ECLI:NL:RBNNE:2026:2636
Samenvatting
Strafrecht; Materieel strafrecht
Uitspraak
Leeuwarden
RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Afdeling strafrecht
Locatie Leeuwarden
parketnummer 18-264665-25
ter terechtzitting gevoegd parketnummer 18-384537-24
Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 19 juni 2026 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 2005 te [geboorteplaats] , wonende aan [adres] .
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 5 juni 2026.
Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. A. Kilinç, advocaat te Amsterdam. Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. S. Broekstra.
Tenlastelegging
Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
Ten aanzien van parketnummer 18-264665-25
hij op of omstreeks 7 oktober 2025 te Drachten, in de gemeente Smallingerland, in een woning gelegen aan of bij het Noord aldaar, aan een ander, te weten [slachtoffer 1] , opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten (onder meer) een aan de linker- en rechterzijde gebroken onderkaak en een gebroken neus, heeft toegebracht, immers heeft hij, verdachte, die [slachtoffer 1] meermalen met gebalde vuist(en) en/of met kracht in het gezicht, althans tegen het hoofd, geslagen en/of gestompt;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 7 oktober 2025 te Drachten, in de gemeente Smallingerland, in een woning gelegen aan of bij het Noord aldaar, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer 1] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, door die [slachtoffer 1] meermalen met gebalde vuist(en) en/of met kracht in het gezicht, althans tegen het hoofd, te slaan en/of te stompen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
meer subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 7 oktober 2025 te Drachten, in de gemeente Smallingerland, in een woning gelegen aan of bij het Noord aldaar, [slachtoffer 1] heeft mishandeld, immers heeft hij, verdachte, die [slachtoffer 1] meermalen met gebalde vuist(en) en/of met kracht in het gezicht, althans tegen het hoofd, heeft geslagen en/of gestompt, terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel, te weten (onder meer) een aan de linker-en rechterzijde gebroken onderkaak en een gebroken neus, in elk geval enig lichamelijk letsel, tengevolge heeft gehad;
Ten aanzien van parketnummer 18-384537-24
1. Hij op of omstreeks 21 januari 2024 te Harkstede, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen, althans alleen, [slachtoffer 2] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door met een gaspistool, in elk geval een vuurwapen van categorie III onder 1, meermalen voor de woning gelegen aan [adres] , in de lucht te schieten en/of proberen te schieten.
2 Hij op of omstreeks 21 januari 2024 te Harkstede, althans in Nederland, een wapen van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een vuurwapen van het merk Zoraki, type M906, kaliber 9mm PAK, en/of een patroonmagazijn, te weten een onderdeel van het vuurwapen van het merk Zoraki, type M906, kaliber 9mm PAK, voorhanden heeft gehad.
Beoordeling van het bewijs
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft veroordeling gevorderd voor het primair ten laste gelegde in de zaak met parketnummer 18-264665-25 en voor feiten 1 en 2 in de zaak met parketnummer 18-384537-24.
Standpunt van de verdediging
Ten aanzien van parketnummer 18-264665-25
De raadsman heeft betoogd dat verdachte moet worden vrijgesproken van het primair en subsidiair ten laste gelegde. Verdachte kan worden veroordeeld voor het meer subsidiair ten laste gelegde.
Ten aanzien van parketnummer 18-384537-24
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte moet worden vrijgesproken van feit 1. Hij heeft daartoe het volgende aangevoerd. Verdachte heeft niet op de woning geschoten. Er was bovendien geen sprake van een vooropgezet plan om te schieten, althans verdachte was daarvan niet op de hoogte. Tot slot heeft aangever verklaard dat hij zich niet echt bedreigd voelde. Van een bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling is derhalve geen sprake.
