[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"decision-ecli-nl-rbrot-2026-4563":3,"decision-more-ecli-nl-rbrot-2026-4563":20},{"id":4,"ecli":5,"caseNumber":6,"courtId":7,"courtName":8,"courtSlug":9,"decisionDate":10,"fullText":11,"language":12,"source":13,"sourceUrl":14,"summary":6,"slug":15,"metadata":16},"1782","ECLI:NL:RBROT:2026:4563","",61,"Rotterdam","rotterdam","2026-04-03T00:00:00.000Z","RECHTBANK ROTTERDAM\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummers: ROT 24\u002F10183 en ROT 24\u002F10245\n uitspraak van de meervoudige kamer van 3 april 2026 in de zaken tussenROT 24\u002F10183\n\n [ eiser 1] , [eiser 1A] , [eiser 1B] , [eiser 1C] , [eiser 1D] , [eiser 1E] , [eiser 1F] en [eiser 1G], uit [plaats 1] , eisers 1\n\n(gemachtigde: mr. J. van Groningen),\n\nROT 24\u002F10245\n\n [eiser 2] en [eiser 2A] ( [bedrijf 2] ), eisers 2,\n\n(gemachtigde: [naam gemachtigde] ),\n\ntezamen aangeduid als: eisers\n\nen\n\nhet college van burgemeester en wethouders van Zwijndrecht, het college\n\n(gemachtigde: mr. H. Dierkx),\n\nen\n\nhet college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland, gedeputeerde staten,\n\n(gemachtigde: mr. K. Giezeman).\n\nAls derde-partij neemt aan de zaken deel: [vergunninghoudster] . uit [plaats 2] (vergunninghoudster)\n\n(gemachtigde: mr. J. van Eekeren).\n\nSamenvatting\n\n1. Deze uitspraak gaat over de verlening van een omgevingsvergunning voor een zonnepark voor de duur van 25 jaar nabij het rangeerterrein Kijfhoek in Zwijndrecht. Gedeputeerde staten hebben hiervoor ontheffing verleend van de Zuid-Hollandse Omgevingsverordening. Zij betwisten de door gedeputeerde staten verleende ontheffing. Ook betogen zij dat er ten onrechte niet aan de zonneladder is getoetst. Verder betogen zij dat het project niet voldoet aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties, en hun woon- en leefklimaat onvoldoende is meegewogen. Eisers vinden ook dat het college niet heeft voldaan aan de plicht tot participatie. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de omgevingsvergunning.\n\n1.1.. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is.Dit betekent dat de omgevingsvergunning in stand blijft.\n\nProcesverloop\n\n2. Met het besluit van 3 oktober 2024 (het bestreden besluit) heeft het college de omgevingsvergunning zoals beschreven onder 1 verleend.\n\n2.1.. Eisers hebben beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.2.2.. Het college heeft op de beroepen gereageerd met een verweerschrift. Vergunninghoudster heeft ook schriftelijk gereageerd.2.3.. Eisers hebben op 14 januari 2026 een aanvullend beroepschrift ingediend met bijlagen.\n\n2.4.. De rechtbank heeft de beroepen op 28 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: namens eisers 1, [eiser 1C] en [eiser 1F] en hun gemachtigde, eisers 2 en hun gemachtigde, de gemachtigde van het college, de gemachtigde van gedeputeerde staten en de gemachtigde van vergunninghoudster.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\nTotstandkoming van het bestreden besluit\n\n3. Vergunninghoudster is een samenwerking tussen Eneco, Novar en Drechtse Energie en wil een zonnepark realiseren ten noorden van het rangeerterrein de Kijfhoek. Het project heeft betrekking op de volgende kadastrale percelen, gemeente Zwijndrecht, sectie [sectienaam 1] , nummers [perceenummer] , [perceelnummer 1] [perceelnummer 2] [perceelnummer 3] , [perceelnummer 4] , [perceelnummer 5] , [perceelnummer 6] , [perceelnummer 7] , [perceelnummer 8] , [perceelnummer 9] , [perceelnummer 10] , [perceelnummer 11] , [perceelnummer 12] , [perceelnummer 13] en gemeente Heerjansdam, sectie [sectienaam 2] , nummers [perceelnummer 14] (gedeeltelijk), [perceelnummer 15] , [perceelnummer 16] en [perceelnummer 17] (de percelen). Het zonnepark heeft een totale oppervlakte van ongeveer 43 hectare. Binnen het hekwerk van het zonnepark (33 hectare) wordt 20,1 hectare aan zonnepanelen geplaatst.\n\n3.1.. De locatie van het zonnepark is opgenomen in de Regionale Energiestrategie Drechtsteden (RES 1.0), die is vastgesteld door meerdere bestuursorganen, waaronder de gemeenteraad van Zwijndrecht (de raad) en provinciale staten van Zuid-Holland. Dit beleidsdocument vloeit weer voort uit het Nederlandse Klimaatakkoord. In het Klimaatakkoord staat hoe Nederland de afspraken uit de klimaatovereenkomst van Parijs nationaal uit gaat werken. Eén van de afspraken in het Klimaatakkoord is dat Nederland wordt opgedeeld in 30 regio’s. Alle regio’s hebben de taak om te onderzoeken hoe en waar ze het best duurzame elektriciteit op land (zon en wind) kunnen opwekken, welke warmtebronnen ze kunnen gebruiken om aardgas te vervangen en wat er nodig is om deze duurzame energie te kunnen opslaan en transporteren. Drechtsteden is één van de 30 energieregio’s.\n\n3.2.. Op 1 januari 2024 is de Omgevingswet (Ow) in werking getreden. Met de inwerkingtreding van deze wet heeft elke gemeente direct een omgevingsplan van rechtswege dat regels geeft over de fysieke leefomgeving voor het gehele grondgebied van de gemeente. Ter plaatse van de percelen geldt het Omgevingsplan gemeente Zwijndrecht (het omgevingsplan). Dat omgevingsplan bestaat voor nu uit een tijdelijk deel, waarin onder meer alle bestemmingsplannen zijn opgenomen die vóór 1 januari 2024 golden.Op de percelen was voor zover relevant vóór 1 januari 2024 het bestemmingsplan “Buitengebied” van kracht. Dit bestemmingsplan maakt dus onderdeel uit van het tijdelijk deel van het omgevingsplan. De percelen hebben voor zover relevant de enkelbestemming “Agrarisch” (artikel 3 van de planregels).\n\n3.3.. Op de percelen is tevens de Zuid-Hollandse Omgevingsverordening (ZHOV) van toepassing. De percelen zijn aangewezen als “Groene Buffer” (beschermingscategorie 2).\n\n3.4.. Het college heeft een omgevingsvergunning verleend voor een omgevingsplanactiviteit, bestaande uit een buitenplanse omgevingsplanactiviteit, bouwactiviteit en uitvoeren van een werk, niet zijnde een bouwwerk, of werkzaamheid.\n\n3.5.. De omgevingsvergunning is voorbereid met toepassing van de uniforme openbare voorbereidingsprocedure. De raad heeft een positief bindend advies afgegeven. Gedeputeerde staten hebben ontheffing verleend van de ZHOV.\n\nToetsingskader\n\n4. De wettelijke regels en beleidsregels die van belang zijn voor deze zaak, staan in de bijlage bij deze uitspraak.\n\nOntvankelijkheid4.1.. Vergunninghoudster heeft gesteld dat eisers niet-ontvankelijk dienen te worden verklaard, zonder dit standpunt te onderbouwen. De rechtbank ziet geen aanleiding vergunninghoudster hierin te volgen, zodat eisers in hun beroepen worden ontvangen.\n\nGoede procesorde\n\n5. Het college heeft de rechtbank verzocht om het aanvullende beroep van eisers 2 buiten beschouwing te laten wegens strijd met de goede procesorde.\n\n5.1.. Gelet op de beperkte omvang van het aanvullend beroepschrift, waarbij enkele gronden aan het beroepschrift van 14 november 2024 zijn toegevoegd, en de inhoudelijke reacties die partijen op de zitting hebben kunnen geven, heeft de rechtbank, zoals reeds op de zitting beslist, geen aanleiding gezien om het aanvullend beroepschrift buiten beschouwing te laten wegens strijd met de goede procesorde.\n\nGroene Buffer\n\n6. Eisers 1 betogen dat de verlening van een ontheffing door gedeputeerde staten niet betekent dat de ontheffing rechtmatig is verleend. Het college heeft bij gebruikmaking van de ontheffing een eigen verantwoordelijkheid. Het college moet beoordelen of de ontheffing rechtmatig is verleend. Volgens eisers 1 hadden gedeputeerde staten de ontheffing niet mogen verlenen en raakt dit de omgevingsvergunning.\n\n6.1.. Op grond van artikel 8.0b, eerste lid, onder b, van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) zijn, voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een buitenplanse omgevingsplanactiviteit, de regels van de ZHOV die zien op omgevingsplannen van toepassing.In dit geval is het project in strijd met artikel 7.43b, tweede lid, en artikel 7.43k van de ZHOV. Op verzoek van het college hebben gedeputeerde staten een ontheffing verleend.Op grond van artikel 16.85, eerste lid, van de Ow wordt voor de mogelijkheid van beroep een besluit tot het verlenen van een ontheffing op grond van artikel 2.32 van de Ow geacht deel uit te maken van het besluit waarover de regel waarvan ontheffing is verzocht, is gesteld.\n\n6.2.. Geen rechtsregel schrijft voor dat het college moet motiveren waarom hij gebruikmaakt van een door hem aangevraagde provinciale ontheffing. Wel kan de rechtmatigheid van de verleende ontheffing in het kader van de procedure over de omgevingsvergunning worden getoetst. Eisers (hebben) kunnen reageren op de ontheffing via de zienswijze- en beroepsprocedure. Gedeputeerde staten gaan op grond van artikel 7.82 van de ZHOV over de (motivering van de) verleende ontheffing. Het college heeft hierin geen eigen bevoegdheid.\n\n6.3.. Eisers kunnen zich niet vinden in de motivering van de verleende ontheffing. Eisers 2 voeren daartoe aan dat het gaat om een grootschalige transformatie en dat dit het karakter van de “Groene Buffer” aantast. Eisers 1 voeren aan dat de ontwikkeling van het zonnepark niet aansluit bij de kwaliteiten die horen bij de “Groene Buffer”. De biodiversiteit onder de zonnepanelen mag niet afnemen, maar doet dit wel. In ieder geval ontbreekt een gemotiveerde onderbouwing van dat standpunt. Er wordt juist een grote inbreuk gemaakt op de omgevingskwaliteit en in plaats van groen komt er 20 hectare aan zonnepanelen te liggen. Het open laten van 21 hectare en ecologisch inrichten maakt het zonnepark nog niet passend. Zonder zonnepanelen zou de “Groene Buffer” meer gediend zijn. Het ecologisch inrichten houdt ook slechts in dat er struweel wordt gerealiseerd en wordt voorzien in de aanleg van natuurvriendelijke oevers. Daarvoor wordt 20 hectare open grond ingeleverd. Daarnaast is nu al sprake van natuurvriendelijke oevers. Wel degelijk bevat het bestaande gebied de kwaliteiten die horen bij het karakter van een “Groene Buffer”. Dat het zonnepark juist (contrast)kwaliteiten toevoegt aan het gebied achten eisers onbegrijpelijk. Gedeputeerde staten laten ook na dit van een nadere onderbouwing te voorzien.\n\n6.4.. Tussen partijen is niet in geschil dat het project een grootschalige ontwikkeling is in gebiedstype “beschermingsniveau 2, Groene Buffer”. Verder is niet in geschil dat een zonnepark van deze omvang, verspreid over drie deelgebieden aan de Langeweg niet past binnen de bestaande gebiedsidentiteit van het gebied en daarom wordt beschouwd als “transformeren”. Grootschalige ontwikkeling en transformeren zijn in strijd met respectievelijk artikel 7.43b, tweede lid, en artikel 7.43k van de ZHOV.\n\n6.5.. Voorop staat dat, gelet op artikel 7.82 van de ZHOV, gedeputeerde staten ontheffing kunnen verlenen van afdeling 7.3, waar onder meer de artikelen 7.43b en 7.43k van de ZHOV onder vallen. Dat betekent dat een grootschalige ontwikkeling die het gebied transformeert, in dit geval een zonnepark, mogelijk gemaakt kan worden in de “Groene Buffer”. Een ontheffing moet wel goed worden gemotiveerd. De rechtbank oordeelt op basis van de stukken en het verhandelde op zitting dat gedeputeerde staten het besluit tot ontheffing voldoende hebben gemotiveerd. Daartoe wordt het volgende overwogen. Gedeputeerde staten hebben toegelicht dat het project aansluit bij de kwaliteiten die horen bij de “Groene Buffer”. Dat sprake is van een grootschalige ontwikkeling en transformeren staat hier niet aan in de weg. Gedeputeerde staten hebben ter onderbouwing van hun standpunt het navolgende aangevoerd. Het gebied heeft in de bestaande situatie beperkt de kwaliteiten die horen bij het karakter van een “Groene Buffer”, vanwege het intensieve agrarische gebruik en gebrek aan natuur- en recreatiewaarden. Door de realisatie van brede natuurzones, groenblauwe structuren en de aanzet van het kavelpatroon voegt het project (contrast)kwaliteiten toe aan het gebied die passen bij een “Groene Buffer”. Het belang achter het verbod op transformeren en grootschalige ontwikkelingen in de “Groene Buffer”, namelijk de bescherming van de functie van het gebied als stedelijke tegenhanger, wordt daarom niet geschaad. Verder achten gedeputeerde staten van belang dat er sprake is van een omgevingsfonds, waarmee ruimte wordt geboden aan projecten\u002Finitiatieven van bijvoorbeeld natuurverenigingen of andere organisaties op het gebied van energiebesparing, duurzame energie of verbetering van de leefbaarheid, om zodoende de recreatieve, landschappelijke of natuurwaarde van de “Groene Buffer” te verbeteren. Dit is conform het PARK-advies “Advies over zonnevelden Kijfhoek” van 31 oktober 2023 en de H+N+S-studie naar de inrichting van het gebied Kijfhoek. Ook hechten gedeputeerde staten belang aan het feit dat provinciale staten de RES 1.0 hebben vastgesteld, waarin de locatie Kijfhoek is aangewezen als uitwerkingsgebied voor de opwekking van grootschalige zonne-energie. Met de omgevingsvergunning wordt invulling gegeven aan de taak van nationale reductiedoelstellingen om globale klimaatverandering tegen te gaan. Hier zijn nationale en internationale belangen bij betrokken. Strikte toepassing van de artikelen 7.43b, tweede lid, en 7.43k van de ZHOV zouden deze taak onevenredig belemmeren, waardoor voldoende grond bestaat om ontheffing te verlenen voor deze artikelen op basis van artikel 7.82 van de ZHOV in samenhang met artikel 2.32, vijfde lid, van de Ow. In wat eisers hebben aangevoerd, ziet de rechtbank geen aanleiding om aan de motivering van gedeputeerde staten te twijfelen. 