[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"decision-ecli-nl-rbrot-2018-10493":3,"decision-more-ecli-nl-rbrot-2018-10493":20},{"id":4,"ecli":5,"caseNumber":6,"courtId":7,"courtName":8,"courtSlug":9,"decisionDate":10,"fullText":11,"language":12,"source":13,"sourceUrl":14,"summary":6,"slug":15,"metadata":16},"875","ECLI:NL:RBROT:2018:10493","",61,"Rotterdam","rotterdam","2018-12-19T00:00:00.000Z","Rechtbank Rotterdam\n\nTeam straf 1\n\nParketnummers: 10-218977-18 en 10-218983-18\n\nDatum uitspraak: 19 december 2018\n\nTegenspraak\n\nVonnis van de kantonrechter in de rechtbank Rotterdam, in de gevoegde zaken tegen de verdachte:\n\n [verdachte]\n\ngeboren te Curaçao op [geboortedatum verdachte] ,\n\ningeschreven in de basisregistratie personen op het adres:\n\n [adres verdachte]Onderzoek op de terechtzitting\n\nGelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 19 december 2018.Tenlastelegging\n\nAan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaardingen. De tekst van de gewijzigde tenlasteleggingen is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.Eis officier van justitie\n\nDe officier van justitie mr. D.M. Benammar, heeft gevorderd:\n\nbewezenverklaring van het onder beide bovengenoemde parketnummers ten laste gelegde (hierna: feit 1 en 2);\n\nveroordeling van de verdachte tot een geldboete van € 190 per overtreding.Vooropstelling\n\nInleiding\n\nOp 1 januari 2018 is in de Algemene Plaatselijke Verordening Rotterdam 2012 (hierna: de APV) een nieuw artikel opgenomen. Dit artikel luidt:\n\n‘Artikel 2:la Straatintimidatie\n\nHet is verboden op of aan de weg of in een voor publiek toegankelijk gebouw individueel of in groepsverband een ander of anderen uit te jouwen of met aanstootgevende taal, gebaren, geluiden of gedragingen lastig te vallen.’\n\nIn deze zaken (hierna: zaak) zijn voor het eerst tenlasteleggingen gebaseerd op dit nieuwe artikel. De officier van justitie heeft op de terechtzitting uiteengezet dat het openbaar ministerie met deze zaak (enig) uitsluitsel wil krijgen over de reikwijdte en bandbreedte van het nieuwe artikel. Mede op initiatief van de kantonrechter is tijdens de terechtzitting een aantal vragen naar voren gekomen. In deze paragraaf van het vonnis worden deze vragen vooropgesteld en voorafgaand aan de beoordeling van de ten laste gelegde feiten, beantwoord.\n\nVragen\n\nWat moet worden verstaan onder de begrippen ‘uitjouwen’, ‘lastig vallen’ en ‘aanstootgevende taal, gebaren, geluiden of gedragingen’ uit artikel 2:1a APV?\n\nZijn er uitlatingen en\u002Fof handelingen te noemen die in algemene zin een invulling kunnen vormen van die begrippen?\n\nVallen uitlatingen die worden gebracht onder ‘uitjouwen’ en ‘aanstootgevende taal’ onder de vrijheid van meningsuiting;\n\n- in de zin van artikel 10 lid 1 van het Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) en\u002Fof\n\n- in de zin van artikel 7 lid 3 van de Grondwet (hierna: Gw)?\n\n Zo ja, biedt de vrijheid van meningsuiting ook bescherming aan de begrippen ‘aanstootgevende gebaren, geluiden of gedragingen’?\n\n Mag de vrijheid van meningsuiting worden beperkt en meer in het bijzonder mag dat in de APV;\n\n- in de zin van artikel 10 lid 2 EVRM en\u002Fof\n\n- in de zin van artikel 7 lid 3 Gw?\n\nIs de vrijheid van meningsuiting een vrijbrief voor overlastgevend gedrag in de openbare ruimte en is de artikel 2:1a APV daarmee een papieren tijger?\n\nAntwoord a: Uitleg begrippen\n\nIn het antwoord op de eerste vraag worden de begrippen uit het nieuwe artikel uit de APV: ‘uitjouwen’, ‘lastig vallen’ en ‘aanstootgevende taal, gebaren, geluiden of gedragingen’, zoals die in de tenlastelegging in deze zaak zijn opgenomen, nader geduid. Deze begrippen zullen in de tenlastelegging en in een eventuele bewezenverklaring dezelfde betekenis (moeten) hebben als in artikel 2:1a APV. De eerste twee begrippen, ‘uitjouwen’ en ‘lastig vallen’, vormen de kern van het verwijt en zijn daarmee de kwalificerende begrippen in de tenlastelegging. Het derde begrip ‘aanstootgevende taal, gebaren, geluiden of gedragingen’ vormt een invulling van het begrip ‘lastigvallen’. Bij de uitleg van alle drie de begrippen moet steeds in het oog worden gehouden dat het in artikel 2:1a APV strafbaar gestelde gedrag een begrenzing vindt in strafbare feiten die al op andere wijze (bij wet in formele zin) zijn strafbaar gesteld.De gemeentelijke wetgever heeft namelijk een relatief ruime, maar wel slechts aanvullende verordenende bevoegdheid.\n\nVoor de uitleg van de begrippen is aansluiting gezocht bij (i) de toelichting op artikel 2:1a APV en (ii) bij de betekenis die de begrippen hebben in het algemeen spraakgebruik.\n\n( i)\n\nDe toelichting op artikel 2:1a APV luidt - voor zover van belang -:\n\n‘Artikel 2:1a Straatintimidatie\n\n‘(…)\n\nHet motief van deze APV-bepaling is primair gelegen in het wegnemen van de effecten op de openbare orde als gevolg van intimiderend gedrag op straat. Straatintimidatie leidt tot hinder, overlast en gevoelens van onveiligheid met als gevolg een verstoring van de normale gang van zaken van het gemeenschapsleven. De strafbaarstelling draagt eraan bij dat de openbare ruimte zoveel mogelijk gevrijwaard blijft van straatintimidatie.\n\nUit onderzoek is gebleken dat steeds meer groepen, waaronder vrouwen, in toenemende mate met uiteenlopende vormen van straatintimidatie worden geconfronteerd. Het gaat daarbij bijvoorbeeld om uitschelden of uitjouwen, intimiderende of aanstootgevende gebaren, geluiden en gedragingen of onnodig opdringen.\n\nDeze vormen van straatintimidatie zijn met name hinderlijk, bedreigend of emotioneel belastend voor de slachtoffers zelf, maar brengen eveneens gevoelens van onveiligheid voor omstanders met zich mee. Het gevolg van dit soort gedragingen in de openbare ruimte kan zijn dat bepaalde plekken worden gemeden. Daarmee hebben deze gedragingen dus een effect op de bewegingsvrijheid van personen. Ook kan het ertoe leiden dat mensen hun gedrag aanpassen door bijvoorbeeld hun kledingstijl te wijzigen. Behalve dat deze gedragingen een effect hebben op de bewegingsvrijheid, veroorzaken ze daarmee ook hinder, overlast en gevoelens van onveiligheid en verstoren ze de rust in het openbare leven.\n\n(…)\n\nMet deze bepaling wordt het tegelijkertijd mogelijk om op te treden tegen het uitjouwen of lastigvallen van opsporingsambtenaren, andere gezagsdragers of personen met een publieke taak. Uit onderzoek onder opsporingsambtenaren is namelijk gebleken dat deze groep bij de uitoefening van hun taak in toenemende mate wordt uitgejouwd of anderszins lastig gevallen. Ook deze gedragingen hebben een negatief effect op de openbare orde. Gezagdragers hebben immers als taak de openbare orde te handhaven. Indien zij worden gehinderd in dit werk, heeft dit automatisch een negatief effect op de openbare orde.\n\n(…)’\n\nUit de toelichting wordt afgeleid dat het motief van de strafbaarstelling van straatintimidatie primair is gelegen in de bescherming van het openbare leven in de openbare ruimte en daarmee de openbare orde. In het verlengde daarvan moet de strafbaarstelling de personen die de straatintimidatie rechtstreeks ondergaan en de personen die het waarnemen beschermen. Bij de duiding van de begrippen moet van deze motieven van de gemeentelijke regelgever worden uitgegaan.\n\n(ii)\n\nVoor de betekenis van de begrippen in het algemeen spraakgebruik is gekeken naar Van Dale’s Groot Woordenboek der Nederlandse Taal 2018 (hierna: Van Dale). De voor dat doel bij uitstek geschikte bron.\n\n- Uitjouwen\n\nUitjouwen wordt in Van Dale omschreven als ‘jouwend beschimpen ≈ uitjoelen’. Beschimpen op zijn beurt wordt omschreven als ‘honend bespotten\u002Flasterlijk beledigen ≈ uitschelden’. In de toelichting op artikel 2:1a APV wordt (ook) uitjouwen in één adem genoemd met uitschelden. Op het eerste gezicht kunnen onder het begrip uitjouwen daarom veel negatieve verbale uitlatingen worden gebracht, die niet per se in taal te hoeven worden geuit. Toch laat het begrip uitjouwen zich lastig duiden wanneer daarbij wordt bedacht dat die uitlatingen dan bijvoorbeeld niet beledigend of bedreigend van aard mogen zijn. Dan zou immers dat gedrag al in het Wetboek van Strafrecht zijn strafbaar gesteld en is er geen ruimte voor strafbaarstelling door de gemeentelijke regelgever.\n\nAdvocaat-generaal Leijten geeft in een conclusie bij een arrest van de Hoge Raad in een soortgelijke zaak een aantal voorbeelden die onder het begrip uitjouwen zouden kunnen worden gebracht: a) het alsmaar roepen van: ‘sliep uit’of b) ‘Boeoeh’.Het lijkt er sterk op dat wanneer uitjouwen verder gaat dan dat, de genoemde grens vrij snel in beeld komt. Kortom de bandbreedte die ‘uitjouwen’ in artikel 2:1a APV heeft lijkt betrekkelijk smal.\n\n- Lastigvallen\n\nZoals al is opgemerkt, is het begrip ‘lastigvallen’ naast het begrip ‘uitjouwen’ het tweede kwalificerende onderdeel in de tenlastelegging. Lastigvallen heeft in de Van Dale meerdere betekenissen. Tegen de achtergrond van de toelichting op de APV - zoals deze hiervoor kort is weergegeven - is de meest in het oog springende betekenis: ‘met oneerzame bedoelingen naderen’. Gelet op deze toelichting is ‘oneerzaam’ een te beperkte uitleg van het hier bedoelde ‘lastigvallen’. Dat is immers niet alleen een seksueel gekleurd begrip. In tegenstelling tot het kernbegrip ‘uitjouwen’ is de bandbreedte van lastigvallen ook in het licht van de aanvullende regelgevende bevoegdheid van de gemeentelijke regelgever ruim. Met de strafbaarstelling van ‘lastigvallen’ in het algemeen heeft de formele wetgever zich - vooralsnog- niet heeft beziggehouden.\n\n- Aanstootgevende\n\nHet woord aanstootgevend wordt in artikel 2:1a APV bijvoeglijk gebruikt bij taal, gebaren, geluiden of gedragingen. Aanstootgevend(e) wordt in de Van Dale omschreven als ‘aanstoot veroorzakend’. Aanstoot geven als werkwoord wordt omschreven als ‘ergernis veroorzaken ≈ choqueren’. Wanneer deze betekenissen uit het algemeen spraakgebruik worden afgezet tegen de bedoeling van de gemeentelijke wetgever zoals deze volgt uit de toelichting bij artikel 2:1a APV - zoals deze hiervoor kort is weergegeven - gaat het dus om taal, gebaren, geluiden of gedragingen die ergernis veroorzaken.\n\nConclusie\n\nHet kwalificerende begrip uitjouwen is een smal begrip. Dit vindt zijn oorzaak in de betekenis die aan het begrip moet worden toegekend waardoor het begrip zijn begrenzing vaak zal vinden in andere strafbaarstellingen. Lastigvallen als kwalificerend begrip is juist breed en ziet vooral op het (be)naderen met oneerzame bedoelingen. Die oneerzame bedoelingen zullen dan moeten volgen en\u002Fof worden ingekleurd door de ‘aanstootgevende taal, gebaren, geluiden of gedragingen’ waarmee iemand of meerdere personen worden benaderd. Het moet dan gaan om uitlatingen of handelingen die ergernis veroorzaken. Van deze betekenissen van de begrippen zal bij de verdere beoordeling worden uitgegaan.