[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"decision-ecli-nl-rbrot-2026-7973":3,"decision-more-ecli-nl-rbrot-2026-7973":20},{"id":4,"ecli":5,"caseNumber":6,"courtId":7,"courtName":8,"courtSlug":9,"decisionDate":10,"fullText":11,"language":12,"source":13,"sourceUrl":14,"summary":6,"slug":15,"metadata":16},"1188","ECLI:NL:RBROT:2026:7973","",61,"Rotterdam","rotterdam","2026-07-07T00:00:00.000Z","Rechtbank RotterdamZittingsplaats Dordrecht\n\nMeervoudige kamer strafzaken\n\nParketnummer: 10-051220-26\n\nDatum uitspraak: 7 juli 2026\n\nDatum zitting: 23 juni 2026\n\nTegenspraak\n\nVerdachte:\n\n [verdachte],\n\ngeboren op [geboortedatum] 1948 in [geboorteplaats]\n\ningeschreven op het adres [adres], [postcode] [plaatsnaam],\n\ngedetineerd in [naam P.I.].\n\nAdvocaat van de verdachte: mr. R.G. van der Laan\n\nOfficier van justitie: mr. P.J. Wijnands\n\nBenadeelde partij: [benadeelde partij]\n\nAdvocaat van de benadeelde partij: mr. J.J. van Horen\n\nKern van het vonnis\n\nDe verdachte heeft over een periode van ruim anderhalf jaar kinderporno verspreid, aangeboden, verworven en in zijn bezit gehad. De rechtbank legt een gevangenisstraf op voor de duur van 12 maanden, waarvan 4 maanden voorwaardelijk met daaraan gekoppeld een proeftijd van drie jaar en als bijzondere voorwaarden een meldplicht, ambulante behandeling en vermijding van digitale omgevingen die betrekking hebben op seksueel kindermisbruik. De bijzondere voorwaarden zijn dadelijk uitvoerbaar.1. Tenlastelegging\n\nDe officier van justitie beschuldigt de verdachte ervan dat hij – samengevat – in de periode van 20 januari 2023 tot en met 23 oktober 2025 kinderporno in zijn bezit heeft gehad en heeft verspreid. Daarnaast beschuldigt zij de verdachte ervan ontuchtige handelingen te hebben gepleegd met een (meerderjarig) persoon in de periode van 1 januari 2005 tot en met 31 december 2016.\n\nDe volledige tenlastelegging (hierna beschuldiging) houdt in dat:\n\n1\n\nhij in of omstreeks de periode van 20 januari 2023 tot en met 23 oktober 2025 te\n\n [plaatsnaam], in elk geval in Nederland,\n\nmeermalen, althans eenmaal,\n\neen of meer afbeeldingen en\u002Fof - gegevensdragers, te weten USB-sticks en\u002Fof\n\nmobiele telefoons en\u002Fof een harde schijf en\u002Fof een laptop, bevattende afbeeldingen\n\nvan een seksuele gedraging, waarbij iemand die kennelijk de leeftijd van achttien\n\njaar nog niet had bereikt was betrokken en\u002Fof schijnbaar was betrokken\n\nheeft\n\nverspreid en\u002Fof\n\naangeboden en\u002Fof\n\nverworven en\u002Fof\n\nin bezit heeft gehad en\u002Fof\n\nzich door middel van een geautomatiseerd werk of met gebruikmaking van een\n\ncommunicatiedienst de toegang daartoe heeft verschaft,\n\nen\u002Fof\n\neen of meer visuele weergaven van seksuele aard en\u002Fof met onmiskenbaar seksuele\n\nstrekking\n\nwaarbij een persoon die kennelijk de leeftijd van achttien jaren nog niet had bereikt,\n\nwas betrokken of schijnbaar was betrokken\n\nheeft\n\nverspreid en\u002Fof\n\naangeboden en\u002Fof\n\nverworven en\u002Fof\n\nin bezit heeft gehad en\u002Fof\n\nzich daartoe de toegang heeft verschaft,\n\nte weten afbeeldingen en\u002Fof gegevensdragers, te weten USB-sticks en\u002Fof mobiele\n\ntelefoons en\u002Fof een harde schijf en\u002Fof een laptop,\n\nbevattende afbeeldingen,\n\nwaarop te zien is dat:\n\ndie persoon oraal, vaginaal en\u002Fof anaal wordt gepenetreerd met een penis\n\nen\u002Fof\n\neen ander persoon oraal en\u002Fof anaal wordt gepenetreerd met een penis en\u002Fof\n\nvoorwerp door die persoon\n\nen\u002Fof\n\nhet eigen lichaam vaginaal en\u002Fof anaal wordt gepenetreerd met een vinger\u002Fhand\n\nen\u002Fof voorwerp door die persoon\n\n(afbeeldingsnummers 1 tot en met 14)\n\nen\u002Fof\n\nde geslachtsdelen van die persoon met een penis en\u002Fof vinger\u002Fhand worden\n\naangeraakt\n\nen\u002Fof\n\nde geslachtsdelen van een ander kind\u002Fpersoon met een vinger\u002Fhand en\u002Fof\n\nmond\u002Ftong worden aangeraakt door die persoon\n\nen\u002Fof\n\ndie persoon de eigen geslachtsdelen met een vinger\u002Fhand aanraakt\n\n(afbeeldingsnummers 15 tot en met 20)\n\nen\u002Fof\n\ndie persoon poserend of in een pose is afgebeeld, waarbij\n\n- die persoon geheel of gedeeltelijk naakt is en\u002Fof\n\n- die persoon zich in opeenvolgende afbeeldingen\u002Ffilmfragmenten van zijn\u002Fhaar\n\nkleding ontdoet en\u002Fof\n\n- door het camerastandpunt en\u002Fof de (onnatuurlijke) pose en\u002Fof de wijze\n\nvan kleden van die persoon en\u002Fof de uitsnede van de foto’s\u002Ffilms\n\nnadrukkelijk het geslachtsdeel, de borsten en\u002Fof billen van die persoon in beeld\n\nworden gebracht\n\n(afbeeldingsnummers 19, 22 tot en met 25)\n\nen\u002Fof\n\n- dat bij\u002Fop het gezicht en\u002Fof het lichaam van die persoon wordt gemasturbeerd\n\nen\u002Fof\n\n- bij\u002Fop het gezicht en\u002Fof het lichaam van die persoon sperma wordt gespoten en\u002Fof\n\nzichtbaar wordt gemaakt\n\n(afbeeldingsnummer 21)\n\nterwijl van het begaan van dit feit een beroep of gewoonte werd gemaakt;\n\n2\n\nhij in of omstreeks 1 januari 2005 tot en met 31 december 2016 te Zwijndrecht en\u002Fof\n\n [plaatsnaam], in elk geval in Nederland,\n\nmeermalen, althans eenmaal,\n\ndoor geweld of andere feitelijkheden en\u002Fof bedreiging met geweld of andere\n\nfeitelijkheden [slachtoffer] heeft gedwongen tot het plegen en\u002Fof dulden van een of\n\nmeer ontuchtige handelingen,\n\nbestaande uit het (onverhoeds) betasten van de penis van die [slachtoffer] en\u002Fof het\n\naanraken van de lippen en\u002Fof het gezicht van die [slachtoffer]\n\nen bestaande dat geweld of die andere feitelijkheden en\u002Fof die bedreiging met\n\ngeweld of die andere feitelijkheden uit\n\n- het onverhoeds uitvoeren van die ontuchtige handelingen en\u002Fof\n\n- het voorbijgaan aan zijn (verbale en\u002Fof non-verbale) protesten en\u002Fof\n\n- het feit dat hij, verdachte, wetenschap had van de psychische problematiek van\n\ndie [slachtoffer] en\u002Fof de kwetsbaarheid van die [slachtoffer] en\u002Fof\n\n- het benadrukken dat de relatie tussen hem, verdachte, en die [slachtoffer] geheim moest\n\nblijven en\u002Fof\n\n- het (regelmatig) geven van cadeau’s, althans een of meer goederen, en\u002Fof geld aan\n\ndie [slachtoffer] en\u002Fof\n\n- het misbruik maken van het uit feitelijke verhoudingen en\u002Fof uit omstandigheden\n\nvoortvloeiend overwicht, te weten het (voormalig) burgemeesterschap van\n\nverdachte en\u002Fof\n\n- het (aanzienlijke) leeftijdsverschil tussen hem, verdachte, en die [slachtoffer].2. Bewijs \u002F Vrijspraak2.1.. \n\nVordering van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte moet worden veroordeeld voor de ten laste gelegde feiten. Het standpunt van de officier van justitie zal, voor zover van belang, bij de beoordeling van het bewijs worden besproken.2.2.. \n\nConclusie van de verdediging\n\nDe verdediging heeft integrale vrijspraak bepleit voor feit 2. De verdediging heeft zich ten aanzien van feit 1 gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. Het standpunt van de verdediging zal, voor zover van belang, bij de beoordeling van het bewijs worden besproken.2.3.. Oordeel van de rechtbank2.3.1.. \n\nBewezenverklaring en bewijsmiddelen\n\nBewezen is dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het onder feit 1 ten laste gelegde. De volledige bewezenverklaring is vermeld in paragraaf 2.3.2.\n\nDe bewezenverklaring van feit 1 is gebaseerd op de inhoud van de bewijsmiddelen. De verdachte heeft feit 1 bekend en er is geen vrijspraak bepleit. Daarom worden voor dit feit de bewijsmiddelen hieronder wel genoemd maar niet uitgeschreven.\n\n1. Verklaring van de verdachte\n\n2. Proces-verbaal van de politie, beschrijving kinderpornografisch materiaal aanwezig op inbeslaggenomen gegevensdragers\n\n3. Proces-verbaal van de politie, duiden pleegperiode2.3.2.. \n\nVolledige bewezenverklaring\n\nBewezen is dat:\n\nFeit 1\n\nhij in de periode van 20 januari 2023 tot en met 23 oktober 2025 te [plaatsnaam],\n\nmeermalen,\n\n(in de periode van 20 januari 2023 tot en met 30 juni 2024, artikel 240b Wetboek van\n\nStrafrecht)\n\nmeer afbeeldingen en een gegevensdrager, te weten een mobiele telefoon, bevattende afbeeldingen van een seksuele gedraging, waarbij iemand die kennelijk de leeftijd van achttien jaar nog niet had bereikt was betrokken of schijnbaar was betrokken\n\nheeft verspreid en\u002Fof aangeboden en\u002Fof in bezit heeft gehad en\u002Fof zich door middel van een geautomatiseerd werk of met gebruikmaking van een communicatiedienst de toegang daartoe heeft verschaft,\n\nen\n\n(in de periode van 1 juli 2024 tot en met 23 oktober 2025 artikel 252 Wetboek van\n\nStrafrecht)\n\nmeer visuele weergaven van seksuele aard en met onmiskenbaar seksuele strekking waarbij een persoon die kennelijk de leeftijd van achttien jaren nog niet had bereikt, was betrokken of schijnbaar was betrokken heeft verspreid en\u002Fof aangeboden en\u002Fof verworven en in bezit heeft gehad en zich daartoe de toegang heeft verschaft, te weten afbeeldingen en gegevensdragers, te weten USB-sticks en mobiele telefoons en een harde schijf en een laptop, bevattende afbeeldingen, waarop te zien is dat:\n\ndie persoon oraal, vaginaal en anaal wordt gepenetreerd met een penis\n\nen\n\neen ander persoon oraal en anaal wordt gepenetreerd met een penis en voorwerp door die persoon\n\nen\n\nhet eigen lichaam vaginaal en anaal wordt gepenetreerd met een vinger\u002Fhand en voorwerp door die persoon\n\n(afbeeldingsnummers 1 tot en met 14)\n\nen\n\nde geslachtsdelen van die persoon met een penis en vinger\u002Fhand worden aangeraakt\n\nen\n\nde geslachtsdelen van een ander kind\u002Fpersoon met een vinger\u002Fhand en mond\u002Ftong worden aangeraakt door die persoon\n\nen\n\ndie persoon de eigen geslachtsdelen met een vinger\u002Fhand aanraakt\n\n(afbeeldingsnummers 15 tot en met 20)\n\nen\n\ndie persoon poserend of in een pose is afgebeeld, waarbij\n\n- die persoon geheel of gedeeltelijk naakt is en\n\n- die persoon zich in opeenvolgende afbeeldingen\u002Ffilmfragmenten van zijn\u002Fhaar\n\nkleding ontdoet en\n\n- door het camerastandpunt en de (onnatuurlijke) pose en de wijze van kleden van die persoon en de uitsnede van de foto’s\u002Ffilms nadrukkelijk het geslachtsdeel, de borsten en billen van die persoon in beeld worden gebracht\n\n(afbeeldingsnummers 19, 22 tot en met 25)\n\nen\n\n- dat bij het gezicht en het lichaam van die persoon wordt gemasturbeerd\n\nen\n\n- op het gezicht en het lichaam van die persoon sperma wordt gespoten en zichtbaar wordt gemaakt\n\n(afbeeldingsnummer 21)\n\nterwijl van het begaan van dit feit een gewoonte werd gemaakt;\n\n2.3.3.. \n\nVrijspraak\n\nHet onder 2 ten laste gelegde is niet bewezen. De verdachte wordt daarvan dus vrijgesproken.