Skip to main content

ECLI:NL:RBROT:2026:7856

Rechtbank

Rotterdam

Datum

25 June 2026

Taal

nl

Samenvatting

Rechtsvraag

Strafrecht

Uitspraak / Beslissing

Uitspraak

Rotterdam

Procedure: UitspraakDomain: StrafrechtType: uitspraak

Rechtbank RotterdamZittingsplaats Rotterdam

Meervoudige kamer strafzaken

Parketnummer: 10-360280-24

Datum uitspraak: 25 juni 2026

Datum zitting: 11 juni 2026

Tegenspraak

Verdachte:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 2005 in [geboorteplaats]

ingeschreven op het adres van [adres] [postcode] [woonplaats] .

Advocaat van de verdachte: mr. M.G.J. Plat

Officier van justitie: mr. H.J. du Croix

Advocaat van de nabestaanden: mr. F.J.M. Hamers

Kern van het vonnis

De verdachte wordt vrijgesproken van het verlaten van de plaats van het ongeval. De verdachte zat als bijrijder in het voertuig waarmee een dodelijke aanrijding is veroorzaakt. Niet is komen vast te staan dat het ongeval mede door haar gedraging is veroorzaakt. De verdachte is daarmee niet betrokken bij een verkeersongeval in de zin van artikel 7 WVW.1. Tenlastelegging

De officier van justitie beschuldigt de verdachte ervan dat zij – samengevat – op 6 januari 2024 in Capelle aan den IJssel als betrokkene na een aanrijding tussen een personenauto en [slachtoffer] de plaats van het ongeval heeft verlaten, terwijl zij wist of moest vermoeden dat [slachtoffer] letsel dan wel schade was toegebracht.

De volledige tenlastelegging (hierna beschuldiging) houdt in dat

zij, op of omstreeks 6 januari 2024 te Capelle aan den IJssel, althans in Nederland, als degene die al dan niet als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto) betrokken was bij een verkeersongeval dat had plaatsgevonden op de Schenkelse Dreef, de plaats van het ongeval heeft verlaten, terwijl bij dat ongeval, naar zij wist of redelijkerwijs moest vermoeden, aan een ander (te weten [slachtoffer] ) letsel en/of schade was toegebracht.2. Vrijspraak2.1..

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte moet worden veroordeeld voor het feit.2.2..

Conclusie van de verdediging

De verdediging heeft vrijspraak bepleit voor het feit.2.3.. Oordeel van de rechtbank2.3.1..

Vrijspraak

Ten laste is gelegd dat de verdachte al dan niet als bestuurder betrokken is geweest bij een verkeersongeval en de plaats van dat ongeval heeft verlaten.

De verdachte zat op 6 januari 2024 als bijrijder in de personenauto op het moment van het verkeersongeval. De medeverdachte heeft als bestuurder van een personenauto het overstekende slachtoffer [slachtoffer] aangereden en is, nadat hij een kort moment was gestopt, weer doorgereden. Een dag na het ongeval is het slachtoffer aan de gevolgen van de aanrijding overleden.

De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of de verdachte bij het verkeersongeval ‘betrokken’ is geweest in de zin van artikel 7 WVW 1994.

Volgens rechtspraak van de Hoge Raad kan degene die niet de bestuurder van het rechtstreeks bij het verkeersongeval betrokken motorrijtuig was, slechts worden aanmerkt als bij het verkeersongeval ‘betrokken’ indien het ongeval door zijn gedraging (handelen of nalaten) is veroorzaakt.

Niet is gebleken dat de verdachte zich heeft bemoeid met het rijden of dat zij op andere wijze een aandeel heeft gehad in het veroorzaken van de aanrijding met het slachtoffer. De betrokkenheid van de verdachte bestond er slechts in dat de verdachte als passagier feitelijk bij het verkeersongeval aanwezig was. De rechtbank ziet daarom geen aanknopingspunten om de verdachte aan te merken als bij het verkeersongeval ‘betrokken’ in de zin van artikel 7 lid 1 WVW 1994.

De verdachte wordt vrijgesproken van de beschuldiging.3. Beslissingen

De rechtbank:

Vrijspraak

verklaart niet bewezen dat de verdachte het feit heeft gepleegd en spreekt de verdachte daarvan vrij.

4. Samenstelling rechtbank en ondertekening

Dit vonnis is gewezen door:

mr. J. de Lange, voorzitter,

en mrs. J.C. Oord en E.M. Moison, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. L. Hessing, griffier,

en uitgesproken op de openbare zitting van deze rechtbank op 25 juni 2026.

Vgl. HR 4 oktober 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ4431 (in relatie tot artikel 7, eerste lid aanhef en onder a WVW).

Meer Beslissingen