijkheid die beoordeling niet heeft kunnen geven, kan plaats zijn voor ingrijpen door de rechter. Het is in de rechtspraak ook aanvaard dat het puntenverschil overbrugbaar moet zijn, om een voldoende processueel belang bij herbeoordeling te hebben. CGI heeft niet aannemelijk gemaakt dat zij het zo juist bedoelde verschil zou kunnen overbruggen indien een herbeoordeling plaatsvindt. CGI heeft in dit verband immers niet meer aangedragen dan een suggestie tijdens het pleidooi, dat gelet op de vermeende beoordelingsgebreken in de inschrijving van CGI, aangenomen moet worden dat de inschrijvingen van de overige inschrijvers ook onzorgvuldig beoordeeld zijn door de gemeente. Zij meent dat om deze reden alle inschrijvingen opnieuw beoordeeld zouden moeten worden.\n\nDe voorzieningenrechter is van oordeel dat daarmee onvoldoende aanleiding is om tot herbeoordeling van alle inschrijvingen over te gaan. De voorzieningenrechter komt daarom tot het voorlopig oordeel dat de inschrijving van Open Line op de juiste wijze is beoordeeld en dat herbeoordeling van de inschrijving van CGI niet tot een andere uitkomst kan leiden.\n\nGelet daarop heeft CGI geen rechtens te respecteren belang bij de het door CGI opgeworpen bezwaar daaromtrent en bij de door haar gevorderde herbeoordeling.\n\n4.24.. \n\nNaar het oordeel van de voorzieningenrechter is voorshands niet gebleken van omstandigheden op grond waarvan aannemelijk is geworden dat de gemeente in strijd heeft gehandeld met enige beginselen van aanbestedingsrecht.\n\nEr bestaat dan ook geen grondslag voor toewijzing van de gevraagde voorzieningen.\n\n4.25.. \n\nDe slotsom is dat de vorderingen van CGI worden afgewezen.\n\nCGI is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van de Gemeente worden begroot op:\n\n- griffierecht\n\n€\n\n735,00\n\n- salaris advocaat\n\n€\n\n1.177,00\n\n- nakosten\n\n€\n\n189,00\n\n(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)\n\nTotaal\n\n€\n\n2.101,00\n\nDe proceskosten van Open Line worden begroot op:\n\n- griffierecht\n\n€\n\n735,00\n\n- salaris advocaat\n\n€\n\n1.177,00\n\n- nakosten\n\n€\n\n189,00\n\n(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)\n\nTotaal\n\n€\n\n2.101,00\n\n4.26.. De door Open Line gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.\n\n5. De beslissing\n\nDe voorzieningenrechter\n\n5.1.. wijst de vorderingen van CGI af;\n\n5.2.. veroordeelt CGI in de proceskosten, aan de zijde van de Gemeente tot op heden begroot op € 2.101,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als CGI niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend;\n\n5.3.. veroordeelt CGI in de proceskosten, aan de zijde van Open Line tot op heden begroot op € 2.101,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als CGI niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend;\n\n5.4.. veroordeelt CGI tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten van Open Line als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald;\n\n5.5.. verklaart dit vonnis wat betreft alle kostenveroordelingen uitvoerbaar bij voorraad.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. M.A.B. Faber-Siermann en in het openbaar uitgesproken door mr. C.S. Huizinga op 8 mei 2026.\n\njs (319)\n\n Hof van Justitie EU van 14 februari 2008, ECLI:EU:C:2008:91\n\nHof van Justitie EU 12 februari 2004, ECLI:EU:C:2004:93\n\n Hof van Justitie EU 29 april 2004, ECLI:EU:C:2004:236\n\n o.m. gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 15 februari 2022, ECLI:NL:GHARL:2022:1150 en rechtbank Noord-Holland 5 juli 2023, ECLI:NL:RBNHO:2023:6266\n\nvgl. (HR 17 september 1993, ECLI:NL:HR:1993:ZC1059; zie ook ECLI:NL:PHR:2016:368\n\nvgl. Gerechtshof Den Haag 21 april 2015, ECLI:NL:GHDHA:2015:823, r.o. 2.4; Rechtbank Overijssel 4 december 2019, ECLI:NL:RBOVE:2019:4542, r.o. 2.42;\n\nRechtbank Limburg 12 juni 2020, ECLI:NL:RBLIM:2020:4220, r.o. 4.3\n\nvgl. rechtbank Den Haag 15 april 2022, ECLI:NL:RBDHA:2022:3915; rechtbank Den Haag 12 november 2020, ECLI:NL:RBDHA:2020:11408","nl","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBNNE:2026:1749","ecli-nl-rbnne-2026-1749",{"courtName":8,"legalDomain":17,"decisionType":18,"procedureType":19},"Civiel recht; Aanbestedingsrecht","uitspraak","Uitspraak",[21,32,43,53,61],{"id":22,"ecli":23,"caseNumber":6,"courtId":24,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":26,"language":12,"source":13,"sourceUrl":27,"summary":6,"slug":28,"metadata":29},"410","ECLI:NL:RBLIM:2026:6423",66,"2026-07-08T00:00:00.000Z","RECHTBANK limburg\n\nZittingsplaats Roermond\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: ROE 25 \u002F 2565\n\nuitspraak van de meervoudige kamer van 8 juli 2026 in de zaak tussen\n\n [belanghebbende] , gevestigd te [plaats], belanghebbende\n\n(gemachtigde: M.O.E. Uyen)\n\nen\n\nde heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking Gemeenten en Waterschappen, de heffingsambtenaar (gemachtigde: A. van den Dool).\n\nProcesverloop\n\nDe heffingsambtenaar heeft op grond van de Wet waardering onroerende zaken (Wet woz) de waarde van de onroerende zaken van belanghebbende voor het belastingjaar 2025 vastgesteld (het primaire besluit).\n\nBelanghebbende heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt.\n\nDe heffingsambtenaar heeft het bezwaar van belanghebbende gegrond verklaard (het bestreden besluit). Aan belanghebbende is een proceskostenvergoeding van in totaal € 161,74 toegekend.\n\nBelanghebbende heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.\n\nDe heffingsambtenaar heeft verweer gevoerd.\n\nOp 4 mei 2026, aangevuld op 11 mei 2026, zijn van belanghebbende nadere gronden en stukken ontvangen.\n\nHet onderzoek ter zitting heeft vervolgens plaatsgevonden op 15 mei 2026. Belanghebbende heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. L.H.G.M. Driessen, kantoorgenote van haar gemachtigde bij Previcus B.V. te Boxmeer. De heffingsambtenaar heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.\n\nOverwegingen\n\n1. De rechtbank stelt vast dat de woz-waarde tussen partijen niet meer in geschil is. Het beroep van belanghebbende richt zich enkel tegen de toegekende proceskostenvergoeding en spitst zich toe op de vraag of de heffingsambtenaar bij de vaststelling van de proceskostenvergoeding in bezwaar toepassing heeft mogen geven aan de vermenigvuldigingsfactor 0,125 van artikel 30a, eerste lid, van de Wet woz, zoals dit artikellid luidt met ingang van 1 januari 2025.