\n\nVooraf\n\nZedenstrafzaken worden vaak gekenmerkt door het feit dat er slechts twee personen aanwezig zijn geweest bij de (veronderstelde) handelingen: het veronderstelde slachtoffer en de veronderstelde dader. Ook hier is er geen getuige die de ten laste gelegde ontuchtige handelingen heeft waargenomen. In dit geval wordt de waarheidsvinding verder bemoeilijkt door het gegeven dat de vermeende gebeurtenissen zouden hebben plaatsgevonden over een tijdspanne van ruim tien jaar, waarbij het laatste incident tien jaar geleden zou hebben plaatsgevonden.\n\nBewijsminimum\n\nOp grond van artikel 342, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering kan het bewijs dat de verdachte een ten laste gelegd feit heeft begaan, door de rechter niet uitsluitend worden aangenomen op basis van de verklaring van één getuige, oftewel in dit geval enkel op grond van de verklaring van aangever. Van belang is dat deze bepaling betrekking heeft op de bewezenverklaring als geheel. Niet vereist is dat elk aspect van de bewezenverklaring door meer dan één bewijsmiddel wordt ondersteund.\n\nNiet is vereist dat het zedendelict als zodanig bevestiging vindt in ander bewijsmateriaal. Het is voor het bewijs afdoende wanneer de verklaring van het slachtoffer op onderdelen voldoende steun vindt in andere bewijsmiddelen, afkomstig van een andere bron dan degene die de belastende verklaring heeft afgelegd.\n\nVerklaringen van aangever\n\nAangever heeft verklaard dat hij de verdachte ergens tussen 2004 en 2006 heeft leren kennen toen hij ongeveer vierentwintig of vijfentwintig was. Aangever was in die periode kwetsbaar. Hij werd namelijk in 2006 en 2007 opgenomen in een kliniek, waarna hij afgekeurd is voor werk. De ten laste gelegde gebeurtenissen zouden volgens aangever vanaf 2005 zijn gestart. De verdachte zou aangever op meerdere momenten hebben aangeraakt op een manier die aangever niet fijn vond. Zo zou de verdachte aangever heel vaak hebben aangeraakt aan zijn gezicht, waaronder bij zijn mond, lippen en wang. Ook zou de verdachte aangever één keer aan zijn geslachtsdeel hebben geraakt. Aangever zou de verdachte steeds hebben afgeweerd en hebben aangegeven dat hij de aanrakingen niet fijn vond, maar de verdachte zou telkens geen gehoor hebben gegeven aan de bezwaren van aangever.\n\nDe verdachte heeft vanaf zijn eerste politieverhoor stellig ontkend dat hij het geslachtsdeel van aangever heeft aangeraakt. De verdachte heeft verklaard dat, als hij het gezicht en de lippen van aangever heeft aangeraakt, deze aanrakingen niet in een seksuele context hebben plaatsgevonden. De verdachte heeft verklaard dat hij een soort begeleider en vaderfiguur was voor aangever en dat de aanrakingen binnen die context moeten worden bezien.\n\nNu de verklaringen van aangever en de verdachte haaks op elkaar staan voor wat betreft het plaatsvinden van aanrakingen, dan wel de ontuchtige context waarin dat zou zijn gebeurd, is voor een eventuele bewezenverklaring van belang dat de verklaring van aangever steun vindt in ander objectief bewijsmateriaal.\n\nVerklaringen van de ouders van aangever\n\nDe moeder van aangever heeft bij de politie verklaard dat de aangever zich soms heel boos uitliet over de verdachte. Ze noemt daarbij als voorbeeld dat aangever eens een boek en een beeldje die hij van de verdachte had gekregen in de tuin had gesmeten en daarbij had gezegd dat hij de verdachte wel wilde killen. Zij heeft aan aangever gevraagd wat er is gebeurd met de verdachte. Aangever zou toen hebben geantwoord. “Ja, vieze handen”. Ze stelde vervolgens de vraag of de verdachte hem had aangerand. Aangever heeft toen als antwoord gegeven dat zijn hoofd ermee vol zat.\n\nOok de vader van aangever heeft bij de politie een verklaring afgelegd. Hij verklaarde dat aangever wel heeft gedeeld dat er iets zou zijn gebeurd, maar aangever zou toen niet hebben gezegd wat precies.\n\nUit de verklaringen van de ouders van aangever wordt duidelijk dat aangever (een lange tijd) met vele tegenslagen en moeilijkheden heeft geworsteld in zijn leven. Over de tenlastegelegde gebeurtenissen bieden de verklaringen van de ouders echter onvoldoende duidelijkheid. Wat er precies met aangever heeft plaatsgevonden, is voor zijn ouders nooit duidelijk geworden. De verklaringen van de ouders bevatten daardoor te weinig concrete details of eigen waarnemingen, die vervolgens steun kunnen bieden aan de verklaringen van aangever.\n\nNu het dossier verder geen ander bewijsmateriaal bevat dat steun biedt aan de verklaring van aangever, komt de rechtbank tot de conclusie dat de onder feit 2 tenlastegelegde aanranding niet kan worden bewezen, omdat er met het aanwezige bewijsmateriaal niet wordt voldaan aan het wettelijk bewijsminimum. Ten aanzien van handelingen die op zichzelf door de verdachte worden erkend (het aanraken van het hoofd van aangever) kan de rechtbank niet zonder twijfel vaststellen dat die een ontuchtig karakter hebben gehad.\n\nDe rechtbank spreekt de verdachte daarom vrij van dit feit.3. Kwalificatie en strafbaarheid\n\nKwalificatie\n\nHet bewezen feit levert het volgende strafbare feit op:\n\nFeit 1\n\nin de periode van 20 januari 2023 tot en met 30 juni 2024:\n\neen afbeelding en gegevensdrager bevattende een afbeelding van een seksuele gedraging, waarbij iemand die kennelijk de leeftijd van achttien jaar nog niet heeft bereikt, is betrokken of schijnbaar is betrokken, verspreiden, aanbieden, verwerven en in bezit hebben, meermalen gepleegd, terwijl van het plegen van dit misdrijf een gewoonte wordt gemaakt;\n\nin de periode van 1 juli 2024 tot en met 23 oktober 2025:\n\neen visuele weergave van seksuele aard of met een onmiskenbaar seksuele strekking, waarbij een persoon die kennelijk de leeftijd van achttien jaren nog niet heeft bereikt, is betrokken, verspreiden, aanbieden, verwerven en in bezit hebben, meermalen gepleegd, terwijl van het begaan van het feit een gewoonte wordt gemaakt.\n\n3.1.. \n\nStrafbaarheid van het feit en van de verdachte\n\nHet feit en de verdachte zijn strafbaar.4. Straf4.1.. \n\nEis van de officier van justitie\n\nDe verdachte moet (voor beide feiten) worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twaalf maanden, waarvan vier maanden voorwaardelijk met daaraan verbonden een proeftijd van drie jaar en de bijzondere voorwaarden die door de reclassering worden geadviseerd, waaronder een contactverbod met minderjarigen. De bijzondere voorwaarden moeten dadelijk uitvoerbaar worden verklaard en de reclassering moet toezicht houden op de naleving van deze voorwaarden.4.2.. \n\nStandpunt van de verdediging\n\nDe verdediging stelt zich op het standpunt dat, gezien de aard en de ernst van de feiten, de leeftijd van de verdachte, de impact van de publiciteit van de zaak op de verdachte, en de justitiële documentatie van de verdachte, de tijd die de verdachte in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht reeds volstaat. De verdediging verzoekt de rechtbank om, indien zij daar aanleiding toe ziet, de voorlopige hechtenis zo spoedig mogelijk op te heffen.4.3.. Oordeel van de rechtbank4.3.1.. \n\nErnst en omstandigheden van de feiten\n\nDe verdachte heeft een gewoonte gemaakt van het verspreiden, aanbieden, verwerven en bezitten van kinderporno, een zeer ernstig strafbaar feit. Op de inbeslaggenomen gegevensdragers van de verdachte zijn in totaal 1.036 visuele weergaven, waaronder 632 foto’s en 404 video’s, aangetroffen waarop te zien is dat seksuele handelingen met, soms zeer jonge, kinderen worden verricht. De verdachte heeft ter zitting verklaard dat hij vanwege zijn leeftijd steeds minder seksueel opgewonden raakte en dat hij daardoor op zoek is gegaan naar erotische prikkels. In zijn zoektocht naar nieuwe prikkels is verdachte kennelijk beland in de verwerpelijke wereld van kinderporno. Voor de verdachte lag de focus enkel op de bevrediging van zijn eigen seksuele behoeftes. Hij heeft in dat kader beelden bekeken, bewaard en doorgestuurd. Het is een feit van algemene bekendheid dat de kinderen bij de vervaardiging van kinderpornografische afbeeldingen veelvuldig seksueel worden misbruikt en geëxploiteerd. Kinderen die seksuele handelingen moeten verrichten of moeten ondergaan ten behoeve van de kinderporno-industrie kunnen aanzienlijke psychische schade oplopen die ook vele jaren later nog diepe sporen nalaat. Door de verspreiding van het beeldmateriaal wordt de schade voor de afgebeelde jeugdigen nog vergroot. Beelden zijn niet eenvoudig te verwijderen van het internet en blijven daar vaak nog jarenlang circuleren, waardoor de slachtoffers ook jaren nadat het misbruik heeft plaatsgevonden, daarmee kunnen worden geconfronteerd. Daarnaast heeft verdachte in een chat met een contact genaamd ‘[naam 1]’ actief gefantaseerd over de wijze waarop bij name genoemde jonge kinderen misbruikt konden worden. De teksten die daarbij door verdachte zijn geuit, zijn bijzonder schokkend te noemen. Door handelingen zoals die door de verdachte zijn gepleegd wordt de vraag naar kinderporno en daarmee het misbruik van kinderen in stand gehouden. Daarbij komt dat de verdachte de kinderporno niet enkel voor zichzelf heeft bewaard, maar op meerdere momenten heeft doorgestuurd en daarmee verder heeft verspreid. De verdachte heeft daarmee een actieve bijdrage geleverd aan de instandhouding van deze illegale markt.4.3.2.. \n\nPersoon en persoonlijke omstandigheden\n\nDe verdachte heeft ter zitting weliswaar iets meer inzicht gegeven in zijn seksuele beleving dan voorheen, maar hij nam voor zijn handelen onvoldoende verantwoordelijkheid. Hij beriep zich meerdere keren op zijn onkunde op digitaal gebied, gaf geen verklaring voor het aantreffen van een grote hoeveelheid bestanden op meerdere gegevensdragers en schoof het merendeel van de verantwoordelijkheid af op de voor de rechtbank onbekend gebleven persoon met de Snapchat-gebruikersnaam ‘[naam 1]’. De rechtbank heeft daardoor niet het volle vertrouwen verkregen dat de verdachte zichzelf in de toekomst in bedwang kan houden.4.3.3.. \n\nStrafblad\n\nUit het strafblad (uittreksel justitiële documentatie) van 23 april 2026 blijkt dat de verdachte niet eerder onherroepelijk is veroordeeld voor strafbare feiten.