[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"decision-ecli-nl-rbrot-2026-7942":3,"decision-more-ecli-nl-rbrot-2026-7942":20},{"id":4,"ecli":5,"caseNumber":6,"courtId":7,"courtName":8,"courtSlug":9,"decisionDate":10,"fullText":11,"language":12,"source":13,"sourceUrl":14,"summary":6,"slug":15,"metadata":16},"1628","ECLI:NL:RBROT:2026:7942","",61,"Rotterdam","rotterdam","2026-07-06T00:00:00.000Z","Rechtbank Rotterdam\n\nMeervoudige kamer strafzaken\n\nParketnummer: 10.229131.25\n\nDatum uitspraak: 6 juli 2026\n\nDatum zitting: 22 juni 2026\n\nTegenspraak\n\nVerdachte:\n\n [verdachte] ,\n\ngeboren op [geboortedag] 2006 in [geboorteplaats] (O),\n\ningeschreven op het adres [adres 1] , [postcode] [woonplaats] ,\n\ngedetineerd in de penitentiaire inrichting (PI) [naam P.I.] .\n\nAdvocaat van de verdachte: mr. J-H.L.C.M. Kuijpers\n\nOfficier van justitie: mr. H.J. du Croix\n\nBenadeelde partijen:\n\n [benadeelde 1] , [benadeelde 2] en [benadeelde 3] , bijgestaan door mr. N. Amine\n\n [benadeelde 4] , bijgestaan door mr. J.F.I. Sahebdien\n\n [benadeelde 5] , bijgestaan door mr. J.F.I. Sahebdien, waarnemend voor mr. Y.N. Teke-Bozkurt\n\nKern van het vonnis\n\nDe rechtbank veroordeelt de verdachte voor het samen met een ander opzettelijk uitlokken van een gewapende overval op een juwelier, het opzettelijk uitlokken van een woningoverval en het proberen opzettelijk uit te lokken van een woningoverval. De rechtbank legt hem een gevangenisstraf op van vier jaar en wijst de schadeclaims van de slachtoffers (gedeeltelijk) toe.1. Tenlastelegging\n\nKort samengevat en voor zover van belang beschuldigt de officier van justitie de verdachte van een viertal strafbare feiten, te weten:\n\n1) het in de periode van 25 juni tot en met 8 juli 2025 (samen met anderen) uitlokken van een overval op een juwelier op 8 juli 2025 (medeplegen van diefstal met geweld in vereniging);\n\n2 en 3) het in de periode van 16 juni tot en met 4 juli 2025 uitlokken van een overval op een woning op 4 juli 2025 (medeplegen van afpersing in vereniging (feit 2) en medeplegen van diefstal met geweld in vereniging (feit 3));\n\n4) een poging tot het uitlokken van een diefstal met geweld (feit 4).\n\nDe volledige tenlastelegging is opgenomen in bijlage 1 bij dit vonnis.\n\n2. Bewijs2.1.. \n\nVordering van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld voor de (primaire) feiten.2.2.. \n\nConclusie van de verdediging\n\nDe raadsman van de verdachte heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte geen opzet heeft gehad op gebruik van geweld. Dat geldt zowel voor de woningoverval als bedoeld onder de feiten 2 en 3 in de tenlastelegging als voor de overval op de juwelier als bedoeld onder feit 1 in de tenlastelegging. De verdachte heeft dat opzet ontkend en het blijkt niet uit de bewijsmiddelen. Er is geen bewijs dat er afspraken zijn gemaakt over het gebruik van geweld. Het inslaan van de ruiten bij de juwelier levert braak op, geen geweld. “In de rechtspraak wordt met enige regelmaat vrijgesproken van betrokkenheid bij een diefstal met geweld, indien uit de bewijsmiddelen niet kan worden afgeleid dat de verdachte wetenschap had van het voorgenomen geweld of het gebruik van wapens door de uitvoerders”, aldus de raadsman onder verwijzing naar twee arresten van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.\n\nMet betrekking tot feit 4 heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat sprake is van vormverzuimen. Voor de doorzoeking in de hotelkamer geldt dat het dossier te weinig concrete en specifieke informatie bevat om te kunnen spreken van een redelijk vermoeden van aanwezigheid van wapens en munitie. Daarnaast ontbreekt in het dossier een schriftelijke machtiging van de rechter-commissaris voor het verrichten van onderzoek in de telefoon van de verdachte. Deze vormverzuimen dienen te leiden tot bewijsuitsluiting. Indien de rechtbank van oordeel is dat er geen sprake kan zijn van bewijsuitsluiting, stelt de raadsman zich op het standpunt dat de verdachte vrijgesproken dient te worden van de geweldscomponent. In de chatberichten wordt namelijk niet gesproken over het toepassen van geweld en de verdachte heeft daarop geen opzet gehad.2.3.. Oordeel van de rechtbank2.3.1.. \n\nBewezenverklaring en bewijsmiddelen\n\nBewezen is dat de verdachte twee keer (waarvan één keer samen met een ander) een diefstal met geweld in vereniging heeft uitgelokt (feiten 1 primair en 3 primair), een afpersing in vereniging heeft uitgelokt (feit 2) en heeft geprobeerd een diefstal met geweld uit te lokken (feit 4). De volledige bewezenverklaring is vermeld in paragraaf 2.3.3.\n\nDe bewezenverklaring van de feiten is gebaseerd op de in bijlage 2 opgenomen inhoud van de bewijsmiddelenen de onderstaande bewijsmotivering.2.3.2.. \n\nBewijsmotivering\n\nEr is sprake van uitlokking als de uitlokker de uitvoerder met de in artikel 47, eerste lid, aanhef en sub 2, van het Wetboek van Strafrecht genoemde middelen opzettelijk aanzet tot het plegen van een specifiek strafbaar feit en dit feit ook daadwerkelijk wordt gepleegd althans een poging of strafbare voorbereiding daartoe wordt ondernomen.Dit opzet dient in beginsel alle delictsbestanddelen te omvatten. Dat betekent echter niet dat de uitvoering precies moet gaan zoals de uitlokker heeft bedacht, als de uitlokker daar al een concreet idee over heeft. Dat de uitvoering anders is geweest dan de verdachte voor ogen heeft gestaan, hoeft niet af te doen aan het opzettelijk karakter van het uitlokken (HR 19 mei 1987, NJ 1988, 424). Zo heeft degene die uitlokt tot beroving in beginsel ook opzet op het daarvoor gebruikte geweld (HR 10 februari 1970, NJ 1970, 269).\n\nDe verdachte heeft verklaard dat hij informatie had over een kluis en over waardevolle spullen in de woning aan de [adres 2] in Berkel en Rodenrijs. Ook verklaarde hij dat hij in de ten laste gelegde periode deze informatie met anderen, waaronder de medeverdachte [medeverdachte 1] , had gedeeld. De verdachte zegt bij de eerste ontmoeting met de medeverdachte [medeverdachte 2] te hebben gesproken over de planning van de overval in Berkel en Rodenrijs. Ter zitting heeft de verdachte beaamd dat een overval meestal niet vriendelijk gebeurt. [medeverdachte 1] heeft volgens de verdachte alles verder geregeld en [medeverdachte 1] vertelde aan hem alles wat hij deed.\n\nWelke afspraken voorafgaand aan de overval op de woning precies zijn gemaakt, is onduidelijk. Anders dan de officier van justitie heeft gesteld kan, nu in de feiten 2 en 3 geen medeplegen van uitlokking is ten laste gelegd, niet worden bewezen dat de verdachte de overval op de woning heeft uitgelokt door datum en tijd door te geven waarop de overval moest plaatsvinden, door tegen de uitvoerders te zeggen wat zij moesten doen, de taken te verdelen en de verdeling van de buit te bepalen. Deze uitspraken heeft de verdachte wel gedaan in een chatgesprek op 24 juni 2025 (zaaksdossier [dossiernaam 1] , p. 207). Maar de personen die daar als uitvoerder worden aangesproken, hebben uiteindelijk de overval niet uitgevoerd. Uiteindelijk heeft de medeverdachte [medeverdachte 1] twee anderen geregeld om de overval uit te voeren en de datum bepaald (zaaksdossier [dossiernaam 1] , p. 406, [medeverdachte 1] : “ik heb 2 soldiers” en “morgenochtend gaat gebeuren, ik neem het ff over”, op 3 juli 2025).\n\nDat niet met zoveel woorden is ten laste gelegd dat de verdachte het feit heeft uitgelokt door het adres van de woning door te geven doet er niet aan af, dat de rechtbank dit gegeven wel meeweegt bij het bewijs van uitlokking. Niet alle uitlokkingsmiddelen behoeven immers met zoveel worden in de tenlastelegging te worden opgenomen.\n\nHoewel uit de uitgewisselde berichten van de verdachte niet is gebleken dat over toepassing van geweld werd gesproken, staat wel vast dat de verdachte zijn mededaders heeft uitgelokt tot het medeplegen van de diefstal dan wel afpersing zoals onder 2 en onder 3 is ten laste gelegd. Het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch heeft op 23 november 2002 overwogen dat een verdachte door het uitlokken van het medeplegen van diefstal bewust de aanmerkelijke kans aanvaardt dat het binnendringen van een woning met meerdere personen om de hennep weg te nemen, kan leiden tot het aanwenden van geweld jegens de bewoner van de woning, waarvan de verdachte bovendien wist dat hij in zijn woning aanwezig was (ECLI:NL:GHSHE:2022:4007). Het hof verklaarde uitlokking van diefstal in vereniging met geweld bewezen. De Hoge Raad heeft het tegen dit arrest gerichte cassatieberoep – waarbij het middel zich onder meer tegen het bewijs van dubbel opzet richtte – zonder motivering verworpen (HR 18 februari 2025, ECLI:NL:HR:2025:303).\n\nEen en ander leidt tot het oordeel dat de verdachte door het uitlokken van diefstal van sieraden uit (een kluis in) een woning terwijl hij moet hebben geweten dat een bewoner thuis was – hoe zouden de daders anders naar binnen gaan en zich toegang verschaffen tot de kluis zoals de bedoeling was – bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat het binnendringen in de woning zou leiden tot geweld tegen een of meer bewoners. Daaraan doen niet af de arresten van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarnaar de raadsman heeft gewezen, alleen al omdat deze niet gaan over uitlokking maar over medeplegen en medeplichtigheid.\n\nWel zal de rechtbank vrijspreken van de onder 2 en 3 ten laste gelegde uitlokking van diefstal met geweld en afpersing, voor zover het betrekking heeft op een vuurwapen. Het bewijs van het opzet op geweld dat voortvloeit uit de opzettelijke uitlokking van diefstal met geweld en afpersing gaat naar het oordeel van de rechtbank in dit geval niet zo ver, dat daaronder ook het opzet op wapengeweld kan worden gerekend.\n\nDie gedeeltelijke vrijspraak strekt zich overigens niet uit tot de tenlastelegging onder 1. De woning als bedoeld in de tenlastelegging onder 2 en 3 is overvallen op 4 juli 2025 en de juwelier als bedoeld in de tenlastelegging onder 1 is overvallen op 8 juli 2025. De verdachte heeft op de zitting gezegd dat hij van de overval op de woning op 4 juli 2025 kennis heeft genomen uit het nieuws. Hoewel niet bekend is van welk nieuwsbericht of nieuwsberichten de verdachte heeft kennisgenomen of wanneer hij dat heeft gedaan, kan het niet anders of hij heeft dat kort na de overval op de woning gedaan, terwijl die berichten minst genomen moeten hebben gemeld dat het om een gewapende overval is gegaan. Zo is in de telefoon van de medeverdachte [medeverdachte 2] een zoekslag [naam locatie]gevonden die heeft geleid naar een nieuwsbericht getiteld ‘Bewoners bedreigd met vuurwapen bij woningoverval [naam locatie] in Berkel en Rodenrijs’ (zaaksdossier [dossiernaam 1] , p. 116). En in de telefoon van de verdachte zelf werd een nieuwsbericht gevonden over de overval op de juwelier op 8 juli 2025 van de website politie.nl met als titel:vier mannen aangehouden op verdenking van gewapende overval op juwelier te Rotterdam(zaaksdossier [dossiernaam 1] , p. 403), wat laat zien dat de verdachte naar nieuws over de overval zoekt.Dit laat naar het oordeel van de rechtbank voldoende zien dat de nieuwsberichten over de woningoverval op 4 juli 2025 die de verdachte naar eigen zeggen heeft bekeken moeten hebben vermeld dat er sprake is geweest van een gewapende overval. Dat brengt mee dat de verdachte bij het aanzetten tot de overval op de juwelier op 8 juli 2025, die in elk geval door een deel van dezelfde daders zou worden uitgevoerd, ook willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat opnieuw een (vuur)wapen zou worden gebruikt.