\n\n2. De heffingsambtenaar heeft in het bestreden besluit de proceskostenvergoeding van € 161,74 als volgt gespecificeerd:\n\n- indienen bezwaarschrift: 1 punt x waarde per punt € 647,- x factor 0,125 = € 80,87 +\n\n- bijwonen hoorzitting: 1 punt x waarde per punt € 647,- x factor 0,125 = € 80,87 = € 161,74.\n\n3. Belanghebbende vindt dat de heffingsambtenaar een te lage proceskostenvergoeding heeft toegekend. Zij verzoekt de rechtbank om artikel 30a van de Wet woz buiten toepassing te laten, omdat haar gemachtigde een bijzonder geval is als bedoeld in het zogenoemde 30a-arrest van de Hoge Raad van 17 januari 2025 (ECLI:NL:HR:2025:46).\n\n4. In het 30a-arrest heeft de Hoge Raad geoordeeld dat bijzondere gevallen zich onderscheiden doordat zij niet voldoen aan de volgende kenmerken: dat aan de belanghebbende rechtsbijstand wordt verleend door een beroepsmatig optredende gemachtigde, dan wel een kantoor, waarvan het bedrijfsmodel eruit bestaat dat\n\n( i) wordt opgetreden op basis van no cure no pay,\n\n(ii) daarbij zodanige afspraken met de cliënten worden gemaakt dat het bedrag van eventuele proceskostenvergoedingen aan de gemachtigde of aan het kantoor wordt afgedragen, en\n\n(iii) de procedures op een zodanige wijze worden gevoerd dat de daarin toegekende proceskostenvergoedingen de in redelijkheid gemaakte kosten ver overtreffen.\n\n5. De daarbij te hanteren regels zijn nader uitgewerkt in de arresten van de Hoge Raad van 25 april 2025 (ECLI:NL:HR:2025:670) en 18 juli 2025 (ECLI:NL:HR:2025:1175).\n\n5.1.. Volgens de Hoge Raad rusten op de belanghebbende de stelplicht en bewijslast van feiten die meebrengen dat buiten redelijke twijfel komt vast te staan dat, beoordeelt naar de situatie op het moment waarop het desbetreffende rechtsmiddel is aangewend, het bedrijfsmodel van de betreffende gemachtigde of diens kantoor kennelijk niet allehiervoor bedoelde drie kenmerken heeft en dat aldus sprake is van een bijzonder geval. Er is dus (al) sprake van een bijzonder geval als één van de drie kenmerken niet van toepassing is.\n\n5.2.. Bij de beoordeling van het bedrijfsmodel gaat het niet specifiek om de werkzaamheden die de gemachtigde heeft verricht in de procedure waarop de proceskostenvergoeding ziet. Met het bedrijfsmodel is namelijk meer in het algemeen de wijze bedoeld waarop de gemachtigde zijn inkomsten verwerft met het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand.\n\n5.3.. Indien het bedrijfsmodel van een gemachtigde of een kantoor inhoudt dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay (i), of op een grondslag die daarmee in wezen overeenkomt en daarmee dus op één lijn kan worden gesteld, en dat daarbij afspraken met de cliënten worden gemaakt als hiervoor onder (ii) bedoeld, zal aldus moeten worden beoordeeld of dit bedrijfsmodel voldoet aan het hiervoor onder (iii) vermelde kenmerk van vergaande overdekking. Daartoe moet een vergelijking worden gemaakt tussen enerzijds het totale bedrag aan proceskostenvergoedingen dat aan de gemachtigde of aan het kantoor wordt afgedragen, en anderzijds het totale bedrag van de kosten van de gemachtigde of van het kantoor die kunnen worden toegerekend aan het voeren van de procedures waarop die proceskostenvergoedingen betrekking hebben. Het komt dus erop aan of het totale bedrag van de afgedragen proceskostenvergoedingen het totale bedrag van de zojuist bedoelde kosten verre overtreft. De omstandigheid dat vaak geheel of ten dele gebruik wordt gemaakt van gestandaardiseerde tekstblokken die niet zijn toegespitst op de desbetreffende zaak, vormt een aanwijzing dat het bedrijfsmodel wel het derde kenmerk van vergaande overdekking heeft, en zal daarom in het algemeen volstaan om aan te nemen dat de belanghebbende niet in dit door hem te leveren bewijs is geslaagd.\n\n6. In het arrest van 26 september 2025 (ECLI:NL:HR:2025:1375) heeft de Hoge Raad nader uitgewerkt wanneer sprake is van een bedrijfsmodel dat eruit bestaat dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay (i). Bij optreden op basis van no cure no pay moet worden uitgegaan van afspraken tussen de belanghebbende en de rechtsbijstandverlener op grond waarvan de belanghebbende geen financieel risico loopt bij inschakeling van de rechtsbijstandverlener, omdat geen instapvergoeding verschuldigd is noch een percentage van de bespaarde belasting als vergoeding moet worden afgestaan (zie Kamerstukken II 2023\u002F24, 36 427, nr. 3, blz. 2). Bij de beoordeling van de vraag of het bedrijfsmodel van een beroepsmatig optredende gemachtigde, dan wel een kantoor, eruit bestaat dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay, komt het dus erop aan of die gemachtigde dan wel diens kantoor afspraken maakt met klanten op grond waarvan zij geen financieel risico lopen bij het verstrekken van de opdracht tot het verlenen van rechtsbijstand in een belastingprocedure. De verschuldigdheid van een instapvergoeding staat niet in alle gevallen eraan in de weg dat afspraken met een rechtsbijstandsverlener worden aangemerkt als afspraken op basis van no cure no pay. Onder het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand op basis van no cure no pay wordt namelijk ook begrepen het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand op een grondslag die daarmee in wezen overeenkomt en daarmee dus op één lijn kan worden gesteld. Dan moet worden gedacht aan de betaling van een zodanig laag bedrag dat die betaling als een pro forma of symbolische bijdrage moet worden beschouwd.\n\n7. De rechtbank stelt vast dat de gemachtigde van belanghebbende in deze zaak niet heeft bestreden dat haar bedrijfsmodel de hiervoor onder (ii) en (iii) vermelde kenmerken heeft.\n\n8. Belanghebbende bestrijdt dat het bedrijfsmodel van haar gemachtigde ten tijde van het instellen van bezwaar (en beroep) eruit bestaat dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay (i). Hiertoe heeft de gemachtigde verwezen naar een beschrijving van haar per 1 januari 2025 gewijzigde bedrijfsmodel (“Bijzonder geval: bedrijfsmodel Previcus en artikel 30a Wet WOZ”).\n\n8.1.. Volgens die beschrijving is de werkwijze met ingang van 1 januari 2025 fundamenteel gewijzigd. Het aantal dossiers is vanaf 2025 aanzienlijk afgenomen van 128.000 zaken naar circa 1.291 zaken. De zaken worden (vrijwel) niet meer op basis van no cure no pay uitgevoerd, maar volgens een regulier model waarin een cliënt, ongeacht de uitkomst van de zaak, een vaste startvergoeding betaalt (doorgaans gebaseerd op het aantal aanslagbiljetten) en\u002Fof een deel van de gerealiseerde besparing afdraagt (in bijna alle gevallen 40% van de besparing). De vóór 2025 aangebrachte zaken worden nog op basis van no cure no pay uitgevoerd. Bovendien worden vanaf 2025 alle aanslagbiljetten op voorhand gescreend en worden enkel de zaken doorgezet waarbij op voorhand onvoldoende duidelijk is dat er geen fouten zijn gemaakt. Er is, aldus de beschrijving, geen sprake meer van een grote massa waar de wetswijziging (Wet herwaardering proceskostenvergoeding WOZ en Bpm) op zag. De gemachtigde richt zich voortaan op de zakelijke markt, waarbij vrijwel altijd ook prijsafspraken met belanghebbenden worden gemaakt die losstaan van eventueel toegekende proceskostenvergoedingen.