\n\nHet strafblad van de verdachte leidt dus niet tot een hogere straf.4.3.4.. \n\nRapporten van deskundigen en de reclassering\n\nIn het rapport van psycholoog [naam 2] van 19 mei 2026 staat het volgende.\n\nDe verdachte heeft over de onderwerpen seksualiteit en het ten laste gelegde nauwelijks met onderzoekers in gesprek willen gaan. De indruk bestaat dat hij niet het achterste van zijn tong wil laten zien. De verdachte lijkt zich te verschuilen achter naïviteit en onwetendheid. Er is geen sprake van een psychische stoornis, verstandelijke handicap en\u002Fof psychogeriatrische aandoening. Omdat er geen zicht is gekomen op de seksualiteitsbeleving van de verdachte en het ten laste gelegde nauwelijks besproken heeft kunnen worden, is het niet mogelijk om een uitspraak te kunnen doen over het recidiverisico. Er zijn wel veel beschermende factoren aanwezig. Ondanks dat er geen stoornis is vast te stellen, maar ook niet geheel uit te sluiten, en er geen recidiverisico kan worden bepaald, komen uit het strafdossier de nodige zorgen naar voren. Het is van belang dat na veroordeling een nadere delictanalyse wordt uitgevoerd, die mogelijk, na het los kunnen laten van de procespositie, beter bewerkt kan worden. Het is van belang dat de seksuele belevingen en gedragingen van betrokkene nader onderzocht en geduid worden. Het is van belang dat seksuele thema’s bespreekbaar worden gemaakt en dat er meer openheid komt. Genoemde behandeling kan worden gerealiseerd bij een forensische polikliniek als De Waag of een soortgelijke instelling. Naast het bewerken van het delictscenario en seksualiteit, is nader onderzoek aangewezen naar een parafiele stoornis en er dient aandacht te zijn voor cognitieve achteruitgang, waarbij zo nodig nader neuropsychologisch onderzoek kan worden ingezet. De behandeling kan bij een bewezenverklaring worden opgelegd in het kader van een bijzondere voorwaarde bij een voorwaardelijk strafdeel met daaraan gekoppeld een reclasseringstoezicht.\n\nIn het rapport van Reclassering Nederland van 12 juni 2026 staat het volgende.\n\nUit het diagnostisch onderzoek door een gedragsdeskundige is naar voren gekomen dat een stoornis niet kan worden vastgesteld, maar ook niet geheel kan worden uitgesloten. Ook kan er geen recidiverisico worden bepaald. Wel wordt geconstateerd dat uit het strafdossier de nodige zorgen naar voren komen, waardoor het van belang wordt geacht dat er nadere delictsanalyse wordt uitgevoerd en dat seksuele belevingen en gedragingen worden onderzocht. De reclassering adviseert daarom ook een voorwaardelijk strafdeel met bijzondere voorwaarden, waaronder een ambulante behandeling bij een forensische polikliniek gespecialiseerd in seksueel delictgedrag. Verder worden als bijzondere voorwaarden geadviseerd een meldplicht bij de reclassering, een contactverbod, het vermijden van digitale omgevingen met seksueel kindermisbruik en een verbod op bepaalde werkzaamheden.\n\n4.3.5.. Oplegging straf\n\nStraf\n\nGelet op de ernst van het strafbare feit is een gevangenisstraf noodzakelijk. Het opleggen van een ander soort straf is niet passend. Bij het bepalen van die strafsoort en de duur daarvan houdt de rechtbank rekening met straffen die in soortgelijke zaken zijn opgelegd. Hierbij is ook rekening gehouden met de LOVS oriëntatiepunten. Deze oriëntatiepunten zijn binnen de rechtspraak ontwikkeld om in vergelijkbare zaken zoveel mogelijk gelijk te straffen en vormen een vertrekpunt bij het bepalen van de straf. In strafverminderende zin is in aanmerking genomen dat de verdachte een first offender is en op gevorderde leeftijd is.\n\nDe officier van justitie heeft haar eis gebaseerd op bewezenverklaring van beide feiten. Hoewel de rechtbank slechts tot bewezenverklaring van één feit komt, zal zij niettemin de door de officier van justitie geëiste straf opleggen. Een lagere straf doet onvoldoende recht aan de ernst van het bewezenverklaarde feit, de proceshouding van de verdachte en de gevaarzetting die daarvan uitgaat.\n\nDit betekent concreet dat een gevangenisstraf van twaalf maanden wordt opgelegd. Van deze gevangenisstraf worden vier maanden voorwaardelijk opgelegd, omdat de rechtbank het van belang acht dat de verdachte in de toekomst de nodige behandelingen volgt en meewerkt aan nadere diagnostisch onderzoek, zodat daarmee een eventueel risico op herhaling kan worden beperkt.\n\nHet onvoorwaardelijk deel van deze straf is langer dan verdachte in voorarrest heeft doorgebracht. Bovendien zijn de bezwaren en gronden die tot het bevel voorlopige hechtenis hebben geleid nog aanwezig. Er is dus geen aanleiding om de voorlopige hechtenis thans op te heffen.\n\nHet voorwaardelijk deel van de straf heeft ook als doel te voorkomen dat de verdachte in de toekomst opnieuw een strafbaar feit pleegt.\n\nDe rechtbank verbindt aan de voorwaardelijke straf enkele bijzondere voorwaarden die door de reclassering zijn geadviseerd. De bijzondere voorwaarden zijn noodzakelijk om de kans op herhaling van het plegen van nieuwe strafbare feiten te verkleinen.\n\nDe bijzondere voorwaarden zijn: een meldplicht bij de reclassering, ambulante behandeling en vermijding van digitale omgevingen met betrekking tot seksueel kindermisbruik. De rechtbank ziet geen aanleiding om een contactverbod ten aanzien van direct aanwijsbare slachtoffers, een verbod op bepaalde werkzaamheden of het vermijden van contact met minderjarigen als bijzondere voorwaarde op te leggen. Het is de rechtbank immers niet gebleken dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan kindermisbruik, in welk geval dergelijke voorwaarden wel aangewezen zouden zijn.\n\nGelet op het reclasseringsrapport moet er ernstig rekening mee worden gehouden dat de verdachte opnieuw een misdrijf zal plegen dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen. Daarom is het belangrijk dat de bijzondere voorwaarden meteen gelden, ook als de verdachte in hoger beroep gaat. De rechtbank verklaart de bijzondere voorwaarden om die reden dadelijk uitvoerbaar.\n\nDe gevangenisstraf zal worden tenuitvoergelegd binnen de penitentiaire inrichting, totdat de verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma.5. Wettelijke voorschriften\n\nDe oplegging van deze straf is gebaseerd op de artikelen 14a, 14b, 14c, 240b (oud) en 252 van het Wetboek van Strafrecht.6. Beslissingen\n\nDe rechtbank:\n\nVrijspraak\n\nverklaart niet bewezen dat de verdachte feit 2 heeft gepleegd en spreekt de verdachte daarvan vrij;\n\nBewezenverklaring\n\nverklaart bewezen dat de verdachte feit 1, zoals in hoofdstuk 2 is omschreven, heeft gepleegd;\n\nKwalificatie en strafbaarheid\n\nstelt vast dat het bewezenverklaarde oplevert het in hoofdstuk 3 vermelde strafbare feit;\n\nverklaart de verdachte strafbaar;\n\nStraf\n\nGevangenisstraf\n\nveroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf van 12 (twaalf) maanden;\n\nbeveelt dat de tijd die door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, in mindering wordt gebracht op de gevangenisstraf, voor zover deze tijd niet al op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;\n\nVoorwaardelijk strafdeel\n\nbepaalt dat 4 (vier) maandenniet ten uitvoer zullen worden gelegd, tenzij de rechter later anders beslist;\n\nverbindt hieraan een proeftijd, die wordt gesteld op 3 (drie) jaar, waarbij tot tenuitvoerlegging van het voorwaardelijke gedeelte van de straf kan worden beslist als de verdachte een van de onderstaande voorwaarden niet naleeft;\n\nstelt als algemene voorwaarde dat:\n\n- de verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet aan een strafbaar feit schuldig maakt;\n\nstelt als bijzondere voorwaarden dat:\n\n1. de verdachte zich gedurende de proeftijd meldt op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken zijn. Voor de eerste afspraak meldt de verdachte zich binnen 5 (vijf) dagen nadat de proeftijd is ingegaan bij Reclassering Nederland. De reclassering zal contact met de verdachte opnemen voor de eerste afspraak;\n\n2. de verdachte zich gedurende de proeftijd laat behandelen door De Waag of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de behandeling nodig vindt. De zorgverlener bepaalt de wijze van behandeling. De behandeling is gericht op psychische problematiek en seksueel grensoverschrijdend gedrag. Gelet op de problematiek kan onderdeel van de behandeling zijn dat de verdachte voorgeschreven medicatie zal gebruiken;\n\n3. de verdachte gedurende de proeftijd:\n\na. digitale omgevingen vermijdt waarin hij in aanraking kan komen met kinderpornografisch materiaal;\n\nb. digitale omgevingen vermijdt waarin over seksuele handelingen met minderjarigen wordt gecommuniceerd;\n\nc. geen gebruik maakt van virtuele machines, versleutelprogramma’s (zoals Bitlocker, Veracrypt) of applicaties die helpen de identiteit te verbergen (zoals een VPN), tenzij de reclassering toestemming heeft gegeven voor het gebruik (zoals voor werk of voor bankzaken);\n\nd. inzicht geeft in de wijze waarop hij de omgevingen genoemd onder a en b zal vermijden en bespreekt hoe dit verlopen is voor het verstreken deel van de proeftijd.