[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"decision-ecli-nl-rbrot-2026-5360":3,"decision-more-ecli-nl-rbrot-2026-5360":20},{"id":4,"ecli":5,"caseNumber":6,"courtId":7,"courtName":8,"courtSlug":9,"decisionDate":10,"fullText":11,"language":12,"source":13,"sourceUrl":14,"summary":6,"slug":15,"metadata":16},"1247","ECLI:NL:RBROT:2026:5360","",61,"Rotterdam","rotterdam","2026-05-13T00:00:00.000Z","RECHTBANK Rotterdam\n\nTeam handel en haven\n\nZaaknummer: C\u002F10\u002F702718 \u002F HA ZA 25-558\n\nVonnis van 13 mei 2026\n\nin de zaak van\n\n1.. ZILVEREN KRUIS ZORGVERZEKERINGEN N.V.,\n\nte Leiden, 2.INTERPOLIS ZORGVERZEKERINGEN N.V.,\n\nte Utrecht, 3.FBTO ZORGVERZEKERINGEN N.V.,\n\nte Leeuwarden, 4.DE FRIESLAND ZORGVERZEKERAAR N.V.,\n\nte Leeuwarden,\n\neisende partijen,\n\nhierna samen te noemen: Zilveren Kruis,\n\nadvocaat: mr. A.H.M. van Noort te Den Haag,\n\ntegen\n\n [gedaagde],\n\n(mede) handelend onder de naam [naam huisartsenpraktijk] ,\n\nte [plaats] ,\n\ngedaagde partij,\n\nhierna te noemen: [naam huisartsenpraktijk] ,\n\nadvocaat: mr. J.B. Maliepaard te Rotterdam.\n\n1. De zaak in het kort\n\n1.1.. Deze zaak gaat over declaraties voor verleende zorg in de avond-, nacht- en weekenduren (ANW-zorg) die [naam huisartsenpraktijk] in 2023 bij Zilveren Kruis heeft ingediend en Zilveren Kruis heeft vergoed. Zilveren Kruis heeft in 2024 een controle naar de feitelijke en terechte levering van die gedeclareerde ANW-zorg uitgevoerd en [naam huisartsenpraktijk] voor die controle geselecteerd. In het kader van die controle is een detailcontrole uitgevoerd op basis van aselecte steekproef van 29 dossiers met 44 declaraties voor ANW-zorg. Die declaraties zijn door een medisch adviseur van Zilveren Kruis beoordeeld. Op basis van het resultaat daarvan vordert Zilveren Kruis dat [naam huisartsenpraktijk] € 233.599,82 aan haar (terug)betaalt. [naam huisartsenpraktijk] is het daar niet mee eens.\n\n1.2.. De rechtbank wijst een tussenvonnis. Zij verwerpt het verweer van [naam huisartsenpraktijk] dat de detailcontrole onrechtmatig was en dat de door Zilveren Kruis gecontroleerde declaraties daarom niet als bewijs gebruikt mogen worden. De rechtbank verwijst de zaak naar de rol om (i) [naam huisartsenpraktijk] gelegenheid te bieden (alsnog) inhoudelijk te reageren op de beoordelingen van 17 declaraties uit de steekproef die Zilveren Kruis (gedeeltelijk) heeft afgekeurd en relevante aanvullende informatie in het geding te brengen (ii) Zilveren Kruis gelegenheid te bieden (alsnog) met schriftelijke stukken te bewijzen dat de steekproef en de uitgevoerde doorberekening van de uitkomst van die steekproef berust op een wetenschappelijk verantwoorde methode.\n\n2. De procedure\n\n2.1.. Het verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- de dagvaarding met producties 1 t\u002Fm 8 en 10 t\u002Fm 24, - de conclusie van antwoord met een productie,\n\n- de brief waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald,\n\n- de akte overlegging producties van Zilveren Kruis, met productie 9 en een uitvergrote versie van een onderdeel van productie 14,\n\n- de akte uitlating tevens overlegging producties van Zilveren Kruis, met producties 25 en 26,\n\n- de akte houdende uitlating van [naam huisartsenpraktijk] ,\n\n- de mondelinge behandeling van 24 februari 2026,\n\n- de ter zitting overgelegde spreekaantekeningen van (de advocaat van) Zilveren Kruis.\n\n2.2.. Ten slotte is vonnis bepaald.\n\n3. De feiten\n\n3.1. (. Ieder van) Zilveren Kruis is een zorgverzekeraar in de zin van de Zorgverzekeringswet.\n\n3.2.. \n [naam huisartsenpraktijk] is een huisartsenpost die spoedeisende zorg in de avonduren en het weekend aanbiedt. Zij is niet aangesloten bij een huisartsendienststructuur en haar praktijk is door de week geopend van 16:00 tot 24:00 uur en in het weekend van 09:00 tot 24:00 uur.\n\n3.3.. Enig aandeelhouder en bestuurder van [naam huisartsenpraktijk] is [persoon A] (verder: [persoon A] ).\n\n3.4.. In het jaar 2023 heeft [naam huisartsenpraktijk] digitaal bij Zilveren Kruis declaraties voor door haar geleverde zorg ingediend. Zilveren Kruis heeft die declaraties voldaan zonder vooraf te toetsen of de gedeclareerde zorg daadwerkelijk is geleverd.\n\n3.5.. In 2024 is Zilveren Kruis overgegaan tot een materiële controle van in 2023 gedeclareerde avond-, nacht- en weekendzorg (verder: ANW-zorg). [naam huisartsenpraktijk] is voor deze controle geselecteerd omdat uit een data-analyse bleek dat zij in 2023 41 declaraties voor ANW-zorg aan bij haar ingeschreven patiënten indiende tegenover 7582 declaraties voor ANW-zorg aan niet bij haar ingeschreven patiënten (verder: passanten).\n\n3.6.. Op de 7582 declaraties voor ANW-zorg aan passanten heeft Zilveren Kruis in totaal € 805.390,53 aan [naam huisartsenpraktijk] betaald.\n\n3.7.. \n\nIn een e-mail van 28 maart 2024 heeft Zilveren Kruis [naam huisartsenpraktijk] over de onder 3.5 bedoelde controle geïnformeerd en haar verzocht 10 procesvragen te beantwoorden. Bij deze e-mail is een bijlage gevoegd met de titel:\n\n‘Specifiek Controleplan Materiële Controle\n\n [nummer] [naam huisartsenpraktijk]\n\nControle naar feitelijke en terechte levering van avond- nacht-,\n\nweekend (ANW)-zorg door huisartsenpraktijken’\n\n(Verder: het Specifiek Controle Plan).\n\n3.8.. \n\nIn het Specifiek Controle Plan staat, naast een omschrijving van de onder 3.5 bedoelde data-analyse, voor zover hier van belang:\n\n“2 Waarom bent u geselecteerd?\n\n[…]\n\nDe ANW-verrichtingentarieven mogen in rekening worden gebracht als wordt voldaan aan\n\nde volgende 3 voorwaarden:\n\n1. De praktijk participeert niet in een huisartsendienstenstructuur Met andere woorden de ANW-zorg is door de huisartsenpraktijk niet uitbesteed aan een huisartsenpost.\n\n2. De zorg is verleend tijdens ANW-uren.\n\n3. Er is vastgesteld dat het tijdstip waarop de hulp is verleend, de patiënt is aan te\n\nrekenen. Met andere woorden de huisartsenpraktijk heeft vastgesteld dat medisch\n\ngezien sprake is van noodzakelijke spoedzorg.\n\nIn deze materiële controle gaan we na of de gedeclareerde ANW-verrichtingentarieven voldoen aan deze 3 voorwaarden die zijn vastgelegd in de in Beleidsregel huisartsenzorg en multidisciplinaire zorg 2023 […]\n\n2.1. \n\nWij hebben uw praktijk geselecteerd voor controle\n\n […]\n\nConsulten voor passanten mogen door de zorgaanbieder alleen in rekening worden gebracht voor incidentele en acute zorg aan niet bij de zorgaanbieder ingeschreven patiënten die bij of krachtens de Zorgverzekeringswet verplicht zijn verzekerd. Het is niet toegestaan het passantentarief in rekening te brengen indien de patiënt, gelet op de aard van de klachten, redelijkerwijs kan worden verwezen naar de huisarts(praktijk) waar de patiënt staat ingeschreven.\n\n3. Hoe voeren wij deze controle uit?\n\nIn de controle wordt nagegaan of u een verklaring heeft voor uw declaraties om de feitelijke en terechte levering ervan vast te stellen.\n\nControlepunten\n\n1. Is sprake geweest van medische noodzakelijke spoedzorg?\n\n2. Is het juiste tarief gedeclareerd:\n\na. Is de verzekerde waarvoor de praktijk ANW-zorg heeft gedeclareerd in 2023 ingeschreven bij de praktijk?\n\nb. Is de door de zorgaanbieder in rekening gebrachte prestatie tijdens ANW-uren geleverd?\n\nc. Participeert de praktijk in een huisartsendienstenstructuur (is ANW-zorg door de huisartsenpraktijk uitbesteed aan huisartsenpost)?\n\nBeoordelingskader\n\n1. Kan de zorgaanbieder aantonen dat er triage heeft plaatsgevonden en de zorgvraag vanuit medisch perspectief zo urgent was dat er zo snel mogelijk (U1), binnen een uur (U2) of binnen enkele uren (U3) actie moest worden ondernomen?\n\n2. Kan de zorgaanbieder aantonen dat de in rekening gebrachte prestatie tijdens ANW-uren is geleverd?\n\n3. Participeert de praktijk in een huisartsendienstenstructuur (is ANW-zorg door de huisartsenpraktijk uitbesteed aan huisartsenpost)?\n\nUitvoering\n\nWij voeren deze controle in meerdere controlestappen uit. Wij zorgen ervoor dat algemene controlemiddelen zoveel mogelijk als eerst worden ingezet.\n\nVoor dit onderzoek maken wij in eerste instantie gebruik van de volgende algemene\n\ncontrolemiddelen:\n\n- Data-analyse\n\n- Procescontrole\n\n[…] Bij onvoldoende verklaring gaan wij over tot een volgende controlestap. Een volgende stap in de controle is een:\n\nDetailcontrole (aanlevering van aanvullende informatie over de uitkomst van de triage en het tijdstip waarop de zorg is geleverd) […]”\n\n3.9.. In een e-mail van 28 maart 2024 heeft [persoon A] namens [naam huisartsenpraktijk] de procesvragen van Zilveren Kruis beantwoord. Deze antwoorden heeft hij later in een gesprek met een medewerker van Zilveren Kruis toegelicht (het procesgesprek).\n\n3.10.. In een e-mail van 22 mei 2024 heeft Zilveren Kruis aan [naam huisartsenpraktijk] meegedeeld dat zij nog onvoldoende zekerheid heeft over de feitelijke en terechte levering van de gedeclareerde ANW-zorg en dat zij daarom overgaat tot een detailcontrole. Bij deze e-mail is een brief van 21 mei 2024 gevoegd, waarin Zilveren Kruis [naam huisartsenpraktijk] onder meer informeert over haar bevindingen in het procesgesprek.\n\n3.11.. Voor de detailcontrole heeft Zilveren Kruis een aselecte steekproef uitgevoerd van 29 dossiers met 44 declaraties van [naam huisartsenpraktijk] voor ANW-zorg aan passanten die bij Zilveren Kruis verzekerd waren. Een medisch adviseur heeft die dossiers en declaraties inhoudelijk beoordeeld en geconcludeerd dat in 17 gevallen geen sprake was van verzekerde, aan passanten geleverde incidentele en acute ANW-zorg.\n\n3.12.. In een brief van 16 augustus 2024 heeft Zilveren Kruis [naam huisartsenpraktijk] geïnformeerd over haar bevindingen en haar uitgenodigd voor een hoor en wederhoor gesprek. Dit gesprek vond uiteindelijk plaats op 25 september 2024.\n\n3.13.. In een brief van 16 oktober 2024 heeft Zilveren Kruis aan [naam huisartsenpraktijk] medegedeeld dat zij € 233.599,82 aan onrechtmatig gedeclareerde zorg terugvordert. In een bijlage bij deze brief heeft Zilveren Kruis dit bedrag gespecificeerd als volgt:\n\n2023\n\npopulatie ZK-\n\nverzekerden\n\nsteekproef ZK-verzekerden\n\nfouten in steekproef\n\nZK-verzekerden\n\naantal declaraties\n\n7.582\n\n44\n\n17\n\nTotaal bedrag declaraties\n\n€\n\n805.390,53\n\n€\n\n 4.838,47\n\n€\n\n1.754,22\n\nGemiddeld bedrag\n\n€\n\n106,22\n\n€\n\n 109,97\n\n€\n\n 103,19\n\nProcentuele doorberekening (fout in steekproef\u002F totaal bedrag declaraties * 100%\n\n36%\n\nVaststelling bruto vordering: %fout in steekproef * totaal bedrag declaraties populatie\n\n€\n\n291.999,78\n\nVaststelling netto vordering: 80% van bruto vordering\n\n€\n\n233.599,82\n\n3.14.. Op 18 december 2024 zond ieder van Zilveren Kruis een factuur aan [naam huisartsenpraktijk] voor het specifieke aan haar terug te betalen deel van het bedrag van € 233.599,82. Deze vier facturen heeft [naam huisartsenpraktijk] niet betaald.