\n\n8.2.. De gemachtigde heeft de prijsafspraken over 2025 als volgt in een overzicht opgenomen.\n\n8.3.. De vermelding in de volmacht dat de vergoeding voor de werkzaamheden uitsluitend het totaal van de proceskostenvergoedingen bedraagt, klopt, aldus de beschrijving, niet meer. De onderliggende overeenkomsten bepalen dat cliënten zelf vergoedingen verschuldigd zijn. De proceskostenvergoeding speelt daarin nog slechts een kleine aanvullende rol.\n\n9. Op 4 mei 2026 heeft de gemachtigde van belanghebbende de facturen en betaalbewijzen in een groot aantal zaken, waarin zij als gemachtigde optreedt, ingezonden. Op 11 mei 2026 is daarvan een overzicht overgelegd. Die stukken bevestigen het beeld dat de beschrijving van het bedrijfsmodel geeft. Uit de facturen en betaalbewijzen blijkt namelijk dat de gemachtigde van een groot deel van haar cliënten een “besparingsfee” van minimaal 30% van de eventuele belastingbesparing vraagt, zij die “besparingsfee” aan haar cliënten factureert en die “besparingsfee” vervolgens ook door de cliënten wordt betaald.\n\n10. Daarnaast komt uit de facturen en betaalbewijzen naar voren dat de meeste cliënten (bovenop de “besparingsfee”) tevens een (in hoogte variërende) “startfee” zijn verschuldigd. Op zitting heeft de gemachtigde toegelicht dat, indien overeengekomen, de “startfee” altijd wordt gefactureerd en betaald. Dat dit niet in alle gevallen gebeurt blijkt uit de overgelegde facturen en betaalbewijzen, en komt, aldus de gemachtigde, doordat de “startfee”, die ongeacht de uitkomst is verschuldigd, in die gevallen eerder is gefactureerd en betaald. Dat is anders bij de “besparingsfee”, die niet eerder dan na het nemen van het bestreden besluit in rekening kan worden gebracht, omdat dan pas de (hoogte van de) besparing duidelijk is.\n\n11. De heffingsambtenaar heeft zich ter zitting op het standpunt gesteld dat het pas op 4 mei 2026 door de gemachtigde van belanghebbende indienen van facturen en betaalbewijzen (die op 6 mei 2026 door de rechtbank zijn vrijgegeven), die al in 2025 beschikbaar waren, in strijd is met een goede procesorde. De rechtbank overweegt dat partijen in beginsel vrij zijn om gedurende de procedure hun standpunten aan te vullen. Die vrijheid wordt echter begrensd door de beginselen van de goede procesorde. Hoewel de late indiening van reeds voorhanden zijnde stukken niet de schoonheidsprijs verdient, ziet de rechtbank hierin geen grond om die stukken vanwege strijd met een goede procesorde buiten beschouwing te laten. Hiertoe acht de rechtbank van belang dat de stukken een onderbouwing vormen van een eerder door de gemachtigde ingenomen standpunt, een reactie zijn op het verweerschrift en dat de aard en de omvang van de stukken niet zodanig zijn dat van de heffingsambtenaar om adequaat hierop te kunnen reageren een nader diepgaand (feiten)onderzoek wordt gevergd. De inhoudelijke reactie van de heffingsambtenaar op de stukken in de pleitnota bevestigen dit oordeel.\n\n12. De rechtbank stelt voorop dat voor haar de facturen en de betaalbewijzen leidend zijn voor de beoordeling van de vraag of kenmerk (i) op de gemachtigde van belanghebbende van toepassing is. Naar het oordeel van de rechtbank zijn (alleen) die stukken, en niet (ook) de overeenkomst, de website en de algemene voorwaarden van de gemachtigde (op 9 februari 2025), waarvan gesteld is dat die op dat moment nog niet in overeenstemming met het gewijzigde bedrijfsmodel waren gebracht, relevant voor de vraag of sprake is van een bedrijfsmodel op basis van no cure no pay. Omdat het bedrijfsmodel van de gemachtigde (en niet de vergoedingen in de aan de rechtbank voorliggende zaken) moet worden beoordeeld, blijft die beoordeling, anders dan de heffingsambtenaar stelt, niet beperkt tot de gemeenten binnen het ambtsgebied van de heffingsambtenaar. Daaruit volgt ook dat op grond van het (incidenteel) ontbreken van facturen en betaalbewijzen in aan de rechtbank voorliggende zaken niet zonder meer kan worden geconcludeerd dat kenmerk (i) op het bedrijfsmodel van de gemachtigde van toepassing is.\n\n13. De rechtbank is van oordeel dat met voldoende gegevens is onderbouwd dat de gemachtigde in 2025 voor een groot deel van de procedures een “besparingsfee” in rekening heeft gebracht. Door het betalen van een “besparingsfee” loopt een belanghebbende bij de inschakeling een gemachtigde voor het voeren van een procedure een financieel risico (zie hiervoor het arrest van de Hoge Raad van 26 september 2025). Deze door de gemachtigde gevraagde vergoeding (van 30-40%) acht de rechtbank, nog daargelaten dat de Hoge Raad dat enkel ten aanzien van “instapvergoedingen” heeft geoordeeld, ook niet dusdanig laag dat kan worden gesproken van rechtsbijstandverlening op een grondslag die in wezen overeenkomt met rechtsbijstandverlening op basis van no cure no pay. Op grond van het vorenstaande heeft belanghebbende, naar het oordeel van de rechtbank, buiten redelijke twijfel bewezen dat het bedrijfsmodel van de gemachtigde ten tijde van het instellen van bezwaar niet het kenmerk van optreden op basis van no cure no pay heeft (i). Daaraan doet niet af dat een belanghebbende vooraf ermee heeft ingestemd dat een eventuele vergoeding van proceskosten aan de gemachtigde toekomt. Dat geldt ook voor het ontbreken van facturen en betaalbewijzen van op een eerder moment in rekening gebrachte “startfees” en de door de heffingsambtenaar gestelde inconsistenties in de hoogte hiervan.\n\n14. Uit het vorenstaande volgt dat sprake is van een bijzonder geval en de heffingsambtenaar ten onrechte toepassing heeft gegeven aan artikel 30a, eerste lid, van de Wet woz.\n\n15. Dit betekent dat het beroep van belanghebbende gegrond is. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit voor zover dat ziet op de toegekende proceskostenvergoeding en bepaalt met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht de proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase op € 1.332,- (2 x € 666,-).