6.6. Het college kon dan ook de ontheffing mede aan de verleende omgevingsvergunning ten grondslag leggen.\n\nRES 1.0a en de zonneladder\n\n7. Eisers betogen dat de zonneladder, zoals weergegeven in de Kamerbrief van 26 oktober 2023 (Kamerstukken II2023\u002F24, 32813, nr. 1310), van toepassing is. Er ontbreekt echter een rapport van onderzoek naar treden 1, 2 en 3 van de zonneladder. Trede 1 houdt in dat er eerst gekeken moet worden naar mogelijkheden voor panelen op daken en gevels. Treden 2 en 3 houden in dat er daarna gekeken moet worden naar gronden binnen en buiten bestaand bebouwd gebied. Het plaatsen van zonnepanelen op landbouw- en natuurgronden komt pas aan de orde als de voorgaande treden niet voldoende mogelijkheden bieden. Er is geen sprake van een combinatie van een substantiële agrarische functie met een zonnepark. De agrarische functie van het gebied komt zelfs in het geheel te vervallen. Daarnaast is geen sprake van bestuurlijk bindende afspraken die in transitie zijn, zoals bijvoorbeeld gronden die in de toekomst een andere bestemming krijgen, zoals een woon-werk-bestemming, recreatie of overgang naar natuur of gronden die minder geschikt worden voor een landbouwfunctie door verzilting, vernatting of bodemdaling. Dit alles maakt volgens eisers dat de gekozen locatie niet voldoet aan de eisen die aan de vestiging van een zonnepark (moeten) worden gesteld. Voorts draagt de aanleg van het zonnepark niet betekenisvol bij aan de vermindering van de netcongestie en zorgt deze ook niet voor vergroting van een efficiënter netwerkgebruik (netneutraal). Het zonnepark vergroot de netcongestie juist. Ten tijde van de Kamerbrief was het project, anders dan het college stelt, niet in een vergevorderd stadium.\n\n7.1.. De rechtbank stelt vast dat in de ZHOV geen zonneladder, zoals eisers hebben omschreven, is opgenomen. Wel geeft artikel 7.76a van de ZHOV regels indien sprake is van een zonneveld buiten bestaand stads- en dorpsgezicht, zoals hier aan de orde is. Met de RES 1.0 is de locatie Kijfhoek aangewezen als uitwerkingsgebied voor de opwekking van grootschalige zonne-energie. In de RES is getoetst aan een vorm van zonneladder. Daarmee wordt voldaan aan artikel 7.76a, derde lid, van de ZHOV. Dat de door eisers aangehaalde Kamerbrief van 26 oktober 2023 de zonneladder heeft aangescherpt, maakt, wat daar verder van zij, gelet op voorgaande niet dat het college hier aan had moeten toetsen.\n\nEvenwichtige toedeling van functies aan locaties\n\n8. Eisers betogen dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het bouwplan voldoet aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Het college heeft onvoldoende onderzoek gedaan en het bestreden besluit onvoldoende gemotiveerd. Daartoe hebben eisers een aantal deelonderwerpen aangevoerd.\n\n8.1.. In de navolgende overwegingen wordt per deelonderwerp uitgewerkt of het college zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het bouwplan voldoet aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.\n\n8.2.. Daarbij geldt het volgende toetsingskader. Op grond van artikel 8.0a, tweede lid, van het Bkl wordt, voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een buitenplanse omgevingsplanactiviteit, de omgevingsvergunning alleen verleend met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Het college komt bij de beslissing om al dan niet toepassing te geven aan de hem toegekende bevoegdheid om in afwijking van het omgevingsplan een omgevingsvergunning te verlenen, beleidsruimte toe en moet de betrokken belangen afwegen. De rechtbank oordeelt daarom niet zelf of verlening van de omgevingsvergunning in overeenstemming is met een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. De rechtbank beoordeelt aan de hand van de gronden van eisers of het besluit in overeenstemming is met het recht. Daarbij kan aan de orde komen of de nadelige gevolgen van het besluit onevenredig zijn in verhouding tot de met de verlening van de omgevingsvergunning te dienen doelen.\n\nLandschappelijke kwaliteit en inpassing\n\n9. Eisers voeren aan dat het bouwplan zorgt voor een aantasting van het nu groene open gebied. Eisers 2 vinden dat onvoldoende rekening is gehouden met hun woonboerderij die als gemeentelijk monument is aangewezen. Eisers 1 vinden dat het college onvoldoende heeft gemotiveerd waarom er wordt afgeweken van het vigerend planologisch regime, waar het kleinschalige karakter van het buitengebied moet worden behouden en het landschap zo open mogelijk moet blijven. Eisers 1 menen hier rechten aan te kunnen ontlenen. Verder vinden zij dat met de rapporten die aan de ruimtelijke onderbouwing ten grondslag liggen nog niet is gezegd dat het bouwplan ruimtelijk aanvaardbaar is. Ook de onderbouwing in bijlage C, onder 2.c van het bestreden besluit, is onvoldoende. Dat het financiële risico is afgedekt met een anterieure overeenkomst kan geen motivering zijn voor een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Volgens eisers is het project geen kwaliteitsimpuls voor het gebied. De zonnepanelen zijn 2.20 meter hoog en passen niet in het agrarisch buitengebied, waar kassen, kleine bedrijfjes en woningen staan. De lintbebouwing met open zicht wordt teniet gedaan. Dit zal de landschappelijke kwaliteit en de ecologische waarden van het gebied aantasten. De focus ligt enkel op energietransitie en niet op omgevingskwaliteit. Eisers vrezen voor een aantasting van hun woon- en leefklimaat.\n\n9.1.. De rechtbank oordeelt allereerst dat het betoog van het college dat artikel 8:69a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) (het relativiteitsvereiste) in de weg staat aan een succesvol beroep van eisers op de aantasting van de landschappelijke kwaliteit door het project, niet slaagt. De rechtbank ziet niet in waarom eisers zich in het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties niet op de landschappelijke kwaliteit van het project kunnen beroepen (zie ook de overzichtsuitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 11 november 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2706, rechtsoverweging 10.2). Eisers wonen aan de Langeweg in de nabijheid van het project en de landschappelijke kwaliteit van het project raakt aan hun belangen.\n\n9.2.. Voorop staat dat op grond van artikel 8.0a, tweede lid, van het Bkl een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit wordt verleend met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Dat eisers 1 stellen rechten te kunnen ontlenen aan het bestaande omgevingsplan betekent niet dat het college niet mag afwijken van het omgevingsplan. Het college moet wel beoordelen of het project voldoet aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Hiertoe ligt aan het bestreden besluit een ruimtelijke onderbouwing met bijlagen ten grondslag. Anders dan eisers veronderstellen kan de ruimtelijke onderbouwing en alle bijlagen als motivering dienen voor een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Dat is hier ook het geval zoals blijkt uit het bestreden besluit, maar ook uit de zienswijzenota waarin het college verwijst naar de ruimtelijke onderbouwing en de bijlagen. Dat het college in het bestreden besluit een opmerking heeft gemaakt over de anterieure overeenkomst doet daar verder niet aan af. Het college stelt op basis van de ruimtelijke onderbouwing en de bijlagen dat de landschappelijke kwaliteit en ecologische waarden met het project toenemen. In paragraaf 2.3.2 van de ruimtelijke onderbouwing wordt verwezen naar het landschappelijk inpassingsplan, dat als bijlage 7 bij de ruimtelijke onderbouwing is gevoegd. In paragraaf 2.3.3 van de ruimtelijke onderbouwing is toegelicht dat met het project de watergangen langs de Langeweg en langs de randen van de zonnevelden worden voorzien van natuurvriendelijke oevers. Verder worden er inheemse struwelen aangeplant. Bij het west- en oostveld worden grondwallen gerealiseerd van 1,80 meter boven het maaiveld wat in hoogte gelijk ligt aan de eerste paar rijen van zonnepanelen. Boven op de grondwal komt kruidenrijk gras te staan. Hiermee worden westelijke en oostelijke velden grotendeels aan het zicht ontnomen, en is het aanzicht vanaf de Langeweg een groene grondwal, met daarvoor een natuurvriendelijke watergang. De woonboerderij van eisers 2, die als gemeentelijk monument is aangewezen, ligt op enige afstand van het zonnepark en de landschappelijke inpassing maakt dat het zonnepark grotendeels aan het zicht is onttrokken. Tot slot wordt er een natuurakker en ecologisch gebied gerealiseerd. Dat eisers een andere mening hebben over de ruimtelijke inpasbaarheid van het project en de kwaliteit daarvan betekent niet dat het college goedkeuring aan het project had moeten onthouden. Het betoog van eisers slaagt niet.\n\nZicht op het zonnepark\n\n10. Eisers 1 betogen dat hun uitzicht wordt aangetast. Met het project kijken zij uit op een aarden wal en zonnepanelen in plaats van een open agrarisch veld. Verder geldt specifiek voor het perceel van eiser [eiser 1C] dat de afstand van 250 meter tot het project, zoals gewaarborgd in de RES 1.0, niet wordt nagekomen. Met de RES 1.0a is de afstand van 250 meter van de zonnepanelen tot de achtergevel van woningen kleiner geworden en de afstand van 250 meter van de zonnepanelen tot de zijkant van woningen is komen te vervallen. Het zonnepark komt te dicht op het perceel van [eiser 1C] te staan. Er is dus geen sprake van een goede ruimtelijke inpassing. De openheid wordt blijvend aangetast en de afstand van 250 meter zou behouden moeten blijven.\n\n10.1.. De rechtbank acht het aannemelijk dat het uitzicht van eisers als gevolg van het te realiseren zonnepark in enige mate verandert en zal worden beperkt. Deze effecten zijn echter niet van dien aard dat het college daar gelet op het belang van het zonnepark doorslaggevende betekenis aan had moeten toekennen. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat het project landschappelijk wordt ingepast waarvan de uitvoering is geborgd in de vergunningvoorschriften. Met de grondwallen en het struweel wordt het zicht op de zonnepanelen ontnomen. Er is geen aarden wal aan de zijkant gekomen om zo het open zicht te behouden richting het rangeerterrein. Verder is van belang dat er geen recht op blijvend vrij uitzicht bestaat. Voor wat betreft het uitzicht van [eiser 1C] overweegt de rechtbank als volgt. In de RES 1.0 staat dat direct achter de woningen aan de Langeweg minimaal een afstand van 250 meter vrij zicht over de polder moet blijven. Anders dan eisers 1 veronderstellen leidt de rechtbank uit de RES 1.0 niet af dat deze afstand ook tot de zijkant van de woningen geldt. Dat achter de woningen een afstand van 250 meter vrij zicht over de polder in acht dient te worden genomen, betekent niet dat het college met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties hiervan niet kan afwijken. Het college heeft daarbij de landschappelijke inpassing van het zonnepark mogen betrekken. Het betoog van eisers slaagt niet.\n\nPrivacy\n\n11. Eisers 2 betogen dat hun privacy wordt aangetast, omdat er beweegbare camera’s op acht meter hoge palen worden geplaatst. Eisers willen een zorgboerderij beginnen en het project zal de privacy aantasten.\n\n11.1.. Dit betoog slaagt niet. Uit de stukken en het verhandelde op zitting blijkt dat de aanwezigheid van camera’s noodzakelijk is om het zonnepark te kunnen bewaken, te voldoen aan de voorwaarden van verzekeraars en om (samen met het hek rondom het park) preventief te werken tegen criminaliteit en vandalisme. Gezien het doel van de camera's, zullen deze volgens vergunninghoudster alleen gericht zijn op het terrein van het zonnepark en niet op de gronden van eisers 2. Verder zal, zoals door de vergunninghoudster op zitting is toegelicht, worden voldaan aan alle regels die voortvloeien uit de privacywetgeving, die onder andere het maken van beelden van percelen van derden verbiedt. De rechtbank oordeelt dat het college in redelijkheid tot de conclusie heeft kunnen komen dat de privacy van eisers 2 niet onaanvaardbaar wordt aangetast. Het college hoefde hier dan ook geen beletsel voor het verlenen van de omgevingsvergunning in te zien en was evenmin gehouden nadere voorschriften te stellen.\n\nAkoestisch effect zonnepark\n\n12. Eisers 2 betogen dat zij geluidsoverlast zullen ondervinden van het project, omdat de zonnepanelen een akoestisch effect hebben op het geluid afkomstig van het rangeerterrein. Verder dragen de transformatoren bij aan het al bestaande geluid afkomstig van het rangeerterrein.