ECLI:NL:RBOBR:2026:4759
Samenvatting
Strafrecht
Uitspraak
's-Hertogenbosch
vonnisRECHTBANK OOST-BRABANT
Locatie 's-Hertogenbosch
Strafrecht
Parketnummers: 01.049939.26, 01.029098.26, 01.232213.25 en 01.142086.25 (ter terechtzitting gevoegd), 01.110429.23 (tul)
Datum uitspraak: 6 juli 2026
Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2002,
thans gedetineerd en ingeschreven te: [vestigingsplaats]
.
Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 6 augustus 2025 en 2 april 2026 (zaaknummer 01.142086.25) en 22 juni 2026 (alle zaaknummers).
Op de zitting van 22 juni 2026 heeft de rechtbank de tegen verdachte/veroordeelde (hierna: verdachte), onder de hiervoor genoemde parketnummers, aanhangig gemaakte zaken gevoegd.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.
De tenlastelegging
De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaardingen van 21 mei 2026 (01.049939.26, 01.029098.26 en 01.232213.25) en 11 juli 2025 (01.142086.25).
De tekst van de tenlasteleggingen is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.
Verdachte wordt - kort samengevat - van het volgende beschuldigd:
01.049939.26
Bedreiging van [slachtoffer 1] op 1 januari 2026 (feit 1), 15 september 2025 (feit 2) en 7 september 2025 (feit 3) te Heeze;
Vernieling van een ruit van een woning welke ruit aan [slachtoffer 2] toebehoorde op 11 september 2025 te Veldhoven (feit 4);
Diefstal van een telefoon van [slachtoffer 3] (feit 5) en vernieling van een politiecel (feit 6), beide op 24 maart 2026 te Geldrop;
01.029098.26
- Mishandeling van [slachtoffer 4] , terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel tot gevolg had op 25 oktober 2025 te Geldrop;
01.232213.25
- Mishandeling van zijn moeder (feit 1) en belediging van een aspirant politieagent (feit 2) op 3 september 2025 te Geldrop;
01.142086.25
- Niet voldoen aan de verplichting om een identiteitsbewijs te tonen (feit 1) en verzet bij zijn aanhouding (feit 2), beide op 10 mei 2025 te Geldrop.
De formele voorvragen
Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaardingen geldig zijn. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in de vervolging worden ontvangen. Verder zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.
Bewijs
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van alle ten laste gelegde feiten.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft namens verdachte geen verweer gevoerd tegen bewezenverklaring van de ten laste gelegde feiten.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank zal voor de feiten met een opgave van bewijsmiddelen, als genoemd in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering volstaan. De verdachte heeft de bewezen verklaarde feiten namelijk bekend en daarna niet anders verklaard. Daarnaast heeft de raadsvrouw geen vrijspraak bepleit. De officier van justitie heeft met betrekking tot de feiten eveneens gerekwireerd tot bewezenverklaring.
De rechtbank gebruikt de volgende bewijsmiddelen:
01.049939.26
Waar hierna wordt verwezen naar bijlagen betreffen dit de bijlagen bij het proces-verbaal van de politie Eenheid Oost-Brabant, genummerd PL2100-2026027705.
Feit 1:
- De bekennende verklaring van verdachte, afgelegd op de terechtzitting van 22 juni 2026;
Het proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer 1] , opgemaakt op 12 januari 2026, p. 48-52;
Het proces-verbaal van aanvullend verhoor van aangeefster [slachtoffer 1] , opgemaakt op 8 februari 2026, p. 55-57;
Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 16 januari 2026, p. 63-67.
Feit 2 en 3:
De bekennende verklaring van verdachte, afgelegd op de terechtzitting van 22 juni 2026;
Het proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer 1] , opgemaakt op 12 januari 2026, p. 48-52;
Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 8 februari 2026, p. 112-177.
Feit 4:
De bekennende verklaring van verdachte, afgelegd op de terechtzitting van 22 juni 2026;
Het proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer 2] , opgemaakt op 23 september 2025, p. 33-41.
Waar hierna wordt verwezen naar bijlagen betreffen dit de bijlagen bij het proces-verbaal van de politie Eenheid Oost-Brabant, genummerd PL2100-2026067000.