\n\nAntwoord b: Algemene invulling van de begrippen\n\nDe vraag wanneer er sprake is van ‘uitjouwen’, ‘lastig vallen’ of van ‘aanstootgevende taal, gebaren, geluiden of gedragingen’ is niet in algemene zin te beantwoorden. In een concrete zaak hangt de invulling van deze begrippen af van alle omstandigheden van het geval. Het zal bij die invulling dan gaan om het samenstel van de (tenlastegelegde) feitelijke handelingen en van de overige feiten en omstandigheden die aan dat samenstel een zekere kleuring en\u002Fof duiding kunnen geven. Het is goed mogelijk dat in sommige gevallen een bewijsredenering zal moeten worden opgesteld om aan de begrippen de invulling te kunnen geven. Daarbij verdient opmerking dat zo’n bewijsredenering alleen kan worden opgesteld als daarvoor de feiten en omstandigheden duidelijk zijn. Een goed proces-verbaal van de opsporingsambtenaren is daarom van groot belang. Ook is bij de invulling plaats voor een beoordeling van de uiterlijke verschijningsvorm van het samenstel van (tenlastegelegde) feitelijke handelingen in samenhang met de overige feiten en omstandigheden.\n\nDe vraag die in het verlengde ligt van het voorgaande is of een enkele opmerking, fluit, sis, klak of (seksueel- of anderszins gekleurd) handgebaar één op één is te brengen onder de begrippen is daarom ook niet in algemene zin te beantwoorden. Het antwoord op die vraag is ook zeer context gebonden en wordt sterk beïnvloed door het samenstel van (tenlastegelegde) feitelijke handelingen en de overige feiten en omstandigheden. Daarbij is niet uitgesloten dat de feiten elkaar met een zekere synergie (1+1=3) kunnen en zullen versterken.\n\nTot slot is bij de beoordeling van het concrete geval van belang dat de tenlastegelegde uitlatingen en\u002Fof handelingen van dien aard moeten zijn en onder zodanige omstandigheden hebben plaatsgevonden dat zij in het algemeen geschikt zijn de openbare orde te raken en\u002Fof een zekere inbreuk op de persoonlijke vrijheid van burgers teweeg te brengen.\n\nConclusie\n\nDe invulling van de begrippen is niet in algemene zin te geven. Het komt aan op de beoordeling in het concrete geval waarbij de nadruk ligt op het samenstel van (tenlastegelegde) feitelijke handelingen en de overige feiten en omstandigheden die daaraan kleuring kunnen geven. Bij de invulling van de begrippen is plaats voor een zekere objectivering.\n\nAntwoord c: Vrijheid van meningsuiting\n\nVervolgens is de vraag of uitlatingen die worden gebracht onder ‘uitjouwen’ en ‘aanstootgevende taal’ onder de vrijheid van meningsuiting vallen. Dit recht is vastgelegd in zowel artikel 10 EVRM als in artikel 7 Gw.\n\n- Artikel 10 EVRM\n\nArtikel 10 lid 1 van het EVRM beschermt het recht op vrijheid van meningsuiting. Uit de tekst van dit artikellid en uit de jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (hierna: EHRM) komt naar voren dat artikel 10 lid 1 EVRM in ieder geval het recht omvat om een mening te koesteren en de vrijheid om inlichtingen of denkbeelden te ontvangen of te verstrekken. De reikwijdte van artikel 10 lid 1 EVRM is dan ook ruim.\n\nIn dit verband is het goed om op te merken dat in de literatuuren in de memorie van toelichting bij een initiatief wetsvoorstel tot strafbaarstelling van seksuele intimidatiegesteld wordt dat sommige vormen van intimidatie in de openbare ruimte buiten de bescherming van artikel 10 lid 1 EVRM zouden kunnen vallen. Daarbij wordt dan een beroep gedaan op het arrest van het EHRM Rujak t. Kroatië.\n\nIn dat arrest wordt overwogen:\n\n‘Certain classes of speech, such as lewd and obscene speech have no essential role in the expression of ideas. An offensive statement may fall outside the protection of freedom of expression where the sole intent of the offensive statement is to insult’.\n\nHet is maar zeer de vraag of uit Rujak de genoemde verregaande conclusie mag worden getrokken. De HUDOC databankleert dat het EHRM het in Rujak geformuleerde uitgangspunt niet heeft herhaald of heeft verwezen naar deze beslissing. Het lijkt er daarom niet op dat het EHRM met Rujak een ondergrens aan artikel 10 EVRM heeft willen stellen. Uit het oogpunt van rechtsbescherming zou het ook beter zijn om de aard van de uitlating niet mee te wegen bij de vraag of iets onder de vrijheid van meningsuiting valt, maar te betrekken bij de vraag of die vrijheid kan worden beperkt, waarover hierna meer.\n\nEen en ander nog daargelaten dat het in deze zaak gaat om uitlatingen die (hoogst)waarschijnlijk niet louter de intentie tot beledigen in zich hebben zoals in Rujak aan de orde was.\n\n- Artikel 7 Gw\n\nArtikel 7 lid 3 Gw bepaalt dat voor het openbaren van gedachten of gevoelens (…) niemand voorafgaand verlof nodig heeft wegens de inhoud daarvan (…). Dit grondrecht beschermt in beginsel elke openbaarmaking van - meer of minder weloverwogen - gedachten of gevoelens, ongeacht de intenties of de motieven van degene die zich uit.\n\nBegin jaren 90 van de vorige eeuw wees de Hoge Raad twee arrestenin zaken die heel veel lijken op deze zaak. In de zaken die achter die twee arresten schuilgaan werden twee verdachten vervolgd voor het respectievelijk roepen van:‘Dan duw die teringbon er maar onder vuile kankerzak’en het roepen van: ‘lelijke rotkop’. De vervolging was in beide gevallen gebaseerd op bepalingen uit de APV. In allebei de gevallen werd - voorzover van belang - in de APV verboden om in het openbaar: ‘iemand uit te jouwen, na te schreeuwen, met aanstootgevende taal lastig te vallen, dan wel op andere wijze overlast aan te doen.’ De lagere rechter had het feit niet strafbaar geoordeeld omdat de uitroepen:‘Dan duw die teringbon er maar onder vuile kankerzak’en het roepen van: ‘lelijke rotkop’onder de vrijheid van meningsuiting vielen. In beide gevallen liet de Hoge Raad het oordeel van de lagere rechter in stand en oordeelde dat de lagere rechter ‘terecht (en op goede gronden)’ het feit niet strafbaar had geoordeeld. In deze arresten wordt onderstreept dat ook uitspraken met een volstrekt negatieve lading onder de reikwijdte van de vrijheid van meningsuiting vallen zoals die in artikel 7 lid 3 van de Gw is neergelegd.\n\nAnders dan de officier van justitie is de kantonrechter van oordeel dat de Hoge Raad van deze lijn niet is teruggekomen. Het door de officier van justitie aangehaalde drie stappenplan uit arresten uit 2001 en 2003is een lijn van de Hoge Raad die zich doortrekt tot 2018, maar deze heeft geen betrekking op de vraag of een uitlating onder de vrijheid van meningsuiting valt of niet in de zin van tweede volzin van artikel 7 lid 3 Gw.\n\nConclusie\n\nHet ‘uitjouwen in de vorm van taal’ en het uiten van ‘aanstootgevende taal’ vindt in beginsel bescherming in artikel 10 lid 1 EVRM en artikel 7 lid 3 Gw.\n\nAntwoord d: Symbolic speech\n\nHet is vervolgens de vraag of alleen ‘taal’ uit artikel 2:1a APV onder de bescherming van de vrijheid van meningsuiting valt of dat ook ‘gebaren, geluiden of gedragingen’ en\u002Fof ‘uitjouwen in een andere vorm dan taal’ die bescherming (kunnen) verdienen. Het gaat dan om uitlatingen en\u002Fof handelingen die niet in letterlijke zin als ‘speech’ moeten worden gezien en daarom die bescherming van de vrijheid van meningsuiting dus niet hebben (Bijv: geluiden, zoals sissen en klakken).\n\nDat zou anders kunnen liggen als in een bepaalde context een uitlating of handeling onmiskenbaar tot doel heeft om gedachten of gevoelens en\u002Fof een mening naar voren te brengen. Dan zou sprake kunnen zijn van uitlatingen en\u002Fof handelingen die, als ‘symbolic speech’, onder de vrijheid van meningsuiting moeten worden gebracht.\n\nVeelal zullen de uitlatingen en\u002Fof handelingen, wanneer deze op zichzelf worden beschouwd, te algemeen zijn om hieruit dat onmiskenbare doel af te leiden. Bij die beoordeling is ook van belang in hoeverre de uitlating of handeling bijdraagt aan het maatschappelijk debat, omdat de wenselijkheid van de bescherming van de vrijheid van meningsuiting zich dan opdringt.\n\nAntwoord e: Beperking van de vrijheid van meningsuiting\n\nAls er sprake is van vrijheid van meningsuiting, ligt de vraag voor of deze door de overheid mag worden beperkt en meer in het bijzonder of dat mag in de APV.\n\n- Artikel 10 EVRM\n\nIn artikel 10 lid 2 EVRM is neergelegd op welke wijze de vrijheid van meningsuiting mag worden ingeperkt en formuleert daarvoor drie voorwaarden: (i) is de beperking bij wet voorzien, (ii) dient de beperking een van de in artikel 10 lid 2 genoemde doelen en (iii) is zij noodzakelijk in een democratische samenleving?\n\n( i)\n\nDe APV is een wet in de zin van artikel 10 lid 2 EVRM. Artikel 10 lid 2 EVRM stelt niet de eis dat sprake moet zijn van een wet in formele zin. Daarnaast heeft de burger ook voldoende toegang tot de APV en via de reclamecampagne ‘pikpraat’is de strafbaarstelling onder de aandacht van de burgers van de gemeente Rotterdam gebracht en is daarmee voldoende kenbaar. Hierdoor, maar ook door de inhoud van de strafbaarstelling is het voor de burger voldoende voorzienbaar wat het stafbare feit inhoudt. Een eventuele straf kan daarom niet als een verrassing komen.\n\n(ii)\n\nDe strafbaarstelling van straatintimidatie dient ook een doel als bedoeld in artikel 10 lid 2 EVRM. Zoals hiervoor al is vermeld zijn de motieven die de gemeentelijke regelgever heeft met de strafbaarstelling van straatintimidatie divers. Met de strafbaarstelling wordt primair het openbare leven in de openbare ruimte en daarmee de openbare orde beschermt. Aan de andere kant moet het de personen die de straatintimidatie rechtstreeks ondergaan en de daarbij aanwezige omstanders die dat waarnemen beschermen.\n\nDeze doelstellingen vallen onder de in artikel 10 lid 2 EVRM genoemde legitieme doelen zoals ‘het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten’ maar ook ‘de bescherming van de rechten van anderen’.\n\n(iii)\n\nDan de vraag of de strafbaarstelling van straatintimidatie noodzakelijk is in de (Rotterdamse) democratische samenleving. Op de site van de genoemde reclamecampagne ‘pikpraat’ zijn ruim 2.200 meldingen gedaan en de ‘Stopapp’is meer dan 3.200 keer gedownload. Daarnaast is op de terechtzitting het openbare rapport ‘seksuele straatintimidatie in Rotterdam van de Erasmus Universiteit Rotterdam’aan de orde geweest. Dit rapport wordt ook genoemd in het proces-verbaal van de opsporingsambtenaren. Het onderzoek waarvan het rapport de weerslag is laat duidelijk zien dat straatintimidatie door heel veel vrouwen als probleem wordt ervaren, dat hen schaadt en dat het leidt tot aanpassing in het gedrag. In het rapport wordt een combinatie van maatregelen geadviseerd waaronder de strafrechtelijke aanpak. Uit het onderzoek blijkt de roep om een aparte strafbaarstelling om het probleem strafrechtelijk aan te vliegen. De reacties op de genoemde website en het rapport onderbouwt de noodzakelijkheid van de strafbaarstelling. Bij de vraag naar de noodzakelijkheid wordt meegewogen in hoeverre de door de strafbaarstelling verboden uitlatingen van belang zijn in het maatschappelijk debat. Een maatregel is in dat verband sneller als disproportioneel aan te merken als met het verbieden van de uitlating het maatschappelijk debat in een democratische samenleving wordt geraakt. In die belangenafweging maakt het dus uit dat het hier gaat om intimiderende, aanstootgevende, ergerniswekkend en\u002Fof overlast gevende uitlatingen. Dat raakt het maatschappelijk debat in de vrije democratische samenleving slechts marginaal.