[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"decision-ecli-nl-rbobr-2026-2866":3,"decision-more-ecli-nl-rbobr-2026-2866":20},{"id":4,"ecli":5,"caseNumber":6,"courtId":7,"courtName":8,"courtSlug":9,"decisionDate":10,"fullText":11,"language":12,"source":13,"sourceUrl":14,"summary":6,"slug":15,"metadata":16},"1152","ECLI:NL:RBOBR:2026:2866","",77,"Eindhoven","eindhoven","2026-04-23T00:00:00.000Z","RECHTBANKOOST-BRABANT\n\nCiviel recht\n\nKantonrechter\n\nZittingsplaats Eindhoven\n\nZaaknummer: 11345972 \\ CV EXPL 24-7183\n\nVonnis van 23 april 2026\n\nin de zaak van\n\nALL CONCRETE FLOORS B.V.,\n\nte Bergeijk,\n\neisende partij in conventie,\n\nverwerende partij in reconventie,\n\nhierna te noemen: ACF,\n\ngemachtigde: mr. T.B.M. Kersten,\n\ntegen\n\n [gedaagde],\n\nte [woonplaats] ,\n\ngedaagde partij in conventie,\n\neisende partij in reconventie,\n\nhierna te noemen: [gedaagde] ,\n\ngemachtigden: mr. F.M.C. van Helmond en mr. J.P.M. Dexters.\n\n1. De procedure\n\n1.1.. Het verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- het vonnis van 24 april 2025 en de daarin genoemde stukken; - de conclusie van antwoord in conventie en van eis in reconventie met producties 1 tot en met 26; - de brief waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald;\n\n- de conclusie van antwoord in reconventie tevens akte met een eiswijziging van ACF met producties 71 tot en met 77;\n\n- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 18 maart 2026. De advocaten van partijen hebben ter zitting spreekaantekeningen overhandigd en voorgedragen. Deze spreekaantekeningen maken onderdeel uit van het procesdossier.\n\n1.2.. Het vonnis is nader bepaald op vandaag.\n\n2. De feiten\n\n2.1.. ACF is een onderneming die zich bezig houdt met het verkopen van (beton)vloeren, vloerprojecten en aanverwante producten.2.2.. Op 1 januari 2018 is [gedaagde] in dienst getreden bij ACF. [gedaagde] vervulde de functie van Sales Manager. In de arbeidsovereenkomst is het volgende nevenwerkzaamhedenbeding opgenomen:\n\n“Artikel V Verbod andere werkzaamheden\n\nWerknemer verbindt zich, behoudens schriftelijke toestemming van werkgever, om gedurende de loop van de dienstbetrekking voor geen andere werkgever of opdrachtgever werkzaam te zijn, noch direct, noch indirect, en zich te onthouden van het doen van zaken voor eigen rekening. Overtreding van dit beding zal door werkgever als een dringende reden voor ontslag op staande voet kunnen worden aangemerkt. Bij overtreding van dit beding dient werknemer aan werkgever een boete te betalen van € 5.000 per overtreding.”\n\nDaarnaast is in artikel IV van de arbeidsovereenkomst het volgende geheimhoudingsbeding overeengekomen:\n\n“Artikel VI Geheimhouding etc.\n\nDe werknemer zal tegenover derden alsmede collega’s tijdens en na de dienstbetrekking bijzonderheden of informatie betreffende werkgever of betreffende zakelijke relaties van werkgever, geheimhouden, tenzij werkgever hiertoe toestemming geeft. Schade die uit een overtreding voortvloeit, zal door werkgever rechtstreeks kunnen worden verhaald op werknemer.”\n\nDe arbeidsovereenkomst bevat geen concurrentie- en geen relatiebeding.\n\n2.3.. Op 23 december 2023 heeft [gedaagde] zijn dienstverband opgezegd tegen 1 februari 2024.\n\n2.4.. Op 8 januari 2024 heeft [gedaagde] zich ziekgemeld.\n\n2.5.. Op 1 februari 2024 is [gedaagde] in dienst getreden bij C.F.S. B.V., handelend onder de naam Concrete Floor Solutions, (hierna: CFS). [gedaagde] vervult de functie van Bedrijfsleider\u002FSales. CFS houdt zich net als ACF bezig met het verkopen van (beton)vloeren en aanverwante producten. CFS is (indirect) een onderneming van [A] (hierna: [A] ), die meerdere ondernemingen drijft in België. CFS is eind 2023 opgericht en is de eerste onderneming van [A] in Nederland. (Mede)directeur van CFS was [B] (hierna: [B] ).\n\n2.6.. In de loop van 2024 is ACF in het bezit gekomen van e-mailberichten afkomstig van [gedaagde] verzonden vanaf een e-mailaccount van CFS ( [e-mailadres] ), met verzenddata vanaf januari 2024 toen [gedaagde] nog in dienst was bij ACF. Ook is ACF in het bezit gekomen van e-mails met klant- en bedrijfsgegevens van ACF afkomstig van het e-mailadres van [gedaagde] bij ACF gericht aan [gedaagde] ’ e-mailadres bij CFS en gericht aan [B] . Volgens ACF heeft [gedaagde] met het versturen van deze e-mails het nevenwerkzaamheden- en geheimhoudingsbeding van de arbeidsovereenkomst geschonden en ACF onrechtmatige concurrentie aangedaan.\n\n2.7.. Op 2 september 2024 heeft ACF conservatoir beslag laten leggen onder de ABN AMRO Bank en op een pand waarvan [gedaagde] (gedeeltelijk) eigenaar is. [gedaagde] heeft bij de Voorzieningenrechter van deze rechtbank – samengevat – opheffing van de beslagen gevorderd, maar bij vonnis van 2 december 2024 is de vordering van [gedaagde] afgewezen. De zaak is bekend onder zaaknummer: C-01-408865 - KG ZA 24-545.\n\n3. Het geschil\n\nin conventie: de vorderingen van ACF:\n\n3.1.. ACF heeft haar eis vermeerderd. Tijdens de mondelinge behandeling heeft [gedaagde] kenbaar gemaakt dat hij daartegen geen formele bezwaren heeft. De kantonrechter zal daarom vonnis wijzen op de volgende (gewijzigde) eis. ACF vordert – samengevat – bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:\n\nI. voor recht te verklaren dat [gedaagde] het nevenactiviteiten- en\u002Fof het geheimhoudingsbeding heeft overtreden;\n\nII. voor recht te verklaren dat [gedaagde] contractuele boetes heeft verbeurd van € 120,000,-, althans door de kantonrechter te bepalen bedragen, en [gedaagde] te veroordelen tot betaling daarvan, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de dag van opeisbaarheid;\n\nIII. [gedaagde] te veroordelen zich te onthouden van het direct en\u002Fof indirect gebruik maken en\u002Fof laten maken van overeenkomsten en\u002Fof zakelijke overeenkomsten en\u002Fof andere administratieve bescheiden en\u002Fof calculatiebladen en\u002Fof offertes van ACF, onder verbeurte van een dwangsom van € 1.000,- per overtreding, met een maximum van € 20.000,-;\n\nIV. [gedaagde] te veroordelen alle documenten van ACF die [gedaagde] onder zich heeft te verwijderen en te vernietigen onder afgifte van een certificaat waaruit die verwijdering en vernietiging blijkt, onder verbeurte van een dwangsom van € 1.000,- per overtreding, met een maximum van € 20.000,-;\n\nV. [gedaagde] te veroordelen tot betaling van € 6.443,52 aan buitengerechtelijke incassokosten, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de dag van opeisbaarheid;\n\nVI. [gedaagde] te veroordelen tot betaling van € 17.197,50 aan kosten ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de dag van opeisbaarheid;\n\nVII. [gedaagde] te veroordelen tot betaling van € 1.144,- aan beslagkosten, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de dag van opeisbaarheid;\n\nVIII. voor recht te verklaren dat [gedaagde] onrechtmatig jegens ACF heeft gehandeld en [gedaagde] te veroordelen tot betaling van de door ACF als gevolg daarvan geleden schade, primair tot een bedrag van € 933.703,-, althans subsidiair bij wege van proportionele aansprakelijkheid of kansschade te begroten op een bedrag van € 466.851,50 (50%), € 933.703,00, althans meer subsidiair tot een schade door de kantonrechter vast te stellen, althans uiterst subsidiair tot een schadevergoeding nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet en [gedaagde] te veroordelen tot betaling daarvan, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de dag van opeisbaarheid;\n\nmet veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten, vermeerderd met wettelijke rente.3.2.. \n [gedaagde] voert verweer en betwist de vorderingen. [gedaagde] stelt – samengevat – dat het nevenwerkzaamhedenbeding en het daaraan gekoppelde boetebeding nietig zijn. [gedaagde] betwist daarnaast dat hij het nevenwerkzaamheden- en het geheimhoudingsbeding heeft geschonden. Ook betwist [gedaagde] dat sprake is van onrechtmatige concurrentie en dat ACF schade heeft geleden.\n\nin reconventie: de vorderingen van [gedaagde] :\n\n3.3.. \n [gedaagde] heeft een tegeneis ingesteld. [gedaagde] vordert bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad – samengevat – primair opheffing van de beslagen en subsidiair veroordeling van ACF om de gelegde beslagen op te heffen, onder verbeurte van een dwangsom van € 500,- per dag, met veroordeling van ACF in de proceskosten, vermeerderd met wettelijke rente.\n\n3.4.. ACF voert verweer dat strekt tot afwijzing van de tegenvorderingen en tot handhaving van de beslagen.\n\n3.5.. Voor de verdere onderbouwing van de vorderingen en de verweren van partijen over en weer wordt verwezen naar de overwegingen onder de beoordeling.\n\n4. De beoordeling\n\nin conventie: de vordering van ACF:\n\n4.1.. In deze zaak gaat het er in de kern om of [gedaagde] het nevenwerkzaamhedenbeding – als dat in stand blijft – heeft geschonden en boetes heeft verbeurd. Daarnaast moet beoordeeld worden of [gedaagde] tegenover ACF aansprakelijk is voor door ACF geleden schade als gevolg van het schenden van het geheimhoudingsbeding en het aandoen van onrechtmatige concurrentie. De kantonrechter zal de afzonderlijke onderdelen van vordering en het gevoerde verweer hieronder puntsgewijs bespreken.\n\nGeen schending van artikel 21 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv)\n\n4.2.. ACF heeft gesteld dat [gedaagde] in strijd met de waarheidsplicht van artikel 21 Rv heeft gehandeld omdat hij stelselmatig en herhaaldelijk in strijd met de waarheid heeft verklaard. Volgens ACF moeten haar vorderingen om die reden volledig worden toegewezen. De kantonrechter gaat daar niet in mee en legt dat als volgt uit.\n\n4.3.. Op grond van artikel 21 Rv zijn partijen verplicht om de voor de beslissing van belang zijnde feiten volledig en naar waarheid aan te voeren. Zoals [gedaagde] terecht stelt, gaat het met dit artikel om het uitbannen van de bewuste leugen en het achterhouden en verdoezelen van voor de beslissing relevante feiten, waardoor de rechterlijke beslissing zoveel mogelijk op waarheid berust. Artikel 21 Rv laat onverlet dat het aan partijen zelf is om te bepalen welke feiten zij aan hun vordering of verweer ten grondslag leggen. ACF heeft diverse vermeende schendingen van de waarheidsplicht genoemd, maar het staat [gedaagde] vrij om een ander (juridisch) standpunt in te nemen of een andere lezing te hebben van hoe het volgens hem is gegaan. Dat levert als zodanig geen strijd met de waarheidsplicht van artikel 21 Rv op. Voor zover [gedaagde] in de zogenaamde 705 Rv procedure tot opheffing van de beslagen bij de Voorzieningenrechter heeft gesteld dat niet hij, maar [B] de e-mails heeft gestuurd, en [gedaagde] daarop nu in deze procedure terugkomt, levert dat niet zozeer schending van de waarheidsplicht in deze procedure op. [gedaagde] heeft ter zitting toegelicht dat hij zijn eerdere standpunt niet loslaat omdat het onwaar is, maar omdat hij het niet kan bewijzen. Volgens [gedaagde] heeft [B] de digitale administratie \u002F server van CFS gewist. Wat daar verder ook van zij, in deze procedure staat vast dat [gedaagde] de e-mails heeft gestuurd. Dat is in lijn met het standpunt van ACF. In zoverre gaat het op dit punt dan ook niet om een andere lezing van de voor de beslissing van belang zijnde feiten. Van schending van artikel 21 Rv is daarom geen sprake.\n\nHet nevenwerkzaamhedenbeding is niet nietig\n\n4.4.. Aan haar vorderingen I en II heeft ACF ten grondslag gelegd dat [gedaagde] het nevenwerkzaamhedenbeding heeft geschonden. Als zodanig is tussen partijen niet in geschil dat het nevenwerkzaamhedenbeding van artikel V van de arbeidsovereenkomst is overeengekomen en tot 1 februari 2024 door [gedaagde] moest worden nagekomen. Artikel 7:653a lid 1 Burgerlijk Wetboek (BW) bepaalt dat een beding waarbij de werkgever verbiedt of beperkt dat de werknemer voor anderen arbeid verricht buiten de tijdstippen waarop de arbeid moet worden verricht bij die werkgever, nietig is tenzij dit beding kan worden gerechtvaardigd op grond van een objectieve reden. ACF stelt dat de objectieve rechtvaardiging voor het beding ligt in het voorkomen van concurrerende activiteiten, het voorkomen van tegenstrijdig belang en het beding erop ziet dat [gedaagde] het bedrijfsdebiet van ACF niet afbreekt.\n\n4.5.. \n [gedaagde] beroept zich op de nietigheid van het beding. Volgens hem heeft ACF nagelaten om een objectieve reden te geven op het moment dat ACF een beroep op het nevenwerkzaamhedenbeding heeft gedaan. Volgens [gedaagde] heeft ACF voor het eerst een beroep op het beding gedaan in het verzoekschrift van 28 augustus 2024 tot het leggen van conservatoir beslag. ACF heeft de objectieve rechtvaardiging toen niet gegeven en ook niet in de dagvaarding. ACF is dus te laat en het beding is volgens [gedaagde] daarom nietig.\n\n4.6.. De kantonrechter gaat niet mee in het verweer van [gedaagde] . Uit de wetsgeschiedenis bij artikel 7:653a BW blijkt dat de wetgever er van heeft afgezien dat in het nevenwerkzaamhedenbeding zelf al moet staan vermeld wat de objectieve reden is die maakt dat – volgens de werkgever – het nevenwerkzaamhedenbeding geldig is. Niet blijkt daaruit dat de werkgever, direct wanneer hij zich op het nevenwerkzaamhedenbeding beroept, (alle) gronden dient aan te voeren die tot de conclusie leiden dat een objectieve reden aanwezig is. Tenslotte valt uit de wetsgeschiedenis niet af te leiden dat een nevenwerkzaamhedenbeding (op voorhand) geldig is, of nietig. Afhankelijk van de omstandigheden van het geval kan en moet beoordeeld worden of het beding geldig is of niet.\n\n4.7.. De Voorzieningenrechter heeft reeds geoordeeld dat voor zover de nevenactiviteiten van [gedaagde] plaatsvonden buiten de tijdstippen waarop de arbeid gewoonlijk werd verricht –en dus in beginsel vallen onder de werkingssfeer van artikel 7:653a BW – de objectieve rechtvaardiging ligt in het voorkomen c.q. tegengaan van de aantasting van het bedrijfsdebiet. De kantonrechter is het daarmee eens. [gedaagde] heeft niets naar voren gebracht om van dat oordeel af te wijken. Voor zover [gedaagde] meent dat het beding in deze bodemprocedure opnieuw is ingeroepen, leidt dat niet tot een andere conclusie. De kantonrechter is van oordeel dat uit de gehele dagvaarding blijkt dat het nevenwerkzaamhedenbeding tot doel heeft het bedrijfsdebiet van ACF te beschermen, zo blijkt ook expliciet uit de vorderingen onder III en IV. Het doel waarmee een beroep is gedaan op het beding blijkt zowel uit het verzoekschrift als deze gehele bodemprocedure.\n\n4.8.. Het nevenwerkzaamhedenbeding is daarom niet nietig en dus van toepassing in de rechtsverhouding tussen ACF en [gedaagde] .