Feit 5:
De bekennende verklaring van verdachte, afgelegd op de terechtzitting van 22 juni 2026;
Het proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer 3] , opgemaakt op 24 maart 2026, p. 6-9.
Feit 6:
De bekennende verklaring van verdachte, afgelegd op de terechtzitting van 22 juni 2026;
Het proces-verbaal van aangifte door [verbalisant 1] , opgemaakt op 25 maart 2026, p. 12-14.
01.029098.26
Waar hierna wordt verwezen naar bijlagen betreffen dit de bijlagen bij het proces-verbaal van de politie Eenheid Oost-Brabant, genummerd PL2100-2025240963.
De bekennende verklaring van verdachte, afgelegd op de terechtzitting van 22 juni 2026;
Het proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer 4] , opgemaakt op 25 oktober 2025, p. 46-47;
Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 22 januari 2026, p. 20-22;
Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 22 januari 2026, p. 55-75.
01.232213.25
Waar hierna wordt verwezen naar bijlagen betreffen dit de bijlagen bij het proces-verbaal van de politie Eenheid Oost-Brabant, genummerd PL2100-2025199104.
Feit 1:
De bekennende verklaring van verdachte, afgelegd op de terechtzitting van 22 juni 2026;
Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt 3 september 2025, p. 5-7.
Feit 2:
De bekennende verklaring van verdachte, afgelegd op de terechtzitting van 22 juni 2026;
Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 3 september 2025, p. 8-10.
01.142086.25
Waar hierna wordt verwezen naar bijlagen betreffen dit de bijlagen bij het proces-verbaal van de politie Eenheid Oost-Brabant, genummerd PL2100-2025102549.
Feit 1 en 2:
De bekennende verklaring van verdachte, afgelegd op de terechtzitting van 22 juni 2026;
Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 10 mei 2025, p 5-8.
De rechtbank concludeert op basis van de bewijsmiddelen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de ten laste gelegde feiten.
De bewezenverklaring
Op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de hierboven vermelde bewijsmiddelen komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte
01.049939.26
1
op 1 januari 2026 in Nederland [slachtoffer 1] indirect heeft bedreigd, immers door het sturen van whatsapp berichten aan een wijkagent, met enig misdrijf tegen het leven gericht, door die [slachtoffer 1] dreigend de woorden toe te voegen "ik blaas alles op dat is een belofte, ik knal alles kapot, ik maak hun af, dat ga ik doen" "ik breek alles af, het is oorlog";
2
op 15 september 2025 in Nederland [slachtoffer 1] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door die [slachtoffer 1] dreigend middels het sturen van berichten de woorden toe te voegen "Geloof mij, test mij, ik maak jou kapot, jij bent niet meer veilig" en "Denk goed na wat je doet, ik sla de bord dwars door je kanus heen" en "Ik maak jou dood, jij komt niet bij mijn kind onder de drugs want ik maak jou dood" en "Maak jou dood geloof mij";
3
op 7 september 2025 in Nederland [slachtoffer 1] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht door die [slachtoffer 1] dreigend middels het sturen van berichten de woorden toe te voegen "Jij hebt problemen met mij gemaakt, jij gaat er aan geloof me, ik niks, jij niks";
4
op 11 september 2025 te Veldhoven opzettelijk en wederrechtelijk een ruit van een woning aan de van [adres] die aan een ander dan aan verdachte toebehoorde, heeft beschadigd;
5
op 24 maart 2026 te Geldrop, gemeente Geldrop-Mierlo een gsm die aan [slachtoffer 3] toebehoorde heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;
6
hij op 24 maart 2026 te Eindhoven opzettelijk en wederrechtelijk een politiecel die aan politie eenheid Oost Brabant toebehoorde onbruikbaar heeft gemaakt.
01.029098.26
hij op 25 oktober 2025 te Geldrop, gemeente Geldrop-Mierlo [slachtoffer 4] heeft mishandeld, door die [slachtoffer 4] tegen het hoofd te slaan, terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel, te weten een schedelbasisfractuur en een contusiehaard (kneuzing hersenen) en een mandibulafractuur (kaakfractuur), ten gevolge had.