\n\nConclusie artikel 10 EVRM\n\nArtikel 2:1a van de APV voldoet aan de eisen die artikel 10 lid 2 EVRM stelt ten aanzien van de beperking van de vrijheid van meningsuiting. Artikel 10 van het EVRM staat de strafbaarheid van de feiten in zaken die zijn gebaseerd op artikel 2:1a APV daarom ook niet in de weg.\n\n- Artikel 7 Grondwet\n\nArtikel 7 lid 3 Gw beschermt zoals hierboven is besproken in beginsel elke openbaarmaking van een - meer of minder weloverwogen - gedachte of gevoelen, ongeacht de intenties of de motieven van degene die zich uit. Het tweede zinsdeel van artikel 7 lid 3 Gw luidt: ‘behoudens ieders verantwoordelijkheid volgens de wet’. Dit zinsdeel duidt erop dat dit grondrecht mag worden beperkt maar alleen bij wet in formele zin. De vraag die zich hier opdringt is daarom of de strafbaarstelling zoals deze in artikel 2:1a van de APV is geformuleerd niet op gespannen voet staat met dit uitgangspunt. Dat is het geval als in een concrete zaak de ten laste gelegde handelingen als het openbaren van gedachten of gevoelens moeten worden aangemerkt. Het gevolg daarvan is dat artikel 2:1a APV - voor dat deel - onverbindend is en bewezenverklaarde feiten (deels) niet strafbaar zullen zijn.\n\nConclusie artikel 7 Grondwet\n\nVoor zover onder de strafbaarstelling van artikel 2:1a APV het openbaren van gedachten of gevoelens wordt gebracht is dat artikel onverbindend omdat de APV geen wet in formele zin is. Dit betekent overigens helemaal niet dat het uiten van bepaalde gedachten of gevoelens niet moreel verwerpelijk kan zijn of dat strafbaarstelling van dergelijke uitspraken onmogelijk zou zijn. Het betekent niet meer en niet minder dan dat de manier waarop het nu is geregeld een zekere beperking met zich meebrengt.\n\nAntwoord g: Is de vrijheid van meningsuiting een vrijbrief voor overlast gevend gedrag in de openbare ruimte en is de artikel 2:1a APV daardoor een papieren tijger?\n\nHet antwoord op deze laatste vooropgestelde vraag is nee. De onverbindendheid van artikel 2:1a APV ten aanzien van uitlatingen waarbij gedachten of gevoelens worden geopenbaard staat in niet in de weg aan de mogelijke inzet van de strafbaarstelling als middel tegen straatintimidatie.\n\nHet staat in onze democratische rechtsstaat iedereen vrij om, ook met aanstootgevende taal, zijn gedachten of gevoelens te openbaren. En nee, daar kan de gemeentelijke regelgever niet op ingrijpen. Dat is voorbehouden aan de formele wetgever. Maar het openbaren van aanstootgevende taal is ook niet helemaal gratis. Aanstootgevende taal kan andere handelingen kleuren waardoor die handelingen als zodanig de delictsomschrijving van straatintimidatie zouden kunnen vervullen.\n\nEen voorbeeld ter verduidelijking\n\nEen bouwvakker roept vanaf een steiger: ‘hé meisje, waar gaan die lekkere beentjes heen’.De op dit gedrag toegesneden tenlastelegging gebaseerd op artikel 2:1a van de APV kan bij voldoende bewijs worden bewezenverklaard. Strafbaar is dit handelen echter niet omdat de door de bouwvakker geopenbaarde gedachten en gevoelens onder de vrijheid van meningsuiting vallen. De APV mag die vrijheid van meningsuiting niet beperken.\n\nDat zou anders kunnen zijn als de bouwvakker ook van de stijger komt, met de vrouw meeloopt en\u002Fof haar toesist eventueel in gezelschap van een collega. Dan zorgt de uitspraak: ‘hé meisje, waar gaan die lekkere beentjes heen’voor de kleuring van dat meelopen en sissen. Die kleuring draagt er aan bij dat het meelopen en\u002Fof sissen zelfstandig als aanstootgevende handelingen die overlast geven, kunnen worden gekwalificeerd.\n\nDaarbij is het dan wel van belang dat het feitelijk handelen van een verdachte zo uitgebreid en concreet mogelijk in de tenlastelegging wordt opgenomen. Anders gezegd: de uitspraak van de bouwvakker over de mooie beentjes van het meisje kan als bewijs worden opgevoerd ter kleuring van de andere tenlastegelegde handelingen. Als onderdeel van de bewezenverklaring blijft de uitspraak als zodanig niet strafbaar. Om die reden zou die uitspraak net zo goed uit de tenlastelegging kunnen worden weggelaten. Wel zou - onder omstandigheden - het aanspreken als zodanig, dus los van de inhoud, kunnen worden opgenomen als zelfstandige aanstootgevende handeling.Waardering van het bewijsFeiten en omstandigheden\n\nFeit 1\n\nOp 6 juli 2018 zit de verdachte op een stenen trap op de Coolsingel te Rotterdam en maakt geluiden richting drie richting vrouwen die komen aanlopen vanuit de richting van het Binnenwegplein. De verdachte roept: ‘Hey, mooie dames. Waar gaan jullie naartoe?’ De verdachte brengt zijn linkerhand in de richting van zijn mond en tuit zijn lippen en maakt kusgebaren in de richting van de vrouwen. Een van de vrouwen zegt: ‘Kom we gaan weg hier’. Hierop lopen de vrouwen terug in de richting van het Binnenwegplein. De verdachte roept hen na: ‘Waar komen jullie vandaan? Kom mee naar de South-Side’ De vrouwen reageren niet en lopen door.\n\nEen andere vrouw komt uit de richting van het Binnenwegplein. De verdachte zegt tegen haar: 'Hey schatje, ga je nu al weg? Blijf nog even met me’. De vrouw reageert niet en loopt door.\n\nFeit 2\n\nOp 31 augustus 2018 loopt de verdachte op het Schouwburgplein te Rotterdam en kijkt in de richting van een vrouw die op de stenen zijrand van het Schouwburgplein zit. Hij gaat naast de vrouw zitten en blijft in de richting van de vrouw kijken. De vrouw schuift een meter op.\n\nDe verdachte spreekt de vrouw aan en roept: ‘Hey mooie dame, je ziet er goed uit.’ De vrouw reageert en zegt: ‘Dankjewel’ en negeert de verdachte. De verdachte tuit zijn lippen en maakt kus- en handgebaren in de richting van de vrouw. De verdachte loopt weg en spreekt drie andere vrouwen aan. De vrouwen reageren niet. De verdachte tuit zijn lippen en maakt kus- en handgebaren in de richting van de vrouwen en zegt: ‘Doei schatjes, fijne avond’.\n\nBeoordeling\n\nOp grond van de vastgestelde feiten en omstandigheden kunnen in beide gevallen alle ten laste gelegde uitspraken en gedragingen worden bewezen. Deze handelingen kunnen steeds al bijna op zichzelf worden beschouwd als ‘aanstootgevend’ in de zin van ‘ergernis opwekkend’ en daarmee als ‘lastig vallen’ zoals hierboven besproken.\n\nDaar komt bij dat de verdachte in de grote stad als wildvreemde in totaal acht vrouwen aanspreekt en daarbij kus- en\u002Fof handgebaren maakt. Dit wordt extra ingekleurd door de uitspraken van de verdachte. In een van de twee gevallen maakt de verdachte ook nog geluiden in de richting van de vrouwen. In het andere geval gaat hij naast een vrouw zitten die vervolgens een meter van hem wegschuift. Wanneer de vrouwen de verdachte negeren volhardt hij in zijn gedrag en zet de verdachte zijn gebaren door. Met het samenstel van deze gedragingen benadert de verdachte de vrouwen met oneerzame bedoelingen.\n\nConclusie\n\nDe vastgestelde feitelijke handelingen worden gekleurd door de bijkomende feiten en omstandigheden en rechtvaardigen de conclusie dat de vrouwen in beide gevallen zijn lastig gevallen.\n\nBewezenverklaring\n\nIn bijlage II heeft de kantonrechter de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan, en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:\n\nFeit 1\n\nhij op of omstreeks6 juli 2018 te Rotterdam, opof aan de weg, te wetende Coolsingel,\n\n(een) ander(en), te weten (een)vrouw(en) heeft uitgejouwd en\u002Fofmet aanstootgevende taal,en\u002Fofgebarenen geluiden of gedragingenheeft lastig gevallen,\n\nimmers heeft hij, verdachte, naar die vrouw(en)geroepen\n\n‘Hey, mooie dames. Waar gaan jullie naartoe?’ en\u002Fof‘Waar komen jullie vandaan? Kom mee naar de South-Side’ en\u002Fof‘Hey schatje, ga je nu al weg? Blijf nog even met me’en\u002Fof\n\nin de richting van een of meervrouwen zijn lippen getuit en\u002Fofkusgebaren\n\ngemaakt.\n\nFeit 2\n\nhij op of omstreeks31 augustus 2018 inde gemeenteRotterdam opof aan de weg, te wetenhet Schouwburgplein,(een) ander(en), te weten (een)vrouw(en)heeft uitgejouwd en\u002Fofmet aanstootgevende taal,geluiden of gedragingenen\u002Fofgebaren heeft lastig gevallen,\n\nimmers heeft hij, verdachte\n\ntegen een vrouw gezegd ‘Hey mooie dame, je ziet er goed uit’, en\u002Fof\n\nin de richting van een of meervrouw(en)zijn lippen getuit en\u002Fofkus- en\n\nhandgebaren gemaakt in de richting van deze vrouwenander(en).\n\nHetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet (ook)\n\ndaarvan worden vrijgesproken.Strafbaarheid feiten\n\nFeiten 1 en 2\n\nDe bewezenverklaarde mondelinge uitlatingen van de verdachte vallen onder de vrijheid van meningsuiting. Die uitlatingen zijn te beschouwen als het uiten van een gedachte of gevoelen zoals omschreven in artikel 7 lid 3 Gw.\n\nDe bewezenverklaarde kus- en\u002Fof handgebaren vallen daarentegen niet onder vrijheid van meningsuiting. Het gaat immers om een handeling die op zichzelf niet per definitie als ‘speech’ moet worden gezien. Ook zijn de kus- en handgebaren binnen de vastgestelde context niet onmiskenbaar te beschouwen als het uiten van een gedachte of gevoelen. Wat de gebaren in de geschetste context hebben betekend wordt niet volledig duidelijk en de kus- en of handgebaren leveren in deze context geen enkele bijdrage aan enig maatschappelijk debat.\n\nUitingen die vallen onder de vrijheid van meningsuiting mogen alleen worden beperkt bij wet in formele zin. De APV is geen wet in formele zin en daarom is artikel 2:1a APV niet-verbindend. Gevolg daarvan is dat de bewezenverklaarde uitspraken van de verdachte als zodanig niet strafbaar zijn en de verdachte in zoverre zal worden ontslagen van alle rechtsvervolging.\n\nDe bewezen verklaarde feiten leveren overigens telkens op:\n\novertreding van artikel 2.1a van de Algemene Plaatselijke Verordening Rotterdam 2012.\n\nEr zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.\n\nHet feit is dus strafbaar.Strafbaarheid verdachte\n\nEr is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit.\n\nDe verdachte is dus strafbaar.Motivering straf\n\nDe straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.\n\nDe verdachte heeft op straat in het centrum van de stad meerdere keren met zijn aanstootgevende gedrag voor overlast gezorgd. De overlast raakt in de eerste plaats de vrouwen die zich aan het gedrag van de verdachte probeerden te onttrekken. Op de tweede plaats raakt het gedrag ook de vrijheid van het individu in de openbare ruimte in het algemeen. Gedrag als dat van de verdachte kan ertoe leiden dat individuen zich anders gaan gedragen: bijv. een andere weg kiezen, een andere kledingkeus maken of er voor kiezen om niet meer alleen door de stad te lopen.\n\nKortom, de verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan heel vervelend gedrag. Ook is het niet de eerste keer dat de verdachte wordt veroordeeld. Hij is meermalen veroordeeld onder andere voor mishandeling, winkeldiefstal en het aanwezig hebben van drugs.\n\nVoor de hoogte van de straf kan met een schuin oog worden gekeken naar de oriëntatiepunten straftoemeting van de Rechtspraak. Aansluiting kan worden gezocht bij de oriëntatiepunten voor belediging en bedreiging. Daarop staan voor personen die zich voor het eerst schuldig maken aan zo een feit gelboetes van 150 euro en 250 euro. Daarbij mag niet uit het oog worden verloren dat het hier gaat om (APV) overtredingen in plaats van misdrijven.