\n\nHet boetebeding is niet nietig\n\n4.9.. ACF heeft gesteld dat [gedaagde] het nevenwerkzaamhedenbeding gedurende het dienstverband tot en met 31 januari 2024 tenminste 24 keer heeft geschonden en dat [gedaagde] als gevolg daarvan 24 keer de boete van € 5.000,- heeft verbeurd. [gedaagde] betwist dat en beroept zich op nietigheid van het aan het nevenwerkzaamhedenbeding verbonden boetebeding. [gedaagde] verwijst daarvoor naar artikel 7:650 lid 3 BW, waarin is opgenomen dat de overeenkomst waarbij een boete is bedongen nauwkeurig de bestemming van de boete moet vermelden. [gedaagde] stelt dat over de bestemming van de boete niets schriftelijk is overeengekomen en dat de boete niet onmiddellijk of middellijk mag strekken tot een persoonlijk voordeel van ACF zelf als werkgever. Hiervan kan worden afgeweken, maar dat moet schriftelijk worden vermeld en dat heeft ACF niet gedaan, aldus [gedaagde] .\n\n4.10.. Het beroep op nietigheid van het boetebeding van [gedaagde] slaagt niet. Als zodanig is juist dat het boetebeding verbonden aan het nevenwerkzaamhedenbeding moet voldoen aan de eisen van artikel 7:650 BW. In het zesde lid is bepaald dat ten aanzien van werknemers die meer verdienen dan het minimumloon bij schriftelijke overeenkomst van artikel 7:650 lid 3, 4 en 5 BW mag worden afgeweken. Vaststaat dat [gedaagde] meer verdient c.q. verdiende dan het minimumloon. Het is vaste rechtspraak – ACF heeft ook naar die rechtspraak verwezen – dat het boetebeding dat is gesteld op overtreding van een verbod op nevenwerkzaamheden van een werknemer, zoals in dit geval, niet aan meer formaliteiten hoeft te voldoen dan dat het beding schriftelijk is overeengekomen met een werknemer met een hoger loon dan het minimumloon. Niet is vereist dat het boetebeding uitdrukkelijk vermeldt dat de boete toekomt aan de werkgever, nu het beding juist bedoeld is om, in afwijking van de regeling over de disciplinaire boete, wél betaling aan de werkgever mogelijk te maken en de wet specifiek daarvoor is aangepast, zo volgt ook uit de parlementaire geschiedenis (zie onder meer Gerechtshof Amsterdam, 13 december 2022, ECLI:NL:GHAMS:2022:3529).\n\n4.11.. Het boetebeding is daarom niet nietig en dus van toepassing, zodat [gedaagde] bij overtreding van het nevenwerkzaamhedenbeding een boete verbeurt.\n\nDe (vermeende) overtredingen vallen onder het nevenwerkzaamhedenbeding\n\n4.12.. \n [gedaagde] bestrijdt verder dat het nevenwerkzaamhedenbeding van toepassing is op de vermeende overtredingen omdat deze overtredingen zijn begaan onder werktijd, en daarmee geen betrekking hebben op het verrichten van arbeid buiten de tijdstippen waarop arbeid moest worden verricht voor ACF als werkgever. Dit verweer slaagt ook niet.\n\n4.13.. De tekst van het nevenwerkzaamhedenbeding maakt geen onderscheid tussen het verrichten van (neven)werkzaamheden voor de werknemer zelf of een ander, onder of buiten werktijd. Voor een andere uitleg van artikel V van de arbeidsovereenkomst dan dat het [gedaagde] zonder toestemming – die hij niet had – ook tijdens de werktijd bij ACF niet was toegestaan voor zichzelf of een ander – in dit geval CFS – werkzaam te zijn, bestaan geen aanknopingspunten. In het bijzonder niet tegen de achtergrond dat de kern van een arbeidsovereenkomst is dat de werknemer tijdens werktijd werkzaam is voor de werkgever, zoals ook door ACF is gesteld. [gedaagde] heeft niet gesteld, laat staan onderbouwd dat hij een andere invulling van het nevenwerkzaamhedenbeding mocht verwachten of waarom hij erop mocht vertrouwen dat werken voor CFS tijdens zijn dienstverband bij ACF was toegestaan. Dat ACF zich wellicht nog op andere gronden kan beroepen of had kunnen beroepen als een concurrentie- en\u002Fof relatiebeding zou zijn overeengekomen, doet daaraan niets af. Voor zover [gedaagde] dat met zijn verweer heeft bedoeld, blijkt uit artikel 7:653a BW overigens niet dat een beding dat werken voor een ander tijdens werktijd verbiedt, nietig is. Dat volgt evenmin uit de Europese Richtlijn transparante arbeidsvoorwaarden.\n\n4.14.. \n [gedaagde] heeft in dit verband ook nog gesteld dat een beroep op het nevenwerkzaamhedenbeding en het vorderen van boetes naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is omdat het dienstverband is geëindigd en het belang van ACF niet meer hoeft te worden beschermd. Dit verweer slaagt ook niet. De kantonrechter begrijpt het zo dat [gedaagde] een beroep doet op de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid op de voet van artikel 6:248 lid 2 BW. Op grond van dat wetsartikel is een tussen partijen als gevolg van de overeenkomst geldende regel niet van toepassing, voor zover dit in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn. Bij het toepassen van deze regel dient de rechter de nodige terughoudendheid te betrachten. [gedaagde] heeft onvoldoende onderbouwd wat maakt dat een beroep op het beding leidt tot een onaanvaardbare situatie. Zoals hiervoor al is overwogen, strekt het nevenwerkzaamhedenbeding en het daaraan verbonden boetebeding ter bescherming van het bedrijfsdebiet en is het bedoeld om te voorkomen dat [gedaagde] tijdens zijn werktijd bij ACF (concurrerende) werkzaamheden verricht voor een ander. Het beding ziet weliswaar niet op overtredingen na 1 februari 2024, maar ACFs belang is niet verdwenen zodra het dienstverband is geëindigd. Dat de gestelde overtredingen pas na de beëindiging van het dienstverband aan het licht zijn gekomen, maakt dat niet anders. Zeker niet omdat [gedaagde] daarover niets tegen ACF heeft verteld. Het kan niet zo zijn dat [gedaagde] in feite wordt beloond voor het heimelijk werken voor CFS in de werktijd van ACF, althans voor het verhullen daarvan totdat het dienstverband is geëindigd.\n\nHet nevenwerkzaamhedenbeding is 18 keer geschonden\n\n4.15.. ACF stelt dat [gedaagde] het nevenwerkzaamhedenbeding ten minste 24 keer heeft overtreden. ACF heeft toegelicht dat zij daarbij heeft gekeken naar het aantal klanten dat [gedaagde] heeft benaderd (en niet naar het aantal communicatie-uitingen); dus maximaal één overtreding per benaderde klant. Voor ieder keer dat in strijd met het beding is gehandeld, vordert ACF een boete van € 5.000,-. Hieraan ten grondslag legt ACF e-mails van en naar [gedaagde] in de periode van 7 januari 2024 tot en met 31 januari 2024 die zijn overgelegd als de producties 6 tot en met 34 bij de dagvaarding. ACF stelt zich hierbij op het standpunt dat alle e-mails die vanaf [gedaagde] ’ e-mailaccount bij CFS zijn verstuurd, werkzaamheden zijn die [gedaagde] voor CFS heeft verricht, omdat [gedaagde] iedere keer voor CFS bezig is geweest met salesactiviteiten en niet voor ACF. Al die werkzaamheden zijn volgens ACF gericht geweest op het (toekomstige) dienstverband met CFS.\n\n4.16.. \n [gedaagde] betwist dat hij het nevenwerkzaamhedenbeding heeft overtreden. Enerzijds stelt [gedaagde] dat een deel van de gestuurde e-mails (ten hoogste) voorbereidingshandelingen zijn geweest ten behoeve van zijn dienstverband bij CFS. Volgens [gedaagde] waren de e-mails alleen informatief bedoeld en wilde hij klanten en relaties informeren over zijn vertrek bij ACF. Interne communicatie over de bedrijfsvoering van CFS valt volgens hem ook onder dergelijke voorbereidingshandelingen. Anderzijds stelt [gedaagde] dat hij vóór 1 februari 2024 nooit daadwerkelijk een offerte voor CFS heeft uitgebracht. Telkens wanneer [gedaagde] een e-mail kreeg toegestuurd, leverde dat naar eigen zeggen niet zozeer werk op voor hem. Volgens [gedaagde] had dat een passief karakter, waardoor geen sprake is van ‘werkzaam zijn voor’ CFS. Ook het doorsturen van bedrijfsinformatie van ACF is volgens [gedaagde] geen arbeidsprestatie.\n\n4.17.. De kantonrechter zal eerst ingaan op het verweer van [gedaagde] in algemene zin en daarna per gestelde overtreding toelichten waarom er wel of geen sprake is van een overtreding van het nevenwerkzaamhedenbeding.\n\n4.18.. \n\nDe kantonrechter is van oordeel dat het versturen van een louter informatieve en neutraal geformuleerde e-mail over het aanstaande vertrek van een werknemer op zichzelf niet voldoende is om schending van het overeengekomen nevenactiviteitenbeding aan te nemen. Echter, de zogenaamde standaard e-mail die [gedaagde] aan meerdere klanten van ACF heeft gestuurd, is niet louter informatief van aard. [gedaagde] schrijft daarin namelijk het volgende:\n\n“Goedenavond […],\n\nHierbij onze gegevens van het nieuwe bedrijf.\n\nZoals al gemeld start ik met [A] per 1 februari een nieuwe onderneming op\n\nin [plaats] voor het compleet maken van betonvloeren.\n\nOok voor schuur, polijst en renovatie werken bent u aan het juiste adres.\n\n [A] behoort tot de top 3 bedrijven van België, met ruim 800.000 m2 vloeren per\n\njaar.\n\nIk zal zowel de calculatie, planning en uitvoering begeleiden (zolang dit mogelijk is) zo\n\nhebt u maar een aanspreekpunt.\n\nKwaliteit staat bij mij voorop, en zal er alles aan doen om onze klanten tevreden te\n\nhouden.\n\nHoop dat we de samenwerking kunnen voortzetten, en zie graag de aanvragen\n\ntegemoet.”\n\nHet werk van [gedaagde] als Sales Manager bij ACF hield onder meer in opdrachten binnen te halen en klanten te binden. Dit zijn werkzaamheden die [gedaagde] ook nu voor CFS verricht. De tekst en de strekking van deze e-mails hebben een duidelijk wervend en aanprijzend karakter, zo blijkt ook ondubbelzinnig uit de laatste zin. Duidelijk komt naar voren dat [gedaagde] de klanten van ACF in dienst van CFS wilde blijven bedienen. Dit sluit ook aan op de verklaring van [gedaagde] ter zitting dat hij hoopte de samenwerking voort te zetten. De desbetreffende standaard e-mails en andere e-mails met een vergelijkbare strekking zijn dan ook niet slechts aan te merken als een voorbereidende handeling.\n\n4.19.. Het verweer dat [gedaagde] naar eigen zeggen nooit daadwerkelijk een offerte heeft uitgebracht voor CFS in de periode tot 1 februari 2024 maakt – voor zover dat al zo is – niet dat hij niet werkzaam is geweest voor CFS. Zijn werkzaamheden bestonden en bestaan uit meer dan het opstellen van offertes. Het gaat erom in hoeverre de door hem verrichte handelingen zien op het dienstverband bij CFS, het bewerkstelligen van sales voor CFS en gericht zijn op acquisitie en klantenbinding voor CFS.\n\n4.20.. Het alleen passief ontvangen van e-mails zonder dat daar enige opvolging aan is gegeven, is naar oordeel van de kantonrechter geen vorm van werkzaam zijn voor CFS.\n\n4.21.. De kantonrechter zal nu de gestelde overtredingen afzonderlijk bespreken en zal daarbij de volgorde aanhouden zoals genoemd in de dagvaarding en de opvolgende processtukken van partijen. ACF heeft gesteld dat zij per benaderde klant één overtreding rekent en één keer de boete vordert. Op die manier heeft ACF de gevorderde boete naar eigen zeggen al gematigd. De kantonrechter zal bij de verdere beoordeling bij die manier van tellen aansluiten.\n\n4.21.1.. Overtreding 1: de e-mail d.d. 7 januari 2024 van [gedaagde] aan [C] (productie 7 bij de dagvaarding).\n\nHet verwijt van ACF is dat [gedaagde] [C] benadert om over te stappen naar CFS. Volgens [gedaagde] is slechts sprake van het aankondigen van zijn overstap naar CFS, dat hoogstens als voorbereidende handeling kan worden beschouwd. Naar oordeel van de kantonrechter is sprake van overtreding van artikel V van de arbeidsovereenkomst. Het betreft het standaard e-mailbericht met een kleine toevoeging c.q. aanpassing. Verwezen wordt naar rechtsoverweging 4.18. De intentie van [gedaagde] blijkt bovendien duidelijk uit zijn reactie op de aangekondigde overstap van [C] van ACF naar CFS aan [A] en [B] :\n\n“Goedenavond heren, Dit is een goed begin”.\n\n4.21.2.. Overtreding 2: de e-mail d.d. 10 januari 2024 van [gedaagde] aan [B] met 79 bijlagen (productie 9 bij de dagvaarding). [gedaagde] schrijft daarin het volgende:\n\n“Hoi [B] ,\n\nKun je de calculatie bladen aanpassen, met logo en adresgegevens. Calculatie enkel,\n\ndubbel en 3 voud.\n\nTevens ons crm toegevoegd, maar weet niet of je hier wat meekunt?\n\nAnders moeten we diegene die het gemaakt heeft uitnodigen, hij heeft dat zelf gemaakt.”\n\nHet verwijt is dat [gedaagde] vertrouwelijke bedrijfsinformatie, waaronder calculatiebladen en het CRM bestand (het klantenbestand) van ACF aan CFS doorstuurt. Volgens [gedaagde] heeft ACF niet gespecificeerd om welke bedrijfsinformatie het gaat en is het versturen van bedrijfsinformatie aan een nieuwe werkgever geen vorm van het verrichten van arbeid voor anderen. De kantonrechter is van oordeel dat sprake is van overtreding van artikel V van de arbeidsovereenkomst. Ter zitting heeft [gedaagde] erkend dat onder de meegestuurde bijlagen zich calculatiebladen en het CRM bestand bevonden. Verder heeft [gedaagde] verklaard dat hij deze bijlagen heeft doorgestuurd op verzoek van [B] . Daaruit blijkt dus dat [gedaagde] dat heeft gedaan in opdracht van en ten behoeve van CFS. Daarmee kwalificeert de handelswijze van [gedaagde] als het verrichten van arbeid voor CFS.\n\n4.21.3.. Overtreding 3: de e-mails d.d. 12 januari 2024 van [B] aan [gedaagde] over diverse prospects en de reactie van [gedaagde] aan [B] (productie 10 bij de dagvaarding).\n\nHet verwijt is dat [gedaagde] intern met [B] correspondeert over de toegezonden prospects en de inhoud van de website van CFS. ACF stelt dat [gedaagde] zich onder werktijd volop en uitsluitend richt op het werven en bedienen van klanten ten behoeve van CFS. [gedaagde] betwist dat. Hij stelt dat nergens uit blijkt dat hij opvolging aan de prospects heeft gegeven en dat interne communicatie over de inhoud van de website slechts als voorbereidende handeling kan worden gezien. De kantonrechter gaat niet met dat verweer mee en is van oordeel dat sprake is van een overtreding van het nevenwerkzaamhedenbeding. Ter zitting heeft ACF erop gewezen dat [gedaagde] op de e-mails van [B] reageert dat het beter zou verkopen als er aanpassingen aan de website van CFS worden gedaan. Daaruit volgt dus dat [gedaagde] op dat moment wel actief bezig is voor CFS en dat zijn handeling is gericht op sales van CFS.\n\n4.21.4.. Overtreding 4: de e-mail d.d. 12 januari 2024 van [gedaagde] aan [D] (productie 11 bij de dagvaarding).