\n\nHet toezicht op de naleving van de onderdelen a. tot en met c. beperkt zich tot geautomatiseerde controles van digitale apparaten (zoals computers, smart devices, USB-sticks, SD-kaarten, externe harde schijven) waarop bestanden kunnen worden opgeslagen en\u002Fof waarmee internet kan worden benaderd en die de verdachte in gebruik heeft. De verdachte werkt mee aan deze controles tijdens (on)aangekondigde huisbezoeken en verschaft toegang tot alle aanwezige digitale apparaten die de verdachte in gebruik heeft. Hieronder wordt begrepen het verstrekken van wachtwoorden, codes of andere wijzen van ontgrendeling of ontsluiting zoals vingerafdrukken, die nodig zijn voor toegang. Op verzoek past de verdachte de instellingen zodanig aan dat controle mogelijk is. De wijzigingen mogen niet leiden tot definitieve wijzigingen aan het apparaat en worden aan het einde van de controle weer teruggezet. De controles worden uitgevoerd door de reclassering. Indien en voor zover noodzakelijk mag de reclassering voor ondersteuning op technisch en digitaal gebied een specialist, niet zijnde een opsporingsambtenaar meenemen. De controles mogen gedurende de proeftijd maximaal (circa) 6 (zes) keer worden uitgevoerd, waarbij de persoonlijke levenssfeer van de verdachte zoveel mogelijk wordt geëerbiedigd. De controles strekken er in het bijzonder niet toe een min of meer volledig beeld te krijgen van het persoonlijke leven van de verdachte;\n\ngeeft opdracht aan de reclassering om toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden. Hierbij gelden als voorwaarden dat de verdachte:\n\nmeewerkt aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een geldig identiteitsbewijs ter inzage aanbiedt om de identiteit vast te stellen;\n\nmeewerkt aan reclasseringstoezicht, waaronder het meewerken aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt;\n\nbeveelt dat de genoemde bijzondere voorwaarden en het aan genoemde reclasseringsinstelling opgedragen toezicht dadelijk uitvoerbaar zijn.\n\n7. Samenstelling rechtbank en ondertekening\n\nDit vonnis is gewezen door:\n\nmr. A.M.H. Geerars, voorzitter,\n\nen mrs. J.L. Luiten en R.P.W. van de Meerakker, rechters,\n\nin tegenwoordigheid van mr. S.E. Jacobino, griffier,\n\nen uitgesproken op de openbare zitting van deze rechtbank op 7 juli 2026.\n\nDe griffier is niet in de gelegenheid dit vonnis te ondertekenen.\n\nDe exacte vindplaatsen van de bewijsmiddelen zijn genoemd in de bijbehorende voetnoot. Als wordt verwezen naar paginanummers, wordt - tenzij anders vermeld - gedoeld op paginanummers uit het zaaksdossier met nummer [nummer].\n\n Afgelegd tijdens de zitting van 23 juni 2026.\n\n Pagina’s 31-51\n\nPagina’s 58-60.","nl","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2026:7973","ecli-nl-rbrot-2026-7973",{"courtName":8,"legalDomain":17,"decisionType":18,"procedureType":19},"Strafrecht","uitspraak","Uitspraak",[21,32,43,52,62],{"id":22,"ecli":23,"caseNumber":6,"courtId":24,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":26,"language":12,"source":13,"sourceUrl":27,"summary":6,"slug":28,"metadata":29},"410","ECLI:NL:RBLIM:2026:6423",66,"2026-07-08T00:00:00.000Z","RECHTBANK limburg\n\nZittingsplaats Roermond\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: ROE 25 \u002F 2565\n\nuitspraak van de meervoudige kamer van 8 juli 2026 in de zaak tussen\n\n [belanghebbende] , gevestigd te [plaats], belanghebbende\n\n(gemachtigde: M.O.E. Uyen)\n\nen\n\nde heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking Gemeenten en Waterschappen, de heffingsambtenaar (gemachtigde: A. van den Dool).\n\nProcesverloop\n\nDe heffingsambtenaar heeft op grond van de Wet waardering onroerende zaken (Wet woz) de waarde van de onroerende zaken van belanghebbende voor het belastingjaar 2025 vastgesteld (het primaire besluit).\n\nBelanghebbende heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt.\n\nDe heffingsambtenaar heeft het bezwaar van belanghebbende gegrond verklaard (het bestreden besluit). Aan belanghebbende is een proceskostenvergoeding van in totaal € 161,74 toegekend.\n\nBelanghebbende heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.\n\nDe heffingsambtenaar heeft verweer gevoerd.\n\nOp 4 mei 2026, aangevuld op 11 mei 2026, zijn van belanghebbende nadere gronden en stukken ontvangen.\n\nHet onderzoek ter zitting heeft vervolgens plaatsgevonden op 15 mei 2026. Belanghebbende heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. L.H.G.M. Driessen, kantoorgenote van haar gemachtigde bij Previcus B.V. te Boxmeer. De heffingsambtenaar heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.\n\nOverwegingen\n\n1. De rechtbank stelt vast dat de woz-waarde tussen partijen niet meer in geschil is. Het beroep van belanghebbende richt zich enkel tegen de toegekende proceskostenvergoeding en spitst zich toe op de vraag of de heffingsambtenaar bij de vaststelling van de proceskostenvergoeding in bezwaar toepassing heeft mogen geven aan de vermenigvuldigingsfactor 0,125 van artikel 30a, eerste lid, van de Wet woz, zoals dit artikellid luidt met ingang van 1 januari 2025.\n\n2. De heffingsambtenaar heeft in het bestreden besluit de proceskostenvergoeding van € 161,74 als volgt gespecificeerd:\n\n- indienen bezwaarschrift: 1 punt x waarde per punt € 647,- x factor 0,125 = € 80,87 +\n\n- bijwonen hoorzitting: 1 punt x waarde per punt € 647,- x factor 0,125 = € 80,87 = € 161,74.\n\n3. Belanghebbende vindt dat de heffingsambtenaar een te lage proceskostenvergoeding heeft toegekend. Zij verzoekt de rechtbank om artikel 30a van de Wet woz buiten toepassing te laten, omdat haar gemachtigde een bijzonder geval is als bedoeld in het zogenoemde 30a-arrest van de Hoge Raad van 17 januari 2025 (ECLI:NL:HR:2025:46).\n\n4. In het 30a-arrest heeft de Hoge Raad geoordeeld dat bijzondere gevallen zich onderscheiden doordat zij niet voldoen aan de volgende kenmerken: dat aan de belanghebbende rechtsbijstand wordt verleend door een beroepsmatig optredende gemachtigde, dan wel een kantoor, waarvan het bedrijfsmodel eruit bestaat dat\n\n( i) wordt opgetreden op basis van no cure no pay,\n\n(ii) daarbij zodanige afspraken met de cliënten worden gemaakt dat het bedrag van eventuele proceskostenvergoedingen aan de gemachtigde of aan het kantoor wordt afgedragen, en\n\n(iii) de procedures op een zodanige wijze worden gevoerd dat de daarin toegekende proceskostenvergoedingen de in redelijkheid gemaakte kosten ver overtreffen.\n\n5. De daarbij te hanteren regels zijn nader uitgewerkt in de arresten van de Hoge Raad van 25 april 2025 (ECLI:NL:HR:2025:670) en 18 juli 2025 (ECLI:NL:HR:2025:1175).\n\n5.1.. Volgens de Hoge Raad rusten op de belanghebbende de stelplicht en bewijslast van feiten die meebrengen dat buiten redelijke twijfel komt vast te staan dat, beoordeelt naar de situatie op het moment waarop het desbetreffende rechtsmiddel is aangewend, het bedrijfsmodel van de betreffende gemachtigde of diens kantoor kennelijk niet allehiervoor bedoelde drie kenmerken heeft en dat aldus sprake is van een bijzonder geval. Er is dus (al) sprake van een bijzonder geval als één van de drie kenmerken niet van toepassing is.\n\n5.2.. Bij de beoordeling van het bedrijfsmodel gaat het niet specifiek om de werkzaamheden die de gemachtigde heeft verricht in de procedure waarop de proceskostenvergoeding ziet. Met het bedrijfsmodel is namelijk meer in het algemeen de wijze bedoeld waarop de gemachtigde zijn inkomsten verwerft met het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand.\n\n5.3.. Indien het bedrijfsmodel van een gemachtigde of een kantoor inhoudt dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay (i), of op een grondslag die daarmee in wezen overeenkomt en daarmee dus op één lijn kan worden gesteld, en dat daarbij afspraken met de cliënten worden gemaakt als hiervoor onder (ii) bedoeld, zal aldus moeten worden beoordeeld of dit bedrijfsmodel voldoet aan het hiervoor onder (iii) vermelde kenmerk van vergaande overdekking. Daartoe moet een vergelijking worden gemaakt tussen enerzijds het totale bedrag aan proceskostenvergoedingen dat aan de gemachtigde of aan het kantoor wordt afgedragen, en anderzijds het totale bedrag van de kosten van de gemachtigde of van het kantoor die kunnen worden toegerekend aan het voeren van de procedures waarop die proceskostenvergoedingen betrekking hebben. Het komt dus erop aan of het totale bedrag van de afgedragen proceskostenvergoedingen het totale bedrag van de zojuist bedoelde kosten verre overtreft. De omstandigheid dat vaak geheel of ten dele gebruik wordt gemaakt van gestandaardiseerde tekstblokken die niet zijn toegespitst op de desbetreffende zaak, vormt een aanwijzing dat het bedrijfsmodel wel het derde kenmerk van vergaande overdekking heeft, en zal daarom in het algemeen volstaan om aan te nemen dat de belanghebbende niet in dit door hem te leveren bewijs is geslaagd.\n\n6. In het arrest van 26 september 2025 (ECLI:NL:HR:2025:1375) heeft de Hoge Raad nader uitgewerkt wanneer sprake is van een bedrijfsmodel dat eruit bestaat dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay (i). Bij optreden op basis van no cure no pay moet worden uitgegaan van afspraken tussen de belanghebbende en de rechtsbijstandverlener op grond waarvan de belanghebbende geen financieel risico loopt bij inschakeling van de rechtsbijstandverlener, omdat geen instapvergoeding verschuldigd is noch een percentage van de bespaarde belasting als vergoeding moet worden afgestaan (zie Kamerstukken II 2023\u002F24, 36 427, nr. 3, blz. 2). Bij de beoordeling van de vraag of het bedrijfsmodel van een beroepsmatig optredende gemachtigde, dan wel een kantoor, eruit bestaat dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay, komt het dus erop aan of die gemachtigde dan wel diens kantoor afspraken maakt met klanten op grond waarvan zij geen financieel risico lopen bij het verstrekken van de opdracht tot het verlenen van rechtsbijstand in een belastingprocedure. De verschuldigdheid van een instapvergoeding staat niet in alle gevallen eraan in de weg dat afspraken met een rechtsbijstandsverlener worden aangemerkt als afspraken op basis van no cure no pay. Onder het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand op basis van no cure no pay wordt namelijk ook begrepen het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand op een grondslag die daarmee in wezen overeenkomt en daarmee dus op één lijn kan worden gesteld. Dan moet worden gedacht aan de betaling van een zodanig laag bedrag dat die betaling als een pro forma of symbolische bijdrage moet worden beschouwd.