\n\n3.15.. \n\nVoor het bepalen van de urgentie van de klacht van een patiënt is de Nederlandse Triage Standaard (NTS) ontwikkeld. De NTS kent 6 urgenties:\n\nU0: uitval vitale functies – resucitatie (reanimatie)\n\nU1: instabiele vitale functies – direct levensgevaar (onmiddellijk)\n\nU2: bedreiging van vitale functies of orgaanschade (zo snel mogelijk)\n\nU3: reële kans op schade\u002Fhumane redenen (binnen enkele uren)\n\nU4: verwaarloosbare kans op schade (dezelfde dag)\n\nU5: geen kans op schade (de volgende werkdag).\n\n4. Het geschil\n\n4.1.. Zilveren Kruis vordert - samengevat - :\n\n [naam huisartsenpraktijk] te veroordelen tot betaling van € 233.599,82, vermeerderd met rente en kosten;\n\n [naam huisartsenpraktijk] te veroordelen in de kosten van het geding, vermeerderd met rente, en in de nakosten.\n\n4.2.. \n [naam huisartsenpraktijk] voert verweer. [naam huisartsenpraktijk] concludeert tot niet-ontvankelijkheid van Zilveren Kruis, dan wel tot afwijzing van de vordering van Zilveren Kruis, met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van Zilveren Kruis in de kosten van deze procedure.\n\n4.3.. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.\n\n5. De beoordeling\n\nDe detailcontrole was rechtmatig en de bevindingen daaruit mogen als bewijs worden gebruikt\n\n5.1.. \n [naam huisartsenpraktijk] voert ten eerste als verweer dat de detailcontrole onrechtmatig was en dat daarom de bevindingen uit de detailcontrole niet als bewijs gebruikt mogen worden. Omdat dit verweer het meest verstrekkend is, beoordeelt de rechtbank deze als eerste.\n\n5.2.. \n [naam huisartsenpraktijk] stelt dat de detailcontrole onrechtmatig was omdat in het Specifiek Controle Plan het doel van de materiële controle onvoldoende is weergegeven en daaruit niet duidelijk is wanneer met voldoende zekerheid komt vast te staan dat de gedeclareerde prestatie is geleverd. Zilveren Kruis heeft namelijk een onjuiste voorwaarde voor de materiële controle gehanteerd door onder 2.1 in het Specifiek Controle Plan de voorwaarde voor passantentarieven op te nemen en onderzoek te doen naar passanten, terwijl de declaraties zijn gedaan op basis van ANW-zorg. Verder is niet voldaan aan de voorwaarden voor een detailcontrole. Zilveren Kruis had op het moment dat zij de detailcontrole inzette namelijk alle benodigde informatie om haar onderzoek af te ronden. [naam huisartsenpraktijk] heeft alle procesvragen beantwoord en het hoge aantal passanten waaraan [naam huisartsenpraktijk] ANW-zorg leverde is daarmee verklaard. Er kon geen twijfel over bestaan dat de ANW-zorg feitelijk was geleverd. Ook heeft Zilveren Kruis lichtere middelen dan de detailcontrole niet benut door in de materiële controle geen vragen te stellen naar individuele patiëntendossiers en na te laten om toestemming van individuele patiënten te vragen om hun patiëntendossiers in te zien. Verder stelt [naam huisartsenpraktijk] dat het Zilveren Kruis misbruik van bevoegdheid maakte, omdat zij de detailcontrole inzette om een middel te vinden om [naam huisartsenpraktijk] aan te pakken. [naam huisartsenpraktijk] maakt namelijk geen deel uit van een huisartsendienstenstructuur en biedt een voor de zorgverzekeraars duurder alternatief voor ANW-zorg van gecontracteerde aanbieders in een huisartsendienstenstructuur. Als Zilveren Kruis dat tegen wil gaan, moet ze zorgen dat de regels voor het leveren van ANW-zorg worden gewijzigd.\n\n5.3.. Zilveren Kruis spreekt tegen dat detailcontrole onrechtmatig was. De materiële controle betrof de gedeclareerde ANW-zorg. Daarover bestond geen onduidelijkheid. [naam huisartsenpraktijk] is voor de materiële controle geselecteerd omdat uit een data-analyse bleek dat zij relatief extreem veel consulten voor passanten voor ANW-zorg in rekening bracht. Niet juist is dat de passantentarieven en ANW-tarieven daarin met elkaar zijn verweven. De passantentarieven zijn alleen van belang als niet is voldaan aan de voorwaarden voor het ANW-tarief maar de zorg wel acuut was. Tot de detailcontrole is overgegaan omdat na het beantwoorden van de procesvragen en de toelichting daarop in het procesgesprek onvoldoende zekerheid bestond over met name de terechte levering van de door [naam huisartsenpraktijk] gedeclareerde ANW-zorg. Eén en ander is in overeenstemming met het Specifiek Controle Plan dat Zilveren Kruis aan [naam huisartsenpraktijk] heeft toegezonden en de relevante wet- en regelgeving voor het instellen van een detailcontrole. Het verwijt dat Zilveren Kruis haar controlebevoegdheid heeft misbruikt is onterecht.\n\n5.4.. De rechtbank verwerpt het verweer omdat het ongegrond is en licht dit toe als volgt.\n\n5.5.. Zorgverzekeraars zijn in het kader van de uitvoering van de Wet marktordening gezondheidszorg (Wmg) bevoegd én verplicht om formele en materiële controles bij zorgaanbieders uit te voeren. Die controles dienen plaats te vinden in overeenstemming met de bepalingen van de Wmg en de Zorgverzekeringswet: de Nadere regel controle en administratie zorgverzekeraars, de Regeling zorgverzekering (hierna: Rzv) en het Besluit zorgverzekering (hierna: Bzv). Het doel van deze controles is onder meer dat de (schaarse) middelen voor gezondheidszorg adequaat en juist worden ingezet.\n\n5.6.. Bij een materiële controle gaat een zorgverzekeraar na of de zorg die is gedeclareerd daadwerkelijk is geleverd én of die zorg redelijkerwijs was aangewezen, gezien de gezondheidssituatie van de verzekerde (artikel 1 lid 1 sub u Rzv).\n\n5.7.. Voorafgaand aan de uitvoering van een materiële controle moet de zorgverzekeraar het doel ervan vaststellen door te bepalen wanneer voldoende zekerheid is verkregen dat de door de zorgaanbieder in rekening gebrachte prestatie is geleverd en of die geleverde prestatie het meest was aangewezen gezien de gezondheidstoestand van de verzekerde (art. 7.5 lid 1 Rzv). Die vaststelling geschiedt met inachtneming van het bepaalde in artikel 2.1 Bzv en zodanig dat voor verzekerden en zorgaanbieders zoveel mogelijk inzichtelijk is welke maatstaven daarbij gelden (art. 75 lid 2 Rzv).\n\n5.8.. Bij een materiële controle kan een zorgverzekeraar een detailcontrole inzetten: een onderzoek naar bij de zorgaanbieder berustende persoonsgegevens met betrekking tot eigen verzekerden ten behoeve van de materiële controle (artikel 1 lid 1 onder x Rzv). Een detailcontrole (waaronder inzage in medische persoonsgegevens) kan alleen worden uitgevoerd als is voldaan aan de daarvoor geldende voorwaarden (art. 7.8 Rzv).\n\n5.9.. De stelling dat niet aan de eis van art. 7.5 lid 1 Rzv (zie 5.7) is voldaan, volgt de rechtbank niet. De titel en de inhoud van het Specifiek Controleplan laat er geen twijfel over bestaan dat de feitelijke en terechte levering van ANW-zorg het doel van de controle is en dat de controle plaats zou vinden aan de hand van de voorwaarden voor het declareren van het ANW-tarief. Aldus heeft Zilveren Kruis de maatstaven die zij bij de beoordeling zou hanteren voldoende inzichtelijk gemaakt. De omstandigheid dat onder 2.1 de voorwaarden voor het passantentarief zijn vermeld maakt dat niet anders. Daarbij komt dat [naam huisartsenpraktijk] niet stelt hoe het beoordelingskader inzichtelijker gemaakt had kunnen worden.\n\n5.10.. Blijft over de vraag of Zilveren Kruis bij de materiële controle het middel van een detailcontrole mocht inzetten.\n\n5.11.. \n [naam huisartsenpraktijk] beroept zich op onrechtmatigheid van de detailcontrole en de gevolgen daarvan. Dit betekent dat zij concrete feiten moet stellen waaruit die onrechtmatigheid volgt en die feiten moet bewijzen indien Zilveren Kruis die met goede argumenten tegenspreekt (hoofdregel van art. 150 Rv).\n\n5.12.. Eén van de voorwaarden waaraan moet zijn voldaan als een zorgverzekeraar een detailcontrole wil uitvoeren is dat het vastgestelde specifieke doel van de materiële controle niet zonder detailcontrole kan worden bereikt (art. 7.8 lid 1 onder c Rzv). Kennelijk bedoelt [naam huisartsenpraktijk] met haar stelling, dat Zilveren Kruis voorafgaand aan het inzetten van de detailcontrole reeds alle informatie had om haar onderzoek af te ronden, dat aan deze voorwaarde niet is voldaan.\n\n5.13.. Die stelling van [naam huisartsenpraktijk] volgt de rechtbank niet omdat Zilveren Kruis na het beantwoorden van de procesvragen en het procesgesprek onvoldoende zekerheid had de door [naam huisartsenpraktijk] gedeclareerde ANW-zorg voor passanten steeds aan de daarvoor geldende voorwaarden voldeed. De rechtbank baseert dit op het volgende.\n\n5.14.. Het doel van de materiële controle is na te gaan of de gedeclareerde ANW-verrichtingentarieven voldoen aan de voorwaarden die zijn vastgelegd in de in Beleidsregel huisartsenzorg en multidisciplinaire zorg 2023 (zie 3.8).\n\n5.15.. \n\nVoor huisartsen die niet participeren in een huisartsendienstenstructuur is een separaat consulttarief van kracht voor incidentele en acute huisartsenhulp gedurende de ANW-uren. Het declareren van het tarief is alleen toegestaan indien de zorg is verleend tijdens ANW-uren en indien vaststaat dat het tijdstip waarop de hulp is verleend, de patiënt is aan te rekenen (art. 8 lid 2 Beleidsregel huisartsenzorg en multidisciplinaire zorg 2023). Dit betekent dat de huisartsenpraktijk heeft vastgesteld dat er medisch gezien sprake is van noodzakelijke spoedzorg, zoals ook is vermeld in het specifiek controleplan.\n\nANW-uren zijn de uren:\n\n– tussen 18.00 uur en 08.00 uur;\n\n– tussen 08.00 uur en 18.00 uur op zaterdag of zondag;\n\n– tussen 08.00 uur en 18.00 uur op officiële feestdagen;\n\n(art. 1 Beleidsregel huisartsenzorg en multidisciplinaire zorg 2023).\n\n5.16.. Op de volgende procesvragen van Zilveren Kruis heeft [naam huisartsenpraktijk] , voor zover hier van belang, geantwoord:\n\nVraag 2: “Wat zijn de openingstijden van uw praktijk en - indien u participeerde in een\n\nhuisartsendienstenstructuur in 2023 - overlappen de openingstijden van uw praktijk met die van de huisartsenpost?”\n\nAntwoord: “De openingstijden zijn elke door de weekse dag van 16;00-24;00 en in het weekend van 09;00-24;00\n\nDe tijden tussen 16;00 tot 17;00 wordt gebruikt voor fysieke beoordeling van eigen patiënten die zijn ingepland. […]\n\nVoor de spoed patiënten die worden ingeplant vanaf 17;00 en verder door de weeks en of 09 00 en verder in het weekend wordt het systeem Topicus Vip Live gebruik gemaakt. Dit systeem wordt ook in de grotere Huisartsenposten gebruikt zoals de CHPR Rotterdam Rijnmond. […]”\n\nVraag 4: “Op welke manier verloopt het contact en de triage tijdens ANW-uren voor patiënten?”\n\nAntwoord: “Over het algemeen a 95% nemen patiënten telefonisch contact. Hierbij wordt aan de hand van een vragenlijst welke is opgenomen in de Topicus Vip Live SPoed EPD de klachten en urgentie doorgenomen. Hieruit volgt een urgentie bepaling. Bij afwijkende of onduidelijke urgentie uitkomsten en of ernst van de klacht wordt overlegd met de huisarts voor verder beleid.\n\nEen deel van patiënten die komt binnen lopen, volgt een triage aan de balie of in een apart onderzoekskamer. Aan de hand van de uitkomst van de triage wordt patiënt beoordeeld, geholpen.”\n\nVraag 5: “Wie beoordeelt of de zorgvraag van een patiënt medisch gezien noodzakelijke spoedzorg betreft?”\n\nAntwoord: “De urgentie bepaling aan de hand van de NTS triage systeem zorgt voor 95 % van de bepaling of een patiënt gezien dient te worden. Voor 100 % bepaalt de tuchtrechter of de patiënt adequaat geholpen is.”