\n\nHet verwijt is dat [gedaagde] onder werktijd e-mailt vanuit zijn CFS-mailadres. Volgens ACF betreft het een offerte die [gedaagde] in november 2023 heeft gemaakt voor ACF en dus aan ACF overdragen had dienen te worden. [gedaagde] betwist dat sprake is van een overtreding. In de e-mail staat dat [gedaagde] een scherpe aanbieding wil maken en dat hij vanaf 1 februari actief is. Hieruit volgt volgens [gedaagde] dat hij in januari 2024 niet voor CFS voor deze klant heeft gewerkt. Hij verzocht [D] immers te wachten tot 1 februari. Aan ACF kan worden toegegeven dat [gedaagde] op het moment van het verzenden van deze e-mail niet aan het werk was voor ACF, maar dat betekent niet dat hij op dat moment ook werkzaamheden heeft verricht voor CFS voor deze klant, althans niet vóór 1 februari 2024. Niet gesteld of gebleken is dat deze e-mail daadwerkelijk opvolging heeft gehad waarbij in januari 2024 nog werkzaamheden door [gedaagde] zijn verricht. Van werkzaam zijn voor CFS is daarom geen sprake, zodat geen sprake is van overtreding van het beding. Verwezen wordt verder naar rechtsoverweging 4.20.\n\n4.21.5.. Overtreding 5: de e-mails d.d. 18 januari 2024 van [gedaagde] aan Breda Bouw en van [gedaagde] aan [A] en [B] (productie 12 bij de dagvaarding).\n\nHet verwijt is [gedaagde] Breda Bouw e-mailt dat hij een offerte voor CFS kan uitbrengen en daarover met [A] en [B] correspondeert. [gedaagde] brengt daar tegen in dat niet blijkt dat daadwerkelijk een offerte is uitgebracht. Verder stelt [gedaagde] dat de correspondentie tussen hem en [A] en [B] betrekking heeft op een andere overtreding (overtreding 8). De kantonrechter is van oordeel dat sprake is van overtreding van artikel V van de arbeidsovereenkomst omdat de desbetreffende actie van [gedaagde] tot doel heeft om sales voor CFS te verwezenlijken. Verwezen wordt naar rechtsoverweging4.19.. \n\n [gedaagde] schrijft immers aan Breda Bouw:\n\n“Goedemorgen [E] ,\n\nHierbij onze gegevens.\n\nStuur maar door, ik zorg voor een passende aanbieding.”\n\nVervolgens reageert Breda Bouw:\n\n“Hoi [gedaagde] ,\n\nHierbij de tekening en off die je destijds via ac hebt uitgebracht. Let even goed op de\n\nverdiepte stroken tbv de goten die aangebracht moeten worden.”\n\nDuidelijk komt hieruit naar voren dat [gedaagde] op dat moment bezig is met een opdracht en sales voor CFS. Ten aanzien van de interne correspondentie kan in het midden blijven of sprake is van een overtreding omdat ACF daarvoor geen afzonderlijk overtreding heeft gerekend en ook geen boete heeft gevorderd.\n\n4.21.6.. \n\nOvertreding 6: de e-mails d.d. 18 januari 2024 van [gedaagde] aan [F] verbonden aan [C] en het doorsturen van opdrachtgegevens aan zichzelf (productie 14 en 15 bij de dagvaarding).\n\nHet verwijt is dat [gedaagde] een verzoek ontvangt om een offerte uit te brengen voor CFS, voor een klant waarvoor hij eerder voor ACF een offerte heeft uitgebracht. [gedaagde] heeft de destijds opgemaakte offerte van ACF aan zichzelf gestuurd. [gedaagde] betwist dat sprake is van een schending omdat ACF niet heeft aangetoond dat het daadwerkelijk om een offerte gaat. De gevorderde boete is niet toewijsbaar voor deze (gestelde) overtreding. Ter zitting is vast komen te staan dat [F] werkzaam is voor [C] . Voor het benaderen van [C] is al een overtreding opgenomen, zodat voor het benaderen van [F] niet nog aanvullend een boete kan worden gevorderd, zie rechtsoverweging 4.21 en 4.21.1.\n\n4.21.7.. Overtreding 7: de e-mail d.d. 18 januari 2024 van [gedaagde] aan Rimebo (productie 16 bij de dagvaarding).\n\nHet betreft het standaard e-mailbericht met een kleine toevoeging c.q. aanpassing. Verwezen wordt naar rechtsoverweging 4.18. Sprake is van overtreding van het nevenwerkzaamhedenbeding.\n\n4.21.8.. Overtreding 8: de e-mail d.d. 16 januari 2024 van [gedaagde] (afkomstig van zijn privé-e-mailaccount) aan [G] en [C] (productie 27 bij de dagvaarding):\n\nTer zitting is komen vast te staan dat [G] werkzaam is voor [C] . Voor het benaderen van [C] is al een overtreding opgenomen, zodat voor het benaderen van [G] niet nog aanvullend een boete kan worden gevorderd, zie rechtsoverweging 4.21 en 4.21.1.\n\n4.21.9.. Overtreding 9 tot en met 17, 19, 20 en 21: de e-mails van [gedaagde] aan diverse klanten van ACF d.d. 23 en 25 januari 2024 (productie 18 tot en met 26, 29, 30 en 31 van de dagvaarding).\n\nDit betreft het standaard e-mailbericht met al dan niet een kleine toevoeging c.q. aanpassing. Verwezen wordt naar rechtsoverweging 4.18. Deze e-mails leveren schending op van artikel V van de arbeidsovereenkomst, in totaal 11 overtredingen. Overtreding 21 wordt hieronder afzonderlijk besproken.\n\n4.21.10.. Overtreding 18: de e-mail d.d. 25 januari 2025 van [gedaagde] aan [F] (productie 28 bij de dagvaarding).\n\nZoals hiervoor is overwogen is [F] verbonden aan [C] . Voor het benaderen van [C] is al een overtreding opgenomen, zodat voor het benaderen van [F] niet nog aanvullend een boete kan worden gevorderd, zie rechtsoverwegingen 4.21, 4.21.1 en 4.21.6.\n\n4.21.11.. Overtreding 21: de e-mail d.d. 25 januari 2024 van [gedaagde] aan [H] (productie 28 bij de dagvaarding).\n\nHet betreft het standaard e-mailbericht met de volgende toevoeging:\n\n“Goedemorgen [H] ,\n\nZoals met [I] besproken heb ik de opdracht (Roermond) bij AC eruit\n\ngehaald,\n\nWe zullen deze rechtstreeks voor u maken.\n\nHierbij onze gegevens van het nieuwe bedrijf. […]”\n\nAnders dan [gedaagde] meent, blijkt hieruit duidelijk dat [gedaagde] al bezig was met het verwezenlijken van sales voor CFS ten koste van ACF. [gedaagde] schrijft immers dat hij de opdracht bij ACF ‘eruit’ zal halen en de opdracht door CFS zal worden uitgevoerd. Verwezen wordt naar rechtsoverweging 4.18. Sprake is van overtreding van het nevenwerkzaamhedenbeding.\n\n4.21.12.. Overtreding 22: de e-mail d.d. 24 januari 2024 van [J] aan [gedaagde] (productie 32 bij de dagvaarding).\n\nHet verwijt is dat [gedaagde] op 23 januari 2024 een opdracht heeft aangenomen voor CFS. [gedaagde] heeft dat betwist en stelt dat het uitsluitend ontvangen van een e-mail zonder verdere arbeidsprestatie geen schending van het nevenwerkzaamhedenbeding oplevert. Tegenover de betwisting van [gedaagde] heeft ACF niet nader onderbouwd dat [gedaagde] op 23 januari 2024 een opdracht heeft aangenomen voor CFS, zodat niet is komen vast te staan dat deze e-mail daadwerkelijk opvolging heeft gehad. Althans blijkt onvoldoende dat daar een actieve handeling van [gedaagde] aan vooraf is gegaan. Alleen het ontvangen van een e-mail is onvoldoende voor overtreding van het beding. Verwezen wordt naar rechtsoverweging 4.20.\n\n4.21.13.. Overtreding 23: de e-mails d.d. 30 januari 2024 van [K] aan [gedaagde] (productie 33 bij de dagvaarding).\n\nHet verwijt is dat [gedaagde] onderling contact heeft gehad met [K] en zich onrechtmatig heeft uitgelaten over ACF. [gedaagde] stelt dat het uitsluitend ontvangen van een e-mail zonder verdere arbeidsprestatie geen schending van het nevenwerkzaamhedenbeding oplevert. Aan ACF kan worden toegegeven dat de e-mails impliceren dat onderling contact heeft plaatsgevonden, maar zonder verdere onderbouwing kan niet worden vastgesteld dat dit contact op initiatief van [gedaagde] is geweest en wat er is besproken. Onvoldoende blijkt dat daar een actieve handeling van [gedaagde] aan vooraf is gegaan, zodat geen sprake is van overtreding van het beding.\n\n4.21.14.. Overtreding 24: de e-mail d.d. 23 januari 2024 van [gedaagde] aan Spranco Metaalbouw en de aanvraag voor een offerte (productie 34 bij de dagvaarding).\n\nHet betreft het standaard e-mailbericht, waarbij ook blijkt dat dit een offerte oplevert voor CFS. Verwezen wordt naar rechtsoverweging 4.18. Sprake is van overtreding van het nevenwerkzaamhedenbeding.\n\n4.22.. De conclusie is dat [gedaagde] het nevenwerkzaamhedenbeding 18 keer heeft overtreden, zodat ACF aanspraak maakt op 18 keer de boete van € 5.000,-, in totaal € 90.000,-.\n\nGeen matiging van de boete\n\n4.23.. \n [gedaagde] doet een beroep op matiging van gevorderde boete tot nihil. Aan dat beroep legt hij ten grondslag dat niet over de tekst van de arbeidsovereenkomst, specifiek het boetebeding, is onderhandeld, dat het beding aan hem is opgedrongen, dat het beding louter strekt tot bescherming van ACF en dat hij nooit is gesommeerd tot nakoming van het nevenwerkzaamhedenbeding. ACF heeft eerder CFS aangesproken, maar vond het kennelijk niet nodig om [gedaagde] aan te spreken. Dit levert volgens [gedaagde] rechtsverwerking of afstand van recht op. Verder stelt [gedaagde] dat hij volledige transparantie heeft betracht, dat sprake is van een wanverhouding tussen de boete en de schade omdat de klanten niet van ACF, maar van zustervennootschap AC Floors B.V. waren – ACF lijdt geen schade – en dat sprake is van een eenheidsboete. ACF betwist dat gronden voor matiging aanwezig zijn. ACF stelt dat zij de boete al zelf heeft gematigd door slechts één keer de boete per klant te vorderen in plaats van op basis van het aantal acties dat [gedaagde] heeft ondernomen. De vordering zou dan vele malen hoger zijn uitgevallen, aldus ACF.\n\n4.24.. De kantonrechter stelt voorop dat matiging van een contractuele boete op grond van artikel 6:94 BW mogelijk is als de billijkheid dit klaarblijkelijk eist. Dit betekent dat de rechter pas van zijn bevoegdheid tot matiging gebruik mag maken als toepassing van het boetebeding in de gegeven omstandigheden tot een buitensporig en daarom onaanvaardbaar resultaat leidt (zie Hoge Raad, 27 april 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ6638). De rechter moet dus terughoudend omgaan met de bevoegdheid om de boete te matigen. Bij de boordeling moet de rechter onder meer letten op de verhouding tussen de werkelijke schade en de hoogte van de boete, maar ook op de aard van de overeenkomst, de inhoud en de strekking van het beding en de omstandigheden waaronder het is ingeroepen.\n\n4.25.. De kantonrechter is van oordeel dat de gevorderde boete gezien de omstandigheden van het geval niet leidt tot een buitensporig en daarom onaanvaardbaar resultaat. Bij dit oordeel betrekt de kantonrechter het volgende. ACF heeft gemotiveerd betwist dat partijen niet over de inhoud van de arbeidsovereenkomst hebben onderhandeld. ACF heeft in dit verband onweersproken gesteld dat [gedaagde] tijdens zijn sollicitatie bij ACF niet akkoord ging met het opnemen van een concurrentie- en relatiebeding en dat het nevenwerkzaamhedenbeding daarom bewust is opgenomen. Het beding is [gedaagde] dus niet als ‘dictaat’ opgedrongen, zoals hij stelt. De omstandigheden waarin ACF het beding heeft ingeroepen, geven geen aanleiding voor matiging. ACF heeft het beding ingeroepen omdat zij er achter is gekomen dat [gedaagde] het beding structureel heeft geschonden. Dat ACF [gedaagde] nooit tot nakoming heeft gesommeerd, doet daaraan niets af. De aard van het beding en de overtredingen brengt mee dat het voor [gedaagde] duidelijk moet zijn geweest dat werken voor de concurrent onder werktijd van ACF niet geoorloofd is. Dat ACF het beding pas enige tijd na het einde van het dienstverband heeft ingeroepen, komt voort uit de omstandigheid dat [gedaagde] juist niet transparant is geweest over zijn handelen. [gedaagde] heeft daarover toen zijn handelen uitkwam ook niet consistent verklaard. Van rechtsverwerking of afstand van recht is geen sprake. Enkel tijdsverloop is daarvoor onvoldoende. Er moet sprake zijn van bijzondere omstandigheden op grond waarvan gerechtvaardigd vertrouwen is gewekt dat ACF haar aanspraak niet meer geldend zal maken, of waardoor [gedaagde] ’ positie onredelijk is verzwaard of benadeeld zou worden indien het recht of de bevoegdheid alsnog geldend wordt gemaakt. Daarvoor heeft [gedaagde] onvoldoende gesteld. Dat sprake is van een wanverhouding tussen de boete en de schade kan de kantonrechter niet vaststellen. Zoals hieronder zal blijken, is het mogelijk dat ACF schade heeft geleden als gevolg van schending van het geheimhoudingsbeding en onrechtmatige concurrentie. Hoeveel die schade bedraagt, kan de kantonrechter niet vaststellen. Tegen de achtergrond dat de boete al door ACF zelf is gematigd, ziet de kantonrechter geen aanleiding voor verdere matiging.. Tot slot maakt de aard van de schendingen van het beding ondanks dat sprake is van een eenheidsboete niet dat het verbeuren van boetes van € 5.000,- onaanvaardbaar is. De aard van de handelingen die schending hebben opgeleverd – werken voor een concurrent in de werktijd van de werkgever – is namelijk de meest ernstige schending van het beding. Het beroep op matiging van de boete wordt daarom afgewezen.\n\nConclusie: [gedaagde] heeft het nevenwerkzaamhedenbeding overtreden en is 18 keer de boete verschuldigd\n\n4.26.. Het voorgaande leidt tot de slotsom dat [gedaagde] het nevenwerkzaamhedenbeding heeft overtreden en dat hij 18 keer de boete is verschuldigd. De gevorderde verklaringen voor recht op dit punt zullen worden toegewezen, met dien verstande dat [gedaagde] € 90.000,- aan boetes heeft verbeurd. [gedaagde] zal worden veroordeeld dit bedrag aan ACF te betalen. De wettelijke rente over de boetes zal worden toegewezen vanaf de datum van de dagvaarding, gelet op de toelichting van ACF ter zitting over het moment van opeisbaarheid.\n\n [gedaagde] heeft ook het geheimhoudingsbeding overtreden\n\n4.27.. ACF heeft daarnaast een verklaring voor recht gevorderd dat [gedaagde] het geheimhoudingsbeding van artikel VI van de arbeidsovereenkomst heeft overtreden. Naar oordeel van de kantonrechter heeft [gedaagde] het geheimhoudingsbeding in ieder geval overtreden door het versturen van de e-mail d.d. 10 januari 2024 met 79 bijlagen (productie 9 bij de dagvaarding) aan [B] . Welke gegevens [gedaagde] precies heeft doorgestuurd, kan op dit punt in het midden blijven. Vast is komen te staan dat [gedaagde] in ieder geval enkele calculatiebladen en het CRM bestand van ACF aan CFS heeft gestuurd, zo blijkt uit de toelichting van [gedaagde] ’ gemachtigde en ook uit zijn eigen verklaring ter zitting dat hij de informatie op verzoek van [B] heeft gestuurd en dat hij het CRM bestand niet kon openen en niets aan de calculatiebladen zou hebben gehad. Zowel de calculatiebladen als het CRM bestand bevat informatie van ACF en diens zakelijke relaties zoals bedoeld in het geheimhoudingsbeding (zie 2.2). Vast staat dat ACF geen toestemming heeft gegeven aan [gedaagde] om deze informatie met derden (CFS) te delen. De verklaring voor recht op dit punt zal daarom worden gegeven.