\n\n7. De rechtbank stelt vast dat de gemachtigde van belanghebbende in deze zaak niet heeft bestreden dat haar bedrijfsmodel de hiervoor onder (ii) en (iii) vermelde kenmerken heeft.\n\n8. Belanghebbende bestrijdt dat het bedrijfsmodel van haar gemachtigde ten tijde van het instellen van bezwaar (en beroep) eruit bestaat dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay (i). Hiertoe heeft de gemachtigde verwezen naar een beschrijving van haar per 1 januari 2025 gewijzigde bedrijfsmodel (“Bijzonder geval: bedrijfsmodel Previcus en artikel 30a Wet WOZ”).\n\n8.1.. Volgens die beschrijving is de werkwijze met ingang van 1 januari 2025 fundamenteel gewijzigd. Het aantal dossiers is vanaf 2025 aanzienlijk afgenomen van 128.000 zaken naar circa 1.291 zaken. De zaken worden (vrijwel) niet meer op basis van no cure no pay uitgevoerd, maar volgens een regulier model waarin een cliënt, ongeacht de uitkomst van de zaak, een vaste startvergoeding betaalt (doorgaans gebaseerd op het aantal aanslagbiljetten) en\u002Fof een deel van de gerealiseerde besparing afdraagt (in bijna alle gevallen 40% van de besparing). De vóór 2025 aangebrachte zaken worden nog op basis van no cure no pay uitgevoerd. Bovendien worden vanaf 2025 alle aanslagbiljetten op voorhand gescreend en worden enkel de zaken doorgezet waarbij op voorhand onvoldoende duidelijk is dat er geen fouten zijn gemaakt. Er is, aldus de beschrijving, geen sprake meer van een grote massa waar de wetswijziging (Wet herwaardering proceskostenvergoeding WOZ en Bpm) op zag. De gemachtigde richt zich voortaan op de zakelijke markt, waarbij vrijwel altijd ook prijsafspraken met belanghebbenden worden gemaakt die losstaan van eventueel toegekende proceskostenvergoedingen.\n\n8.2.. De gemachtigde heeft de prijsafspraken over 2025 als volgt in een overzicht opgenomen.\n\n8.3.. De vermelding in de volmacht dat de vergoeding voor de werkzaamheden uitsluitend het totaal van de proceskostenvergoedingen bedraagt, klopt, aldus de beschrijving, niet meer. De onderliggende overeenkomsten bepalen dat cliënten zelf vergoedingen verschuldigd zijn. De proceskostenvergoeding speelt daarin nog slechts een kleine aanvullende rol.\n\n9. Op 4 mei 2026 heeft de gemachtigde van belanghebbende de facturen en betaalbewijzen in een groot aantal zaken, waarin zij als gemachtigde optreedt, ingezonden. Op 11 mei 2026 is daarvan een overzicht overgelegd. Die stukken bevestigen het beeld dat de beschrijving van het bedrijfsmodel geeft. Uit de facturen en betaalbewijzen blijkt namelijk dat de gemachtigde van een groot deel van haar cliënten een “besparingsfee” van minimaal 30% van de eventuele belastingbesparing vraagt, zij die “besparingsfee” aan haar cliënten factureert en die “besparingsfee” vervolgens ook door de cliënten wordt betaald.\n\n10. Daarnaast komt uit de facturen en betaalbewijzen naar voren dat de meeste cliënten (bovenop de “besparingsfee”) tevens een (in hoogte variërende) “startfee” zijn verschuldigd. Op zitting heeft de gemachtigde toegelicht dat, indien overeengekomen, de “startfee” altijd wordt gefactureerd en betaald. Dat dit niet in alle gevallen gebeurt blijkt uit de overgelegde facturen en betaalbewijzen, en komt, aldus de gemachtigde, doordat de “startfee”, die ongeacht de uitkomst is verschuldigd, in die gevallen eerder is gefactureerd en betaald. Dat is anders bij de “besparingsfee”, die niet eerder dan na het nemen van het bestreden besluit in rekening kan worden gebracht, omdat dan pas de (hoogte van de) besparing duidelijk is.\n\n11. De heffingsambtenaar heeft zich ter zitting op het standpunt gesteld dat het pas op 4 mei 2026 door de gemachtigde van belanghebbende indienen van facturen en betaalbewijzen (die op 6 mei 2026 door de rechtbank zijn vrijgegeven), die al in 2025 beschikbaar waren, in strijd is met een goede procesorde. De rechtbank overweegt dat partijen in beginsel vrij zijn om gedurende de procedure hun standpunten aan te vullen. Die vrijheid wordt echter begrensd door de beginselen van de goede procesorde. Hoewel de late indiening van reeds voorhanden zijnde stukken niet de schoonheidsprijs verdient, ziet de rechtbank hierin geen grond om die stukken vanwege strijd met een goede procesorde buiten beschouwing te laten. Hiertoe acht de rechtbank van belang dat de stukken een onderbouwing vormen van een eerder door de gemachtigde ingenomen standpunt, een reactie zijn op het verweerschrift en dat de aard en de omvang van de stukken niet zodanig zijn dat van de heffingsambtenaar om adequaat hierop te kunnen reageren een nader diepgaand (feiten)onderzoek wordt gevergd. De inhoudelijke reactie van de heffingsambtenaar op de stukken in de pleitnota bevestigen dit oordeel.\n\n12. De rechtbank stelt voorop dat voor haar de facturen en de betaalbewijzen leidend zijn voor de beoordeling van de vraag of kenmerk (i) op de gemachtigde van belanghebbende van toepassing is. Naar het oordeel van de rechtbank zijn (alleen) die stukken, en niet (ook) de overeenkomst, de website en de algemene voorwaarden van de gemachtigde (op 9 februari 2025), waarvan gesteld is dat die op dat moment nog niet in overeenstemming met het gewijzigde bedrijfsmodel waren gebracht, relevant voor de vraag of sprake is van een bedrijfsmodel op basis van no cure no pay. Omdat het bedrijfsmodel van de gemachtigde (en niet de vergoedingen in de aan de rechtbank voorliggende zaken) moet worden beoordeeld, blijft die beoordeling, anders dan de heffingsambtenaar stelt, niet beperkt tot de gemeenten binnen het ambtsgebied van de heffingsambtenaar. Daaruit volgt ook dat op grond van het (incidenteel) ontbreken van facturen en betaalbewijzen in aan de rechtbank voorliggende zaken niet zonder meer kan worden geconcludeerd dat kenmerk (i) op het bedrijfsmodel van de gemachtigde van toepassing is.\n\n13. De rechtbank is van oordeel dat met voldoende gegevens is onderbouwd dat de gemachtigde in 2025 voor een groot deel van de procedures een “besparingsfee” in rekening heeft gebracht. Door het betalen van een “besparingsfee” loopt een belanghebbende bij de inschakeling een gemachtigde voor het voeren van een procedure een financieel risico (zie hiervoor het arrest van de Hoge Raad van 26 september 2025). Deze door de gemachtigde gevraagde vergoeding (van 30-40%) acht de rechtbank, nog daargelaten dat de Hoge Raad dat enkel ten aanzien van “instapvergoedingen” heeft geoordeeld, ook niet dusdanig laag dat kan worden gesproken van rechtsbijstandverlening op een grondslag die in wezen overeenkomt met rechtsbijstandverlening op basis van no cure no pay. Op grond van het vorenstaande heeft belanghebbende, naar het oordeel van de rechtbank, buiten redelijke twijfel bewezen dat het bedrijfsmodel van de gemachtigde ten tijde van het instellen van bezwaar niet het kenmerk van optreden op basis van no cure no pay heeft (i). Daaraan doet niet af dat een belanghebbende vooraf ermee heeft ingestemd dat een eventuele vergoeding van proceskosten aan de gemachtigde toekomt. Dat geldt ook voor het ontbreken van facturen en betaalbewijzen van op een eerder moment in rekening gebrachte “startfees” en de door de heffingsambtenaar gestelde inconsistenties in de hoogte hiervan.\n\n14. Uit het vorenstaande volgt dat sprake is van een bijzonder geval en de heffingsambtenaar ten onrechte toepassing heeft gegeven aan artikel 30a, eerste lid, van de Wet woz.\n\n15. Dit betekent dat het beroep van belanghebbende gegrond is. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit voor zover dat ziet op de toegekende proceskostenvergoeding en bepaalt met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht de proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase op € 1.332,- (2 x € 666,-).\n\n16. Aan het standpunt van belanghebbende dat aan het bestreden besluit een motiveringsgebrek kleeft, wordt niet toegekomen.\n\n17. Omdat het beroep gegrond is, moet de heffingsambtenaar het griffierecht aan belanghebbende vergoeden.\n\n18. De rechtbank acht termen aanwezig om de heffingsambtenaar te veroordelen in de proceskosten die belanghebbende redelijkerwijs heeft moeten maken in verband met de behandeling van het beroep, een en ander eveneens overeenkomstig de normen van het Besluit proceskosten bestuursrecht. Aan belanghebbende is door een derde beroepsmatig rechtsbijstand verleend. Voor de in aanmerking te nemen proceshandelingen worden 2 punten (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen op zitting met een waarde van € 934,- per punt) toegekend. De rechtbank bepaalt in overeenstemming met het Richtsnoer proceskostenvergoeding belastingkamers gerechtshoven 2024 (neergelegd in de uitspraak van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 7 augustus 2024, ECLI:NL:GHSHE:2024:2524) de wegingsfactor op 0,5. Gelet hierop bedraagt het vanwege de in deze zaak verleende rechtsbijstand te vergoeden bedrag in totaal € 934,-.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep gegrond;\n\n- vernietigt het bestreden besluit voor zover dat ziet op de toegekende proceskostenvergoeding, stelt de proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase vast op € 1.332,- en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;\n\n- draagt de heffingsambtenaar op het betaalde griffierecht van € 385,- aan belanghebbende te vergoeden;\n\n- veroordeelt de heffingsambtenaar in de proceskosten van belanghebbende wegens verleende rechtsbijstand in beroep tot een bedrag van € 934,-.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. B.F.A. van Huijgevoort, voorzitter, en mrs. E.P.J. Rutten en J.H. van Hoof leden, in aanwezigheid van mr. D.D.R.H. Lechanteur, griffier.De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 8 juli 2026.\n\ngriffier rechter\n\nAfschrift verzonden aan partijen op: 8 juli 2026.\n\nRechtsmiddel\n\nTegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof ’s-Hertogenbosch (belastingkamer).\n\nU kunt digitaal beroep instellen via www.rechtspraak.nl. Daar klikt u op “Formulieren en inloggen”. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ’s-Hertogenbosch (belastingkamer).