\n\n12.1.. De rechtbank stelt vast dat het akoestisch effect van het zonnepark en de transformatoren bij het bestreden besluit is betrokken. Met het rapport “akoestisch onderzoek mogelijke effecten geluidreflectie zonnepark Kijfhoek” van 16 november 2023, dat als bijlage 10 bij de ruimtelijke onderbouwing is gevoegd, is onderzoek gedaan naar het akoestisch effect van het zonnepark op de woningen aan de Langeweg. Worst-case is uitgegaan van huidig absorberend naar volledig reflecterend geluid door het zonnepark. Vanwege het resultaat in de worst-case benadering en een mogelijke toename van geluid die kleiner is dan 1,3 dB, is geconcludeerd dat er voor wat betreft het aspect geluid geen belemmering is.\n\n12.2.. Ook het geluid dat afkomstig is van de transformatoren is bij het bestreden besluit betrokken. Onder paragraaf 4.10 van de ruimtelijke onderbouwing staat dat de transformatorstations geluid veroorzaken. Er worden elf transformatorstations gebouwd. Gelet op de afstand tot de nabijgelegen woningen en het gegeven dat de transformator alleen actief is als er zon is, is het volgens de onderzoekers onaannemelijk dat de transformatorstations geluidsoverlast zullen veroorzaken.\n\n12.3.. In wat eisers 2 aanvoeren ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat het college zich niet op het onderzoeksrapport heeft kunnen baseren voor zijn standpunt dat er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Daarbij is ook van belang dat eisers 2 voor het aspect geluid geen tegenonderzoek hebben ingebracht.\n\nElektromagnetische straling\n\n13. Eisers 2 betogen dat zij bloot zullen worden gesteld aan elektromagnetische straling. De boomgaard dient te worden aangemerkt als een gevoelige locatie die direct naast het zonnepark ligt, omdat eisers 2 zich daar minimaal acht uur per dag bevinden.\n\n13.1.. Onder paragraaf 4.8 van de ruimtelijke onderbouwing is de elektromagnetische straling van de omvormers en transformatoren beschouwd. Voor elektromagnetische straling bij hoogspanningsmasten hanteert de overheid een voorzorgsprincipe, waarbij een grens wordt aangehouden van 0,4 micro Tesla (uT). Dit voorzorgsprincipe wordt ook gehanteerd bij een zonnepark, door de afstand van een zonnepark tot gevoelige functies zodanig te laten zijn dat de magnetische veldsterkte bij gevoelige bestemmingen niet boven die advieswaarde uitkomt. Uit het RIVM-Rapport “Verkenning van extreem laagfrequente magnetische velden bij verschillende bronnen” (RIVM-rapport 609300011\u002F2009) blijkt dat de magnetische veldsterkte van een transformatorstation 0,4 micro Tesla is op zeven meter afstand. Verder blijkt dat de magnetische veldsterkte sterk afneemt naarmate de afstand tot het transformatorstation toeneemt. De kortste afstand tussen de boomgaard en het transformatorstation is ca. 230 meter. De kortste afstand tussen de woning en het transformatorstation is ca. 390 meter. Gelet op het voorgaande oordeelt de rechtbank dat het college heeft mogen aannemen dat elektromagnetische straling van het zonnepark geen gezondheidsrisico vormt voor omwonenden.\n\nBrandveiligheid\n\n14. Eisers 2 voeren aan dat het project niet veilig is. Het ligt in de buurt van een rangeerterrein en de natuur is verwilderd. Er is dus volgens eisers een verhoogd risico op brand. Het college heeft ten onrechte enkel verwezen naar een advies van de Veiligheidsregio Zuid-Holland Zuid.\n\n14.1.. In paragraaf 4.13 van de ruimtelijke onderbouwing is de omgevingsveiligheid, waaronder de brandveiligheid, beschouwd. Hieruit blijkt dat voor brandgevaar bij de omvormers bij het zonnepark een noodschakelaar zal worden geplaatst, waarmee de spanning van het zonnepark gehaald kan worden. Naast de toegangspoorten zullen opstelplaatsen worden gerealiseerd. Er wordt een veiligheidsprotocol voor de veiligheidsdiensten opgesteld. Tevens wordt ervoor gezorgd dat bij calamiteiten de brandweer toegang heeft tot het park. De percelen zijn bereikbaar via de Langeweg, de Groene Steeg en de Munnikensteeg. Bij de inrichting van het zonnepark is rekening gehouden met onderhoudspaden. Via deze onderhoudspaden kunnen de transformatoren bereikt worden bij brand en andere calamiteiten. Met de Veiligheidsregio Zuid Holland is overleg geweest over het plan. Hieruit is gebleken dat de paden in het park minimaal 3,25 meter breed moeten zijn en geschikt voor blusvoertuigen met een gewicht van 11 ton. De entreeweg naar het parkdeel moet worden voorzien van passeerstroken of een minimale breedte hebben van 4,5 meter. Verder moet het park bereikbaar zijn van twee kanten. In het park moet elke plek op circa 80 meter bereikbaar zijn van een blusvoorziening (via een sloot met minimale diepte van één meter, brandput, via koppeling bestaande brandkraan-ringleiding of via een zelf aangelegd pompsysteem (per veld, capaciteit 90 m3) dat aansluit op de ringleiding). Het advies van de veiligheidsregio is overgenomen in het inrichtingsplan. Doordat de hoofdwatergang van het waterschap voldoende watercapaciteit heeft om te blussen, worden alle overige sloten ook verbreed en verdiept (tot ca. 1 meter) rondom het projectgebied. Ook worden blusputten aan het plan toegevoegd. Op deze manier is voor elk zonnepaneel bluswater bereikbaar binnen een straal van circa 80 meter.\n\n14.2.. Gelet op het voorgaande oordeelt de rechtbank dat het college in de brandveiligheid geen aanleiding heeft hoeven te zien om goedkeuring aan het project te onthouden.\n\nNetcongestie\n\n15. Eisers 1 betogen dat het bouwplan niet uitvoerbaar is, omdat er sprake is van netcongestie en een overbelast netwerk.\n\n15.1.. De rechtbank oordeelt ten eerste dat het betoog van het college dat het relativiteitsvereiste in de weg staat aan een succesvol beroep van eisers op de uitvoerbaarheid van het projectplan, voor zover dat ziet op netcongestie, niet slaagt. De rechtbank ziet niet in waarom eisers 1 zich in het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties niet op mogelijke netcongestie van het project zouden kunnen beroepen (zie ook de overzichtsuitspraak van de Afdeling van 11 november 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2706, overweging 10.2). Netcongestie kan eisers 1 raken in de gebruiksmogelijkheden van hun eigen perceel. Verder geldt dat ook voorkomen moet worden dat eisers worden geconfronteerd met de nadelige ruimtelijke gevolgen van een bestemming die niet uitvoerbaar is. Dat betekent dat het beroep op artikel 8:69a van de Awb niet slaagt.\n\n15.2.. De rechtbank stelt vast dat de uitvoerbaarheidstoets, zoals voorheen opgenomen in artikel 3.1.6, onder f, van het Besluit ruimtelijke ordening, niet is teruggekomen in de Ow (Stb, 2018, 290, p. 105-106). Dit neemt niet weg dat het in strijd kan worden geacht met een evenwichtige functietoedeling als er functies zouden worden toegedeeld waarvan op voorhand aannemelijk is dat deze op de desbetreffende locatie nooit kunnen worden verwezenlijkt. Uit de toelichting op het Omgevingsbesluit (Stb, 2018, 290, p. 105-106) begrijpt de rechtbank dat de oude rechtspraak nog steeds van toepassing is. In het kader van een procedure tegen een omgevingsvergunning voor planologisch strijdig gebruik kan een betoog over de uitvoerbaarheid van het project alleen leiden tot vernietiging van het bestreden besluit indien, en voor zover, het aangevoerde leidt tot de conclusie dat het college op voorhand redelijkerwijs had moeten inzien dat het project niet kan worden uitgevoerd. Zie onder meer de uitspraak van de Afdeling van 8 februari 2017, ECLI:NL:RVS:2017:354.\n\n15.3.. Uit de stukken en het verhandelde op zitting blijkt dat netcongestie niet aan de uitvoerbaarheid van het project in de weg staat. Stedin is betrokken geweest bij de totstandkoming van de RES en heeft geconcludeerd dat er voldoende ruimte is op het netwerk voor het zonnepark. In wat eisers hebben aangevoerd ziet de rechtbank geen aanleiding om aan deze conclusie te twijfelen.\n\nPFAS en water- en grondmonster\n\n16. Eisers 2 betogen dat de aanwezigheid van poly- en perfluoralkylstoffen (PFAS) in de grond en het water aan de uitvoerbaarheid van het project in de weg staat. Er is ten onrechte geen onderzoek gedaan naar de aanwezigheid van PFAS. Ook stellen zij dat door de zonnepanelen PFAS in de grond komt.\n\n16.1.. Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat de aanwezigheid van PFAS niet aan de uitvoerbaarheid van het zonnepark in de weg kan staan omdat een zonnepark geen bodemgevoelig gebouw of locatie is. Bovendien volgt uit het bestreden besluit onder D en onder 7 dat de gemeten concentraties perfluoroctaanzuur (PFOA) en perfluoroctaansulfanaat (PFOS) op de percelen ruim onder de humane risicogrenzen liggen. De rechtbank ziet in wat eisers 2 hebben aangevoerd geen aanleiding om te twijfelen aan wat het college aan het bestreden besluit ten grondslag heeft gelegd. Over de stelling van eisers 2 dat PFAS in de grond kan komen via de zonnepanelen overweegt de rechtbank dat deze stelling niet nader is onderbouwd en ook overigens niet aannemelijk is geworden dat door (slijtage van) de zonnepanelen te hoge concentraties PFAS in de bodem zullen komen. Er is dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat het plan vanwege PFAS niet uitvoerbaar is.\n\nFlora- en fauna\n\n17. Eisers 2 betogen dat bij de QuickScan een buizerdnest over het hoofd is gezien. Het nest moet jaarrond beschermd blijven. De kans is volgens eisers 2 groot dat er nog meer beschermde diersoorten zitten. Het college heeft hier ten onrechte niet op gereageerd. Een onderzoek van 20 tot 30 minuten is onvoldoende om te beoordelen of er beschermde diersoorten aanwezig zijn. De dieren die gespot zijn, zullen hun toevlucht nemen tot de boomgaard.\n\n17.1.. De rechtbank stelt voorop dat het college in het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties moet motiveren waarom de flora- en fauna-activiteit niet op voorhand aan de uitvoerbaarheid van de omgevingsvergunning in de weg staat. Anders dan eisers 2 veronderstellen is het in dat kader niet noodzakelijk om uitvoerig onderzoek te doen naar soorten. Een QuickScan en een eventueel vervolgonderzoek is daarvoor voldoende.\n\n17.2.. Aan het bestreden besluit liggen, opgenomen als bijlage 6 en 7 bij de ruimtelijke onderbouwing, een QuickScan “flora en fauna zonnepark Zwijndrechtse Waard” van 23 maart 2024 en een vervolgonderzoek naar de grote modderkruiper, platte schijfhoren en kleine wolfsmelk van 14 november 2023 ten grondslag. Op 7 augustus 2023 is tussen 12.00 uur en 16.00 uur onderzoek uitgevoerd. Uit de QuickScan is gebleken dat niet uitgesloten is dat er nesten van vogels, als de buizerd, sperwer of ransuil aanwezig zijn in een rij populieren. De werkzaamheden vinden echter meer dan 200 meter van deze bomenrij plaats. Deze bomenrij zal behouden blijven en verder zal er op voldoende afstand gewerkt worden waardoor een negatief effect redelijkerwijs valt uit te sluiten. Als gevolg van de QuickScan is een vervolgonderzoek gedaan naar de grote modderkruiper, platte schijfhoren en kleine wolfsmelk. Dit onderzoek heeft plaatsgevonden op 12 en 24 oktober 2023 tussen omstreeks 10.00 uur en 15.30 uur. Daaruit blijkt dat geen van deze soorten zijn aangetroffen tijdens de veldbezoeken. Met de QuickScan en het vervolgonderzoek heeft het college naar het oordeel van de rechtbank kunnen concluderen dat geen sprake is van een flora-en fauna-activiteit die aan de (uitvoerbaarheid van de) gevraagde omgevingsvergunning in de weg staat.\n\nAlternatieve locaties\n\n18. Eisers 1 betogen dat niet is gekeken naar alternatieve locaties. Uit het onderzoeksrapport van Royal Haskoning DHV, dat is opgesteld voor de RES 1.0, blijkt dat de Kijfhoek beperkt geschikt is.\n\n18.1.. Het college moet beslissen op de aanvraag zoals deze voorligt. Op grond van vaste rechtspraak geldt dat als een project op zichzelf aanvaardbaar is, het bestaan van alternatieven alleen dan tot het onthouden van medewerking dwingt, indien op voorhand duidelijk is dat door de verwezenlijking van één of meerdere alternatieven een gelijkwaardig resultaat kan worden bereikt met aanmerkelijk minder bezwaren. Zie onder meer de uitspraak van de Afdeling van 26 maart 2025, ECLI:NL:RVS:2025:1299.\n\n18.2.. De rechtbank stelt vast dat met de RES 1.0 is gekeken naar geschikte locaties waar energie kan worden opgewekt. Uit de RES 1.0 blijkt dat de Kijfhoek een geschikte locatie is. Dat uit het onderzoeksrapport van Royal Haskoning DHV een andere conclusie zou volgen, doet daar niet aan af. Eisers 1 hebben geen alternatieve locaties aangedragen. De rechtbank is van oordeel dat het college de gekozen locatie als passend binnen het beleid heeft mogen achten.\n\nTijdelijk duur\n\n19. Eisers 2 betogen dat de duur van het project niet in redelijke verhouding staat tot de aantasting van het gebied. Door het project verlanden sloten, slibben drainagebuizen dicht, groeit onkruid, komt PFAS in de bodem en in het grondwater en kunnen knaagdieren een plaag vormen. De panelen, kabels, transformatoren, palen met camera’s en inkoopstations moeten na 25 jaar worden verwijderd. Kostbare landbouwgrond en de groene bufferzone gaan zo verloren.