\n\nDe rechtbank verwerpt het verweer van de raadsman met betrekking tot het tenlastegelegde onder 4, dat sprake zou zijn van een tweetal vormverzuimen. De verdachte werd verdacht van betrokkenheid bij twee gewapende overvallen. Dit gegeven was voldoende aanleiding voor een doorzoeking als bedoeld in artikel 49 van de Wet wapens en munitie van de hotelkamer waarin hij werd aangehouden. De officier van justitie heeft met betrekking tot de inbeslagname van de telefoon en het onderzoek in de telefoon ter zitting het bevel en de beslissing van de rechter-commissaris verstrekt op dit punt (Landeck). Dit maakt dat het standpunt hiermee voldoende onderbouwd is weersproken.\n\n2.3.3.. Volledige bewezenverklaring\n\nBewezen is dat:\n\n1\n\nprimair[medeverdachte 3] en [medeverdachte 4] en [medeverdachte 2] en [medeverdachte 5] op 8 juli 2025te Rotterdam, tezamen en in vereniging diverse sieraden en\u002Fof displays, die geheel of ten dele aan Juwelier [naam juwelier] en\u002Fof [slachtoffer 1] , toebehoorde(n)hebbenweggenomen met het oogmerk omdiezich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl deze diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en\u002Fof gevolgd van geweld en\u002Fof bedreiging met geweld tegen [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] en omstanders, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door - met behulp van hamers de glazen voordeur eneenraam van het pand\u002Fde juwelier in te slaan en - een vuurwapen op omstanders te richten, en - gekleed in gezichtsbedekkende kleding het pand te betreden, en - de glazen toonbank met behulp vaneenhamer, in te slaan, en - (vervolgens) tassen te vullen met displays en sieraden\n\nwelk strafbaar feit hij, verdachte, in de periode van 25 juni 2025 tot en met 8 juli 2025 te Goor, althans in Nederland en\u002Fof Belgiëtezamen en in vereniging met een of meer anderen, opzettelijk heeft uitgelokt door misbruik van gezag, bedreiging en het verschaffen van inlichtingen, te weten door, - (via Signalberichten) die [medeverdachte 2] opdracht te geven om een vluchtauto te regelen en om samen met anderen de overval te plegen en\n\n- de locatie van de overval en de datum\u002Fhettijdstip van de overval door te geven, en - (via Signalberichten) die [medeverdachte 2] opdracht te geven om mokers en\u002Fof handschoenen aan te schaffen en\u002Fof geld te geven voor die aanschaf en\u002Fof een foto te sturen aan die [medeverdachte 2] van de moker die die [medeverdachte 2] moest halen, en - (via Signalberichten) die [medeverdachte 2] opdracht te geven om mededader(s) op te halen - en daarbij adressen te delen- en\u002Fof af te zetten in Rotterdam en - die [medeverdachte 2] te zeggen dat hij klaar moest staan;\n\n2 [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] en [medeverdachte 6] en [medeverdachte 7] en (een) onbekend gebleven perso(o)n(en) op 4 juli 2025 te Berkel en Rodenrijs, gemeente Lansingerland tezamen en in vereniging, met het oogmerk om zich en\u002Fof een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en\u002Fof bedreiging met geweld [slachtoffer 3] hebben gedwongen tot de afgifte van meerdere armbanden en eenketting die aan die [slachtoffer 3] toebehoorden door - de voordeur van de woning van die [slachtoffer 3] open te duwen en (vervolgens) naar binnen te gaan, gehuld in gezichtsbedekkende kleding, en - die [slachtoffer 3] bij de keel vast te pakken, en - (vervolgens) “money, money” te roepen naar die [slachtoffer 3] en tegen haar kinderen te zeggen dat zij, [slachtoffer 3] , geld dan wel waardevolle spullen moest afgeven,\n\nwelk strafbaar feit hij, verdachte, in de periode van 16 juni 2025 tot en met 4 juli 2025 te Goor, althans in Nederland en\u002Fof België, opzettelijk heeft uitgelokt door beloften en doormisbruik van gezag en het verschaffen van inlichtingen, te weten door - (via Signalberichten) [medeverdachte 1] opdracht te geven om een chauffeur te zoeken voor de overval en aan die [medeverdachte 1] te vragen wie de chauffeur is, en - (via Signalberichten) de uitvoerders te laten weten dat er een aanzienlijk geldbedrag in de woning ligt;\n\n3\n\nprimair[medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] en [medeverdachte 6] en [medeverdachte 7] en (een) onbekend gebleven perso(o)n(en) op 4 juli 2025 te Berkel en Rodenrijs, gemeente Lansingerland tezamen en in vereniging, meerdere armbanden eneenketting en meerdere horloges en meerdere telefoons die geheel aan [slachtoffer 3] toebehoorden hebben weggenomen met het oogmerk omdiezich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl deze diefstal werd voorafgegaanenvergezeld van geweld en\u002Fof bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer 3] en\u002Fof haar kinderen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door - de voordeur van de woning van die [slachtoffer 3] open te duwen en (vervolgens) naar binnen te gaan, gehuld in gezichtsbedekkende kleding, en - die [slachtoffer 3] bij de keel vast te pakken, en - (vervolgens) “money, money” te roepen naar die [slachtoffer 3] en tegen haar kinderen te zeggen dat zij, [slachtoffer 3] , geld dan wel waardevolle spullen moest afgeven, en - (vervolgens) die [slachtoffer 3] en haar kinderen te instrueren om tussen mededadersin naar boven te lopen, en - (vervolgens) armbanden eneenketting en horloges uit de (lades in de) slaapkamers te pakken,\n\nwelk strafbaar feit hij, verdachte, in de periode van 16 juni 2025 tot en met 4 juli 2025 te Goor, althans in Nederland en\u002Fof België, opzettelijk heeft uitgelokt door beloften en doormisbruik van gezag en het verschaffen van inlichtingen, te weten door - (via Signalberichten) [medeverdachte 1] opdracht te geven om een chauffeur te zoeken voor de overval en aan die [medeverdachte 1] te vragen wie de chauffeur is en - (via Signalberichten) de uitvoerders te laten weten dat er een aanzienlijk geldbedrag in de woning ligt;\n\n 4 hij in de periode van9 september 2025 tot en met 13 september 2025 te Goor, althans in Nederland en\u002Fof België, heeft gepoogd om een ander, te weten een onbekend gebleven persoon onder de Signalnaam ' [accountnaam] ' door beloften endoor het verschaffen van inlichtingen te bewegen om een misdrijf, te weten het medeplegen van een diefstal met geweld in een woning, artikel 312 jo. artikel 47 Wetboek van Strafrecht, op 15 september 2025 te Berkel en Rodenrijs, waarbij de uitlokkingsmiddelen bestaan uit: - het via Signal benaderen van Signal-gebruiker ' [accountnaam] ', met de tip dat een aanzienlijk geldbedrag voorhanden is in (een kluis in) een woning in Berkel en Rodenrijs (van een Syrisch gezin dat drie juwelierszaken heeft), en - (via Signal) tegen die ' [accountnaam] ' te zeggen dat hij, verdachte, hiervoor \"spelers nodig\" heeft, en - (vervolgens, via Signal) tegen die ' [accountnaam] ' te zeggen hoe de taken voor de te plegen overval worden verdeeld\u002Fverdeeld zijn en\u002Fof dat de buit eerlijk zal worden verdeeld en\u002Fof dat de uitvoerders de buit op een plek zonder camera's moeten achterlaten, en - (via Signal) met die ' [accountnaam] ' een datum\u002Ftijdstip van de te plegen overval af te spreken, en - (via Signal) aan die ' [accountnaam] ' een filmpje te sturen van een kluis en\u002Fof daarbij te zeggen dat er een aanzienlijk geldbedrag in moet liggen, en - (via Signal) met die ' [accountnaam] ' af te spreken dat de overval \"aankomende maandag\" zal plaatsvinden.3. Kwalificatie en strafbaarheid3.1.. \n\nKwalificatie\n\nDe bewezen feiten leveren de volgende strafbare feiten op:\n\n1\n\nprimair\n\nhet medeplegen van uitlokking van diefstal, voorafgegaan, vergezeld en gevolgd van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden, gemakkelijk te maken en bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf en andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen\n\nDe eendaadse samenloop van\n\n2\n\nuitlokking van afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen\n\nen van\n\n3\n\nprimair\n\nuitlokking van diefstal, voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken en bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf en andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen\n\n4\n\npoging tot uitlokking van diefstal, voorafgegaan, vergezeld en gevolgd van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden, gemakkelijk te maken en bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf en andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren\n\n3.2.. \n\nStrafbaarheid van de feiten en van de verdachte\n\nDe feiten en de verdachte zijn strafbaar.4. Straf4.1.. \n\nEis van de officier van justitie\n\nDe verdachte moet voor de feiten worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van zeven jaar met aftrek van het voorarrest.4.2.. \n\nStandpunt van de verdediging\n\nVolstaan kan worden met een gevangenisstraf gelijk aan het voorarrest, eventueel in combinatie met een voorwaardelijk deel ten behoeve van bijzondere voorwaarden.4.3.. Oordeel van de rechtbank4.3.1.. \n\nErnst en omstandigheden van de feiten\n\nDe verdachte heeft als amper 18-jarige jongen tweemaal een gewelddadige overval uitgelokt waarbij waardevolle spullen door diefstal met geweld dan wel door afpersing met geweld, zijn weggenomen. [slachtoffer 3] en haar twee jonge kinderen zijn op klaarlichte dag overvallen in hun eigen woning in Berkel en Rodenrijs. De uitvoerende daders hebben haar met een vuurwapen gedwongen haar sieraden af te doen en sieraden en telefoons weggenomen uit de woning. De door de verdachte uitgevoerde uitlokkingshandelingen bestonden uit: het inlichten van de uitvoerders over de buit in de woning en de uitvoerders een groot geldbedrag in het vooruitzicht stellen. De verdachte heeft ter zitting verklaard dat hij na de woningoverval de buit samen met medeverdachte [medeverdachte 1] heeft opgehaald.\n\nEnkele dagen later is [slachtoffer 1] op klaarlichte dag overvallen in haar juwelierszaak in Rotterdam waar zij op dat moment aanwezig was met haar vriendin [slachtoffer 2] . De uitvoerende daders hebben met geweld de deur opengebroken en vervolgens de juwelierszaak vrijwel volledig vernield om zo sieraden weg te kunnen nemen. Een van de daders had een vuurwapen en heeft daarmee ook gericht op omstanders. De door de verdachte uitgevoerde uitlokkingshandelingen bestonden uit: het opdrachtgeven aan een medeverdachte om een vluchtauto te regelen, handschoenen en mokers te kopen en de uitvoerders op te halen, het adres delen en tegen de medeverdachte zeggen dat hij klaar moest staan. Ook bij deze overval heeft de verdachte na afloop de buit opgehaald.\n\nVervolgens heeft de verdachte enkele maanden later gepoogd opnieuw een overval uit te lokken in de woning van [slachtoffer 3] door aan een derde via Signal informatie te verstrekken over een mogelijke buit.\n\nHet behoeft geen betoog dat de door de verdachte uitgelokte delicten voor de slachtoffers zeer traumatische en angstaanjagende ervaringen zijn geweest. Algemene ervaringsregels leren dan ook dat slachtoffers van delicten zoals bewezenverklaard nog lange tijd de psychische gevolgen daarvan ondervinden. De ter terechtzitting voorgedragen slachtofferverklaringen van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] laten dat ook zien, net als de beschrijvingen van hoe het met [slachtoffer 3] en haar kinderen gaat. Daarnaast maken dergelijke feiten een ernstige inbreuk op de rechtsorde en nemen de gevoelens van angst en onveiligheid in de samenleving hierdoor toe.