ECLI:NL:RBNNE:2026:2631
Samenvatting
Civiel recht; Insolventierecht
Uitspraak
Leeuwarden
RECHTBANK Noord-Nederland
Afdeling Privaatrecht
Lokatie Leeuwarden
Rekestnummer: NL:TZ:2609978:R-RK
Uitspraak van 22 april 2026
In de zaak van
[verzoekster],
geboren op [geboortedatum] 1958 te [geboorteplaats],
wonende te [adres],
verzoekster, hierna te noemen [verzoekster],
tegen
Intrum Justitia, vertegenwoordigd door LAVG Gerechtsdeurwaarders, correspondentieadres: Postbus 774, 9700 AT Groningen
en
Ziggo, vertegenwoordigd door LAVG Gerechtsdeurwaarders, correspondentieadres:
Postbus 774, 9700 AT Groningen
Samenvatting
[verzoekster] heeft een verzoek ingediend tot het treffen van een voorlopige voorziening.
De rechtbank wijst het verzoek toe.
1. Het verzoek1.1.
[verzoekster] heeft op 17 april 2026 bij de rechtbank een verzoek gedaan om te worden toegelaten tot de wettelijke schuldsaneringsregeling (Wsnp). Ook heeft [verzoekster] op 17 april 2026 een verzoek gedaan waarin zij de rechtbank vraagt een voorlopige voorziening te treffen.
1.2. Deze voorziening houdt in dat de rechtbank de uitoefening van het door LAVG namens Intrum Justitia en Ziggo gelegde derdenbeslag op het inkomen van verzoekster zal schorsen voor de periode dat de rechtbank nog niet heeft beslist op het verzoek tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling.1.3. Op basis van de stukken is besloten het verzoek zonder zitting te behandelen
1.4. De uitspraak is bepaald op vandaag.
2. De beoordeling
2.1. Positie [verzoekster]
is alleenstaand en gepensioneerd en kampt met een schuldenlast van € 46.674,66. [verzoekster] ontvangt sinds 12 mei 2025 een AOW uitkering en pensioen. Verzoekster heeft aangegeven dat zij diverse medische problemen heeft, waaronder diabetes en hartproblemen en dat zij daarvoor bij diverse specialisten onder controle staat. De kosten van bijvoorbeeld een controle bij de cardioloog en de reiskosten (eigen bijdrage taxipas) kunnen door het beslag niet worden betaald. Dit geldt volgens verzoekster ook voor de gemeentelijke heffingen, waarvoor het verzoek om kwijtschelding is afgewezen door de gemeente omdat er geen rekening is gehouden met het loonbeslag. Het loonbeslag drukt zwaar op het budget.
2.2. Positie Intrum Justitia en Ziggo
Bij vonnis van 7 mei 2014 is [verzoekster] veroordeeld om aan Intrum Justitia
€ 6.40,65 (exclusief rente en (proces)kosten) te betalen. Bij vonnis van 24 juli 2012
is [verzoekster] veroordeeld om aan Ziggo € 101,35 (exclusief rente en
(proces)kosten) te betalen. Bij exploot van 4 december 2025 heeft LAVG het
exploot betekend van het op 1 december 2025 door LAVG op verzoek van Ziggo en Intrum Justitia onder de Sociale Verzekeringsbank gelegde executoriaal derdenbeslag op de uitkering van verzoekster.
Het vrij te laten bedrag vanaf 1 januari 2026 bedraagt € 1.654,53. Via loonbeslag wordt maandelijks € 577,15 ingehouden op de AOW uitkering. Hierdoor heeft verzoekster een besteedbaar inkomen van € 1.427,21 per maand. Dat is € 227,00 minder dan het vrij te laten bedrag.
2.3. Het verzoek van [verzoekster] zal worden toegewezen omdat de rechtbank van
oordeel is dat de gevraagde voorziening spoedeisend is. Naar het oordeel van de rechtbank is, gelet op het feit dat er door het beslag niet kan worden gereserveerd voor betaling van schuldeisers, alsmede dat er een situatie dreigt te ontstaan waarin niet alle vaste lasten kunnen worden voldaan en waarin (reis)kosten voor noodzakelijke medische afspraken niet betaald kunnen worden, sprake is van een bedreigende en spoedeisende situatie. [verzoekster] is bezig haar schulden te saneren. In dat kader mag van een schuldeiser verwacht worden dat hij een pas op de plaats maakt.
2.4. Op het verzoek tot toelating tot de Wsnp zal op een later moment worden beslist.
2.5. Dit leidt tot de volgende beslissing
3. De beslissing
De rechtbank:
3.1. bepaalt dat het op 1 december 2025 door LAVG namens Ziggo en Intrum Justitia onder de Sociale Verzekeringsbank gelegde beslag voor de duur van deze voorziening wordt opgeschort;
3.2. bepaalt dat deze voorziening geldt totdat de uitspraak op het schuldsaneringsverzoek onherroepelijk is geworden of dit verzoek is ingetrokken;
3.3. bepaalt dat de behandeling van het schuldsaneringsverzoek zal plaatsvinden op een
nader te bepalen datum;
3.4. verklaart deze beslissing uitvoerbaar bij voorraad.
Dit is de beslissing van mr. H.J. Idzenga, rechter, in samenwerking met L. Nijenhuis, griffier. Deze beslissing is in het openbaar uitgesproken op 22 april 2026 .
Hoger beroep
Tegen deze uitspraak kan verzoek(st)er en door de in de procedure verschenen belanghebbenden hoger beroep worden ingesteld binnen drie maanden bij het gerechtshof dat van de zaak kennis moet nemen, te rekenen van de dag van de uitspraak en door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking hun op andere wijze bekend is geworden.