ECLI:NL:RBOBR:2026:4709
Samenvatting
Strafrecht
Uitspraak
's-Hertogenbosch
vonnisRECHTBANK OOST-BRABANT
Locatie 's-Hertogenbosch
Strafrecht
Parketnummer: 01.269414.23
Datum uitspraak: 03 juli 2026
Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op 1 [1995],
wonende te [adres] .
Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 3 april 2026 en 19 juni 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van de verdediging naar voren is gebracht.
De tenlastelegging.
De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 2 maart 2026. Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
hij, in of omstreeks de periode van 10 augustus 2023 tot en met 11 augustus 2023, te Helmond, met [slachtoffer] , van wie hij, verdachte, wist dat deze in staat van bewusteloosheid, verminderd bewustzijn of lichamelijke onmacht verkeerde, dan wel aan een zodanige psychische stoornis en/of verstandelijke handicap leed dat deze niet of onvolkomen in staat was haar wil daaromtrent te bepalen of kenbaar te maken of daartegen weerstand te bieden, een of meer handelingen heeft gepleegd, die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer] , te weten:
- het meermalen, althans eenmaal betasten met zijn, verdachtes, hand(en) en/of vinger(s) van de borsten en/of vagina en/of schaamstreek van die [slachtoffer] en/of- het meermalen, althans eenmaal brengen/duwen en/of houden van zijn, verdachtes, vinger(s) in de vagina en/of tussen de schaamlippen van die [slachtoffer] en/of- het meermalen, althans eenmaal (op en neer) bewegen van zijn, verdachtes, vinger(s) in de vagina en/of tussen de schaamlippen van die [slachtoffer] en/of- het meermalen, althans eenmaal, brengen/duwen en/of houden van zijn, verdachtes, penis tegen/in de vagina en/of schaamlippen en/of anus van die [slachtoffer] en/of- het meermalen, althans eenmaal, op en neer bewegen van zijn, verdachtes, penis tegen/in de vagina en/of schaamlippen en/of anus van die [slachtoffer] .
De formele voorvragen.
Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in zijn vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.
Onderzoek Asea.
Op 10 augustus 2023 werd [slachtoffer] (hierna: [slachtoffer] ) als vermist opgegeven door de instelling waar zij op dat moment verbleef. In de nacht van 10 op 11 augustus 2023 werd [slachtoffer] overstuur in een sloot aangetroffen in Helmond. Nadat de politie ter plaatse kwam, werd er telefonisch contact gelegd met de moeder van [slachtoffer] . Ze heeft tegen haar moeder verteld dat ze verkracht is. Hierna werd het onderzoek Asea opgestart.
Verdachte wordt verweten dat hij bij [slachtoffer] handelingen heeft gepleegd, waaronder het seksueel binnendringen, terwijl hij wist dat zij een zodanige verstandelijke beperking had dat zij niet of onvolkomen in staat was haar wil kenbaar te maken of daartegen weerstand te bieden.
Het standpunt van de officier van justitie.
Het Openbaar Ministerie heeft gerekwireerd tot een bewezenverklaring van het ten laste gelegde. De officier van justitie stelt allereerst vast dat er sprake is geweest van seksueel binnendringen. Er is ook sprake van seksueel binnendringen in de anus, gelet op de verklaring van [slachtoffer] en het belastende DNA-rapport. Ten tweede is er sprake van een zodanige verstandelijke beperking dat [slachtoffer] niet of onvolkomen in staat was haar wil kenbaar te maken of daartegen weerstand te bieden. Dit blijkt uit de rapporten die over [slachtoffer] zijn opgemaakt en uit de verklaring van de moeder van [slachtoffer] . Verdachte wist ook van de verstandelijke beperking van [slachtoffer] en het daaruit voortvloeiende wilsgebrek. Om deze wetenschap bij verdachte aan te nemen, is voorwaardelijk opzet voldoende. Daarvan was in de visie van het de officier van justitie sprake.
Het standpunt van de verdediging.
De verdediging heeft, overeenkomstig de inhoud van de aan de rechtbank overgelegde pleitnota van 19 juni 2026, bepleit dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het ten laste gelegde.
Het oordeel van de rechtbank: vrijspraak.
De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan verdachte is ten laste gelegd, zodat verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken, en overweegt als volgt.
Seksueel binnendringen.
De rechtbank stelt op basis van het dossier vast dat verdachte bij [slachtoffer] handelingen heeft verricht die ook bestonden uit het seksueel binnendringen van haar lichaam.
De geestestoestand van [slachtoffer] .