\n\n19.1.. Het college heeft gesteld dat de beoogde gebruiksduur van het zonnepark (25 jaar) een substantiële periode is die niet met zich brengt dat de omgevingsvergunning had moeten worden geweigerd. De levensduur van een zonnepark is 25 tot 30 jaar. Na 25 jaar moet weer worden bezien of het zonnepark kan worden doorgezet of dat er andere technieken voorhanden zijn die duurzame energie kunnen opwekken. De rechtbank oordeelt dat het college in redelijkheid tot een tijdelijke duur van 25 jaar heeft kunnen beslissen.\n\nConclusie evenwichtige toedeling van functies aan locaties\n\n20. Gelet op wat er onder 8 tot en met 19.1 is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat het college zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het bouwplan voldoet aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Er is geen strijd met het zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel.\n\nParticipatie en inspraak\n\n21. Eisers betogen dat er onvoldoende aan participatie is gedaan. De eigenaren van de woningen in de gemeente Hendrik Ido Ambacht zijn niet bij de keukentafelgesprekken betrokken. Ook de bewoners van de woningen in Zwijndrecht zijn onvoldoende geïnformeerd. Eisers voeren aan dat niet is voldaan aan het Klimaatakkoord waarin staat dat moet worden gestreefd naar 50% participatie van omwonenden en dat kan worden gerekend op voldoende draagvlak. Verder betogen eisers 1 dat niet is voldaan aan het Verdrag betreffende toegang tot informatie, inspraak in besluitvorming en toegang tot de rechter inzake milieuaangelegenheden, Aarhus, van 25 juni 1998 (Verdrag van Aarhus).\n\n21.1.. Onder de Ow dient bij de aanvraag om een omgevingsvergunning te worden aangegeven of burgers, bedrijven, maatschappelijke organisaties en bestuursorganen bij de voorbereiding van de aanvraag zijn betrokken (artikel 16.55, zesde lid, van de Ow in samenhang met artikel 7.4, eerste lid, van de Omgevingsregeling). Dit betekent niet dat er een verplichting tot participatie is. Op grond van artikel 16.55, zevende lid, van de Ow, kan de gemeenteraad echter gevallen van activiteiten aanwijzen waarin participatie van en overleg met derden verplicht is, voordat een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit, waarvoor het college bevoegd gezag is, kan worden ingediend.\n\n21.2.. Op grond van artikel 1 van de “Lijst van bindende adviezen op basis van de Omgevingswet tevens lijst van voorafgaande verplichte participatie” van de gemeente Zwijndrecht geldt verplichte participatie bij een aanvraag om een buitenplanse omgevingsplanactiviteit. Dit is tussen partijen niet in geschil. De wijze waarop of met wie die participatie moet plaatsvinden, staat niet in deze lijst. Dit betekent dat elke vorm van participatie voldoende is. Anders dan eisers 2 veronderstellen blijkt uit het Klimaatakkoord niet dat er gestreefd moet worden naar 50% participatie. Aan het bestreden besluit ligt een participatieverslag “Verslaglegging participatie Zonnepark Kijfhoek te Zwijndrecht” ten grondslag. Hieruit en uit de ruimtelijke onderbouwing blijkt dat er een participatieproces heeft plaatsgevonden. Vergunninghoudster heeft met bijlage 3 bij haar reactie op de beroepen een kaart toegevoegd met een cirkel van 400 meter rondom het uitwerkingsgebied. Alle adressen, waaronder die van alle eisers, binnen deze cirkel hebben per post de uitnodigingen ontvangen voor de bijeenkomsten die door vergunninghoudster zijn georganiseerd (vier in totaal). Voor de eerste bijeenkomst is bij al deze adressen ook een flyer in de brievenbus gedaan of is deze flyer persoonlijk overhandigd. De rechtbank ziet in wat eisers hebben aangevoerd geen aanleiding om te oordelen dat het college goedkeuring aan het project had moeten onthouden. Naar het oordeel van de rechtbank is op de juiste wijze aan de verplichte participatie voldaan.\n\n21.3.. Het betoog van eisers 1 dat niet voldaan is aan het Verdrag van Aarhus slaagt evenmin. Op grond van artikel 6, vierde lid, van het Verdrag van Aarhus voorziet elke Partij in vroegtijdige inspraak, wanneer alle opties open zijn en doeltreffende inspraak kan plaatsvinden. Het besluit tot verlening van de omgevingsvergunning is tot stand gekomen met toepassing van de uniforme openbare voorbereidingsprocedure. Deze procedure begint met een aanvraag van een initiatiefnemer en de terinzagelegging van een ontwerpbesluit, waarover door eenieder zienswijzen naar voren kunnen worden gebracht. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen, bijvoorbeeld in haar uitspraak van 21 februari 2018, ECLI:NL:RVS:2018:616, is inspraak over een ontwerpbesluit vroegtijdige inspraak op een moment dat alle opties open zijn en doeltreffende inspraak kan plaatsvinden.\n\nBijlagen ontbreken bij het ontwerp\n\n22. Het betoog van eisers 2 dat in strijd met de zorgvuldigheid de bijlagen bij het ontwerpplan niet digitaal raadpleegbaar waren, slaagt niet. Wat daar verder van zij, uit de bekendmaking blijkt dat de stukken ook op het gemeentehuis in te zien waren. Op die manier hadden eisers 2 kennis kunnen nemen van de bijlagen. Gelet hierop ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit in strijd is met het zorgvuldigheidsbeginsel.\n\nTwee ruimtelijke rapporten en de rechtszekerheid\n\n23. Het betoog van eisers 1 dat het bestaan van twee ruimtelijke onderbouwingen van 18 april 2024 en 26 september 2024 in strijd is met de rechtszekerheid, nu niet duidelijk is welk rapport maatgevend is voor de motivering, slaagt niet. Het college heeft toegelicht dat de ruimtelijke onderbouwing na de ingediende zienswijzen beperkt is aangepast. Hierdoor is niemand benadeeld. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat dit in strijd is met de rechtszekerheid.\n\nBetrokkenheid waterschap\n\n24. De stelling van eisers 2 dat het Waterschap Hollandse Delta niet op de hoogte was van het project mist feitelijke grondslag. Het college heeft aangegeven dat het waterschap al in een vroeg stadium is betrokken. Ook zijn er omgevingsvergunningen verleend voor de wateractiviteit. De rechtbank ziet geen aanleiding om daaraan te twijfelen.\n\nKabels en leidingen\n\n25. Het betoog van eisers 2 over de vraag of en waar de kabels en leidingen en een fietspad worden aangelegd, valt buiten de omvang van het geding, omdat deze onderwerpen niet tot de omgevingsvergunning behoren. Dat betekent dat deze beroepsgrond niet wordt beoordeeld.\n\nEisers 2 bedrijfsplan\n\n26. Eisers 2 vinden dat er met twee maten wordt gemeten, omdat hun bouwplan voor een zorgboerderij is afgewezen, omdat het in het agrarisch buitengebied ligt, terwijl het zonnepark wel wordt toegestaan.\n\n26.1.. Het college heeft in de zienswijzenota aangegeven dat het bouwplan van eisers 2 op zijn eigen merites zonder enige vorm van willekeur is bezien en niet als passend is beoordeeld. Eisers hebben niet weersproken dat het gaat om plannen die ruimtelijk gezien wezenlijk van elkaar verschillen. Aldus gaat het niet om vergelijkbare gevallen, zodat het college bij het bestreden besluit terecht geen rekening heeft gehouden met het afgewezen bouwplan van eisers.\n\nConclusie en gevolgen\n\n27. De beroepen zijn ongegrond. Dit betekent dat de omgevingsvergunning in stand blijft. Eisers krijgen daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgen ook geen vergoeding van hun proceskosten.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. A. Dingemanse, voorzitter, en mr. T.M.J. Smits en mr. J.G. Bos, leden, in aanwezigheid van mr. A. Regenboog, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar op 3 april 2026.\n\ngriffier\n\nvoorzitter\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.\n\nBijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving\n\nAlgemene wet bestuursrecht\n\nArtikel 3:2\n\nBij de voorbereiding van een besluit vergaart het bestuursorgaan de nodige kennis omtrent de relevante feiten en de af te wegen belangen.\n\nArtikel 3:4\n\nHet bestuursorgaan weegt de rechtstreeks bij het besluit betrokken belangen af, voor zover niet uit een wettelijk voorschrift of uit de aard van de uit te oefenen bevoegdheid een beperking voortvloeit.\n\nDe voor een of meer belanghebbenden nadelige gevolgen van een besluit mogen niet onevenredig zijn in verhouding tot de met het besluit te dienen doelen.\n\nArtikel 3:46\n\nEen besluit dient te berusten op een deugdelijke motivering.\n\nArtikel 8:69a\n\nDe bestuursrechter vernietigt een besluit niet op de grond dat het in strijd is met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of een algemeen rechtsbeginsel, indien deze regel of dit beginsel kennelijk niet strekt tot bescherming van de belangen van degene die zich daarop beroept.\n\nOmgevingswet\n\nArtikel 5.1 (omgevingsvergunningplichtige activiteiten wet)\n\n1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning de volgende activiteiten te verrichten:\n\na. een omgevingsplanactiviteit,\n\n[…],\n\ntenzij het gaat om een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen geval.\n\nArtikel 2.22 (grondslag algemene instructieregels provincie)\n\nBij omgevingsverordening kunnen, met inachtneming van de grenzen van artikel 2.3, tweede lid, regels worden gesteld over de uitoefening van taken of bevoegdheden door bestuursorganen om te voldoen aan bij omgevingsverordening vastgestelde omgevingswaarden of voor het bereiken van andere doelstellingen voor de fysieke leefomgeving.\n\nArtikel 2.32 (ontheffing instructieregels)\n\n1. Bij een regel op grond van artikel 2.22 kan worden bepaald dat gedeputeerde staten, op verzoek van een bestuursorgaan van een gemeente of waterschap, ontheffing kunnen verlenen van die regel.\n\n[…].\n\n5. Een ontheffing wordt alleen verleend als de uitoefening van de taak of bevoegdheid waarvoor ontheffing wordt gevraagd onevenredig wordt belemmerd in verhouding tot het belang dat wordt gediend met de regel waarvan ontheffing is gevraagd.\n\n6. Aan een ontheffing kunnen voorschriften worden verbonden. In de ontheffing kan worden bepaald dat deze geldt voor een daarbij gestelde termijn.\n\nArtikel 16.85 (bundeling beroep)\n\nVoor de mogelijkheid van beroep wordt een besluit tot het verlenen van een ontheffing op grond van artikel 2.32 geacht deel uit te maken van het besluit waarover de regel waarvan ontheffing is verzocht, is gesteld.\n\nVoor de mogelijkheid van beroep wordt:\n\neen instructie, gegeven op grond van artikel 2.33 of 2.34, en\n\neen besluit over instemming op grond van artikel 16.16,\n\ngeacht deel uit te maken van het besluit waarop dat besluit betrekking heeft.\n\nBesluit kwaliteit leefomgeving\n\nArtikel 8.0a. (beoordelingsregels omgevingsplanactiviteit algemeen)\n\nVoor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een omgevingsplanactiviteit, wordt, als het gaat om een activiteit waarvoor in het omgevingsplan is bepaald dat het is verboden deze zonder omgevingsvergunning te verrichten, de omgevingsvergunning verleend als de activiteit niet in strijd is met de regels die in het omgevingsplan zijn gesteld over het verlenen van de omgevingsvergunning.\n\nVoor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een buitenplanse omgevingsplanactiviteit, wordt de omgevingsvergunning alleen verleend met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.\n\nArtikel 8.0b. (doorwerking instructieregels, instructies, voorbereidingsbesluiten en projectbesluiten – buitenplanse omgevingsplanactiviteit, niet van provinciaal of nationaal belang)\n\n1. Voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een buitenplanse omgevingsplanactiviteit, anders dan een omgevingsplanactiviteit van provinciaal of nationaal belang, zijn op de beoordeling van de aanvraag van overeenkomstige toepassing:\n\nde regels van hoofdstuk 5;\n\nop grond van artikel 2.22 van de wet gestelde regels over omgevingsplannen; en\n\n[…].\n\n2. Een omgevingsvergunning als bedoeld in het eerste lid wordt geweigerd als:\n\nde omgevingsplanactiviteit zou leiden tot een situatie die niet is toegelaten op grond van een regel of instructie als bedoeld in het eerste lid;\n\n[…]; of\n\n[…].\n\n[…]..\n\nZuid-Hollandse Omgevingsverordening\n\nin werking tot 1 januari 2025 vanaf 24 juli 2024\n\nArtikel 7.41b (toepassingsbereik)\n\nDeze paragraaf is van toepassing op nieuwe ruimtelijk ontwikkelingen.\n\nArtikel 7.42 (aanwijzing en geometrische begrenzing gebieden met beschermingscategorieën)\n\n[…].\n\nGebieden met beschermingscategorie 2 zijn de locaties waarvan de geometrische begrenzing is vastgelegd in bijlage II.\n\n[…].\n\n5. Het gebied met beschermingscategorie 2, bedoeld in het tweede lid, bestaat uit de gebiedstypen belangrijk weidevogelgebied, groene buffer en recreatiegebied, waarvan de geometrische begrenzing is vastgelegd in bijlage II.\n\n[…].\n\nArtikel 7.43 (definitie soort ruimtelijke ontwikkeling)\n\nVoor de toepassing van deze paragraaf wordt verstaan onder:\n\n[…];\n\n[…];\n\ntransformeren: de ruimtelijke ontwikkeling past niet binnen de bestaande gebiedsidentiteit.\n\nArtikel 7.43b (aanvaardbaarheid soort ruimtelijke ontwikkeling per beschermingscategorie)\n\n[…].