Skip to main content

ECLI:NL:RBNNE:2026:2634

Rechtbank

Assen

Datum

4 May 2026

Taal

nl

Samenvatting

Rechtsvraag

Civiel recht; Insolventierecht

Uitspraak / Beslissing

Uitspraak

Assen

Procedure: UitspraakDomain: Civiel recht; InsolventierechtType: uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling Privaatrecht

Locatie: Assen

zaaknummer: C/18/26/1128 R

vonnis van 4 mei 2026

in de zaak van:

[verzoekster],

geboren op [geboortedatum] 1985 te [geboorteplaats],

wonende te [adres],

hierna te noemen verzoekster

PROCESGANG

Verzoekster heeft op 13 februari 2026 een verzoekschrift met bijlagen ingediend tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling.

Het verzoekschrift is behandeld ter zitting van 20 april 2026. Daarbij is verzoekster verschenen tezamen met haar echtgenoot [echtgenoot] en haar schuldhulpverlener mevrouw [schuldhulpverlener].

RECHTSOVERWEGINGEN

De rechtbank is gelet op het bepaalde in artikel 3 lid 1 van Verordening 2015/848 van de Raad van de Europese Unie bevoegd deze hoofdprocedure te openen nu het centrum van de voornaamste belangen van verzoekster in Nederland ligt.

Het verzoekschrift voldoet aan de daaraan gestelde eisen.

Gebleken is dat verzoekster in de toestand verkeert dat zij heeft opgehouden te betalen, dan wel dat redelijkerwijs is te voorzien dat zij niet zal kunnen voortgaan met betaling van haar schulden. Van een grond voor afwijzing van het verzoek is niet gebleken.

De Wsnp duurt in principe 18 maanden. Artikel 349a lid 1 Fw bepaalt dat de termijn van de schuldsaneringsregeling begint op de dag van de uitspraak tot de toepassing van de schuldsaneringsregeling, dan wel van de dag waarop de eerste aflossing is gedaan in het kader van de buitengerechtelijke schuldregeling indien die eerder is gelegen.

Verzoekster heeft verzocht om een eerdere ingangsdatum als bedoeld in artikel 349a lid 1 Fw. Verzoekster heeft verzocht om haar Wsnp in te laten gaan op 9 december 2025, zijnde de datum waarop haar echtgenoot is toegelaten tot de wettelijke schuldsaneringsregeling. Verzoekster heeft gesteld dat zij een oproepcontract heeft en 16 uur per week werkzaam. Haar zoon van 16 heeft ernstige gedragsproblemen en zijn verblijf is onduidelijk. Dit zorgt voor veel stress en beïnvloedt haar dagelijkse functioneren zodanig dat meer werken er niet in zat.

De rechtbank ziet geen aanleiding om de ingangsdatum te bepalen op de door verzoekster verzochte datum, omdat dit verzoek onvoldoende is onderbouwd. De rechtbank zal het verzoek tot het vaststellen van een eerdere ingangsdatum afwijzen, omdat uit zowel het verzoekschrift als uit de nadien toegezonden aanvullende stukken is gebleken dat er de periode vanaf 9 december 2025 tot nu niet voldoende (vier keer per maand) is gesolliciteerd en niet voldoende is aangetoond dat verzoekster niet in staat is om meer uren per week te werken dan de 16 uur per week die zij feitelijk heeft gewerkt.

De rechtbank is van oordeel dat het feit dat haar zoon ernstige gedragsproblemen heeft op zich genomen niet direct een ontheffing om te werken of te solliciteren voor 20 uur per week met zich meebrengt.

BESLISSING

De rechtbank:

  • spreekt de toepassing van de schuldsaneringsregeling uit ten aanzien van:

[verzoekster],

geboren op [geboortedatum] 1985 te [geboorteplaats],

wonende te [adres],

  • stelt de termijn van de regeling vast op 18 maanden te rekenen vanaf de datum van dit vonnis;

  • benoemt tot rechter-commissaris mr. D.J. Klijn,

en tot bewindvoerder mevrouw [schuldhulpverlener],

gevestigd te [adres]

;

  • geeft last aan de bewindvoerder tot het openen van aan de schuldenares gerichte brieven en telegrammen.

Dit vonnis is gewezen door mr. D.J. Klijn en in het openbaar uitgesproken op 4 mei 2026 in tegenwoordigheid van de griffier.

Tegen deze uitspraak kan degene, aan wie de Faillissementswet dat recht toekent, uitsluitend via een advocaat binnen acht dagen na de dag van deze uitspraak hoger beroep instellen bij het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, locatie Leeuwarden.

Meer Beslissingen