\n\nVraag 9: “Hoe gaat u om met de zorgvraag van een passant […] tijdens ANW-uren? Gaat u na of de passant gelet op de aard van de klachten redelijkerwijs kan worden verwezen naar de huisartsenpraktijk\u002Fhuisartsendienstenstructuur waar de patiënt staat ingeschreven?\n\nAntwoord: “Zorg wordt geleverd op basis van acuut medisch noodzakelijke zorg obv NTS triage systeem.”\n\n5.17.. \n\nIn haar brief van 21 mei 2024 schrijft Zilveren Kruis, voor zover hier van belang:\n\n“In het procesgesprek op 6 mei 2024 bespraken wij dat uw praktijk opvallend veel ANW-zorg declareert voor passanten. U gaf aan dat:\n\nPraktijk Hillesluis nog ca 150 op naam ingeschreven verzekerden heeft waaraan 24-uurs zorg wordt geleverd.\n\nPraktijk Hillesluis als (niet-gecontracteerde) huisartsenpost veel spoedzorg levert en hiervoor van 16 uur tot 23 uur telefonisch bereikbaar is.\n\nPassanten bij [naam huisartsenpraktijk] terecht komen vanwege wachttijden bij de eigen huisarts en omdat de CHPR (Rb: Centrale Huisartsenposten Rijnmond) bekend staat als ‘afhoudpost’.\n\nPraktijk Hillesluis nagaat of een patiënt redelijkerwijs kan worden verwezen naar de praktijk waar de patiënt is ingeschreven. Indien geen sprake is van spoedzorg (U1, U2, U3 en incidenteel U4) worden passanten verwezen naar de eigen huisarts.\n\n[…]”\n\n5.18.. Uit de voormelde antwoorden [naam huisartsenpraktijk] volgt dat zij vanaf 16:00 uur telefonisch bereikbaar is voor eigen patiënten en voor passanten, en dat passanten reeds tussen 17:00 uur en 18:00 uur bij haar ingepland kunnen worden, terwijl dan nog niet het ANW-tarief van toepassing is. Ook volgt uit de voormelde toelichting dat passanten makkelijker en sneller bij [naam huisartsenpraktijk] terecht kunnen dan bij de eigen huisarts en de Centrale Huisartsenposten Rijnmond. Op basis daarvan kon Zilveren Kruis er redelijkerwijs aan twijfelen of het feit dat [naam huisartsenpraktijk] zich toelegt op ANW-zorg de enige verklaring is voor het grote verschil tussen de aantallen declaraties voor geleverde ANW-zorg aan eigen patiënten en aan passanten. Zilveren Kruis kon daarom redelijkerwijs oordelen dat er onvoldoende zekerheid was dat de door [naam huisartsenpraktijk] gedeclareerde ANW-zorg voor passanten steeds voldeed aan de in de Beleidsregel huisartsenzorg en multidisciplinaire zorg 2023 daarvoor vastgelegde voorwaarden.\n\n5.19.. Daaraan doet niet af dat [naam huisartsenpraktijk] ter zitting heeft tegengesproken dat [persoon A] in het procesgesprek heeft gezegd wat in 5.17 onder het derde gedachtestreepje staat. Indien die weergave onjuist is, kan [naam huisartsenpraktijk] dat nu niet meer aan Zilveren Kruis tegenwerpen. Niet gesteld is namelijk dat [naam huisartsenpraktijk] na ontvangst van de brief van 21 mei 2024 heeft geprotesteerd tegen die weergave van de mededelingen van [persoon A] in het procesgesprek. Op het moment dat Zilveren Kruis feitelijk tot de detailcontrole overging mocht zij daarom redelijkerwijs vertrouwen op de juistheid van de informatie waarop zij haar beslissing om die controle uit te voeren heeft gebaseerd.\n\n5.20.. De stelling van [naam huisartsenpraktijk] dat Zilveren Kruis lichtere middelen dan de detailcontrole niet heeft benut, betreft kennelijk ook de voorwaarde dat het vastgestelde specifieke doel van de materiële controle niet zonder detailcontrole kan worden bereikt. Ook deze stelling volgt de rechtbank niet. Niet in te zien valt dat algemene vragen over individuele patiëntendossiers zouden kunnen bijdragen aan zekerheid over de feitelijke en terechte levering van de gedeclareerde ANW-zorg. Ook valt niet in te zien dat het benaderen van patiënten voor toestemming om hun patiëntendossier in te zien, een lichter middel is dan de uitgevoerde steekproef. [naam huisartsenpraktijk] heeft dit alles ook niet toegelicht.\n\n5.21.. \n [naam huisartsenpraktijk] heeft geen andere concrete feiten gesteld waaruit volgt dat de in art. 7.8 lid 1 Rzv vermelde voorwaarden om tot detailcontrole over te kunnen gaan, zijn geschonden.\n\n5.22.. De rechtbank volgt [naam huisartsenpraktijk] evenmin in haar stelling dat Zilveren Kruis haar bevoegdheid heeft misbruikt door de detailcontrole slechts in te zetten om een middel te vinden om [naam huisartsenpraktijk] aan te pakken. De rechtbank licht dat toe als volgt.\n\n5.23.. Van misbruik van bevoegdheid is onder meer sprake als een persoon een bevoegdheid gebruikt voor een ander doel dan waarvoor hem deze is verleend (art. 3:13 lid 2 BW). [naam huisartsenpraktijk] doet daar een beroep op en moet daarom concrete feiten stellen waaruit volgt dat Zilveren Kruis haar bevoegdheid om een detailcontrole uit te voeren heeft gebruikt met een ander doel dan waarvoor deze is verleend en die feiten bewijzen als Zilveren Kruis ze met goede argumenten tegenspreekt (hoofdregel art. 150 Rv).\n\n5.24.. Niet ter discussie staat dat het leveren van ANW-zorg aan passanten buiten een huisartsendienstenstructuur, voor een zorgverzekeraar extra kosten oplevert. De zorgverzekeraars vergoeden namelijk standaard een bedrag aan (de eigen) huisartsen die wel binnen een huisartsendienstenstructuur functioneren voor ANW-zorg aan eigen en andere ingeschreven patiënten binnen de huisartsendienstenstructuur. Die vergoeding wordt dus ook voldaan aan de eigen huisartsen van de passanten die gebruik maken van [naam huisartsenpraktijk] , voor zover die eigen huisartsen zijn aangesloten bij een huisartsendienstenstructuur, wat bijna altijd het geval is. [naam huisartsenpraktijk] ervaart het feit, dat als het ware dubbel betaald wordt door de zorgverzekeraars, als de reden voor het uitvoeren van detailcontrole. Maar in het licht van wat onder 5.5 t\u002Fm 5.19 is overwogen, is die conclusie objectief beschouwd niet gerechtvaardigd. Bijkomende concrete feiten waaruit die reden toch kan worden afgeleid, heeft [naam huisartsenpraktijk] niet gesteld. Dat een lokale politieke partij in september 2024 in de media heeft verklaard dat zij samen met zorgverzekeraars aan de slag gaat om huisartsenposten zoals [naam huisartsenpraktijk] aan te pakken is ook niet zo’n concreet feit. Op dat moment was de detailcontrole namelijk al uitgevoerd en bovendien volgt uit de gestelde verklaring niet zonder meer dat Zilveren Kruis tot de daarin bedoelde zorgverzekeraars behoort.\n\n5.25.. Dit alles leidt ertoe dat de rechtbank het verweer van [naam huisartsenpraktijk] , dat de detailcontrole onrechtmatig was, als ongegrond verwerpt. Er is dan ook geen reden om de bevindingen uit de detailcontrole buiten beschouwing te laten.\n\nOnverschuldigde betaling, toetsingskader en bewijslastverdeling\n\n5.26.. Zilveren Kruis baseert haar vordering ten eerste op onverschuldigde betaling (art. 6:203 BW). Van onverschuldigde betaling is sprake indien een rechtsgrond voor een betaling ontbrak. Dit betekent dat Zilveren Kruis concrete feiten moet stellen waaruit volgt dat zij het gevorderde bedrag zonder rechtsgrond aan [naam huisartsenpraktijk] heeft betaald en dat zij die feiten moet bewijzen als [naam huisartsenpraktijk] ze met goede argumenten tegenspreekt (hoofdregel art. 150 Rv).\n\n5.27.. \n\nZilveren Kruis heeft voldoende gesteld. Zij stelt namelijk dat zij een deel van de declaraties van [naam huisartsenpraktijk] voor ANW-zorg aan passanten in 2023 van in totaal\n\n€ 233.599,22 zonder rechtsgrond heeft voldaan, omdat die declaraties niet voldoen aan de voorwaarden voor het declareren van het ANW-tarief. Dit betreft de voorwaarden dat:\n\nde zorg is geleverd tijdens de ANW-uren;\n\ner sprake is van medisch noodzakelijke spoedzorg.\n\nZilveren Kruis baseert dit op de steekproef die zij in het kader van de detailcontrole heeft uitgevoerd. Zij stelt dat daaruit volgt dat 15 van de 44 gecontroleerde declaraties niet voor vergoeding in aanmerking komen omdat er geen sprake is van medisch noodzakelijke spoedzorg en dat in 2 andere gevallen de zorg buiten ANW-uren is geleverd zodat slechts aanspraak bestaat op een lager tarief dan het ANW-tarief. Verder stelt Zilveren Kruis dat de uitgevoerde steekproef een betrouwbaar en representatief beeld biedt van het declaratiepatroon, zodat de uitkomst daarvan op de door haar gevolgde wijze kan worden doorberekend naar het totaal van de declaraties voor ANW-zorg aan passanten in 2023 (zie 3.13).\n\n5.28.. \n [naam huisartsenpraktijk] is het niet eens met het oordeel van de medisch adviseur van Zilveren Kruis over de gecontroleerde declaraties. Zij voert aan dat Zilveren Kruis ten onrechte uitgaat van volledigheid van de informatie in de aan haar verstrekte dossiers. Een zorgverzekeraar mag ook niet op de stoel van de huisarts gaan zitten, omdat dat de autonomie van de huisarts aantast die ook aan tuchtrechtelijke regels is gebonden, aldus [naam huisartsenpraktijk] .\n\n5.29.. \n\nHet argument van [naam huisartsenpraktijk] dat een zorgverzekeraar niet op de stoel van een huisarts mag gaan zitten, snijdt geen hout. Een materiële controle houdt namelijk ook in dat een zorgverzekeraar controleert of de geleverde zorg wel redelijkerwijs was aangewezen, gezien de gezondheidssituatie van de verzekerde (art. 1 lid 1 sub u Rzv). Vanzelfsprekend moet bij die controle rekening worden gehouden met de informatie die de huisarts op het moment van handelen had, zijn verplichting om de zorg van een goed hulpverlener in acht\n\nte nemen en de daarbij voor hem geldende professionele standaarden. Dat staat er echter niet aan in de weg dat het handelen van een huisarts kan worden beoordeeld door een zorgverzekeraar. Het brengt wel mee dat de zorgverzekeraar daarvoor een medisch adviseur met de kennis en ervaring van een huisarts dient in te schakelen, maar dat heeft Zilveren Kruis gedaan.\n\n5.30.. Aan bewijslevering voor de door Zilveren Kruis gestelde feiten wordt pas toegekomen als [naam huisartsenpraktijk] deze feiten met goede argumenten tegenspreekt. Daarvoor is niet voldoende dat [naam huisartsenpraktijk] in zijn algemeenheid aanvoert dat de informatie die de medisch adviseur van Zilveren Kruis heeft beoordeeld niet volledig is omdat deze niet bij het telefoongesprek met de patiënt en het consult aanwezig was. Niet gesteld is namelijk dat Zilveren Kruis meer informatie kon en moest opvragen dan zij heeft gedaan. Verder geldt dat het Nederlandse zorgstelsel wordt gekenmerkt door een grote informatie-asymmetrie tussen zorgaanbieder en zorgverzekeraar. Dit gegeven brengt mee dat de zorgverzekeraar vertrouwen moet kunnen stellen in de juistheid van de door de zorgaanbieder ingediende declaraties. Tegelijk belemmert de informatie-asymmetrie de zorgverzekeraar in het leveren van bewijs van onregelmatige zorgdeclaraties. Tegen deze achtergrond en gelet op het maatschappelijk belang dat geen zorgkosten in strijd met artikel 35 lid 1 Wmg worden gedeclareerd, is een verlichting van de stelplicht en bewijslast van zorgverzekeraars in zoverre passend dat de zorgaanbieder dient te concretiseren welke relevante informatie voor de controle van zijn declaraties ontbreekt en de ontbrekende informatie, die zich in zijn domein bevindt, dient te verstrekken (vgl. ECLI:NL:GHAMS:2019:1463).