ECLI:NL:RBROT:2026:7869
Samenvatting
Strafrecht
Uitspraak
Dordrecht
Rechtbank RotterdaMZittingsplaats Dordrecht
Meervoudige kamer strafzaken
Parketnummer: 10/347549-25
Datum uitspraak: 2 april 2026
Datum zitting: 2 april 2026
Tegenspraak
Verdachte:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 1998 in [geboorteplaats]
ingeschreven op het adres: [adres] , [postcode] [woonplaats] ,
Advocaat van de verdachte: mr. M.E. Pennings
Officier van justitie: mr. X.C. van Balen
Benadeelde partij: [benadeelde partij]
Kern van het vonnis
De verdachte wordt vrijgesproken van diefstal met geweld. Wel wordt hij veroordeeld voor openlijke geweldpleging. De rechtbank legt aan de verdachte een taakstraf op voor de duur van 120 uur, waarvan 40 uur voorwaardelijk. De benadeelde partij wordt niet-ontvankelijk in zijn vordering verklaard.1. Tenlastelegging
De officier van justitie beschuldigt de verdachte ervan dat hij tezamen en in vereniging diefstal met geweld heeft gepleegd (primair), dan wel dat hij openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd (subsidiair).
De volledige tenlastelegging houdt in dat:
hij op of omstreeks 21 december 2025 te Rotterdam, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een tas en/of een geldbedrag van €270, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [slachtoffer] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl deze diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door die [slachtoffer] , meermalen, althans eenmaal, - tegen het lichaam te duwen, - in/op/tegen het gezicht en/of tegen het hoofd, althans tegen het lichaam te slaan, - in/op/tegen het gezicht en/of tegen het hoofd, althans tegen het lichaam te schoppen en/of - die [slachtoffer] naar de grond te werken en/of tegen de grond te gooien;
subsidiairhij op of omstreeks 21 december 2025 te Rotterdam, althans in Nederland, openlijk, te weten op de Sint-Luciastraat en/of op de Lijnbaan, in elk geval op of aan de openbare weg en/of een voor het publiek toegankelijke plaats, in vereniging, geweld heeft gepleegd tegen een persoon, te weten [slachtoffer] , door die [slachtoffer] meermalen, althans eenmaal, - tegen het lichaam te duwen, - in/op/tegen het gezicht en/of tegen het hoofd, althans tegen het lichaam te slaan, - in/op/tegen het gezicht en/of tegen het hoofd, althans tegen het lichaam te schoppen en/of - die [slachtoffer] naar de grond te werken en/of tegen de grond te gooien;2. Vrijspraak / Bewijs2.1..
Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte moet worden vrijgesproken van het primair ten laste gelegde, maar dat hij moet worden veroordeeld voor het subsidiair ten laste gelegde.2.2..
Conclusie van de verdediging
De verdediging heeft vrijspraak bepleit voor het primair ten laste gelegde. De verdediging heeft zich ten aanzien van het subsidiair ten laste gelegde gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.2.3.. Oordeel van de rechtbank2.3.1..
Vrijspraak en bewezenverklaring
Met de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat de primair ten laste gelegde diefstal met geweld niet is bewezen, zodat de verdachte daarvan zonder nadere motivering zal worden vrijgesproken.
Bewezen is dat de verdachte openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd. De bewezenverklaring is gebaseerd op de inhoud van de bewijsmiddelen. Dit verkorte vonnis bevat geen bewijsmiddelen. Als hoger beroep wordt ingesteld, zal het vonnis worden aangevuld met een bijlage met daarin de inhoud van de bewijsmiddelen.2.3.2..
Volledige bewezenverklaring
Bewezen is dat:
hij op of omstreeks21 december 2025 te Rotterdam,althans in Nederland,openlijk, te weten op de Sint-Luciastraat en/ofop de Lijnbaan,in elk geval op of aan de openbare weg en/of een voor het publiek toegankelijkeplaats,in vereniging, geweld heeft gepleegd tegen een persoon, te weten [slachtoffer] , door die [slachtoffer] meermalen,althans eenmaal,- tegen het lichaam te duwen, -in/op/tegen het gezicht en/of tegen het hoofd, althanstegen het lichaam te slaan, -in/op/tegen het gezicht en/of tegen het hoofd, althanstegen het lichaam te schoppen en/of- die [slachtoffer] naar de grond te werkenen/of tegen de grond te gooien;3. Kwalificatie en strafbaarheid3.1..
Kwalificatie
Het bewezen feit levert het volgende strafbare feit op:
Subsidiair: openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen3.2..
Strafbaarheid van het feit en van de verdachte
Het feit en de verdachte zijn strafbaar.4. Straf4.1..
Eis van de officier van justitie
De verdachte moet worden veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 240 uren, waarvan 90 uren voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.4.2..
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft zich ten aanzien van de strafmaat gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.4.3.. Oordeel van de rechtbank4.3.1..