In het dossier bevindt zich een Gedragswetenschappelijk verslag dat op 18 augustus 2023 door Lore over [slachtoffer] is opgemaakt (hierna: verslag). Daarnaast bevindt zich in het dossier een rapport betreffende psychologisch onderzoek van [slachtoffer] van Amarant van 23 januari 2020 (hierna: rapport). Op basis van het verslag en het rapport, stelt de rechtbank vast dat [slachtoffer] een verstandelijke beperking heeft. De rechtbank is van oordeel dat de verstandelijke beperking van [slachtoffer] kan worden aangemerkt als een zodanige verstandelijke beperking dat zij onvolkomen in staat is haar wil met betrekking tot de seksuele handelingen te bepalen, kenbaar te maken of daartegen weerstand te bieden. Hieruit volgt immers dat [slachtoffer] gedrag laat zien dat passend is bij een (aanzienlijk) jongere ontwikkelingsleeftijd. Naast de verstandelijke beperking is sprake van een hechtingsstoornis en een achterstand in haar emotionele ontwikkeling.
De wetenschap van de verdachte.
Tot slot dient de vraag te worden beantwoord of verdachte wist van de verstandelijke beperking van [slachtoffer] en het daaruit voortvloeiende wilsgebrek. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.
De rechtbank stelt voorop dat, op basis van het dossier en wat op zitting is besproken, niet zonder meer kan worden vastgesteld dat verdachte van de verstandelijke beperking van [slachtoffer] wist.
De vraag die de rechtbank vervolgens moet beantwoorden is of verdachte daarop bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard.
De beantwoording van de vraag of een gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, waarbij betekenis toekomt aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht. Het moet gaan om een kans die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten. Onder ‘de naar algemene ervaringsregels aanmerkelijke kans’ moet worden verstaan de in de gegeven omstandigheden reële, niet onwaarschijnlijke mogelijkheid.
De rechtbank overweegt daarover het volgende.
De rechtbank stelt vast dat dit de eerste keer was dat verdachte en [slachtoffer] elkaar hebben ontmoet. Verdachte zat op een bankje terwijl [slachtoffer] , met natte kleding, naar hem toe kwam lopen en hem vroeg hoe laat het was. Zij raakten aan de praat, waarbij [slachtoffer] onder andere aangaf dat zij zojuist, met kleding aan, is gaan zwemmen. De rechtbank merkt op dat dit een niet alledaagse situatie is.
Verdachte heeft verklaard dat [slachtoffer] ook heeft verteld dat zij op een groep verbleef, waar zij was weggegaan, omdat zij problemen had.
Verdachte heeft ook verklaard dat hij fysiek en verbaal niets heeft gemerkt van de verstandelijke beperking van [slachtoffer] . Voor zijn gevoel praatte hij met een volwassen vrouw, die normaal was.
Hetzelfde geldt voor de getuigen [getuige 1] en [getuige 2] . [getuige 2] heeft bij de politie verklaard dat [slachtoffer] er normaal uitzag en bij de rechter-commissaris dat hij niets raars aan haar heeft gemerkt. Over [getuige 1] merkt de rechtbank nog op dat uit de verklaringen van [slachtoffer] en verdachte blijkt dat [getuige 1] haar leuk vond. Hieruit leidt de rechtbank af dat de verstandelijke beperking van [slachtoffer] voor [getuige 1] en [getuige 2] niet (direct) kenbaar was.
De rechtbank heeft verder gezien dat uit het verslag en het rapport blijkt dat [slachtoffer] op het gebied van verbaal begrip relatief sterk functioneert. Daarnaast komt naar voren dat zij zich presenteert als iemand die zelfstandig veel aankan, terwijl dit in de praktijk niet altijd het geval is. Zij heeft de neiging haar eigen mogelijkheden te overschatten en wordt daardoor door haar omgeving regelmatig overschat. Deze omstandigheden maken naar het oordeel van de rechtbank dat niet kan worden vastgesteld dat de beperking [slachtoffer] zich zodanig heeft geuit dat deze voor verdachte (direct) kenbaar was.