\n\nEen omgevingsplanplan voor een locatie met beschermingscategorie 2 als bedoeld in artikel 7.42, tweede lid, kan in beginsel slechts ontwikkelingen mogelijk maken die vallen onder de soort inpassen of aanpassen en die in overeenstemming zijn met artikel 7.43i, 7.43j of 7.43k.\n\n[…].\n\nArtikel 7.43k (gebiedstype: beschermingscategorie 2 groene buffers)\n\nEen omgevingsplan voor locaties binnen groene buffers als bedoeld in artikel 7.42, vijfde lid, kan voorzien in een ruimtelijke ontwikkeling voor zover dit geen grootschalige ontwikkelingen behelzen en de bufferfunctie blijkens een afdoende motivering niet onevenredig wordt verstoord.\n\nIn de motivering worden de volgende kwaliteiten betrokken:\n\nde functie van het gebied als tegenhanger van de stedelijke verdichting en stedelijke dynamiek;\n\nde identiteit die het gebied verleent aan de nabij gelegen stedelijke omgeving;\n\nde bescherming die het gebied biedt tegen grootschalige stedelijke ontwikkeling;\n\ne recreatieve gebruiks- en belevingswaarde en de contrastkwaliteit met het stedelijk gebied;\n\nde natuurwaarde van het gebied;\n\nhet agrarische karakter van het gebied in de nabijheid van de stedelijke omgeving.\n\nArtikel 7.76a (zonnevelden)\n\nDit artikel is van toepassing op een nieuw zonneveld met een oppervlakte van meer dan 500 m2 buiten bestaand stads- en dorpsgebied.\n\nVoor zover een omgevingsplan van toepassing is op een nieuw zonneveld, laat het omgevingsplan dit alleen toe op de volgende locaties:\n\nagrarische bouwpercelen;\n\nlocaties met een functie verkeersinfrastructuur of een locatie ten dienste daarvan;\n\nslibdepots, waterbassins, spaarbekkens, bergingsgebieden en voormalige stortplaatsen;\n\nglastuinbouwgebied mits er sprake is van meervoudig ruimtegebruik en aangetoond is dat geen onevenredige aantasting plaatsvindt van de omvang en de bruikbaarheid van het glastuinbouwgebied;\n\nen locatie waar een stedelijke functie is toegedeeld, maar waar die functie nog niet is gerealiseerd;\n\neen windpark.\n\n3. In afwijking van het tweede lid kan een omgevingsplan in zoekgebieden voor zon uit Regionale Energie Strategieën die door provinciale staten zijn vastgesteld zonnevelden toelaten mits het zoekgebied verder is uitgewerkt en regionaal is afgestemd.\n\n4. Het omgevingsplan dat voorziet in het toelaten van een nieuw zonneveld als bedoeld in het tweede en derde lid, bevat, in aanvulling op paragraaf 7.3.7, een motivering over:\n\n5. de bijdrage die wordt geleverd aan het behouden en versterken van de biodiversiteit en een zorgvuldige landschappelijke inpassing;\n\n6. het combineren met andere relevante opgaven.\n\n7. Een omgevingsplan dat voorziet in het toelaten van een nieuw zonneveld als bedoeld in het tweede en derde lid, verzekert:\n\n8. de realisatie en de instandhouding van inrichtingsmaatregelen op het gebied van ruimtelijke kwaliteit, landschappelijke inpassing en het behouden en versterken van de biodiversiteit;\n\n9. dat het zonneveld en de bijbehorende andere bouwwerken na afloop van de opwekking van energie worden gesloopt.\n\nArtikel 7.82 (ontheffingsbevoegdheid gedeputeerde staten)\n\nGedeputeerde staten kunnen op verzoek ontheffing verlenen van de regels in afdeling 7.3.\n\nTijdelijk deel van het omgevingsplan: het bestemmingsplan Buitengebied\n\nArtikel 3 Agrarisch3.1. \n\nBestemmingsomschrijving\n\nDe voor 'Agrarisch' aangewezen gronden zijn bestemd voor:\n\na. het uitoefenen van een agrarisch bedrijf zoals genoemd in lid 1.9 onder a en b;\n\n[…].\n\n Zie artikel 22.1, aanhef en onder a, van de Omgevingswet in samenhang met artikel 4.6, eerste lid, van de Invoeringswet Omgevingswet.\n\n Artikel 7.42, tweede lid en vijfde lid, van de ZHOV.\n\n Artikel 2.22 van de Ow.\n\n Artikel 2.32, eerste lid, van de Ow in samenhang met artikel 7.82 van de ZHOV.","nl","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2026:4563","ecli-nl-rbrot-2026-4563",{"courtName":8,"legalDomain":17,"decisionType":18,"procedureType":19},"Bestuursrecht; Omgevingsrecht","uitspraak","Uitspraak",[21,32,43,53,63],{"id":22,"ecli":23,"caseNumber":6,"courtId":24,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":26,"language":12,"source":13,"sourceUrl":27,"summary":6,"slug":28,"metadata":29},"410","ECLI:NL:RBLIM:2026:6423",66,"2026-07-08T00:00:00.000Z","RECHTBANK limburg\n\nZittingsplaats Roermond\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: ROE 25 \u002F 2565\n\nuitspraak van de meervoudige kamer van 8 juli 2026 in de zaak tussen\n\n [belanghebbende] , gevestigd te [plaats], belanghebbende\n\n(gemachtigde: M.O.E. Uyen)\n\nen\n\nde heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking Gemeenten en Waterschappen, de heffingsambtenaar (gemachtigde: A. van den Dool).\n\nProcesverloop\n\nDe heffingsambtenaar heeft op grond van de Wet waardering onroerende zaken (Wet woz) de waarde van de onroerende zaken van belanghebbende voor het belastingjaar 2025 vastgesteld (het primaire besluit).\n\nBelanghebbende heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt.\n\nDe heffingsambtenaar heeft het bezwaar van belanghebbende gegrond verklaard (het bestreden besluit). Aan belanghebbende is een proceskostenvergoeding van in totaal € 161,74 toegekend.\n\nBelanghebbende heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.\n\nDe heffingsambtenaar heeft verweer gevoerd.\n\nOp 4 mei 2026, aangevuld op 11 mei 2026, zijn van belanghebbende nadere gronden en stukken ontvangen.\n\nHet onderzoek ter zitting heeft vervolgens plaatsgevonden op 15 mei 2026. Belanghebbende heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. L.H.G.M. Driessen, kantoorgenote van haar gemachtigde bij Previcus B.V. te Boxmeer. De heffingsambtenaar heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.\n\nOverwegingen\n\n1. De rechtbank stelt vast dat de woz-waarde tussen partijen niet meer in geschil is. Het beroep van belanghebbende richt zich enkel tegen de toegekende proceskostenvergoeding en spitst zich toe op de vraag of de heffingsambtenaar bij de vaststelling van de proceskostenvergoeding in bezwaar toepassing heeft mogen geven aan de vermenigvuldigingsfactor 0,125 van artikel 30a, eerste lid, van de Wet woz, zoals dit artikellid luidt met ingang van 1 januari 2025.\n\n2. De heffingsambtenaar heeft in het bestreden besluit de proceskostenvergoeding van € 161,74 als volgt gespecificeerd:\n\n- indienen bezwaarschrift: 1 punt x waarde per punt € 647,- x factor 0,125 = € 80,87 +\n\n- bijwonen hoorzitting: 1 punt x waarde per punt € 647,- x factor 0,125 = € 80,87 = € 161,74.\n\n3. Belanghebbende vindt dat de heffingsambtenaar een te lage proceskostenvergoeding heeft toegekend. Zij verzoekt de rechtbank om artikel 30a van de Wet woz buiten toepassing te laten, omdat haar gemachtigde een bijzonder geval is als bedoeld in het zogenoemde 30a-arrest van de Hoge Raad van 17 januari 2025 (ECLI:NL:HR:2025:46).\n\n4. In het 30a-arrest heeft de Hoge Raad geoordeeld dat bijzondere gevallen zich onderscheiden doordat zij niet voldoen aan de volgende kenmerken: dat aan de belanghebbende rechtsbijstand wordt verleend door een beroepsmatig optredende gemachtigde, dan wel een kantoor, waarvan het bedrijfsmodel eruit bestaat dat\n\n( i) wordt opgetreden op basis van no cure no pay,\n\n(ii) daarbij zodanige afspraken met de cliënten worden gemaakt dat het bedrag van eventuele proceskostenvergoedingen aan de gemachtigde of aan het kantoor wordt afgedragen, en\n\n(iii) de procedures op een zodanige wijze worden gevoerd dat de daarin toegekende proceskostenvergoedingen de in redelijkheid gemaakte kosten ver overtreffen.\n\n5. De daarbij te hanteren regels zijn nader uitgewerkt in de arresten van de Hoge Raad van 25 april 2025 (ECLI:NL:HR:2025:670) en 18 juli 2025 (ECLI:NL:HR:2025:1175).\n\n5.1.. Volgens de Hoge Raad rusten op de belanghebbende de stelplicht en bewijslast van feiten die meebrengen dat buiten redelijke twijfel komt vast te staan dat, beoordeelt naar de situatie op het moment waarop het desbetreffende rechtsmiddel is aangewend, het bedrijfsmodel van de betreffende gemachtigde of diens kantoor kennelijk niet allehiervoor bedoelde drie kenmerken heeft en dat aldus sprake is van een bijzonder geval. Er is dus (al) sprake van een bijzonder geval als één van de drie kenmerken niet van toepassing is.\n\n5.2.. Bij de beoordeling van het bedrijfsmodel gaat het niet specifiek om de werkzaamheden die de gemachtigde heeft verricht in de procedure waarop de proceskostenvergoeding ziet. Met het bedrijfsmodel is namelijk meer in het algemeen de wijze bedoeld waarop de gemachtigde zijn inkomsten verwerft met het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand.\n\n5.3.. Indien het bedrijfsmodel van een gemachtigde of een kantoor inhoudt dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay (i), of op een grondslag die daarmee in wezen overeenkomt en daarmee dus op één lijn kan worden gesteld, en dat daarbij afspraken met de cliënten worden gemaakt als hiervoor onder (ii) bedoeld, zal aldus moeten worden beoordeeld of dit bedrijfsmodel voldoet aan het hiervoor onder (iii) vermelde kenmerk van vergaande overdekking. Daartoe moet een vergelijking worden gemaakt tussen enerzijds het totale bedrag aan proceskostenvergoedingen dat aan de gemachtigde of aan het kantoor wordt afgedragen, en anderzijds het totale bedrag van de kosten van de gemachtigde of van het kantoor die kunnen worden toegerekend aan het voeren van de procedures waarop die proceskostenvergoedingen betrekking hebben. Het komt dus erop aan of het totale bedrag van de afgedragen proceskostenvergoedingen het totale bedrag van de zojuist bedoelde kosten verre overtreft. De omstandigheid dat vaak geheel of ten dele gebruik wordt gemaakt van gestandaardiseerde tekstblokken die niet zijn toegespitst op de desbetreffende zaak, vormt een aanwijzing dat het bedrijfsmodel wel het derde kenmerk van vergaande overdekking heeft, en zal daarom in het algemeen volstaan om aan te nemen dat de belanghebbende niet in dit door hem te leveren bewijs is geslaagd.\n\n6. In het arrest van 26 september 2025 (ECLI:NL:HR:2025:1375) heeft de Hoge Raad nader uitgewerkt wanneer sprake is van een bedrijfsmodel dat eruit bestaat dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay (i). Bij optreden op basis van no cure no pay moet worden uitgegaan van afspraken tussen de belanghebbende en de rechtsbijstandverlener op grond waarvan de belanghebbende geen financieel risico loopt bij inschakeling van de rechtsbijstandverlener, omdat geen instapvergoeding verschuldigd is noch een percentage van de bespaarde belasting als vergoeding moet worden afgestaan (zie Kamerstukken II 2023\u002F24, 36 427, nr. 3, blz. 2). Bij de beoordeling van de vraag of het bedrijfsmodel van een beroepsmatig optredende gemachtigde, dan wel een kantoor, eruit bestaat dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay, komt het dus erop aan of die gemachtigde dan wel diens kantoor afspraken maakt met klanten op grond waarvan zij geen financieel risico lopen bij het verstrekken van de opdracht tot het verlenen van rechtsbijstand in een belastingprocedure. De verschuldigdheid van een instapvergoeding staat niet in alle gevallen eraan in de weg dat afspraken met een rechtsbijstandsverlener worden aangemerkt als afspraken op basis van no cure no pay. Onder het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand op basis van no cure no pay wordt namelijk ook begrepen het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand op een grondslag die daarmee in wezen overeenkomt en daarmee dus op één lijn kan worden gesteld. Dan moet worden gedacht aan de betaling van een zodanig laag bedrag dat die betaling als een pro forma of symbolische bijdrage moet worden beschouwd.\n\n7. De rechtbank stelt vast dat de gemachtigde van belanghebbende in deze zaak niet heeft bestreden dat haar bedrijfsmodel de hiervoor onder (ii) en (iii) vermelde kenmerken heeft.\n\n8. Belanghebbende bestrijdt dat het bedrijfsmodel van haar gemachtigde ten tijde van het instellen van bezwaar (en beroep) eruit bestaat dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay (i). Hiertoe heeft de gemachtigde verwezen naar een beschrijving van haar per 1 januari 2025 gewijzigde bedrijfsmodel (“Bijzonder geval: bedrijfsmodel Previcus en artikel 30a Wet WOZ”).\n\n8.1.. Volgens die beschrijving is de werkwijze met ingang van 1 januari 2025 fundamenteel gewijzigd. Het aantal dossiers is vanaf 2025 aanzienlijk afgenomen van 128.000 zaken naar circa 1.291 zaken. De zaken worden (vrijwel) niet meer op basis van no cure no pay uitgevoerd, maar volgens een regulier model waarin een cliënt, ongeacht de uitkomst van de zaak, een vaste startvergoeding betaalt (doorgaans gebaseerd op het aantal aanslagbiljetten) en\u002Fof een deel van de gerealiseerde besparing afdraagt (in bijna alle gevallen 40% van de besparing). De vóór 2025 aangebrachte zaken worden nog op basis van no cure no pay uitgevoerd. Bovendien worden vanaf 2025 alle aanslagbiljetten op voorhand gescreend en worden enkel de zaken doorgezet waarbij op voorhand onvoldoende duidelijk is dat er geen fouten zijn gemaakt. Er is, aldus de beschrijving, geen sprake meer van een grote massa waar de wetswijziging (Wet herwaardering proceskostenvergoeding WOZ en Bpm) op zag. De gemachtigde richt zich voortaan op de zakelijke markt, waarbij vrijwel altijd ook prijsafspraken met belanghebbenden worden gemaakt die losstaan van eventueel toegekende proceskostenvergoedingen.