01.232213.25
1
op 3 september 2025 te Geldrop, gemeente Geldrop-Mierlo [slachtoffer 5] heeft mishandeld door die [slachtoffer 5] bij de nek/keel vast te pakken
en
vervolgens te duwen; terwijl verdachte dit misdrijf beging tegen zijn moeder;
2
op 3 september 2025 te Geldrop, gemeente Geldrop-Mierlo opzettelijk
een ambtenaar, te weten [slachtoffer 6] , werkzaam als aspirant bij de Eenheid Oost-Brabant,
gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, in zijn tegenwoordigheid, mondeling heeft beledigd, door hem de woorden toe te voegen:
jij kutwout,
kankerhomo,
je hebt een kankerkop en/of
je bent een kankerhoerenzoon.
01.142086.25
1
op 10 mei 2025 te Geldrop, gemeente Geldrop-Mierlo, niet op eerste vordering heeft voldaan aan de verplichting om een identiteitsbewijs ter inzage aan te bieden, hem opgelegd krachtens de Wet op de identificatieplicht en het Wetboek van Strafrecht;
2
op 10 mei 2025 te Geldrop, gemeente Geldrop-Mierlo, zich met geweld heeft verzet tegen een ambtenaar, [slachtoffer 7] (hoofdagent) en/of [slachtoffer 8] (hoofdagent), werkzaam in de rechtmatige uitoefening van hun bediening, te weten ter aanhouding van verdachte door éénmaal en/of meermalen,
zijn hoofd met kracht achterwaarts te drukken,
met zijn armen te duwen,
in een andere richting, dan waarin bovengenoemde ambtenaren hem wilden geleiden, te bewegen.
De strafbaarheid van het feit
Het bewezen verklaarde levert op de in de uitspraak vermelde strafbare feiten.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.
De strafbaarheid van verdachte
Ten aanzien van het onbruikbaar maken van de politiecel (feit 6 van parketnummer 01.049939.26) heeft de raadsvrouw betoogd dat verdachte nodig moest plassen en dit via de intercom heeft laten weten aan de politieagenten, maar dat hij niet naar de wc mocht. Er was volgens haar sprake van overmacht, waardoor verdachte niet strafbaar is. De rechtbank gaat echter uit van de juistheid van het proces-verbaal van bevindingen van de politie, waarin staat dat verdachte de intercom niet heeft gebruikt. De rechtbank verwerpt het verweer.
Er zijn verder geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.
Oplegging van straf
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie vordert een gevangenisstraf van 12 maanden, met aftrek van voorarrest, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met de voorwaarden zoals geadviseerd door de reclassering. De officier vordert een proeftijd van 3 jaar. De officier van justitie heeft verzocht de vordering tot tenuitvoerlegging toe te wijzen.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft de rechtbank verzocht in de strafoplegging rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte en een groot deel van de straf voorwaardelijk op te leggen. De verdediging heeft zich gerefereerd ten aanzien van de vordering tot tenuitvoerlegging.
Het oordeel van de rechtbank
Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd, heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van het door verdachte gepleegde strafbare feit betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.
De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
De ernst van de feiten
Verdachte heeft een flink aantal strafbare feiten gepleegd. De rode draad in deze feiten is dat dat verdachte met gewelddadig, ongecontroleerd en dreigend gedrag in een korte tijd veel slachtoffers heeft gemaakt.
Verdachte heeft zijn ex-partner op drie momenten met meerdere zeer nare berichten met de dood bedreigd. Zijn ex-partner heeft verklaard doodsbang te zijn geweest voor verdachte, niet alleen voor haarzelf maar ook voor haar kind en haar moeder. Ook heeft verdachte toen hij op bezoek kwam bij zijn kind uit woede en frustratie de ruit van de woning van de moeder van zijn ex-partner beschadigd.
Verdachte heeft bij het uitgaan uit het niets slachtoffer [slachtoffer 4] tegen zijn hoofd geslagen waardoor deze knock-out is neergevallen en zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen. Slachtoffer [slachtoffer 4] heeft toegelicht in zijn slachtofferverklaring dat hij tot de dag van vandaag nog herstellende is en door het letsel in zijn dagelijks leven minder vreugde ervaart dan voorheen.