\n\n16. Aan het standpunt van belanghebbende dat aan het bestreden besluit een motiveringsgebrek kleeft, wordt niet toegekomen.\n\n17. Omdat het beroep gegrond is, moet de heffingsambtenaar het griffierecht aan belanghebbende vergoeden.\n\n18. De rechtbank acht termen aanwezig om de heffingsambtenaar te veroordelen in de proceskosten die belanghebbende redelijkerwijs heeft moeten maken in verband met de behandeling van het beroep, een en ander eveneens overeenkomstig de normen van het Besluit proceskosten bestuursrecht. Aan belanghebbende is door een derde beroepsmatig rechtsbijstand verleend. Voor de in aanmerking te nemen proceshandelingen worden 2 punten (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen op zitting met een waarde van € 934,- per punt) toegekend. De rechtbank bepaalt in overeenstemming met het Richtsnoer proceskostenvergoeding belastingkamers gerechtshoven 2024 (neergelegd in de uitspraak van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 7 augustus 2024, ECLI:NL:GHSHE:2024:2524) de wegingsfactor op 0,5. Gelet hierop bedraagt het vanwege de in deze zaak verleende rechtsbijstand te vergoeden bedrag in totaal € 934,-.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep gegrond;\n\n- vernietigt het bestreden besluit voor zover dat ziet op de toegekende proceskostenvergoeding, stelt de proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase vast op € 1.332,- en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;\n\n- draagt de heffingsambtenaar op het betaalde griffierecht van € 385,- aan belanghebbende te vergoeden;\n\n- veroordeelt de heffingsambtenaar in de proceskosten van belanghebbende wegens verleende rechtsbijstand in beroep tot een bedrag van € 934,-.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. B.F.A. van Huijgevoort, voorzitter, en mrs. E.P.J. Rutten en J.H. van Hoof leden, in aanwezigheid van mr. D.D.R.H. Lechanteur, griffier.De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 8 juli 2026.\n\ngriffier rechter\n\nAfschrift verzonden aan partijen op: 8 juli 2026.\n\nRechtsmiddel\n\nTegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof ’s-Hertogenbosch (belastingkamer).\n\nU kunt digitaal beroep instellen via www.rechtspraak.nl. Daar klikt u op “Formulieren en inloggen”. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ’s-Hertogenbosch (belastingkamer).\n\nBij het instellen van het hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:\n\n1. bij het hogerberoepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;\n\n2 - het hogerberoepschrift moet, indien het op papier wordt ingediend, ondertekend zijn. Verder moet het ten minste het volgende vermelden:\n\na. de naam en het adres van de indiener;\n\nb. de datum van verzending;\n\nc. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;\n\nd. de redenen waarom u het niet eens bent met de uitspraak (de gronden van het hoger beroep).","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBLIM:2026:6423","ecli-nl-rblim-2026-6423",{"courtName":30,"legalDomain":31,"decisionType":18,"procedureType":19},"Roermond","Bestuursrecht; Belastingrecht",{"id":33,"ecli":34,"caseNumber":35,"courtId":36,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":37,"language":38,"source":39,"sourceUrl":6,"summary":40,"slug":41,"metadata":42},"85","ECLI:RO:2026:JudecatoriaSECTORUL5BUCURESTI:17050-302-2025-a1","17050\u002F302\u002F2025\u002Fa1",97,"Admite cererea de îndreptare a erorii materiale din cuprinsul sentin?ei civile nr. 2484\u002F06.03.2026, pronunţată de Judecătoria Sectorului 5 Bucure?ti în dosar nr. 17050\u002F302\u002F2025, formulată din oficiu.       \nDispune îndreptarea erorii materiale strecurată în cuprinsul sentin?ei civile nr. 2484\u002F06.03.2026 pronun?ată în cadrul dosarului nr. 17050\u002F302\u002F2025, în sensul re?inerii că pârâtul Vasile Constantin are codul numeric personal ............, iar nu ............., astfel cum în mod eronat s-a consemnat.   \nPrezenta încheiere face parte integrantă din cuprinsul sentin?ei civile nr. 2484\u002F06.03.2026 pronun?ată în cadrul dosarului nr. 17050\u002F302\u002F2025.   \nÎndreptarea se va efectua în toate exemplarele sentin?ei.\n\tCu drept de apel în 30 de zile de la comunicare. Cererea de apel se va depune la Judecătoria Sectorului 5 Bucure?ti.   \n\tPronun?ată prin punerea solu?iei la dispozi?ia păr?ilor prin intermediul grefei instan?ei, astăzi, 08.07.2026.\n","ro","portalquery_ro","Admite cererea","ecli-ro-2026-judecatoriasectorul5bucuresti-17050-302-2025-a1",null,{"id":44,"ecli":45,"caseNumber":6,"courtId":46,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":47,"language":12,"source":13,"sourceUrl":48,"summary":6,"slug":49,"metadata":50},"296","ECLI:NL:GHDHA:2026:2250",58,"Rolnummer: 22-001978-23\n\nParketnummer: 10-066729-23\n\nDatum uitspraak: 8 juli 2026\n\nTEGENSPRAAK\n\nArrestvan de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Den Haag gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 28 juni 2023 in de strafzaak tegen de verdachte:\n\n [verdachte],\n\ngeboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2002,\n\nBRP-adres: [BRP-adres] , [woonplaats] .\n\nOnderzoek van de zaak\n\nDit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof.\n\nHet hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.\n\nProcesgang\n\nIn eerste aanleg is de verdachte van het onder 1 tenlastegelegde vrijgesproken en ter zake van het onder 2 en 3 tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 120 dagen, met aftrek van voorarrest, waarvan 73 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren. Voorts is beslist op de vorderingen van de benadeelde partijen, zoals nader omschreven in het vonnis waarvan beroep.\n\nNamens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.\n\nOmvang van het hoger beroep\n\nDe verdachte is door de rechtbank Rotterdam vrijgesproken van hetgeen aan hem onder 1 is tenlastegelegd. Het hoger beroep is door de verdachte onbeperkt ingesteld en is derhalve mede gericht tegen de in eerste aanleg gegeven beslissing tot vrijspraak. Gelet op hetgeen is bepaald in artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering staat voor de verdachte tegen deze beslissing geen hoger beroep open. Het hof zal de verdachte mitsdien niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep gegeven vrijspraak.\n\nWaar hierna wordt gesproken van \"de zaak\" of \"het vonnis\", wordt daarmee bedoeld de zaak of het vonnis voor zover op grond van het vorenstaande aan het oordeel van dit hof onderworpen.