\n\nEen geldboete is een passende straf. Gelet op de persoonlijke omstandigheden van de verdachte zullen de geldboetes voorwaardelijk worden opgelegd De verdachte wordt hiermee nog eens duidelijk aangesproken op zijn gedrag.Beslissing\n\nDe kantonrechter:\n\nverklaart bewezen, dat de verdachte de ten laste gelegde feiten 1 en 2, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;\n\nverklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;\n\nverklaart de verdachte strafbaar voor het onder 1 en 2 bewezenverklaarde voor zover dat betrekking heeft op de onder het tweede gedachtestreepje bewezenverklaarde handelingen;\n\nontslaat de verdachte van alle rechtsvervolging voor de overige bewezenverklaarde handelingen;\n\nstelt vast dat het bewezen verklaarde in zoverre oplevert de hiervoor vermelde strafbare feiten;\n\nveroordeelt de verdachte ten aanzien van feit 1 tot een geldboete van € 100 (zegge: honderd euro)bij gebreke van volledige betaling en volledig verhaal te vervangen door2 dagen hechtenis;\n\nveroordeelt de verdachte ten aanzien van feit 2 tot een geldboete van € 100 (zegge: honderd euro)bij gebreke van volledige betaling en volledig verhaal te vervangen door 2 dagen hechtenis;\n\nbepaalt dat deze geldboetes niet ten uitvoer zullen worden gelegd, tenzij de kantonrecht later anders mocht gelasten, omdat de veroordeelde voor het einde van de proeftijd, die hierbij wordt gesteld op 2 jaar, na te melden voorwaarde overtreedt;\n\nstelt als algemene voorwaarde:\n\n- de veroordeelde zal zich vóór het einde van de proeftijd niet aan een strafbaar feit schuldig maken.\n\nDit vonnis is gewezen door:\n\nmr. J.H. Janssen, kantonrechter,\n\nin tegenwoordigheid van mr. D. Ince, griffier,\n\nen uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 19 december 2018.\n\nBijlage I\n\nTekst tenlastelegging\n\nAan de verdachte wordt, na wijziging, ten laste gelegd dat:\n\nFeit 1\n\nhij op of omstreeks 6 juli 2018 te Rotterdam, op of aan de weg, te weten de Coolsingel,\n\n(een) ander(en), te weten (een) vrouw(en) heeft uitgejouwd en\u002Fof met aanstootgevende taal, gebaren, geluiden of gedragingen heeft lastig gevallen,\n\nimmers heeft hij, verdachte,\n\nnaar die vrouw(en) geroepen ‘Hey, mooie dames. Waar gaan jullie naartoe?’ en\u002Fof ‘Waar komen jullie vandaan? Kom mee naar de South-Side’ en\u002Fof ‘Hey schatje, ga je nu al weg? Blijf nog even met me’ en\u002Fof\n\nin de richting van een of meer vrouwen zijn lippen getuit en\u002Fof kusgebaren gemaakt.\n\nFeit 2\n\nhij op of omstreeks 31 augustus 2018 in de gemeente Rotterdam op of aan de weg, te weten het Schouwburgplein, (een) ander(en), te weten (een) vrouw(en) heeft uitgejouwd\n\nen\u002Fof met aanstootgevende taal, gebaren, geluiden of gedragingen heeft lastig gevallen,\n\nimmers heeft hij, verdachte\n\ntegen een vrouw gezegd ‘Hey mooie dame, je ziet er goed uit’, en\u002Fof\n\nin de richting van een of meer vrouw(en) zijn lippen getuit en\u002Fof kus- en handgebaren gemaakt in de richting van deze ander(en).\n\nBijlage II\n\nBewijsmiddelen\n\nFeit 1\n\nHet proces-verbaal van politie nummer GMI700-201 800003, inhoudende als relaas van de [verbalisant] :\n\nOp 6 juli 2018 was ik op de Coolsingel te Rotterdam. Wij zagen drie vrouwen lopen die uit de richting kwamen van het Binnenwegplein. Ik hoorde dat de man in de richting van de vrouwen geluiden maakte. Ik zag dat links van mij een negroïde man op de stenen trap zat. Ik hoorde dat de man in de richting van de vrouwen riep ‘Hey, mooie dames. Waar gaan jullie naartoe?’ Ik zag dat de man zijn linkerhand bewoog richting zijn mond. Ik zag dat hij zijn lippen tuitte en vervolgens kusgebaren maakte in de richting van deze vrouwen. Ik zag en hoorde dat één van de drie vrouwen tegen de andere twee vrouwen zei: ‘Kom we gaan weg hier’. Ik zag dat de vrouwen terugliepen in de richting van het Binnenwegplein. Op dit moment zag en hoorde ik dat de man op een afstand van vijftien meter de vrouwen najouwde en riep: ‘Waar komen jullie vandaan? Kom mee naar de South-Side’. Ik zag dat de drie vrouwen hier niet op reageerden en doorliepen. Vervolgens zag ik dat er een andere vrouw uit de richting van het Binnenwegplein kwam en in de richting van de ingang van het metrostation Beurs liep. Ik hoorde dat de man in de richting van de vrouw zei: ‘Hey schatje, ga je nu al weg? Blijf nog even met me’. Ik zag dat de vrouw hier niet op reageerde en doorliep richting de ingang van het metrostation Beurs.\n\nFeit 2\n\nHet proces-verbaal van politie nummer GMI700-201 800004, inhoudende als relaas van de [verbalisant] :\n\nOp vrijdag 31 augustus 2018 omstreeks 20:30 op de openbare weg, namelijk het Schouwburgplein te Rotterdam. Ik zag dat voor ons op een afstand van tien meter, een negroïde man rondliep. Ik zag dat de man over het Schouwburgplein liep. Ik zag een vrouw zitten op de stenen zijrand van het plein. Ik zag dat de man in de richting van de vrouw keek. Ik zag dat de man in de richting van de vrouw toeliep en naast haar ging zitten. Ik zag dat de man de vrouw vaak aankeek en ik zag dat de vrouw ongeveer een meter opschoof van de man. Ik zag dat de man de aandacht van de vrouw wilde krijgen door haar aan te spreken. Ik hoorde dat de man de volgende woorden tegen de vrouw riep: ‘Hey mooie dame, je ziet er goed uit.’ Ik zag dat de vrouw hierover vermoedelijk verbaasd was en hoorde haar zeggen: ‘Dankjewel.’ Ik zag dat de vrouw de man hierna negeerde. Ik zag dat de man zijn lippen tuitte en vervolgens kus en handgebaren maakte in de richting van de vrouw. Ik zag dat de man hierna zijn weg vervolgde. Ik zag dat de man hierna drie andere vrouwen aansprak. Ik hoorde niet wat de man op dit moment riep. Ik zag dat de vrouwen hierop niet reageerden. Ik zag dat de man hierna weer zijn lippen tuitte en vervolgens kus- en handgebaren maakte in de richting van de vrouwen. Ik zag dat de man weer kus en handgebaren maakte in de richting van de vrouwen.\n\nVgl. o.m. bedreiging 285 Sr, belediging 266 Sr en smaad 261 Sr.\n\nHR 9 februari 1993, ECLI:NL:HR:1993:ZC9229, NJ 1993, 646.\n\nZie in dit verband wel: Kamerstukken II2017\u002F18, 34 904, nr.1-3.\n\nGerards, ‘Commentaar op artikel 10 EVRM’, in: SDU Commentaar EVRM,Den Haag: SDU uitgevers 2017.\n\nKamerstukken II2017\u002F18, 34 904, nr. 3. Voorstel van wet van de leden Asscher en Van Toorenburg tot wijziging van het Wetboek van Strafrecht in verband met het strafbaar stellen van seksuele intimidatie.\n\nEHRM 2 oktober 2012 (ontv.), nr. 57942\u002F10, ECLI:CE:ECHR:2012:1002DEC005794210 (Rujak t. Kroatie), EHRC 2013\u002F21 m.nt. A. Nieuwenhuis.\n\nInternationale databank met alle rechtspraak van het EHRM.\n\nZie noot van Nieuwenhuis bij EHRM 2 oktober 2012, nr. 57942\u002F10, EHRC 2013\u002F21.\n\n Zie o.m. KB 05-06-1986, ECLI:NL:XX:1986:AM9086 (\n\nhttps:\u002F\u002Fuitspraken.rechtspraak.nl\u002Fdetails?id=ECLI:NL:RBROT:2018:10493\n\n), AB 1986, 569 m.nt. B.J. van der Net.\n\nHR 9 februari 1993, ECLI:NL:HR:1993:ZC9229, NJ 1993, 646; HR 10 november 1992, ECLI:NL:HR:1992:ZC9136, NJ 1993, 197 m.nt. A.C. ’t Hart en KB 05-06-1986, ECLI:NL:XX:1986:AM9086 (\n\nhttps:\u002F\u002Fuitspraken.rechtspraak.nl\u002Fdetails?id=ECLI:NL:RBROT:2018:10493\n\n), AB 1986, 569 m.nt. B.J. van der Net.\n\nHR 09 januari 2001, ECLI:NL:HR:2001:AA9368, NJ 2001, 203 m. nt. J. de Hullu en HR 14 januari 2003, ECLI:NL:HR:2003:AE7632, NJ 2003, 261, m.nt. P.A.M. Mevis.\n\nHR 19 april 2005, ECLI:NL:HR:2005:AR7262 NJ 2005, 566 m.nt. Y. Buruma.\n\n https:\u002F\u002Fstoppikpraat.nl\u002F\n\nApp voor op de smartphone waarop straatintimidatie kan worden gemeld.\n\nTamar Fischer & Natascha Sprado, Seksuele straatintimidatie in Rotterdam februari 2017\n\nm.m.v. Laura Heijnen. Zie https:\u002F\u002Fwww.rotterdam.nl\u002Fwonen-leven\u002Fseksuele-straatintimidatie\u002FOnderzoek-EUR-straatintimidatie.pdf.","nl","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2018:10493","ecli-nl-rbrot-2018-10493",{"courtName":8,"legalDomain":17,"decisionType":18,"procedureType":19},"Strafrecht","uitspraak","Uitspraak",[21,32,43,52,62],{"id":22,"ecli":23,"caseNumber":6,"courtId":24,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":26,"language":12,"source":13,"sourceUrl":27,"summary":6,"slug":28,"metadata":29},"410","ECLI:NL:RBLIM:2026:6423",66,"2026-07-08T00:00:00.000Z","RECHTBANK limburg\n\nZittingsplaats Roermond\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: ROE 25 \u002F 2565\n\nuitspraak van de meervoudige kamer van 8 juli 2026 in de zaak tussen\n\n [belanghebbende] , gevestigd te [plaats], belanghebbende\n\n(gemachtigde: M.O.E. Uyen)\n\nen\n\nde heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking Gemeenten en Waterschappen, de heffingsambtenaar (gemachtigde: A. van den Dool).\n\nProcesverloop\n\nDe heffingsambtenaar heeft op grond van de Wet waardering onroerende zaken (Wet woz) de waarde van de onroerende zaken van belanghebbende voor het belastingjaar 2025 vastgesteld (het primaire besluit).\n\nBelanghebbende heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt.\n\nDe heffingsambtenaar heeft het bezwaar van belanghebbende gegrond verklaard (het bestreden besluit). Aan belanghebbende is een proceskostenvergoeding van in totaal € 161,74 toegekend.\n\nBelanghebbende heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.\n\nDe heffingsambtenaar heeft verweer gevoerd.\n\nOp 4 mei 2026, aangevuld op 11 mei 2026, zijn van belanghebbende nadere gronden en stukken ontvangen.\n\nHet onderzoek ter zitting heeft vervolgens plaatsgevonden op 15 mei 2026. Belanghebbende heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. L.H.G.M. Driessen, kantoorgenote van haar gemachtigde bij Previcus B.V. te Boxmeer. De heffingsambtenaar heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.\n\nOverwegingen\n\n1. De rechtbank stelt vast dat de woz-waarde tussen partijen niet meer in geschil is. Het beroep van belanghebbende richt zich enkel tegen de toegekende proceskostenvergoeding en spitst zich toe op de vraag of de heffingsambtenaar bij de vaststelling van de proceskostenvergoeding in bezwaar toepassing heeft mogen geven aan de vermenigvuldigingsfactor 0,125 van artikel 30a, eerste lid, van de Wet woz, zoals dit artikellid luidt met ingang van 1 januari 2025.\n\n2. De heffingsambtenaar heeft in het bestreden besluit de proceskostenvergoeding van € 161,74 als volgt gespecificeerd:\n\n- indienen bezwaarschrift: 1 punt x waarde per punt € 647,- x factor 0,125 = € 80,87 +\n\n- bijwonen hoorzitting: 1 punt x waarde per punt € 647,- x factor 0,125 = € 80,87 = € 161,74.\n\n3. Belanghebbende vindt dat de heffingsambtenaar een te lage proceskostenvergoeding heeft toegekend. Zij verzoekt de rechtbank om artikel 30a van de Wet woz buiten toepassing te laten, omdat haar gemachtigde een bijzonder geval is als bedoeld in het zogenoemde 30a-arrest van de Hoge Raad van 17 januari 2025 (ECLI:NL:HR:2025:46).\n\n4. In het 30a-arrest heeft de Hoge Raad geoordeeld dat bijzondere gevallen zich onderscheiden doordat zij niet voldoen aan de volgende kenmerken: dat aan de belanghebbende rechtsbijstand wordt verleend door een beroepsmatig optredende gemachtigde, dan wel een kantoor, waarvan het bedrijfsmodel eruit bestaat dat\n\n( i) wordt opgetreden op basis van no cure no pay,\n\n(ii) daarbij zodanige afspraken met de cliënten worden gemaakt dat het bedrag van eventuele proceskostenvergoedingen aan de gemachtigde of aan het kantoor wordt afgedragen, en\n\n(iii) de procedures op een zodanige wijze worden gevoerd dat de daarin toegekende proceskostenvergoedingen de in redelijkheid gemaakte kosten ver overtreffen.