\n\n [gedaagde] heeft ACF onrechtmatige concurrentie aangedaan; [gedaagde] heeft onrechtmatig gehandeld en is tegenover ACF aansprakelijk\n\n4.28.. ACF stelt dat [gedaagde] in de periode na 1 februari 2024 haar onrechtmatige concurrentie heeft aangedaan. In dit verband vordert ACF een verklaring voor recht en een schadevergoeding van € 933.703,-. Hieraan legt ACF ten grondslag dat [gedaagde] stelselmatig en substantieel het duurzame bedrijfsdebiet van ACF heeft afgebroken met gebruikmaking van kennis en gegevens die vertrouwelijk bij ACF zijn verkregen. Dit onderbouwt ACF met de stelling dat [gedaagde] op grote schaal vertrouwelijke bedrijfsinformatie, zoals bedrijfs- en klantgegevens, heeft doorgespeeld aan CFS met als doel deze klanten te benaderen. Ook zijn gegevens over prijsafspraken van ACF met leveranciers gebruikt om CFS een voordeel te geven bij onderhandelingen met diezelfde leveranciers. [gedaagde] heeft hiertoe tijdens zijn dienstverband al op grote schaal en planmatig voorbereidende handelingen getroffen door het CRM bestand en offertes naar zichzelf te e-mailen en direct daarna relaties van ACF te benaderen. [gedaagde] heeft tijdens zijn dienstverband met CFS offertes uitgebracht voor producten en diensten die ACF ook levert en heeft die na zijn vertrek direct opgevolgd en daarbij bewust lagere prijzen geoffreerd waarvan hij als salesmedewerker bij ACF weet had en kennis had van technische en klantgebonden vertrouwelijke informatie. Dit heeft volgens ACF geen ander doel gehad dan klanten bij haar weg te kapen naar CFS.\n\n4.29.. \n [gedaagde] betwist dat hij ACF onrechtmatige concurrentie heeft aangedaan. Hij stelt dat hij geen enkel belang in of bij CFS heeft en dat niet hij, maar CFS concurrentie aangaat met ACF. [gedaagde] betwist ook dat sprake is van het stelstelmatig en substantieel afbreken van het duurzame bedrijfsdebiet van ACF met gebruikmaking van kennis en gegevens die vertrouwelijk bij ACF zijn verkregen. Volgens [gedaagde] heeft ACF niet onderbouwd dat hiervan sprake is. [gedaagde] betwist verder dat hij informatie van ACF heeft gebruikt voor offertes van CFS. CFS en de bedrijven van [A] beschikken over eigen calculatiemethoden, prijskennis en klantrelaties. ACF heeft volgens [gedaagde] geen duurzaam bedrijfsdebiet. De genoemde klanten zijn geen klanten van ACF, maar van zusteronderneming AC Floors B.V, en betreft dan ook het bedrijfsdebiet van AC Floors B.V. Daarnaast is sprake van extreem veel concurrentie in de markt. [gedaagde] stelt dat het in de betonvloerenbranche gebruikelijk is dat opdrachtgevers geen structurele, langdurige relatie hebben met één specifieke aanbieder, maar per project kiezen voor de partij die op dat moment het beste aanbod kan doen.\n\n4.30.. De kantonrechter is van oordeel dat [gedaagde] ACF onrechtmatige concurrentie heeft aangedaan, daarmee onrechtmatig heeft gehandeld tegenover ACF en daarom tegenover ACF aansprakelijk is. De kantonrechter legt dat als volgt uit.\n\n4.31.. Vaststaat dat [gedaagde] niet was gebonden aan een concurrentie- of relatiebeding. Dit betekent dat het [gedaagde] in beginsel vrij stond om zich na afloop van de arbeidsovereenkomst in vrije concurrentie met ACF te begeven, ook wanneer ACF daarvan nadeel zou ondervinden. In het arrest Boogaard\u002FVesta heeft de Hoge Raad uitgangspunten geformuleerd om te kunnen beoordelen of in een specifiek geval sprake is van onrechtmatige concurrentie (zie Hoge Raad, 9 december 1955, NJ 1956\u002F1957):\n\nVan onrechtmatige concurrentie is sprake bij:\n\nhet stelselmatig en substantieel afbreken van\n\nhet duurzame bedrijfsdebiet van de voormalige werkgever, dat de voormalige werknemer in het kader van de (arbeids)overeenkomst heeft meehelpen opbouwen\n\nmet de hulpmiddelen die hij daartoe vertrouwelijk van zijn voormalige werkgever ter beschikking kreeg.\n\nAnders dan [gedaagde] kennelijk heeft gemeend, gaat het hierbij niet om limitatieve voorwaarden. Ook niet is vereist dat de werknemer zelf of zijn vennootschap direct concurreert met de voormalig werkgever. Als uitgangspunt geldt dat het profiteren van het bedrijfsdebiet van een concurrent niet zonder meer onrechtmatig is, en dat daarvoor bijkomende omstandigheden zijn vereist. Veelal worden deze omstandigheden nader ingevuld aan de hand van de Boogaard\u002FVesta-criteria. In de rechtspraak en rechtsliteratuur is aanvaard dat bijzondere omstandigheden kunnen meebrengen dat, ook wanneer de gedragingen niet voldoen aan de Boogaard\u002FVesta-criteria, zij toch onrechtmatig zijn. Dit kan bijvoorbeeld het geval zijn als sprake is van het beconcurreren van de voormalige werkgever tijdens het dienstverband. De kantonrechter verwijst in dit verband naar de recente conclusies van De Bock en Lindenbergh.In die conclusies wordt tot uitgangspunt genomen dat uit het arrest Boogaard\u002FVesta slechts kan worden afgeleid dat ook zonder concurrentiebeding sprake kan zijn van onrechtmatige handelingen jegens een voormalig werkgever wegens strijd met de maatschappelijke zorgvuldigheidsnorm van artikel 6:162 lid 2 BW, en dat daarvoor niet is vereist dat de desbetreffende handelingen ook onrechtmatig zijn als wordt geabstraheerd van de vroegere arbeidsovereenkomst. Wanneer de hier bedoelde strijd met de maatschappelijke zorgvuldigheid zich voordoet valt volgens De Bock en Lindenbergh niet af te leiden uit de rechtspraak van de Hoge Raad. Een en ander hangt af van alle omstandigheden van het geval.\n\n4.32.. De kantonrechter is van oordeel dat er in deze zaak bijzondere omstandigheden aanwezig zijn die maken dat [gedaagde] onrechtmatig tegenover ACF heeft gehandeld. Dit wordt als volgt toegelicht.\n\n4.33.. Het gaat om een grove schending van het geheimhoudingsbeding met post-contractuele werking. [gedaagde] heeft bewust voor het drijven van concurrentie relevante en vertrouwelijke bedrijfsinformatie van ACF aan CFS toezonden, bestaande uit het volledige klantenbestand (CRM bestand) en calculatiebladen. Dit is het bedrijfsdebiet van ACF. Het verweer van [gedaagde] dat hij het CRM bestand niet kon openen, wordt gepasseerd. [gedaagde] heeft over het versturen van de desbetreffende e-mail aanvankelijk niet (volledig) naar waarheid verklaard. Zijn verklaringen op dit punt zijn ook niet consistent. Ter zitting is pas gebleken dat hij het CRM bestand en de calculatiebladen op uitdrukkelijk verzoek van [B] heeft doorgestuurd. Daarin ligt besloten dat de gegevens waardevol voor CFS zijn geweest, althans relevant werden geacht. In de correspondentie tussen ACF en [B] zijn de bedrijfsgegevens van ACF ook als “zeer bedrijfsgevoelige en privacygevoelige informatie” omschreven. Ook heeft [gedaagde] verklaard dat hij dit een raar verzoek vond en dat hij [B] vanaf begin af aan niet vertrouwde. [gedaagde] verklaarde: “Het voelde niet goed, maar ik heb het wel gedaan”Desgevraagd heeft [gedaagde] geen verklaring willen geven waarom hij de informatie dan toch heeft doorgestuurd. ACF heeft gesteld dat de calculatiebladen de unieke werkwijze van ACF weergeven en dat de bladen worden gebruikt om opdrachten te berekenen en offertes te maken. Het verweer van [gedaagde] dat de bladen niet uniek zijn, heeft ACF gemotiveerd weerlegd met de toelichting ter zitting dat de bladen zijn ontworpen door de heer [L] (hierna: [L] ) die destijds samen met mevrouw [M] (hierna [M] ) heeft samengewerkt bij een betonbedrijf, dat [M] daarna ACF is gestart en [L] andere ondernemingen is gestart en dat de calculatiebladen alleen door ACF en de ondernemingen van [L] worden gebruikt. Het verweer dat [gedaagde] bij CFS gebruik maakt van de calculatiebladen van [A] , maakt niet dat de calculatiebladen van ACF niet waardevol zijn. [gedaagde] weet hoe deze calculatiebladen door ACF worden gebruikt. Dit geeft kennis en inzage in hoe een offerte van ACF er in een specifiek geval uit zou zien en daarmee kennis die voor CFS relevant is. Dat geeft een voorsprong bij het concurreren.\n\n4.34.. Verder blijkt uit de overgelegde e-mails dat [gedaagde] voor CFS veelvuldig klanten van ACF heeft benaderd en offertes heeft uitgebracht. In het bijzonder verwijst de kantonrechter naar productie 37 bij de dagvaarding waaruit blijkt dat [gedaagde] op 1 februari 2024 een offerte stuurt aan Breda Bouw nadat hij eerder een tekening en offerte voor ACF heeft uitgebracht. Daarnaast wordt verwezen naar de andere klanten waarbij [gedaagde] tot 1 februari 2024 heeft gewacht, zoals [D] (productie 11 bij de dagvaarding) en Spranco Metaalbouw (productie 34 bij de dagvaarding) en de klanten waarvan [gedaagde] offertes van ACF naar zichzelf heeft gemaild zoals [N] (productie 41 bij de dagvaarding) en VDR Bouwgroep (productie 42 bij de dagvaarding). Uit de vele e-mails blijkt weliswaar dat er meer klanten zijn benaderd, maar kan niet worden vastgesteld wat voor gevolgen dat heeft gehad, in die zin dat een directe opdracht aan ACF naar CFS is gegaan, terwijl ACF de opdracht anders zou hebben uitgevoerd. Wel blijkt uit het tussentijdse rapport van [O] (productie 75 van ACF) dat na 1 februari 2024 een substantiële daling in de omzet heeft plaatsgevonden. ACF heeft ter zitting toegelicht dat de onderzochte klanten terugkerende klanten, ofwel rechtstreeks ofwel via een derde. [gedaagde] heeft dat niet bestreden. Verder heeft ACF onbestreden aangevoerd dat de klanten waarvan [gedaagde] een verklaring heeft overlegdvoorheen klanten waren van ACF en nu niet meer. Uit die verklaringen blijkt dat die klanten nu klant zijn van CFS.\n\n4.35.. De slotsom is dat [gedaagde] onrechtmatig tegenover ACF heeft gehandeld door met gebruikmaking van het CRM bestand, de calculatiebladen en informatie over prijsafspraken met leveranciers vaste klanten van ACF over te halen om klant te worden van CFS, waarbij meeweegt dat [gedaagde] deze gegevens in strijd met het geheimhoudingsbeding tijdens zijn dienstverband bij ACF heeft verstrekt aan CFS om daar vanaf de start van zijn dienstverband bij CFS gebruik van te kunnen maken en ACF op een oneerlijke en onrechtmatige manier te beconcurreren Dit onrechtmatige gedrag kan als zodanig ook aan [gedaagde] worden toegerekend. De gevraagde verklaring voor recht zal daarom als zodanig worden toegewezen.\n\nGeen samenloop van boete en schade\n\n4.36.. \n [gedaagde] heeft aangevoerd dat ACF voor dezelfde onderliggende feiten niet zowel nakoming van het boetebeding verbonden aan het nevenwerkzaamhedenbeding kan vorderen als schadevergoeding op grond van schending van het geheimhoudingsbeding en het aandoen van onrechtmatige concurrentie. ACF meen dat dit wel kan.4.37.. In artikel 7:651 lid 1 BW is bepaald dat de werkgever ter zake van eenzelfde feit niet een boete mag heffen en tevens schadevergoeding vorderen. ACF heeft de gevorderde boetes gebaseerd op overtreding van het nevenwerkzaamhedenbeding van artikel V van de arbeidsovereenkomst gedurende het dienstverband, terwijl de gevorderde schadevergoeding is gebaseerd op de schending van het geheimhoudingsbeding van artikel VI van de arbeidsovereenkomst in combinatie met onrechtmatig handelen in de periode ná het einde van het dienstverband. In dat geval is geen sprake dat voor hetzelfde feit zowel een boete als schadevergoeding wordt gevorderd (zie ook Gerechtshof Den Haag, 26 oktober 2021, ECLI:NL:GHDHA:2021:2531). Het verweer van [gedaagde] wordt daarom verworpen.\n\nVerwijzing naar de schadestaatprocedure\n\n4.38.. Primair heeft ACF vergoeding van de volledige geleden schade gevorderd, die zij op € 933.703,- stelt. ACF heeft de hoogte van de schade onderbouwd met het tussentijdse rapport van [O] . Volgens ACF is de kans op het bestaan van een causaal verband zeer groot en is daarom volledige toerekening op zijn plaats. Subsidiair heeft ACF een beroep gedaan op kansschade en proportionele aansprakelijkheid. [gedaagde] heeft gemotiveerd betwist dat ACF schade heeft geleden en dat sprake is van een causaal verband. Ook de inhoud van het rapport heeft zij bestreden. Het rapport kan niet dienen ter onderbouwing van de schade van ACF omdat daarin de schade van AC Floors B.V. is begroot.\n\n4.39.. De kantonrechter is van oordeel dat het aannemelijk is dat ACF schade heeft geleden als gevolg van de schending van het geheimhoudingsbeding in de arbeidsovereenkomst door [gedaagde] en door zijn onrechtmatig handelen tegenover ACF. Begroting van de schade is echter op dit moment niet mogelijk. Dit wordt als volgt uitgelegd.\n\n4.40.. \n\nHet tussentijdse rapport van [O] vormt een onvoldoende onderbouwing van de gestelde schade van € 933.703,-. Het in het rapport genoemde schadebedrag heeft betrekking op door AC Floors B.V. geleden schade, zijnde € 257.437,- door het overdragen van concrete opdrachten van en offerte-aanvragen bij AC Floors B.V. door [gedaagde] aan CFS en € 659.608,- vanwege het wegblijven van klanten in 2024 bij AC Floors B.V. door\n\ntoedoen van [gedaagde] . Van de in het rapport genoemde schadebedragen is onduidelijk of deze betrekking hebben op schade geleden door ACF of alleen door AC Floors B.V. Tijdens de mondelinge behandeling heeft ACF voor het eerst in deze procedure toegelicht hoe ACF en AC Floors B.V. zich tot elkaar verhouden. ACF heeft in dit verband gesteld dat AC Floors B.V. vanaf 1 januari 2021 tot en met 1 januari 2024 als zogeheten Servicevennootschap functioneerde en dat dit inhoudt dat de vennootschap enkel factureert binnen een groep en geen andere zelfstandige activiteit exploiteert. Tussen ACF en AC Floors B.V. bestaat volgens ACF een overeenkomst van lastgeving en voor zover er dus al enig relevant onderscheid is, treedt AC Floors B.V. als lasthebber op in naam van ACF als lastgever. De omzet en marge komt aan ACF toe, aldus ACF. [gedaagde] heeft deze toelichting bij gebrek aan wetenschap betwist. ACF heeft haar stellingen niet nader met stukken onderbouwd, zoals door het in het geding brengen van een schriftelijke overeenkomst tot lastgeving. Onduidelijk blijft wanneer door ACF en wanneer door AC Floors B.V. werd gefactureerd en hoe zij zich tot elkaar verhouden. Het rapport geeft daar namelijk geen informatie over. Voor het begroten van de schade is noodzakelijk dat inzichtelijk wordt gemaakt welke schade door ACF is geleden omdat het haar bedrijfsdebiet is dat [gedaagde] heeft aangetast. Dat blijkt echter niet uit het rapport van [O] . Wel is aannemelijk dat ACF schade heeft gelegen als gevolg van het onrechtmatig handelen door [gedaagde] omdat aannemelijk is dat ACF (terugkerende) klanten is verloren. Dat blijkt ook uit de verklaring van [gedaagde] ter zitting dat de door hem benaderde klanten voorheen klanten van ACF waren, die hij tijdens zijn dienstverband met ACF voor ACF bediende.\n\n4.41.. \n [gedaagde] betwist het bestaan van een causaal verband tussen zijn onrechtmatig handelen en de schade omdat uit de door hem overgelegde verklaringen blijkt dat die klanten zijn overgestapt om andere redenen, zoals incidenten bij ACF en\u002Fof AC Floors B.V., lange wachttijden op offertes, de goede ervaringen met [gedaagde] als persoon en de prijsstelling. Ook stelt [gedaagde] dat het een vrije markt is met veel concurrentie en veel bewegende – ‘shoppende’ – klanten. De kantonrechter ziet daarin onvoldoende aanknopingspunten die op dit moment de conclusie rechtvaardigen dat er geen causaal verband bestaat. Zoals hiervoor al is overwogen, heeft ACF onweersproken aangevoerd dat zij onderzoek heeft laten doen naar de klanten die sinds 2021 terugkerende klanten waren. De verklaringen die [gedaagde] heeft ingebracht zijn gekleurd omdat het juist de klanten zijn die vanaf februari 2024 – na daartoe te zijn benaderd door [gedaagde] – naar CFS zijn overgestapt. Daarvoor waren zij terugkerende klanten van ACF, zo heeft [gedaagde] zelf verklaard.