\n\n [naam huisartsenpraktijk] mag nog inhoudelijk reageren op de beoordelingen van de medisch adviseur van Zilveren Kruis\n\n5.31.. \n [naam huisartsenpraktijk] heeft de rechtbank verzocht haar de mogelijkheid te bieden om alsnog inhoudelijk te reageren op de beoordelingen van de medisch adviseur van Zilveren Kruis. Zij stelt dat zij dat niet eerder adequaat heeft kunnen doen omdat Zilveren Kruis pas voorafgaand aan de mondelinge behandeling de (geanonimiseerde) beoordeelde dossiers en een leesbare versie van het werkbestand met de beoordelingen van de medisch adviseur heeft overgelegd en [persoon A] in de weken voorafgaand aan de mondelinge behandeling met vakantie was.\n\n5.32.. Zilveren Kruis heeft bezwaar tegen de inwilliging van dat verzoek. Zij vindt dat [naam huisartsenpraktijk] al voldoende gelegenheid heeft gehad om inhoudelijk te reageren op de beoordelingen van de medisch adviseur van Zilveren Kruis en dat [naam huisartsenpraktijk] dat ook adequaat kon doen. De dossiers zijn namelijk van [naam huisartsenpraktijk] afkomstig en zijn in het kader van de controle met [naam huisartsenpraktijk] besproken. Verder is van belang dat [naam huisartsenpraktijk] in haar conclusie van antwoord ook inhoudelijk op enkele dossiers is ingegaan.\n\n5.33.. De rechtbank zal [naam huisartsenpraktijk] de gelegenheid bieden om bij akte (alsnog) inhoudelijk te reageren op de beoordelingen van de medisch adviseur die de in totaal 17 (gedeeltelijk) afgekeurde declaraties betreffen en eventuele ontbrekende informatie aan te vullen. Hierbij laat de rechtbank in het midden of [naam huisartsenpraktijk] eerder adequaat daarop heeft kunnen reageren. De procedure wordt namelijk niet onredelijk vertraagd als [naam huisartsenpraktijk] daarvoor nog gelegenheid wordt geboden. Zilveren Kruis moet nog stukken in het geding brengen die zij eerder in het geding had dienen te brengen (zie 5.36) en het zou tot een onnodig hoger beroep kunnen leiden indien partijen nu geen gelegenheid wordt geboden hun processuele tekortkomingen te herstellen.\n\nZilveren Kruis moet aantonen dat de steekproef voldoende representatief is voor de uitgevoerde doorberekening van het resultaat\n\n5.34.. Voor de toelaatbaarheid van het doorberekenen van resultaten van steekproeven is vereist dat de steekproeven en de doorberekening geschieden volgens een wetenschappelijk verantwoorde methodiek. Daarbij dient aandacht te worden besteed aan de volgende aspecten:\n\nde steekproef dient zowel in absolute als in relatieve zin van voldoende omvang te zijn om een voldoende betrouwbaar beeld van het declaratiepatroon te geven;\n\nde steekproef dient aselect te zijn en de gevolgde procedure bij het nemen van de steekproef dient inzichtelijk te worden gemaakt;\n\nde steekproef dient ook in de tijd gezien representatief te zijn voor de periode waarover de doorberekening plaatsvindt;\n\nhet doorberekenen dient uitsluitend per soort gedeclareerde verrichting plaats te vinden naar het totale declaratiebedrag voor die specifieke verrichting over de periode, waarvoor de steekproef representatief kan worden geacht;\n\nbij het doorberekenen van een steekproefresultaat zal een zekere onbetrouwbaarheidsmarge in acht dienen te worden genomen, waarvan de bandbreedte groter zal moeten zijn naarmate de steekproef relatief van geringer omvang was.\n\n5.35.. Zilveren Kruis stelt, maar heeft vooralsnog niet onderbouwd, dat de uitgevoerde steekproef een betrouwbaar en representatief beeld van het declaratiepatroon biedt en het resultaat daarvan op de toegepaste wijze kan worden doorberekend omdat deze berust op een wetenschappelijk verantwoorde methodiek. Zij biedt bewijs aan van deze stelling door middel van schriftelijke stukken. [naam huisartsenpraktijk] bestrijdt bij gebrek aan onderbouwing dat de uitgevoerde steekproef voldoende representatief is om het resultaat te kunnen doorberekenen en dat er een onbetrouwbaarheidmarge is ingebouwd (de onder 5.34 onder a en e vermelde aspecten).\n\n5.36.. De rechtbank draagt Zilveren Kruis op te bewijzen dat de steekproef en de uitgevoerde doorberekening zijn gebaseerd op een wetenschappelijk methodiek waarin recht wordt gedaan aan de onder 5.34 onder a en e vermelde aspecten. Gelet op de eerdere betwisting van [naam huisartsenpraktijk] en de beperkte omvang van de vordering die resteert als extrapolatie niet toelaatbaar is, mocht van Zilveren Kruis worden verwacht dat zij dit bewijs al eerder in het geding zou brengen. Aangezien [naam huisartsenpraktijk] de onder 5.33 vermelde gelegenheid krijgt, krijgt Zilveren Kruis de gelegenheid voormeld bewijs alsnog te leveren. Mogelijk is de bepaling van de netto vordering van Zilveren Kruis op 80% van de bruto vordering bedoeld als het in acht nemen van een onbetrouwbaarheidsmarge. Zilveren Kruis dient dit op te helderen.\n\nHet vervolg van de procedure\n\n5.37.. De rechtbank zal de zaak naar de rol verwijzen om [naam huisartsenpraktijk] in de gelegenheid te stellen zich bij akte uit te laten over het oordeel van de medisch adviseur van Zilveren Kruis over de 17 (deels) afgekeurde declaraties en eventuele aanvullende informatie in het geding te brengen.\n\n5.38.. Zilveren Kruis zal daarop bij akte kunnen reageren en daarbij tevens het onder 5.36 bedoelde bewijs dienen te leveren.\n\n5.39.. \n [naam huisartsenpraktijk] zal zich vervolgens bij akte daarover kunnen uitlaten.\n\n5.40.. De rechtbank overweegt om een deskundige te benoemen in het geval dat partijen van mening blijven verschillen over de beoordeling van (een deel van) de 17 (gedeeltelijk) afgekeurde declaraties. Zilveren Kruis heeft echter al een eigen deskundige ingeschakeld (haar medisch adviseur) van wie een rapport is overgelegd (het werkbestand met de beoordeling) en [naam huisartsenpraktijk] heeft ter zitting verklaard dat zij mogelijk een eigen deskundige inschakelt. Dat brengt mee dat de rechtbank in beginsel eerst de partijdeskundige(n) gelegenheid dient te geven zijn\u002Fhun rapport(en) mondeling of schriftelijk toe te lichten en aan te vullen, voordat zij tot benoeming van een deskundige over gaat. Hierop geldt slechts een uitzondering indien de rechtbank die toelichting(en)\u002F aanvulling(en) niet zinvol acht (art. 192 lid 5 Rv jo art. 186 lid 5 Rv). Gelet op dit alles verzoekt de rechtbank partijen om zich in de onder 5.37 en 5.38 bedoelde akten ook uit te laten over de vraag of toelichting(en)\u002Faanvullingen van de partijdeskundige(n) zinvol zijn.\n\n5.41.. Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.\n\n6. De beslissing\n\nDe rechtbank\n\n6.1.. draagt Zilveren Kruis op te bewijzen dat de steekproef en de uitgevoerde doorberekening van het resultaat daarvan zijn gebaseerd op een wetenschappelijk methodiek waarin recht is gedaan aan de onder 5.34 onder a en e vermelde aspecten;\n\n6.2.. verwijst de zaak naar de rol van 10 juni 2026 voor een akte van [naam huisartsenpraktijk] als bedoeld onder 5.37, en:\n\nvervolgens op een termijn van vier weken voor een akte van Zilveren Kruis als bedoeld onder 5.38 en 5.40, en\n\ntot slot op een termijn van vier weken voor een akte van [naam huisartsenpraktijk] als bedoeld onder 5.39 en 5.40;\n\n6.3.. houdt iedere verdere beslissing aan.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. M. de Geus en in het openbaar uitgesproken op\n\n13 mei 2026.\n\n2515\u002F638","nl","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2026:5360","ecli-nl-rbrot-2026-5360",{"courtName":8,"legalDomain":17,"decisionType":18,"procedureType":19},"Civiel recht; Verbintenissenrecht","uitspraak","Uitspraak",[21,32,43,53,63],{"id":22,"ecli":23,"caseNumber":6,"courtId":24,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":26,"language":12,"source":13,"sourceUrl":27,"summary":6,"slug":28,"metadata":29},"410","ECLI:NL:RBLIM:2026:6423",66,"2026-07-08T00:00:00.000Z","RECHTBANK limburg\n\nZittingsplaats Roermond\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: ROE 25 \u002F 2565\n\nuitspraak van de meervoudige kamer van 8 juli 2026 in de zaak tussen\n\n [belanghebbende] , gevestigd te [plaats], belanghebbende\n\n(gemachtigde: M.O.E. Uyen)\n\nen\n\nde heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking Gemeenten en Waterschappen, de heffingsambtenaar (gemachtigde: A. van den Dool).\n\nProcesverloop\n\nDe heffingsambtenaar heeft op grond van de Wet waardering onroerende zaken (Wet woz) de waarde van de onroerende zaken van belanghebbende voor het belastingjaar 2025 vastgesteld (het primaire besluit).\n\nBelanghebbende heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt.\n\nDe heffingsambtenaar heeft het bezwaar van belanghebbende gegrond verklaard (het bestreden besluit). Aan belanghebbende is een proceskostenvergoeding van in totaal € 161,74 toegekend.\n\nBelanghebbende heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.\n\nDe heffingsambtenaar heeft verweer gevoerd.\n\nOp 4 mei 2026, aangevuld op 11 mei 2026, zijn van belanghebbende nadere gronden en stukken ontvangen.\n\nHet onderzoek ter zitting heeft vervolgens plaatsgevonden op 15 mei 2026. Belanghebbende heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. L.H.G.M. Driessen, kantoorgenote van haar gemachtigde bij Previcus B.V. te Boxmeer. De heffingsambtenaar heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.\n\nOverwegingen\n\n1. De rechtbank stelt vast dat de woz-waarde tussen partijen niet meer in geschil is. Het beroep van belanghebbende richt zich enkel tegen de toegekende proceskostenvergoeding en spitst zich toe op de vraag of de heffingsambtenaar bij de vaststelling van de proceskostenvergoeding in bezwaar toepassing heeft mogen geven aan de vermenigvuldigingsfactor 0,125 van artikel 30a, eerste lid, van de Wet woz, zoals dit artikellid luidt met ingang van 1 januari 2025.\n\n2. De heffingsambtenaar heeft in het bestreden besluit de proceskostenvergoeding van € 161,74 als volgt gespecificeerd:\n\n- indienen bezwaarschrift: 1 punt x waarde per punt € 647,- x factor 0,125 = € 80,87 +\n\n- bijwonen hoorzitting: 1 punt x waarde per punt € 647,- x factor 0,125 = € 80,87 = € 161,74.\n\n3. Belanghebbende vindt dat de heffingsambtenaar een te lage proceskostenvergoeding heeft toegekend. Zij verzoekt de rechtbank om artikel 30a van de Wet woz buiten toepassing te laten, omdat haar gemachtigde een bijzonder geval is als bedoeld in het zogenoemde 30a-arrest van de Hoge Raad van 17 januari 2025 (ECLI:NL:HR:2025:46).\n\n4. In het 30a-arrest heeft de Hoge Raad geoordeeld dat bijzondere gevallen zich onderscheiden doordat zij niet voldoen aan de volgende kenmerken: dat aan de belanghebbende rechtsbijstand wordt verleend door een beroepsmatig optredende gemachtigde, dan wel een kantoor, waarvan het bedrijfsmodel eruit bestaat dat\n\n( i) wordt opgetreden op basis van no cure no pay,\n\n(ii) daarbij zodanige afspraken met de cliënten worden gemaakt dat het bedrag van eventuele proceskostenvergoedingen aan de gemachtigde of aan het kantoor wordt afgedragen, en\n\n(iii) de procedures op een zodanige wijze worden gevoerd dat de daarin toegekende proceskostenvergoedingen de in redelijkheid gemaakte kosten ver overtreffen.\n\n5. De daarbij te hanteren regels zijn nader uitgewerkt in de arresten van de Hoge Raad van 25 april 2025 (ECLI:NL:HR:2025:670) en 18 juli 2025 (ECLI:NL:HR:2025:1175).