Ernst en omstandigheden van het feit
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan openlijke geweldpleging. Hij heeft het slachtoffer samen met een ander zonder noemenswaardige aanleiding geslagen en geschopt. Dit alles vond plaats op de openbare weg. De verdachte heeft met zijn handelen een ernstige inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer. Dergelijk geweld zorgt voor ernstige gevoelens van angst en onveiligheid in de maatschappij. De rechtbank rekent dit de verdachte aan.4.3.2..
Persoon en persoonlijke omstandigheden
Strafblad
Uit het strafblad (uittreksel justitiële documentatie) van 23 februari 2026 blijkt dat de verdachte eerder, maar niet recentelijk, onherroepelijk is veroordeeld voor strafbare feiten.4.3.3..
Oplegging straf
De ernst van het feit rechtvaardigt, mede gelet op de straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd, in beginsel een onvoorwaardelijke taakstraf. Echter, gelet op de persoonlijke omstandigheden en de proceshouding van de verdachte ziet de rechtbank aanleiding een gedeelte van deze taakstraf voorwaardelijk op te leggen. Hierbij weegt de rechtbank mee dat de verdachte spijt heeft betuigd, zelf al professionele (psychische) hulp heeft gezocht en mede daardoor zijn leven inmiddels goed op orde heeft. Dit voorwaardelijke strafdeel dient er tevens toe de verdachte ervan te weerhouden in de toekomst opnieuw strafbare feiten te plegen.5. Vordering van de benadeelde partij5.1..
Vordering [benadeelde partij]
heeft als benadeelde partij voor het primair ten laste gelegde feit € 270,- als vergoeding voor materiële schade gevorderd, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.5.2..
Standpunt van de officier van justitie
De benadeelde partij moet, gelet op de gerekwireerde vrijspraak voor het primair ten laste gelegde, niet-ontvankelijk worden verklaard in zijn vordering. In plaats daarvan moet de schadevergoedingsmaatregel voor een bedrag van € 270,- worden toegewezen als vergoeding van immateriële schade voor het subsidiair ten laste gelegde.5.3..
Standpunt van de verdediging
De benadeelde partij moet, gelet op de bepleite vrijspraak voor het primair ten laste gelegde, niet-ontvankelijk worden verklaard in zijn vordering. De benadeelde partij heeft geen vergoeding voor immateriële schade gevorderd, waardoor hij ook in zoverre niet-ontvankelijk in zijn vordering moet worden verklaard..5.4.. Oordeel van de rechtbank5.4.1..
Materiële en immateriële schade
De rechtbank heeft de vordering van de benadeelde partij zo begrepen, dat hij vergoeding vraagt van het geldbedrag dat van hem zou zijn gestolen. De rechtbank merkt dit dan ook aan als een verzoek tot vergoeding van materiële schade en zal deze ook zo beoordelen. De benadeelde partij wordt niet-ontvankelijk verklaard in zijn vordering, omdat de verdachte wordt vrijgesproken van de diefstal van enig geldbedrag. De benadeelde partij vordert geen vergoeding van immateriële schade. Zonder nadere toelichting, die ontbreekt, kan de rechtbank niet tot het oordeel komen dat de verdachte aansprakelijk is voor eventuele immateriële schade. Er is daarom geen plaats voor toewijzing van de schadevergoedingsmaatregel.6. Wettelijke voorschriften
De oplegging van deze straf is gebaseerd op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d en 141 van het Wetboek van Strafrecht.7. Beslissingen
De rechtbank:
verklaart niet bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde feit heeft gepleegd en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart bewezen dat de verdachte het subsidiair ten laste gelegde feit, zoals in hoofdstuk 2.3.2 is omschreven, heeft gepleegd;
stelt vast dat het bewezenverklaarde oplevert het in hoofdstuk 3 vermelde strafbare feit;
verklaart de verdachte strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot een taakstraf van 120 (honderdtwintig) uur, waarbij de reclassering bepaalt uit welke werkzaamheden deze taakstraf zal bestaan;
beveelt dat, voor het geval de verdachte de taakstraf niet (goed) verricht, vervangende hechteniszal worden toegepast voor de duur van 60 dagen;
bepaalt dat 40 uur van deze taakstrafniet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders beslist;
verbindt hieraan een proeftijd, die wordt gesteld op 2 jaar, waarbij tot tenuitvoerlegging van het voorwaardelijke gedeelte van de straf kan worden beslist als de verdachte de onderstaande voorwaarde niet naleeft;
stelt als algemene voorwaarde dat:
- de verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet aan een strafbaar feit schuldig maakt;
verklaart de benadeelde partij [benadeelde partij] niet-ontvankelijk in zijn vordering;
veroordeelt de benadeelde partij in de kosten die de verdachte heeft gemaakt voor de verdediging tegen de vordering, en begroot deze kosten op € 0.8. Samenstelling rechtbank en ondertekening
Dit vonnis is gewezen door:
mr. I. Bouter, voorzitter,
en mrs. A.M. van der Leeden en T. Urbanus, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. E.P. de Jong, griffier,
en uitgesproken op de openbare zitting van deze rechtbank op 2 april 2026.
Mr. T. Urbanus is niet in de gelegenheid dit vonnis te ondertekenen.