\n\nBij het instellen van het hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:\n\n1. bij het hogerberoepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;\n\n2 - het hogerberoepschrift moet, indien het op papier wordt ingediend, ondertekend zijn. Verder moet het ten minste het volgende vermelden:\n\na. de naam en het adres van de indiener;\n\nb. de datum van verzending;\n\nc. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;\n\nd. de redenen waarom u het niet eens bent met de uitspraak (de gronden van het hoger beroep).","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBLIM:2026:6423","ecli-nl-rblim-2026-6423",{"courtName":30,"legalDomain":31,"decisionType":18,"procedureType":19},"Roermond","Bestuursrecht; Belastingrecht",{"id":33,"ecli":34,"caseNumber":35,"courtId":36,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":37,"language":38,"source":39,"sourceUrl":6,"summary":40,"slug":41,"metadata":42},"85","ECLI:RO:2026:JudecatoriaSECTORUL5BUCURESTI:17050-302-2025-a1","17050\u002F302\u002F2025\u002Fa1",97,"Admite cererea de îndreptare a erorii materiale din cuprinsul sentin?ei civile nr. 2484\u002F06.03.2026, pronunţată de Judecătoria Sectorului 5 Bucure?ti în dosar nr. 17050\u002F302\u002F2025, formulată din oficiu.       \nDispune îndreptarea erorii materiale strecurată în cuprinsul sentin?ei civile nr. 2484\u002F06.03.2026 pronun?ată în cadrul dosarului nr. 17050\u002F302\u002F2025, în sensul re?inerii că pârâtul Vasile Constantin are codul numeric personal ............, iar nu ............., astfel cum în mod eronat s-a consemnat.   \nPrezenta încheiere face parte integrantă din cuprinsul sentin?ei civile nr. 2484\u002F06.03.2026 pronun?ată în cadrul dosarului nr. 17050\u002F302\u002F2025.   \nÎndreptarea se va efectua în toate exemplarele sentin?ei.\n\tCu drept de apel în 30 de zile de la comunicare. Cererea de apel se va depune la Judecătoria Sectorului 5 Bucure?ti.   \n\tPronun?ată prin punerea solu?iei la dispozi?ia păr?ilor prin intermediul grefei instan?ei, astăzi, 08.07.2026.\n","ro","portalquery_ro","Admite cererea","ecli-ro-2026-judecatoriasectorul5bucuresti-17050-302-2025-a1",null,{"id":44,"ecli":45,"caseNumber":6,"courtId":46,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":47,"language":12,"source":13,"sourceUrl":48,"summary":6,"slug":49,"metadata":50},"296","ECLI:NL:GHDHA:2026:2250",58,"Rolnummer: 22-001978-23\n\nParketnummer: 10-066729-23\n\nDatum uitspraak: 8 juli 2026\n\nTEGENSPRAAK\n\nArrestvan de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Den Haag gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 28 juni 2023 in de strafzaak tegen de verdachte:\n\n [verdachte],\n\ngeboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2002,\n\nBRP-adres: [BRP-adres] , [woonplaats] .\n\nOnderzoek van de zaak\n\nDit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof.\n\nHet hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.\n\nProcesgang\n\nIn eerste aanleg is de verdachte van het onder 1 tenlastegelegde vrijgesproken en ter zake van het onder 2 en 3 tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 120 dagen, met aftrek van voorarrest, waarvan 73 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren. Voorts is beslist op de vorderingen van de benadeelde partijen, zoals nader omschreven in het vonnis waarvan beroep.\n\nNamens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.\n\nOmvang van het hoger beroep\n\nDe verdachte is door de rechtbank Rotterdam vrijgesproken van hetgeen aan hem onder 1 is tenlastegelegd. Het hoger beroep is door de verdachte onbeperkt ingesteld en is derhalve mede gericht tegen de in eerste aanleg gegeven beslissing tot vrijspraak. Gelet op hetgeen is bepaald in artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering staat voor de verdachte tegen deze beslissing geen hoger beroep open. Het hof zal de verdachte mitsdien niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep gegeven vrijspraak.\n\nWaar hierna wordt gesproken van \"de zaak\" of \"het vonnis\", wordt daarmee bedoeld de zaak of het vonnis voor zover op grond van het vorenstaande aan het oordeel van dit hof onderworpen.\n\nTenlastelegging\n\nAan de verdachte is – voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen – tenlastegelegd dat:\n\n2. hij op of omstreeks 01 januari 2023 te 's-Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard, openlijk, te weten, op of aan de Smidsweg en\u002Fof de Langestraat, in elk geval op of aan (een) openbare weg(en), in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een of meer verbalisanten van de politie Eenheid Rotterdam, te weten [hoofdagent] (hoofdagent) en\u002Fof [aspirant] (aspirant) en\u002Fof één of meer verbalisanten, zijnde groepsleden van de Mobiele Eenheid van politie Eenheid Rotterdam, te weten [verbalisant 1] en\u002Fof [verbalisant 2] en\u002Fof [verbalisant 3] en\u002Fof [verbalisant 4] en\u002Fof [verbalisant 5] en\u002Fof [verbalisant 6] en\u002Fof [verbalisant 7] en\u002Fof [verbalisant 8] en\u002Fof [verbalisant 9] en\u002Fof [verbalisant 10] en\u002Fof [verbalisant 11] en\u002Fof [verbalisant 12] en\u002Fof [verbalisant 13] en\u002Fof [verbalisant 14] en\u002Fof [verbalisant 15] en\u002Fof [verbalisant 16] en\u002Fof [verbalisant 17] en\u002Fof [verbalisant 18] en\u002Fof [verbalisant 19] en\u002Fof [verbalisant 20] , althans een of meer (andere) verbalisanten door\n\n- één of meer stuks zwaar (illegaal) vuurwerk (betreffende onder meer: cobra's \u002F nitraten \u002F shells) en\u002Fof vuurwerkbommen op\u002Ftegen, althans in de richting van\u002Fnaar voornoemde verbalisanten af te schieten en\u002Fof te gooien, waarbij voornoemd(e) vuurwerk\u002Fvuurwerkbommen vlakbij\u002Fnaast het\u002Fde lichamen en\u002Fof het\u002Fde hoofden\u002Fgezichten van voornoemde verbalisanten tot ontploffing is\u002Fzijn gekomen en\u002Fof\n\n- ( met kracht) één of meer stenen en\u002Fof glaswerk op\u002Ftegen, althans in de richting van voornoemde verbalisanten te gooien en\u002Fof\n\n- ( dreigend) zich op te dringen aan voornoemde ambtenaren en\u002Fof\n\n- ( daarbij) (dreigend) een of meerdere ploertendoders, althans slagvoorwerpen, aan voornoemde ambtenaren te tonen\u002Fvoor te houden en\u002Fof\n\n- ( daarbij) aan die [aspirant] en\u002Fof [hoofdagent] en\u002Fof een of meer (andere) verbalisanten de weg te versperren, althans de doorgang te beletten en\u002Fof (daarbij) te verhinderen dat die [aspirant] en\u002Fof [hoofdagent] en\u002Fof anderen met\u002Fin een (politie)voertuig weg konden rijden en\u002Fof\n\n- naar\u002Fin de richting van voornoemde ambtenaren te schelden, met de woorden: \"Kankerlijers\", \"Kanker op joh\" en\u002Fof \"Kankerpolitie\" en\u002Fof\n\n- ( met kracht) op\u002Ftegen het (politie)schild van die [verbalisant 2] te trappen\u002Fschoppen;\n\n3. hij op of omstreeks 31 december 2022 te 's-Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard opzettelijk en wederrechtelijk een vuilnisbak\u002Fprullenbak, in elk geval enig goed, dat\u002Fdie geheel of ten dele aan Gemeente Hoeksche Waard, in elk geval aan een ander dan aan verdachte toebehoorde(n) heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt.\n\nVordering van de advocaat-generaal\n\nDe advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de bewezenverklaring zal worden bevestigd en dat de verdachte ter zake van het onder 2 en 3 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 107 dagen, met aftrek van voorarrest, waarvan 60 dagen voorwaardelijk en met een proeftijd van 2 jaren.\n\nHet vonnis waarvan beroep\n\nHet vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.\n\nVrijspraak\n\nDe advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het onder 2 tenlastegelegde wettig en overtuigend kan worden bewezenverklaard, nu de verdachte met zijn handelen een bijdrage van voldoende gewicht heeft geleverd aan het openlijk geweld tegen de desbetreffende verbalisanten. Zo heeft de verdachte voorafgaand aan de jaarwisseling deel genomen aan een WhatsApp-groep waarin werd gesproken over het voornemen onrust te veroorzaken ten tijde van de jaarwisseling. Voorts heeft de verdachte in de nacht van de jaarwisseling – nadat hij door leden van de Mobiele Eenheid (ME) was ingesloten –op zijn telefoon een video-opname gemaakt waarin er samen met medeverdachte [medeverdachte] (hierna: [medeverdachte] ) wordt gepraat over het doodschoppen van een ME’er. Vijftien minuten nadat hij deze video had opgenomen, is [medeverdachte] aangehouden voor het schoppen tegen het schild van een ME’er.\n\nHet hof overweegt als volgt.\n\nHet hof stelt voorop dat van het \"in vereniging\" plegen van geweld sprake is, indien de betrokkene een voldoende significante of wezenlijke bijdrage levert aan het geweld, zij het dat deze bijdrage zelf niet van gewelddadige aard hoeft te zijn. De enkele omstandigheid dat iemand aanwezig is in een groep die openlijk geweld pleegt is niet zonder meer voldoende om hem te kunnen aanmerken als iemand die \"in vereniging\" geweld pleegt. Beoordeeld zal moeten worden of de door de verdachte geleverde – intellectuele en\u002Fof materiële – bijdrage aan het delict van voldoende gewicht is.\n\nMet de advocaat-generaal en de verdediging is het hof van oordeel dat op grond van het verhandelde ter terechtzitting niet kan worden bewezen dat de verdachte omstreeks de jaarwisseling geweld heeft gebruikt jegens de verbalisanten, zoals het gooien met stenen of vuurwerk. Het hof is voorts van oordeel dat evenmin bewezen kan worden dat de verdachte op enige wijze geweldshandelingen die door andere personen zijn gepleegd heeft ondersteund of anderszins heeft bijgedragen aan het ontstaan of het voortduren van het geweld jegens de verbalisanten. Het hof neemt hierbij in aanmerking dat [medeverdachte] bij de raadsheer-commissaris als getuige is gehoord en heeft verklaard dat hetgeen de verdachte in de video-opname heeft gezegd, los stond van zijn handelen daarna en dat de verdachte niet in de buurt was toen [medeverdachte] tegen het schild van verbalisant [verbalisant 2] aan schopte. De enkele aanwezigheid in de groep die door de politie\u002FME was ingesloten en het feit dat de verdachte deel uit maakte van een WhatsApp-groep acht het hof evenmin een bijdrage van voldoende gewicht. Gelet op het voorgaande is niet vast komen te staan dat de verdachte een voldoende significante of wezenlijke bijdrage heeft geleverd aan het tenlastegelegde geweld tegen de desbetreffende verbalisanten, zodat het ten laste gelegde niet kan worden bewezen en de verdachte daarvan zal worden vrijgesproken.