\n\n5. De daarbij te hanteren regels zijn nader uitgewerkt in de arresten van de Hoge Raad van 25 april 2025 (ECLI:NL:HR:2025:670) en 18 juli 2025 (ECLI:NL:HR:2025:1175).\n\n5.1.. Volgens de Hoge Raad rusten op de belanghebbende de stelplicht en bewijslast van feiten die meebrengen dat buiten redelijke twijfel komt vast te staan dat, beoordeelt naar de situatie op het moment waarop het desbetreffende rechtsmiddel is aangewend, het bedrijfsmodel van de betreffende gemachtigde of diens kantoor kennelijk niet allehiervoor bedoelde drie kenmerken heeft en dat aldus sprake is van een bijzonder geval. Er is dus (al) sprake van een bijzonder geval als één van de drie kenmerken niet van toepassing is.\n\n5.2.. Bij de beoordeling van het bedrijfsmodel gaat het niet specifiek om de werkzaamheden die de gemachtigde heeft verricht in de procedure waarop de proceskostenvergoeding ziet. Met het bedrijfsmodel is namelijk meer in het algemeen de wijze bedoeld waarop de gemachtigde zijn inkomsten verwerft met het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand.\n\n5.3.. Indien het bedrijfsmodel van een gemachtigde of een kantoor inhoudt dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay (i), of op een grondslag die daarmee in wezen overeenkomt en daarmee dus op één lijn kan worden gesteld, en dat daarbij afspraken met de cliënten worden gemaakt als hiervoor onder (ii) bedoeld, zal aldus moeten worden beoordeeld of dit bedrijfsmodel voldoet aan het hiervoor onder (iii) vermelde kenmerk van vergaande overdekking. Daartoe moet een vergelijking worden gemaakt tussen enerzijds het totale bedrag aan proceskostenvergoedingen dat aan de gemachtigde of aan het kantoor wordt afgedragen, en anderzijds het totale bedrag van de kosten van de gemachtigde of van het kantoor die kunnen worden toegerekend aan het voeren van de procedures waarop die proceskostenvergoedingen betrekking hebben. Het komt dus erop aan of het totale bedrag van de afgedragen proceskostenvergoedingen het totale bedrag van de zojuist bedoelde kosten verre overtreft. De omstandigheid dat vaak geheel of ten dele gebruik wordt gemaakt van gestandaardiseerde tekstblokken die niet zijn toegespitst op de desbetreffende zaak, vormt een aanwijzing dat het bedrijfsmodel wel het derde kenmerk van vergaande overdekking heeft, en zal daarom in het algemeen volstaan om aan te nemen dat de belanghebbende niet in dit door hem te leveren bewijs is geslaagd.\n\n6. In het arrest van 26 september 2025 (ECLI:NL:HR:2025:1375) heeft de Hoge Raad nader uitgewerkt wanneer sprake is van een bedrijfsmodel dat eruit bestaat dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay (i). Bij optreden op basis van no cure no pay moet worden uitgegaan van afspraken tussen de belanghebbende en de rechtsbijstandverlener op grond waarvan de belanghebbende geen financieel risico loopt bij inschakeling van de rechtsbijstandverlener, omdat geen instapvergoeding verschuldigd is noch een percentage van de bespaarde belasting als vergoeding moet worden afgestaan (zie Kamerstukken II 2023\u002F24, 36 427, nr. 3, blz. 2). Bij de beoordeling van de vraag of het bedrijfsmodel van een beroepsmatig optredende gemachtigde, dan wel een kantoor, eruit bestaat dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay, komt het dus erop aan of die gemachtigde dan wel diens kantoor afspraken maakt met klanten op grond waarvan zij geen financieel risico lopen bij het verstrekken van de opdracht tot het verlenen van rechtsbijstand in een belastingprocedure. De verschuldigdheid van een instapvergoeding staat niet in alle gevallen eraan in de weg dat afspraken met een rechtsbijstandsverlener worden aangemerkt als afspraken op basis van no cure no pay. Onder het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand op basis van no cure no pay wordt namelijk ook begrepen het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand op een grondslag die daarmee in wezen overeenkomt en daarmee dus op één lijn kan worden gesteld. Dan moet worden gedacht aan de betaling van een zodanig laag bedrag dat die betaling als een pro forma of symbolische bijdrage moet worden beschouwd.\n\n7. De rechtbank stelt vast dat de gemachtigde van belanghebbende in deze zaak niet heeft bestreden dat haar bedrijfsmodel de hiervoor onder (ii) en (iii) vermelde kenmerken heeft.\n\n8. Belanghebbende bestrijdt dat het bedrijfsmodel van haar gemachtigde ten tijde van het instellen van bezwaar (en beroep) eruit bestaat dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay (i). Hiertoe heeft de gemachtigde verwezen naar een beschrijving van haar per 1 januari 2025 gewijzigde bedrijfsmodel (“Bijzonder geval: bedrijfsmodel Previcus en artikel 30a Wet WOZ”).\n\n8.1.. Volgens die beschrijving is de werkwijze met ingang van 1 januari 2025 fundamenteel gewijzigd. Het aantal dossiers is vanaf 2025 aanzienlijk afgenomen van 128.000 zaken naar circa 1.291 zaken. De zaken worden (vrijwel) niet meer op basis van no cure no pay uitgevoerd, maar volgens een regulier model waarin een cliënt, ongeacht de uitkomst van de zaak, een vaste startvergoeding betaalt (doorgaans gebaseerd op het aantal aanslagbiljetten) en\u002Fof een deel van de gerealiseerde besparing afdraagt (in bijna alle gevallen 40% van de besparing). De vóór 2025 aangebrachte zaken worden nog op basis van no cure no pay uitgevoerd. Bovendien worden vanaf 2025 alle aanslagbiljetten op voorhand gescreend en worden enkel de zaken doorgezet waarbij op voorhand onvoldoende duidelijk is dat er geen fouten zijn gemaakt. Er is, aldus de beschrijving, geen sprake meer van een grote massa waar de wetswijziging (Wet herwaardering proceskostenvergoeding WOZ en Bpm) op zag. De gemachtigde richt zich voortaan op de zakelijke markt, waarbij vrijwel altijd ook prijsafspraken met belanghebbenden worden gemaakt die losstaan van eventueel toegekende proceskostenvergoedingen.\n\n8.2.. De gemachtigde heeft de prijsafspraken over 2025 als volgt in een overzicht opgenomen.\n\n8.3.. De vermelding in de volmacht dat de vergoeding voor de werkzaamheden uitsluitend het totaal van de proceskostenvergoedingen bedraagt, klopt, aldus de beschrijving, niet meer. De onderliggende overeenkomsten bepalen dat cliënten zelf vergoedingen verschuldigd zijn. De proceskostenvergoeding speelt daarin nog slechts een kleine aanvullende rol.\n\n9. Op 4 mei 2026 heeft de gemachtigde van belanghebbende de facturen en betaalbewijzen in een groot aantal zaken, waarin zij als gemachtigde optreedt, ingezonden. Op 11 mei 2026 is daarvan een overzicht overgelegd. Die stukken bevestigen het beeld dat de beschrijving van het bedrijfsmodel geeft. Uit de facturen en betaalbewijzen blijkt namelijk dat de gemachtigde van een groot deel van haar cliënten een “besparingsfee” van minimaal 30% van de eventuele belastingbesparing vraagt, zij die “besparingsfee” aan haar cliënten factureert en die “besparingsfee” vervolgens ook door de cliënten wordt betaald.\n\n10. Daarnaast komt uit de facturen en betaalbewijzen naar voren dat de meeste cliënten (bovenop de “besparingsfee”) tevens een (in hoogte variërende) “startfee” zijn verschuldigd. Op zitting heeft de gemachtigde toegelicht dat, indien overeengekomen, de “startfee” altijd wordt gefactureerd en betaald. Dat dit niet in alle gevallen gebeurt blijkt uit de overgelegde facturen en betaalbewijzen, en komt, aldus de gemachtigde, doordat de “startfee”, die ongeacht de uitkomst is verschuldigd, in die gevallen eerder is gefactureerd en betaald. Dat is anders bij de “besparingsfee”, die niet eerder dan na het nemen van het bestreden besluit in rekening kan worden gebracht, omdat dan pas de (hoogte van de) besparing duidelijk is.\n\n11. De heffingsambtenaar heeft zich ter zitting op het standpunt gesteld dat het pas op 4 mei 2026 door de gemachtigde van belanghebbende indienen van facturen en betaalbewijzen (die op 6 mei 2026 door de rechtbank zijn vrijgegeven), die al in 2025 beschikbaar waren, in strijd is met een goede procesorde. De rechtbank overweegt dat partijen in beginsel vrij zijn om gedurende de procedure hun standpunten aan te vullen. Die vrijheid wordt echter begrensd door de beginselen van de goede procesorde. Hoewel de late indiening van reeds voorhanden zijnde stukken niet de schoonheidsprijs verdient, ziet de rechtbank hierin geen grond om die stukken vanwege strijd met een goede procesorde buiten beschouwing te laten. Hiertoe acht de rechtbank van belang dat de stukken een onderbouwing vormen van een eerder door de gemachtigde ingenomen standpunt, een reactie zijn op het verweerschrift en dat de aard en de omvang van de stukken niet zodanig zijn dat van de heffingsambtenaar om adequaat hierop te kunnen reageren een nader diepgaand (feiten)onderzoek wordt gevergd. De inhoudelijke reactie van de heffingsambtenaar op de stukken in de pleitnota bevestigen dit oordeel.\n\n12. De rechtbank stelt voorop dat voor haar de facturen en de betaalbewijzen leidend zijn voor de beoordeling van de vraag of kenmerk (i) op de gemachtigde van belanghebbende van toepassing is. Naar het oordeel van de rechtbank zijn (alleen) die stukken, en niet (ook) de overeenkomst, de website en de algemene voorwaarden van de gemachtigde (op 9 februari 2025), waarvan gesteld is dat die op dat moment nog niet in overeenstemming met het gewijzigde bedrijfsmodel waren gebracht, relevant voor de vraag of sprake is van een bedrijfsmodel op basis van no cure no pay. Omdat het bedrijfsmodel van de gemachtigde (en niet de vergoedingen in de aan de rechtbank voorliggende zaken) moet worden beoordeeld, blijft die beoordeling, anders dan de heffingsambtenaar stelt, niet beperkt tot de gemeenten binnen het ambtsgebied van de heffingsambtenaar. Daaruit volgt ook dat op grond van het (incidenteel) ontbreken van facturen en betaalbewijzen in aan de rechtbank voorliggende zaken niet zonder meer kan worden geconcludeerd dat kenmerk (i) op het bedrijfsmodel van de gemachtigde van toepassing is.\n\n13. De rechtbank is van oordeel dat met voldoende gegevens is onderbouwd dat de gemachtigde in 2025 voor een groot deel van de procedures een “besparingsfee” in rekening heeft gebracht. Door het betalen van een “besparingsfee” loopt een belanghebbende bij de inschakeling een gemachtigde voor het voeren van een procedure een financieel risico (zie hiervoor het arrest van de Hoge Raad van 26 september 2025). Deze door de gemachtigde gevraagde vergoeding (van 30-40%) acht de rechtbank, nog daargelaten dat de Hoge Raad dat enkel ten aanzien van “instapvergoedingen” heeft geoordeeld, ook niet dusdanig laag dat kan worden gesproken van rechtsbijstandverlening op een grondslag die in wezen overeenkomt met rechtsbijstandverlening op basis van no cure no pay. Op grond van het vorenstaande heeft belanghebbende, naar het oordeel van de rechtbank, buiten redelijke twijfel bewezen dat het bedrijfsmodel van de gemachtigde ten tijde van het instellen van bezwaar niet het kenmerk van optreden op basis van no cure no pay heeft (i). Daaraan doet niet af dat een belanghebbende vooraf ermee heeft ingestemd dat een eventuele vergoeding van proceskosten aan de gemachtigde toekomt. Dat geldt ook voor het ontbreken van facturen en betaalbewijzen van op een eerder moment in rekening gebrachte “startfees” en de door de heffingsambtenaar gestelde inconsistenties in de hoogte hiervan.