\n\n5.1.. Volgens de Hoge Raad rusten op de belanghebbende de stelplicht en bewijslast van feiten die meebrengen dat buiten redelijke twijfel komt vast te staan dat, beoordeelt naar de situatie op het moment waarop het desbetreffende rechtsmiddel is aangewend, het bedrijfsmodel van de betreffende gemachtigde of diens kantoor kennelijk niet allehiervoor bedoelde drie kenmerken heeft en dat aldus sprake is van een bijzonder geval. Er is dus (al) sprake van een bijzonder geval als één van de drie kenmerken niet van toepassing is.\n\n5.2.. Bij de beoordeling van het bedrijfsmodel gaat het niet specifiek om de werkzaamheden die de gemachtigde heeft verricht in de procedure waarop de proceskostenvergoeding ziet. Met het bedrijfsmodel is namelijk meer in het algemeen de wijze bedoeld waarop de gemachtigde zijn inkomsten verwerft met het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand.\n\n5.3.. Indien het bedrijfsmodel van een gemachtigde of een kantoor inhoudt dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay (i), of op een grondslag die daarmee in wezen overeenkomt en daarmee dus op één lijn kan worden gesteld, en dat daarbij afspraken met de cliënten worden gemaakt als hiervoor onder (ii) bedoeld, zal aldus moeten worden beoordeeld of dit bedrijfsmodel voldoet aan het hiervoor onder (iii) vermelde kenmerk van vergaande overdekking. Daartoe moet een vergelijking worden gemaakt tussen enerzijds het totale bedrag aan proceskostenvergoedingen dat aan de gemachtigde of aan het kantoor wordt afgedragen, en anderzijds het totale bedrag van de kosten van de gemachtigde of van het kantoor die kunnen worden toegerekend aan het voeren van de procedures waarop die proceskostenvergoedingen betrekking hebben. Het komt dus erop aan of het totale bedrag van de afgedragen proceskostenvergoedingen het totale bedrag van de zojuist bedoelde kosten verre overtreft. De omstandigheid dat vaak geheel of ten dele gebruik wordt gemaakt van gestandaardiseerde tekstblokken die niet zijn toegespitst op de desbetreffende zaak, vormt een aanwijzing dat het bedrijfsmodel wel het derde kenmerk van vergaande overdekking heeft, en zal daarom in het algemeen volstaan om aan te nemen dat de belanghebbende niet in dit door hem te leveren bewijs is geslaagd.\n\n6. In het arrest van 26 september 2025 (ECLI:NL:HR:2025:1375) heeft de Hoge Raad nader uitgewerkt wanneer sprake is van een bedrijfsmodel dat eruit bestaat dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay (i). Bij optreden op basis van no cure no pay moet worden uitgegaan van afspraken tussen de belanghebbende en de rechtsbijstandverlener op grond waarvan de belanghebbende geen financieel risico loopt bij inschakeling van de rechtsbijstandverlener, omdat geen instapvergoeding verschuldigd is noch een percentage van de bespaarde belasting als vergoeding moet worden afgestaan (zie Kamerstukken II 2023\u002F24, 36 427, nr. 3, blz. 2). Bij de beoordeling van de vraag of het bedrijfsmodel van een beroepsmatig optredende gemachtigde, dan wel een kantoor, eruit bestaat dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay, komt het dus erop aan of die gemachtigde dan wel diens kantoor afspraken maakt met klanten op grond waarvan zij geen financieel risico lopen bij het verstrekken van de opdracht tot het verlenen van rechtsbijstand in een belastingprocedure. De verschuldigdheid van een instapvergoeding staat niet in alle gevallen eraan in de weg dat afspraken met een rechtsbijstandsverlener worden aangemerkt als afspraken op basis van no cure no pay. Onder het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand op basis van no cure no pay wordt namelijk ook begrepen het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand op een grondslag die daarmee in wezen overeenkomt en daarmee dus op één lijn kan worden gesteld. Dan moet worden gedacht aan de betaling van een zodanig laag bedrag dat die betaling als een pro forma of symbolische bijdrage moet worden beschouwd.\n\n7. De rechtbank stelt vast dat de gemachtigde van belanghebbende in deze zaak niet heeft bestreden dat haar bedrijfsmodel de hiervoor onder (ii) en (iii) vermelde kenmerken heeft.\n\n8. Belanghebbende bestrijdt dat het bedrijfsmodel van haar gemachtigde ten tijde van het instellen van bezwaar (en beroep) eruit bestaat dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay (i). Hiertoe heeft de gemachtigde verwezen naar een beschrijving van haar per 1 januari 2025 gewijzigde bedrijfsmodel (“Bijzonder geval: bedrijfsmodel Previcus en artikel 30a Wet WOZ”).\n\n8.1.. Volgens die beschrijving is de werkwijze met ingang van 1 januari 2025 fundamenteel gewijzigd. Het aantal dossiers is vanaf 2025 aanzienlijk afgenomen van 128.000 zaken naar circa 1.291 zaken. De zaken worden (vrijwel) niet meer op basis van no cure no pay uitgevoerd, maar volgens een regulier model waarin een cliënt, ongeacht de uitkomst van de zaak, een vaste startvergoeding betaalt (doorgaans gebaseerd op het aantal aanslagbiljetten) en\u002Fof een deel van de gerealiseerde besparing afdraagt (in bijna alle gevallen 40% van de besparing). De vóór 2025 aangebrachte zaken worden nog op basis van no cure no pay uitgevoerd. Bovendien worden vanaf 2025 alle aanslagbiljetten op voorhand gescreend en worden enkel de zaken doorgezet waarbij op voorhand onvoldoende duidelijk is dat er geen fouten zijn gemaakt. Er is, aldus de beschrijving, geen sprake meer van een grote massa waar de wetswijziging (Wet herwaardering proceskostenvergoeding WOZ en Bpm) op zag. De gemachtigde richt zich voortaan op de zakelijke markt, waarbij vrijwel altijd ook prijsafspraken met belanghebbenden worden gemaakt die losstaan van eventueel toegekende proceskostenvergoedingen.\n\n8.2.. De gemachtigde heeft de prijsafspraken over 2025 als volgt in een overzicht opgenomen.\n\n8.3.. De vermelding in de volmacht dat de vergoeding voor de werkzaamheden uitsluitend het totaal van de proceskostenvergoedingen bedraagt, klopt, aldus de beschrijving, niet meer. De onderliggende overeenkomsten bepalen dat cliënten zelf vergoedingen verschuldigd zijn. De proceskostenvergoeding speelt daarin nog slechts een kleine aanvullende rol.\n\n9. Op 4 mei 2026 heeft de gemachtigde van belanghebbende de facturen en betaalbewijzen in een groot aantal zaken, waarin zij als gemachtigde optreedt, ingezonden. Op 11 mei 2026 is daarvan een overzicht overgelegd. Die stukken bevestigen het beeld dat de beschrijving van het bedrijfsmodel geeft. Uit de facturen en betaalbewijzen blijkt namelijk dat de gemachtigde van een groot deel van haar cliënten een “besparingsfee” van minimaal 30% van de eventuele belastingbesparing vraagt, zij die “besparingsfee” aan haar cliënten factureert en die “besparingsfee” vervolgens ook door de cliënten wordt betaald.\n\n10. Daarnaast komt uit de facturen en betaalbewijzen naar voren dat de meeste cliënten (bovenop de “besparingsfee”) tevens een (in hoogte variërende) “startfee” zijn verschuldigd. Op zitting heeft de gemachtigde toegelicht dat, indien overeengekomen, de “startfee” altijd wordt gefactureerd en betaald. Dat dit niet in alle gevallen gebeurt blijkt uit de overgelegde facturen en betaalbewijzen, en komt, aldus de gemachtigde, doordat de “startfee”, die ongeacht de uitkomst is verschuldigd, in die gevallen eerder is gefactureerd en betaald. Dat is anders bij de “besparingsfee”, die niet eerder dan na het nemen van het bestreden besluit in rekening kan worden gebracht, omdat dan pas de (hoogte van de) besparing duidelijk is.\n\n11. De heffingsambtenaar heeft zich ter zitting op het standpunt gesteld dat het pas op 4 mei 2026 door de gemachtigde van belanghebbende indienen van facturen en betaalbewijzen (die op 6 mei 2026 door de rechtbank zijn vrijgegeven), die al in 2025 beschikbaar waren, in strijd is met een goede procesorde. De rechtbank overweegt dat partijen in beginsel vrij zijn om gedurende de procedure hun standpunten aan te vullen. Die vrijheid wordt echter begrensd door de beginselen van de goede procesorde. Hoewel de late indiening van reeds voorhanden zijnde stukken niet de schoonheidsprijs verdient, ziet de rechtbank hierin geen grond om die stukken vanwege strijd met een goede procesorde buiten beschouwing te laten. Hiertoe acht de rechtbank van belang dat de stukken een onderbouwing vormen van een eerder door de gemachtigde ingenomen standpunt, een reactie zijn op het verweerschrift en dat de aard en de omvang van de stukken niet zodanig zijn dat van de heffingsambtenaar om adequaat hierop te kunnen reageren een nader diepgaand (feiten)onderzoek wordt gevergd. De inhoudelijke reactie van de heffingsambtenaar op de stukken in de pleitnota bevestigen dit oordeel.\n\n12. De rechtbank stelt voorop dat voor haar de facturen en de betaalbewijzen leidend zijn voor de beoordeling van de vraag of kenmerk (i) op de gemachtigde van belanghebbende van toepassing is. Naar het oordeel van de rechtbank zijn (alleen) die stukken, en niet (ook) de overeenkomst, de website en de algemene voorwaarden van de gemachtigde (op 9 februari 2025), waarvan gesteld is dat die op dat moment nog niet in overeenstemming met het gewijzigde bedrijfsmodel waren gebracht, relevant voor de vraag of sprake is van een bedrijfsmodel op basis van no cure no pay. Omdat het bedrijfsmodel van de gemachtigde (en niet de vergoedingen in de aan de rechtbank voorliggende zaken) moet worden beoordeeld, blijft die beoordeling, anders dan de heffingsambtenaar stelt, niet beperkt tot de gemeenten binnen het ambtsgebied van de heffingsambtenaar. Daaruit volgt ook dat op grond van het (incidenteel) ontbreken van facturen en betaalbewijzen in aan de rechtbank voorliggende zaken niet zonder meer kan worden geconcludeerd dat kenmerk (i) op het bedrijfsmodel van de gemachtigde van toepassing is.\n\n13. De rechtbank is van oordeel dat met voldoende gegevens is onderbouwd dat de gemachtigde in 2025 voor een groot deel van de procedures een “besparingsfee” in rekening heeft gebracht. Door het betalen van een “besparingsfee” loopt een belanghebbende bij de inschakeling een gemachtigde voor het voeren van een procedure een financieel risico (zie hiervoor het arrest van de Hoge Raad van 26 september 2025). Deze door de gemachtigde gevraagde vergoeding (van 30-40%) acht de rechtbank, nog daargelaten dat de Hoge Raad dat enkel ten aanzien van “instapvergoedingen” heeft geoordeeld, ook niet dusdanig laag dat kan worden gesproken van rechtsbijstandverlening op een grondslag die in wezen overeenkomt met rechtsbijstandverlening op basis van no cure no pay. Op grond van het vorenstaande heeft belanghebbende, naar het oordeel van de rechtbank, buiten redelijke twijfel bewezen dat het bedrijfsmodel van de gemachtigde ten tijde van het instellen van bezwaar niet het kenmerk van optreden op basis van no cure no pay heeft (i). Daaraan doet niet af dat een belanghebbende vooraf ermee heeft ingestemd dat een eventuele vergoeding van proceskosten aan de gemachtigde toekomt. Dat geldt ook voor het ontbreken van facturen en betaalbewijzen van op een eerder moment in rekening gebrachte “startfees” en de door de heffingsambtenaar gestelde inconsistenties in de hoogte hiervan.