Voor wat betreft feit 2 heeft de raadsman zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
Oordeel van de rechtbank
Bewijsmiddelen
De rechtbank acht in de zaak met parketnummer 18-264665-25 het primair ten laste gelegde feit en in de zaak met parketnummer 18-384537-24 feiten 1 en 2 wettig en overtuigend bewezen, zoals hierna opgenomen in de bewezenverklaring. Nu verdachte de feitelijke gedragingen die onder deze feiten zijn tenlastegelegd duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend, volstaat de rechtbank met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering. Op de verweren van de raadsman zal de rechtbank hieronder afzonderlijk ingaan.
Ten aanzien van parketnummer 18-264665-25
Deze opgave luidt als volgt:
de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 5 juni 2026;
een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal aangifte d.d. 7 oktober 2025, opgenomen op pagina 12 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer 2025271728 d.d. 16 december 2025, inhoudend de verklaring van [slachtoffer 1] ;
een schriftelijk bescheid, te weten een brief d.d. 8 oktober 2025 van [ziekenhuis] , opgenomen op pagina 21 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend de verklaring van [naam] .
Bewijsoverweging
Met de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de primair ten laste gelegde zware mishandeling. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.
Verdachte heeft bekend dat hij op 7 oktober 2025 aangeefster meermalen met zijn vuisten en met kracht in haar gezicht heeft geslagen. Als gevolg daarvan heeft aangeefster letsel opgelopen, te weten een gebroken onderkaak aan de linker- en rechterzijde. Uit het dossier blijkt dat zij hiervoor twee operatieve ingrepen heeft moeten ondergaan. Aangeefster heeft weken moeten revalideren, zo blijkt uit de toelichting
op de vordering van de benadeelde partij. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat sprake is van zwaar lichamelijk letsel.
Ten aanzien van het opzet op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel overweegt de rechtbank als volgt. Uit het letsel van aangeefster, de dubbele gebroken onderkaak, kan worden afgeleid dat verdachte zodanig veel kracht moet hebben gebruikt bij het toepassen van het geweld, dat het niet anders kan dan dat hij bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat hij bij aangeefster zwaar lichamelijk letsel zou veroorzaken. Het is immers een feit van algemene bekendheid dat het met gebalde vuisten met veel kracht meermalen slaan in het gezicht tot breuken kan leiden.
Ten aanzien van parketnummer 18-384537-24
Feit 1
Deze opgave luidt als volgt:
de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 5 juni 2026;
een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal aangifte d.d. 21 januari 2024,
opgenomen op pagina 144 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer 2024018046 d.d. 11 november 2024, inhoudend de verklaring van [slachtoffer 2] .
Bewijsoverweging
De rechtbank stelt op basis van het dossier de volgende feiten en omstandigheden vast.
Verdachte heeft bekend dat hij op 21 januari 2024 te Harkstede voor de woning van aangever meermalen met een gaspistool in de lucht heeft geschoten. Verdachte heeft hierover bij de politie en ter zitting verklaard dat hij samen met vier anderen naar de woning van aangever is gereden. Tijdens de autorit vertelde de bestuurder dat hij een langdurig conflict had met aangever. Aangekomen bij de woning is verdachte uitgestapt en heeft hij voor de woning in de lucht meerdere schoten gelost. Volgens verdachte werd hij door de bestuurder van de auto aangespoord om uit te stappen en in de lucht te schieten als “waarschuwing” voor aangever. Het vuurwapen werd verdachte aangereikt door de persoon die naast hem in het voertuig zat.
De rechtbank stelt voorop dat voor een veroordeling ter zake van bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of zware mishandeling is vereist dat de bedreiging van dien aard is en onder zodanige omstandigheden is geschied dat bij de bedreigde de redelijke vrees kon ontstaan dat diegene zijn of haar leven zou kunnen verliezen en/of zwaar mishandeld zou worden. Bij de vraag of sprake is van een bedreiging in de zin van artikel 285 van het Wetboek van Strafrecht is van belang of de bedreiging in het algemeen geschikt is om de vrees voor een inbreuk op de persoonlijke vrijheid teweeg te brengen. De beoordeling of sprake is van vrees bij de bedreigde is daarmee geobjectiveerd. Het is dus niet van belang dat aangever zelf heeft verklaard dat hij zich door de schoten niet echt bedreigd heeft gevoeld. De rechtbank is van oordeel dat het meermalen in de lucht schieten met een gaspistool voor de woning van aangever, in een context van een bestaand conflict met de bestuurder van het voertuig, naar de uiterlijke verschijningsvorm een strafbare bedreiging oplevert.