\n\nTenlastelegging\n\nAan de verdachte is – voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen – tenlastegelegd dat:\n\n2. hij op of omstreeks 01 januari 2023 te 's-Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard, openlijk, te weten, op of aan de Smidsweg en\u002Fof de Langestraat, in elk geval op of aan (een) openbare weg(en), in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een of meer verbalisanten van de politie Eenheid Rotterdam, te weten [hoofdagent] (hoofdagent) en\u002Fof [aspirant] (aspirant) en\u002Fof één of meer verbalisanten, zijnde groepsleden van de Mobiele Eenheid van politie Eenheid Rotterdam, te weten [verbalisant 1] en\u002Fof [verbalisant 2] en\u002Fof [verbalisant 3] en\u002Fof [verbalisant 4] en\u002Fof [verbalisant 5] en\u002Fof [verbalisant 6] en\u002Fof [verbalisant 7] en\u002Fof [verbalisant 8] en\u002Fof [verbalisant 9] en\u002Fof [verbalisant 10] en\u002Fof [verbalisant 11] en\u002Fof [verbalisant 12] en\u002Fof [verbalisant 13] en\u002Fof [verbalisant 14] en\u002Fof [verbalisant 15] en\u002Fof [verbalisant 16] en\u002Fof [verbalisant 17] en\u002Fof [verbalisant 18] en\u002Fof [verbalisant 19] en\u002Fof [verbalisant 20] , althans een of meer (andere) verbalisanten door\n\n- één of meer stuks zwaar (illegaal) vuurwerk (betreffende onder meer: cobra's \u002F nitraten \u002F shells) en\u002Fof vuurwerkbommen op\u002Ftegen, althans in de richting van\u002Fnaar voornoemde verbalisanten af te schieten en\u002Fof te gooien, waarbij voornoemd(e) vuurwerk\u002Fvuurwerkbommen vlakbij\u002Fnaast het\u002Fde lichamen en\u002Fof het\u002Fde hoofden\u002Fgezichten van voornoemde verbalisanten tot ontploffing is\u002Fzijn gekomen en\u002Fof\n\n- ( met kracht) één of meer stenen en\u002Fof glaswerk op\u002Ftegen, althans in de richting van voornoemde verbalisanten te gooien en\u002Fof\n\n- ( dreigend) zich op te dringen aan voornoemde ambtenaren en\u002Fof\n\n- ( daarbij) (dreigend) een of meerdere ploertendoders, althans slagvoorwerpen, aan voornoemde ambtenaren te tonen\u002Fvoor te houden en\u002Fof\n\n- ( daarbij) aan die [aspirant] en\u002Fof [hoofdagent] en\u002Fof een of meer (andere) verbalisanten de weg te versperren, althans de doorgang te beletten en\u002Fof (daarbij) te verhinderen dat die [aspirant] en\u002Fof [hoofdagent] en\u002Fof anderen met\u002Fin een (politie)voertuig weg konden rijden en\u002Fof\n\n- naar\u002Fin de richting van voornoemde ambtenaren te schelden, met de woorden: \"Kankerlijers\", \"Kanker op joh\" en\u002Fof \"Kankerpolitie\" en\u002Fof\n\n- ( met kracht) op\u002Ftegen het (politie)schild van die [verbalisant 2] te trappen\u002Fschoppen;\n\n3. hij op of omstreeks 31 december 2022 te 's-Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard opzettelijk en wederrechtelijk een vuilnisbak\u002Fprullenbak, in elk geval enig goed, dat\u002Fdie geheel of ten dele aan Gemeente Hoeksche Waard, in elk geval aan een ander dan aan verdachte toebehoorde(n) heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt.\n\nVordering van de advocaat-generaal\n\nDe advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de bewezenverklaring zal worden bevestigd en dat de verdachte ter zake van het onder 2 en 3 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 107 dagen, met aftrek van voorarrest, waarvan 60 dagen voorwaardelijk en met een proeftijd van 2 jaren.\n\nHet vonnis waarvan beroep\n\nHet vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.\n\nVrijspraak\n\nDe advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het onder 2 tenlastegelegde wettig en overtuigend kan worden bewezenverklaard, nu de verdachte met zijn handelen een bijdrage van voldoende gewicht heeft geleverd aan het openlijk geweld tegen de desbetreffende verbalisanten. Zo heeft de verdachte voorafgaand aan de jaarwisseling deel genomen aan een WhatsApp-groep waarin werd gesproken over het voornemen onrust te veroorzaken ten tijde van de jaarwisseling. Voorts heeft de verdachte in de nacht van de jaarwisseling – nadat hij door leden van de Mobiele Eenheid (ME) was ingesloten –op zijn telefoon een video-opname gemaakt waarin er samen met medeverdachte [medeverdachte] (hierna: [medeverdachte] ) wordt gepraat over het doodschoppen van een ME’er. Vijftien minuten nadat hij deze video had opgenomen, is [medeverdachte] aangehouden voor het schoppen tegen het schild van een ME’er.\n\nHet hof overweegt als volgt.\n\nHet hof stelt voorop dat van het \"in vereniging\" plegen van geweld sprake is, indien de betrokkene een voldoende significante of wezenlijke bijdrage levert aan het geweld, zij het dat deze bijdrage zelf niet van gewelddadige aard hoeft te zijn. De enkele omstandigheid dat iemand aanwezig is in een groep die openlijk geweld pleegt is niet zonder meer voldoende om hem te kunnen aanmerken als iemand die \"in vereniging\" geweld pleegt. Beoordeeld zal moeten worden of de door de verdachte geleverde – intellectuele en\u002Fof materiële – bijdrage aan het delict van voldoende gewicht is.\n\nMet de advocaat-generaal en de verdediging is het hof van oordeel dat op grond van het verhandelde ter terechtzitting niet kan worden bewezen dat de verdachte omstreeks de jaarwisseling geweld heeft gebruikt jegens de verbalisanten, zoals het gooien met stenen of vuurwerk. Het hof is voorts van oordeel dat evenmin bewezen kan worden dat de verdachte op enige wijze geweldshandelingen die door andere personen zijn gepleegd heeft ondersteund of anderszins heeft bijgedragen aan het ontstaan of het voortduren van het geweld jegens de verbalisanten. Het hof neemt hierbij in aanmerking dat [medeverdachte] bij de raadsheer-commissaris als getuige is gehoord en heeft verklaard dat hetgeen de verdachte in de video-opname heeft gezegd, los stond van zijn handelen daarna en dat de verdachte niet in de buurt was toen [medeverdachte] tegen het schild van verbalisant [verbalisant 2] aan schopte. De enkele aanwezigheid in de groep die door de politie\u002FME was ingesloten en het feit dat de verdachte deel uit maakte van een WhatsApp-groep acht het hof evenmin een bijdrage van voldoende gewicht. Gelet op het voorgaande is niet vast komen te staan dat de verdachte een voldoende significante of wezenlijke bijdrage heeft geleverd aan het tenlastegelegde geweld tegen de desbetreffende verbalisanten, zodat het ten laste gelegde niet kan worden bewezen en de verdachte daarvan zal worden vrijgesproken.\n\nBewezenverklaring\n\nHet hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 3 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:\n\n3. hij op of omstreeks31 december 2022 te 's-Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard opzettelijk en wederrechtelijk eenvuilnisbak\u002Fprullenbak, in elk geval enig goed,dat\u002Fdiegeheel of ten deleaan Gemeente Hoeksche Waard, in elk geval aan een ander dan aan verdachtetoebehoorde(n)heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt;.