\n\n4.42.. Op dit moment bestaan er nog te veel onduidelijkheden om de omvang van de schade te kunnen begroten. Artikel 612 Rv bepaalt dat de rechter die een veroordeling tot schadevergoeding uitspreekt, de schade in het vonnis begroot, voor zover hem dit mogelijk is. Indien begroting in het vonnis niet mogelijk is, spreekt hij een veroordeling uit tot schadevergoeding, op te maken bij staat. Voldoende voor de verwijzing naar de schadestaatprocedure is dat de eiser de mogelijkheid van schade aannemelijk maakt. (Zie Hoge Raad, 30 juni 2006, ECLI:NL:HR:2006:AX6246) Aan deze voorwaarden is voldaan. In de schadestaatprocedure zal de omvang van de schade indachtig het causaliteitsverweer – andere oorzaken waarom klanten zijn overgestapt – het verlies van een kans en de grootheid van een kans verder moeten worden uitgezocht. De kantonrechter zal daarom verwijzen naar de schadestaatprocedure, zoals overigens ook uiterst subsidiair door ACF is gevorderd. De kantonrechter geeft partijen in overweging mee dat het naast het starten van een schadestaatprocedure ook mogelijk is om gezamenlijk een deskundige in te schakelen die de omvang van de schade met in achtneming van de hiervoor genoemde aandachtspunten onderzoekt.\n\nDe overige vorderingen van ACF\n\n4.43.. Onder III van het petitum heeft ACF – samengevat – gevorderd dat [gedaagde] wordt veroordeeld tot het onthouden van het gebruik maken van overeenkomsten, andere administratieve bescheiden, calculatiebladen en offertes van ACF. Het verweer van [gedaagde] dat de vordering te onbepaald is en daarvoor geen grondslag aanwezig is, wordt verworpen. Tijdens de mondelinge behandeling heeft ACF nader gespecifieerd dat met haar vordering bedoeld wordt de calculatiebladen en het CRM bestand dat [gedaagde] aan CFS heeft verstrekt. Zoals hiervoor is geoordeeld, heeft [gedaagde] deze gegevens in strijd met het geheimhoudingsbeding van artikel VI van de arbeidsovereenkomst met CFS gedeeld. Daarmee is de grondslag voor de vordering gegeven. De vordering zal worden toegewezen zoals in de beslissing vermeld. Ook de gevorderde dwangsom is toewijsbaar. Weliswaar heeft [gedaagde] toegezegd dat hij de informatie niet zal gebruiken, maar vaststaat dat [gedaagde] al eerder gebruik heeft gemaakt van aan zichzelf c.q. CFS toegestuurde gegevens, zodat een dwangsom een noodzakelijke prikkel vormt om dat in toekomst niet weer te doen.\n\n4.44.. Ten aanzien van de vordering onder IV van het petitum die strekt tot verwijdering van alle gegevens van ACF heeft [gedaagde] ook aangevoerd dat deze vordering te onbepaald is. Ter zitting heeft ACF ook deze vordering nader gespecificeerd dat het gaat om verwijdering van de calculatiebladen en het CRM bestand van de laptop van [gedaagde] en van de server van CFS. [gedaagde] heeft toegezegd dat hij hiervoor zal zorgen, althans dat hij een certificaat kan aanleveren waaruit blijkt dat de bestanden niet meer op zijn laptop en op de server van CFS aanwezig zijn. ACF heeft kenbaar gemaakt dat dit voldoende is. De vordering zal met in achtneming van het voorgaande worden toegewezen. De gevorderde dwangsom zal worden afgewezen omdat [gedaagde] heeft toegezegd hieraan te zullen meewerken, onduidelijk is bleven hoeveel tijd nodig is om dergelijk certificaat te kunnen verstrekken en omdat al een dwangsom is verbonden aan de toewijsbare vordering onder III.\n\n4.45.. ACF heeft daarnaast vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten gevorderd. [gedaagde] heeft die vordering gemotiveerd bestreden met de stelling dat ACF geen enkele inhoudelijk brief of aanmaning aan [gedaagde] heeft gestuurd. Volgens [gedaagde] heeft ACF geen incassohandelingen tegenover hem verricht. ACF is niet ingegaan op dit verweer. Voor vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten is nodig dat incassohandelingen worden verricht tegenover de schuldenaar. Gesteld noch gebleken is dat ACF buiten het laten leggen van conservatoir beslag – hiervoor bestaat een eigen regeling, zie onder ‘De proceskosten’ – incassomaatregelen tegenover [gedaagde] heeft genomen. Dat ACF met CFS heeft gecorrespondeerd, is niet voldoende. Het had op de weg van ACF gelegen om haar vordering op dit punt toe te lichten, maar dat heeft zij niet gedaan. De gevorderde vergoeding is daarom niet toewijsbaar.\n\n4.46.. Tot slot heeft ACF op de voet van artikel 6:96 lid 2 onder b BW een vergoeding gevorderd van de onderzoekskosten verbonden aan het rapport van [O] . [gedaagde] heeft die vordering gemotiveerd betwist met de stelling dat de onderliggende facturen gericht zijn aan AC Floors B.V. en het niet gaat om onderzoekskosten die ACF heeft gemaakt voor schade die ACF heeft geleden. Dit verweer slaagt. De gevorderde vergoeding is niet toewijsbaar omdat het niet gaat om de kosten voor vaststelling van de schade in deze zaak tussen ACF en [gedaagde] , maar ziet op de schade van AC Floors B.V., die geen partij is in deze procedure. Zoals hiervoor is overwogen, is de onderlinge verhouding tussen ACF en AC Floors B.V. onduidelijk gebleven.\n\nDe proceskosten\n\n4.47.. In conventie is [gedaagde] grotendeels in het ongelijk gesteld. [gedaagde] moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van ACF worden begroot op:\n\n- kosten van de dagvaarding\n\n€\n\n112,99\n\n- griffierecht\n\n€\n\n721,00\n\n- beslagkosten\n\n€\n\n2.729,72\n\n- salaris gemachtigde\n\n€\n\n1.732,00\n\n(2 punten × € 866,00)\n\n- nakosten\n\n€\n\n144,00\n\n(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)\n\nTotaal\n\n€\n\n5.439,71\n\nDe beslagkosten worden begroot op de explootkosten van de door [gedaagde] in het geding gebrachte exploten, zijnde in totaal € 827,72, € 688,00 aan griffierecht en € 1.214,- aan salaris advocaat. In totaal wordt € 2.729,72 toegekend.\n\n4.48.. De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.\n\nin reconventie: de tegenvordering van [gedaagde] :\n\nDe beslagen worden niet opgeheven\n\n4.49.. De tegeneis van [gedaagde] strekt tot opheffing van de gelegde conservatoire beslagen onder ABN AMRO bank en op een pand. In de onderbouwing van de tegenvordering gaat [gedaagde] er kennelijk van uit dat de vordering van ACF (volledig) zal worden afgewezen. Zoals hiervoor is overwogen, is dat niet het geval en is de vordering deels toewijsbaar. De kantonrechter ziet geen aanleiding om het beslag op te heffen. [gedaagde] heeft ook niet onderbouwd – behoudens de algemene stelling dat hij niet vrijelijk over zijn eigendom kan beschikken – waarom zijn belang bij opheffing boven het belang van ACF prevaleert. Daarbij geldt dat het conservatoire beslag op grond van artikel 704 lid 1 Rv door dit vonnis wordt omgezet in een executoriaal beslag. Daar komt nog bij dat niet is gesteld of gebleken dat er sprake is van andere verhaalsmogelijkheden. Gelet hierop oordeelt de kantonrechter dat het belang van ACF bij handhaving van het beslag zwaarder weegt dan het belang van [gedaagde] . De tegenvordering wordt daarom afgewezen.\n\nDe proceskosten\n\n4.50.. In reconventie is [gedaagde] in het ongelijk gesteld. [gedaagde] moet daarom de proceskosten betalen. De proceskosten van ACF worden begroot op:\n\n- salaris gemachtigde\n\n€\n\n288,00\n\n(1 punt × € 288,00)\n\nTotaal\n\n€\n\n288,00\n\n5. De beslissing\n\nDe kantonrechter\n\nin conventie: de vorderingen van ACF:\n\n5.1.. verklaart voor recht dat [gedaagde] het nevenactiviteitenbeding (artikel V van de arbeidsovereenkomst) en het geheimhoudingsbeding (artikel VI arbeidsovereenkomst) heeft overtreden;\n\n5.2.. verklaart voor recht dat [gedaagde] € 90.000,- aan contractuele boetes heeft verbeurd en veroordeelt [gedaagde] tot betaling van dat bedrag aan ACF, vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over dat bedrag vanaf 30 september 2024 tot de dag van betaling;\n\n5.3.. verklaart voor recht dat [gedaagde] onrechtmatig tegenover ACF heeft gehandeld en dat [gedaagde] aansprakelijk is voor de door ACF geleden schade, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet;5.4.. veroordeelt [gedaagde] zich te ontbonden van het direct en\u002Fof indirect gebruik maken en\u002Fof laten maken van de calculatiebladen en het CRM bestand van ACF, onder verbeurte van een dwangsom € 1.000,- per overtreding met een maximum van € 20.000,-;\n\n5.5.. veroordeelt [gedaagde] tot het verwijderen van de calculatiebladen en het CRM bestand van ACF van de laptop van [gedaagde] en van de server van CFS onder afgifte van een certificaat waaruit blijkt dat de calculatiebladen en het CRM bestand niet (meer) op de laptop van [gedaagde] en de server van CFS terug te vinden zijn;\n\n5.6.. veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 5.439,71, te vermeerderen met de kosten van betekening als het vonnis wordt betekend;\n\n5.7.. veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald;\n\n5.8.. verklaart dit vonnis voor wat betreft de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;\n\n5.9.. wijst het meer of anders gevorderde af;\n\nin reconventie: de tegenvordering van [gedaagde] :\n\n5.10.. wijst de vordering van [gedaagde] af;\n\n5.11.. veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 288,00;\n\n5.12.. veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald;\n\n5.13.. verklaart dit vonnis voor wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;\n\nDit vonnis is gewezen door mr. A. Wijsman - Van Veen en in het openbaar uitgesproken op 23 april 2026.\n\n zie in dit verband ook Gerechtshof Amsterdam, 6 februari 2024, ECLI:NL:GHAMS:2024:555 (niet gepubliceerd op rechtspraak.nl)\n\n De Bock, ECLI:NL:PHR:2024:1396 bij de Hoge Raad, 14 februari 2025, ECLI:NL:HR:2025:264; Lindenbergh, ECLI:NL:PHR:2025:696 bij Hoge Raad, 19 september 2025, ECLI:NL:HR:2025:1320.\n\n Productie 17 tot en met 21 en productie 24 bij de conclusie van antwoord.","nl","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBOBR:2026:2866","ecli-nl-rbobr-2026-2866",{"courtName":8,"legalDomain":17,"decisionType":18,"procedureType":19},"Civiel recht","uitspraak","Uitspraak",[21,32,43,53,63],{"id":22,"ecli":23,"caseNumber":6,"courtId":24,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":26,"language":12,"source":13,"sourceUrl":27,"summary":6,"slug":28,"metadata":29},"410","ECLI:NL:RBLIM:2026:6423",66,"2026-07-08T00:00:00.000Z","RECHTBANK limburg\n\nZittingsplaats Roermond\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: ROE 25 \u002F 2565\n\nuitspraak van de meervoudige kamer van 8 juli 2026 in de zaak tussen\n\n [belanghebbende] , gevestigd te [plaats], belanghebbende\n\n(gemachtigde: M.O.E. Uyen)\n\nen\n\nde heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking Gemeenten en Waterschappen, de heffingsambtenaar (gemachtigde: A. van den Dool).\n\nProcesverloop\n\nDe heffingsambtenaar heeft op grond van de Wet waardering onroerende zaken (Wet woz) de waarde van de onroerende zaken van belanghebbende voor het belastingjaar 2025 vastgesteld (het primaire besluit).\n\nBelanghebbende heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt.\n\nDe heffingsambtenaar heeft het bezwaar van belanghebbende gegrond verklaard (het bestreden besluit). Aan belanghebbende is een proceskostenvergoeding van in totaal € 161,74 toegekend.\n\nBelanghebbende heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.\n\nDe heffingsambtenaar heeft verweer gevoerd.\n\nOp 4 mei 2026, aangevuld op 11 mei 2026, zijn van belanghebbende nadere gronden en stukken ontvangen.\n\nHet onderzoek ter zitting heeft vervolgens plaatsgevonden op 15 mei 2026. Belanghebbende heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. L.H.G.M. Driessen, kantoorgenote van haar gemachtigde bij Previcus B.V. te Boxmeer. De heffingsambtenaar heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.\n\nOverwegingen\n\n1. De rechtbank stelt vast dat de woz-waarde tussen partijen niet meer in geschil is. Het beroep van belanghebbende richt zich enkel tegen de toegekende proceskostenvergoeding en spitst zich toe op de vraag of de heffingsambtenaar bij de vaststelling van de proceskostenvergoeding in bezwaar toepassing heeft mogen geven aan de vermenigvuldigingsfactor 0,125 van artikel 30a, eerste lid, van de Wet woz, zoals dit artikellid luidt met ingang van 1 januari 2025.\n\n2. De heffingsambtenaar heeft in het bestreden besluit de proceskostenvergoeding van € 161,74 als volgt gespecificeerd:\n\n- indienen bezwaarschrift: 1 punt x waarde per punt € 647,- x factor 0,125 = € 80,87 +\n\n- bijwonen hoorzitting: 1 punt x waarde per punt € 647,- x factor 0,125 = € 80,87 = € 161,74.\n\n3. Belanghebbende vindt dat de heffingsambtenaar een te lage proceskostenvergoeding heeft toegekend. Zij verzoekt de rechtbank om artikel 30a van de Wet woz buiten toepassing te laten, omdat haar gemachtigde een bijzonder geval is als bedoeld in het zogenoemde 30a-arrest van de Hoge Raad van 17 januari 2025 (ECLI:NL:HR:2025:46).\n\n4. In het 30a-arrest heeft de Hoge Raad geoordeeld dat bijzondere gevallen zich onderscheiden doordat zij niet voldoen aan de volgende kenmerken: dat aan de belanghebbende rechtsbijstand wordt verleend door een beroepsmatig optredende gemachtigde, dan wel een kantoor, waarvan het bedrijfsmodel eruit bestaat dat\n\n( i) wordt opgetreden op basis van no cure no pay,\n\n(ii) daarbij zodanige afspraken met de cliënten worden gemaakt dat het bedrag van eventuele proceskostenvergoedingen aan de gemachtigde of aan het kantoor wordt afgedragen, en\n\n(iii) de procedures op een zodanige wijze worden gevoerd dat de daarin toegekende proceskostenvergoedingen de in redelijkheid gemaakte kosten ver overtreffen.\n\n5. De daarbij te hanteren regels zijn nader uitgewerkt in de arresten van de Hoge Raad van 25 april 2025 (ECLI:NL:HR:2025:670) en 18 juli 2025 (ECLI:NL:HR:2025:1175).\n\n5.1.. Volgens de Hoge Raad rusten op de belanghebbende de stelplicht en bewijslast van feiten die meebrengen dat buiten redelijke twijfel komt vast te staan dat, beoordeelt naar de situatie op het moment waarop het desbetreffende rechtsmiddel is aangewend, het bedrijfsmodel van de betreffende gemachtigde of diens kantoor kennelijk niet allehiervoor bedoelde drie kenmerken heeft en dat aldus sprake is van een bijzonder geval. Er is dus (al) sprake van een bijzonder geval als één van de drie kenmerken niet van toepassing is.