\n\nDe verdachte heeft op zitting verklaard dat hij spijt heeft van de gepleegde delicten. De rechtbank hoopt dat de verdachte daadwerkelijk inziet dat het plegen van dit soort delicten de slachtoffers veel schade berokkent.4.3.2.. \n\nPersoon en persoonlijke omstandigheden\n\nStrafblad\n\nUit het strafblad (uittreksel justitiële documentatie) van 5 mei 2026 blijkt dat de verdachte weliswaar eerder onherroepelijk is veroordeeld voor een vermogensdelict, maar dat dit gaat om een feit dat is gepleegd voor de feiten waarvoor hij nu terechtstaat en dat daarna tot een vonnis heeft geleid. Het strafblad van de verdachte leidt dus niet tot een hogere straf en de rechtbank houdt daarmee op grond van artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht rekening bij de strafoplegging.\n\nRapport van de reclassering\n\nIn het rapport van Reclassering Nederland van 8 juni 2026 staat het volgende.\n\nDe reclassering beschouwt de verdachte als een deels bekennende verdachte. Het aandeel in het geheel dat hij erkent is significant minder dan wat hem wordt verweten. In de delictplegingen had hij een financiële motivatie en was hij louter gericht op eigen financieel gewin, zonder daarbij stil te staan bij mogelijke gevolgen voor slachtoffers. De verdachte komt vanaf veertien jarige leeftijd met justitie in aanraking. Daarbij is sprake van verschillende typen delictgedrag, wat over het algemeen een ongunstige voorspeller is voor recidive. Delictgerelateerde risicofactoren zijn gelegen het psychosociaal functioneren, houding, financiën en het sociaal netwerk. Algemene risicofactoren betreffen de wisselende huisvestingssituatie voorafgaand aan de arrestatie. Beschermende factoren zijn het contact met zijn moeder en de mogelijkheid tot huisvesting bij haar in Goor. In hoeverre dagbesteding behoort tot een risicofactor of een beschermende factor kunnen wij op dit moment niet beoordelen. In het contact met de reclassering stelt de verdachte zich coöperatief en vriendelijk op. Hij zegt zijn medewerking aan een toezicht met bijzondere voorwaarden toe. Het risico op recidive wordt ingeschat als hoog.\n\nGeadviseerd wordt om een (deels) voorwaardelijke straf op te leggen met de volgende bijzondere voorwaarden; een meldplicht bij reclassering, ambulante behandeling, een contactverbod met de medeverdachten en de slachtoffers en het vinden van dagbesteding.4.3.3.. Oplegging straf\n\nStraf\n\nGelet op de ernst van de strafbare feiten is een gevangenisstraf noodzakelijk. Het opleggen van een ander soort straf is niet passend. Bij het bepalen van die strafsoort en de duur daarvan houdt de rechtbank rekening met straffen die in soortgelijke zaken zijn opgelegd. Hierbij is ook gekeken naar de LOVS-oriëntatiepunten. Voor dit soort strafbare feiten worden in beginsel lange gevangenisstraffen opgelegd. Cumulerend zou dit kunnen leiden tot een gevangenisstraf van zes of zeven jaar. De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of een dergelijke lange gevangenisstraf passend is in de onderhavige zaak. De verdachte was ten tijde van de feiten volwassen, maar nog zeer jong. Op de terechtzitting heeft hij meerdere keren zijn oprechte excuses gemaakt en heeft hij verklaard dat hij zich realiseert - nu hij langere tijd in detentie heeft verbleven - hoe fout zijn daden zijn geweest. Hij heeft de rechtbank laten weten dat hij definitief wil afrekenen met zijn criminele verleden en een ander pad wil bewandelen in zijn leven. De raadsman heeft verzocht om een lagere gevangenisstraf op te leggen, omdat ‘dit zieltje misschien nog niet verloren is. De rechtbank sluit zich daarbij, kijkend naar de houding van de verdachte op de terechtzitting, aan en spreekt de hoop en verwachting uit dat de verdachte zijn leven daadwerkelijk een positieve wending zal geven. Gelet hierop zal de rechtbank een gevangenisstraf van vier jaar opleggen.\n\n De gevangenisstraf zal worden tenuitvoergelegd binnen de penitentiaire inrichting totdat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend.5. Vorderingen van de benadeelde partijen5.1.. \n\nVorderingen\n\n [benadeelde 1]\n\n heeft als benadeelde partij voor de feiten 2 en 3 € 11.247,21 als vergoeding voor materiële schade en € 9.000,- als vergoeding voor immateriële schade gevorderd, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De verdachte moet hoofdelijk worden veroordeeld tot vergoeding van deze schade.\n\n [benadeelde 2]\n\n heeft als benadeelde partij voor de feiten 2 en 3 € 9.000,- als vergoeding voor immateriële schade gevorderd, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De verdachte moet hoofdelijk worden veroordeeld tot vergoeding van deze schade.\n\n [benadeelde 3]\n\n heeft als benadeelde partij voor de feiten 2 en 3 € 9.000,- als vergoeding voor immateriële schade gevorderd, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De verdachte moet hoofdelijk worden veroordeeld tot vergoeding van deze schade.\n\n [benadeelde 4]\n\n heeft als benadeelde partij voor feit 1 € 1.250,- als vergoeding voor immateriële schade gevorderd, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De verdachte moet hoofdelijk worden veroordeeld tot vergoeding van deze schade.\n\n [benadeelde 5]\n\n heeft als benadeelde partij voor feit 1 € 83.950,60 als vergoeding voor materiële schade en € 2.000,- als vergoeding voor immateriële schade gevorderd, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De verdachte moet hoofdelijk worden veroordeeld tot vergoeding van deze schade.5.2.. \n\nStandpunt van de officier van justitie\n\nDe vorderingen van de benadeelde partijen kunnen geheel worden toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De verdachte moet hoofdelijk worden veroordeeld tot vergoeding van de schade.5.3.. \n\nStandpunt van de verdediging\n\nDe immateriële schadevergoedingsvorderingen van de benadeelde partijen moeten niet-ontvankelijk verklaard worden dan wel sterk gematigd worden, omdat het geweldsaspect niet bewezen kan worden en de mentale gevolgen voor de benadeelden vooral verband houden met het gepleegde geweld.\n\nDe waarde van de weggenomen goederen uit de juwelierswinkel van [benadeelde 5] bedroeg slechts € 2.000,-.5.4.. Oordeel van de rechtbank5.4.1.. \n\n [benadeelde 1]\n\nDe rechtbank stelt vast dat de benadeelde partij rechtstreeks materiële schade heeft geleden als gevolg van de onder 2 en 3 gepleegde strafbare feiten. De verdediging heeft de vordering niet betwist. De gevorderde schadevergoeding komt de rechtbank niet onrechtmatig of ongegrond voor. De vordering wordt daarom toegewezen. Dit betekent dat de verdachte € 11.247,21 als vergoeding van materiële schade aan de benadeelde partij moet betalen.\n\nDe benadeelde partij heeft als gevolg van de strafbare feiten onder 2 en 3 rechtstreeks immateriële schade geleden. De verdediging heeft de vordering niet betwist. De benadeelde partij is op andere wijze in haar persoon aangetast. Uit de onderbouwing blijkt dat zij angst- en paniekklachten heeft ontwikkeld en door de huisarts is aangemeld bij een GGZ in verband met PTSS. Die schade wordt naar billijkheid begroot op € 9.000,-. Hierbij is in het bijzonder rekening gehouden met de aard van de aansprakelijkheid en de ernst van het aan de verdachte te maken verwijt. De vordering wordt toegewezen.5.4.2.. \n\n [benadeelde 2]\n\nDe rechtbank stelt vast dat de benadeelde partij als gevolg van de strafbare feiten onder 2 en 3 rechtstreeks immateriële schade heeft geleden. De verdediging heeft de vordering niet betwist. De benadeelde partij is op andere wijze in haar persoon aangetast. Uit de onderbouwing blijkt dat zij angst- en paniekklachten heeft ontwikkeld en herbelevingen heeft. Zij is doorverwezen naar een instantie die haar psychologische hulp zal aanbieden. Die schade wordt naar billijkheid begroot op € 9.000,-. Hierbij is in het bijzonder rekening gehouden met de aard van de aansprakelijkheid en de ernst van het aan de verdachte te maken verwijt. De vordering wordt toegewezen.5.4.3.. \n\n [benadeelde 3]\n\nDe rechtbank stelt vast dat de benadeelde partij als gevolg van de strafbare feiten onder 2 en 3 rechtstreeks immateriële schade heeft geleden. De verdediging heeft de vordering niet betwist. De benadeelde partij is op andere wijze in zijn persoon aangetast. Uit de onderbouwing blijkt dat hij ernstige mentale problemen heeft sinds het misdrijf. Die schade wordt naar billijkheid begroot op € 9.000,-. Hierbij is in het bijzonder rekening gehouden met de aard van de aansprakelijkheid en de ernst van het aan de verdachte te maken verwijt. De vordering wordt toegewezen.5.4.4.. \n\n [benadeelde 4]\n\nDe rechtbank stelt vast dat de benadeelde partij als gevolg van het strafbare feit onder 1 rechtstreeks immateriële schade heeft geleden. De verdediging heeft de vordering niet betwist. De benadeelde partij is op andere wijze in haar persoon aangetast. Uit de onderbouwing blijkt dat zij na de overval kampt met ernstige psychische klachten, waaronder angstgevoelens en herbelevingen. Die schade wordt naar billijkheid begroot op € 1.250,-. Hierbij is in het bijzonder rekening gehouden met de aard van de aansprakelijkheid en de ernst van het aan de verdachte te maken verwijt. De vordering wordt toegewezen.5.4.5.. \n\n [benadeelde 5]\n\nDe rechtbank stelt vast dat de benadeelde partij rechtstreeks materiële schade heeft geleden als gevolg van het onder 1 gepleegde strafbare feit. De verdachte heeft de vordering betwist en gemotiveerd gesteld dat er enkel € 2.000,- aan sieraden is weggenomen. De rechtbank is van oordeel dat de materiële schade voor zover deze ziet op het ‘huurdersbelang’ voldoende is onderbouwd. De benadeelde partij heeft onbetwist gesteld dat zij de btw niet meer kan verrekenen, zodat het schadebedrag inclusief 21% btw toegewezen wordt. Dat is een bedrag van in totaal € 10.527,-. Het overige deel van de vordering tot materiële schadevergoeding (de sieraden en de inventaris) is boven het bedrag van € 2.000,- niet eenvoudig te beoordelen. Dit deel is onderbouwd met een expertiserapport, aangevuld met kasboeken en facturen. Echter roepen deze stukken vragen op over de gemaakte schadeberekening. Daarvoor is nadere bewijslevering nodig, wat zou betekenen dat de strafzaak zou moeten worden aangehouden. Dat zou in dit stadium van de procedure een onevenredige belasting van het strafproces opleveren. Aangezien de verdachte heeft erkend dat het schadebedrag van de weggenomen sieraden (ten minste) € 2.000,- is, wijst de rechtbank een bedrag van € 12.527,- toe (= € 10.527,- plus € 2.000,-). Voor het meer gevorderde wordt de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard. Dit deel van de vordering kan bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.\n\nDe benadeelde partij heeft als gevolg van het strafbare feit onder 1 rechtstreeks immateriële schade geleden. De verdediging heeft de vordering op dit punt niet betwist. De benadeelde partij is op andere wijze in haar persoon aangetast. Uit de onderbouwing blijkt dat zij sinds de overval kampt met ernstige psychische klachten, bestaande uit slaapklachten, angstgevoelens en herbelevingen. Die schade wordt naar billijkheid begroot op € 2.000,-. Hierbij is in het bijzonder rekening gehouden met de aard van de aansprakelijkheid en de ernst van het aan de verdachte te maken verwijt. De vordering wordt op dit punt toegewezen.5.4.6.. \n\nHoofdelijke veroordeling, wettelijke rente, proceskosten en de schadevergoedingsmaatregel\n\nDe verdachte heeft de strafbare feiten waarvoor de schadevergoeding wordt toegekend samen met mededaders gepleegd. Zij zijn daarom allen hoofdelijk aansprakelijk voor deze schadevergoeding. Als de mededaders de schadevergoeding (voor een deel) hebben betaald, hoeft de verdachte (dat deel) niet meer aan de benadeelde partij te betalen.