\n\nHetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.\n\nBewijsvoering\n\nHet hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.\n\nIn die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.\n\nStrafbaarheid van het bewezenverklaarde\n\nHet onder 3 bewezenverklaarde levert op\n\nopzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen.\n\nStrafbaarheid van de verdachte\n\nEr is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.\n\nStrafmotivering\n\nHet hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.\n\nDaarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.\n\nDe verdachte heeft zich op oudejaarsavond schuldig gemaakt aan vernieling van een prullenbak door hierop zwaar vuurwerk tot ontploffing te brengen. Een dergelijk feit is gevaarzettend en geschikt om gevoelens van angst en onveiligheid in de maatschappij teweeg te brengen. De verdachte heeft met zijn handelen de gemeente en daarmee de gemeenschap financiële schade berokkend en hij heeft hiermee overlast veroorzaakt.\n\nHet hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie van 1 juni 2026, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder voor een vergelijkbaar feit is veroordeeld.\n\nTen aanzien van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) overweegt het hof dat deze is aangevangen op 6 maart 2023. In eerste aanleg is de redelijke termijn niet overschreden. Het hof stelt vast dat de behandeling van de zaak in hoger beroep niet heeft plaatsgevonden binnen de daartoe gestelde redelijke termijn,. Namens de verdachte is immers op 4 juli 2023 hoger beroep ingesteld en het hof wijst op 8 juli 2026 eindarrest. De redelijke termijn van de berechting in hoger beroep is derhalve met meer dan één jaar overschreden. Het hof ziet, ook gelet op de duur van de procedure als geheel, aanleiding te volstaan met de constatering van dit verzuim, gelet op de gekozen strafmodaliteit en de hoogte van de op te leggen straf.\n\nHet hof is – alles afwegende – van oordeel dat een onvoorwaardelijke taakstraf van na te melden duur een passende en geboden reactie vormt. Anders dan de verdediging heeft bepleit acht het hof een geldboete, gelet op de context waarin en de wijze waarop de vernieling plaatsvond – tijdens de jaarwisseling en met (illegaal) vuurwerk – niet passend. Evenmin zal om die reden toepassing worden gegeven aan het bepaalde in artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht.\n\nVorderingen tot schadevergoeding\n\nIn het onderhavige strafproces hebben tweeëntwintig verbalisanten zich als benadeelde partij gevoegd ter zake van het onder 2 ten laste gelegde. De benadeelde partijen [verbalisant 17] , [verbalisant 12] , [verbalisant 8] , [verbalisant 9] , [verbalisant 19] , [verbalisant 20] , [verbalisant 18] , [verbalisant 15] , [verbalisant 10] , [verbalisant 4] , [verbalisant 1] , [verbalisant 16] , [verbalisant 3] , [aspirant] , [verbalisant 7] , [hoofdagent] , [verbalisant 14] , [verbalisant 5] en [verbalisant 6] vorderen per persoon een vergoeding van € 350,00 aan immateriële schade. De benadeelde partijen [verbalisant 13] en [verbalisant 11] vorderen per persoon een vergoeding van € 400,00 aan immateriële schade en de benadeelde partij [verbalisant 2] vordert een vergoeding van € 750,00 aan immateriële schade.\n\nNu de verdachte ter zake van het onder 2 tenlastegelegde wordt vrijgesproken, zullen de benadeelde partijen niet-ontvankelijk worden verklaard in hun vordering.\n\nGelet daarop zullen de benadeelde partijen worden veroordeeld in de kosten die de verdachte tot aan deze uitspraak in verband met de verdediging tegen die vorderingen heeft moeten maken, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil.\n\nToepasselijke wettelijke voorschriften\n\nHet hof heeft gelet op de artikelen 9, 22c, 22d en 350 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.\n\nBESLISSING\n\nHet hof:\n\nVerklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder 1 tenlastegelegde.\n\nVernietigt het vonnis waarvan beroep voor zover thans aan het oordeel van het hof onderworpen en doet in zoverre opnieuw recht:\n\nVerklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 2 tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.\n\nVerklaart, zoals hiervoor overwogen, bewezen dat de verdachte het onder 3 tenlastegelegde heeft begaan.\n\nVerklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.\n\nVerklaart het onder 3 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.\n\nVeroordeelt de verdachte tot een taakstrafvoor de duur van60 (zestig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door30 (dertig) dagen hechtenis.\n\nBeveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van 2 uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.\n\nVordering van de benadeelde partijen:\n\n- [verbalisant 17] ,\n\n- [verbalisant 12] ,\n\n- [verbalisant 13] ,\n\n- [verbalisant 8] ,\n\n- [verbalisant 9] ,\n\n- [verbalisant 19] ,\n\n- [verbalisant 20] ,\n\n- [verbalisant 11]\n\n- [verbalisant 18] ,\n\n- [verbalisant 15] ,\n\n- [verbalisant 10] ,\n\n- [verbalisant 4] ,\n\n- [verbalisant 1] ,\n\n- [verbalisant 16] ,\n\n- [verbalisant 3] ,\n\n- [verbalisant 2]\n\n- [aspirant] ,\n\n- [verbalisant 7] ,\n\n- [hoofdagent] ,\n\n- [verbalisant 14] ,\n\n- [verbalisant 5] , en\n\n- [verbalisant 6]\n\nVerklaart de hiervoor genoemde benadeelde partijen telkens niet-ontvankelijk in hun vordering tot schadevergoeding.\n\nVeroordeelt de hiervoor genoemde benadeelde partijen telkens in de door verdachte gemaakte kosten en begroot deze telkens op nihil.\n\nDit arrest is gewezen door mr. F.W. Pieters, als voorzitter, mr. E.C. van Veen en mr. M.C. Bruining, leden, in bijzijn van de griffier mr. V.V. de Lange.\n\nHet is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 8 juli 2026.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHDHA:2026:2250","ecli-nl-ghdha-2026-2250",{"courtName":51,"legalDomain":52,"decisionType":18,"procedureType":19},"Den Haag","Strafrecht",{"id":54,"ecli":55,"caseNumber":6,"courtId":7,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":56,"language":12,"source":13,"sourceUrl":57,"summary":6,"slug":58,"metadata":59},"348","ECLI:NL:RBDHA:2026:18721","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Groningen\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL26.20806\n uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n \n [naam], eiseres,\n\nV-nummer: [v-nummer:],\n\n(gemachtigde: mr. I.M. Zuidhoek),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, de minister.