\n\n5.2.. Bij de beoordeling van het bedrijfsmodel gaat het niet specifiek om de werkzaamheden die de gemachtigde heeft verricht in de procedure waarop de proceskostenvergoeding ziet. Met het bedrijfsmodel is namelijk meer in het algemeen de wijze bedoeld waarop de gemachtigde zijn inkomsten verwerft met het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand.\n\n5.3.. Indien het bedrijfsmodel van een gemachtigde of een kantoor inhoudt dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay (i), of op een grondslag die daarmee in wezen overeenkomt en daarmee dus op één lijn kan worden gesteld, en dat daarbij afspraken met de cliënten worden gemaakt als hiervoor onder (ii) bedoeld, zal aldus moeten worden beoordeeld of dit bedrijfsmodel voldoet aan het hiervoor onder (iii) vermelde kenmerk van vergaande overdekking. Daartoe moet een vergelijking worden gemaakt tussen enerzijds het totale bedrag aan proceskostenvergoedingen dat aan de gemachtigde of aan het kantoor wordt afgedragen, en anderzijds het totale bedrag van de kosten van de gemachtigde of van het kantoor die kunnen worden toegerekend aan het voeren van de procedures waarop die proceskostenvergoedingen betrekking hebben. Het komt dus erop aan of het totale bedrag van de afgedragen proceskostenvergoedingen het totale bedrag van de zojuist bedoelde kosten verre overtreft. De omstandigheid dat vaak geheel of ten dele gebruik wordt gemaakt van gestandaardiseerde tekstblokken die niet zijn toegespitst op de desbetreffende zaak, vormt een aanwijzing dat het bedrijfsmodel wel het derde kenmerk van vergaande overdekking heeft, en zal daarom in het algemeen volstaan om aan te nemen dat de belanghebbende niet in dit door hem te leveren bewijs is geslaagd.\n\n6. In het arrest van 26 september 2025 (ECLI:NL:HR:2025:1375) heeft de Hoge Raad nader uitgewerkt wanneer sprake is van een bedrijfsmodel dat eruit bestaat dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay (i). Bij optreden op basis van no cure no pay moet worden uitgegaan van afspraken tussen de belanghebbende en de rechtsbijstandverlener op grond waarvan de belanghebbende geen financieel risico loopt bij inschakeling van de rechtsbijstandverlener, omdat geen instapvergoeding verschuldigd is noch een percentage van de bespaarde belasting als vergoeding moet worden afgestaan (zie Kamerstukken II 2023\u002F24, 36 427, nr. 3, blz. 2). Bij de beoordeling van de vraag of het bedrijfsmodel van een beroepsmatig optredende gemachtigde, dan wel een kantoor, eruit bestaat dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay, komt het dus erop aan of die gemachtigde dan wel diens kantoor afspraken maakt met klanten op grond waarvan zij geen financieel risico lopen bij het verstrekken van de opdracht tot het verlenen van rechtsbijstand in een belastingprocedure. De verschuldigdheid van een instapvergoeding staat niet in alle gevallen eraan in de weg dat afspraken met een rechtsbijstandsverlener worden aangemerkt als afspraken op basis van no cure no pay. Onder het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand op basis van no cure no pay wordt namelijk ook begrepen het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand op een grondslag die daarmee in wezen overeenkomt en daarmee dus op één lijn kan worden gesteld. Dan moet worden gedacht aan de betaling van een zodanig laag bedrag dat die betaling als een pro forma of symbolische bijdrage moet worden beschouwd.\n\n7. De rechtbank stelt vast dat de gemachtigde van belanghebbende in deze zaak niet heeft bestreden dat haar bedrijfsmodel de hiervoor onder (ii) en (iii) vermelde kenmerken heeft.\n\n8. Belanghebbende bestrijdt dat het bedrijfsmodel van haar gemachtigde ten tijde van het instellen van bezwaar (en beroep) eruit bestaat dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay (i). Hiertoe heeft de gemachtigde verwezen naar een beschrijving van haar per 1 januari 2025 gewijzigde bedrijfsmodel (“Bijzonder geval: bedrijfsmodel Previcus en artikel 30a Wet WOZ”).\n\n8.1.. Volgens die beschrijving is de werkwijze met ingang van 1 januari 2025 fundamenteel gewijzigd. Het aantal dossiers is vanaf 2025 aanzienlijk afgenomen van 128.000 zaken naar circa 1.291 zaken. De zaken worden (vrijwel) niet meer op basis van no cure no pay uitgevoerd, maar volgens een regulier model waarin een cliënt, ongeacht de uitkomst van de zaak, een vaste startvergoeding betaalt (doorgaans gebaseerd op het aantal aanslagbiljetten) en\u002Fof een deel van de gerealiseerde besparing afdraagt (in bijna alle gevallen 40% van de besparing). De vóór 2025 aangebrachte zaken worden nog op basis van no cure no pay uitgevoerd. Bovendien worden vanaf 2025 alle aanslagbiljetten op voorhand gescreend en worden enkel de zaken doorgezet waarbij op voorhand onvoldoende duidelijk is dat er geen fouten zijn gemaakt. Er is, aldus de beschrijving, geen sprake meer van een grote massa waar de wetswijziging (Wet herwaardering proceskostenvergoeding WOZ en Bpm) op zag. De gemachtigde richt zich voortaan op de zakelijke markt, waarbij vrijwel altijd ook prijsafspraken met belanghebbenden worden gemaakt die losstaan van eventueel toegekende proceskostenvergoedingen.\n\n8.2.. De gemachtigde heeft de prijsafspraken over 2025 als volgt in een overzicht opgenomen.\n\n8.3.. De vermelding in de volmacht dat de vergoeding voor de werkzaamheden uitsluitend het totaal van de proceskostenvergoedingen bedraagt, klopt, aldus de beschrijving, niet meer. De onderliggende overeenkomsten bepalen dat cliënten zelf vergoedingen verschuldigd zijn. De proceskostenvergoeding speelt daarin nog slechts een kleine aanvullende rol.\n\n9. Op 4 mei 2026 heeft de gemachtigde van belanghebbende de facturen en betaalbewijzen in een groot aantal zaken, waarin zij als gemachtigde optreedt, ingezonden. Op 11 mei 2026 is daarvan een overzicht overgelegd. Die stukken bevestigen het beeld dat de beschrijving van het bedrijfsmodel geeft. Uit de facturen en betaalbewijzen blijkt namelijk dat de gemachtigde van een groot deel van haar cliënten een “besparingsfee” van minimaal 30% van de eventuele belastingbesparing vraagt, zij die “besparingsfee” aan haar cliënten factureert en die “besparingsfee” vervolgens ook door de cliënten wordt betaald.\n\n10. Daarnaast komt uit de facturen en betaalbewijzen naar voren dat de meeste cliënten (bovenop de “besparingsfee”) tevens een (in hoogte variërende) “startfee” zijn verschuldigd. Op zitting heeft de gemachtigde toegelicht dat, indien overeengekomen, de “startfee” altijd wordt gefactureerd en betaald. Dat dit niet in alle gevallen gebeurt blijkt uit de overgelegde facturen en betaalbewijzen, en komt, aldus de gemachtigde, doordat de “startfee”, die ongeacht de uitkomst is verschuldigd, in die gevallen eerder is gefactureerd en betaald. Dat is anders bij de “besparingsfee”, die niet eerder dan na het nemen van het bestreden besluit in rekening kan worden gebracht, omdat dan pas de (hoogte van de) besparing duidelijk is.\n\n11. De heffingsambtenaar heeft zich ter zitting op het standpunt gesteld dat het pas op 4 mei 2026 door de gemachtigde van belanghebbende indienen van facturen en betaalbewijzen (die op 6 mei 2026 door de rechtbank zijn vrijgegeven), die al in 2025 beschikbaar waren, in strijd is met een goede procesorde. De rechtbank overweegt dat partijen in beginsel vrij zijn om gedurende de procedure hun standpunten aan te vullen. Die vrijheid wordt echter begrensd door de beginselen van de goede procesorde. Hoewel de late indiening van reeds voorhanden zijnde stukken niet de schoonheidsprijs verdient, ziet de rechtbank hierin geen grond om die stukken vanwege strijd met een goede procesorde buiten beschouwing te laten. Hiertoe acht de rechtbank van belang dat de stukken een onderbouwing vormen van een eerder door de gemachtigde ingenomen standpunt, een reactie zijn op het verweerschrift en dat de aard en de omvang van de stukken niet zodanig zijn dat van de heffingsambtenaar om adequaat hierop te kunnen reageren een nader diepgaand (feiten)onderzoek wordt gevergd. De inhoudelijke reactie van de heffingsambtenaar op de stukken in de pleitnota bevestigen dit oordeel.\n\n12. De rechtbank stelt voorop dat voor haar de facturen en de betaalbewijzen leidend zijn voor de beoordeling van de vraag of kenmerk (i) op de gemachtigde van belanghebbende van toepassing is. Naar het oordeel van de rechtbank zijn (alleen) die stukken, en niet (ook) de overeenkomst, de website en de algemene voorwaarden van de gemachtigde (op 9 februari 2025), waarvan gesteld is dat die op dat moment nog niet in overeenstemming met het gewijzigde bedrijfsmodel waren gebracht, relevant voor de vraag of sprake is van een bedrijfsmodel op basis van no cure no pay. Omdat het bedrijfsmodel van de gemachtigde (en niet de vergoedingen in de aan de rechtbank voorliggende zaken) moet worden beoordeeld, blijft die beoordeling, anders dan de heffingsambtenaar stelt, niet beperkt tot de gemeenten binnen het ambtsgebied van de heffingsambtenaar. Daaruit volgt ook dat op grond van het (incidenteel) ontbreken van facturen en betaalbewijzen in aan de rechtbank voorliggende zaken niet zonder meer kan worden geconcludeerd dat kenmerk (i) op het bedrijfsmodel van de gemachtigde van toepassing is.\n\n13. De rechtbank is van oordeel dat met voldoende gegevens is onderbouwd dat de gemachtigde in 2025 voor een groot deel van de procedures een “besparingsfee” in rekening heeft gebracht. Door het betalen van een “besparingsfee” loopt een belanghebbende bij de inschakeling een gemachtigde voor het voeren van een procedure een financieel risico (zie hiervoor het arrest van de Hoge Raad van 26 september 2025). Deze door de gemachtigde gevraagde vergoeding (van 30-40%) acht de rechtbank, nog daargelaten dat de Hoge Raad dat enkel ten aanzien van “instapvergoedingen” heeft geoordeeld, ook niet dusdanig laag dat kan worden gesproken van rechtsbijstandverlening op een grondslag die in wezen overeenkomt met rechtsbijstandverlening op basis van no cure no pay. Op grond van het vorenstaande heeft belanghebbende, naar het oordeel van de rechtbank, buiten redelijke twijfel bewezen dat het bedrijfsmodel van de gemachtigde ten tijde van het instellen van bezwaar niet het kenmerk van optreden op basis van no cure no pay heeft (i). Daaraan doet niet af dat een belanghebbende vooraf ermee heeft ingestemd dat een eventuele vergoeding van proceskosten aan de gemachtigde toekomt. Dat geldt ook voor het ontbreken van facturen en betaalbewijzen van op een eerder moment in rekening gebrachte “startfees” en de door de heffingsambtenaar gestelde inconsistenties in de hoogte hiervan.\n\n14. Uit het vorenstaande volgt dat sprake is van een bijzonder geval en de heffingsambtenaar ten onrechte toepassing heeft gegeven aan artikel 30a, eerste lid, van de Wet woz.\n\n15. Dit betekent dat het beroep van belanghebbende gegrond is. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit voor zover dat ziet op de toegekende proceskostenvergoeding en bepaalt met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht de proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase op € 1.332,- (2 x € 666,-).\n\n16. Aan het standpunt van belanghebbende dat aan het bestreden besluit een motiveringsgebrek kleeft, wordt niet toegekomen.\n\n17. Omdat het beroep gegrond is, moet de heffingsambtenaar het griffierecht aan belanghebbende vergoeden.\n\n18. De rechtbank acht termen aanwezig om de heffingsambtenaar te veroordelen in de proceskosten die belanghebbende redelijkerwijs heeft moeten maken in verband met de behandeling van het beroep, een en ander eveneens overeenkomstig de normen van het Besluit proceskosten bestuursrecht. Aan belanghebbende is door een derde beroepsmatig rechtsbijstand verleend. Voor de in aanmerking te nemen proceshandelingen worden 2 punten (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen op zitting met een waarde van € 934,- per punt) toegekend. De rechtbank bepaalt in overeenstemming met het Richtsnoer proceskostenvergoeding belastingkamers gerechtshoven 2024 (neergelegd in de uitspraak van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 7 augustus 2024, ECLI:NL:GHSHE:2024:2524) de wegingsfactor op 0,5. Gelet hierop bedraagt het vanwege de in deze zaak verleende rechtsbijstand te vergoeden bedrag in totaal € 934,-.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep gegrond;\n\n- vernietigt het bestreden besluit voor zover dat ziet op de toegekende proceskostenvergoeding, stelt de proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase vast op € 1.332,- en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;\n\n- draagt de heffingsambtenaar op het betaalde griffierecht van € 385,- aan belanghebbende te vergoeden;\n\n- veroordeelt de heffingsambtenaar in de proceskosten van belanghebbende wegens verleende rechtsbijstand in beroep tot een bedrag van € 934,-.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. B.F.A. van Huijgevoort, voorzitter, en mrs. E.P.J. Rutten en J.H. van Hoof leden, in aanwezigheid van mr. D.D.R.H. Lechanteur, griffier.De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 8 juli 2026.\n\ngriffier rechter\n\nAfschrift verzonden aan partijen op: 8 juli 2026.\n\nRechtsmiddel\n\nTegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof ’s-Hertogenbosch (belastingkamer).\n\nU kunt digitaal beroep instellen via www.rechtspraak.nl. Daar klikt u op “Formulieren en inloggen”. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ’s-Hertogenbosch (belastingkamer).\n\nBij het instellen van het hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:\n\n1. bij het hogerberoepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;\n\n2 - het hogerberoepschrift moet, indien het op papier wordt ingediend, ondertekend zijn. Verder moet het ten minste het volgende vermelden:\n\na. de naam en het adres van de indiener;\n\nb. de datum van verzending;\n\nc. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;\n\nd. de redenen waarom u het niet eens bent met de uitspraak (de gronden van het hoger beroep).","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBLIM:2026:6423","ecli-nl-rblim-2026-6423",{"courtName":30,"legalDomain":31,"decisionType":18,"procedureType":19},"Roermond","Bestuursrecht; Belastingrecht",{"id":33,"ecli":34,"caseNumber":35,"courtId":36,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":37,"language":38,"source":39,"sourceUrl":6,"summary":40,"slug":41,"metadata":42},"85","ECLI:RO:2026:JudecatoriaSECTORUL5BUCURESTI:17050-302-2025-a1","17050\u002F302\u002F2025\u002Fa1",97,"Admite cererea de îndreptare a erorii materiale din cuprinsul sentin?ei civile nr. 2484\u002F06.03.2026, pronunţată de Judecătoria Sectorului 5 Bucure?ti în dosar nr. 17050\u002F302\u002F2025, formulată din oficiu.       \nDispune îndreptarea erorii materiale strecurată în cuprinsul sentin?ei civile nr. 2484\u002F06.03.2026 pronun?ată în cadrul dosarului nr. 17050\u002F302\u002F2025, în sensul re?inerii că pârâtul Vasile Constantin are codul numeric personal ............, iar nu ............., astfel cum în mod eronat s-a consemnat.   \nPrezenta încheiere face parte integrantă din cuprinsul sentin?ei civile nr. 2484\u002F06.03.2026 pronun?ată în cadrul dosarului nr. 17050\u002F302\u002F2025.   \nÎndreptarea se va efectua în toate exemplarele sentin?ei.\n\tCu drept de apel în 30 de zile de la comunicare. Cererea de apel se va depune la Judecătoria Sectorului 5 Bucure?ti.   \n\tPronun?ată prin punerea solu?iei la dispozi?ia păr?ilor prin intermediul grefei instan?ei, astăzi, 08.07.2026.\n","ro","portalquery_ro","Admite cererea","ecli-ro-2026-judecatoriasectorul5bucuresti-17050-302-2025-a1",null,{"id":44,"ecli":45,"caseNumber":6,"courtId":46,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":47,"language":12,"source":13,"sourceUrl":48,"summary":6,"slug":49,"metadata":50},"296","ECLI:NL:GHDHA:2026:2250",58,"Rolnummer: 22-001978-23\n\nParketnummer: 10-066729-23\n\nDatum uitspraak: 8 juli 2026\n\nTEGENSPRAAK\n\nArrestvan de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Den Haag gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 28 juni 2023 in de strafzaak tegen de verdachte:\n\n [verdachte],\n\ngeboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2002,\n\nBRP-adres: [BRP-adres] , [woonplaats] .\n\nOnderzoek van de zaak\n\nDit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof.\n\nHet hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.\n\nProcesgang\n\nIn eerste aanleg is de verdachte van het onder 1 tenlastegelegde vrijgesproken en ter zake van het onder 2 en 3 tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 120 dagen, met aftrek van voorarrest, waarvan 73 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren. Voorts is beslist op de vorderingen van de benadeelde partijen, zoals nader omschreven in het vonnis waarvan beroep.\n\nNamens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.\n\nOmvang van het hoger beroep\n\nDe verdachte is door de rechtbank Rotterdam vrijgesproken van hetgeen aan hem onder 1 is tenlastegelegd. Het hoger beroep is door de verdachte onbeperkt ingesteld en is derhalve mede gericht tegen de in eerste aanleg gegeven beslissing tot vrijspraak. Gelet op hetgeen is bepaald in artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering staat voor de verdachte tegen deze beslissing geen hoger beroep open. Het hof zal de verdachte mitsdien niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep gegeven vrijspraak.\n\nWaar hierna wordt gesproken van \"de zaak\" of \"het vonnis\", wordt daarmee bedoeld de zaak of het vonnis voor zover op grond van het vorenstaande aan het oordeel van dit hof onderworpen.\n\nTenlastelegging\n\nAan de verdachte is – voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen – tenlastegelegd dat:\n\n2. hij op of omstreeks 01 januari 2023 te 's-Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard, openlijk, te weten, op of aan de Smidsweg en\u002Fof de Langestraat, in elk geval op of aan (een) openbare weg(en), in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een of meer verbalisanten van de politie Eenheid Rotterdam, te weten [hoofdagent] (hoofdagent) en\u002Fof [aspirant] (aspirant) en\u002Fof één of meer verbalisanten, zijnde groepsleden van de Mobiele Eenheid van politie Eenheid Rotterdam, te weten [verbalisant 1] en\u002Fof [verbalisant 2] en\u002Fof [verbalisant 3] en\u002Fof [verbalisant 4] en\u002Fof [verbalisant 5] en\u002Fof [verbalisant 6] en\u002Fof [verbalisant 7] en\u002Fof [verbalisant 8] en\u002Fof [verbalisant 9] en\u002Fof [verbalisant 10] en\u002Fof [verbalisant 11] en\u002Fof [verbalisant 12] en\u002Fof [verbalisant 13] en\u002Fof [verbalisant 14] en\u002Fof [verbalisant 15] en\u002Fof [verbalisant 16] en\u002Fof [verbalisant 17] en\u002Fof [verbalisant 18] en\u002Fof [verbalisant 19] en\u002Fof [verbalisant 20] , althans een of meer (andere) verbalisanten door\n\n- één of meer stuks zwaar (illegaal) vuurwerk (betreffende onder meer: cobra's \u002F nitraten \u002F shells) en\u002Fof vuurwerkbommen op\u002Ftegen, althans in de richting van\u002Fnaar voornoemde verbalisanten af te schieten en\u002Fof te gooien, waarbij voornoemd(e) vuurwerk\u002Fvuurwerkbommen vlakbij\u002Fnaast het\u002Fde lichamen en\u002Fof het\u002Fde hoofden\u002Fgezichten van voornoemde verbalisanten tot ontploffing is\u002Fzijn gekomen en\u002Fof\n\n- ( met kracht) één of meer stenen en\u002Fof glaswerk op\u002Ftegen, althans in de richting van voornoemde verbalisanten te gooien en\u002Fof\n\n- ( dreigend) zich op te dringen aan voornoemde ambtenaren en\u002Fof\n\n- ( daarbij) (dreigend) een of meerdere ploertendoders, althans slagvoorwerpen, aan voornoemde ambtenaren te tonen\u002Fvoor te houden en\u002Fof\n\n- ( daarbij) aan die [aspirant] en\u002Fof [hoofdagent] en\u002Fof een of meer (andere) verbalisanten de weg te versperren, althans de doorgang te beletten en\u002Fof (daarbij) te verhinderen dat die [aspirant] en\u002Fof [hoofdagent] en\u002Fof anderen met\u002Fin een (politie)voertuig weg konden rijden en\u002Fof\n\n- naar\u002Fin de richting van voornoemde ambtenaren te schelden, met de woorden: \"Kankerlijers\", \"Kanker op joh\" en\u002Fof \"Kankerpolitie\" en\u002Fof\n\n- ( met kracht) op\u002Ftegen het (politie)schild van die [verbalisant 2] te trappen\u002Fschoppen;\n\n3. hij op of omstreeks 31 december 2022 te 's-Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard opzettelijk en wederrechtelijk een vuilnisbak\u002Fprullenbak, in elk geval enig goed, dat\u002Fdie geheel of ten dele aan Gemeente Hoeksche Waard, in elk geval aan een ander dan aan verdachte toebehoorde(n) heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt.\n\nVordering van de advocaat-generaal\n\nDe advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de bewezenverklaring zal worden bevestigd en dat de verdachte ter zake van het onder 2 en 3 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 107 dagen, met aftrek van voorarrest, waarvan 60 dagen voorwaardelijk en met een proeftijd van 2 jaren.\n\nHet vonnis waarvan beroep\n\nHet vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.\n\nVrijspraak\n\nDe advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het onder 2 tenlastegelegde wettig en overtuigend kan worden bewezenverklaard, nu de verdachte met zijn handelen een bijdrage van voldoende gewicht heeft geleverd aan het openlijk geweld tegen de desbetreffende verbalisanten. Zo heeft de verdachte voorafgaand aan de jaarwisseling deel genomen aan een WhatsApp-groep waarin werd gesproken over het voornemen onrust te veroorzaken ten tijde van de jaarwisseling. Voorts heeft de verdachte in de nacht van de jaarwisseling – nadat hij door leden van de Mobiele Eenheid (ME) was ingesloten –op zijn telefoon een video-opname gemaakt waarin er samen met medeverdachte [medeverdachte] (hierna: [medeverdachte] ) wordt gepraat over het doodschoppen van een ME’er. Vijftien minuten nadat hij deze video had opgenomen, is [medeverdachte] aangehouden voor het schoppen tegen het schild van een ME’er.\n\nHet hof overweegt als volgt.\n\nHet hof stelt voorop dat van het \"in vereniging\" plegen van geweld sprake is, indien de betrokkene een voldoende significante of wezenlijke bijdrage levert aan het geweld, zij het dat deze bijdrage zelf niet van gewelddadige aard hoeft te zijn. De enkele omstandigheid dat iemand aanwezig is in een groep die openlijk geweld pleegt is niet zonder meer voldoende om hem te kunnen aanmerken als iemand die \"in vereniging\" geweld pleegt. Beoordeeld zal moeten worden of de door de verdachte geleverde – intellectuele en\u002Fof materiële – bijdrage aan het delict van voldoende gewicht is.\n\nMet de advocaat-generaal en de verdediging is het hof van oordeel dat op grond van het verhandelde ter terechtzitting niet kan worden bewezen dat de verdachte omstreeks de jaarwisseling geweld heeft gebruikt jegens de verbalisanten, zoals het gooien met stenen of vuurwerk. Het hof is voorts van oordeel dat evenmin bewezen kan worden dat de verdachte op enige wijze geweldshandelingen die door andere personen zijn gepleegd heeft ondersteund of anderszins heeft bijgedragen aan het ontstaan of het voortduren van het geweld jegens de verbalisanten. Het hof neemt hierbij in aanmerking dat [medeverdachte] bij de raadsheer-commissaris als getuige is gehoord en heeft verklaard dat hetgeen de verdachte in de video-opname heeft gezegd, los stond van zijn handelen daarna en dat de verdachte niet in de buurt was toen [medeverdachte] tegen het schild van verbalisant [verbalisant 2] aan schopte. De enkele aanwezigheid in de groep die door de politie\u002FME was ingesloten en het feit dat de verdachte deel uit maakte van een WhatsApp-groep acht het hof evenmin een bijdrage van voldoende gewicht. Gelet op het voorgaande is niet vast komen te staan dat de verdachte een voldoende significante of wezenlijke bijdrage heeft geleverd aan het tenlastegelegde geweld tegen de desbetreffende verbalisanten, zodat het ten laste gelegde niet kan worden bewezen en de verdachte daarvan zal worden vrijgesproken.\n\nBewezenverklaring\n\nHet hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 3 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:\n\n3. hij op of omstreeks31 december 2022 te 's-Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard opzettelijk en wederrechtelijk eenvuilnisbak\u002Fprullenbak, in elk geval enig goed,dat\u002Fdiegeheel of ten deleaan Gemeente Hoeksche Waard, in elk geval aan een ander dan aan verdachtetoebehoorde(n)heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt;.\n\nHetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.\n\nBewijsvoering\n\nHet hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.\n\nIn die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.\n\nStrafbaarheid van het bewezenverklaarde\n\nHet onder 3 bewezenverklaarde levert op\n\nopzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen.\n\nStrafbaarheid van de verdachte\n\nEr is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.\n\nStrafmotivering\n\nHet hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.\n\nDaarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.\n\nDe verdachte heeft zich op oudejaarsavond schuldig gemaakt aan vernieling van een prullenbak door hierop zwaar vuurwerk tot ontploffing te brengen. Een dergelijk feit is gevaarzettend en geschikt om gevoelens van angst en onveiligheid in de maatschappij teweeg te brengen. De verdachte heeft met zijn handelen de gemeente en daarmee de gemeenschap financiële schade berokkend en hij heeft hiermee overlast veroorzaakt.\n\nHet hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie van 1 juni 2026, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder voor een vergelijkbaar feit is veroordeeld.\n\nTen aanzien van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) overweegt het hof dat deze is aangevangen op 6 maart 2023. In eerste aanleg is de redelijke termijn niet overschreden. Het hof stelt vast dat de behandeling van de zaak in hoger beroep niet heeft plaatsgevonden binnen de daartoe gestelde redelijke termijn,. Namens de verdachte is immers op 4 juli 2023 hoger beroep ingesteld en het hof wijst op 8 juli 2026 eindarrest. De redelijke termijn van de berechting in hoger beroep is derhalve met meer dan één jaar overschreden. Het hof ziet, ook gelet op de duur van de procedure als geheel, aanleiding te volstaan met de constatering van dit verzuim, gelet op de gekozen strafmodaliteit en de hoogte van de op te leggen straf.\n\nHet hof is – alles afwegende – van oordeel dat een onvoorwaardelijke taakstraf van na te melden duur een passende en geboden reactie vormt. Anders dan de verdediging heeft bepleit acht het hof een geldboete, gelet op de context waarin en de wijze waarop de vernieling plaatsvond – tijdens de jaarwisseling en met (illegaal) vuurwerk – niet passend. Evenmin zal om die reden toepassing worden gegeven aan het bepaalde in artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht.\n\nVorderingen tot schadevergoeding\n\nIn het onderhavige strafproces hebben tweeëntwintig verbalisanten zich als benadeelde partij gevoegd ter zake van het onder 2 ten laste gelegde. De benadeelde partijen [verbalisant 17] , [verbalisant 12] , [verbalisant 8] , [verbalisant 9] , [verbalisant 19] , [verbalisant 20] , [verbalisant 18] , [verbalisant 15] , [verbalisant 10] , [verbalisant 4] , [verbalisant 1] , [verbalisant 16] , [verbalisant 3] , [aspirant] , [verbalisant 7] , [hoofdagent] , [verbalisant 14] , [verbalisant 5] en [verbalisant 6] vorderen per persoon een vergoeding van € 350,00 aan immateriële schade. De benadeelde partijen [verbalisant 13] en [verbalisant 11] vorderen per persoon een vergoeding van € 400,00 aan immateriële schade en de benadeelde partij [verbalisant 2] vordert een vergoeding van € 750,00 aan immateriële schade.\n\nNu de verdachte ter zake van het onder 2 tenlastegelegde wordt vrijgesproken, zullen de benadeelde partijen niet-ontvankelijk worden verklaard in hun vordering.\n\nGelet daarop zullen de benadeelde partijen worden veroordeeld in de kosten die de verdachte tot aan deze uitspraak in verband met de verdediging tegen die vorderingen heeft moeten maken, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil.\n\nToepasselijke wettelijke voorschriften\n\nHet hof heeft gelet op de artikelen 9, 22c, 22d en 350 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.\n\nBESLISSING\n\nHet hof:\n\nVerklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder 1 tenlastegelegde.\n\nVernietigt het vonnis waarvan beroep voor zover thans aan het oordeel van het hof onderworpen en doet in zoverre opnieuw recht:\n\nVerklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 2 tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.\n\nVerklaart, zoals hiervoor overwogen, bewezen dat de verdachte het onder 3 tenlastegelegde heeft begaan.\n\nVerklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.\n\nVerklaart het onder 3 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.\n\nVeroordeelt de verdachte tot een taakstrafvoor de duur van60 (zestig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door30 (dertig) dagen hechtenis.\n\nBeveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van 2 uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.