\n\n8.2.. De gemachtigde heeft de prijsafspraken over 2025 als volgt in een overzicht opgenomen.\n\n8.3.. De vermelding in de volmacht dat de vergoeding voor de werkzaamheden uitsluitend het totaal van de proceskostenvergoedingen bedraagt, klopt, aldus de beschrijving, niet meer. De onderliggende overeenkomsten bepalen dat cliënten zelf vergoedingen verschuldigd zijn. De proceskostenvergoeding speelt daarin nog slechts een kleine aanvullende rol.\n\n9. Op 4 mei 2026 heeft de gemachtigde van belanghebbende de facturen en betaalbewijzen in een groot aantal zaken, waarin zij als gemachtigde optreedt, ingezonden. Op 11 mei 2026 is daarvan een overzicht overgelegd. Die stukken bevestigen het beeld dat de beschrijving van het bedrijfsmodel geeft. Uit de facturen en betaalbewijzen blijkt namelijk dat de gemachtigde van een groot deel van haar cliënten een “besparingsfee” van minimaal 30% van de eventuele belastingbesparing vraagt, zij die “besparingsfee” aan haar cliënten factureert en die “besparingsfee” vervolgens ook door de cliënten wordt betaald.\n\n10. Daarnaast komt uit de facturen en betaalbewijzen naar voren dat de meeste cliënten (bovenop de “besparingsfee”) tevens een (in hoogte variërende) “startfee” zijn verschuldigd. Op zitting heeft de gemachtigde toegelicht dat, indien overeengekomen, de “startfee” altijd wordt gefactureerd en betaald. Dat dit niet in alle gevallen gebeurt blijkt uit de overgelegde facturen en betaalbewijzen, en komt, aldus de gemachtigde, doordat de “startfee”, die ongeacht de uitkomst is verschuldigd, in die gevallen eerder is gefactureerd en betaald. Dat is anders bij de “besparingsfee”, die niet eerder dan na het nemen van het bestreden besluit in rekening kan worden gebracht, omdat dan pas de (hoogte van de) besparing duidelijk is.\n\n11. De heffingsambtenaar heeft zich ter zitting op het standpunt gesteld dat het pas op 4 mei 2026 door de gemachtigde van belanghebbende indienen van facturen en betaalbewijzen (die op 6 mei 2026 door de rechtbank zijn vrijgegeven), die al in 2025 beschikbaar waren, in strijd is met een goede procesorde. De rechtbank overweegt dat partijen in beginsel vrij zijn om gedurende de procedure hun standpunten aan te vullen. Die vrijheid wordt echter begrensd door de beginselen van de goede procesorde. Hoewel de late indiening van reeds voorhanden zijnde stukken niet de schoonheidsprijs verdient, ziet de rechtbank hierin geen grond om die stukken vanwege strijd met een goede procesorde buiten beschouwing te laten. Hiertoe acht de rechtbank van belang dat de stukken een onderbouwing vormen van een eerder door de gemachtigde ingenomen standpunt, een reactie zijn op het verweerschrift en dat de aard en de omvang van de stukken niet zodanig zijn dat van de heffingsambtenaar om adequaat hierop te kunnen reageren een nader diepgaand (feiten)onderzoek wordt gevergd. De inhoudelijke reactie van de heffingsambtenaar op de stukken in de pleitnota bevestigen dit oordeel.\n\n12. De rechtbank stelt voorop dat voor haar de facturen en de betaalbewijzen leidend zijn voor de beoordeling van de vraag of kenmerk (i) op de gemachtigde van belanghebbende van toepassing is. Naar het oordeel van de rechtbank zijn (alleen) die stukken, en niet (ook) de overeenkomst, de website en de algemene voorwaarden van de gemachtigde (op 9 februari 2025), waarvan gesteld is dat die op dat moment nog niet in overeenstemming met het gewijzigde bedrijfsmodel waren gebracht, relevant voor de vraag of sprake is van een bedrijfsmodel op basis van no cure no pay. Omdat het bedrijfsmodel van de gemachtigde (en niet de vergoedingen in de aan de rechtbank voorliggende zaken) moet worden beoordeeld, blijft die beoordeling, anders dan de heffingsambtenaar stelt, niet beperkt tot de gemeenten binnen het ambtsgebied van de heffingsambtenaar. Daaruit volgt ook dat op grond van het (incidenteel) ontbreken van facturen en betaalbewijzen in aan de rechtbank voorliggende zaken niet zonder meer kan worden geconcludeerd dat kenmerk (i) op het bedrijfsmodel van de gemachtigde van toepassing is.\n\n13. De rechtbank is van oordeel dat met voldoende gegevens is onderbouwd dat de gemachtigde in 2025 voor een groot deel van de procedures een “besparingsfee” in rekening heeft gebracht. Door het betalen van een “besparingsfee” loopt een belanghebbende bij de inschakeling een gemachtigde voor het voeren van een procedure een financieel risico (zie hiervoor het arrest van de Hoge Raad van 26 september 2025). Deze door de gemachtigde gevraagde vergoeding (van 30-40%) acht de rechtbank, nog daargelaten dat de Hoge Raad dat enkel ten aanzien van “instapvergoedingen” heeft geoordeeld, ook niet dusdanig laag dat kan worden gesproken van rechtsbijstandverlening op een grondslag die in wezen overeenkomt met rechtsbijstandverlening op basis van no cure no pay. Op grond van het vorenstaande heeft belanghebbende, naar het oordeel van de rechtbank, buiten redelijke twijfel bewezen dat het bedrijfsmodel van de gemachtigde ten tijde van het instellen van bezwaar niet het kenmerk van optreden op basis van no cure no pay heeft (i). Daaraan doet niet af dat een belanghebbende vooraf ermee heeft ingestemd dat een eventuele vergoeding van proceskosten aan de gemachtigde toekomt. Dat geldt ook voor het ontbreken van facturen en betaalbewijzen van op een eerder moment in rekening gebrachte “startfees” en de door de heffingsambtenaar gestelde inconsistenties in de hoogte hiervan.\n\n14. Uit het vorenstaande volgt dat sprake is van een bijzonder geval en de heffingsambtenaar ten onrechte toepassing heeft gegeven aan artikel 30a, eerste lid, van de Wet woz.\n\n15. Dit betekent dat het beroep van belanghebbende gegrond is. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit voor zover dat ziet op de toegekende proceskostenvergoeding en bepaalt met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht de proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase op € 1.332,- (2 x € 666,-).\n\n16. Aan het standpunt van belanghebbende dat aan het bestreden besluit een motiveringsgebrek kleeft, wordt niet toegekomen.\n\n17. Omdat het beroep gegrond is, moet de heffingsambtenaar het griffierecht aan belanghebbende vergoeden.\n\n18. De rechtbank acht termen aanwezig om de heffingsambtenaar te veroordelen in de proceskosten die belanghebbende redelijkerwijs heeft moeten maken in verband met de behandeling van het beroep, een en ander eveneens overeenkomstig de normen van het Besluit proceskosten bestuursrecht. Aan belanghebbende is door een derde beroepsmatig rechtsbijstand verleend. Voor de in aanmerking te nemen proceshandelingen worden 2 punten (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen op zitting met een waarde van € 934,- per punt) toegekend. De rechtbank bepaalt in overeenstemming met het Richtsnoer proceskostenvergoeding belastingkamers gerechtshoven 2024 (neergelegd in de uitspraak van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 7 augustus 2024, ECLI:NL:GHSHE:2024:2524) de wegingsfactor op 0,5. Gelet hierop bedraagt het vanwege de in deze zaak verleende rechtsbijstand te vergoeden bedrag in totaal € 934,-.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep gegrond;\n\n- vernietigt het bestreden besluit voor zover dat ziet op de toegekende proceskostenvergoeding, stelt de proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase vast op € 1.332,- en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;\n\n- draagt de heffingsambtenaar op het betaalde griffierecht van € 385,- aan belanghebbende te vergoeden;\n\n- veroordeelt de heffingsambtenaar in de proceskosten van belanghebbende wegens verleende rechtsbijstand in beroep tot een bedrag van € 934,-.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. B.F.A. van Huijgevoort, voorzitter, en mrs. E.P.J. Rutten en J.H. van Hoof leden, in aanwezigheid van mr. D.D.R.H. Lechanteur, griffier.De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 8 juli 2026.\n\ngriffier rechter\n\nAfschrift verzonden aan partijen op: 8 juli 2026.\n\nRechtsmiddel\n\nTegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof ’s-Hertogenbosch (belastingkamer).\n\nU kunt digitaal beroep instellen via www.rechtspraak.nl. Daar klikt u op “Formulieren en inloggen”. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ’s-Hertogenbosch (belastingkamer).\n\nBij het instellen van het hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:\n\n1. bij het hogerberoepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;\n\n2 - het hogerberoepschrift moet, indien het op papier wordt ingediend, ondertekend zijn. Verder moet het ten minste het volgende vermelden:\n\na. de naam en het adres van de indiener;\n\nb. de datum van verzending;\n\nc. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;\n\nd. de redenen waarom u het niet eens bent met de uitspraak (de gronden van het hoger beroep).","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBLIM:2026:6423","ecli-nl-rblim-2026-6423",{"courtName":30,"legalDomain":31,"decisionType":18,"procedureType":19},"Roermond","Bestuursrecht; Belastingrecht",{"id":33,"ecli":34,"caseNumber":35,"courtId":36,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":37,"language":38,"source":39,"sourceUrl":6,"summary":40,"slug":41,"metadata":42},"85","ECLI:RO:2026:JudecatoriaSECTORUL5BUCURESTI:17050-302-2025-a1","17050\u002F302\u002F2025\u002Fa1",97,"Admite cererea de îndreptare a erorii materiale din cuprinsul sentin?ei civile nr. 2484\u002F06.03.2026, pronunţată de Judecătoria Sectorului 5 Bucure?ti în dosar nr. 17050\u002F302\u002F2025, formulată din oficiu.       \nDispune îndreptarea erorii materiale strecurată în cuprinsul sentin?ei civile nr. 2484\u002F06.03.2026 pronun?ată în cadrul dosarului nr. 17050\u002F302\u002F2025, în sensul re?inerii că pârâtul Vasile Constantin are codul numeric personal ............, iar nu ............., astfel cum în mod eronat s-a consemnat.   \nPrezenta încheiere face parte integrantă din cuprinsul sentin?ei civile nr. 2484\u002F06.03.2026 pronun?ată în cadrul dosarului nr. 17050\u002F302\u002F2025.   \nÎndreptarea se va efectua în toate exemplarele sentin?ei.\n\tCu drept de apel în 30 de zile de la comunicare. Cererea de apel se va depune la Judecătoria Sectorului 5 Bucure?ti.   \n\tPronun?ată prin punerea solu?iei la dispozi?ia păr?ilor prin intermediul grefei instan?ei, astăzi, 08.07.2026.\n","ro","portalquery_ro","Admite cererea","ecli-ro-2026-judecatoriasectorul5bucuresti-17050-302-2025-a1",null,{"id":44,"ecli":45,"caseNumber":6,"courtId":46,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":47,"language":12,"source":13,"sourceUrl":48,"summary":6,"slug":49,"metadata":50},"296","ECLI:NL:GHDHA:2026:2250",58,"Rolnummer: 22-001978-23\n\nParketnummer: 10-066729-23\n\nDatum uitspraak: 8 juli 2026\n\nTEGENSPRAAK\n\nArrestvan de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Den Haag gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 28 juni 2023 in de strafzaak tegen de verdachte:\n\n [verdachte],\n\ngeboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2002,\n\nBRP-adres: [BRP-adres] , [woonplaats] .\n\nOnderzoek van de zaak\n\nDit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof.\n\nHet hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.\n\nProcesgang\n\nIn eerste aanleg is de verdachte van het onder 1 tenlastegelegde vrijgesproken en ter zake van het onder 2 en 3 tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 120 dagen, met aftrek van voorarrest, waarvan 73 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren. Voorts is beslist op de vorderingen van de benadeelde partijen, zoals nader omschreven in het vonnis waarvan beroep.\n\nNamens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.\n\nOmvang van het hoger beroep\n\nDe verdachte is door de rechtbank Rotterdam vrijgesproken van hetgeen aan hem onder 1 is tenlastegelegd. Het hoger beroep is door de verdachte onbeperkt ingesteld en is derhalve mede gericht tegen de in eerste aanleg gegeven beslissing tot vrijspraak. Gelet op hetgeen is bepaald in artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering staat voor de verdachte tegen deze beslissing geen hoger beroep open. Het hof zal de verdachte mitsdien niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep gegeven vrijspraak.\n\nWaar hierna wordt gesproken van \"de zaak\" of \"het vonnis\", wordt daarmee bedoeld de zaak of het vonnis voor zover op grond van het vorenstaande aan het oordeel van dit hof onderworpen.