\n\nInleiding\n\n1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 7 april 2026 niet in behandeling genomen omdat daarvoor Frankrijk verantwoordelijk is.\n\n1.1.. De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiseres. Zij doet dat mede aan de hand van de argumenten die eiseres heeft aangevoerd, de beroepsgronden.\n\n3. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiseres ongelijk krijgt en het bestreden besluit in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nToepasselijk recht\n\n4. Op deze zaak is het recht van toepassing dat gold vóór 12 juni 2026.\n\nTotstandkoming van het besluit\n\n5. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening.Op grond van de Dublinverordening neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.In dit geval heeft Nederland bij Frankrijk een verzoek om terugname gedaan. Frankrijk heeft dit verzoek aanvaard.\n\nMag de minister ten opzichte van Frankrijk uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel?\n\n6. Eiseres stelt zich op het standpunt dat er in Frankrijk voor haar een onveilige situatie zal optreden. Dit is het gevolg van de aanwezigheid van veel Libanezen in Frankrijk, waaronder ook de familie van haar moeder die haar eerder al bedreigde. Bovendien heeft eiseres in Nederland een community gevonden waar zij zich veilig bij voelt en in Frankrijk heeft zij niemand, dit is voor haar een angstaanjagend vooruitzicht. Dit terwijl in Nederland er een sterke en diverse LHBT-gemeenschap is waar zij zich veilig voelt. Volgens eiseres is er in Frankrijk bovendien nog steeds een groot probleem met betrekking tot de opvang van asielzoekers. Ze verwijst naar het AIDA-rapport over Frankrijk, update 2024.Er is een tekort aan opvangplekken en eiseres loopt bij terugkeer een reëel risico om in een situatie van materiële deprivatie terecht te komen. Volgens eiseres is het bestreden besluit niet zorgvuldig voorbereid en berust het evenmin op een deugdelijke motivering.\n\n6.1.. De beroepsgrond slaagt niet. Naar het oordeel van de rechtbank mag de minister ten aanzien van Frankrijk uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. De Afdelingheeft meermaals bevestigd dat ten aanzien van Frankrijk in algemene zin kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Hierbij is ook het AIDA rapport, update 2024, betrokken. De rechtbank overweegt ambtshalve dat ook het recente AIDA rapport, update 2025, geen wezenlijk ander beeld geeft van de opvangvoorzieningen in Frankrijk dan de informatie die is betrokken door de Afdeling in eerdere uitspraken.\n\n6.2.. Uit de AIDA rapporten blijkt niet dat sprake is van structurele tekortkomingen in de opvang of asielprocedure, ook niet ten aanzien van de LHTBI-gemeenschap. Eiseres heeft bovendien niet aannemelijk gemaakt dat zij bij overdracht aan Frankrijk persoonlijk geen opvang, rechtsbescherming of toegang tot de procedure zal krijgen. Eiseres heeft niet eerder een asielaanvraag in Frankrijk ingediend waardoor zij geen persoonlijke ervaring heeft met de kwaliteit van de asielprocedure en de opvangvoorzieningen in Frankrijk.\n\n6.3.. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van bijzondere, individuele omstandigheden op basis waarvan de minister de aanvraag toch zou moeten behandelen.\n\nConclusie en gevolgen\n\n7. Het beroep is kennelijk ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft en eiseres overgedragen kan worden aan Frankrijk. Eiseres krijgt geen vergoeding van haar proceskosten.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. A. Sibma, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Strating, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.\n\nDe uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over verzet\n\nAls partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.\n\n Zie artikel 84 van de Asiel- en migratiebeheerverordening inzake het overgangsrecht.\n\n Verordening (EU) nr. 604\u002F2013.\n\n Dit staat ook in artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.\n\n Update 2024 van juni 2025.\n\n Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.\n\n Update 2025 van mei 2026.\n\n Zie ook de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Arnhem, van 3 juli 2026. (ECLI:NL:RBDHA:2026:18469, r.o. 7.1) en de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Middelburg, van 25 juni 2026 (ECLI:NL:RBDHA:2026:17711).","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18721","ecli-nl-rbdha-2026-18721",{"courtName":8,"legalDomain":60,"decisionType":18,"procedureType":19},"Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht",{"id":62,"ecli":63,"caseNumber":6,"courtId":64,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":65,"language":12,"source":13,"sourceUrl":66,"summary":6,"slug":67,"metadata":68},"418","ECLI:NL:RBDHA:2026:18726",61,"RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Rotterdam\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL26.36068uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n\n [naam eiser] , eiser\n\nV-nummer: [V-nummer]\n\n(gemachtigde: mr. J.S. Dobosz),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, verweerder\n\n(gemachtigde: mr. C. van der Zijde).\n\nSamenvatting\n\n1. Deze uitspraak gaat over de maatregel van vreemdelingenbewaring die aan eiser is opgelegd. Deze maatregel is opgelegd op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser is het niet eens met die maatregel. Hij voert daartegen een beroepsgrond aan. Onder meer aan de hand van deze beroepsgrond beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van die maatregel en de vraag of aan eiser een schadevergoeding moet worden toegekend.\n\n1.1.. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep gegrond is. Het opleggen van de maatregel van vreemdelingenbewaring is onrechtmatig. De rechtbank kent daarom een schadevergoeding toe. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.\n\n1.2.. In deze uitspraak gebruikt de rechtbank de volgende afkortingen voor de wet- en regelgeving:\n\nAwb: Algemene wet bestuursrecht\n\nVw: Vreemdelingenwet 2000\n\nVb: Vreemdelingenbesluit 2000\n\nProcesverloop\n\n2. Met het bestreden besluit van 29 juni 2026 heeft verweerder aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.\n\n2.1.. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.\n\n2.2.. De rechtbank heeft het beroep op 7 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, K.A. Ozdzinska als tolk en de gemachtigde van verweerder.