\n\n14. Uit het vorenstaande volgt dat sprake is van een bijzonder geval en de heffingsambtenaar ten onrechte toepassing heeft gegeven aan artikel 30a, eerste lid, van de Wet woz.\n\n15. Dit betekent dat het beroep van belanghebbende gegrond is. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit voor zover dat ziet op de toegekende proceskostenvergoeding en bepaalt met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht de proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase op € 1.332,- (2 x € 666,-).\n\n16. Aan het standpunt van belanghebbende dat aan het bestreden besluit een motiveringsgebrek kleeft, wordt niet toegekomen.\n\n17. Omdat het beroep gegrond is, moet de heffingsambtenaar het griffierecht aan belanghebbende vergoeden.\n\n18. De rechtbank acht termen aanwezig om de heffingsambtenaar te veroordelen in de proceskosten die belanghebbende redelijkerwijs heeft moeten maken in verband met de behandeling van het beroep, een en ander eveneens overeenkomstig de normen van het Besluit proceskosten bestuursrecht. Aan belanghebbende is door een derde beroepsmatig rechtsbijstand verleend. Voor de in aanmerking te nemen proceshandelingen worden 2 punten (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen op zitting met een waarde van € 934,- per punt) toegekend. De rechtbank bepaalt in overeenstemming met het Richtsnoer proceskostenvergoeding belastingkamers gerechtshoven 2024 (neergelegd in de uitspraak van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 7 augustus 2024, ECLI:NL:GHSHE:2024:2524) de wegingsfactor op 0,5. Gelet hierop bedraagt het vanwege de in deze zaak verleende rechtsbijstand te vergoeden bedrag in totaal € 934,-.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep gegrond;\n\n- vernietigt het bestreden besluit voor zover dat ziet op de toegekende proceskostenvergoeding, stelt de proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase vast op € 1.332,- en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;\n\n- draagt de heffingsambtenaar op het betaalde griffierecht van € 385,- aan belanghebbende te vergoeden;\n\n- veroordeelt de heffingsambtenaar in de proceskosten van belanghebbende wegens verleende rechtsbijstand in beroep tot een bedrag van € 934,-.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. B.F.A. van Huijgevoort, voorzitter, en mrs. E.P.J. Rutten en J.H. van Hoof leden, in aanwezigheid van mr. D.D.R.H. Lechanteur, griffier.De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 8 juli 2026.\n\ngriffier rechter\n\nAfschrift verzonden aan partijen op: 8 juli 2026.\n\nRechtsmiddel\n\nTegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof ’s-Hertogenbosch (belastingkamer).\n\nU kunt digitaal beroep instellen via www.rechtspraak.nl. Daar klikt u op “Formulieren en inloggen”. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ’s-Hertogenbosch (belastingkamer).\n\nBij het instellen van het hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:\n\n1. bij het hogerberoepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;\n\n2 - het hogerberoepschrift moet, indien het op papier wordt ingediend, ondertekend zijn. Verder moet het ten minste het volgende vermelden:\n\na. de naam en het adres van de indiener;\n\nb. de datum van verzending;\n\nc. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;\n\nd. de redenen waarom u het niet eens bent met de uitspraak (de gronden van het hoger beroep).","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBLIM:2026:6423","ecli-nl-rblim-2026-6423",{"courtName":30,"legalDomain":31,"decisionType":18,"procedureType":19},"Roermond","Bestuursrecht; Belastingrecht",{"id":33,"ecli":34,"caseNumber":35,"courtId":36,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":37,"language":38,"source":39,"sourceUrl":6,"summary":40,"slug":41,"metadata":42},"85","ECLI:RO:2026:JudecatoriaSECTORUL5BUCURESTI:17050-302-2025-a1","17050\u002F302\u002F2025\u002Fa1",97,"Admite cererea de îndreptare a erorii materiale din cuprinsul sentin?ei civile nr. 2484\u002F06.03.2026, pronunţată de Judecătoria Sectorului 5 Bucure?ti în dosar nr. 17050\u002F302\u002F2025, formulată din oficiu.       \nDispune îndreptarea erorii materiale strecurată în cuprinsul sentin?ei civile nr. 2484\u002F06.03.2026 pronun?ată în cadrul dosarului nr. 17050\u002F302\u002F2025, în sensul re?inerii că pârâtul Vasile Constantin are codul numeric personal ............, iar nu ............., astfel cum în mod eronat s-a consemnat.   \nPrezenta încheiere face parte integrantă din cuprinsul sentin?ei civile nr. 2484\u002F06.03.2026 pronun?ată în cadrul dosarului nr. 17050\u002F302\u002F2025.   \nÎndreptarea se va efectua în toate exemplarele sentin?ei.\n\tCu drept de apel în 30 de zile de la comunicare. Cererea de apel se va depune la Judecătoria Sectorului 5 Bucure?ti.   \n\tPronun?ată prin punerea solu?iei la dispozi?ia păr?ilor prin intermediul grefei instan?ei, astăzi, 08.07.2026.\n","ro","portalquery_ro","Admite cererea","ecli-ro-2026-judecatoriasectorul5bucuresti-17050-302-2025-a1",null,{"id":44,"ecli":45,"caseNumber":6,"courtId":46,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":47,"language":12,"source":13,"sourceUrl":48,"summary":6,"slug":49,"metadata":50},"296","ECLI:NL:GHDHA:2026:2250",58,"Rolnummer: 22-001978-23\n\nParketnummer: 10-066729-23\n\nDatum uitspraak: 8 juli 2026\n\nTEGENSPRAAK\n\nArrestvan de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Den Haag gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 28 juni 2023 in de strafzaak tegen de verdachte:\n\n [verdachte],\n\ngeboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2002,\n\nBRP-adres: [BRP-adres] , [woonplaats] .\n\nOnderzoek van de zaak\n\nDit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof.\n\nHet hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.\n\nProcesgang\n\nIn eerste aanleg is de verdachte van het onder 1 tenlastegelegde vrijgesproken en ter zake van het onder 2 en 3 tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 120 dagen, met aftrek van voorarrest, waarvan 73 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren. Voorts is beslist op de vorderingen van de benadeelde partijen, zoals nader omschreven in het vonnis waarvan beroep.\n\nNamens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.\n\nOmvang van het hoger beroep\n\nDe verdachte is door de rechtbank Rotterdam vrijgesproken van hetgeen aan hem onder 1 is tenlastegelegd. Het hoger beroep is door de verdachte onbeperkt ingesteld en is derhalve mede gericht tegen de in eerste aanleg gegeven beslissing tot vrijspraak. Gelet op hetgeen is bepaald in artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering staat voor de verdachte tegen deze beslissing geen hoger beroep open. Het hof zal de verdachte mitsdien niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep gegeven vrijspraak.\n\nWaar hierna wordt gesproken van \"de zaak\" of \"het vonnis\", wordt daarmee bedoeld de zaak of het vonnis voor zover op grond van het vorenstaande aan het oordeel van dit hof onderworpen.\n\nTenlastelegging\n\nAan de verdachte is – voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen – tenlastegelegd dat:\n\n2. hij op of omstreeks 01 januari 2023 te 's-Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard, openlijk, te weten, op of aan de Smidsweg en\u002Fof de Langestraat, in elk geval op of aan (een) openbare weg(en), in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een of meer verbalisanten van de politie Eenheid Rotterdam, te weten [hoofdagent] (hoofdagent) en\u002Fof [aspirant] (aspirant) en\u002Fof één of meer verbalisanten, zijnde groepsleden van de Mobiele Eenheid van politie Eenheid Rotterdam, te weten [verbalisant 1] en\u002Fof [verbalisant 2] en\u002Fof [verbalisant 3] en\u002Fof [verbalisant 4] en\u002Fof [verbalisant 5] en\u002Fof [verbalisant 6] en\u002Fof [verbalisant 7] en\u002Fof [verbalisant 8] en\u002Fof [verbalisant 9] en\u002Fof [verbalisant 10] en\u002Fof [verbalisant 11] en\u002Fof [verbalisant 12] en\u002Fof [verbalisant 13] en\u002Fof [verbalisant 14] en\u002Fof [verbalisant 15] en\u002Fof [verbalisant 16] en\u002Fof [verbalisant 17] en\u002Fof [verbalisant 18] en\u002Fof [verbalisant 19] en\u002Fof [verbalisant 20] , althans een of meer (andere) verbalisanten door\n\n- één of meer stuks zwaar (illegaal) vuurwerk (betreffende onder meer: cobra's \u002F nitraten \u002F shells) en\u002Fof vuurwerkbommen op\u002Ftegen, althans in de richting van\u002Fnaar voornoemde verbalisanten af te schieten en\u002Fof te gooien, waarbij voornoemd(e) vuurwerk\u002Fvuurwerkbommen vlakbij\u002Fnaast het\u002Fde lichamen en\u002Fof het\u002Fde hoofden\u002Fgezichten van voornoemde verbalisanten tot ontploffing is\u002Fzijn gekomen en\u002Fof\n\n- ( met kracht) één of meer stenen en\u002Fof glaswerk op\u002Ftegen, althans in de richting van voornoemde verbalisanten te gooien en\u002Fof\n\n- ( dreigend) zich op te dringen aan voornoemde ambtenaren en\u002Fof\n\n- ( daarbij) (dreigend) een of meerdere ploertendoders, althans slagvoorwerpen, aan voornoemde ambtenaren te tonen\u002Fvoor te houden en\u002Fof\n\n- ( daarbij) aan die [aspirant] en\u002Fof [hoofdagent] en\u002Fof een of meer (andere) verbalisanten de weg te versperren, althans de doorgang te beletten en\u002Fof (daarbij) te verhinderen dat die [aspirant] en\u002Fof [hoofdagent] en\u002Fof anderen met\u002Fin een (politie)voertuig weg konden rijden en\u002Fof\n\n- naar\u002Fin de richting van voornoemde ambtenaren te schelden, met de woorden: \"Kankerlijers\", \"Kanker op joh\" en\u002Fof \"Kankerpolitie\" en\u002Fof\n\n- ( met kracht) op\u002Ftegen het (politie)schild van die [verbalisant 2] te trappen\u002Fschoppen;\n\n3. hij op of omstreeks 31 december 2022 te 's-Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard opzettelijk en wederrechtelijk een vuilnisbak\u002Fprullenbak, in elk geval enig goed, dat\u002Fdie geheel of ten dele aan Gemeente Hoeksche Waard, in elk geval aan een ander dan aan verdachte toebehoorde(n) heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt.\n\nVordering van de advocaat-generaal\n\nDe advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de bewezenverklaring zal worden bevestigd en dat de verdachte ter zake van het onder 2 en 3 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 107 dagen, met aftrek van voorarrest, waarvan 60 dagen voorwaardelijk en met een proeftijd van 2 jaren.\n\nHet vonnis waarvan beroep\n\nHet vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.