Verdachte heeft ook zijn moeder bij haar keel gepakt. Uit haar verklaring bij de politieagenten die ter plaatse waren begrijpt de rechtbank dat zij doodsbang is geweest en in haar slachtofferverklaring licht ze toe dat ze erg is geschrokken van wat er is gebeurd.
Ook heeft verdachte zich met geweld verzet tegen agenten toen hij werd aangehouden omdat hij zijn ID-bewijs niet kon overhandigen aan de politie. Na een andere aanhouding heeft hij een agent beledigd. Dit handelen getuigt er wederom van dat verdachte zichzelf niet in de hand heeft. Voor de agenten geldt dat zij ongehinderd hun werk moeten kunnen doen en zich nu geconfronteerd zien met het vervelende en agressieve gedrag van verdachte.
Verdachte heeft ook een telefoon gestolen. Verdachte heeft verklaard – en de rechtbank ziet hiervoor ook voldoende aanwijzingen in het dossier - dat hij dit feit heeft gepleegd in een wanhoopspoging om opgenomen te worden vanwege psychische problemen. Dit neemt echter niet weg dat hij hiermee het slachtoffer in een zeer vervelende situatie heeft gebracht.
Verdachte heeft daarnaast nog een minder ernstig, maar toch een hinderlijk feit gepleegd. Hij heeft zijn cel onbruikbaar gemaakt door erin te plassen.
Ook heeft verdachte een overtreding gemaakt doordat hij zijn ID-kaart niet kon overhandigen toen de politie deze vorderde.
Persoonlijke omstandigheden
De rechtbank stelt vast dat verdachte in de afgelopen vijf jaar eerder is veroordeeld voor huiselijk geweld, mishandeling, bedreiging met zware mishandeling, wederspannigheid en belediging van agenten in functie. Ook liep hij in een proeftijd vanwege een veroordeling voor wapenbezit.
Uit het reclasseringsrapport blijkt dat verdachte kampt met ernstige psychische- en verslavingsproblematiek. De reclassering schat gelet hierop de situatie van verdachte in als ernstig en vreest voor ernstige escalaties. De reclassering ziet mogelijkheden om met bijzondere voorwaarden het recidiverisico in te perken, mits verdachte in een klinische forensische kliniek met een hoog beveiligingsniveau kan worden opgenomen.
Indien dit mogelijk is, adviseert de reclassering de volgende bijzondere voorwaarden:
• Meldplicht bij reclassering
• Opneming in een zorginstelling
• Ambulante behandeling
• Verblijf in begeleid wonen of maatschappelijke opvang
• Verbod verdovende middelen
• Alcoholverbod
• Contactverbod met [slachtoffer 1] ,
• Locatieverbod voor het adres Van [adres] .
Verdachte heeft verklaard dat hij inziet hulp nodig te hebben voor zijn psychische problemen en is bereid zich aan de voorwaarden te houden. Alleen het begeleid wonen ziet hij niet zitten, omdat hij na de klinische opname bij zijn partner en kind wil intrekken.
De strafoplegging
Ten aanzien van het niet overhandigen van de ID-kaart ziet de rechtbank, gelet op de geringe ernst van dit feit, reden om verdachte geen straf of maatregel op te leggen.
Ten aanzien van de andere feiten overweegt de rechtbank als volgt.
De rechtbank ziet met de reclassering dat verdachte op dit moment een gevaar is voor zichzelf en zijn omgeving. Het recidiverisico, met name op geweldsdelicten, acht de rechtbank hoog.
De rechtbank zal met het oog de ernst van de feiten en ter bescherming van de maatschappij een gevangenisstraf opleggen. De rechtbank zal een deel van de gevangenisstraf voorwaardelijk opleggen met als doel het recidiverisico zoveel als mogelijk in te perken.
De rechtbank zal de voorwaarden opleggen zoals geadviseerd door de reclassering. Verblijf in een maatschappelijke opvang acht de rechtbank echter niet geschikt voor verdachte en zal de rechtbank daarom niet opleggen als bijzondere voorwaarde.