\n\nTenlastelegging\n\nAan de verdachte is – voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen – tenlastegelegd dat:\n\n2. hij op of omstreeks 01 januari 2023 te 's-Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard, openlijk, te weten, op of aan de Smidsweg en\u002Fof de Langestraat, in elk geval op of aan (een) openbare weg(en), in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een of meer verbalisanten van de politie Eenheid Rotterdam, te weten [hoofdagent] (hoofdagent) en\u002Fof [aspirant] (aspirant) en\u002Fof één of meer verbalisanten, zijnde groepsleden van de Mobiele Eenheid van politie Eenheid Rotterdam, te weten [verbalisant 1] en\u002Fof [verbalisant 2] en\u002Fof [verbalisant 3] en\u002Fof [verbalisant 4] en\u002Fof [verbalisant 5] en\u002Fof [verbalisant 6] en\u002Fof [verbalisant 7] en\u002Fof [verbalisant 8] en\u002Fof [verbalisant 9] en\u002Fof [verbalisant 10] en\u002Fof [verbalisant 11] en\u002Fof [verbalisant 12] en\u002Fof [verbalisant 13] en\u002Fof [verbalisant 14] en\u002Fof [verbalisant 15] en\u002Fof [verbalisant 16] en\u002Fof [verbalisant 17] en\u002Fof [verbalisant 18] en\u002Fof [verbalisant 19] en\u002Fof [verbalisant 20] , althans een of meer (andere) verbalisanten door\n\n- één of meer stuks zwaar (illegaal) vuurwerk (betreffende onder meer: cobra's \u002F nitraten \u002F shells) en\u002Fof vuurwerkbommen op\u002Ftegen, althans in de richting van\u002Fnaar voornoemde verbalisanten af te schieten en\u002Fof te gooien, waarbij voornoemd(e) vuurwerk\u002Fvuurwerkbommen vlakbij\u002Fnaast het\u002Fde lichamen en\u002Fof het\u002Fde hoofden\u002Fgezichten van voornoemde verbalisanten tot ontploffing is\u002Fzijn gekomen en\u002Fof\n\n- ( met kracht) één of meer stenen en\u002Fof glaswerk op\u002Ftegen, althans in de richting van voornoemde verbalisanten te gooien en\u002Fof\n\n- ( dreigend) zich op te dringen aan voornoemde ambtenaren en\u002Fof\n\n- ( daarbij) (dreigend) een of meerdere ploertendoders, althans slagvoorwerpen, aan voornoemde ambtenaren te tonen\u002Fvoor te houden en\u002Fof\n\n- ( daarbij) aan die [aspirant] en\u002Fof [hoofdagent] en\u002Fof een of meer (andere) verbalisanten de weg te versperren, althans de doorgang te beletten en\u002Fof (daarbij) te verhinderen dat die [aspirant] en\u002Fof [hoofdagent] en\u002Fof anderen met\u002Fin een (politie)voertuig weg konden rijden en\u002Fof\n\n- naar\u002Fin de richting van voornoemde ambtenaren te schelden, met de woorden: \"Kankerlijers\", \"Kanker op joh\" en\u002Fof \"Kankerpolitie\" en\u002Fof\n\n- ( met kracht) op\u002Ftegen het (politie)schild van die [verbalisant 2] te trappen\u002Fschoppen;\n\n3. hij op of omstreeks 31 december 2022 te 's-Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard opzettelijk en wederrechtelijk een vuilnisbak\u002Fprullenbak, in elk geval enig goed, dat\u002Fdie geheel of ten dele aan Gemeente Hoeksche Waard, in elk geval aan een ander dan aan verdachte toebehoorde(n) heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt.\n\nVordering van de advocaat-generaal\n\nDe advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de bewezenverklaring zal worden bevestigd en dat de verdachte ter zake van het onder 2 en 3 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 107 dagen, met aftrek van voorarrest, waarvan 60 dagen voorwaardelijk en met een proeftijd van 2 jaren.\n\nHet vonnis waarvan beroep\n\nHet vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.\n\nVrijspraak\n\nDe advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het onder 2 tenlastegelegde wettig en overtuigend kan worden bewezenverklaard, nu de verdachte met zijn handelen een bijdrage van voldoende gewicht heeft geleverd aan het openlijk geweld tegen de desbetreffende verbalisanten. Zo heeft de verdachte voorafgaand aan de jaarwisseling deel genomen aan een WhatsApp-groep waarin werd gesproken over het voornemen onrust te veroorzaken ten tijde van de jaarwisseling. Voorts heeft de verdachte in de nacht van de jaarwisseling – nadat hij door leden van de Mobiele Eenheid (ME) was ingesloten –op zijn telefoon een video-opname gemaakt waarin er samen met medeverdachte [medeverdachte] (hierna: [medeverdachte] ) wordt gepraat over het doodschoppen van een ME’er. Vijftien minuten nadat hij deze video had opgenomen, is [medeverdachte] aangehouden voor het schoppen tegen het schild van een ME’er.\n\nHet hof overweegt als volgt.\n\nHet hof stelt voorop dat van het \"in vereniging\" plegen van geweld sprake is, indien de betrokkene een voldoende significante of wezenlijke bijdrage levert aan het geweld, zij het dat deze bijdrage zelf niet van gewelddadige aard hoeft te zijn. De enkele omstandigheid dat iemand aanwezig is in een groep die openlijk geweld pleegt is niet zonder meer voldoende om hem te kunnen aanmerken als iemand die \"in vereniging\" geweld pleegt. Beoordeeld zal moeten worden of de door de verdachte geleverde – intellectuele en\u002Fof materiële – bijdrage aan het delict van voldoende gewicht is.\n\nMet de advocaat-generaal en de verdediging is het hof van oordeel dat op grond van het verhandelde ter terechtzitting niet kan worden bewezen dat de verdachte omstreeks de jaarwisseling geweld heeft gebruikt jegens de verbalisanten, zoals het gooien met stenen of vuurwerk. Het hof is voorts van oordeel dat evenmin bewezen kan worden dat de verdachte op enige wijze geweldshandelingen die door andere personen zijn gepleegd heeft ondersteund of anderszins heeft bijgedragen aan het ontstaan of het voortduren van het geweld jegens de verbalisanten. Het hof neemt hierbij in aanmerking dat [medeverdachte] bij de raadsheer-commissaris als getuige is gehoord en heeft verklaard dat hetgeen de verdachte in de video-opname heeft gezegd, los stond van zijn handelen daarna en dat de verdachte niet in de buurt was toen [medeverdachte] tegen het schild van verbalisant [verbalisant 2] aan schopte. De enkele aanwezigheid in de groep die door de politie\u002FME was ingesloten en het feit dat de verdachte deel uit maakte van een WhatsApp-groep acht het hof evenmin een bijdrage van voldoende gewicht. Gelet op het voorgaande is niet vast komen te staan dat de verdachte een voldoende significante of wezenlijke bijdrage heeft geleverd aan het tenlastegelegde geweld tegen de desbetreffende verbalisanten, zodat het ten laste gelegde niet kan worden bewezen en de verdachte daarvan zal worden vrijgesproken.\n\nBewezenverklaring\n\nHet hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 3 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:\n\n3. hij op of omstreeks31 december 2022 te 's-Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard opzettelijk en wederrechtelijk eenvuilnisbak\u002Fprullenbak, in elk geval enig goed,dat\u002Fdiegeheel of ten deleaan Gemeente Hoeksche Waard, in elk geval aan een ander dan aan verdachtetoebehoorde(n)heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt;.\n\nHetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.\n\nBewijsvoering\n\nHet hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.\n\nIn die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.\n\nStrafbaarheid van het bewezenverklaarde\n\nHet onder 3 bewezenverklaarde levert op\n\nopzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen.\n\nStrafbaarheid van de verdachte\n\nEr is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.\n\nStrafmotivering\n\nHet hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.\n\nDaarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.\n\nDe verdachte heeft zich op oudejaarsavond schuldig gemaakt aan vernieling van een prullenbak door hierop zwaar vuurwerk tot ontploffing te brengen. Een dergelijk feit is gevaarzettend en geschikt om gevoelens van angst en onveiligheid in de maatschappij teweeg te brengen. De verdachte heeft met zijn handelen de gemeente en daarmee de gemeenschap financiële schade berokkend en hij heeft hiermee overlast veroorzaakt.\n\nHet hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie van 1 juni 2026, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder voor een vergelijkbaar feit is veroordeeld.\n\nTen aanzien van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) overweegt het hof dat deze is aangevangen op 6 maart 2023. In eerste aanleg is de redelijke termijn niet overschreden. Het hof stelt vast dat de behandeling van de zaak in hoger beroep niet heeft plaatsgevonden binnen de daartoe gestelde redelijke termijn,. Namens de verdachte is immers op 4 juli 2023 hoger beroep ingesteld en het hof wijst op 8 juli 2026 eindarrest. De redelijke termijn van de berechting in hoger beroep is derhalve met meer dan één jaar overschreden. Het hof ziet, ook gelet op de duur van de procedure als geheel, aanleiding te volstaan met de constatering van dit verzuim, gelet op de gekozen strafmodaliteit en de hoogte van de op te leggen straf.\n\nHet hof is – alles afwegende – van oordeel dat een onvoorwaardelijke taakstraf van na te melden duur een passende en geboden reactie vormt. Anders dan de verdediging heeft bepleit acht het hof een geldboete, gelet op de context waarin en de wijze waarop de vernieling plaatsvond – tijdens de jaarwisseling en met (illegaal) vuurwerk – niet passend. Evenmin zal om die reden toepassing worden gegeven aan het bepaalde in artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht.\n\nVorderingen tot schadevergoeding\n\nIn het onderhavige strafproces hebben tweeëntwintig verbalisanten zich als benadeelde partij gevoegd ter zake van het onder 2 ten laste gelegde. De benadeelde partijen [verbalisant 17] , [verbalisant 12] , [verbalisant 8] , [verbalisant 9] , [verbalisant 19] , [verbalisant 20] , [verbalisant 18] , [verbalisant 15] , [verbalisant 10] , [verbalisant 4] , [verbalisant 1] , [verbalisant 16] , [verbalisant 3] , [aspirant] , [verbalisant 7] , [hoofdagent] , [verbalisant 14] , [verbalisant 5] en [verbalisant 6] vorderen per persoon een vergoeding van € 350,00 aan immateriële schade. De benadeelde partijen [verbalisant 13] en [verbalisant 11] vorderen per persoon een vergoeding van € 400,00 aan immateriële schade en de benadeelde partij [verbalisant 2] vordert een vergoeding van € 750,00 aan immateriële schade.\n\nNu de verdachte ter zake van het onder 2 tenlastegelegde wordt vrijgesproken, zullen de benadeelde partijen niet-ontvankelijk worden verklaard in hun vordering.\n\nGelet daarop zullen de benadeelde partijen worden veroordeeld in de kosten die de verdachte tot aan deze uitspraak in verband met de verdediging tegen die vorderingen heeft moeten maken, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil.\n\nToepasselijke wettelijke voorschriften\n\nHet hof heeft gelet op de artikelen 9, 22c, 22d en 350 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.\n\nBESLISSING\n\nHet hof:\n\nVerklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder 1 tenlastegelegde.\n\nVernietigt het vonnis waarvan beroep voor zover thans aan het oordeel van het hof onderworpen en doet in zoverre opnieuw recht:\n\nVerklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 2 tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.\n\nVerklaart, zoals hiervoor overwogen, bewezen dat de verdachte het onder 3 tenlastegelegde heeft begaan.\n\nVerklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.\n\nVerklaart het onder 3 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.\n\nVeroordeelt de verdachte tot een taakstrafvoor de duur van60 (zestig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door30 (dertig) dagen hechtenis.\n\nBeveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van 2 uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.\n\nVordering van de benadeelde partijen:\n\n- [verbalisant 17] ,\n\n- [verbalisant 12] ,\n\n- [verbalisant 13] ,\n\n- [verbalisant 8] ,\n\n- [verbalisant 9] ,\n\n- [verbalisant 19] ,\n\n- [verbalisant 20] ,\n\n- [verbalisant 11]\n\n- [verbalisant 18] ,\n\n- [verbalisant 15] ,\n\n- [verbalisant 10] ,\n\n- [verbalisant 4] ,\n\n- [verbalisant 1] ,\n\n- [verbalisant 16] ,\n\n- [verbalisant 3] ,\n\n- [verbalisant 2]\n\n- [aspirant] ,\n\n- [verbalisant 7] ,\n\n- [hoofdagent] ,\n\n- [verbalisant 14] ,\n\n- [verbalisant 5] , en\n\n- [verbalisant 6]\n\nVerklaart de hiervoor genoemde benadeelde partijen telkens niet-ontvankelijk in hun vordering tot schadevergoeding.\n\nVeroordeelt de hiervoor genoemde benadeelde partijen telkens in de door verdachte gemaakte kosten en begroot deze telkens op nihil.\n\nDit arrest is gewezen door mr. F.W. Pieters, als voorzitter, mr. E.C. van Veen en mr. M.C. Bruining, leden, in bijzijn van de griffier mr. V.V. de Lange.\n\nHet is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 8 juli 2026.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHDHA:2026:2250","ecli-nl-ghdha-2026-2250",{"courtName":51,"legalDomain":52,"decisionType":18,"procedureType":19},"Den Haag","Strafrecht",{"id":54,"ecli":55,"caseNumber":6,"courtId":56,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":57,"language":12,"source":13,"sourceUrl":58,"summary":6,"slug":59,"metadata":60},"348","ECLI:NL:RBDHA:2026:18721",65,"RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Groningen\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL26.20806\n uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n \n [naam], eiseres,\n\nV-nummer: [v-nummer:],\n\n(gemachtigde: mr. I.M. Zuidhoek),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, de minister.