\n\nVrijspraak\n\nDe advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het onder 2 tenlastegelegde wettig en overtuigend kan worden bewezenverklaard, nu de verdachte met zijn handelen een bijdrage van voldoende gewicht heeft geleverd aan het openlijk geweld tegen de desbetreffende verbalisanten. Zo heeft de verdachte voorafgaand aan de jaarwisseling deel genomen aan een WhatsApp-groep waarin werd gesproken over het voornemen onrust te veroorzaken ten tijde van de jaarwisseling. Voorts heeft de verdachte in de nacht van de jaarwisseling – nadat hij door leden van de Mobiele Eenheid (ME) was ingesloten –op zijn telefoon een video-opname gemaakt waarin er samen met medeverdachte [medeverdachte] (hierna: [medeverdachte] ) wordt gepraat over het doodschoppen van een ME’er. Vijftien minuten nadat hij deze video had opgenomen, is [medeverdachte] aangehouden voor het schoppen tegen het schild van een ME’er.\n\nHet hof overweegt als volgt.\n\nHet hof stelt voorop dat van het \"in vereniging\" plegen van geweld sprake is, indien de betrokkene een voldoende significante of wezenlijke bijdrage levert aan het geweld, zij het dat deze bijdrage zelf niet van gewelddadige aard hoeft te zijn. De enkele omstandigheid dat iemand aanwezig is in een groep die openlijk geweld pleegt is niet zonder meer voldoende om hem te kunnen aanmerken als iemand die \"in vereniging\" geweld pleegt. Beoordeeld zal moeten worden of de door de verdachte geleverde – intellectuele en\u002Fof materiële – bijdrage aan het delict van voldoende gewicht is.\n\nMet de advocaat-generaal en de verdediging is het hof van oordeel dat op grond van het verhandelde ter terechtzitting niet kan worden bewezen dat de verdachte omstreeks de jaarwisseling geweld heeft gebruikt jegens de verbalisanten, zoals het gooien met stenen of vuurwerk. Het hof is voorts van oordeel dat evenmin bewezen kan worden dat de verdachte op enige wijze geweldshandelingen die door andere personen zijn gepleegd heeft ondersteund of anderszins heeft bijgedragen aan het ontstaan of het voortduren van het geweld jegens de verbalisanten. Het hof neemt hierbij in aanmerking dat [medeverdachte] bij de raadsheer-commissaris als getuige is gehoord en heeft verklaard dat hetgeen de verdachte in de video-opname heeft gezegd, los stond van zijn handelen daarna en dat de verdachte niet in de buurt was toen [medeverdachte] tegen het schild van verbalisant [verbalisant 2] aan schopte. De enkele aanwezigheid in de groep die door de politie\u002FME was ingesloten en het feit dat de verdachte deel uit maakte van een WhatsApp-groep acht het hof evenmin een bijdrage van voldoende gewicht. Gelet op het voorgaande is niet vast komen te staan dat de verdachte een voldoende significante of wezenlijke bijdrage heeft geleverd aan het tenlastegelegde geweld tegen de desbetreffende verbalisanten, zodat het ten laste gelegde niet kan worden bewezen en de verdachte daarvan zal worden vrijgesproken.\n\nBewezenverklaring\n\nHet hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 3 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:\n\n3. hij op of omstreeks31 december 2022 te 's-Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard opzettelijk en wederrechtelijk eenvuilnisbak\u002Fprullenbak, in elk geval enig goed,dat\u002Fdiegeheel of ten deleaan Gemeente Hoeksche Waard, in elk geval aan een ander dan aan verdachtetoebehoorde(n)heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt;.\n\nHetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.\n\nBewijsvoering\n\nHet hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.\n\nIn die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.\n\nStrafbaarheid van het bewezenverklaarde\n\nHet onder 3 bewezenverklaarde levert op\n\nopzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen.\n\nStrafbaarheid van de verdachte\n\nEr is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.\n\nStrafmotivering\n\nHet hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.\n\nDaarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.\n\nDe verdachte heeft zich op oudejaarsavond schuldig gemaakt aan vernieling van een prullenbak door hierop zwaar vuurwerk tot ontploffing te brengen. Een dergelijk feit is gevaarzettend en geschikt om gevoelens van angst en onveiligheid in de maatschappij teweeg te brengen. De verdachte heeft met zijn handelen de gemeente en daarmee de gemeenschap financiële schade berokkend en hij heeft hiermee overlast veroorzaakt.\n\nHet hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie van 1 juni 2026, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder voor een vergelijkbaar feit is veroordeeld.\n\nTen aanzien van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) overweegt het hof dat deze is aangevangen op 6 maart 2023. In eerste aanleg is de redelijke termijn niet overschreden. Het hof stelt vast dat de behandeling van de zaak in hoger beroep niet heeft plaatsgevonden binnen de daartoe gestelde redelijke termijn,. Namens de verdachte is immers op 4 juli 2023 hoger beroep ingesteld en het hof wijst op 8 juli 2026 eindarrest. De redelijke termijn van de berechting in hoger beroep is derhalve met meer dan één jaar overschreden. Het hof ziet, ook gelet op de duur van de procedure als geheel, aanleiding te volstaan met de constatering van dit verzuim, gelet op de gekozen strafmodaliteit en de hoogte van de op te leggen straf.\n\nHet hof is – alles afwegende – van oordeel dat een onvoorwaardelijke taakstraf van na te melden duur een passende en geboden reactie vormt. Anders dan de verdediging heeft bepleit acht het hof een geldboete, gelet op de context waarin en de wijze waarop de vernieling plaatsvond – tijdens de jaarwisseling en met (illegaal) vuurwerk – niet passend. Evenmin zal om die reden toepassing worden gegeven aan het bepaalde in artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht.\n\nVorderingen tot schadevergoeding\n\nIn het onderhavige strafproces hebben tweeëntwintig verbalisanten zich als benadeelde partij gevoegd ter zake van het onder 2 ten laste gelegde. De benadeelde partijen [verbalisant 17] , [verbalisant 12] , [verbalisant 8] , [verbalisant 9] , [verbalisant 19] , [verbalisant 20] , [verbalisant 18] , [verbalisant 15] , [verbalisant 10] , [verbalisant 4] , [verbalisant 1] , [verbalisant 16] , [verbalisant 3] , [aspirant] , [verbalisant 7] , [hoofdagent] , [verbalisant 14] , [verbalisant 5] en [verbalisant 6] vorderen per persoon een vergoeding van € 350,00 aan immateriële schade. De benadeelde partijen [verbalisant 13] en [verbalisant 11] vorderen per persoon een vergoeding van € 400,00 aan immateriële schade en de benadeelde partij [verbalisant 2] vordert een vergoeding van € 750,00 aan immateriële schade.\n\nNu de verdachte ter zake van het onder 2 tenlastegelegde wordt vrijgesproken, zullen de benadeelde partijen niet-ontvankelijk worden verklaard in hun vordering.\n\nGelet daarop zullen de benadeelde partijen worden veroordeeld in de kosten die de verdachte tot aan deze uitspraak in verband met de verdediging tegen die vorderingen heeft moeten maken, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil.\n\nToepasselijke wettelijke voorschriften\n\nHet hof heeft gelet op de artikelen 9, 22c, 22d en 350 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.\n\nBESLISSING\n\nHet hof:\n\nVerklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder 1 tenlastegelegde.\n\nVernietigt het vonnis waarvan beroep voor zover thans aan het oordeel van het hof onderworpen en doet in zoverre opnieuw recht:\n\nVerklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 2 tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.\n\nVerklaart, zoals hiervoor overwogen, bewezen dat de verdachte het onder 3 tenlastegelegde heeft begaan.\n\nVerklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.\n\nVerklaart het onder 3 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.\n\nVeroordeelt de verdachte tot een taakstrafvoor de duur van60 (zestig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door30 (dertig) dagen hechtenis.\n\nBeveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van 2 uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.\n\nVordering van de benadeelde partijen:\n\n- [verbalisant 17] ,\n\n- [verbalisant 12] ,\n\n- [verbalisant 13] ,\n\n- [verbalisant 8] ,\n\n- [verbalisant 9] ,\n\n- [verbalisant 19] ,\n\n- [verbalisant 20] ,\n\n- [verbalisant 11]\n\n- [verbalisant 18] ,\n\n- [verbalisant 15] ,\n\n- [verbalisant 10] ,\n\n- [verbalisant 4] ,\n\n- [verbalisant 1] ,\n\n- [verbalisant 16] ,\n\n- [verbalisant 3] ,\n\n- [verbalisant 2]\n\n- [aspirant] ,\n\n- [verbalisant 7] ,\n\n- [hoofdagent] ,\n\n- [verbalisant 14] ,\n\n- [verbalisant 5] , en\n\n- [verbalisant 6]\n\nVerklaart de hiervoor genoemde benadeelde partijen telkens niet-ontvankelijk in hun vordering tot schadevergoeding.\n\nVeroordeelt de hiervoor genoemde benadeelde partijen telkens in de door verdachte gemaakte kosten en begroot deze telkens op nihil.\n\nDit arrest is gewezen door mr. F.W. Pieters, als voorzitter, mr. E.C. van Veen en mr. M.C. Bruining, leden, in bijzijn van de griffier mr. V.V. de Lange.\n\nHet is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 8 juli 2026.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHDHA:2026:2250","ecli-nl-ghdha-2026-2250",{"courtName":51,"legalDomain":17,"decisionType":18,"procedureType":19},"Den Haag",{"id":53,"ecli":54,"caseNumber":6,"courtId":55,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":56,"language":12,"source":13,"sourceUrl":57,"summary":6,"slug":58,"metadata":59},"348","ECLI:NL:RBDHA:2026:18721",65,"RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Groningen\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL26.20806\n uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n \n [naam], eiseres,\n\nV-nummer: [v-nummer:],\n\n(gemachtigde: mr. I.M. Zuidhoek),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, de minister.\n\nInleiding\n\n1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 7 april 2026 niet in behandeling genomen omdat daarvoor Frankrijk verantwoordelijk is.\n\n1.1.. De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiseres. Zij doet dat mede aan de hand van de argumenten die eiseres heeft aangevoerd, de beroepsgronden.\n\n3. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiseres ongelijk krijgt en het bestreden besluit in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nToepasselijk recht\n\n4. Op deze zaak is het recht van toepassing dat gold vóór 12 juni 2026.\n\nTotstandkoming van het besluit\n\n5. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening.Op grond van de Dublinverordening neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.In dit geval heeft Nederland bij Frankrijk een verzoek om terugname gedaan. Frankrijk heeft dit verzoek aanvaard.\n\nMag de minister ten opzichte van Frankrijk uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel?\n\n6. Eiseres stelt zich op het standpunt dat er in Frankrijk voor haar een onveilige situatie zal optreden. Dit is het gevolg van de aanwezigheid van veel Libanezen in Frankrijk, waaronder ook de familie van haar moeder die haar eerder al bedreigde. Bovendien heeft eiseres in Nederland een community gevonden waar zij zich veilig bij voelt en in Frankrijk heeft zij niemand, dit is voor haar een angstaanjagend vooruitzicht. Dit terwijl in Nederland er een sterke en diverse LHBT-gemeenschap is waar zij zich veilig voelt. Volgens eiseres is er in Frankrijk bovendien nog steeds een groot probleem met betrekking tot de opvang van asielzoekers. Ze verwijst naar het AIDA-rapport over Frankrijk, update 2024.Er is een tekort aan opvangplekken en eiseres loopt bij terugkeer een reëel risico om in een situatie van materiële deprivatie terecht te komen. Volgens eiseres is het bestreden besluit niet zorgvuldig voorbereid en berust het evenmin op een deugdelijke motivering.