De rechtbank zal, anders dan verdachte voor ogen heeft, wel begeleid wonen als bijzondere voorwaarde opnemen. De rechtbank vindt het van belang dat de reclassering de mogelijkheid heeft om zo nodig toezicht te houden op verdachte in zijn woonsetting. Het is aan de reclassering om na zijn klinische opname kritisch te beoordelen of het daadwerkelijk nodig zal zijn dat verdachte begeleid gaat wonen of dat de reclassering van mening is dat in het geval verdachte bij zijn vriendin woont de risico’s met de andere voorwaarden voldoende kunnen worden ingeperkt.
Ter zitting heeft de officier van justitie medegedeeld dat de reclassering heeft laten weten dat er op dit moment geen plek is voor verdachte voor een klinische opname in een forensische kliniek, vanwege zijn complexe problematiek. Om het recidiverisico voldoende in te perken is het van groot belang dat verdachte na vrijlating in een klinische setting wordt behandeld voor zijn problematiek. De rechtbank doet dan ook een dringend beroep op de reclassering om zich te blijven inspannen om een geschikte plek te vinden voor klinische opname van verdachte.
Gelet op de ernstige problematiek van verdachte zal de rechtbank aan het voorwaardelijk strafdeel een proeftijd van 3 jaar verbinden.
Alles afwegende legt de rechtbank op een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden, met aftrek overeenkomstig artikel 27 Wetboek van Strafrecht, waarvan 6 maanden voorwaardelijk en een proeftijd van 3 jaren. Aan de voorwaardelijke straf zullen na te noemen bijzondere voorwaarden worden gekoppeld.
Omdat er een ernstig gevaar van recidive is zal de rechtbank bepalen dat de gestelde voorwaarden en het toezicht dadelijk uitvoerbaar zijn.
De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 4]
, wettelijk vertegenwoordigd en ter zitting bijgestaan door mr. B.C.J. Herijgers, heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces. De benadeelde partij vordert een vergoeding van schade van een bedrag van € 64.680,11, te vermeerderen met de wettelijke rente. De vordering ziet op € 44.680,11 aan materiële schade en € 20.000,00 aan immateriële schade. Ook is oplegging van de schadevergoedingsmaatregel verzocht.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij ontvankelijk is in zijn vordering en dat de vordering goed onderbouwd is.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft primair niet-ontvankelijkheid van de gehele vordering bepleit, nu deze vordering een werkdag voor de zitting bij haar is binnengekomen en deze complex van aard is. De raadsvrouw heeft geen gelegenheid gehad om onderdelen van de vordering te (laten) onderzoeken, wat een schending van het recht op een eerlijk proces oplevert.
Subsidiair heeft zij zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij ten aanzien van de materiële schade in de kostenposten ‘huishoudelijke hulp’, ‘verlies van zelfwerkzaamheid’ en ‘verlies van arbeidsvermogen’ niet-ontvankelijk dient te worden verklaard vanwege de complexiteit daarvan. Ten aanzien van de overige materiële kostenposten refereert de raadsvrouw zich aan het oordeel van de rechtbank. De gevorderde immateriële schade moet worden verminderd tot een bedrag van hoogstens € 10.000,00.
Het oordeel van de rechtbank
Materiële schade
De rechtbank acht toewijsbaar, als rechtstreeks door het bewezen verklaarde feit toegebrachte schade, de volgende onderdelen van de vordering:
Het verblijf in het ziekenhuis: € 228,00;
De kosten van vervoer naar de behandelende sector: € 17,62;
De parkeerkosten bij de behandelende sector: € 25,00;
Diverse medische kosten: € 1.097,82;
De kosten van verzorging/begeleiding: € 52,50.
Voornoemde onderdelen zijn voldoende gemotiveerd en door de verdediging niet betwist. De rechtbank zal deze kostenposten toewijzen, te weten € 1.420,94, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de datum van het delict tot aan de dag der algehele voldoening.
Ten aanzien van de onderdelen ‘huishoudelijke hulp’ (€ 4.405,20), ‘verlies van zelfwerkzaamheid’ (€ 1.034,96) en ‘verlies van arbeidsvermogen’ (€ 37.819,01) overweegt de rechtbank dat het gaat om aanzienlijke bedragen waaraan een complexere berekening ten grondslag ligt. Van dit gedeelte van de vordering is niet eenvoudig vast te stellen of en in hoeverre deze kosten zijn gemaakt in directe relatie tot het bewezen verklaarde feit.