\n\nBewezenverklaring\n\nHet hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 3 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:\n\n3. hij op of omstreeks31 december 2022 te 's-Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard opzettelijk en wederrechtelijk eenvuilnisbak\u002Fprullenbak, in elk geval enig goed,dat\u002Fdiegeheel of ten deleaan Gemeente Hoeksche Waard, in elk geval aan een ander dan aan verdachtetoebehoorde(n)heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt;.\n\nHetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.\n\nBewijsvoering\n\nHet hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.\n\nIn die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.\n\nStrafbaarheid van het bewezenverklaarde\n\nHet onder 3 bewezenverklaarde levert op\n\nopzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen.\n\nStrafbaarheid van de verdachte\n\nEr is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.\n\nStrafmotivering\n\nHet hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.\n\nDaarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.\n\nDe verdachte heeft zich op oudejaarsavond schuldig gemaakt aan vernieling van een prullenbak door hierop zwaar vuurwerk tot ontploffing te brengen. Een dergelijk feit is gevaarzettend en geschikt om gevoelens van angst en onveiligheid in de maatschappij teweeg te brengen. De verdachte heeft met zijn handelen de gemeente en daarmee de gemeenschap financiële schade berokkend en hij heeft hiermee overlast veroorzaakt.\n\nHet hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie van 1 juni 2026, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder voor een vergelijkbaar feit is veroordeeld.\n\nTen aanzien van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) overweegt het hof dat deze is aangevangen op 6 maart 2023. In eerste aanleg is de redelijke termijn niet overschreden. Het hof stelt vast dat de behandeling van de zaak in hoger beroep niet heeft plaatsgevonden binnen de daartoe gestelde redelijke termijn,. Namens de verdachte is immers op 4 juli 2023 hoger beroep ingesteld en het hof wijst op 8 juli 2026 eindarrest. De redelijke termijn van de berechting in hoger beroep is derhalve met meer dan één jaar overschreden. Het hof ziet, ook gelet op de duur van de procedure als geheel, aanleiding te volstaan met de constatering van dit verzuim, gelet op de gekozen strafmodaliteit en de hoogte van de op te leggen straf.\n\nHet hof is – alles afwegende – van oordeel dat een onvoorwaardelijke taakstraf van na te melden duur een passende en geboden reactie vormt. Anders dan de verdediging heeft bepleit acht het hof een geldboete, gelet op de context waarin en de wijze waarop de vernieling plaatsvond – tijdens de jaarwisseling en met (illegaal) vuurwerk – niet passend. Evenmin zal om die reden toepassing worden gegeven aan het bepaalde in artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht.\n\nVorderingen tot schadevergoeding\n\nIn het onderhavige strafproces hebben tweeëntwintig verbalisanten zich als benadeelde partij gevoegd ter zake van het onder 2 ten laste gelegde. De benadeelde partijen [verbalisant 17] , [verbalisant 12] , [verbalisant 8] , [verbalisant 9] , [verbalisant 19] , [verbalisant 20] , [verbalisant 18] , [verbalisant 15] , [verbalisant 10] , [verbalisant 4] , [verbalisant 1] , [verbalisant 16] , [verbalisant 3] , [aspirant] , [verbalisant 7] , [hoofdagent] , [verbalisant 14] , [verbalisant 5] en [verbalisant 6] vorderen per persoon een vergoeding van € 350,00 aan immateriële schade. De benadeelde partijen [verbalisant 13] en [verbalisant 11] vorderen per persoon een vergoeding van € 400,00 aan immateriële schade en de benadeelde partij [verbalisant 2] vordert een vergoeding van € 750,00 aan immateriële schade.\n\nNu de verdachte ter zake van het onder 2 tenlastegelegde wordt vrijgesproken, zullen de benadeelde partijen niet-ontvankelijk worden verklaard in hun vordering.\n\nGelet daarop zullen de benadeelde partijen worden veroordeeld in de kosten die de verdachte tot aan deze uitspraak in verband met de verdediging tegen die vorderingen heeft moeten maken, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil.\n\nToepasselijke wettelijke voorschriften\n\nHet hof heeft gelet op de artikelen 9, 22c, 22d en 350 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.\n\nBESLISSING\n\nHet hof:\n\nVerklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder 1 tenlastegelegde.\n\nVernietigt het vonnis waarvan beroep voor zover thans aan het oordeel van het hof onderworpen en doet in zoverre opnieuw recht:\n\nVerklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 2 tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.\n\nVerklaart, zoals hiervoor overwogen, bewezen dat de verdachte het onder 3 tenlastegelegde heeft begaan.\n\nVerklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.\n\nVerklaart het onder 3 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.\n\nVeroordeelt de verdachte tot een taakstrafvoor de duur van60 (zestig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door30 (dertig) dagen hechtenis.\n\nBeveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van 2 uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.\n\nVordering van de benadeelde partijen:\n\n- [verbalisant 17] ,\n\n- [verbalisant 12] ,\n\n- [verbalisant 13] ,\n\n- [verbalisant 8] ,\n\n- [verbalisant 9] ,\n\n- [verbalisant 19] ,\n\n- [verbalisant 20] ,\n\n- [verbalisant 11]\n\n- [verbalisant 18] ,\n\n- [verbalisant 15] ,\n\n- [verbalisant 10] ,\n\n- [verbalisant 4] ,\n\n- [verbalisant 1] ,\n\n- [verbalisant 16] ,\n\n- [verbalisant 3] ,\n\n- [verbalisant 2]\n\n- [aspirant] ,\n\n- [verbalisant 7] ,\n\n- [hoofdagent] ,\n\n- [verbalisant 14] ,\n\n- [verbalisant 5] , en\n\n- [verbalisant 6]\n\nVerklaart de hiervoor genoemde benadeelde partijen telkens niet-ontvankelijk in hun vordering tot schadevergoeding.\n\nVeroordeelt de hiervoor genoemde benadeelde partijen telkens in de door verdachte gemaakte kosten en begroot deze telkens op nihil.\n\nDit arrest is gewezen door mr. F.W. Pieters, als voorzitter, mr. E.C. van Veen en mr. M.C. Bruining, leden, in bijzijn van de griffier mr. V.V. de Lange.\n\nHet is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 8 juli 2026.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHDHA:2026:2250","ecli-nl-ghdha-2026-2250",{"courtName":51,"legalDomain":17,"decisionType":18,"procedureType":19},"Den Haag",{"id":53,"ecli":54,"caseNumber":6,"courtId":55,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":56,"language":12,"source":13,"sourceUrl":57,"summary":6,"slug":58,"metadata":59},"348","ECLI:NL:RBDHA:2026:18721",65,"RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Groningen\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL26.20806\n uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n \n [naam], eiseres,\n\nV-nummer: [v-nummer:],\n\n(gemachtigde: mr. I.M. Zuidhoek),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, de minister.\n\nInleiding\n\n1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 7 april 2026 niet in behandeling genomen omdat daarvoor Frankrijk verantwoordelijk is.\n\n1.1.. De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiseres. Zij doet dat mede aan de hand van de argumenten die eiseres heeft aangevoerd, de beroepsgronden.\n\n3. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiseres ongelijk krijgt en het bestreden besluit in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nToepasselijk recht\n\n4. Op deze zaak is het recht van toepassing dat gold vóór 12 juni 2026.\n\nTotstandkoming van het besluit\n\n5. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening.Op grond van de Dublinverordening neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.In dit geval heeft Nederland bij Frankrijk een verzoek om terugname gedaan. Frankrijk heeft dit verzoek aanvaard.\n\nMag de minister ten opzichte van Frankrijk uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel?\n\n6. Eiseres stelt zich op het standpunt dat er in Frankrijk voor haar een onveilige situatie zal optreden. Dit is het gevolg van de aanwezigheid van veel Libanezen in Frankrijk, waaronder ook de familie van haar moeder die haar eerder al bedreigde. Bovendien heeft eiseres in Nederland een community gevonden waar zij zich veilig bij voelt en in Frankrijk heeft zij niemand, dit is voor haar een angstaanjagend vooruitzicht. Dit terwijl in Nederland er een sterke en diverse LHBT-gemeenschap is waar zij zich veilig voelt. Volgens eiseres is er in Frankrijk bovendien nog steeds een groot probleem met betrekking tot de opvang van asielzoekers. Ze verwijst naar het AIDA-rapport over Frankrijk, update 2024.Er is een tekort aan opvangplekken en eiseres loopt bij terugkeer een reëel risico om in een situatie van materiële deprivatie terecht te komen. Volgens eiseres is het bestreden besluit niet zorgvuldig voorbereid en berust het evenmin op een deugdelijke motivering.\n\n6.1.. De beroepsgrond slaagt niet. Naar het oordeel van de rechtbank mag de minister ten aanzien van Frankrijk uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. De Afdelingheeft meermaals bevestigd dat ten aanzien van Frankrijk in algemene zin kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Hierbij is ook het AIDA rapport, update 2024, betrokken. De rechtbank overweegt ambtshalve dat ook het recente AIDA rapport, update 2025, geen wezenlijk ander beeld geeft van de opvangvoorzieningen in Frankrijk dan de informatie die is betrokken door de Afdeling in eerdere uitspraken.