Voorts is de rechtbank van oordeel dat verdachte de bedreiging tezamen en in vereniging met anderen heeft gepleegd. Dit leidt de rechtbank af uit de omstandigheden dat verdachte samen met anderen naar de woning van aangever is gereden, dat de bestuurder van die auto een voortdurend conflict had met aangever en dat verdachte het vuurwapen kreeg van een andere inzittende van het voertuig. De rechtbank is van oordeel dat hiermee sprake is van een bewuste en nauwe samenwerking tussen verdachte en de andere personen die in het voertuig aanwezig waren.
Feit 2
Deze opgave luidt als volgt:
de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 5 juni 2026;
een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal onderzoek wapen d.d. 13 februari 2024, opgenomen op pagina 211 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend het relaas van verbalisant [verbalisant] .
Bewezenverklaring
De rechtbank acht in de zaak met parketnummer 18-264665-25 het primair ten laste gelegde feit en in de zaak met parketnummer 18-384537-24 feiten 1 en 2 en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:
Ten aanzien van parketnummer 18-264665-25
Hij op 7 oktober 2025 te Drachten, in de gemeente Smallingerland, in een woning gelegen aan het Noord aldaar, aan [slachtoffer 1] , opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten een aan de linker- en rechterzijde gebroken onderkaak, heeft toegebracht, immers heeft hij, verdachte, die [slachtoffer 1] meermalen met gebalde vuisten en met kracht in het gezicht, althans tegen het hoofd, geslagen en gestompt.
Ten aanzien van parketnummer 18-384537-24
1. Hij op 21 januari 2024 te Harkstede tezamen en in vereniging met anderen, [slachtoffer 2] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en met zware mishandeling, door met een gaspistool, in elk geval een vuurwapen van categorie III onder 1, meermalen voor de woning gelegen aan [adres] , in de lucht te schieten.
2. Hij op 21 januari 2024 te Harkstede een wapen van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een vuurwapen van het merk Zoraki, type M906, kaliber 9mm PAK, en een patroonmagazijn, te weten een onderdeel van het vuurwapen van het merk Zoraki, type M906, kaliber 9mm PAK, voorhanden heeft gehad.
Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Strafbaarheid van het bewezen verklaarde
Het bewezen verklaarde levert op:
Ten aanzien van parketnummer 18-264665-25 primairzware mishandeling
Ten aanzien van parketnummer 18-384537-24
medeplegen van bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht en met zware mishandeling;
handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III
en
handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie.
Deze feiten zijn strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.
Strafbaarheid van verdachte
De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.
Strafmotivering
Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor het primair ten laste gelegde feit in de zaak met parketnummer 18-264665-25 en feiten 1 en 2 in de zaak met parketnummer 18-384537-24 wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden, waarvan 9 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren. Daarbij vordert de officier van justitie de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de reclassering op te leggen.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft verzocht om aan verdachte geen langere onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen dan de tijd die verdachte in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht. Daarbij heeft de raadsman onder andere verzocht rekening te houden met de overschrijding van de redelijke termijn en het advies van de reclassering, waaruit blijkt dat een dergelijke straf ontwrichtend kan werken voor verdachte.
Verdachte is nog relatief jong en reeds gestart met een forensische ambulante behandeling.
Oordeel van de rechtbank
Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek ter terechtzitting en de rapportage van Reclassering Nederland d.d. 21 mei 2026, het uittreksel uit de justitiële documentatie d.d. 11 mei 2026, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de verdediging.