Nader onderzoek naar de juistheid van deze kostenposten zou een uitgebreide nadere behandeling vereisen. De rechtbank is van oordeel dat de behandeling van dit deel van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert en zal de benadeelde partij in dit deel van de vordering niet ontvankelijk verklaren. De benadeelde partij kan deze onderdelen van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.
Immateriële schade
De rechtbank overweegt dat de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen door toedoen van verdachte en acht de vordering ten aanzien van de immateriële schade gedeeltelijk toewijsbaar tot een bedrag van € 10.000,00. Nu er nog onzekerheid is over het (volledige) herstel van het opgelopen letsel, zal de rechtbank de benadeelde partij voor het overige niet ontvankelijk verklaren. De benadeelde partij kan het restant van het immateriële gedeelte van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.
Kostenveroordeling
De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten van de benadeelde partij tot op heden begroot op nihil. Verder wordt verdachte veroordeeld in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.
Schadevergoedingsmaatregel
De rechtbank zal voor het toegewezen bedrag tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen, nu de rechtbank het wenselijk acht dat de Staat schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf datum delict tot de dag der algehele voldoening.
Aangezien aan verdachte meer verplichtingen tot vergoeding van dezelfde schade worden opgelegd, zal de rechtbank bepalen dat als verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij komt te vervallen en andersom, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij, daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat komt te vervallen.
De vordering van de benadeelde partij Nationale Politie Eenheid Oost-Brabant
De Nationale Politie Eenheid Oost-Brabant heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces. De benadeelde partij vordert een vergoeding van schade van een bedrag van
€ 90,75, te vermeerderen met de wettelijke rente. De vordering ziet op materiële schade. Ook worden door de benadeelde partij proceskosten ter hoogte van € 20,00 gevorderd en is oplegging van de schadevergoedingsmaatregel verzocht.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft aangevoerd dat verdachte bereid is de schade te vergoeden.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank acht de vordering in haar geheel toewijsbaar, als rechtstreeks door het bewezen verklaarde feit toegebrachte schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf datum delict tot de dag der algehele voldoening.
Kostenveroordeling
De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten van de benadeelde partij tot op heden begroot op € 20,00. Verder wordt verdachte veroordeeld in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.
Schadevergoedingsmaatregel
De rechtbank zal voor het toegewezen bedrag tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen, nu de rechtbank het wenselijk acht dat de Staat schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf datum delict tot de dag der algehele voldoening.
Aangezien aan verdachte meer verplichtingen tot vergoeding van dezelfde schade worden opgelegd, zal de rechtbank bepalen dat als verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij komt te vervallen en andersom, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij, daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat komt te vervallen.
Beslag
De rechtbank is van oordeel dat het valmes aan het verkeer onttrokken dient te worden verklaard, omdat blijkens het onderzoek ter terechtzitting dit voorwerp bij gelegenheid van het onderzoek naar de door hem begane misdrijven is aangetroffen, terwijl dit voorwerp kan dienen tot het begaan of ter voorbereiding van soortgelijke misdrijven, dan wel tot de belemmering van de opsporing daarvan, en dit voorwerp toebehoort aan verdachte en van zodanige aard is dat het ongecontroleerde bezit ervan in strijd is met de wet.
De vordering na voorwaardelijke veroordeling 01.110429.23
De zaak met parketnummer 01.110429.23 is aangebracht bij vordering van 11 juli 2025. Deze vordering heeft betrekking op het vonnis van de politierechter te 's-Hertogenbosch van 7 juli 2023. Een kopie van de vordering is aan dit vonnis gehecht.
De vordering voldoet aan alle wettelijke eisen. Krachtens de wettelijke bepalingen is de rechtbank bevoegd tot behandeling van deze vordering. Uit onderzoek ter terechtzitting zijn geen omstandigheden gebleken die aan de ontvankelijkheid van de officier van justitie in de weg staan.
Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de veroordeelde zich gedurende de proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt. Bijzondere omstandigheden die aan de tenuitvoerlegging in de weg staan zijn niet aanwezig. De rechtbank zal dan ook de gevorderde tenuitvoerlegging gelasten.