\n\n6.1.. De beroepsgrond slaagt niet. Naar het oordeel van de rechtbank mag de minister ten aanzien van Frankrijk uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. De Afdelingheeft meermaals bevestigd dat ten aanzien van Frankrijk in algemene zin kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Hierbij is ook het AIDA rapport, update 2024, betrokken. De rechtbank overweegt ambtshalve dat ook het recente AIDA rapport, update 2025, geen wezenlijk ander beeld geeft van de opvangvoorzieningen in Frankrijk dan de informatie die is betrokken door de Afdeling in eerdere uitspraken.\n\n6.2.. Uit de AIDA rapporten blijkt niet dat sprake is van structurele tekortkomingen in de opvang of asielprocedure, ook niet ten aanzien van de LHTBI-gemeenschap. Eiseres heeft bovendien niet aannemelijk gemaakt dat zij bij overdracht aan Frankrijk persoonlijk geen opvang, rechtsbescherming of toegang tot de procedure zal krijgen. Eiseres heeft niet eerder een asielaanvraag in Frankrijk ingediend waardoor zij geen persoonlijke ervaring heeft met de kwaliteit van de asielprocedure en de opvangvoorzieningen in Frankrijk.\n\n6.3.. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van bijzondere, individuele omstandigheden op basis waarvan de minister de aanvraag toch zou moeten behandelen.\n\nConclusie en gevolgen\n\n7. Het beroep is kennelijk ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft en eiseres overgedragen kan worden aan Frankrijk. Eiseres krijgt geen vergoeding van haar proceskosten.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. A. Sibma, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Strating, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.\n\nDe uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over verzet\n\nAls partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.\n\n Zie artikel 84 van de Asiel- en migratiebeheerverordening inzake het overgangsrecht.\n\n Verordening (EU) nr. 604\u002F2013.\n\n Dit staat ook in artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.\n\n Update 2024 van juni 2025.\n\n Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.\n\n Update 2025 van mei 2026.\n\n Zie ook de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Arnhem, van 3 juli 2026. (ECLI:NL:RBDHA:2026:18469, r.o. 7.1) en de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Middelburg, van 25 juni 2026 (ECLI:NL:RBDHA:2026:17711).","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18721","ecli-nl-rbdha-2026-18721",{"courtName":60,"legalDomain":61,"decisionType":18,"procedureType":19},"Groningen","Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht",{"id":63,"ecli":64,"caseNumber":6,"courtId":7,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":65,"language":12,"source":13,"sourceUrl":66,"summary":6,"slug":67,"metadata":68},"418","ECLI:NL:RBDHA:2026:18726","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Rotterdam\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL26.36068uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n\n [naam eiser] , eiser\n\nV-nummer: [V-nummer]\n\n(gemachtigde: mr. J.S. Dobosz),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, verweerder\n\n(gemachtigde: mr. C. van der Zijde).\n\nSamenvatting\n\n1. Deze uitspraak gaat over de maatregel van vreemdelingenbewaring die aan eiser is opgelegd. Deze maatregel is opgelegd op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser is het niet eens met die maatregel. Hij voert daartegen een beroepsgrond aan. Onder meer aan de hand van deze beroepsgrond beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van die maatregel en de vraag of aan eiser een schadevergoeding moet worden toegekend.\n\n1.1.. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep gegrond is. Het opleggen van de maatregel van vreemdelingenbewaring is onrechtmatig. De rechtbank kent daarom een schadevergoeding toe. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.\n\n1.2.. In deze uitspraak gebruikt de rechtbank de volgende afkortingen voor de wet- en regelgeving:\n\nAwb: Algemene wet bestuursrecht\n\nVw: Vreemdelingenwet 2000\n\nVb: Vreemdelingenbesluit 2000\n\nProcesverloop\n\n2. Met het bestreden besluit van 29 juni 2026 heeft verweerder aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.\n\n2.1.. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.\n\n2.2.. De rechtbank heeft het beroep op 7 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, K.A. Ozdzinska als tolk en de gemachtigde van verweerder.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\nToetsingskader\n\n3. Verweerder kan als het belang van de openbare orde of de nationale veiligheid dat vordert, de vreemdeling die geen rechtmatig verblijf heeft in vreemdelingenbewaring stellen.Verweerder stelt een vreemdeling slechts in vreemdelingenbewaring, voor zover geen minder dwingende maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast en de vreemdelingenbewaring blijft achterwege of wordt beëindigd, indien deze niet langer noodzakelijk is met het oog op het doel van de vreemdelingenbewaring.Deze vreemdeling kan in vreemdelingenbewaring worden gesteld op grond dat het belang van de openbare orde of nationale veiligheid zulks vordert, indien a) een onderduikrisico bestaat, of b) de vreemdeling de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert.De maatregel kan alleen worden opgelegd wegens het bestaan van een onderduikrisico, indien ten minste twee van de gronden, genoemd in artikel 5.6, tweede lid, van het Vb zich voordoen.\n\nGronden\n\n4. Eiser heeft de gronden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd niet bestreden. De gronden, die de ambtshalve toetsing van de rechtbank doorstaan, zijn tezamen voldoende om de maatregel van bewaring te kunnen dragen.\n\nRechtmatig verblijf\n\n5. Eiser heeft aangevoerd dat er sprake is van een rechtmatig verblijf van eiser in Nederland op grond van artikel 7 van de Richtlijn 2004\u002F38\u002FEG. Eiser is een maand voorafgaand aan de onderhavige zaak opgehouden op 3 juni 2026. Hij heeft ter onderbouwing het proces-verbaal van ophouding overgelegd. Op deze dag is onderzoek gedaan naar de arbeidssituatie van eiser. Gebleken is dat eiser arbeid verricht voor een Nederlands uitzendbureau en beschikte over een arbeidscontract. Eiser is vervolgens heengezonden wegens bestendig verblijf. Verweerder kon ten aanzien van de onderhavige maatregel van bewaring op 29 juni 2026 niet zonder meer terugvallen op het standpunt dat sprake is van voortgezet onrechtmatig verblijf. Dit is onverenigbaar met de bevinding op 3 juni 2026. De maatregel van bewaring is dan ook onvoldoende zorgvuldig voorbereid en onvoldoende gemotiveerd.\n\n5.1.. Verweerder heeft aan de maatregel ten grondslag gelegd dat eiser geen rechtmatig verblijf in Nederland heeft, nu zijn verblijfsrecht als Unieburger bij beschikking van 6 maart 2025 is beëindigd. De rechtbank stelt voorop dat de enkele omstandigheid dat het verblijfsrecht van een Unieburger eerder is beëindigd, niet zonder meer meebrengt dat deze op een later moment geen rechten meer aan het Unierecht kan ontlenen. Indien sprake is van gewijzigde feiten en omstandigheden dient verweerder de verblijfsrechtelijke positie van de betrokkene opnieuw te beoordelen alvorens tot het oordeel te komen dat hij geen rechtmatig verblijf heeft.\n\n5.2.. De rechtbank oordeelt als volgt. In de maatregel van bewaring is vermeld dat eiser heeft verklaard werkzaam te zijn voor een Nederlands uitzendbureau en dit ook heeft aangetoond, dat eiser werkzaam is in België waar hij ook wordt voorzien van woonruimte door de werkgever en dat hij in België mag verblijven. Naar het oordeel van de rechtbank vormen deze omstandigheden concrete aanwijzingen dat de feitelijke situatie van eiser sinds de beschikking van 6 maart 2025 is gewijzigd. Van verweerder mocht daarom worden verwacht dat hij kenbaar zou onderzoeken welke betekenis deze gewijzigde omstandigheden hebben voor de actuele verblijfsrechtelijke positie van eiser. Uit de maatregel van bewaring, het gehoor voorafgaand aan deze maatregel en de overige stukken in het dossier is niet gebleken dat een dergelijk onderzoek heeft plaatsgevonden. Daarbij betrekt de rechtbank dat uit het proces-verbaal van ophouding van eiser op 3 juni 2026 blijkt dat eiser is heengezonden, omdat sprake was van ‘mogelijk bestendig verblijf’. Uit het proces-verbaal van verhoor op die dag blijkt dat het werken voor een Nederlands uitzendbureau hier ook aan de orde is geweest. Vervolgens wordt nog geen maand later in de onderhavige maatregel van bewaring zonder kenbare motivering aangenomen dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft. Niet valt in te zien waarom verweerder er zonder nader onderzoek van uit heeft kunnen gaan dat eiser geen aan het Unierecht ontleend verblijfsrecht had. De motivering dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft, is onder deze omstandigheden onvoldoende draagkrachtig. Gelet hierop is de maatregel in strijd met artikel 3:2 en 3:46 van de Awb tot stand gekomen en is dan ook onrechtmatig. Deze beroepsgrond slaagt.\n\nConclusie en gevolgen\n\n6. Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is gegrond. Deze maatregel is vanaf het moment van het opleggen daarvan onrechtmatig. De rechtbank beveelt de opheffing van deze maatregel met ingang van vandaag.\n\n6.1.. Op grond van artikel 106 van de Vw kan de rechtbank indien zij de opheffing van de maatregel van vreemdelingenbewaring beveelt aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen. De rechtbank acht gronden aanwezig om een schadevergoeding toe te kennen voor 10 dagen onrechtmatige (tenuitvoerlegging van de) vreemdelingenbewaring ten bedrage van 0 x € 160,- (verblijf politiecel) en 10 x € 120,- (verblijf detentiecentrum) = € 1.200,-.\n\n6.2.. Eiser krijgt een vergoeding van zijn proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- omdat de gemachtigde van eiser geacht wordt beroep te hebben ingesteld en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep gegrond;\n\n- veroordeelt de Staat der Nederlanden tot het betalen van € 1.200,- aan schadevergoeding aan eiser, te betalen door de griffier en beveelt de tenuitvoerlegging van deze schadevergoeding;\n\n- beveelt de opheffing van de maatregel van vreemdelingenbewaring met ingang van vandaag;\n\n- veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiser.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. S.N. Abdoelkadir, rechter, in aanwezigheid van mr. M. Stehouwer, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.\n\n Het beroep tegen een maatregel van bewaring wordt ook aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding. Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 59c van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 5.5 van het Vb.\n\n Dit volgt uit artikel 5.6, eerste lid, van het Vb.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18726","ecli-nl-rbdha-2026-18726",{"courtName":8,"legalDomain":61,"decisionType":18,"procedureType":19}]