\n\n14. Uit het vorenstaande volgt dat sprake is van een bijzonder geval en de heffingsambtenaar ten onrechte toepassing heeft gegeven aan artikel 30a, eerste lid, van de Wet woz.\n\n15. Dit betekent dat het beroep van belanghebbende gegrond is. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit voor zover dat ziet op de toegekende proceskostenvergoeding en bepaalt met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht de proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase op € 1.332,- (2 x € 666,-).\n\n16. Aan het standpunt van belanghebbende dat aan het bestreden besluit een motiveringsgebrek kleeft, wordt niet toegekomen.\n\n17. Omdat het beroep gegrond is, moet de heffingsambtenaar het griffierecht aan belanghebbende vergoeden.\n\n18. De rechtbank acht termen aanwezig om de heffingsambtenaar te veroordelen in de proceskosten die belanghebbende redelijkerwijs heeft moeten maken in verband met de behandeling van het beroep, een en ander eveneens overeenkomstig de normen van het Besluit proceskosten bestuursrecht. Aan belanghebbende is door een derde beroepsmatig rechtsbijstand verleend. Voor de in aanmerking te nemen proceshandelingen worden 2 punten (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen op zitting met een waarde van € 934,- per punt) toegekend. De rechtbank bepaalt in overeenstemming met het Richtsnoer proceskostenvergoeding belastingkamers gerechtshoven 2024 (neergelegd in de uitspraak van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 7 augustus 2024, ECLI:NL:GHSHE:2024:2524) de wegingsfactor op 0,5. Gelet hierop bedraagt het vanwege de in deze zaak verleende rechtsbijstand te vergoeden bedrag in totaal € 934,-.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep gegrond;\n\n- vernietigt het bestreden besluit voor zover dat ziet op de toegekende proceskostenvergoeding, stelt de proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase vast op € 1.332,- en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;\n\n- draagt de heffingsambtenaar op het betaalde griffierecht van € 385,- aan belanghebbende te vergoeden;\n\n- veroordeelt de heffingsambtenaar in de proceskosten van belanghebbende wegens verleende rechtsbijstand in beroep tot een bedrag van € 934,-.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. B.F.A. van Huijgevoort, voorzitter, en mrs. E.P.J. Rutten en J.H. van Hoof leden, in aanwezigheid van mr. D.D.R.H. Lechanteur, griffier.De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 8 juli 2026.\n\ngriffier rechter\n\nAfschrift verzonden aan partijen op: 8 juli 2026.\n\nRechtsmiddel\n\nTegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof ’s-Hertogenbosch (belastingkamer).\n\nU kunt digitaal beroep instellen via www.rechtspraak.nl. Daar klikt u op “Formulieren en inloggen”. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ’s-Hertogenbosch (belastingkamer).\n\nBij het instellen van het hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:\n\n1. bij het hogerberoepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;\n\n2 - het hogerberoepschrift moet, indien het op papier wordt ingediend, ondertekend zijn. Verder moet het ten minste het volgende vermelden:\n\na. de naam en het adres van de indiener;\n\nb. de datum van verzending;\n\nc. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;\n\nd. de redenen waarom u het niet eens bent met de uitspraak (de gronden van het hoger beroep).","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBLIM:2026:6423","ecli-nl-rblim-2026-6423",{"courtName":30,"legalDomain":31,"decisionType":18,"procedureType":19},"Roermond","Bestuursrecht; Belastingrecht",{"id":33,"ecli":34,"caseNumber":35,"courtId":36,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":37,"language":38,"source":39,"sourceUrl":6,"summary":40,"slug":41,"metadata":42},"85","ECLI:RO:2026:JudecatoriaSECTORUL5BUCURESTI:17050-302-2025-a1","17050\u002F302\u002F2025\u002Fa1",97,"Admite cererea de îndreptare a erorii materiale din cuprinsul sentin?ei civile nr. 2484\u002F06.03.2026, pronunţată de Judecătoria Sectorului 5 Bucure?ti în dosar nr. 17050\u002F302\u002F2025, formulată din oficiu.       \nDispune îndreptarea erorii materiale strecurată în cuprinsul sentin?ei civile nr. 2484\u002F06.03.2026 pronun?ată în cadrul dosarului nr. 17050\u002F302\u002F2025, în sensul re?inerii că pârâtul Vasile Constantin are codul numeric personal ............, iar nu ............., astfel cum în mod eronat s-a consemnat.   \nPrezenta încheiere face parte integrantă din cuprinsul sentin?ei civile nr. 2484\u002F06.03.2026 pronun?ată în cadrul dosarului nr. 17050\u002F302\u002F2025.   \nÎndreptarea se va efectua în toate exemplarele sentin?ei.\n\tCu drept de apel în 30 de zile de la comunicare. Cererea de apel se va depune la Judecătoria Sectorului 5 Bucure?ti.   \n\tPronun?ată prin punerea solu?iei la dispozi?ia păr?ilor prin intermediul grefei instan?ei, astăzi, 08.07.2026.\n","ro","portalquery_ro","Admite cererea","ecli-ro-2026-judecatoriasectorul5bucuresti-17050-302-2025-a1",null,{"id":44,"ecli":45,"caseNumber":6,"courtId":46,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":47,"language":12,"source":13,"sourceUrl":48,"summary":6,"slug":49,"metadata":50},"296","ECLI:NL:GHDHA:2026:2250",58,"Rolnummer: 22-001978-23\n\nParketnummer: 10-066729-23\n\nDatum uitspraak: 8 juli 2026\n\nTEGENSPRAAK\n\nArrestvan de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Den Haag gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 28 juni 2023 in de strafzaak tegen de verdachte:\n\n [verdachte],\n\ngeboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2002,\n\nBRP-adres: [BRP-adres] , [woonplaats] .\n\nOnderzoek van de zaak\n\nDit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof.\n\nHet hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.\n\nProcesgang\n\nIn eerste aanleg is de verdachte van het onder 1 tenlastegelegde vrijgesproken en ter zake van het onder 2 en 3 tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 120 dagen, met aftrek van voorarrest, waarvan 73 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren. Voorts is beslist op de vorderingen van de benadeelde partijen, zoals nader omschreven in het vonnis waarvan beroep.\n\nNamens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.\n\nOmvang van het hoger beroep\n\nDe verdachte is door de rechtbank Rotterdam vrijgesproken van hetgeen aan hem onder 1 is tenlastegelegd. Het hoger beroep is door de verdachte onbeperkt ingesteld en is derhalve mede gericht tegen de in eerste aanleg gegeven beslissing tot vrijspraak. Gelet op hetgeen is bepaald in artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering staat voor de verdachte tegen deze beslissing geen hoger beroep open. Het hof zal de verdachte mitsdien niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep gegeven vrijspraak.\n\nWaar hierna wordt gesproken van \"de zaak\" of \"het vonnis\", wordt daarmee bedoeld de zaak of het vonnis voor zover op grond van het vorenstaande aan het oordeel van dit hof onderworpen.\n\nTenlastelegging\n\nAan de verdachte is – voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen – tenlastegelegd dat:\n\n2. hij op of omstreeks 01 januari 2023 te 's-Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard, openlijk, te weten, op of aan de Smidsweg en\u002Fof de Langestraat, in elk geval op of aan (een) openbare weg(en), in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een of meer verbalisanten van de politie Eenheid Rotterdam, te weten [hoofdagent] (hoofdagent) en\u002Fof [aspirant] (aspirant) en\u002Fof één of meer verbalisanten, zijnde groepsleden van de Mobiele Eenheid van politie Eenheid Rotterdam, te weten [verbalisant 1] en\u002Fof [verbalisant 2] en\u002Fof [verbalisant 3] en\u002Fof [verbalisant 4] en\u002Fof [verbalisant 5] en\u002Fof [verbalisant 6] en\u002Fof [verbalisant 7] en\u002Fof [verbalisant 8] en\u002Fof [verbalisant 9] en\u002Fof [verbalisant 10] en\u002Fof [verbalisant 11] en\u002Fof [verbalisant 12] en\u002Fof [verbalisant 13] en\u002Fof [verbalisant 14] en\u002Fof [verbalisant 15] en\u002Fof [verbalisant 16] en\u002Fof [verbalisant 17] en\u002Fof [verbalisant 18] en\u002Fof [verbalisant 19] en\u002Fof [verbalisant 20] , althans een of meer (andere) verbalisanten door\n\n- één of meer stuks zwaar (illegaal) vuurwerk (betreffende onder meer: cobra's \u002F nitraten \u002F shells) en\u002Fof vuurwerkbommen op\u002Ftegen, althans in de richting van\u002Fnaar voornoemde verbalisanten af te schieten en\u002Fof te gooien, waarbij voornoemd(e) vuurwerk\u002Fvuurwerkbommen vlakbij\u002Fnaast het\u002Fde lichamen en\u002Fof het\u002Fde hoofden\u002Fgezichten van voornoemde verbalisanten tot ontploffing is\u002Fzijn gekomen en\u002Fof\n\n- ( met kracht) één of meer stenen en\u002Fof glaswerk op\u002Ftegen, althans in de richting van voornoemde verbalisanten te gooien en\u002Fof\n\n- ( dreigend) zich op te dringen aan voornoemde ambtenaren en\u002Fof\n\n- ( daarbij) (dreigend) een of meerdere ploertendoders, althans slagvoorwerpen, aan voornoemde ambtenaren te tonen\u002Fvoor te houden en\u002Fof\n\n- ( daarbij) aan die [aspirant] en\u002Fof [hoofdagent] en\u002Fof een of meer (andere) verbalisanten de weg te versperren, althans de doorgang te beletten en\u002Fof (daarbij) te verhinderen dat die [aspirant] en\u002Fof [hoofdagent] en\u002Fof anderen met\u002Fin een (politie)voertuig weg konden rijden en\u002Fof\n\n- naar\u002Fin de richting van voornoemde ambtenaren te schelden, met de woorden: \"Kankerlijers\", \"Kanker op joh\" en\u002Fof \"Kankerpolitie\" en\u002Fof\n\n- ( met kracht) op\u002Ftegen het (politie)schild van die [verbalisant 2] te trappen\u002Fschoppen;\n\n3. hij op of omstreeks 31 december 2022 te 's-Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard opzettelijk en wederrechtelijk een vuilnisbak\u002Fprullenbak, in elk geval enig goed, dat\u002Fdie geheel of ten dele aan Gemeente Hoeksche Waard, in elk geval aan een ander dan aan verdachte toebehoorde(n) heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt.\n\nVordering van de advocaat-generaal\n\nDe advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de bewezenverklaring zal worden bevestigd en dat de verdachte ter zake van het onder 2 en 3 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 107 dagen, met aftrek van voorarrest, waarvan 60 dagen voorwaardelijk en met een proeftijd van 2 jaren.\n\nHet vonnis waarvan beroep\n\nHet vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.\n\nVrijspraak\n\nDe advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het onder 2 tenlastegelegde wettig en overtuigend kan worden bewezenverklaard, nu de verdachte met zijn handelen een bijdrage van voldoende gewicht heeft geleverd aan het openlijk geweld tegen de desbetreffende verbalisanten. Zo heeft de verdachte voorafgaand aan de jaarwisseling deel genomen aan een WhatsApp-groep waarin werd gesproken over het voornemen onrust te veroorzaken ten tijde van de jaarwisseling. Voorts heeft de verdachte in de nacht van de jaarwisseling – nadat hij door leden van de Mobiele Eenheid (ME) was ingesloten –op zijn telefoon een video-opname gemaakt waarin er samen met medeverdachte [medeverdachte] (hierna: [medeverdachte] ) wordt gepraat over het doodschoppen van een ME’er. Vijftien minuten nadat hij deze video had opgenomen, is [medeverdachte] aangehouden voor het schoppen tegen het schild van een ME’er.