De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
Ernst van de feiten
De rechtbank stelt vast dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan ernstige strafbare feiten. Verdachte heeft zijn destijds zestienjarige vriendin zwaar mishandeld door meermalen met gebalde vuisten en met kracht in haar gezicht te slaan. Als gevolg van dit geweld heeft het slachtoffer een dubbele onderkaakfractuur opgelopen, waarvoor zij twee operaties heeft moeten ondergaan. Dergelijk geweld in de relationele sfeer wordt door de rechtbank als bijzonder ernstig aangemerkt. Door zijn handelen heeft verdachte niet alleen inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer, maar ook haar psychisch welzijn geschonden, zoals blijkt uit de toelichting op de vordering van de benadeelde partij.
Daarnaast heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan bedreiging in vereniging door in de nacht voor de woning van aangever met een gaspistool in de lucht te schieten. Door aldus te handelen heeft verdachte niet alleen het gevoel van veiligheid van aangever aangetast, maar ook gevoelens van onrust en angst in de directe woonomgeving veroorzaakt.
Deze feiten getuigen van een gewelddadige houding en een gebrek aan respect voor de lichamelijke integriteit en veiligheid van anderen. De rechtbank rekent dit alles verdachte zeer aan.
Persoon van de verdachte
De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke feiten. De rechtbank heeft daarnaast acht geslagen op het reclasseringsadvies van 21 mei 2026.
Uit het reclasseringsadvies blijkt dat de reclassering de volgende risicofactoren bij verdachte signaleert: partnerrelaties, sociale contacten/netwerk, psychosociaal functioneren en de houding van verdachte.
Beschermende factoren zijn volgens de reclassering gelegen in de stabiele huisvesting bij zijn betrokken ouders, zijn baan en een gezonde financiële situatie. Het recidiverisico wordt ingeschat als gemiddeld tot hoog. Hoewel er geen zwaarwegende contra-indicaties zijn voor een onvoorwaardelijke gevangenisstraf, merkt de reclassering op dat een dergelijke straf voor verdachte ontwrichtend kan werken, gezien zijn relatief jonge leeftijd en het feit dat hij recentelijk is gestart met een forensische ambulante behandeling.
Op te leggen straf
Naar het oordeel van de rechtbank rechtvaardigen de aard en de ernst van de bewezenverklaarde feiten in beginsel de oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Bij de straftoemeting houdt de rechtbank echter rekening met een aantal strafmatigende omstandigheden. Daarbij betrekt zij in het bijzonder de relatief jonge leeftijd van verdachte en het feit dat verdachte reeds is gestart met een forensische ambulante behandeling. De rechtbank acht het onwenselijk deze behandeling te doorkruisen door een straf op te leggen die ertoe zou leiden dat verdachte opnieuw gedetineerd raakt. Om die reden ziet de rechtbank aanleiding om niet een onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen die langer is dan de dan de tijd die verdachte in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht.
Alles afwegende acht de rechtbank een combinatie van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf die gelijk is aan de duur van het voorarrest, met daarnaast een groot voorwaardelijk deel, enerzijds om daarmee de ernst van de bewezenverklaarde feiten te onderstrepen en anderzijds om verdachte ervan te weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen, en daarnaast de maximale taakstraf passend en geboden.
De rechtbank legt aan verdachte op een taakstraf voor de duur van 240 uren en daarnaast een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden met een proeftijd van drie jaren en de bijzondere voorwaarden zoals door de reclassering geadviseerd, met uitzondering van het contactverbod. De rechtbank ziet geen aanleiding om een contactverbod op te leggen, nu verdachte ter zitting heeft aangegeven geen contact meer te hebben met aangeefster. Gelet op het recidiverisico dat wordt ingeschat als gemiddeld tot hoog, acht de rechtbank het noodzakelijk om de bijzondere voorwaarden dadelijk uitvoerbaar te verklaren en de proeftijd, in afwijking van de eis van de officier van justitie, te stellen op
drie jaren.