Zoals hiervoor gezegd, blijkt uit de verklaring van [slachtoffer] en verdachte dat [getuige 1] [slachtoffer] leuk vond. Hieruit blijkt ook dat zij daar niet in mee is gegaan. Verdachte verklaart daarover: “Toen kwamen ze weer terug en later gingen ze weer een keer praten. Hij zei tegen haar dat hij haar leuk vond en zij zei tegen hem dat ze hem niet wilde.” [slachtoffer] zegt daarover het volgende: “Toen begon eerst een andere jongen te zeggen: ik vind je leuk, ik vind dat je mooi haar hebt, ik vind je leuk, ik wil... ja zo. Zo. Maar toen had ik gezegd: dat ik... wat had ik gezegd? Dat ik eigenlijk ook niet toe aan een relatie was” en “Ik heb liever iemand van eigen leeftijd zei ik toen maar gewoon.” Dit wordt bevestigd in het telefoongesprek dat [slachtoffer] heeft gevoerd met de broer van verdachte, waarin ze onder meer heeft gezegd: “(…) Is het niet gewoon een zwaar misverstand geweest tussen [verdachte] , die dacht van: zij vindt mij leuk? Want dat heb ook wel gezegd in die kamer. Want toen vroeg een andere jongen: wil jij verkering met mij? En toen zei ik nee, dat wil ik niet.” De rechtbank leidt hieruit af dat [slachtoffer] op enig moment haar wil richting [getuige 1] heeft geuit en dat verdachte dit heeft waargenomen. Ook deze omstandigheden bieden ondersteuning aan het oordeel dat verdachte niet wist of had moeten weten dat [slachtoffer] een zodanige beperking had dat zij niet of onvolkomen in staat was haar wil kenbaar te maken en daartegen weerstand te bieden.
De rechtbank is van oordeel dat onder de hiervoor genoemde omstandigheden niet kan worden gezegd dat een aanmerkelijke kans bestond dat verdachte seksuele handelingen zou verrichten met een persoon die – kort gezegd – haar wil niet zelf kon bepalen of daartegen geen weerstand kon bieden. De rechtbank kan op basis van het dossier niet vaststellen dat verdachte dit wist of had moeten weten. Voor de volledigheid merkt de rechtbank op dat zij de omstandigheden dat verdachte wist dat [slachtoffer] op een groep zat en dat zij met kleding aan is gaan zwemmen daarvoor niet voldoende acht, zeker niet in het licht van de verder omschreven omstandigheden. Dat betekent dat niet kan worden bewezen dat verdachte voorwaardelijk opzet had.
Concluderend oordeelt de rechtbank dat het ten laste gelegde feit niet is bewezen en zal de verdachte daarvan vrijspreken.
De rechtbank begrijpt uit hetgeen namens [slachtoffer] tijdens het spreekrecht naar voren is gebracht dat de gebeurtenissen voor [slachtoffer] ingrijpend zijn geweest en dat die een grote impact op haar heeft gehad. De rechtbank heeft oog voor de gevoelens van [slachtoffer] en haar familie en realiseert zich dat deze uitspraak mogelijk niet overeenkomt met hetgeen zij hadden gehoopt of verwacht. In het Nederlandse strafrecht kan een verdachte echter alleen worden veroordeeld als er wettig en overtuigend bewijs is voor zijn schuld. Daarvan is in dit geval geen sprake.
De vordering van [slachtoffer] .
Volgens de wet kan de strafrechter bij een vrijspraak geen schadevergoeding toekennen aan een benadeelde. De rechtbank bepaalt daarom dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk is in de vordering.
Proceskosten
De benadeelde partij wordt niet-ontvankelijk verklaard in de vordering, waardoor niet is komen vast te staan of en in hoeverre de vordering terecht is ingediend. De benadeelde partij moet daarom de kosten vergoeden die de verdachte heeft gemaakt om tegen deze vordering in te gaan. De rechtbank is van oordeel dat op dit moment niet vaststaat dat de verdachte daarvoor kosten heeft gemaakt en begroot de kosten daarom op nihil.
DE UITSPRAAK
De rechtbank:
Vrijspraak
Verklaart het tenlastegelegde niet wettig en overtuigend bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.
Beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] .
De rechtbank bepaalt dat de benadeelde partij niet-ontvankelijkis in de vordering tot schadevergoeding en de vordering in zoverre slechts bij de burgerlijk rechter kan aanbrengen.
De rechtbank veroordeelt de benadeelde partij tot betaling van de kosten die verdachte in dit kader heeft gemaakt, tot op heden begroot op nihil.
Dit vonnis is gewezen door:
mr. N. Flikkenschild, voorzitter,
mr. J.H.L.M. Snijders en mr. W.B. Kok, leden,
in tegenwoordigheid van mr. K.D.A.J. Hombergen, griffier,
en is uitgesproken op 03 juli 2026.
Vergelijk Hoge Raad, 3 december 2012, ECLI:NL:HR:2002:AE8908.
Hoge Raad, 21 april 2026, ECLI:NL:HR:2026:689.