\n\nHet hof overweegt als volgt.\n\nHet hof stelt voorop dat van het \"in vereniging\" plegen van geweld sprake is, indien de betrokkene een voldoende significante of wezenlijke bijdrage levert aan het geweld, zij het dat deze bijdrage zelf niet van gewelddadige aard hoeft te zijn. De enkele omstandigheid dat iemand aanwezig is in een groep die openlijk geweld pleegt is niet zonder meer voldoende om hem te kunnen aanmerken als iemand die \"in vereniging\" geweld pleegt. Beoordeeld zal moeten worden of de door de verdachte geleverde – intellectuele en\u002Fof materiële – bijdrage aan het delict van voldoende gewicht is.\n\nMet de advocaat-generaal en de verdediging is het hof van oordeel dat op grond van het verhandelde ter terechtzitting niet kan worden bewezen dat de verdachte omstreeks de jaarwisseling geweld heeft gebruikt jegens de verbalisanten, zoals het gooien met stenen of vuurwerk. Het hof is voorts van oordeel dat evenmin bewezen kan worden dat de verdachte op enige wijze geweldshandelingen die door andere personen zijn gepleegd heeft ondersteund of anderszins heeft bijgedragen aan het ontstaan of het voortduren van het geweld jegens de verbalisanten. Het hof neemt hierbij in aanmerking dat [medeverdachte] bij de raadsheer-commissaris als getuige is gehoord en heeft verklaard dat hetgeen de verdachte in de video-opname heeft gezegd, los stond van zijn handelen daarna en dat de verdachte niet in de buurt was toen [medeverdachte] tegen het schild van verbalisant [verbalisant 2] aan schopte. De enkele aanwezigheid in de groep die door de politie\u002FME was ingesloten en het feit dat de verdachte deel uit maakte van een WhatsApp-groep acht het hof evenmin een bijdrage van voldoende gewicht. Gelet op het voorgaande is niet vast komen te staan dat de verdachte een voldoende significante of wezenlijke bijdrage heeft geleverd aan het tenlastegelegde geweld tegen de desbetreffende verbalisanten, zodat het ten laste gelegde niet kan worden bewezen en de verdachte daarvan zal worden vrijgesproken.\n\nBewezenverklaring\n\nHet hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 3 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:\n\n3. hij op of omstreeks31 december 2022 te 's-Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard opzettelijk en wederrechtelijk eenvuilnisbak\u002Fprullenbak, in elk geval enig goed,dat\u002Fdiegeheel of ten deleaan Gemeente Hoeksche Waard, in elk geval aan een ander dan aan verdachtetoebehoorde(n)heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt;.\n\nHetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.\n\nBewijsvoering\n\nHet hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.\n\nIn die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.\n\nStrafbaarheid van het bewezenverklaarde\n\nHet onder 3 bewezenverklaarde levert op\n\nopzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen.\n\nStrafbaarheid van de verdachte\n\nEr is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.\n\nStrafmotivering\n\nHet hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.\n\nDaarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.\n\nDe verdachte heeft zich op oudejaarsavond schuldig gemaakt aan vernieling van een prullenbak door hierop zwaar vuurwerk tot ontploffing te brengen. Een dergelijk feit is gevaarzettend en geschikt om gevoelens van angst en onveiligheid in de maatschappij teweeg te brengen. De verdachte heeft met zijn handelen de gemeente en daarmee de gemeenschap financiële schade berokkend en hij heeft hiermee overlast veroorzaakt.\n\nHet hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie van 1 juni 2026, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder voor een vergelijkbaar feit is veroordeeld.\n\nTen aanzien van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) overweegt het hof dat deze is aangevangen op 6 maart 2023. In eerste aanleg is de redelijke termijn niet overschreden. Het hof stelt vast dat de behandeling van de zaak in hoger beroep niet heeft plaatsgevonden binnen de daartoe gestelde redelijke termijn,. Namens de verdachte is immers op 4 juli 2023 hoger beroep ingesteld en het hof wijst op 8 juli 2026 eindarrest. De redelijke termijn van de berechting in hoger beroep is derhalve met meer dan één jaar overschreden. Het hof ziet, ook gelet op de duur van de procedure als geheel, aanleiding te volstaan met de constatering van dit verzuim, gelet op de gekozen strafmodaliteit en de hoogte van de op te leggen straf.\n\nHet hof is – alles afwegende – van oordeel dat een onvoorwaardelijke taakstraf van na te melden duur een passende en geboden reactie vormt. Anders dan de verdediging heeft bepleit acht het hof een geldboete, gelet op de context waarin en de wijze waarop de vernieling plaatsvond – tijdens de jaarwisseling en met (illegaal) vuurwerk – niet passend. Evenmin zal om die reden toepassing worden gegeven aan het bepaalde in artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht.\n\nVorderingen tot schadevergoeding\n\nIn het onderhavige strafproces hebben tweeëntwintig verbalisanten zich als benadeelde partij gevoegd ter zake van het onder 2 ten laste gelegde. De benadeelde partijen [verbalisant 17] , [verbalisant 12] , [verbalisant 8] , [verbalisant 9] , [verbalisant 19] , [verbalisant 20] , [verbalisant 18] , [verbalisant 15] , [verbalisant 10] , [verbalisant 4] , [verbalisant 1] , [verbalisant 16] , [verbalisant 3] , [aspirant] , [verbalisant 7] , [hoofdagent] , [verbalisant 14] , [verbalisant 5] en [verbalisant 6] vorderen per persoon een vergoeding van € 350,00 aan immateriële schade. De benadeelde partijen [verbalisant 13] en [verbalisant 11] vorderen per persoon een vergoeding van € 400,00 aan immateriële schade en de benadeelde partij [verbalisant 2] vordert een vergoeding van € 750,00 aan immateriële schade.\n\nNu de verdachte ter zake van het onder 2 tenlastegelegde wordt vrijgesproken, zullen de benadeelde partijen niet-ontvankelijk worden verklaard in hun vordering.\n\nGelet daarop zullen de benadeelde partijen worden veroordeeld in de kosten die de verdachte tot aan deze uitspraak in verband met de verdediging tegen die vorderingen heeft moeten maken, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil.\n\nToepasselijke wettelijke voorschriften\n\nHet hof heeft gelet op de artikelen 9, 22c, 22d en 350 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.\n\nBESLISSING\n\nHet hof:\n\nVerklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder 1 tenlastegelegde.\n\nVernietigt het vonnis waarvan beroep voor zover thans aan het oordeel van het hof onderworpen en doet in zoverre opnieuw recht:\n\nVerklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 2 tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.\n\nVerklaart, zoals hiervoor overwogen, bewezen dat de verdachte het onder 3 tenlastegelegde heeft begaan.\n\nVerklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.\n\nVerklaart het onder 3 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.\n\nVeroordeelt de verdachte tot een taakstrafvoor de duur van60 (zestig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door30 (dertig) dagen hechtenis.\n\nBeveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van 2 uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.\n\nVordering van de benadeelde partijen:\n\n- [verbalisant 17] ,\n\n- [verbalisant 12] ,\n\n- [verbalisant 13] ,\n\n- [verbalisant 8] ,\n\n- [verbalisant 9] ,\n\n- [verbalisant 19] ,\n\n- [verbalisant 20] ,\n\n- [verbalisant 11]\n\n- [verbalisant 18] ,\n\n- [verbalisant 15] ,\n\n- [verbalisant 10] ,\n\n- [verbalisant 4] ,\n\n- [verbalisant 1] ,\n\n- [verbalisant 16] ,\n\n- [verbalisant 3] ,\n\n- [verbalisant 2]\n\n- [aspirant] ,\n\n- [verbalisant 7] ,\n\n- [hoofdagent] ,\n\n- [verbalisant 14] ,\n\n- [verbalisant 5] , en\n\n- [verbalisant 6]\n\nVerklaart de hiervoor genoemde benadeelde partijen telkens niet-ontvankelijk in hun vordering tot schadevergoeding.\n\nVeroordeelt de hiervoor genoemde benadeelde partijen telkens in de door verdachte gemaakte kosten en begroot deze telkens op nihil.\n\nDit arrest is gewezen door mr. F.W. Pieters, als voorzitter, mr. E.C. van Veen en mr. M.C. Bruining, leden, in bijzijn van de griffier mr. V.V. de Lange.\n\nHet is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 8 juli 2026.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHDHA:2026:2250","ecli-nl-ghdha-2026-2250",{"courtName":51,"legalDomain":52,"decisionType":18,"procedureType":19},"Den Haag","Strafrecht",{"id":54,"ecli":55,"caseNumber":6,"courtId":56,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":57,"language":12,"source":13,"sourceUrl":58,"summary":6,"slug":59,"metadata":60},"348","ECLI:NL:RBDHA:2026:18721",65,"RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Groningen\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL26.20806\n uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n \n [naam], eiseres,\n\nV-nummer: [v-nummer:],\n\n(gemachtigde: mr. I.M. Zuidhoek),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, de minister.\n\nInleiding\n\n1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 7 april 2026 niet in behandeling genomen omdat daarvoor Frankrijk verantwoordelijk is.\n\n1.1.. De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiseres. Zij doet dat mede aan de hand van de argumenten die eiseres heeft aangevoerd, de beroepsgronden.\n\n3. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiseres ongelijk krijgt en het bestreden besluit in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nToepasselijk recht\n\n4. Op deze zaak is het recht van toepassing dat gold vóór 12 juni 2026.\n\nTotstandkoming van het besluit\n\n5. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening.Op grond van de Dublinverordening neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.In dit geval heeft Nederland bij Frankrijk een verzoek om terugname gedaan. Frankrijk heeft dit verzoek aanvaard.\n\nMag de minister ten opzichte van Frankrijk uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel?\n\n6. Eiseres stelt zich op het standpunt dat er in Frankrijk voor haar een onveilige situatie zal optreden. Dit is het gevolg van de aanwezigheid van veel Libanezen in Frankrijk, waaronder ook de familie van haar moeder die haar eerder al bedreigde. Bovendien heeft eiseres in Nederland een community gevonden waar zij zich veilig bij voelt en in Frankrijk heeft zij niemand, dit is voor haar een angstaanjagend vooruitzicht. Dit terwijl in Nederland er een sterke en diverse LHBT-gemeenschap is waar zij zich veilig voelt. Volgens eiseres is er in Frankrijk bovendien nog steeds een groot probleem met betrekking tot de opvang van asielzoekers. Ze verwijst naar het AIDA-rapport over Frankrijk, update 2024.Er is een tekort aan opvangplekken en eiseres loopt bij terugkeer een reëel risico om in een situatie van materiële deprivatie terecht te komen. Volgens eiseres is het bestreden besluit niet zorgvuldig voorbereid en berust het evenmin op een deugdelijke motivering.