ECLI:NL:RBROT:2026:8084
Samenvatting
Bestuursrecht
Uitspraak
Rotterdam
RECHTBANK ROTTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 25/1343
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 24 juni 2026 in de zaak tussen
[eiseres] , uit [plaatsnaam] , eiseres
(gemachtigde: mr. J. van den Ende),
en
Dienst Toeslagen
(gemachtigde: [naam 1]).
Samenvatting
Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiseres om compensatie op grond van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht) over de toeslagjaren 2010 en 2011. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de Dienst Toeslagen de aanvraag terecht heeft afgewezen.
Procesverloop
1.1.. Met een besluit van 7 maart 2023 (UHT-DCHA) heeft de Dienst Toeslagen de aanvraag van eiseres om compensatie op grond van de Wht voor de jaren 2010 en 2011 afgewezen.
1.2.. Met een besluit van 8 maart 2023 (UHT-O OGS B) heeft de Dienst Toeslagen de tegemoetkoming in verband met een onterechte kwalificatie van opzet of grove schuld bepaald op € 6.629,-. Omdat dit bedrag lager is dan het bedrag van € 30.000,- dat eiseres al eerder had ontvangen, heeft zij geen extra geld ontvangen.
1.3.. Met het besluit van 3 januari 2025 op het bezwaar van eiseres (het bestreden besluit) heeft de Dienst Toeslagen de besluiten van 7 maart 2023 en 8 maart 2023 gehandhaafd.
1.4.. Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.1.5.. De Dienst Toeslagen heeft een verweerschrift ingediend.
1.6.. De rechtbank heeft het beroep op 20 maart 2026 op een zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van de Dienst Toeslagen.
Beoordeling door de rechtbank
2. De Dienst Toeslagen heeft aan het bestreden besluit, voor zover van belang, het volgende ten grondslag gelegd. Over de jaren 2010 en 2011 is sprake geweest van vooringenomen handelen door de Dienst Toeslagen omdat eiseres voorafgaand aan de nihilstellingen van 23 juli 2010 en 9 juni 2011 niet schriftelijk in de gelegenheid is gesteld om informatie toe te sturen. Eiseres heeft echter geen recht op compensatie op deze grond omdat eiseres evident geen recht had op kinderopvangtoeslag. Eiseres was namelijk geen zogenoemde doelgroeper, onder meer omdat de partner van eiseres destijds geen rechtmatig verblijf had en niet werkte.
3. Eiseres heeft aangevoerd dat de Dienst Toeslagen haar ten onrechte geen compensatie op basis van vooringenomenheid, dan wel hardheid van het stelsel heeft toegekend. Zij is slachtoffer geworden van een derde, [naam 2] . Deze had gezegd dat eiseres het geld van de kinderopvangtoeslag naar hem moest overmaken en hij zou dan de opvang voor haar betalen. De Dienst Toeslagen had een onderzoek naar [naam 2] moeten uitvoeren, nu de kinderopvangtoeslag door hem was aangevraagd. In een zaak van een ander slachtoffer van [naam 2] heeft de Dienst Toeslagen wel compensatie toegekend, aldus eiseres.
4.1.. Uit artikel 2.1, tweede lid, van de Wht volgt dat compensatie achterwege blijft indien sprake is van ernstige onregelmatigheden die aan de aanvrager van kinderopvangtoeslag toerekenbaar zijn. Van een ernstige onregelmatigheid is in ieder geval sprake als blijkt dat de ouder evident geen recht had op kinderopvangtoeslag in het desbetreffende jaar.
4.2.. Eiseres heeft geen beroepsgronden gericht tegen het standpunt van de Dienst Toeslagen dat eiseres geen doelgroeper was omdat haar partner destijds geen rechtmatig verblijf had en niet werkte. Ter zitting heeft de gemachtigde van eiseres verklaard dat eiseres zelf van mening is dat zij wel doelgroeper was maar dat die stelling niet kan worden onderbouwd. Ook ter zitting is het genoemde standpunt van de Dienst Toeslagen daarom niet voldoende gemotiveerd betwist. Nu aangenomen moet worden dat eiseres geen doelgroeper was, had eiseres om deze reden evident geen recht op kinderopvangtoeslag. Dat is een ernstige onregelmatigheid. Deze kan eiseres worden toegerekend. Hierbij is van belang dat het de bedoeling van eiseres was dat kinderopvangtoeslag zou worden aangevraagd en dat de kinderopvangtoeslag ook op de rekening van eiseres is bijgeschreven. Gelet hierop heeft de Dienst Toeslagen terecht toepassing gegeven aan artikel 2.1, tweede lid, van de Wht.
4.3.. Voor zover van belang, overweegt de rechtbank dat zij geen aanleiding ziet voor het oordeel dat de Dienst Toeslagen destijds onderzoek had moeten doen naar [naam 2] . Niet is gebleken dat de Dienst Toeslagen had moeten vermoeden dat sprake was van oplichting. Over de verwijzing naar het besluit over een ander slachtoffer van [naam 2] , waarin de Dienst Toeslagen wel compensatie heeft toegekend, merkt de rechtbank op dat het niet gaat om vergelijkbare situaties. Uit het andere besluit blijkt namelijk dat er in dat geval geen aanknopingspunten waren om vast te stellen dat de kinderopvangtoeslag is overgemaakt naar een rekening die op naam stond van de betrokkene.
Conclusie en gevolgen
5. Het beroep is ongegrond. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S. Veling, rechter, in aanwezigheid van mr.J.J. van Giezen-Groenewoud, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 24 juni 2026.
De griffier is verhinderd
de uitspraak te ondertekenen
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Kamerstukken II 2021/22, 36151, nr. 3, p. 72.