\n\nDe benadeelde partij heeft gevorderd de schadevergoeding te vermeerderen met de wettelijke rente. De rechtbank wijst voor de benadeelde partijen [benadeelde 1] , [benadeelde 2] en [benadeelde 3] de wettelijke rente toe vanaf 4 juli 2025. De rechtbank wijst voor de benadeelde partijen [benadeelde 4] en [benadeelde 5] de wettelijke rente toe vanaf 8 juli 2025.\n\nDe rechtbank veroordeelt de verdachte in de proceskosten die de benadeelde partijen hebben gemaakt en die zij bij de tenuitvoerlegging nog zullen maken, omdat de vordering van de benadeelde partijen (grotendeels) wordt toegewezen. Deze kosten worden tot vandaag begroot op € 0,-.\n\nDe rechtbank legt de schadevergoedingsmaatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht op. Dit betekent dat de verdachte de schadevergoeding aan de Staat moet betalen en de Staat het bedrag uitkeert aan de benadeelde partij. Als dwangmiddel kan gijzeling worden toegepast. De toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.6. Wettelijke voorschriften\n\nDe oplegging van deze straf is gebaseerd op de artikelen 36f, 45, 46a, 47, 55, 57, 63, 312 en 317 van het Wetboek van Strafrecht.7. Beslissingen\n\nDe rechtbank:\n\nBewezenverklaring\n\nverklaart bewezen dat de verdachte de feiten, zoals in hoofdstuk 2 is omschreven, heeft gepleegd en spreekt hem van het overige vrij;\n\nKwalificatie en strafbaarheid\n\nstelt vast dat het bewezenverklaarde oplevert de in hoofdstuk 3 vermelde strafbare feiten;\n\nverklaart de verdachte strafbaar;\n\nStraf\n\nGevangenisstraf\n\nveroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf van 4 (vier) jaar;\n\nbeveelt dat de tijd die de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, in mindering wordt gebracht op de gevangenisstraf, voor zover deze tijd niet al op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;\n\nVorderingen benadeelde partijen\n\n [benadeelde 1]\n\nveroordeelt de verdachte hoofdelijk met zijn mededaders, aan de benadeelde partij [benadeelde 1] (feiten 2 en 3), te betalen een bedrag van € 20.247,21 bestaande uit € 11.247,21 als vergoeding van materiële schade en € 9.000,- als vergoeding van immateriële schade, en de wettelijke rente hierover vanaf 4 juli 2025 tot de dag van volledige betaling. Als en voor zover er al door (een) andere mededader(s) (deels) is betaald, wordt de verdachte (in zoverre) van die betalingsverplichting bevrijd;\n\nlegt aan de verdachte voor de feiten 2 en 3 de maatregel tot schadevergoedingop, wat inhoudt dat de verdachte de verplichting heeft om ten behoeve van de benadeelde partij [benadeelde 1] aan de staat€ 20.247,21te betalen, en de wettelijke rente vanaf 4 juli 2025 tot aan de dag van de gehele betaling. Bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt,gijzelingkan worden toegepast voor de duur van maximaal125 dagen. De toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op;\n\n [benadeelde 2]\n\nveroordeelt de verdachte hoofdelijk met zijn mededaders, aan de benadeelde partij [benadeelde 2] (feiten 2 en 3), te betalen een bedrag van € 9.000,-, als vergoeding van immateriële schade, en de wettelijke rente hierover vanaf 4 juli 2025 tot de dag van volledige betaling. Als en voor zover er al door (een) andere mededader(s) (deels) is betaald, wordt de verdachte (in zoverre) van die betalingsverplichting bevrijd;\n\nlegt aan de verdachte voor de feiten 2 en 3 de maatregel tot schadevergoedingop, wat inhoudt dat de verdachte de verplichting heeft om ten behoeve van de benadeelde partij [benadeelde 2] aan de staat€ 9.000,-te betalen, en de wettelijke rente vanaf 4 juli 2025 tot aan de dag van de gehele betaling. Bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt,gijzelingkan worden toegepast voor de duur van maximaal70 dagen. De toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op;\n\n [benadeelde 3]\n\nveroordeelt de verdachte hoofdelijk met zijn mededaders, aan de benadeelde partij [benadeelde 3] (feiten 2 en 3), te betalen een bedrag van € 9.000,-, als vergoeding van immateriële schade, en de wettelijke rente hierover vanaf 4 juli 2025 tot de dag van volledige betaling. Als en voor zover er al door (een) andere mededader(s) (deels) is betaald, wordt de verdachte (in zoverre) van die betalingsverplichting bevrijd;\n\nlegt aan de verdachte voor de feiten 2 en 3 de maatregel tot schadevergoedingop, wat inhoudt dat de verdachte de verplichting heeft om ten behoeve van de benadeelde partij [benadeelde 3] aan de staat€ 9.000,-te betalen, en de wettelijke rente vanaf 4 juli 2025 tot aan de dag van de gehele betaling. Bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt,gijzelingkan worden toegepast voor de duur van maximaal70 dagen. De toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op;\n\n [benadeelde 4]\n\nveroordeelt de verdachte hoofdelijk met zijn mededaders, aan de benadeelde partij [benadeelde 4] (feit 1), te betalen een bedrag van € 1.250,-, als vergoeding van immateriële schade, en de wettelijke rente hierover vanaf 8 juli 2025 tot de dag van volledige betaling. Als en voor zover er al door (een) andere mededader(s) (deels) is betaald, wordt de verdachte (in zoverre) van die betalingsverplichting bevrijd;\n\nlegt aan de verdachte voor feit 1 de maatregel tot schadevergoedingop, wat inhoudt dat de verdachte de verplichting heeft om ten behoeve van de benadeelde partij [benadeelde 4] aan de staat€ 1.250,-te betalen, en de wettelijke rente vanaf 8 juli 2025 tot aan de dag van de gehele betaling. Bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt,gijzelingkan worden toegepast voor de duur van maximaal12 dagen. De toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op;\n\n [benadeelde 5]\n\nveroordeelt de verdachte hoofdelijk met zijn mededaders, aan de benadeelde partij [benadeelde 5] (feit 1), te betalen een bedrag van € 14.527,- bestaande uit € 12.527,- als vergoeding van materiële schade en € 2.000,- als vergoeding van immateriële schade, en de wettelijke rente hierover vanaf 8 juli 2025 tot de dag van volledige betaling. Als en voor zover er al door (een) andere mededader(s) (deels) is betaald, wordt de verdachte (in zoverre) van die betalingsverplichting bevrijd;\n\nverklaart de benadeelde partij [benadeelde 5] niet-ontvankelijk in het resterende deel van de vordering; bepaalt dat dit deel van de vordering kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;\n\nlegt aan de verdachte voor feit 1 de maatregel tot schadevergoedingop, wat inhoudt dat de verdachte de verplichting heeft om ten behoeve van de benadeelde partij [benadeelde 5] aan de staat€ 14.527te betalen, en de wettelijke rente vanaf 8 juli 2025 tot aan de dag van de gehele betaling. Bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt,gijzelingkan worden toegepast voor de duur van maximaal97 dagen. De toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op;\n\nproceskosten\n\nveroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partijen gemaakte proceskosten, tot op vandaag begroot op € 0,- en in de nog te maken kosten voor de tenuitvoerlegging van dit vonnis;\n\nbepaalt dat de verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij en\u002Fof zijn mededaders de schade aan de benadeelde partij of aan de staat hebben vergoed.\n\n8. Samenstelling rechtbank en ondertekening\n\nDit vonnis is gewezen door:\n\nmr. J.L.M. Boek, voorzitter,\n\nen mrs. L. den Teuling en F. van Laanen, rechters,\n\nin tegenwoordigheid van mr. H. Tchang, griffier,\n\nen uitgesproken op de openbare zitting van deze rechtbank op 6 juli 2026.\n\nMr. F. van Laanen is niet in de gelegenheid dit vonnis te ondertekenen.\n\nUitspraken van gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 12 januari 2023, ECLI:NL:GHARL:2023:245 en van 4 april 2023, ECLI:NL:GHARL:2023:2849.\n\nDe exacte vindplaatsen van de bewijsmiddelen zijn genoemd in de bijbehorende voetnoot. Als wordt verwezen naar paginanummers, wordt - tenzij anders vermeld - gedoeld op paginanummers uit het zaaksdossiers [dossiernaam 1] en [dossiernaam 2] .\n\n Uit Tekst & Commentaar Sr, aantekening 11 bij artikel 46a Sr zou kunnen worden afgeleid dat volgens de auteurs uitlokking niet strafbaar is als de uitvoering in de voorbereidingsfase is blijven steken. Uit het wettelijk stelsel dient te worden afgeleid dat dit alleen het geval is, indien die voorbereiding niet strafbaar is en dat is het geval bij uitlokking tot een misdrijf waarop een gevangenisstraf is gesteld van minder dan acht jaar, zie artikel 46 Sr.","nl","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2026:7942","ecli-nl-rbrot-2026-7942",{"courtName":8,"legalDomain":17,"decisionType":18,"procedureType":19},"Strafrecht","uitspraak","Uitspraak",[21,32,43,52,62],{"id":22,"ecli":23,"caseNumber":6,"courtId":24,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":26,"language":12,"source":13,"sourceUrl":27,"summary":6,"slug":28,"metadata":29},"410","ECLI:NL:RBLIM:2026:6423",66,"2026-07-08T00:00:00.000Z","RECHTBANK limburg\n\nZittingsplaats Roermond\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: ROE 25 \u002F 2565\n\nuitspraak van de meervoudige kamer van 8 juli 2026 in de zaak tussen\n\n [belanghebbende] , gevestigd te [plaats], belanghebbende\n\n(gemachtigde: M.O.E. Uyen)\n\nen\n\nde heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking Gemeenten en Waterschappen, de heffingsambtenaar (gemachtigde: A. van den Dool).\n\nProcesverloop\n\nDe heffingsambtenaar heeft op grond van de Wet waardering onroerende zaken (Wet woz) de waarde van de onroerende zaken van belanghebbende voor het belastingjaar 2025 vastgesteld (het primaire besluit).\n\nBelanghebbende heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt.\n\nDe heffingsambtenaar heeft het bezwaar van belanghebbende gegrond verklaard (het bestreden besluit). Aan belanghebbende is een proceskostenvergoeding van in totaal € 161,74 toegekend.\n\nBelanghebbende heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.\n\nDe heffingsambtenaar heeft verweer gevoerd.\n\nOp 4 mei 2026, aangevuld op 11 mei 2026, zijn van belanghebbende nadere gronden en stukken ontvangen.\n\nHet onderzoek ter zitting heeft vervolgens plaatsgevonden op 15 mei 2026. Belanghebbende heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. L.H.G.M. Driessen, kantoorgenote van haar gemachtigde bij Previcus B.V. te Boxmeer. De heffingsambtenaar heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.\n\nOverwegingen\n\n1. De rechtbank stelt vast dat de woz-waarde tussen partijen niet meer in geschil is. Het beroep van belanghebbende richt zich enkel tegen de toegekende proceskostenvergoeding en spitst zich toe op de vraag of de heffingsambtenaar bij de vaststelling van de proceskostenvergoeding in bezwaar toepassing heeft mogen geven aan de vermenigvuldigingsfactor 0,125 van artikel 30a, eerste lid, van de Wet woz, zoals dit artikellid luidt met ingang van 1 januari 2025.\n\n2. De heffingsambtenaar heeft in het bestreden besluit de proceskostenvergoeding van € 161,74 als volgt gespecificeerd:\n\n- indienen bezwaarschrift: 1 punt x waarde per punt € 647,- x factor 0,125 = € 80,87 +\n\n- bijwonen hoorzitting: 1 punt x waarde per punt € 647,- x factor 0,125 = € 80,87 = € 161,74.