\n\nInleiding\n\n1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 7 april 2026 niet in behandeling genomen omdat daarvoor Frankrijk verantwoordelijk is.\n\n1.1.. De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiseres. Zij doet dat mede aan de hand van de argumenten die eiseres heeft aangevoerd, de beroepsgronden.\n\n3. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiseres ongelijk krijgt en het bestreden besluit in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nToepasselijk recht\n\n4. Op deze zaak is het recht van toepassing dat gold vóór 12 juni 2026.\n\nTotstandkoming van het besluit\n\n5. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening.Op grond van de Dublinverordening neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.In dit geval heeft Nederland bij Frankrijk een verzoek om terugname gedaan. Frankrijk heeft dit verzoek aanvaard.\n\nMag de minister ten opzichte van Frankrijk uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel?\n\n6. Eiseres stelt zich op het standpunt dat er in Frankrijk voor haar een onveilige situatie zal optreden. Dit is het gevolg van de aanwezigheid van veel Libanezen in Frankrijk, waaronder ook de familie van haar moeder die haar eerder al bedreigde. Bovendien heeft eiseres in Nederland een community gevonden waar zij zich veilig bij voelt en in Frankrijk heeft zij niemand, dit is voor haar een angstaanjagend vooruitzicht. Dit terwijl in Nederland er een sterke en diverse LHBT-gemeenschap is waar zij zich veilig voelt. Volgens eiseres is er in Frankrijk bovendien nog steeds een groot probleem met betrekking tot de opvang van asielzoekers. Ze verwijst naar het AIDA-rapport over Frankrijk, update 2024.Er is een tekort aan opvangplekken en eiseres loopt bij terugkeer een reëel risico om in een situatie van materiële deprivatie terecht te komen. Volgens eiseres is het bestreden besluit niet zorgvuldig voorbereid en berust het evenmin op een deugdelijke motivering.\n\n6.1.. De beroepsgrond slaagt niet. Naar het oordeel van de rechtbank mag de minister ten aanzien van Frankrijk uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. De Afdelingheeft meermaals bevestigd dat ten aanzien van Frankrijk in algemene zin kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Hierbij is ook het AIDA rapport, update 2024, betrokken. De rechtbank overweegt ambtshalve dat ook het recente AIDA rapport, update 2025, geen wezenlijk ander beeld geeft van de opvangvoorzieningen in Frankrijk dan de informatie die is betrokken door de Afdeling in eerdere uitspraken.\n\n6.2.. Uit de AIDA rapporten blijkt niet dat sprake is van structurele tekortkomingen in de opvang of asielprocedure, ook niet ten aanzien van de LHTBI-gemeenschap. Eiseres heeft bovendien niet aannemelijk gemaakt dat zij bij overdracht aan Frankrijk persoonlijk geen opvang, rechtsbescherming of toegang tot de procedure zal krijgen. Eiseres heeft niet eerder een asielaanvraag in Frankrijk ingediend waardoor zij geen persoonlijke ervaring heeft met de kwaliteit van de asielprocedure en de opvangvoorzieningen in Frankrijk.\n\n6.3.. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van bijzondere, individuele omstandigheden op basis waarvan de minister de aanvraag toch zou moeten behandelen.\n\nConclusie en gevolgen\n\n7. Het beroep is kennelijk ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft en eiseres overgedragen kan worden aan Frankrijk. Eiseres krijgt geen vergoeding van haar proceskosten.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. A. Sibma, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Strating, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.\n\nDe uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over verzet\n\nAls partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.\n\n Zie artikel 84 van de Asiel- en migratiebeheerverordening inzake het overgangsrecht.\n\n Verordening (EU) nr. 604\u002F2013.\n\n Dit staat ook in artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.\n\n Update 2024 van juni 2025.\n\n Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.\n\n Update 2025 van mei 2026.\n\n Zie ook de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Arnhem, van 3 juli 2026. (ECLI:NL:RBDHA:2026:18469, r.o. 7.1) en de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Middelburg, van 25 juni 2026 (ECLI:NL:RBDHA:2026:17711).","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18721","ecli-nl-rbdha-2026-18721",{"courtName":61,"legalDomain":62,"decisionType":18,"procedureType":19},"Groningen","Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht",{"id":64,"ecli":65,"caseNumber":6,"courtId":7,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":66,"language":12,"source":13,"sourceUrl":67,"summary":6,"slug":68,"metadata":69},"418","ECLI:NL:RBDHA:2026:18726","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Rotterdam\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL26.36068uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n\n [naam eiser] , eiser\n\nV-nummer: [V-nummer]\n\n(gemachtigde: mr. J.S. Dobosz),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, verweerder\n\n(gemachtigde: mr. C. van der Zijde).\n\nSamenvatting\n\n1. Deze uitspraak gaat over de maatregel van vreemdelingenbewaring die aan eiser is opgelegd. Deze maatregel is opgelegd op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser is het niet eens met die maatregel. Hij voert daartegen een beroepsgrond aan. Onder meer aan de hand van deze beroepsgrond beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van die maatregel en de vraag of aan eiser een schadevergoeding moet worden toegekend.\n\n1.1.. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep gegrond is. Het opleggen van de maatregel van vreemdelingenbewaring is onrechtmatig. De rechtbank kent daarom een schadevergoeding toe. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.\n\n1.2.. In deze uitspraak gebruikt de rechtbank de volgende afkortingen voor de wet- en regelgeving:\n\nAwb: Algemene wet bestuursrecht\n\nVw: Vreemdelingenwet 2000\n\nVb: Vreemdelingenbesluit 2000\n\nProcesverloop\n\n2. Met het bestreden besluit van 29 juni 2026 heeft verweerder aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.\n\n2.1.. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.\n\n2.2.. De rechtbank heeft het beroep op 7 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, K.A. Ozdzinska als tolk en de gemachtigde van verweerder.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\nToetsingskader\n\n3. Verweerder kan als het belang van de openbare orde of de nationale veiligheid dat vordert, de vreemdeling die geen rechtmatig verblijf heeft in vreemdelingenbewaring stellen.Verweerder stelt een vreemdeling slechts in vreemdelingenbewaring, voor zover geen minder dwingende maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast en de vreemdelingenbewaring blijft achterwege of wordt beëindigd, indien deze niet langer noodzakelijk is met het oog op het doel van de vreemdelingenbewaring.Deze vreemdeling kan in vreemdelingenbewaring worden gesteld op grond dat het belang van de openbare orde of nationale veiligheid zulks vordert, indien a) een onderduikrisico bestaat, of b) de vreemdeling de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert.De maatregel kan alleen worden opgelegd wegens het bestaan van een onderduikrisico, indien ten minste twee van de gronden, genoemd in artikel 5.6, tweede lid, van het Vb zich voordoen.\n\nGronden\n\n4. Eiser heeft de gronden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd niet bestreden. De gronden, die de ambtshalve toetsing van de rechtbank doorstaan, zijn tezamen voldoende om de maatregel van bewaring te kunnen dragen.\n\nRechtmatig verblijf\n\n5. Eiser heeft aangevoerd dat er sprake is van een rechtmatig verblijf van eiser in Nederland op grond van artikel 7 van de Richtlijn 2004\u002F38\u002FEG. Eiser is een maand voorafgaand aan de onderhavige zaak opgehouden op 3 juni 2026. Hij heeft ter onderbouwing het proces-verbaal van ophouding overgelegd. Op deze dag is onderzoek gedaan naar de arbeidssituatie van eiser. Gebleken is dat eiser arbeid verricht voor een Nederlands uitzendbureau en beschikte over een arbeidscontract. Eiser is vervolgens heengezonden wegens bestendig verblijf. Verweerder kon ten aanzien van de onderhavige maatregel van bewaring op 29 juni 2026 niet zonder meer terugvallen op het standpunt dat sprake is van voortgezet onrechtmatig verblijf. Dit is onverenigbaar met de bevinding op 3 juni 2026. De maatregel van bewaring is dan ook onvoldoende zorgvuldig voorbereid en onvoldoende gemotiveerd.\n\n5.1.. Verweerder heeft aan de maatregel ten grondslag gelegd dat eiser geen rechtmatig verblijf in Nederland heeft, nu zijn verblijfsrecht als Unieburger bij beschikking van 6 maart 2025 is beëindigd. De rechtbank stelt voorop dat de enkele omstandigheid dat het verblijfsrecht van een Unieburger eerder is beëindigd, niet zonder meer meebrengt dat deze op een later moment geen rechten meer aan het Unierecht kan ontlenen. Indien sprake is van gewijzigde feiten en omstandigheden dient verweerder de verblijfsrechtelijke positie van de betrokkene opnieuw te beoordelen alvorens tot het oordeel te komen dat hij geen rechtmatig verblijf heeft.\n\n5.2.. De rechtbank oordeelt als volgt. In de maatregel van bewaring is vermeld dat eiser heeft verklaard werkzaam te zijn voor een Nederlands uitzendbureau en dit ook heeft aangetoond, dat eiser werkzaam is in België waar hij ook wordt voorzien van woonruimte door de werkgever en dat hij in België mag verblijven. Naar het oordeel van de rechtbank vormen deze omstandigheden concrete aanwijzingen dat de feitelijke situatie van eiser sinds de beschikking van 6 maart 2025 is gewijzigd. Van verweerder mocht daarom worden verwacht dat hij kenbaar zou onderzoeken welke betekenis deze gewijzigde omstandigheden hebben voor de actuele verblijfsrechtelijke positie van eiser. Uit de maatregel van bewaring, het gehoor voorafgaand aan deze maatregel en de overige stukken in het dossier is niet gebleken dat een dergelijk onderzoek heeft plaatsgevonden. Daarbij betrekt de rechtbank dat uit het proces-verbaal van ophouding van eiser op 3 juni 2026 blijkt dat eiser is heengezonden, omdat sprake was van ‘mogelijk bestendig verblijf’. Uit het proces-verbaal van verhoor op die dag blijkt dat het werken voor een Nederlands uitzendbureau hier ook aan de orde is geweest. Vervolgens wordt nog geen maand later in de onderhavige maatregel van bewaring zonder kenbare motivering aangenomen dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft. Niet valt in te zien waarom verweerder er zonder nader onderzoek van uit heeft kunnen gaan dat eiser geen aan het Unierecht ontleend verblijfsrecht had. De motivering dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft, is onder deze omstandigheden onvoldoende draagkrachtig. Gelet hierop is de maatregel in strijd met artikel 3:2 en 3:46 van de Awb tot stand gekomen en is dan ook onrechtmatig. Deze beroepsgrond slaagt.\n\nConclusie en gevolgen\n\n6. Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is gegrond. Deze maatregel is vanaf het moment van het opleggen daarvan onrechtmatig. De rechtbank beveelt de opheffing van deze maatregel met ingang van vandaag.\n\n6.1.. Op grond van artikel 106 van de Vw kan de rechtbank indien zij de opheffing van de maatregel van vreemdelingenbewaring beveelt aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen. De rechtbank acht gronden aanwezig om een schadevergoeding toe te kennen voor 10 dagen onrechtmatige (tenuitvoerlegging van de) vreemdelingenbewaring ten bedrage van 0 x € 160,- (verblijf politiecel) en 10 x € 120,- (verblijf detentiecentrum) = € 1.200,-.\n\n6.2.. Eiser krijgt een vergoeding van zijn proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- omdat de gemachtigde van eiser geacht wordt beroep te hebben ingesteld en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep gegrond;\n\n- veroordeelt de Staat der Nederlanden tot het betalen van € 1.200,- aan schadevergoeding aan eiser, te betalen door de griffier en beveelt de tenuitvoerlegging van deze schadevergoeding;\n\n- beveelt de opheffing van de maatregel van vreemdelingenbewaring met ingang van vandaag;\n\n- veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiser.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. S.N. Abdoelkadir, rechter, in aanwezigheid van mr. M. Stehouwer, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.\n\n Het beroep tegen een maatregel van bewaring wordt ook aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding. Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 59c van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 5.5 van het Vb.\n\n Dit volgt uit artikel 5.6, eerste lid, van het Vb.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18726","ecli-nl-rbdha-2026-18726",{"courtName":8,"legalDomain":62,"decisionType":18,"procedureType":19}]