Benadeelde partij
Ten aanzien van parketnummer 18-264665-25
[slachtoffer 1] heeft zich als benadeelde partij in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Gevorderd wordt een bedrag van 12.500,00 ter vergoeding van immateriële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd de vordering van de benadeelde partij toe te wijzen tot een bedrag van 10.000,00, vermeerderd met de wettelijke rente en onder oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich, onder verwijzing naar de Rotterdamse Schaal, op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij dient te worden gematigd tot een bedrag van ten hoogste 6.000,00.
Oordeel van de rechtbank
Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk dat de benadeelde partij schade heeft geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het onder het primair bewezen verklaarde. Gebruikmakend van haar schattingsbevoegdheid ex artikel 6:97 van het Burgerlijk Wetboek schat de rechtbank de hoogte van de schade op 6.000,00. De rechtbank zal de vordering tot dit bedrag toewijzen en voor het overige deel afwijzen.
Nu de aansprakelijkheid van verdachte vaststaat, zal de rechtbank de schadevergoedingsmaatregel opleggen om te bevorderen dat verdachte de schade zal vergoeden.
De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.
Toepassing van wetsartikelen
De rechtbank heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36f, 47, 57, 63, 285, 302, van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak gelden.
Uitspraak
De rechtbank
Verklaart het primair ten laste gelegde feit in de zaak met parketnummer 18-264665-25 en feiten 1 en 2 in de zaak met parketnummer 18-384537-24 bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.
Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.
Veroordeelt verdachte tot:
Een gevangenisstraf voor de duur van 378 dagen.
Bepaalt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot 360 dagen, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond, dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd, die hierbij wordt vastgesteld op 3 jaren, aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt of gedurende die proeftijd de hierna te noemen voorwaarden niet heeft nageleefd.
Beveelt dat de tijd die de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf, geheel in mindering zal worden gebracht.
Voorwaarde is, dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig zal maken aan een strafbaar feit.
Stelt als bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde zich gedurende de proeftijd:
zich meldt op afspraken met Reclassering Nederland, [adres] , zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt.
zich laat behandelen door Forensische Polikliniek GGZ Friesland of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de behandeling nodig vindt. De behandeling is reeds gestart. De zorgverlener bepaalt de wijze van behandeling.
dat betrokkene zich inspant voor het vinden en behouden van betaald werk, onbetaald werk en/of vrijetijdsbesteding, met een vaste structuur.
Geeft aan voornoemde reclasseringsinstelling de opdracht als bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.
Voorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde:
ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;
medewerking zal verlenen aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht, daaronder begrepen.
Beveelt dat de gestelde voorwaarden en het uit te oefenen toezicht dadelijk uitvoerbaar zijn.
Een taakstraf voor de duur van 240 uren.
Beveelt dat voor het geval de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis voor de duur van 120 dagen zal worden toegepast.
Heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van heden.
Ten aanzien van parketnummer 18-264665-25
Wijst de vordering van de benadeelde partij toe tot het hierna te noemen bedrag en veroordeelt verdachte om aan [slachtoffer 1] te betalen:
een bedrag van 6.000,00 (zegge: zesduizend euro);
de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 7 oktober 2025 tot de dag van algehele voldoening;
de proceskosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog zal maken, tot heden begroot op nihil.
Legt aan verdachte de verplichting op om ten behoeve van [slachtoffer 1] aan de Staat te betalen een bedrag van 6.000,00 (zegge: zesduizend euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 7 oktober 2025 tot de dag van algehele voldoening. Dit bedrag bestaat uit immateriële schade.
Wijst de vordering voor het overige af.
Bepaalt dat bij gebreke van volledig verhaal van de betalingsverplichting aan de Staat gijzeling voor de duur van 55 dagen kan worden toegepast. De toepassing van gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.
Dit vonnis is gewezen door mr. J. van Bruggen, voorzitter, mr. K. Bunk en mr. H.K. de Haan rechters, bijgestaan door mr. J.R. Dijkstra, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 19 juni 2026.
Mr. H.K. de Haan is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.