\n\n3. Belanghebbende vindt dat de heffingsambtenaar een te lage proceskostenvergoeding heeft toegekend. Zij verzoekt de rechtbank om artikel 30a van de Wet woz buiten toepassing te laten, omdat haar gemachtigde een bijzonder geval is als bedoeld in het zogenoemde 30a-arrest van de Hoge Raad van 17 januari 2025 (ECLI:NL:HR:2025:46).\n\n4. In het 30a-arrest heeft de Hoge Raad geoordeeld dat bijzondere gevallen zich onderscheiden doordat zij niet voldoen aan de volgende kenmerken: dat aan de belanghebbende rechtsbijstand wordt verleend door een beroepsmatig optredende gemachtigde, dan wel een kantoor, waarvan het bedrijfsmodel eruit bestaat dat\n\n( i) wordt opgetreden op basis van no cure no pay,\n\n(ii) daarbij zodanige afspraken met de cliënten worden gemaakt dat het bedrag van eventuele proceskostenvergoedingen aan de gemachtigde of aan het kantoor wordt afgedragen, en\n\n(iii) de procedures op een zodanige wijze worden gevoerd dat de daarin toegekende proceskostenvergoedingen de in redelijkheid gemaakte kosten ver overtreffen.\n\n5. De daarbij te hanteren regels zijn nader uitgewerkt in de arresten van de Hoge Raad van 25 april 2025 (ECLI:NL:HR:2025:670) en 18 juli 2025 (ECLI:NL:HR:2025:1175).\n\n5.1.. Volgens de Hoge Raad rusten op de belanghebbende de stelplicht en bewijslast van feiten die meebrengen dat buiten redelijke twijfel komt vast te staan dat, beoordeelt naar de situatie op het moment waarop het desbetreffende rechtsmiddel is aangewend, het bedrijfsmodel van de betreffende gemachtigde of diens kantoor kennelijk niet allehiervoor bedoelde drie kenmerken heeft en dat aldus sprake is van een bijzonder geval. Er is dus (al) sprake van een bijzonder geval als één van de drie kenmerken niet van toepassing is.\n\n5.2.. Bij de beoordeling van het bedrijfsmodel gaat het niet specifiek om de werkzaamheden die de gemachtigde heeft verricht in de procedure waarop de proceskostenvergoeding ziet. Met het bedrijfsmodel is namelijk meer in het algemeen de wijze bedoeld waarop de gemachtigde zijn inkomsten verwerft met het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand.\n\n5.3.. Indien het bedrijfsmodel van een gemachtigde of een kantoor inhoudt dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay (i), of op een grondslag die daarmee in wezen overeenkomt en daarmee dus op één lijn kan worden gesteld, en dat daarbij afspraken met de cliënten worden gemaakt als hiervoor onder (ii) bedoeld, zal aldus moeten worden beoordeeld of dit bedrijfsmodel voldoet aan het hiervoor onder (iii) vermelde kenmerk van vergaande overdekking. Daartoe moet een vergelijking worden gemaakt tussen enerzijds het totale bedrag aan proceskostenvergoedingen dat aan de gemachtigde of aan het kantoor wordt afgedragen, en anderzijds het totale bedrag van de kosten van de gemachtigde of van het kantoor die kunnen worden toegerekend aan het voeren van de procedures waarop die proceskostenvergoedingen betrekking hebben. Het komt dus erop aan of het totale bedrag van de afgedragen proceskostenvergoedingen het totale bedrag van de zojuist bedoelde kosten verre overtreft. De omstandigheid dat vaak geheel of ten dele gebruik wordt gemaakt van gestandaardiseerde tekstblokken die niet zijn toegespitst op de desbetreffende zaak, vormt een aanwijzing dat het bedrijfsmodel wel het derde kenmerk van vergaande overdekking heeft, en zal daarom in het algemeen volstaan om aan te nemen dat de belanghebbende niet in dit door hem te leveren bewijs is geslaagd.\n\n6. In het arrest van 26 september 2025 (ECLI:NL:HR:2025:1375) heeft de Hoge Raad nader uitgewerkt wanneer sprake is van een bedrijfsmodel dat eruit bestaat dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay (i). Bij optreden op basis van no cure no pay moet worden uitgegaan van afspraken tussen de belanghebbende en de rechtsbijstandverlener op grond waarvan de belanghebbende geen financieel risico loopt bij inschakeling van de rechtsbijstandverlener, omdat geen instapvergoeding verschuldigd is noch een percentage van de bespaarde belasting als vergoeding moet worden afgestaan (zie Kamerstukken II 2023\u002F24, 36 427, nr. 3, blz. 2). Bij de beoordeling van de vraag of het bedrijfsmodel van een beroepsmatig optredende gemachtigde, dan wel een kantoor, eruit bestaat dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay, komt het dus erop aan of die gemachtigde dan wel diens kantoor afspraken maakt met klanten op grond waarvan zij geen financieel risico lopen bij het verstrekken van de opdracht tot het verlenen van rechtsbijstand in een belastingprocedure. De verschuldigdheid van een instapvergoeding staat niet in alle gevallen eraan in de weg dat afspraken met een rechtsbijstandsverlener worden aangemerkt als afspraken op basis van no cure no pay. Onder het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand op basis van no cure no pay wordt namelijk ook begrepen het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand op een grondslag die daarmee in wezen overeenkomt en daarmee dus op één lijn kan worden gesteld. Dan moet worden gedacht aan de betaling van een zodanig laag bedrag dat die betaling als een pro forma of symbolische bijdrage moet worden beschouwd.\n\n7. De rechtbank stelt vast dat de gemachtigde van belanghebbende in deze zaak niet heeft bestreden dat haar bedrijfsmodel de hiervoor onder (ii) en (iii) vermelde kenmerken heeft.\n\n8. Belanghebbende bestrijdt dat het bedrijfsmodel van haar gemachtigde ten tijde van het instellen van bezwaar (en beroep) eruit bestaat dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay (i). Hiertoe heeft de gemachtigde verwezen naar een beschrijving van haar per 1 januari 2025 gewijzigde bedrijfsmodel (“Bijzonder geval: bedrijfsmodel Previcus en artikel 30a Wet WOZ”).\n\n8.1.. Volgens die beschrijving is de werkwijze met ingang van 1 januari 2025 fundamenteel gewijzigd. Het aantal dossiers is vanaf 2025 aanzienlijk afgenomen van 128.000 zaken naar circa 1.291 zaken. De zaken worden (vrijwel) niet meer op basis van no cure no pay uitgevoerd, maar volgens een regulier model waarin een cliënt, ongeacht de uitkomst van de zaak, een vaste startvergoeding betaalt (doorgaans gebaseerd op het aantal aanslagbiljetten) en\u002Fof een deel van de gerealiseerde besparing afdraagt (in bijna alle gevallen 40% van de besparing). De vóór 2025 aangebrachte zaken worden nog op basis van no cure no pay uitgevoerd. Bovendien worden vanaf 2025 alle aanslagbiljetten op voorhand gescreend en worden enkel de zaken doorgezet waarbij op voorhand onvoldoende duidelijk is dat er geen fouten zijn gemaakt. Er is, aldus de beschrijving, geen sprake meer van een grote massa waar de wetswijziging (Wet herwaardering proceskostenvergoeding WOZ en Bpm) op zag. De gemachtigde richt zich voortaan op de zakelijke markt, waarbij vrijwel altijd ook prijsafspraken met belanghebbenden worden gemaakt die losstaan van eventueel toegekende proceskostenvergoedingen.\n\n8.2.. De gemachtigde heeft de prijsafspraken over 2025 als volgt in een overzicht opgenomen.\n\n8.3.. De vermelding in de volmacht dat de vergoeding voor de werkzaamheden uitsluitend het totaal van de proceskostenvergoedingen bedraagt, klopt, aldus de beschrijving, niet meer. De onderliggende overeenkomsten bepalen dat cliënten zelf vergoedingen verschuldigd zijn. De proceskostenvergoeding speelt daarin nog slechts een kleine aanvullende rol.\n\n9. Op 4 mei 2026 heeft de gemachtigde van belanghebbende de facturen en betaalbewijzen in een groot aantal zaken, waarin zij als gemachtigde optreedt, ingezonden. Op 11 mei 2026 is daarvan een overzicht overgelegd. Die stukken bevestigen het beeld dat de beschrijving van het bedrijfsmodel geeft. Uit de facturen en betaalbewijzen blijkt namelijk dat de gemachtigde van een groot deel van haar cliënten een “besparingsfee” van minimaal 30% van de eventuele belastingbesparing vraagt, zij die “besparingsfee” aan haar cliënten factureert en die “besparingsfee” vervolgens ook door de cliënten wordt betaald.\n\n10. Daarnaast komt uit de facturen en betaalbewijzen naar voren dat de meeste cliënten (bovenop de “besparingsfee”) tevens een (in hoogte variërende) “startfee” zijn verschuldigd. Op zitting heeft de gemachtigde toegelicht dat, indien overeengekomen, de “startfee” altijd wordt gefactureerd en betaald. Dat dit niet in alle gevallen gebeurt blijkt uit de overgelegde facturen en betaalbewijzen, en komt, aldus de gemachtigde, doordat de “startfee”, die ongeacht de uitkomst is verschuldigd, in die gevallen eerder is gefactureerd en betaald. Dat is anders bij de “besparingsfee”, die niet eerder dan na het nemen van het bestreden besluit in rekening kan worden gebracht, omdat dan pas de (hoogte van de) besparing duidelijk is.\n\n11. De heffingsambtenaar heeft zich ter zitting op het standpunt gesteld dat het pas op 4 mei 2026 door de gemachtigde van belanghebbende indienen van facturen en betaalbewijzen (die op 6 mei 2026 door de rechtbank zijn vrijgegeven), die al in 2025 beschikbaar waren, in strijd is met een goede procesorde. De rechtbank overweegt dat partijen in beginsel vrij zijn om gedurende de procedure hun standpunten aan te vullen. Die vrijheid wordt echter begrensd door de beginselen van de goede procesorde. Hoewel de late indiening van reeds voorhanden zijnde stukken niet de schoonheidsprijs verdient, ziet de rechtbank hierin geen grond om die stukken vanwege strijd met een goede procesorde buiten beschouwing te laten. Hiertoe acht de rechtbank van belang dat de stukken een onderbouwing vormen van een eerder door de gemachtigde ingenomen standpunt, een reactie zijn op het verweerschrift en dat de aard en de omvang van de stukken niet zodanig zijn dat van de heffingsambtenaar om adequaat hierop te kunnen reageren een nader diepgaand (feiten)onderzoek wordt gevergd. De inhoudelijke reactie van de heffingsambtenaar op de stukken in de pleitnota bevestigen dit oordeel.\n\n12. De rechtbank stelt voorop dat voor haar de facturen en de betaalbewijzen leidend zijn voor de beoordeling van de vraag of kenmerk (i) op de gemachtigde van belanghebbende van toepassing is. Naar het oordeel van de rechtbank zijn (alleen) die stukken, en niet (ook) de overeenkomst, de website en de algemene voorwaarden van de gemachtigde (op 9 februari 2025), waarvan gesteld is dat die op dat moment nog niet in overeenstemming met het gewijzigde bedrijfsmodel waren gebracht, relevant voor de vraag of sprake is van een bedrijfsmodel op basis van no cure no pay. Omdat het bedrijfsmodel van de gemachtigde (en niet de vergoedingen in de aan de rechtbank voorliggende zaken) moet worden beoordeeld, blijft die beoordeling, anders dan de heffingsambtenaar stelt, niet beperkt tot de gemeenten binnen het ambtsgebied van de heffingsambtenaar. Daaruit volgt ook dat op grond van het (incidenteel) ontbreken van facturen en betaalbewijzen in aan de rechtbank voorliggende zaken niet zonder meer kan worden geconcludeerd dat kenmerk (i) op het bedrijfsmodel van de gemachtigde van toepassing is.