Toepasselijke wetsartikelen
De beslissing is gegrond op de artikelen:
14a, 14b, 14c, 36b, 36d, 36f, 57, 60a, 62, 180, 266, 267, 285, 300, 304, 310 en 350 van het Wetboek van Strafrecht.DE UITSPRAAK
De rechtbank:
verklaart het ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven;
verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij;
het bewezen verklaarde levert op de misdrijven en overtreding:
01.049939.26
Feit 1 en 3, telkens:
bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht;
Feit 2
bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht en met zware mishandeling;
Feit 4
opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, beschadigen;
Feit 5
diefstal
Feit 6
opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, onbruikbaar maken;
01.029098.26
mishandeling, terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel ten gevolge heeft;
01.232213.25
Feit 1
mishandeling, begaan tegen zijn moeder;
Feit 2
eenvoudige belediging, aangedaan aan een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, niet zijnde een lid van een algemeen vertegenwoordigend lichaam/een openbaar lichaam/een openbare instelling;
01.142086.25
Feit 1
niet voldoen aan de hem krachtens artikel 2 van de Wet op de identificatieplicht opgelegde verplichting om een identiteitsbewijs ter inzage aan te bieden;
Feit 2
wederspannigheid;
verklaart verdachte hiervoor strafbaar;
T.a.v. 01-142086-25 feit 1 (overtreding)
verklaart verdachte schuldig zonder oplegging van straf of maatregel;
T.a.v. 01-049939-26 feit 1, feit 2, feit 3, feit 4, feit 5, feit 6, 01-029098-26 feit 1, 01-142086-25 feit 2, 01-232213-25 feit 1, feit 2
legt op de volgende straf:
een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden, met aftrek overeenkomstig artikel 27 Wetboek van Strafrecht, waarvan 6 maanden voorwaardelijk en een proeftijd van 3 jaren;
stelt als algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig zal maken aan een strafbaar;
stelt als bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde:
1. zich gedurende de proeftijd meldt op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken zijn. Voor de eerste afspraak meldt de veroordeelde zich binnen drie werkdagen dagen nadat de proeftijd is ingegaan bij SVG reclassering in de regio waar klinische behandeling zal plaatsvinden, dan wel bij verslavingsreclassering Novadic Kentron te Eindhoven;
2. zich tijdens de proeftijd voor de duur die de behandelaar beoogt of zoveel korter als de reclassering nodig vindt, laat opnemen in, diagnosticeren en behandelen door een forensisch klinische zorginstelling, te bepalen door de voor plaatsing verantwoordelijke instantie. De opname start zo spoedig mogelijk nadat de proeftijd is gestart en zodra de plaatsing mogelijk is, bij voorkeur aansluitend aan detentie. De zorginstelling bepaalt de wijze van behandeling. De behandeling is gericht op diagnostiek, psychische problematiek, verslavingsproblematiek, agressiebeheersing, cognitieve vaardigheden en sociale vaardigheden. Gelet op de problematiek kan onderdeel van de behandeling zijn dat veroordeelde voorgeschreven medicatie zal gebruiken. Veroordeelde houdt zich aan de huisregels en aanwijzingen van de zorginstelling en de behandelaren;
3. zich gedurende de proeftijd en aansluitend aan de klinische behandeling laat behandelen door een forensische zorgverlener, te bepalen door de reclassering. De behandeling start in aansluiting op de klinische behandeling. De zorgverlener bepaalt de wijze van behandeling. De behandeling is gericht op het vasthouden en bestendigen van aangeleerde vaardigheden in de klinische setting. Gelet op de problematiek kan onderdeel van de behandeling zijn dat veroordeelde voorgeschreven medicatie zal gebruiken;
4. indien de reclassering dat noodzakelijk vindt, gedurende de proeftijd of zoveel korter als de reclassering dat nodig vindt, (al dan niet aansluitend aan de klinische opname) verblijft in instelling voor beschermd danwel begeleid wonen, te bepalen door de reclassering. Veroordeelde houdt zich aan de huisregels en het dagprogramma dat de instelling in overleg met de reclassering opstelt;
5. gedurende de proeftijd geen verdovende middelen genoemd in lijst I (harddrugs), lijst II (softdrugs) en geen middelen die vallen onder een stofgroep genoemd in lijst IA in de Opiumwet gebruikt, tenzij de reclassering toestemming heeft gegeven voor het gebruik. Veroordeelde moet gedurende de proeftijd meewerken aan controles. Dit kunnen zijn urineonderzoek, ademonderzoek en/of speekseltesten. De reclassering bepaalt hoe vaak en met welk controlemiddel wordt gecontroleerd;
6. gedurende de proeftijd geen alcohol gebruikt. Veroordeelde moet gedurende de proeftijd meewerken aan controles. Dit kunnen zijn urineonderzoek, ademonderzoek en/of speekseltesten. De reclassering bepaalt hoe vaak en met welk controlemiddel wordt gecontroleerd;
7. gedurende de proeftijd op geen enkele wijze – direct of indirect – contact zoekt of heeft met: [slachtoffer 1] , geboren op [geboortedatum] ;
8. zich gedurende de proeftijd niet bevindt in een straal van 300 meter bij de Van [adres] ;
geeft opdracht aan de reclassering om toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.