\n\n6.1.. De beroepsgrond slaagt niet. Naar het oordeel van de rechtbank mag de minister ten aanzien van Frankrijk uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. De Afdelingheeft meermaals bevestigd dat ten aanzien van Frankrijk in algemene zin kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Hierbij is ook het AIDA rapport, update 2024, betrokken. De rechtbank overweegt ambtshalve dat ook het recente AIDA rapport, update 2025, geen wezenlijk ander beeld geeft van de opvangvoorzieningen in Frankrijk dan de informatie die is betrokken door de Afdeling in eerdere uitspraken.\n\n6.2.. Uit de AIDA rapporten blijkt niet dat sprake is van structurele tekortkomingen in de opvang of asielprocedure, ook niet ten aanzien van de LHTBI-gemeenschap. Eiseres heeft bovendien niet aannemelijk gemaakt dat zij bij overdracht aan Frankrijk persoonlijk geen opvang, rechtsbescherming of toegang tot de procedure zal krijgen. Eiseres heeft niet eerder een asielaanvraag in Frankrijk ingediend waardoor zij geen persoonlijke ervaring heeft met de kwaliteit van de asielprocedure en de opvangvoorzieningen in Frankrijk.\n\n6.3.. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van bijzondere, individuele omstandigheden op basis waarvan de minister de aanvraag toch zou moeten behandelen.\n\nConclusie en gevolgen\n\n7. Het beroep is kennelijk ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft en eiseres overgedragen kan worden aan Frankrijk. Eiseres krijgt geen vergoeding van haar proceskosten.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. A. Sibma, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Strating, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.\n\nDe uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over verzet\n\nAls partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.\n\n Zie artikel 84 van de Asiel- en migratiebeheerverordening inzake het overgangsrecht.\n\n Verordening (EU) nr. 604\u002F2013.\n\n Dit staat ook in artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.\n\n Update 2024 van juni 2025.\n\n Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.\n\n Update 2025 van mei 2026.\n\n Zie ook de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Arnhem, van 3 juli 2026. (ECLI:NL:RBDHA:2026:18469, r.o. 7.1) en de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Middelburg, van 25 juni 2026 (ECLI:NL:RBDHA:2026:17711).","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18721","ecli-nl-rbdha-2026-18721",{"courtName":61,"legalDomain":62,"decisionType":18,"procedureType":19},"Groningen","Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht",{"id":64,"ecli":65,"caseNumber":6,"courtId":7,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":66,"language":12,"source":13,"sourceUrl":67,"summary":6,"slug":68,"metadata":69},"418","ECLI:NL:RBDHA:2026:18726","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Rotterdam\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL26.36068uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n\n [naam eiser] , eiser\n\nV-nummer: [V-nummer]\n\n(gemachtigde: mr. J.S. Dobosz),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, verweerder\n\n(gemachtigde: mr. C. van der Zijde).\n\nSamenvatting\n\n1. Deze uitspraak gaat over de maatregel van vreemdelingenbewaring die aan eiser is opgelegd. Deze maatregel is opgelegd op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser is het niet eens met die maatregel. Hij voert daartegen een beroepsgrond aan. Onder meer aan de hand van deze beroepsgrond beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van die maatregel en de vraag of aan eiser een schadevergoeding moet worden toegekend.\n\n1.1.. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep gegrond is. Het opleggen van de maatregel van vreemdelingenbewaring is onrechtmatig. De rechtbank kent daarom een schadevergoeding toe. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.\n\n1.2.. In deze uitspraak gebruikt de rechtbank de volgende afkortingen voor de wet- en regelgeving:\n\nAwb: Algemene wet bestuursrecht\n\nVw: Vreemdelingenwet 2000\n\nVb: Vreemdelingenbesluit 2000\n\nProcesverloop\n\n2. Met het bestreden besluit van 29 juni 2026 heeft verweerder aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.\n\n2.1.. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.\n\n2.2.. De rechtbank heeft het beroep op 7 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, K.A. Ozdzinska als tolk en de gemachtigde van verweerder.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\nToetsingskader\n\n3. Verweerder kan als het belang van de openbare orde of de nationale veiligheid dat vordert, de vreemdeling die geen rechtmatig verblijf heeft in vreemdelingenbewaring stellen.Verweerder stelt een vreemdeling slechts in vreemdelingenbewaring, voor zover geen minder dwingende maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast en de vreemdelingenbewaring blijft achterwege of wordt beëindigd, indien deze niet langer noodzakelijk is met het oog op het doel van de vreemdelingenbewaring.Deze vreemdeling kan in vreemdelingenbewaring worden gesteld op grond dat het belang van de openbare orde of nationale veiligheid zulks vordert, indien a) een onderduikrisico bestaat, of b) de vreemdeling de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert.De maatregel kan alleen worden opgelegd wegens het bestaan van een onderduikrisico, indien ten minste twee van de gronden, genoemd in artikel 5.6, tweede lid, van het Vb zich voordoen.\n\nGronden\n\n4. Eiser heeft de gronden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd niet bestreden. De gronden, die de ambtshalve toetsing van de rechtbank doorstaan, zijn tezamen voldoende om de maatregel van bewaring te kunnen dragen.\n\nRechtmatig verblijf\n\n5. Eiser heeft aangevoerd dat er sprake is van een rechtmatig verblijf van eiser in Nederland op grond van artikel 7 van de Richtlijn 2004\u002F38\u002FEG. Eiser is een maand voorafgaand aan de onderhavige zaak opgehouden op 3 juni 2026. Hij heeft ter onderbouwing het proces-verbaal van ophouding overgelegd. Op deze dag is onderzoek gedaan naar de arbeidssituatie van eiser. Gebleken is dat eiser arbeid verricht voor een Nederlands uitzendbureau en beschikte over een arbeidscontract. Eiser is vervolgens heengezonden wegens bestendig verblijf. Verweerder kon ten aanzien van de onderhavige maatregel van bewaring op 29 juni 2026 niet zonder meer terugvallen op het standpunt dat sprake is van voortgezet onrechtmatig verblijf. Dit is onverenigbaar met de bevinding op 3 juni 2026. De maatregel van bewaring is dan ook onvoldoende zorgvuldig voorbereid en onvoldoende gemotiveerd.\n\n5.1.. Verweerder heeft aan de maatregel ten grondslag gelegd dat eiser geen rechtmatig verblijf in Nederland heeft, nu zijn verblijfsrecht als Unieburger bij beschikking van 6 maart 2025 is beëindigd. De rechtbank stelt voorop dat de enkele omstandigheid dat het verblijfsrecht van een Unieburger eerder is beëindigd, niet zonder meer meebrengt dat deze op een later moment geen rechten meer aan het Unierecht kan ontlenen. Indien sprake is van gewijzigde feiten en omstandigheden dient verweerder de verblijfsrechtelijke positie van de betrokkene opnieuw te beoordelen alvorens tot het oordeel te komen dat hij geen rechtmatig verblijf heeft.\n\n5.2.. De rechtbank oordeelt als volgt. In de maatregel van bewaring is vermeld dat eiser heeft verklaard werkzaam te zijn voor een Nederlands uitzendbureau en dit ook heeft aangetoond, dat eiser werkzaam is in België waar hij ook wordt voorzien van woonruimte door de werkgever en dat hij in België mag verblijven. Naar het oordeel van de rechtbank vormen deze omstandigheden concrete aanwijzingen dat de feitelijke situatie van eiser sinds de beschikking van 6 maart 2025 is gewijzigd. Van verweerder mocht daarom worden verwacht dat hij kenbaar zou onderzoeken welke betekenis deze gewijzigde omstandigheden hebben voor de actuele verblijfsrechtelijke positie van eiser. Uit de maatregel van bewaring, het gehoor voorafgaand aan deze maatregel en de overige stukken in het dossier is niet gebleken dat een dergelijk onderzoek heeft plaatsgevonden. Daarbij betrekt de rechtbank dat uit het proces-verbaal van ophouding van eiser op 3 juni 2026 blijkt dat eiser is heengezonden, omdat sprake was van ‘mogelijk bestendig verblijf’. Uit het proces-verbaal van verhoor op die dag blijkt dat het werken voor een Nederlands uitzendbureau hier ook aan de orde is geweest. Vervolgens wordt nog geen maand later in de onderhavige maatregel van bewaring zonder kenbare motivering aangenomen dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft. Niet valt in te zien waarom verweerder er zonder nader onderzoek van uit heeft kunnen gaan dat eiser geen aan het Unierecht ontleend verblijfsrecht had. De motivering dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft, is onder deze omstandigheden onvoldoende draagkrachtig. Gelet hierop is de maatregel in strijd met artikel 3:2 en 3:46 van de Awb tot stand gekomen en is dan ook onrechtmatig. Deze beroepsgrond slaagt.\n\nConclusie en gevolgen\n\n6. Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is gegrond. Deze maatregel is vanaf het moment van het opleggen daarvan onrechtmatig. De rechtbank beveelt de opheffing van deze maatregel met ingang van vandaag.\n\n6.1.. Op grond van artikel 106 van de Vw kan de rechtbank indien zij de opheffing van de maatregel van vreemdelingenbewaring beveelt aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen. De rechtbank acht gronden aanwezig om een schadevergoeding toe te kennen voor 10 dagen onrechtmatige (tenuitvoerlegging van de) vreemdelingenbewaring ten bedrage van 0 x € 160,- (verblijf politiecel) en 10 x € 120,- (verblijf detentiecentrum) = € 1.200,-.\n\n6.2.. Eiser krijgt een vergoeding van zijn proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- omdat de gemachtigde van eiser geacht wordt beroep te hebben ingesteld en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep gegrond;\n\n- veroordeelt de Staat der Nederlanden tot het betalen van € 1.200,- aan schadevergoeding aan eiser, te betalen door de griffier en beveelt de tenuitvoerlegging van deze schadevergoeding;\n\n- beveelt de opheffing van de maatregel van vreemdelingenbewaring met ingang van vandaag;\n\n- veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiser.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. S.N. Abdoelkadir, rechter, in aanwezigheid van mr. M. Stehouwer, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.\n\n Het beroep tegen een maatregel van bewaring wordt ook aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding. Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 59c van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 5.5 van het Vb.\n\n Dit volgt uit artikel 5.6, eerste lid, van het Vb.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18726","ecli-nl-rbdha-2026-18726",{"courtName":8,"legalDomain":62,"decisionType":18,"procedureType":19}]