\n\n13. De rechtbank is van oordeel dat met voldoende gegevens is onderbouwd dat de gemachtigde in 2025 voor een groot deel van de procedures een “besparingsfee” in rekening heeft gebracht. Door het betalen van een “besparingsfee” loopt een belanghebbende bij de inschakeling een gemachtigde voor het voeren van een procedure een financieel risico (zie hiervoor het arrest van de Hoge Raad van 26 september 2025). Deze door de gemachtigde gevraagde vergoeding (van 30-40%) acht de rechtbank, nog daargelaten dat de Hoge Raad dat enkel ten aanzien van “instapvergoedingen” heeft geoordeeld, ook niet dusdanig laag dat kan worden gesproken van rechtsbijstandverlening op een grondslag die in wezen overeenkomt met rechtsbijstandverlening op basis van no cure no pay. Op grond van het vorenstaande heeft belanghebbende, naar het oordeel van de rechtbank, buiten redelijke twijfel bewezen dat het bedrijfsmodel van de gemachtigde ten tijde van het instellen van bezwaar niet het kenmerk van optreden op basis van no cure no pay heeft (i). Daaraan doet niet af dat een belanghebbende vooraf ermee heeft ingestemd dat een eventuele vergoeding van proceskosten aan de gemachtigde toekomt. Dat geldt ook voor het ontbreken van facturen en betaalbewijzen van op een eerder moment in rekening gebrachte “startfees” en de door de heffingsambtenaar gestelde inconsistenties in de hoogte hiervan.\n\n14. Uit het vorenstaande volgt dat sprake is van een bijzonder geval en de heffingsambtenaar ten onrechte toepassing heeft gegeven aan artikel 30a, eerste lid, van de Wet woz.\n\n15. Dit betekent dat het beroep van belanghebbende gegrond is. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit voor zover dat ziet op de toegekende proceskostenvergoeding en bepaalt met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht de proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase op € 1.332,- (2 x € 666,-).\n\n16. Aan het standpunt van belanghebbende dat aan het bestreden besluit een motiveringsgebrek kleeft, wordt niet toegekomen.\n\n17. Omdat het beroep gegrond is, moet de heffingsambtenaar het griffierecht aan belanghebbende vergoeden.\n\n18. De rechtbank acht termen aanwezig om de heffingsambtenaar te veroordelen in de proceskosten die belanghebbende redelijkerwijs heeft moeten maken in verband met de behandeling van het beroep, een en ander eveneens overeenkomstig de normen van het Besluit proceskosten bestuursrecht. Aan belanghebbende is door een derde beroepsmatig rechtsbijstand verleend. Voor de in aanmerking te nemen proceshandelingen worden 2 punten (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen op zitting met een waarde van € 934,- per punt) toegekend. De rechtbank bepaalt in overeenstemming met het Richtsnoer proceskostenvergoeding belastingkamers gerechtshoven 2024 (neergelegd in de uitspraak van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 7 augustus 2024, ECLI:NL:GHSHE:2024:2524) de wegingsfactor op 0,5. Gelet hierop bedraagt het vanwege de in deze zaak verleende rechtsbijstand te vergoeden bedrag in totaal € 934,-.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep gegrond;\n\n- vernietigt het bestreden besluit voor zover dat ziet op de toegekende proceskostenvergoeding, stelt de proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase vast op € 1.332,- en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;\n\n- draagt de heffingsambtenaar op het betaalde griffierecht van € 385,- aan belanghebbende te vergoeden;\n\n- veroordeelt de heffingsambtenaar in de proceskosten van belanghebbende wegens verleende rechtsbijstand in beroep tot een bedrag van € 934,-.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. B.F.A. van Huijgevoort, voorzitter, en mrs. E.P.J. Rutten en J.H. van Hoof leden, in aanwezigheid van mr. D.D.R.H. Lechanteur, griffier.De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 8 juli 2026.\n\ngriffier rechter\n\nAfschrift verzonden aan partijen op: 8 juli 2026.\n\nRechtsmiddel\n\nTegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof ’s-Hertogenbosch (belastingkamer).\n\nU kunt digitaal beroep instellen via www.rechtspraak.nl. Daar klikt u op “Formulieren en inloggen”. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ’s-Hertogenbosch (belastingkamer).\n\nBij het instellen van het hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:\n\n1. bij het hogerberoepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;\n\n2 - het hogerberoepschrift moet, indien het op papier wordt ingediend, ondertekend zijn. Verder moet het ten minste het volgende vermelden:\n\na. de naam en het adres van de indiener;\n\nb. de datum van verzending;\n\nc. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;\n\nd. de redenen waarom u het niet eens bent met de uitspraak (de gronden van het hoger beroep).","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBLIM:2026:6423","ecli-nl-rblim-2026-6423",{"courtName":30,"legalDomain":31,"decisionType":18,"procedureType":19},"Roermond","Bestuursrecht; Belastingrecht",{"id":33,"ecli":34,"caseNumber":35,"courtId":36,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":37,"language":38,"source":39,"sourceUrl":6,"summary":40,"slug":41,"metadata":42},"85","ECLI:RO:2026:JudecatoriaSECTORUL5BUCURESTI:17050-302-2025-a1","17050\u002F302\u002F2025\u002Fa1",97,"Admite cererea de îndreptare a erorii materiale din cuprinsul sentin?ei civile nr. 2484\u002F06.03.2026, pronunţată de Judecătoria Sectorului 5 Bucure?ti în dosar nr. 17050\u002F302\u002F2025, formulată din oficiu.       \nDispune îndreptarea erorii materiale strecurată în cuprinsul sentin?ei civile nr. 2484\u002F06.03.2026 pronun?ată în cadrul dosarului nr. 17050\u002F302\u002F2025, în sensul re?inerii că pârâtul Vasile Constantin are codul numeric personal ............, iar nu ............., astfel cum în mod eronat s-a consemnat.   \nPrezenta încheiere face parte integrantă din cuprinsul sentin?ei civile nr. 2484\u002F06.03.2026 pronun?ată în cadrul dosarului nr. 17050\u002F302\u002F2025.   \nÎndreptarea se va efectua în toate exemplarele sentin?ei.\n\tCu drept de apel în 30 de zile de la comunicare. Cererea de apel se va depune la Judecătoria Sectorului 5 Bucure?ti.   \n\tPronun?ată prin punerea solu?iei la dispozi?ia păr?ilor prin intermediul grefei instan?ei, astăzi, 08.07.2026.\n","ro","portalquery_ro","Admite cererea","ecli-ro-2026-judecatoriasectorul5bucuresti-17050-302-2025-a1",null,{"id":44,"ecli":45,"caseNumber":6,"courtId":46,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":47,"language":12,"source":13,"sourceUrl":48,"summary":6,"slug":49,"metadata":50},"296","ECLI:NL:GHDHA:2026:2250",58,"Rolnummer: 22-001978-23\n\nParketnummer: 10-066729-23\n\nDatum uitspraak: 8 juli 2026\n\nTEGENSPRAAK\n\nArrestvan de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Den Haag gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 28 juni 2023 in de strafzaak tegen de verdachte:\n\n [verdachte],\n\ngeboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2002,\n\nBRP-adres: [BRP-adres] , [woonplaats] .\n\nOnderzoek van de zaak\n\nDit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof.\n\nHet hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.\n\nProcesgang\n\nIn eerste aanleg is de verdachte van het onder 1 tenlastegelegde vrijgesproken en ter zake van het onder 2 en 3 tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 120 dagen, met aftrek van voorarrest, waarvan 73 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren. Voorts is beslist op de vorderingen van de benadeelde partijen, zoals nader omschreven in het vonnis waarvan beroep.\n\nNamens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.\n\nOmvang van het hoger beroep\n\nDe verdachte is door de rechtbank Rotterdam vrijgesproken van hetgeen aan hem onder 1 is tenlastegelegd. Het hoger beroep is door de verdachte onbeperkt ingesteld en is derhalve mede gericht tegen de in eerste aanleg gegeven beslissing tot vrijspraak. Gelet op hetgeen is bepaald in artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering staat voor de verdachte tegen deze beslissing geen hoger beroep open. Het hof zal de verdachte mitsdien niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep gegeven vrijspraak.\n\nWaar hierna wordt gesproken van \"de zaak\" of \"het vonnis\", wordt daarmee bedoeld de zaak of het vonnis voor zover op grond van het vorenstaande aan het oordeel van dit hof onderworpen.\n\nTenlastelegging\n\nAan de verdachte is – voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen – tenlastegelegd dat:\n\n2. hij op of omstreeks 01 januari 2023 te 's-Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard, openlijk, te weten, op of aan de Smidsweg en\u002Fof de Langestraat, in elk geval op of aan (een) openbare weg(en), in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een of meer verbalisanten van de politie Eenheid Rotterdam, te weten [hoofdagent] (hoofdagent) en\u002Fof [aspirant] (aspirant) en\u002Fof één of meer verbalisanten, zijnde groepsleden van de Mobiele Eenheid van politie Eenheid Rotterdam, te weten [verbalisant 1] en\u002Fof [verbalisant 2] en\u002Fof [verbalisant 3] en\u002Fof [verbalisant 4] en\u002Fof [verbalisant 5] en\u002Fof [verbalisant 6] en\u002Fof [verbalisant 7] en\u002Fof [verbalisant 8] en\u002Fof [verbalisant 9] en\u002Fof [verbalisant 10] en\u002Fof [verbalisant 11] en\u002Fof [verbalisant 12] en\u002Fof [verbalisant 13] en\u002Fof [verbalisant 14] en\u002Fof [verbalisant 15] en\u002Fof [verbalisant 16] en\u002Fof [verbalisant 17] en\u002Fof [verbalisant 18] en\u002Fof [verbalisant 19] en\u002Fof [verbalisant 20] , althans een of meer (andere) verbalisanten door\n\n- één of meer stuks zwaar (illegaal) vuurwerk (betreffende onder meer: cobra's \u002F nitraten \u002F shells) en\u002Fof vuurwerkbommen op\u002Ftegen, althans in de richting van\u002Fnaar voornoemde verbalisanten af te schieten en\u002Fof te gooien, waarbij voornoemd(e) vuurwerk\u002Fvuurwerkbommen vlakbij\u002Fnaast het\u002Fde lichamen en\u002Fof het\u002Fde hoofden\u002Fgezichten van voornoemde verbalisanten tot ontploffing is\u002Fzijn gekomen en\u002Fof\n\n- ( met kracht) één of meer stenen en\u002Fof glaswerk op\u002Ftegen, althans in de richting van voornoemde verbalisanten te gooien en\u002Fof\n\n- ( dreigend) zich op te dringen aan voornoemde ambtenaren en\u002Fof\n\n- ( daarbij) (dreigend) een of meerdere ploertendoders, althans slagvoorwerpen, aan voornoemde ambtenaren te tonen\u002Fvoor te houden en\u002Fof\n\n- ( daarbij) aan die [aspirant] en\u002Fof [hoofdagent] en\u002Fof een of meer (andere) verbalisanten de weg te versperren, althans de doorgang te beletten en\u002Fof (daarbij) te verhinderen dat die [aspirant] en\u002Fof [hoofdagent] en\u002Fof anderen met\u002Fin een (politie)voertuig weg konden rijden en\u002Fof\n\n- naar\u002Fin de richting van voornoemde ambtenaren te schelden, met de woorden: \"Kankerlijers\", \"Kanker op joh\" en\u002Fof \"Kankerpolitie\" en\u002Fof\n\n- ( met kracht) op\u002Ftegen het (politie)schild van die [verbalisant 2] te trappen\u002Fschoppen;\n\n3. hij op of omstreeks 31 december 2022 te 's-Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard opzettelijk en wederrechtelijk een vuilnisbak\u002Fprullenbak, in elk geval enig goed, dat\u002Fdie geheel of ten dele aan Gemeente Hoeksche Waard, in elk geval aan een ander dan aan verdachte toebehoorde(n) heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt.\n\nVordering van de advocaat-generaal\n\nDe advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de bewezenverklaring zal worden bevestigd en dat de verdachte ter zake van het onder 2 en 3 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 107 dagen, met aftrek van voorarrest, waarvan 60 dagen voorwaardelijk en met een proeftijd van 2 jaren.