\n\n6.2.. Uit de AIDA rapporten blijkt niet dat sprake is van structurele tekortkomingen in de opvang of asielprocedure, ook niet ten aanzien van de LHTBI-gemeenschap. Eiseres heeft bovendien niet aannemelijk gemaakt dat zij bij overdracht aan Frankrijk persoonlijk geen opvang, rechtsbescherming of toegang tot de procedure zal krijgen. Eiseres heeft niet eerder een asielaanvraag in Frankrijk ingediend waardoor zij geen persoonlijke ervaring heeft met de kwaliteit van de asielprocedure en de opvangvoorzieningen in Frankrijk.\n\n6.3.. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van bijzondere, individuele omstandigheden op basis waarvan de minister de aanvraag toch zou moeten behandelen.\n\nConclusie en gevolgen\n\n7. Het beroep is kennelijk ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft en eiseres overgedragen kan worden aan Frankrijk. Eiseres krijgt geen vergoeding van haar proceskosten.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. A. Sibma, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Strating, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.\n\nDe uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over verzet\n\nAls partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.\n\n Zie artikel 84 van de Asiel- en migratiebeheerverordening inzake het overgangsrecht.\n\n Verordening (EU) nr. 604\u002F2013.\n\n Dit staat ook in artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.\n\n Update 2024 van juni 2025.\n\n Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.\n\n Update 2025 van mei 2026.\n\n Zie ook de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Arnhem, van 3 juli 2026. (ECLI:NL:RBDHA:2026:18469, r.o. 7.1) en de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Middelburg, van 25 juni 2026 (ECLI:NL:RBDHA:2026:17711).","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18721","ecli-nl-rbdha-2026-18721",{"courtName":60,"legalDomain":61,"decisionType":18,"procedureType":19},"Groningen","Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht",{"id":63,"ecli":64,"caseNumber":6,"courtId":7,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":65,"language":12,"source":13,"sourceUrl":66,"summary":6,"slug":67,"metadata":68},"418","ECLI:NL:RBDHA:2026:18726","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Rotterdam\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL26.36068uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n\n [naam eiser] , eiser\n\nV-nummer: [V-nummer]\n\n(gemachtigde: mr. J.S. Dobosz),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, verweerder\n\n(gemachtigde: mr. C. van der Zijde).\n\nSamenvatting\n\n1. Deze uitspraak gaat over de maatregel van vreemdelingenbewaring die aan eiser is opgelegd. Deze maatregel is opgelegd op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser is het niet eens met die maatregel. Hij voert daartegen een beroepsgrond aan. Onder meer aan de hand van deze beroepsgrond beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van die maatregel en de vraag of aan eiser een schadevergoeding moet worden toegekend.\n\n1.1.. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep gegrond is. Het opleggen van de maatregel van vreemdelingenbewaring is onrechtmatig. De rechtbank kent daarom een schadevergoeding toe. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.\n\n1.2.. In deze uitspraak gebruikt de rechtbank de volgende afkortingen voor de wet- en regelgeving:\n\nAwb: Algemene wet bestuursrecht\n\nVw: Vreemdelingenwet 2000\n\nVb: Vreemdelingenbesluit 2000\n\nProcesverloop\n\n2. Met het bestreden besluit van 29 juni 2026 heeft verweerder aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.\n\n2.1.. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.\n\n2.2.. De rechtbank heeft het beroep op 7 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, K.A. Ozdzinska als tolk en de gemachtigde van verweerder.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\nToetsingskader\n\n3. Verweerder kan als het belang van de openbare orde of de nationale veiligheid dat vordert, de vreemdeling die geen rechtmatig verblijf heeft in vreemdelingenbewaring stellen.Verweerder stelt een vreemdeling slechts in vreemdelingenbewaring, voor zover geen minder dwingende maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast en de vreemdelingenbewaring blijft achterwege of wordt beëindigd, indien deze niet langer noodzakelijk is met het oog op het doel van de vreemdelingenbewaring.Deze vreemdeling kan in vreemdelingenbewaring worden gesteld op grond dat het belang van de openbare orde of nationale veiligheid zulks vordert, indien a) een onderduikrisico bestaat, of b) de vreemdeling de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert.De maatregel kan alleen worden opgelegd wegens het bestaan van een onderduikrisico, indien ten minste twee van de gronden, genoemd in artikel 5.6, tweede lid, van het Vb zich voordoen.\n\nGronden\n\n4. Eiser heeft de gronden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd niet bestreden. De gronden, die de ambtshalve toetsing van de rechtbank doorstaan, zijn tezamen voldoende om de maatregel van bewaring te kunnen dragen.\n\nRechtmatig verblijf\n\n5. Eiser heeft aangevoerd dat er sprake is van een rechtmatig verblijf van eiser in Nederland op grond van artikel 7 van de Richtlijn 2004\u002F38\u002FEG. Eiser is een maand voorafgaand aan de onderhavige zaak opgehouden op 3 juni 2026. Hij heeft ter onderbouwing het proces-verbaal van ophouding overgelegd. Op deze dag is onderzoek gedaan naar de arbeidssituatie van eiser. Gebleken is dat eiser arbeid verricht voor een Nederlands uitzendbureau en beschikte over een arbeidscontract. Eiser is vervolgens heengezonden wegens bestendig verblijf. Verweerder kon ten aanzien van de onderhavige maatregel van bewaring op 29 juni 2026 niet zonder meer terugvallen op het standpunt dat sprake is van voortgezet onrechtmatig verblijf. Dit is onverenigbaar met de bevinding op 3 juni 2026. De maatregel van bewaring is dan ook onvoldoende zorgvuldig voorbereid en onvoldoende gemotiveerd.\n\n5.1.. Verweerder heeft aan de maatregel ten grondslag gelegd dat eiser geen rechtmatig verblijf in Nederland heeft, nu zijn verblijfsrecht als Unieburger bij beschikking van 6 maart 2025 is beëindigd. De rechtbank stelt voorop dat de enkele omstandigheid dat het verblijfsrecht van een Unieburger eerder is beëindigd, niet zonder meer meebrengt dat deze op een later moment geen rechten meer aan het Unierecht kan ontlenen. Indien sprake is van gewijzigde feiten en omstandigheden dient verweerder de verblijfsrechtelijke positie van de betrokkene opnieuw te beoordelen alvorens tot het oordeel te komen dat hij geen rechtmatig verblijf heeft.\n\n5.2.. De rechtbank oordeelt als volgt. In de maatregel van bewaring is vermeld dat eiser heeft verklaard werkzaam te zijn voor een Nederlands uitzendbureau en dit ook heeft aangetoond, dat eiser werkzaam is in België waar hij ook wordt voorzien van woonruimte door de werkgever en dat hij in België mag verblijven. Naar het oordeel van de rechtbank vormen deze omstandigheden concrete aanwijzingen dat de feitelijke situatie van eiser sinds de beschikking van 6 maart 2025 is gewijzigd. Van verweerder mocht daarom worden verwacht dat hij kenbaar zou onderzoeken welke betekenis deze gewijzigde omstandigheden hebben voor de actuele verblijfsrechtelijke positie van eiser. Uit de maatregel van bewaring, het gehoor voorafgaand aan deze maatregel en de overige stukken in het dossier is niet gebleken dat een dergelijk onderzoek heeft plaatsgevonden. Daarbij betrekt de rechtbank dat uit het proces-verbaal van ophouding van eiser op 3 juni 2026 blijkt dat eiser is heengezonden, omdat sprake was van ‘mogelijk bestendig verblijf’. Uit het proces-verbaal van verhoor op die dag blijkt dat het werken voor een Nederlands uitzendbureau hier ook aan de orde is geweest. Vervolgens wordt nog geen maand later in de onderhavige maatregel van bewaring zonder kenbare motivering aangenomen dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft. Niet valt in te zien waarom verweerder er zonder nader onderzoek van uit heeft kunnen gaan dat eiser geen aan het Unierecht ontleend verblijfsrecht had. De motivering dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft, is onder deze omstandigheden onvoldoende draagkrachtig. Gelet hierop is de maatregel in strijd met artikel 3:2 en 3:46 van de Awb tot stand gekomen en is dan ook onrechtmatig. Deze beroepsgrond slaagt.\n\nConclusie en gevolgen\n\n6. Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is gegrond. Deze maatregel is vanaf het moment van het opleggen daarvan onrechtmatig. De rechtbank beveelt de opheffing van deze maatregel met ingang van vandaag.\n\n6.1.. Op grond van artikel 106 van de Vw kan de rechtbank indien zij de opheffing van de maatregel van vreemdelingenbewaring beveelt aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen. De rechtbank acht gronden aanwezig om een schadevergoeding toe te kennen voor 10 dagen onrechtmatige (tenuitvoerlegging van de) vreemdelingenbewaring ten bedrage van 0 x € 160,- (verblijf politiecel) en 10 x € 120,- (verblijf detentiecentrum) = € 1.200,-.\n\n6.2.. Eiser krijgt een vergoeding van zijn proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- omdat de gemachtigde van eiser geacht wordt beroep te hebben ingesteld en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep gegrond;\n\n- veroordeelt de Staat der Nederlanden tot het betalen van € 1.200,- aan schadevergoeding aan eiser, te betalen door de griffier en beveelt de tenuitvoerlegging van deze schadevergoeding;\n\n- beveelt de opheffing van de maatregel van vreemdelingenbewaring met ingang van vandaag;\n\n- veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiser.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. S.N. Abdoelkadir, rechter, in aanwezigheid van mr. M. Stehouwer, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.\n\n Het beroep tegen een maatregel van bewaring wordt ook aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding. Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 59c van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 5.5 van het Vb.\n\n Dit volgt uit artikel 5.6, eerste lid, van het Vb.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18726","ecli-nl-rbdha-2026-18726",{"courtName":8,"legalDomain":61,"decisionType":18,"procedureType":19}]