\n\nVordering van de benadeelde partijen:\n\n- [verbalisant 17] ,\n\n- [verbalisant 12] ,\n\n- [verbalisant 13] ,\n\n- [verbalisant 8] ,\n\n- [verbalisant 9] ,\n\n- [verbalisant 19] ,\n\n- [verbalisant 20] ,\n\n- [verbalisant 11]\n\n- [verbalisant 18] ,\n\n- [verbalisant 15] ,\n\n- [verbalisant 10] ,\n\n- [verbalisant 4] ,\n\n- [verbalisant 1] ,\n\n- [verbalisant 16] ,\n\n- [verbalisant 3] ,\n\n- [verbalisant 2]\n\n- [aspirant] ,\n\n- [verbalisant 7] ,\n\n- [hoofdagent] ,\n\n- [verbalisant 14] ,\n\n- [verbalisant 5] , en\n\n- [verbalisant 6]\n\nVerklaart de hiervoor genoemde benadeelde partijen telkens niet-ontvankelijk in hun vordering tot schadevergoeding.\n\nVeroordeelt de hiervoor genoemde benadeelde partijen telkens in de door verdachte gemaakte kosten en begroot deze telkens op nihil.\n\nDit arrest is gewezen door mr. F.W. Pieters, als voorzitter, mr. E.C. van Veen en mr. M.C. Bruining, leden, in bijzijn van de griffier mr. V.V. de Lange.\n\nHet is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 8 juli 2026.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHDHA:2026:2250","ecli-nl-ghdha-2026-2250",{"courtName":51,"legalDomain":52,"decisionType":18,"procedureType":19},"Den Haag","Strafrecht",{"id":54,"ecli":55,"caseNumber":6,"courtId":56,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":57,"language":12,"source":13,"sourceUrl":58,"summary":6,"slug":59,"metadata":60},"348","ECLI:NL:RBDHA:2026:18721",65,"RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Groningen\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL26.20806\n uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n \n [naam], eiseres,\n\nV-nummer: [v-nummer:],\n\n(gemachtigde: mr. I.M. Zuidhoek),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, de minister.\n\nInleiding\n\n1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 7 april 2026 niet in behandeling genomen omdat daarvoor Frankrijk verantwoordelijk is.\n\n1.1.. De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiseres. Zij doet dat mede aan de hand van de argumenten die eiseres heeft aangevoerd, de beroepsgronden.\n\n3. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiseres ongelijk krijgt en het bestreden besluit in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nToepasselijk recht\n\n4. Op deze zaak is het recht van toepassing dat gold vóór 12 juni 2026.\n\nTotstandkoming van het besluit\n\n5. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening.Op grond van de Dublinverordening neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.In dit geval heeft Nederland bij Frankrijk een verzoek om terugname gedaan. Frankrijk heeft dit verzoek aanvaard.\n\nMag de minister ten opzichte van Frankrijk uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel?\n\n6. Eiseres stelt zich op het standpunt dat er in Frankrijk voor haar een onveilige situatie zal optreden. Dit is het gevolg van de aanwezigheid van veel Libanezen in Frankrijk, waaronder ook de familie van haar moeder die haar eerder al bedreigde. Bovendien heeft eiseres in Nederland een community gevonden waar zij zich veilig bij voelt en in Frankrijk heeft zij niemand, dit is voor haar een angstaanjagend vooruitzicht. Dit terwijl in Nederland er een sterke en diverse LHBT-gemeenschap is waar zij zich veilig voelt. Volgens eiseres is er in Frankrijk bovendien nog steeds een groot probleem met betrekking tot de opvang van asielzoekers. Ze verwijst naar het AIDA-rapport over Frankrijk, update 2024.Er is een tekort aan opvangplekken en eiseres loopt bij terugkeer een reëel risico om in een situatie van materiële deprivatie terecht te komen. Volgens eiseres is het bestreden besluit niet zorgvuldig voorbereid en berust het evenmin op een deugdelijke motivering.\n\n6.1.. De beroepsgrond slaagt niet. Naar het oordeel van de rechtbank mag de minister ten aanzien van Frankrijk uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. De Afdelingheeft meermaals bevestigd dat ten aanzien van Frankrijk in algemene zin kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Hierbij is ook het AIDA rapport, update 2024, betrokken. De rechtbank overweegt ambtshalve dat ook het recente AIDA rapport, update 2025, geen wezenlijk ander beeld geeft van de opvangvoorzieningen in Frankrijk dan de informatie die is betrokken door de Afdeling in eerdere uitspraken.\n\n6.2.. Uit de AIDA rapporten blijkt niet dat sprake is van structurele tekortkomingen in de opvang of asielprocedure, ook niet ten aanzien van de LHTBI-gemeenschap. Eiseres heeft bovendien niet aannemelijk gemaakt dat zij bij overdracht aan Frankrijk persoonlijk geen opvang, rechtsbescherming of toegang tot de procedure zal krijgen. Eiseres heeft niet eerder een asielaanvraag in Frankrijk ingediend waardoor zij geen persoonlijke ervaring heeft met de kwaliteit van de asielprocedure en de opvangvoorzieningen in Frankrijk.\n\n6.3.. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van bijzondere, individuele omstandigheden op basis waarvan de minister de aanvraag toch zou moeten behandelen.\n\nConclusie en gevolgen\n\n7. Het beroep is kennelijk ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft en eiseres overgedragen kan worden aan Frankrijk. Eiseres krijgt geen vergoeding van haar proceskosten.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. A. Sibma, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Strating, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.\n\nDe uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over verzet\n\nAls partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.\n\n Zie artikel 84 van de Asiel- en migratiebeheerverordening inzake het overgangsrecht.\n\n Verordening (EU) nr. 604\u002F2013.\n\n Dit staat ook in artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.\n\n Update 2024 van juni 2025.\n\n Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.\n\n Update 2025 van mei 2026.\n\n Zie ook de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Arnhem, van 3 juli 2026. (ECLI:NL:RBDHA:2026:18469, r.o. 7.1) en de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Middelburg, van 25 juni 2026 (ECLI:NL:RBDHA:2026:17711).","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18721","ecli-nl-rbdha-2026-18721",{"courtName":61,"legalDomain":62,"decisionType":18,"procedureType":19},"Groningen","Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht",{"id":64,"ecli":65,"caseNumber":6,"courtId":66,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":67,"language":12,"source":13,"sourceUrl":68,"summary":6,"slug":69,"metadata":70},"418","ECLI:NL:RBDHA:2026:18726",61,"RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Rotterdam\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL26.36068uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n\n [naam eiser] , eiser\n\nV-nummer: [V-nummer]\n\n(gemachtigde: mr. J.S. Dobosz),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, verweerder\n\n(gemachtigde: mr. C. van der Zijde).\n\nSamenvatting\n\n1. Deze uitspraak gaat over de maatregel van vreemdelingenbewaring die aan eiser is opgelegd. Deze maatregel is opgelegd op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser is het niet eens met die maatregel. Hij voert daartegen een beroepsgrond aan. Onder meer aan de hand van deze beroepsgrond beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van die maatregel en de vraag of aan eiser een schadevergoeding moet worden toegekend.\n\n1.1.. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep gegrond is. Het opleggen van de maatregel van vreemdelingenbewaring is onrechtmatig. De rechtbank kent daarom een schadevergoeding toe. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.\n\n1.2.. In deze uitspraak gebruikt de rechtbank de volgende afkortingen voor de wet- en regelgeving:\n\nAwb: Algemene wet bestuursrecht\n\nVw: Vreemdelingenwet 2000\n\nVb: Vreemdelingenbesluit 2000\n\nProcesverloop\n\n2. Met het bestreden besluit van 29 juni 2026 heeft verweerder aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.\n\n2.1.. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.\n\n2.2.. De rechtbank heeft het beroep op 7 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, K.A. Ozdzinska als tolk en de gemachtigde van verweerder.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\nToetsingskader\n\n3. Verweerder kan als het belang van de openbare orde of de nationale veiligheid dat vordert, de vreemdeling die geen rechtmatig verblijf heeft in vreemdelingenbewaring stellen.Verweerder stelt een vreemdeling slechts in vreemdelingenbewaring, voor zover geen minder dwingende maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast en de vreemdelingenbewaring blijft achterwege of wordt beëindigd, indien deze niet langer noodzakelijk is met het oog op het doel van de vreemdelingenbewaring.Deze vreemdeling kan in vreemdelingenbewaring worden gesteld op grond dat het belang van de openbare orde of nationale veiligheid zulks vordert, indien a) een onderduikrisico bestaat, of b) de vreemdeling de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert.De maatregel kan alleen worden opgelegd wegens het bestaan van een onderduikrisico, indien ten minste twee van de gronden, genoemd in artikel 5.6, tweede lid, van het Vb zich voordoen.\n\nGronden\n\n4. Eiser heeft de gronden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd niet bestreden. De gronden, die de ambtshalve toetsing van de rechtbank doorstaan, zijn tezamen voldoende om de maatregel van bewaring te kunnen dragen.\n\nRechtmatig verblijf\n\n5. Eiser heeft aangevoerd dat er sprake is van een rechtmatig verblijf van eiser in Nederland op grond van artikel 7 van de Richtlijn 2004\u002F38\u002FEG. Eiser is een maand voorafgaand aan de onderhavige zaak opgehouden op 3 juni 2026. Hij heeft ter onderbouwing het proces-verbaal van ophouding overgelegd. Op deze dag is onderzoek gedaan naar de arbeidssituatie van eiser. Gebleken is dat eiser arbeid verricht voor een Nederlands uitzendbureau en beschikte over een arbeidscontract. Eiser is vervolgens heengezonden wegens bestendig verblijf. Verweerder kon ten aanzien van de onderhavige maatregel van bewaring op 29 juni 2026 niet zonder meer terugvallen op het standpunt dat sprake is van voortgezet onrechtmatig verblijf. Dit is onverenigbaar met de bevinding op 3 juni 2026. De maatregel van bewaring is dan ook onvoldoende zorgvuldig voorbereid en onvoldoende gemotiveerd.\n\n5.1.. Verweerder heeft aan de maatregel ten grondslag gelegd dat eiser geen rechtmatig verblijf in Nederland heeft, nu zijn verblijfsrecht als Unieburger bij beschikking van 6 maart 2025 is beëindigd. De rechtbank stelt voorop dat de enkele omstandigheid dat het verblijfsrecht van een Unieburger eerder is beëindigd, niet zonder meer meebrengt dat deze op een later moment geen rechten meer aan het Unierecht kan ontlenen. Indien sprake is van gewijzigde feiten en omstandigheden dient verweerder de verblijfsrechtelijke positie van de betrokkene opnieuw te beoordelen alvorens tot het oordeel te komen dat hij geen rechtmatig verblijf heeft.\n\n5.2.. De rechtbank oordeelt als volgt. In de maatregel van bewaring is vermeld dat eiser heeft verklaard werkzaam te zijn voor een Nederlands uitzendbureau en dit ook heeft aangetoond, dat eiser werkzaam is in België waar hij ook wordt voorzien van woonruimte door de werkgever en dat hij in België mag verblijven. Naar het oordeel van de rechtbank vormen deze omstandigheden concrete aanwijzingen dat de feitelijke situatie van eiser sinds de beschikking van 6 maart 2025 is gewijzigd. Van verweerder mocht daarom worden verwacht dat hij kenbaar zou onderzoeken welke betekenis deze gewijzigde omstandigheden hebben voor de actuele verblijfsrechtelijke positie van eiser. Uit de maatregel van bewaring, het gehoor voorafgaand aan deze maatregel en de overige stukken in het dossier is niet gebleken dat een dergelijk onderzoek heeft plaatsgevonden. Daarbij betrekt de rechtbank dat uit het proces-verbaal van ophouding van eiser op 3 juni 2026 blijkt dat eiser is heengezonden, omdat sprake was van ‘mogelijk bestendig verblijf’. Uit het proces-verbaal van verhoor op die dag blijkt dat het werken voor een Nederlands uitzendbureau hier ook aan de orde is geweest. Vervolgens wordt nog geen maand later in de onderhavige maatregel van bewaring zonder kenbare motivering aangenomen dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft. Niet valt in te zien waarom verweerder er zonder nader onderzoek van uit heeft kunnen gaan dat eiser geen aan het Unierecht ontleend verblijfsrecht had. De motivering dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft, is onder deze omstandigheden onvoldoende draagkrachtig. Gelet hierop is de maatregel in strijd met artikel 3:2 en 3:46 van de Awb tot stand gekomen en is dan ook onrechtmatig. Deze beroepsgrond slaagt.\n\nConclusie en gevolgen\n\n6. Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is gegrond. Deze maatregel is vanaf het moment van het opleggen daarvan onrechtmatig. De rechtbank beveelt de opheffing van deze maatregel met ingang van vandaag.\n\n6.1.. Op grond van artikel 106 van de Vw kan de rechtbank indien zij de opheffing van de maatregel van vreemdelingenbewaring beveelt aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen. De rechtbank acht gronden aanwezig om een schadevergoeding toe te kennen voor 10 dagen onrechtmatige (tenuitvoerlegging van de) vreemdelingenbewaring ten bedrage van 0 x € 160,- (verblijf politiecel) en 10 x € 120,- (verblijf detentiecentrum) = € 1.200,-.\n\n6.2.. Eiser krijgt een vergoeding van zijn proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- omdat de gemachtigde van eiser geacht wordt beroep te hebben ingesteld en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep gegrond;\n\n- veroordeelt de Staat der Nederlanden tot het betalen van € 1.200,- aan schadevergoeding aan eiser, te betalen door de griffier en beveelt de tenuitvoerlegging van deze schadevergoeding;\n\n- beveelt de opheffing van de maatregel van vreemdelingenbewaring met ingang van vandaag;\n\n- veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiser.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. S.N. Abdoelkadir, rechter, in aanwezigheid van mr. M. Stehouwer, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.\n\n Het beroep tegen een maatregel van bewaring wordt ook aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding. Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 59c van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 5.5 van het Vb.\n\n Dit volgt uit artikel 5.6, eerste lid, van het Vb.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18726","ecli-nl-rbdha-2026-18726",{"courtName":71,"legalDomain":62,"decisionType":18,"procedureType":19},"Rotterdam"]