\n\nHet vonnis waarvan beroep\n\nHet vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.\n\nVrijspraak\n\nDe advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het onder 2 tenlastegelegde wettig en overtuigend kan worden bewezenverklaard, nu de verdachte met zijn handelen een bijdrage van voldoende gewicht heeft geleverd aan het openlijk geweld tegen de desbetreffende verbalisanten. Zo heeft de verdachte voorafgaand aan de jaarwisseling deel genomen aan een WhatsApp-groep waarin werd gesproken over het voornemen onrust te veroorzaken ten tijde van de jaarwisseling. Voorts heeft de verdachte in de nacht van de jaarwisseling – nadat hij door leden van de Mobiele Eenheid (ME) was ingesloten –op zijn telefoon een video-opname gemaakt waarin er samen met medeverdachte [medeverdachte] (hierna: [medeverdachte] ) wordt gepraat over het doodschoppen van een ME’er. Vijftien minuten nadat hij deze video had opgenomen, is [medeverdachte] aangehouden voor het schoppen tegen het schild van een ME’er.\n\nHet hof overweegt als volgt.\n\nHet hof stelt voorop dat van het \"in vereniging\" plegen van geweld sprake is, indien de betrokkene een voldoende significante of wezenlijke bijdrage levert aan het geweld, zij het dat deze bijdrage zelf niet van gewelddadige aard hoeft te zijn. De enkele omstandigheid dat iemand aanwezig is in een groep die openlijk geweld pleegt is niet zonder meer voldoende om hem te kunnen aanmerken als iemand die \"in vereniging\" geweld pleegt. Beoordeeld zal moeten worden of de door de verdachte geleverde – intellectuele en\u002Fof materiële – bijdrage aan het delict van voldoende gewicht is.\n\nMet de advocaat-generaal en de verdediging is het hof van oordeel dat op grond van het verhandelde ter terechtzitting niet kan worden bewezen dat de verdachte omstreeks de jaarwisseling geweld heeft gebruikt jegens de verbalisanten, zoals het gooien met stenen of vuurwerk. Het hof is voorts van oordeel dat evenmin bewezen kan worden dat de verdachte op enige wijze geweldshandelingen die door andere personen zijn gepleegd heeft ondersteund of anderszins heeft bijgedragen aan het ontstaan of het voortduren van het geweld jegens de verbalisanten. Het hof neemt hierbij in aanmerking dat [medeverdachte] bij de raadsheer-commissaris als getuige is gehoord en heeft verklaard dat hetgeen de verdachte in de video-opname heeft gezegd, los stond van zijn handelen daarna en dat de verdachte niet in de buurt was toen [medeverdachte] tegen het schild van verbalisant [verbalisant 2] aan schopte. De enkele aanwezigheid in de groep die door de politie\u002FME was ingesloten en het feit dat de verdachte deel uit maakte van een WhatsApp-groep acht het hof evenmin een bijdrage van voldoende gewicht. Gelet op het voorgaande is niet vast komen te staan dat de verdachte een voldoende significante of wezenlijke bijdrage heeft geleverd aan het tenlastegelegde geweld tegen de desbetreffende verbalisanten, zodat het ten laste gelegde niet kan worden bewezen en de verdachte daarvan zal worden vrijgesproken.\n\nBewezenverklaring\n\nHet hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 3 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:\n\n3. hij op of omstreeks31 december 2022 te 's-Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard opzettelijk en wederrechtelijk eenvuilnisbak\u002Fprullenbak, in elk geval enig goed,dat\u002Fdiegeheel of ten deleaan Gemeente Hoeksche Waard, in elk geval aan een ander dan aan verdachtetoebehoorde(n)heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt;.\n\nHetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.\n\nBewijsvoering\n\nHet hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.\n\nIn die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.\n\nStrafbaarheid van het bewezenverklaarde\n\nHet onder 3 bewezenverklaarde levert op\n\nopzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen.\n\nStrafbaarheid van de verdachte\n\nEr is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.\n\nStrafmotivering\n\nHet hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.\n\nDaarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.\n\nDe verdachte heeft zich op oudejaarsavond schuldig gemaakt aan vernieling van een prullenbak door hierop zwaar vuurwerk tot ontploffing te brengen. Een dergelijk feit is gevaarzettend en geschikt om gevoelens van angst en onveiligheid in de maatschappij teweeg te brengen. De verdachte heeft met zijn handelen de gemeente en daarmee de gemeenschap financiële schade berokkend en hij heeft hiermee overlast veroorzaakt.\n\nHet hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie van 1 juni 2026, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder voor een vergelijkbaar feit is veroordeeld.\n\nTen aanzien van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) overweegt het hof dat deze is aangevangen op 6 maart 2023. In eerste aanleg is de redelijke termijn niet overschreden. Het hof stelt vast dat de behandeling van de zaak in hoger beroep niet heeft plaatsgevonden binnen de daartoe gestelde redelijke termijn,. Namens de verdachte is immers op 4 juli 2023 hoger beroep ingesteld en het hof wijst op 8 juli 2026 eindarrest. De redelijke termijn van de berechting in hoger beroep is derhalve met meer dan één jaar overschreden. Het hof ziet, ook gelet op de duur van de procedure als geheel, aanleiding te volstaan met de constatering van dit verzuim, gelet op de gekozen strafmodaliteit en de hoogte van de op te leggen straf.\n\nHet hof is – alles afwegende – van oordeel dat een onvoorwaardelijke taakstraf van na te melden duur een passende en geboden reactie vormt. Anders dan de verdediging heeft bepleit acht het hof een geldboete, gelet op de context waarin en de wijze waarop de vernieling plaatsvond – tijdens de jaarwisseling en met (illegaal) vuurwerk – niet passend. Evenmin zal om die reden toepassing worden gegeven aan het bepaalde in artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht.\n\nVorderingen tot schadevergoeding\n\nIn het onderhavige strafproces hebben tweeëntwintig verbalisanten zich als benadeelde partij gevoegd ter zake van het onder 2 ten laste gelegde. De benadeelde partijen [verbalisant 17] , [verbalisant 12] , [verbalisant 8] , [verbalisant 9] , [verbalisant 19] , [verbalisant 20] , [verbalisant 18] , [verbalisant 15] , [verbalisant 10] , [verbalisant 4] , [verbalisant 1] , [verbalisant 16] , [verbalisant 3] , [aspirant] , [verbalisant 7] , [hoofdagent] , [verbalisant 14] , [verbalisant 5] en [verbalisant 6] vorderen per persoon een vergoeding van € 350,00 aan immateriële schade. De benadeelde partijen [verbalisant 13] en [verbalisant 11] vorderen per persoon een vergoeding van € 400,00 aan immateriële schade en de benadeelde partij [verbalisant 2] vordert een vergoeding van € 750,00 aan immateriële schade.\n\nNu de verdachte ter zake van het onder 2 tenlastegelegde wordt vrijgesproken, zullen de benadeelde partijen niet-ontvankelijk worden verklaard in hun vordering.\n\nGelet daarop zullen de benadeelde partijen worden veroordeeld in de kosten die de verdachte tot aan deze uitspraak in verband met de verdediging tegen die vorderingen heeft moeten maken, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil.\n\nToepasselijke wettelijke voorschriften\n\nHet hof heeft gelet op de artikelen 9, 22c, 22d en 350 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.\n\nBESLISSING\n\nHet hof:\n\nVerklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder 1 tenlastegelegde.\n\nVernietigt het vonnis waarvan beroep voor zover thans aan het oordeel van het hof onderworpen en doet in zoverre opnieuw recht:\n\nVerklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 2 tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.\n\nVerklaart, zoals hiervoor overwogen, bewezen dat de verdachte het onder 3 tenlastegelegde heeft begaan.\n\nVerklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.\n\nVerklaart het onder 3 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.\n\nVeroordeelt de verdachte tot een taakstrafvoor de duur van60 (zestig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door30 (dertig) dagen hechtenis.\n\nBeveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van 2 uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.\n\nVordering van de benadeelde partijen:\n\n- [verbalisant 17] ,\n\n- [verbalisant 12] ,\n\n- [verbalisant 13] ,\n\n- [verbalisant 8] ,\n\n- [verbalisant 9] ,\n\n- [verbalisant 19] ,\n\n- [verbalisant 20] ,\n\n- [verbalisant 11]\n\n- [verbalisant 18] ,\n\n- [verbalisant 15] ,\n\n- [verbalisant 10] ,\n\n- [verbalisant 4] ,\n\n- [verbalisant 1] ,\n\n- [verbalisant 16] ,\n\n- [verbalisant 3] ,\n\n- [verbalisant 2]\n\n- [aspirant] ,\n\n- [verbalisant 7] ,\n\n- [hoofdagent] ,\n\n- [verbalisant 14] ,\n\n- [verbalisant 5] , en\n\n- [verbalisant 6]\n\nVerklaart de hiervoor genoemde benadeelde partijen telkens niet-ontvankelijk in hun vordering tot schadevergoeding.\n\nVeroordeelt de hiervoor genoemde benadeelde partijen telkens in de door verdachte gemaakte kosten en begroot deze telkens op nihil.\n\nDit arrest is gewezen door mr. F.W. Pieters, als voorzitter, mr. E.C. van Veen en mr. M.C. Bruining, leden, in bijzijn van de griffier mr. V.V. de Lange.\n\nHet is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 8 juli 2026.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHDHA:2026:2250","ecli-nl-ghdha-2026-2250",{"courtName":51,"legalDomain":17,"decisionType":18,"procedureType":19},"Den Haag",{"id":53,"ecli":54,"caseNumber":6,"courtId":55,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":56,"language":12,"source":13,"sourceUrl":57,"summary":6,"slug":58,"metadata":59},"348","ECLI:NL:RBDHA:2026:18721",65,"RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Groningen\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL26.20806\n uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n \n [naam], eiseres,\n\nV-nummer: [v-nummer:],\n\n(gemachtigde: mr. I.M. Zuidhoek),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, de minister.\n\nInleiding\n\n1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 7 april 2026 niet in behandeling genomen omdat daarvoor Frankrijk verantwoordelijk is.\n\n1.1.. De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiseres. Zij doet dat mede aan de hand van de argumenten die eiseres heeft aangevoerd, de beroepsgronden.\n\n3. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiseres ongelijk krijgt en het bestreden besluit in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nToepasselijk recht\n\n4. Op deze zaak is het recht van toepassing dat gold vóór 12 juni 2026.\n\nTotstandkoming van het besluit\n\n5. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening.Op grond van de Dublinverordening neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.In dit geval heeft Nederland bij Frankrijk een verzoek om terugname gedaan. Frankrijk heeft dit verzoek aanvaard.\n\nMag de minister ten opzichte van Frankrijk uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel?\n\n6. Eiseres stelt zich op het standpunt dat er in Frankrijk voor haar een onveilige situatie zal optreden. Dit is het gevolg van de aanwezigheid van veel Libanezen in Frankrijk, waaronder ook de familie van haar moeder die haar eerder al bedreigde. Bovendien heeft eiseres in Nederland een community gevonden waar zij zich veilig bij voelt en in Frankrijk heeft zij niemand, dit is voor haar een angstaanjagend vooruitzicht. Dit terwijl in Nederland er een sterke en diverse LHBT-gemeenschap is waar zij zich veilig voelt. Volgens eiseres is er in Frankrijk bovendien nog steeds een groot probleem met betrekking tot de opvang van asielzoekers. Ze verwijst naar het AIDA-rapport over Frankrijk, update 2024.Er is een tekort aan opvangplekken en eiseres loopt bij terugkeer een reëel risico om in een situatie van materiële deprivatie terecht te komen. Volgens eiseres is het bestreden besluit niet zorgvuldig voorbereid en berust het evenmin op een deugdelijke motivering.\n\n6.1.. De beroepsgrond slaagt niet. Naar het oordeel van de rechtbank mag de minister ten aanzien van Frankrijk uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. De Afdelingheeft meermaals bevestigd dat ten aanzien van Frankrijk in algemene zin kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Hierbij is ook het AIDA rapport, update 2024, betrokken. De rechtbank overweegt ambtshalve dat ook het recente AIDA rapport, update 2025, geen wezenlijk ander beeld geeft van de opvangvoorzieningen in Frankrijk dan de informatie die is betrokken door de Afdeling in eerdere uitspraken.\n\n6.2.. Uit de AIDA rapporten blijkt niet dat sprake is van structurele tekortkomingen in de opvang of asielprocedure, ook niet ten aanzien van de LHTBI-gemeenschap. Eiseres heeft bovendien niet aannemelijk gemaakt dat zij bij overdracht aan Frankrijk persoonlijk geen opvang, rechtsbescherming of toegang tot de procedure zal krijgen. Eiseres heeft niet eerder een asielaanvraag in Frankrijk ingediend waardoor zij geen persoonlijke ervaring heeft met de kwaliteit van de asielprocedure en de opvangvoorzieningen in Frankrijk.\n\n6.3.. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van bijzondere, individuele omstandigheden op basis waarvan de minister de aanvraag toch zou moeten behandelen.\n\nConclusie en gevolgen\n\n7. Het beroep is kennelijk ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft en eiseres overgedragen kan worden aan Frankrijk. Eiseres krijgt geen vergoeding van haar proceskosten.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. A. Sibma, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Strating, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.\n\nDe uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over verzet\n\nAls partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.\n\n Zie artikel 84 van de Asiel- en migratiebeheerverordening inzake het overgangsrecht.\n\n Verordening (EU) nr. 604\u002F2013.\n\n Dit staat ook in artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.\n\n Update 2024 van juni 2025.\n\n Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.\n\n Update 2025 van mei 2026.\n\n Zie ook de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Arnhem, van 3 juli 2026. (ECLI:NL:RBDHA:2026:18469, r.o. 7.1) en de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Middelburg, van 25 juni 2026 (ECLI:NL:RBDHA:2026:17711).","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18721","ecli-nl-rbdha-2026-18721",{"courtName":60,"legalDomain":61,"decisionType":18,"procedureType":19},"Groningen","Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht",{"id":63,"ecli":64,"caseNumber":6,"courtId":7,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":65,"language":12,"source":13,"sourceUrl":66,"summary":6,"slug":67,"metadata":68},"418","ECLI:NL:RBDHA:2026:18726","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Rotterdam\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL26.36068uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n\n [naam eiser] , eiser\n\nV-nummer: [V-nummer]\n\n(gemachtigde: mr. J.S. Dobosz),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, verweerder\n\n(gemachtigde: mr. C. van der Zijde).\n\nSamenvatting\n\n1. Deze uitspraak gaat over de maatregel van vreemdelingenbewaring die aan eiser is opgelegd. Deze maatregel is opgelegd op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser is het niet eens met die maatregel. Hij voert daartegen een beroepsgrond aan. Onder meer aan de hand van deze beroepsgrond beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van die maatregel en de vraag of aan eiser een schadevergoeding moet worden toegekend.\n\n1.1.. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep gegrond is. Het opleggen van de maatregel van vreemdelingenbewaring is onrechtmatig. De rechtbank kent daarom een schadevergoeding toe. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.\n\n1.2.. In deze uitspraak gebruikt de rechtbank de volgende afkortingen voor de wet- en regelgeving:\n\nAwb: Algemene wet bestuursrecht\n\nVw: Vreemdelingenwet 2000\n\nVb: Vreemdelingenbesluit 2000\n\nProcesverloop\n\n2. Met het bestreden besluit van 29 juni 2026 heeft verweerder aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.\n\n2.1.. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.\n\n2.2.. De rechtbank heeft het beroep op 7 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, K.A. Ozdzinska als tolk en de gemachtigde van verweerder.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\nToetsingskader\n\n3. Verweerder kan als het belang van de openbare orde of de nationale veiligheid dat vordert, de vreemdeling die geen rechtmatig verblijf heeft in vreemdelingenbewaring stellen.Verweerder stelt een vreemdeling slechts in vreemdelingenbewaring, voor zover geen minder dwingende maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast en de vreemdelingenbewaring blijft achterwege of wordt beëindigd, indien deze niet langer noodzakelijk is met het oog op het doel van de vreemdelingenbewaring.Deze vreemdeling kan in vreemdelingenbewaring worden gesteld op grond dat het belang van de openbare orde of nationale veiligheid zulks vordert, indien a) een onderduikrisico bestaat, of b) de vreemdeling de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert.De maatregel kan alleen worden opgelegd wegens het bestaan van een onderduikrisico, indien ten minste twee van de gronden, genoemd in artikel 5.6, tweede lid, van het Vb zich voordoen.\n\nGronden\n\n4. Eiser heeft de gronden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd niet bestreden. De gronden, die de ambtshalve toetsing van de rechtbank doorstaan, zijn tezamen voldoende om de maatregel van bewaring te kunnen dragen.\n\nRechtmatig verblijf\n\n5. Eiser heeft aangevoerd dat er sprake is van een rechtmatig verblijf van eiser in Nederland op grond van artikel 7 van de Richtlijn 2004\u002F38\u002FEG. Eiser is een maand voorafgaand aan de onderhavige zaak opgehouden op 3 juni 2026. Hij heeft ter onderbouwing het proces-verbaal van ophouding overgelegd. Op deze dag is onderzoek gedaan naar de arbeidssituatie van eiser. Gebleken is dat eiser arbeid verricht voor een Nederlands uitzendbureau en beschikte over een arbeidscontract. Eiser is vervolgens heengezonden wegens bestendig verblijf. Verweerder kon ten aanzien van de onderhavige maatregel van bewaring op 29 juni 2026 niet zonder meer terugvallen op het standpunt dat sprake is van voortgezet onrechtmatig verblijf. Dit is onverenigbaar met de bevinding op 3 juni 2026. De maatregel van bewaring is dan ook onvoldoende zorgvuldig voorbereid en onvoldoende gemotiveerd.\n\n5.1.. Verweerder heeft aan de maatregel ten grondslag gelegd dat eiser geen rechtmatig verblijf in Nederland heeft, nu zijn verblijfsrecht als Unieburger bij beschikking van 6 maart 2025 is beëindigd. De rechtbank stelt voorop dat de enkele omstandigheid dat het verblijfsrecht van een Unieburger eerder is beëindigd, niet zonder meer meebrengt dat deze op een later moment geen rechten meer aan het Unierecht kan ontlenen. Indien sprake is van gewijzigde feiten en omstandigheden dient verweerder de verblijfsrechtelijke positie van de betrokkene opnieuw te beoordelen alvorens tot het oordeel te komen dat hij geen rechtmatig verblijf heeft.\n\n5.2.. De rechtbank oordeelt als volgt. In de maatregel van bewaring is vermeld dat eiser heeft verklaard werkzaam te zijn voor een Nederlands uitzendbureau en dit ook heeft aangetoond, dat eiser werkzaam is in België waar hij ook wordt voorzien van woonruimte door de werkgever en dat hij in België mag verblijven. Naar het oordeel van de rechtbank vormen deze omstandigheden concrete aanwijzingen dat de feitelijke situatie van eiser sinds de beschikking van 6 maart 2025 is gewijzigd. Van verweerder mocht daarom worden verwacht dat hij kenbaar zou onderzoeken welke betekenis deze gewijzigde omstandigheden hebben voor de actuele verblijfsrechtelijke positie van eiser. Uit de maatregel van bewaring, het gehoor voorafgaand aan deze maatregel en de overige stukken in het dossier is niet gebleken dat een dergelijk onderzoek heeft plaatsgevonden. Daarbij betrekt de rechtbank dat uit het proces-verbaal van ophouding van eiser op 3 juni 2026 blijkt dat eiser is heengezonden, omdat sprake was van ‘mogelijk bestendig verblijf’. Uit het proces-verbaal van verhoor op die dag blijkt dat het werken voor een Nederlands uitzendbureau hier ook aan de orde is geweest. Vervolgens wordt nog geen maand later in de onderhavige maatregel van bewaring zonder kenbare motivering aangenomen dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft. Niet valt in te zien waarom verweerder er zonder nader onderzoek van uit heeft kunnen gaan dat eiser geen aan het Unierecht ontleend verblijfsrecht had. De motivering dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft, is onder deze omstandigheden onvoldoende draagkrachtig. Gelet hierop is de maatregel in strijd met artikel 3:2 en 3:46 van de Awb tot stand gekomen en is dan ook onrechtmatig. Deze beroepsgrond slaagt.\n\nConclusie en gevolgen\n\n6. Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is gegrond. Deze maatregel is vanaf het moment van het opleggen daarvan onrechtmatig. De rechtbank beveelt de opheffing van deze maatregel met ingang van vandaag.\n\n6.1.. Op grond van artikel 106 van de Vw kan de rechtbank indien zij de opheffing van de maatregel van vreemdelingenbewaring beveelt aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen. De rechtbank acht gronden aanwezig om een schadevergoeding toe te kennen voor 10 dagen onrechtmatige (tenuitvoerlegging van de) vreemdelingenbewaring ten bedrage van 0 x € 160,- (verblijf politiecel) en 10 x € 120,- (verblijf detentiecentrum) = € 1.200,-.\n\n6.2.. Eiser krijgt een vergoeding van zijn proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- omdat de gemachtigde van eiser geacht wordt beroep te hebben ingesteld en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep gegrond;\n\n- veroordeelt de Staat der Nederlanden tot het betalen van € 1.200,- aan schadevergoeding aan eiser, te betalen door de griffier en beveelt de tenuitvoerlegging van deze schadevergoeding;\n\n- beveelt de opheffing van de maatregel van vreemdelingenbewaring met ingang van vandaag;\n\n- veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiser.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. S.N. Abdoelkadir, rechter, in aanwezigheid van mr. M. Stehouwer, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.\n\n Het beroep tegen een maatregel van bewaring wordt ook aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding. Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 59c van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 5.5 van het Vb.\n\n Dit volgt uit artikel 5.6, eerste lid, van het Vb.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18726","ecli-nl-rbdha-2026-18726",{"courtName":8,"legalDomain":61,"decisionType":18,"procedureType":19}]