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\nToetsingskader\n\n3. Verweerder kan als het belang van de openbare orde of de nationale veiligheid dat vordert, de vreemdeling die geen rechtmatig verblijf heeft in vreemdelingenbewaring stellen.Verweerder stelt een vreemdeling slechts in vreemdelingenbewaring, voor zover geen minder dwingende maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast en de vreemdelingenbewaring blijft achterwege of wordt beëindigd, indien deze niet langer noodzakelijk is met het oog op het doel van de vreemdelingenbewaring.Deze vreemdeling kan in vreemdelingenbewaring worden gesteld op grond dat het belang van de openbare orde of nationale veiligheid zulks vordert, indien a) een onderduikrisico bestaat, of b) de vreemdeling de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert.De maatregel kan alleen worden opgelegd wegens het bestaan van een onderduikrisico, indien ten minste twee van de gronden, genoemd in artikel 5.6, tweede lid, van het Vb zich voordoen.\n\nGronden\n\n4. Eiser heeft de gronden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd niet bestreden. De gronden, die de ambtshalve toetsing van de rechtbank doorstaan, zijn tezamen voldoende om de maatregel van bewaring te kunnen dragen.\n\nRechtmatig verblijf\n\n5. Eiser heeft aangevoerd dat er sprake is van een rechtmatig verblijf van eiser in Nederland op grond van artikel 7 van de Richtlijn 2004\u002F38\u002FEG. Eiser is een maand voorafgaand aan de onderhavige zaak opgehouden op 3 juni 2026. Hij heeft ter onderbouwing het proces-verbaal van ophouding overgelegd. Op deze dag is onderzoek gedaan naar de arbeidssituatie van eiser. Gebleken is dat eiser arbeid verricht voor een Nederlands uitzendbureau en beschikte over een arbeidscontract. Eiser is vervolgens heengezonden wegens bestendig verblijf. Verweerder kon ten aanzien van de onderhavige maatregel van bewaring op 29 juni 2026 niet zonder meer terugvallen op het standpunt dat sprake is van voortgezet onrechtmatig verblijf. Dit is onverenigbaar met de bevinding op 3 juni 2026. De maatregel van bewaring is dan ook onvoldoende zorgvuldig voorbereid en onvoldoende gemotiveerd.\n\n5.1.. Verweerder heeft aan de maatregel ten grondslag gelegd dat eiser geen rechtmatig verblijf in Nederland heeft, nu zijn verblijfsrecht als Unieburger bij beschikking van 6 maart 2025 is beëindigd. De rechtbank stelt voorop dat de enkele omstandigheid dat het verblijfsrecht van een Unieburger eerder is beëindigd, niet zonder meer meebrengt dat deze op een later moment geen rechten meer aan het Unierecht kan ontlenen. Indien sprake is van gewijzigde feiten en omstandigheden dient verweerder de verblijfsrechtelijke positie van de betrokkene opnieuw te beoordelen alvorens tot het oordeel te komen dat hij geen rechtmatig verblijf heeft.\n\n5.2.. De rechtbank oordeelt als volgt. In de maatregel van bewaring is vermeld dat eiser heeft verklaard werkzaam te zijn voor een Nederlands uitzendbureau en dit ook heeft aangetoond, dat eiser werkzaam is in België waar hij ook wordt voorzien van woonruimte door de werkgever en dat hij in België mag verblijven. Naar het oordeel van de rechtbank vormen deze omstandigheden concrete aanwijzingen dat de feitelijke situatie van eiser sinds de beschikking van 6 maart 2025 is gewijzigd. Van verweerder mocht daarom worden verwacht dat hij kenbaar zou onderzoeken welke betekenis deze gewijzigde omstandigheden hebben voor de actuele verblijfsrechtelijke positie van eiser. Uit de maatregel van bewaring, het gehoor voorafgaand aan deze maatregel en de overige stukken in het dossier is niet gebleken dat een dergelijk onderzoek heeft plaatsgevonden. Daarbij betrekt de rechtbank dat uit het proces-verbaal van ophouding van eiser op 3 juni 2026 blijkt dat eiser is heengezonden, omdat sprake was van ‘mogelijk bestendig verblijf’. Uit het proces-verbaal van verhoor op die dag blijkt dat het werken voor een Nederlands uitzendbureau hier ook aan de orde is geweest. Vervolgens wordt nog geen maand later in de onderhavige maatregel van bewaring zonder kenbare motivering aangenomen dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft. Niet valt in te zien waarom verweerder er zonder nader onderzoek van uit heeft kunnen gaan dat eiser geen aan het Unierecht ontleend verblijfsrecht had. De motivering dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft, is onder deze omstandigheden onvoldoende draagkrachtig. Gelet hierop is de maatregel in strijd met artikel 3:2 en 3:46 van de Awb tot stand gekomen en is dan ook onrechtmatig. Deze beroepsgrond slaagt.\n\nConclusie en gevolgen\n\n6. Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is gegrond. Deze maatregel is vanaf het moment van het opleggen daarvan onrechtmatig. De rechtbank beveelt de opheffing van deze maatregel met ingang van vandaag.\n\n6.1.. Op grond van artikel 106 van de Vw kan de rechtbank indien zij de opheffing van de maatregel van vreemdelingenbewaring beveelt aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen. De rechtbank acht gronden aanwezig om een schadevergoeding toe te kennen voor 10 dagen onrechtmatige (tenuitvoerlegging van de) vreemdelingenbewaring ten bedrage van 0 x € 160,- (verblijf politiecel) en 10 x € 120,- (verblijf detentiecentrum) = € 1.200,-.\n\n6.2.. Eiser krijgt een vergoeding van zijn proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- omdat de gemachtigde van eiser geacht wordt beroep te hebben ingesteld en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep gegrond;\n\n- veroordeelt de Staat der Nederlanden tot het betalen van € 1.200,- aan schadevergoeding aan eiser, te betalen door de griffier en beveelt de tenuitvoerlegging van deze schadevergoeding;\n\n- beveelt de opheffing van de maatregel van vreemdelingenbewaring met ingang van vandaag;\n\n- veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiser.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. S.N. Abdoelkadir, rechter, in aanwezigheid van mr. M. Stehouwer, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.\n\n Het beroep tegen een maatregel van bewaring wordt ook aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding. Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 59c van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 5.5 van het Vb.\n\n Dit volgt uit artikel 5.6, eerste lid, van het Vb.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18726","ecli-nl-rbdha-2026-18726",{"courtName":69,"legalDomain":60,"decisionType":18,"procedureType":19},"Rotterdam"]