Hierbij gelden als voorwaarden dat de veroordeelde:
meewerkt aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een geldig identiteitsbewijs ter inzage aanbiedt om de identiteit vast te stellen;
meewerkt aan reclasseringstoezicht, waaronder het meewerken aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt;
verklaart de voornoemde bijzondere voorwaarden dadelijk uitvoerbaar;
Beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 4] (01.029098.26 feit 1)
wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij gedeeltelijk toe en veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij, [slachtoffer 4] , van een bedrag van 11.420,94 euro, bestaande uit 1.420,94 euro materiële schade en 10.000,00 euro immateriële schade. De vergoeding van materiële en immateriële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 25 oktober 2025 tot aan de dag der algehele voldoening;
veroordeelt verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot heden begroot op nihil, en in de proceskosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken;
bepaalt dat de benadeelde partij in de vordering voor het overige niet ontvankelijk is en de vordering in zoverre slechts bij de burgerlijk rechter kan aanbrengen;
Schadevergoedingsmaatregel
legt aan de verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van [slachtoffer 4] , van een bedrag van 11.420,94 euro. Voormeld bedrag bestaat uit 1.420,94 euro materiële schade en 10.000,00 euro immateriële schade. De vergoeding van materiële en immateriële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 25 oktober 2025 tot aan de dag der algehele voldoening;
bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 82 dagen. De toepassing van deze gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op;
Vordering benadeelde partij Nationale Politie Eenheid Oost-Brabant (01.049939.26 feit 6)
wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij toe en veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij, Nationale Politie Eenheid Oost-Brabant, van een bedrag van 90,75 euro, bestaande uit materiële schade. De vergoeding van materiële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 24 maart 2026 tot aan de dag der algehele voldoening.
veroordeelt verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op 20,00 euro, en in de proceskosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken;
Schadevergoedingsmaatregel
legt aan de verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van Nationale Politie Eenheid Oost-Brabant, van een bedrag van 90,75 euro. Voormeld bedrag bestaat uit materiële schade. De vergoeding van materiële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 24 maart 2026 tot aan de dag der algehele voldoening;
bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 1 dag. De toepassing van deze gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op.
Beslag (01.029098.26)
onttrekt aan het verkeer het inbeslaggenomen goed:
1 STK Valmes.
Beslissing tenuitvoerlegging voorwaardelijke straf
beveelt de tenuitvoerlegging van de straf, voor zover voorwaardelijk opgelegd bij vonnis van de politierechter te Oost-Brabant van 25 januari 2024, gewezen onder parketnummer 01.110429.23, te weten:
een gevangenisstraf voor de duur van 1 maand.
Dit vonnis is gewezen door:
mr. I.M. Rinzema, voorzitter,
mr. H.M. Hettinga en mr. E.M.J. Raeijmaekers, leden,
in tegenwoordigheid van mr. R. van Warners, griffier,
en is uitgesproken op 6 juli 2026.
.
Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt – tenzij anders vermeld – bedoeld een proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren.