[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"decision-ecli-nl-rbzwb-2024-5981":3,"decision-more-ecli-nl-rbzwb-2024-5981":20},{"id":4,"ecli":5,"caseNumber":6,"courtId":7,"courtName":8,"courtSlug":9,"decisionDate":10,"fullText":11,"language":12,"source":13,"sourceUrl":14,"summary":6,"slug":15,"metadata":16},"1112","ECLI:NL:RBZWB:2024:5981","",64,"Breda","breda","2024-08-26T00:00:00.000Z","RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT\n\nZittingsplaats Breda\n\nBelastingrecht\n\nzaaknummer: BRE 19\u002F4718\n uitspraak van de meervoudige kamer van 26 augustus 2024 in de zaak tussen\n \n [belanghebbende] , gevestigd te [plaats] , belanghebbende,\n\n(gemachtigde: mr. A.H.G.M. Blomen),\n\nen\n\nde inspecteur van de belastingdienst, de inspecteur.\n\nInleiding\n\n1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 29 augustus 2019.\n\n1.1.. De inspecteur heeft aan belanghebbende een naheffingsaanslag omzetbelasting opgelegd over de tijdvakken gelegen in de periode 1 januari 2012 tot en met 31 december 2015 (2012 tot en met 2015) van € 57.116. Daarbij is belastingrente in rekening gebracht van € 6.207 (de belastingrentebeschikking).\n\n1.2.. De inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende tegen de naheffingsaanslag omzetbelasting en de belastingrentebeschikking ongegrond verklaard.\n\n1.3.. De rechtbank heeft het beroep op 13 juni 2024, samen met de zaken van [naam 1] (zaaknummer 19\u002F4939) en [naam 2] (zaaknummer 19\u002F4930), op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: namens belanghebbende [naam 1] , de gemachtigde en namens de inspecteur mr. [inspecteur 1] en mr. [inspecteur 2] , vergezeld van mr. [naam 3] en [naam 4] . Van hetgeen ter zitting is besproken is een proces-verbaal opgemaakt, waarvan een afschrift tegelijk met deze uitspraak aan partijen wordt gezonden.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n2. De rechtbank beoordeelt of de naheffingsaanslag omzetbelasting en de belastingrentebeschikking terecht en tot de juiste bedragen aan belanghebbende zijn opgelegd. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende.\n\n2.1.. Naar het oordeel van de rechtbank is de naheffingsaanslag omzetbelasting en de belastingrentebeschikking terecht en tot de juiste bedragen aan belanghebbende opgelegd.Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nFeiten\n\n3. [naam 1] en [naam 2] , voormalig echtgenoten, exploiteren sinds 16 juni 2003 een restaurant in de vorm van een vennootschap onder firma onder de handelsnaam [VOF] .\n\n3.1.. De Inspectie Sociale Zaken en Werkgelegenheid (ISZW) heeft, onder leiding van het Openbaar Ministerie, een strafrechtelijk onderzoek onder de naam ‘ [naam onderzoek] ’ ingesteld naar [naam 1] . Het onderzoek richt zich op uitkeringsfraude en valsheid in geschrifte. In het kader van het strafrechtelijk onderzoek ‘ [naam onderzoek] ’ zijn (onder meer) verschillende (vermoedelijke) werknemers van de vof gehoord. Daarnaast is er op 9 juli 2015 een doorzoeking gedaan in het restaurant, in de woning boven het restaurant en in de woning van [naam 1] en [naam 2] . Ook heeft de ISZW door middel van een cameraobservatie in de periode 11 mei 2015 tot en met 15 juni 2015 een overzicht gemaakt van de aan- en afwezigheid van werkzame personen in het restaurant. Van het strafrechtelijk onderzoek ‘ [naam onderzoek] ’ is een analyserapportage opgesteld met dagtekening 5 augustus 2015.\n\n3.2.. Het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch heeft [naam 1] bij arrest van 30 januari 2024 veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van zes maanden en een taakstraf voor de duur van 240 uren voor het feitelijk leiding geven aan het door een rechtspersoon begaan van valsheid in geschrift, meermalen gepleegd. Het arrest is inmiddels onherroepelijk geworden. Het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch heeft [belanghebbende] bij arrest van 30 januari 2024 veroordeeld tot het betalen van een geldboete van € 25.000 wegens het meermalen plegen van valsheid in geschrift. In beide gevallen is bewezenverklaard dat in de periode 1 januari 2013 tot en met 9 juli 2015 aangiften loonbelasting, bijbehorende e-mails aan het administratiekantoor en loonstroken in de bedrijfsadministratie van de vof waren opgenomen met het oogmerk om die bedrijfsadministratie als echt en onvervalst te gebruiken, terwijl die stukken niet in overeenstemming zijn met de in werkelijkheid door de werknemers gewerkte uren.\n\nIn het arrest ten aanzien van belanghebbende heeft het Gerechtshof – voor zover hier van belang – verder het volgende overwogen:\n\n“Het hof zal de [belanghebbende] voorts vrijspreken van het valselijk doen opmaken van de\n\njaarstukken over 2012 en 2013. Voor het hof is op basis van de stukken in het dossier\n\nonvoldoende komen vast te staan dat de omzet van [belanghebbende] van een tweede kassa\n\nbewust buiten de boeken is gehouden.”\n\n3.3.. Naar aanleiding van een signaal van de ISZW heeft de inspecteur bij de vof een onderzoek gedaan naar (onder meer) de aanvaardbaarheid van de aangiften omzetbelasting over de tijdvakken gelegen in de periode 1 januari 2012 tot en met 31 mei 2015. De inspecteur is via een verzoek op basis van artikel 55 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) in het bezit gekomen van de gegevens uit het strafrechtelijk onderzoek ‘ [naam onderzoek] ’. De inspecteur heeft deze gegevens gebruikt bij zijn onderzoek. Van het fiscale onderzoek is een controlerapport opgemaakt. Het controlerapport is op 1 november 2016 aan belanghebbende toegezonden.\n\n3.4.. \n\nIn het controlerapport is – voor zover hier van belang – het volgende opgenomen:\n\n“3.1.1. Kassa’s\u002FZ-afslagen\n\nIn de onderneming zijn twee kassa's in gebruik. Ten tijde van de doorzoeking door de inspectie SZW betroffen dit een Eijsink Vectron POS Color Touch en een Sharp XE-A213. De kassa Eijsink Vectron POS Color Touch wordt aangemerkt als kassa 1, de kassa Sharp XE-A213 wordt aangemerkt als kassa 2. Tijdens het onderzoek is vastgesteld dat de kassa van Eijsink op 11 juni 2013 nieuw in gebruik is genomen. Deze kassa heeft een oude kassa, mogelijk ook een Sharp, vervangen. Deze voorganger van de kassa van Eijsink werd voorheen aangemerkt als kassa 1. In de door de inspectie SZW in beslag genomen administratie zijn diverse hoeveelheden Z-afslagen aangetroffen. De meeste aangetroffen Z-afslagen zijn afkomstig van kassa 1. Een klein deel is afkomstig van kassa 2. Van beide kassa's zijn Z1 en Z2 afslagen aangetroffen. De Z1 afslagen zijn dag afslagen, de Z2 afslagen zijn weekafslagen.\n\n3. 1.1.1 Bevindingen Z-afslagenBij de beoordeling van bovengenoemde Z-afslagen is het volgende gebleken:\n\n- Er is geen Grand Total op de Z-afslagen afgedrukt.\n\n- Meestal zijn er twee Z-afslagen per dag gemaakt. Eén Z-afslag in de loop van de dag en één Z-afslag aan het einde van de dag.\n\n- Van Z-afslagen over aaneengesloten perioden ontbreken regelmatig Z-afslagen.\n\n- Het laatste nummer van de Z1 of Z2 afslag van een aaneengesloten periode sluit niet aan op een afslag van een latere datum. Dit betekent dat in die tussenliggende periode ook afslagen zijn gemaakt.\n\n- Regelmatig is het totaalbedrag van de Z-afslag met pen gecorrigeerd. In sommige van deze gevallen sluit het gecorrigeerde bedrag aan bij de bijgevoegde foutbon. In die gevallen is er dan vanuit gegaan dat de correctie juist is. In andere gevallen is er geen foutbon aanwezig. In die gevallen is gekeken naar de gemiddelde besteding per klant. Als de gemiddelde besteding per klant als gevolg van de correctie aanmerkelijk lager is dan gebruikelijk, zijn we er van uit gegaan dat de correctie niet juist kan zijn.\n\n- De omzet is op de Z-afslag uitgesplitst over het algemene en het verlaagde tarief voor de omzetbelasting.\n\n- Dat zowel de contante betalingen als de pinbetalingen worden op de kassa's aangeslagen als contante betalingen.\n\n3. 1.1.2 Kassa 1Van kassa 1 zijn over de jaren 2012 tot en met 2015 de volgende Z-afslagen aangetroffen.\n\n2012\n\nZ1 afslagen over het tijdvak januari tot en met september 2012 nummers 999 t\u002Fm 1.459.\n\nZ2 afslagen over het tijdvak januari tot en met oktober 2012 nummers 379 t\u002Fm 421\n\n2013.\n\nZ1 afslagen over het tijdvak januari tot en met maart 2013 nummers 1.556 t\u002Fm 1.697.\n\n2014\n\nZ1 en Z2 afslag van 21 juli 2014 Z1 nummers 665 + 666 en Z2 nummer 55\n\n2015.\n\nZ1 en Z2 afslagen over 26 januari t\u002Fm 9 juli Z1 986 t\u002Fm 1.268) (Z2 80 t\u002Fm 105).\n\nDe omzet van de Z1-afslagen is in het kasboek geboekt. Uit de nummering van de afslagen kan worden geconcludeerd, dan wel is het zeer aannemelijk, dat kassa 1 gedurende het gehele controletijdvak in gebruik is geweest.\n\n3. 1.1.3 Kassa 2\n\nVan kassa 2 zijn over de jaren 2012 tot en met 2015 de volgende Z-afslagen aangetroffen.\n\n2012\n\nZ2 afslagen over het tijdvak januari tot en met oktober 2012 nummers 400 t\u002Fm 442.\n\n2014\n\nZ1 en Z2 afslag van 21 juli 2014 (nummer Z1 2.508, nummer Z2 525)\n\n2015\n\nZ1 en Z2 afslagen over de periode 15 juni t\u002Fm 9 juli (nummer Z1 556 t\u002Fm 600, Z2 51 t\u002Fm 54)”\n\nEn:\n\n“3.1.2 KasboekDoor de inspectie SZW is een verklaring afgenomen van de adviseur. Volgens deze verklaring wordt het papieren kasboek ingevuld door mevrouw [naam 2] . De gegevens uit dit papieren kasboek worden door de adviseur in de financiële administratie geboekt.\n\nBij de beoordeling van het kasboek is het volgende gebleken:\n\nDe geboekte ontvangsten betreffen kasontvangsten inclusief pinbetalingen.\n\nDe geboekte ontvangsten betreffen uitsluitend de ontvangsten van kassa 1. De ontvangsten van kassa 2 worden dus niet in het kasboek geboekt.\n\nEr wordt geen kassaldo genoteerd.\n\nDe bedragen in het kasboek worden niet altijd chronologisch geboekt.\n\nIncidenteel wordt de omzet van twee dagen als één bedrag geboekt.\n\nIncidenteel staat er wel een omschrijving vermeld, maar wordt er geen bedrag vermeld.\n\nDe loonbetalingen, welke in de loop van de maand plaatsvinden, worden soms op de laatste dag van de maand geboekt, of ze worden soms helemaal niet geboekt.Tijdens het onderzoek zijn er verschillen aangetroffen tussen de bedragen volgens de Z-afslagen en de geboekte bedragen in het kasboek. Het is niet volledig duidelijk waardoor deze verschillen ontstaan, maar grotendeels kunnen ze verklaard worden doordat:\n\n- er altijd op hele euro's naar beneden wordt afgerond.\n\n- de totaalbedragen van de Z-afslagen met pen met bedragen worden gecorrigeerd die niet juist kunnen zijn (zie punt 3.1.1.3).\n\nEr wordt door de ondernemer in het kasboek geen kassaldo genoteerd. We hebben\n\nde kassaldi als volgt berekend:\n\n De ontvangsten welke via pinbetaling zijn ontvangen hebben wij uit het bankboek geëxporteerd en als uitgaven ingevoegd in het kasboek. Vervolgens hebben wij saldi toegevoegd.Bij de beoordeling van de saldi is gebleken dat er regelmatig negatieve kassaldo voorkomen. De hoogste, laagste en gemiddelde kassaldi bedragen:\n\nJaar\n\nHoogste\n\nLaagste\n\nGemiddelde\n\n2012\n\n9.555,51\n\n-\u002F- 21.280,22\n\n-\u002F- 7.404,97\n\n2013\n\n4.235,47\n\n-\u002F- 38.160,27\n\n-\u002F- 19.897,72\n\n2014\n\n54.817,79\n\n1.822,11\n\n27.570,18\n\n2015\n\n21.817,38\n\n-\u002F- 15.778,54\n\n138,87\n\nOp grond van bovenstaande bevindingen hebben wij geconcludeerd dat het kasboek niet overeenstemt met de werkelijkheid. Met name de ontvangsten van kassa 2 zijn niet geboekt.\n\n3.2. \n\nPrivé vermogensvergelijking\n\nTijdens de voorbereiding van het onderzoek door de inspectie Sociale Zaken en Werkgelegenheid is vastgesteld dat er regelmatig geld werd gestort en overgemaakt naar een bankrekening van een mevrouw [naam 5] . Deze mevrouw [naam 5] woont in Marokko. Zij is in 2011 geëmigreerd uit Nederland.\n\nDoor de inspectie Sociale Zaken en Werkgelegenheid zijn de bankgegevens van de betreffende bankrekening opgevraagd.\n\nUit deze gegevens is het volgende gebleken:\n\nEr wordt regelmatig contant geld gestort op de rekening van mevrouw [naam 5] . Vanaf 2012 tot heden was dit in totaal € 108.600.\n\nEr wordt regelmatig geld overgemaakt van de bankrekening van mevrouw [naam 2] naar de rekening van mevrouw [naam 5] . Vanaf 2012 tot heden was dit in totaal € 101.000.\n\nEr wordt regelmatig geld overgemaakt van de bankrekening van mevrouw [naam 5] naar een rekening van mevrouw [naam 2] in Marokko. Vanaf 2012 tot heden was dit in totaal € 199.200.\n\nEr is dus via meerdere wegen geld overgemaakt naar een buitenlandse bankrekening van mevrouw [naam 2] . Het overgemaakte bedrag is groter dan de totale winst over de betreffende periode.”\n\nEn:\n\n“3.3.1 2012\n\nKassa 1\n\nTijdvak 1 januari 2012 t\u002Fm 30 september 2012.\n\nOver dit tijdvak zijn de Z1 afslagen (dag afslagen) vergeleken met de Z2 afslagen (weekafslagen). De Z1 afslagen over dit tijdvak zijn niet volledig aanwezig. Het totaalbedrag van de Z1 afslagen is dus onvolledig. Het totaalbedrag van de aangetroffen Z1 afslagen bedraagt: € 294.669. Van de Z2 afslagen ontbreekt over dit tijdvak één Z-afslag (Nr 404, 17 juni 2012). Deze ontbrekende Z2 afslag kan met behulp van de aanwezige Z1 afslagen worden gereconstrueerd.\n\nHet totaalbedrag van deze Z2 afslagen bedraagt: € 359.862. Op een aantal van de Z1 afslagen is met pen het totaalbedrag gecorrigeerd. Wij hebben vastgesteld dat deze correcties niet in alle gevallen juist kunnen zijn (zie punt 3.1.1.3). De overige gevallen hebben wij voor juist aangenomen. De correcties welke voor juist zijn aangenomen hebben wij verwerkt in de Z2 afslagen. Door bovenstaande handelingen hebben wij aan de hand van de Z2 afslagen de vermoedelijke omzet over bovengenoemd tijdvak kunnen vaststellen. Het totaalbedrag van de gecorrigeerde Z2 afslagen bedraagt: € 318.744.\n\nDe omzet over het tijdvak 1 januari 2012 t\u002Fm 30 september 2012 wordt dus vastgesteld op € 318.744.\n\nOmdat het niet zeker is dat de omzet gelijk over de maanden van het jaar zijn verdeeld hebben wij gekeken hoe de verdeling van de omzet over de maanden is volgens het kasboek.\n\nDe in het kasboek genoteerde omzet over het hele jaar 2012 bedraagt € 367.236.\n\nDe in het kasboek genoteerde omzet over het tijdvak 1 januari 2012 tot en met 30 september 2012 bedraagt € 277.940.\n\nDe geboekte omzet over het tijdvak 1 januari 2012 t\u002Fm 30 september 2012 is dus 76% van de volledige geboekte omzet over 2012.\n\nDe door ons vastgestelde omzet over het tijdvak 1 januari 2012 t\u002Fm 30 september 2012 bedraagt € 318.744. Dit bedrag is dus 76% van de volledige omzet. De omzet over het gehele kalenderjaar bedraagt dan: 100\u002F76 * € 318.744 = € 419.400. De omzet over het gehele jaar 2012 van kassa 1 wordt daarom door ons vastgesteld op € 419.400.\n\nKassa 2\n\nVan deze kassa zijn de Z2 afslagen aanwezig van het tijdvak 1 januari 2012 t\u002Fm 29 oktober 2012. Het totaalbedrag van deze Z-afslagen bedraagt € 239.057. Omdat de Z2 afslagen van kassa 1 moesten worden gecorrigeerd vanwege handmatige correcties in de Z1 afslagen hebben wij een gelijk percentage gecorrigeerd voor de Z2 afslagen van kassa 2.\n\nOorspronkelijke Z2 afslagen van kassa 1 € 359.862 100%\n\nGecorrigeerde Z2 afslagen van kassa 1 € 318.744 89%\n\nDe omzet van kassa 2 over het tijdvak 1 januari 2012 t\u002Fm 29 oktober 2012 wordt vastgesteld op: € 239.057 * 89% = € 212.761\n\nOmdat het niet zeker is dat de omzet gelijk over de maanden van het jaar zijn verdeeld hebben wij gekeken hoe de verdeling van de omzet over de maanden is volgens het kasboek.\n\nDe in het kasboek genoteerde omzet over het hele jaar 2012 bedraagt € 367.236.\n\nDe in het kasboek genoteerde omzet over het tijdvak 1 januari 2012 tot en met 29 oktober 2012 bedraagt € 305.322\n\nDe omzet over het tijdvak 1 januari 2012 t\u002Fm 29 oktober 2012 is dus 83% van de volledige omzet over 2012.\n\nDe vastgestelde omzet over het tijdvak 1 januari 2012 t\u002Fm 29 oktober 2012 bedraagt € 212.761. Dit bedrag is dus 83% van de volledige omzet. De omzet over het gehele kalenderjaar bedraagt dan: 100\u002F83 * € 212.761= € 256.338. De omzet over het gehele jaar 2012 van kassa 2 wordt door ons vastgesteld op € 256.338.\n\nKassa 1 + kassa 2\n\nDe totale omzet over 2012 wordt door ons als volgt vastgesteld:\n\nOmzet kassa 1 € 419.400\n\nOmzet kassa 2€ 256.338\n\nTotale omzet 2012 € 675.738\n\n100%\n\nOmzet volgens de administratie € 367.236 54%\n\nDe omzetcorrectie bedraagt € 315.269 46%\n\n3.3.2 2013 t\u002Fm 2015 (januari tot en met mei)\n\nOmdat er over de jaren 2013, 2014 en de eerste vijf maanden van 2015 veel minder Z-afslagen aanwezig zijn kan de omzet niet worden berekend zoals dat over het jaar 2012 is gedaan. Wij hebben daarom de resultaten geëxtrapoleerd naar de jaren 2013 t\u002Fm 2015. Wij gaan hierbij uit van de verhouding totale omzet ten opzichte van aangegeven omzet zoals die in 2012 is vastgesteld. Vastgesteld is dat 54% van de totale omzet is aangegeven en 46% niet was aangegeven.\n\n2013\n\n2014\n\n2015 (jan t\u002Fm mei)\n\nAangegeven omzet\n\n351.325\n\n54%\n\n369.125\n\n54%\n\n143.980\n\n54%\n\nOmzetcorrectie\n\n299.277\n\n46%\n\n314.440\n\n46%\n\n122.650\n\n46%\n\nVastgestelde omzet\n\n650.602\n\n100%\n\n683.565\n\n100%\n\n266.630\n\n100%\n\n3.3.3 Omzet exclusief omzetbelasting\n\nDe bovengenoemde omzetbedragen zijn bedragen inclusief omzetbelasting. De adviseur heeft de omzet met behulp van de forfaitaire berekeningsmethode uitgesplitst over het algemene en het verlaagde tarief (zie punt 6.1 en punt 6.2 van dit rapport). Voor de verdeling van de omzet over het algemene tarief en het verlaagde tarief wordt uitgegaan van de verhouding zoals die in de aangiften omzetbelasting is toegepast. De omzet waarover het algemene tarief is verschuldigd, is over de jaren 2012 tot en met 2015 respectievelijk 1,19%, 1,44%, 1,54% en 1,31% van de volledige omzet van de verkopen. De omzetten exclusief omzetbelasting worden als volgt vastgesteld.”\n\nEn:\n\n“3.3.4 TotaalDe totale omzetcorrectie over de periode van 1 januari 2012 tot en met 31 mei 2015 bedraagt dan:\n\nJaar\n\nOmzet volgens administratie\n\nVastgestelde omzet\n\nOmzetcorrectie\n\n2012\n\n€ 360.469\n\n€ 636.633\n\n€ 276.164\n\n2013\n\n€ 350.144\n\n€ 612.680\n\n€ 262.536\n\n2014\n\n€ 349.538\n\n€ 643.642\n\n€ 294.104\n\n2015(jan t\u002Fm mei)\n\n€ 136.020\n\n€ 251.129\n\n€ 115.109\n\nTotaal\n\n€ 947.913”\n\nEn:\n\n“6.3 Te vorderen omzetbelasting\n\nDe verrekende voorbelasting volgens de aangiften omzetbelasting is steekproefsgewijs gecontroleerd. Hierbij zijn geen onjuistheden aangetroffen. Er is daarom geen reden om te twijfelen aan de juistheid van de verrekende voorbelasting volgens de aangiften omzetbelasting.\n\nEr is geconcludeerd dat er over het tijdvak 1 januari 2012 tot en met 30 juni 2015 ongeveer € 290.000 meer inkopen moeten zijn geweest (zie punt 3.3.5 van dit rapport). Omdat ervan deze inkopen geen facturen in de administratie aanwezig zijn mag de voorbelasting over deze inkopen niet worden verrekend. De te vorderen omzetbelasting wordt conform de ingediende aangiften\n\nomzetbelasting vastgesteld (…)”\n\nEn:\n\n“6.4 Af te dragen omzetbelasting\n\nOp basis van de hiervoor vermelde berekeningen komen wij tot de volgende nog af\n\nte dragen bedragen:\n\nJaar\n\nVerschuldigd\n\nVoorbelasting\n\nAf te dragen\n\nReeds afgedragen\n\nNog af te dragen\n\n2012\n\n€ 41.322\n\n€ 31.827\n\n€ 9.495\n\n€ - 8.360\n\n€ 17.855\n\n2013\n\n€ 38.887\n\n€ 35.330\n\n€ 3.557\n\n€ - 12.251\n\n€ 15.808\n\n2014\n\n€ 40.888\n\n€ 35.269\n\n€ 5.619\n\n€ - 12.770\n\n€ 18.389\n\n2015\n\n€ 16.008\n\n€ 21.537\n\n€ - 5.529\n\n€ - 10.593\n\n€ 5.064”\n\n3.5.. Belanghebbende is in juli 2013 overgegaan van kwartaalaangiften omzetbelasting op maandaangiften omzetbelasting.\n\n3.6.. De inspecteur heeft de naheffingsaanslag omzetbelasting en de belastingrentebeschikkingen conform zijn bevindingen in het controlerapport vastgesteld (zie 1.1.).\n\nMotivering\n\nVereiste aangifte\n\n4. De inspecteur stelt dat belanghebbende niet de vereiste aangiften omzetbelasting heeft gedaan omdat belanghebbende volgens hem de omzet van kassa 2 niet in haar aangiften omzetbelasting over de tijdvakken gelegen in de periode 1 januari 2012 tot en met 31 december 2015 heeft aangegeven. Er is daarom te weinig belasting geheven zodat, aldus de inspecteur, op grond van artikel 27e van de AWR de bewijslast moet worden verzwaard.\n\n4.1.. Belanghebbende heeft deze stelling van de inspecteur betwist. Belanghebbende heeft – in de kern weergegeven – aangevoerd dat kassa 2 nauwelijks wordt gebruikt en dat alle omzet van kassa 2 periodiek is bijgeboekt op kassa 1. Alle omzet van kassa 1 is volgens belanghebbende in de aangiften omzetbelasting aangegeven. De aangiften omzetbelasting zijn in de visie van belanghebbende dus naar de juiste bedragen ingediend en omkering en verzwaring van de bewijslast is daarom niet aan de orde.\n\n4.2.. De rechtbank stelt voorop dat de inspecteur voor de onderhavige tijdvakken geen informatiebeschikking heeft genomen. Verzwaring van de bewijslast is dan alleen aan de orde als de inspecteur aannemelijk maakt dat belanghebbende de vereiste aangiften niet heeft gedaan, omdat te weinig belasting is aangegeven. Deze toets moet voor ieder tijdvak afzonderlijk worden aangelegd. Beoordeeld moet worden of het niet aangegeven bedrag aan belasting in verhouding tot het over ieder tijdvak afzonderlijk verschuldigde bedrag aan belasting zowel absoluut als relatief aanzienlijk is en of belanghebbende zich daarvan bewust was of zich daarvan bewust moest zijn.\n\n4.3.. Ter onderbouwing van zijn stelling dat de vereiste aangiften niet zijn gedaan zal de inspecteur aan de hand van de normale regels van stelplicht en bewijslast feiten en omstandigheden aannemelijk moeten maken die deze conclusie rechtvaardigen. Onderdeel van zulke feiten en omstandigheden kan zijn dat de administratie zodanige gebreken en tekortkomingen bevat dat deze niet kan dienen als grondslag voor de winst- en omzetberekeningen zo ook niet kan dienen voor de vaststelling van de verschuldigde omzetbelasting.\n\n4.4.. In dat kader stelt de inspecteur zich, onder verwijzing naar de bevindingen uit het boekenonderzoek (zie 3.3. en 3.4.), op het standpunt dat de omzet van kassa 2 niet is bijgeboekt op kassa 1, dat belanghebbende de omzet van kassa 2 niet in het kasboek heeft geboekt en dat belanghebbende de Z-afslagen van kassa 2 grotendeels niet heeft bewaard. De administratie van belanghebbende vertoont daarom ernstige gebreken, aldus de inspecteur.\n\n4.5.. De rechtbank is van oordeel dat de inspecteur aannemelijk heeft gemaakt dat de gevoerde administratie gebreken vertoont. De inspecteur heeft aan de hand van de opeenvolgende nummering van aangetroffen Z-afslagen geconcludeerd dat er Z-afslagen moeten ontbreken in de administratie van belanghebbende. Deze conclusie van de inspecteur kan de rechtbank volgen. Daarbij komt dat er voor de jaren 2013, 2014 en 2015 bijzonder weinig Z1-afslagen (dagafslagen) en Z2-afslagen (weekafslagen) zijn aangetroffen. Dat ondersteunt de conclusie van de inspecteur dat er Z-afslagen in de administratie van belanghebbende ontbreken. De bedragen die staan vermeld op de wel aanwezige Z-afslagen komen niet steeds overeen met boekingen in de administratie. Verder blijkt uit de beoordeling van het kasboek dat er bedragen onjuist of onvolledig worden geboekt, dat de kasontvangsten inclusief pinbetalingen worden geboekt, dat de omzet van kassa 2 volledig ontbreekt en dat er in het kasboek geen kassaldo wordt genoteerd (zie onderdeel 3.1.2. van het controlerapport). Gelet op de omvang van de omzetten die volgen uit de wel aanwezige Z-afslagen van kassa 2, kan de verklaring van belanghebbende dat kassa 2 nauwelijks werd gebruikt en alle omzetten van kassa 2 op kassa 1 werden ‘bijgeboekt’ niet kloppen (zie ook hierna onder 4.10.1 en 4.10.2). Verder kan wanneer de ontvangsten via pinbetaling als uitgaven worden ingevoegd in het kasboek en kassaldi aan het kasboek worden toegevoegd, worden geconcludeerd dat er regelmatig gedurende 2012 tot en met 2015 grote negatieve kassaldi voorkomen. Dat betekent dat er meer geld uit de kas is gehaald dan er naar eigen gegevens voorhanden was. Ook dat alles laat naar het oordeel van de rechtbank zien dat de administratie van belanghebbende grote gebreken bevat. Verder constateert de rechtbank op basis van de aanwezige stukken en onder verwijzing naar de arresten van het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 30 januari 2024 dat ook de loonadministratie van belanghebbende evenmin op orde was.\n\n4.6.. De rechtbank komt gelet op het voorgaande tot de conclusie dat aan belanghebbendes administratie gebreken kleven. De inspecteur is op basis van de door hem overgelegde stukken ook in zijn bewijslast geslaagd aannemelijk te maken dat die conclusie geldt voor ieder van de naheffingstijdvakken.\n\n4.7.. De rechtbank acht de gebreken en tekortkomingen verder van zodanige aard en omvang dat zij tot de conclusie leiden dat de gevoerde administratie niet kan dienen als grondslag voor de omzetberekening. Bij dit oordeel brengt een redelijke bewijslastverdeling mee dat de inspecteur ter voldoening aan de op hem rustende bewijslast in eerste instantie kan volstaan met een gemotiveerde schatting van de hoogte van de omzet en daarmee de daaruit voortvloeiende verschuldigde omzetbelasting, waarna belanghebbende aannemelijk dient te maken dat en waarom de omzet en dus de verschuldigde omzetbelasting lager is geweest.\n\n4.8.. De inspecteur heeft voor zijn schatting een berekening gemaakt van de hoogte van de verschuldigde omzetbelasting. Daartoe heeft de inspecteur eerst aan de hand van een vergelijking tussen de aanwezige dagafslagen en weekafslagen over 2012 de volgens hem behaalde omzet met kassa 1 en kassa 2 berekend. Deze berekening heeft voor kassa 1 betrekking op de periode 1 januari 2012 tot en met 30 september 2012 en voor kassa 2 op de periode 1 januari 2012 tot en met 29 oktober 2012. De berekening heeft geen betrekking op het volledige kalenderjaar omdat over latere perioden geen dan wel te weinig Z-afslagen zijn aangetroffen waarmee de omzet kan worden gereconstrueerd. Om tot jaartotalen te komen heeft de inspecteur de door hem berekende omzet op basis van de dag- en weekafslagen herrekend aan de hand van de percentuele verdeling van de behaalde omzet in de berekeningsperiodes zoals die volgt uit het kasboek van belanghebbende. Aan de hand van deze jaartotalen over 2012 heeft de inspecteur geconstateerd dat in de aangiften omzetbelasting voor de tijdvakken in 2012 54% van de totale omzet is aangegeven en 46% van de totale omzet niet is aangegeven. Omdat over 2013 tot en met 2015 – in vergelijking met het jaar 2012 – veel minder Z-afslagen zijn aangetroffen en geen andere gegevens voorhanden zijn op basis waarvan de werkelijke omzet kan worden vastgesteld, heeft de inspecteur de verhouding 54% \u002F 46% ook toegepast voor de tijdvakken gelegen in 2013 tot en met 2015.\n\n4.9.. De inspecteur heeft vervolgens de volgens hem behaalde omzet zonder omzetbelasting berekend. Daarbij is de inspecteur aangesloten bij de verhouding tussen het algemene tarief en het verlaagde tarief, zoals deze blijkt uit de ingediende aangiften omzetbelasting. Verder heeft de inspecteur de berekende omzet verhoogd met de privéonttrekkingen, zoals deze volgen uit de aangiften omzetbelasting. De inspecteur heeft de in aftrek te brengen belasting berekend conform de ingediende aangiften omdat er geen facturen in de administratie aanwezig zijn die erop duiden dat belanghebbende recht heeft op een hogere aftrek van belasting dan wat volgt uit de aangiften. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de inspecteur met deze werkwijze zijn schatting van de hoogte van de omzet en de daarover verschuldigde omzetbelasting voldoende gemotiveerd.\n\n4.10.. Met hetgeen belanghebbende hiertegen heeft aangevoerd, heeft zij niet aannemelijk gemaakt dat en waarom de omzet en de verschuldigde omzetbelasting lager is dan door de inspecteur berekend. Daartoe overweegt de rechtbank als volgt.\n\n4.10.1.. De stelling van belanghebbende dat kassa 2 nauwelijks werd gebruikt, acht de rechtbank niet aannemelijk gemaakt. Uit de aanwezige Z2-afslagen over de periode 1 januari 2012 tot en met 29 oktober 2012 blijkt juist dat met kassa 2 een omzet is behaald van € 239.057. Dat is – zeker ten opzichte van de omzet van kassa 1 van € 359.862 over de periode 1 januari 2012 tot en met 30 september 2012 – niet gering. De rechtbank acht aannemelijk dat belanghebbende kassa 2 ook in de latere tijdvakken actief in gebruik had. Immers de kassa heeft ook al die tijd in het restaurant gestaan, gelet op de omzet op de Z-afslagen van kassa 2 van 21 juli 2014 en in de periode 15 juni 2015 tot en met 9 juli 2015 werden daarop ook bestellingen geplaatst en gelet op de nummering van de aanwezige Z-afslagen zijn er ook in de tussenliggende periode een groot aantal Z-afslagen gemaakt. Belanghebbende heeft hiertegenover onvoldoende feiten en omstandigheden aangevoerd waaruit volgt dat kassa 2 nadat de nieuwe kassa 1 was geïnstalleerd, desalniettemin nauwelijks is gebruikt.\n\n4.10.2.. De rechtbank acht de stelling van belanghebbende dat alle omzet van kassa 2 periodiek op kassa 1 is bijgeboekt niet aangetoond. Uit de aanwezige Z-afslagen blijkt dat in sommige weken de omzet die behaald is met kassa 2 hoger is dan de omzet die is behaald met kassa 1. In die weken stemt de in de administratie geboekte omzet nagenoeg overeen met uitsluitend de omzet die is behaald met kassa 1. Het is dan eerder aannemelijk dat de omzet die in die weken is behaald met kassa 2 dus (gedeeltelijk) buiten de boeken is gebleven. Ter zitting is nog namens belanghebbende aangevoerd dat de mogelijkheid bestaat dat de omzet die is behaald met kassa 2 op een later moment op kassa 1 is bijgeboekt. Echter, niet gesteld of gebleken is waaruit dat zou blijken. De rechtbank verwerpt daarom deze stelling. Gelet op de handelwijze die blijkt uit de aanwezige gegevens en bescheiden en het gebrek aan bewijs dat op het tegendeel wijst, acht de rechtbank aannemelijk dat ook in de tijdvakken waarover (nagenoeg) geen gegevens en bescheiden aanwezig zijn de omzet die is behaald met kassa 2 niet op kassa 1 is bijgeboekt.\n\n4.10.3.. Het arrest van het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 30 januari 2024 – in het bijzonder vrijspraak van het valselijk doen opmaken van de jaarstukken 2012 en 2013 (zie onder 3.2.) – doet niet af aan voorgaande oordelen. Een vrijspraak door de strafrechter hoeft immers niet eraan in de weg te staan dat de gedragingen waarvan belanghebbende door de strafrechter is vrijgesproken, als gevolg van minder strenge bewijsregels of op grond van aanvullend bewijs door de belastingrechter bewezen worden verklaard.Dat is hier aan de orde. Immers heeft het Gerechtshof op basis van de bewijsregels die voor het strafrecht gelden geoordeeld dat onvoldoende is vast komen te staan dat er bewust omzet buiten de boeken is gehouden. Anders dan belanghebbende meent kan daaruit niet worden afgeleid dat het Gerechtshof heeft geoordeeld dat er geen omzet buiten de boeken is gehouden.\n\n4.11.. Gelet op voorgaande volgt de rechtbank de schatting van de inspecteur van de omzet en de daarover verschuldigde omzetbelasting.\n\n4.12.. Verder is de rechtbank van oordeel dat de niet aangegeven omzetbelasting in verhouding tot de verschuldigde omzetbelasting voor elk tijdvak afzonderlijk zowel absoluut als relatief aanzienlijk is. Belanghebbende moet zich daar bovendien ten tijde van het doen van de aangiften bewust van zijn geweest. De rechtbank overweegt in dat verband dat de bewustheid van [naam 1] en [naam 2] , als vennoten van belanghebbende, in dit geval aan belanghebbende moet worden toegerekend. [naam 1] exploiteerde het restaurant en [naam 2] verzorgde de administratie. De rechtbank acht aannemelijk dat zij zich gezien hun feitelijke betrokkenheid bij en verantwoordelijkheid voor de activiteiten van belanghebbende samen dan wel ieder afzonderlijk bewust waren, dan wel moesten zijn, dat een aanzienlijk bedrag aan verschuldigde belasting niet zou worden aangegeven en voldaan als de aangiften omzetbelasting op de administratie werden gebaseerd.\n\n4.13.. De rechtbank komt dus tot de conclusie dat belanghebbende niet de vereiste aangiften heeft gedaan, zodat de bewijsregel van artikel 27e van de AWR moet worden toegepast. Dat betekent dat op belanghebbende, voor alle in de naheffingsaanslag betrokken tijdvakken, de last komt te rusten om te doen blijken, dat wil zeggen overtuigend aan te tonen, dat en in hoeverre de opgelegde naheffingsaanslag onjuist is.\n\nRedelijke schatting\n\n5. De omkering en verzwaring van de bewijslast laat onverlet dat de naheffingsaanslag niet naar willekeur vastgesteld mag worden, maar moet berusten op een redelijke schatting. In dat kader rust op de inspecteur de taak zijn schatting zodanig met feitelijke stellingen te onderbouwen dat die schatting de redelijkheidstoets kan doorstaan.Wanneer de inspecteur daarin slaagt, ligt het vervolgens op de weg van de belastingplichtige, voor zover zij de juistheid van de schatting betwist, daarvoor het verzwaarde (tegen)bewijs te leveren.\n\n5.1.. Gelet op hetgeen is overwogen in 4.8 tot en met 4.10.3 is de rechtbank van oordeel dat de naheffingsaanslag omzetbelasting berust op een redelijke schatting. Met hetgeen belanghebbende naar voren heeft gebracht, heeft zij niet overtuigend aangetoond dat de naheffingsaanslag omzetbelasting te hoog is vastgesteld.\n\nWat betekent dit voor de belastingrentebeschikking?\n\n6. Belanghebbende heeft geen zelfstandige gronden aangevoerd tegen de in rekening gebrachte belastingrente. Aangezien de naheffingsaanslag in stand blijft, ziet de rechtbank geen aanleiding om de belastingrentebeschikking te verminderen.\n\nConclusie en gevolgen\n\n7. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de naheffingsaanslag omzetbelasting en de belastingrentebeschikking in stand blijven. Omdat het beroep ongegrond is, krijgt belanghebbende het griffierecht niet terug en krijgt zij ook geen vergoeding van haar proceskosten.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. drs. S.J. Willems-Ruesink, voorzitter, en mr. S.A.J Bastiaansen en mr. A. Laghmouchi, leden, in aanwezigheid van mr. F.E.M. Houben, griffier, op 26 augustus 2024 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.\n\nDe griffier is verhinderd\n\ndeze uitspraak te ondertekenen.\n\ngriffier\n\nvoorzitter\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.\n\nDigitaal beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch.\n\nHoge Raad 9 juli 2021, ECLI:NL:HR:2021:1086, r.o. 3.1.3.\n\nVgl. Hoge Raad van 9 juli 2021, ECLI:NL:HR:2021:1086, r.o. 3.2.2.\n\nHoge Raad 31 januari 2020, ECLI:NL:HR:2020:140.\n\nHoge Raad van 27 januari 2006, ECLI:NL:HR:2006:AV0401.\n\nHoge Raad van 31 mei 2013, ECLI:NL:HR:2013:BX7184.","nl","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2024:5981","ecli-nl-rbzwb-2024-5981",{"courtName":8,"legalDomain":17,"decisionType":18,"procedureType":19},"Bestuursrecht; Belastingrecht","uitspraak","Uitspraak",[21,31,42,52,62],{"id":22,"ecli":23,"caseNumber":6,"courtId":24,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":26,"language":12,"source":13,"sourceUrl":27,"summary":6,"slug":28,"metadata":29},"410","ECLI:NL:RBLIM:2026:6423",66,"2026-07-08T00:00:00.000Z","RECHTBANK limburg\n\nZittingsplaats Roermond\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: ROE 25 \u002F 2565\n\nuitspraak van de meervoudige kamer van 8 juli 2026 in de zaak tussen\n\n [belanghebbende] , gevestigd te [plaats], belanghebbende\n\n(gemachtigde: M.O.E. Uyen)\n\nen\n\nde heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking Gemeenten en Waterschappen, de heffingsambtenaar (gemachtigde: A. van den Dool).\n\nProcesverloop\n\nDe heffingsambtenaar heeft op grond van de Wet waardering onroerende zaken (Wet woz) de waarde van de onroerende zaken van belanghebbende voor het belastingjaar 2025 vastgesteld (het primaire besluit).\n\nBelanghebbende heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt.\n\nDe heffingsambtenaar heeft het bezwaar van belanghebbende gegrond verklaard (het bestreden besluit). Aan belanghebbende is een proceskostenvergoeding van in totaal € 161,74 toegekend.\n\nBelanghebbende heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.\n\nDe heffingsambtenaar heeft verweer gevoerd.\n\nOp 4 mei 2026, aangevuld op 11 mei 2026, zijn van belanghebbende nadere gronden en stukken ontvangen.\n\nHet onderzoek ter zitting heeft vervolgens plaatsgevonden op 15 mei 2026. Belanghebbende heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. L.H.G.M. Driessen, kantoorgenote van haar gemachtigde bij Previcus B.V. te Boxmeer. De heffingsambtenaar heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.\n\nOverwegingen\n\n1. De rechtbank stelt vast dat de woz-waarde tussen partijen niet meer in geschil is. Het beroep van belanghebbende richt zich enkel tegen de toegekende proceskostenvergoeding en spitst zich toe op de vraag of de heffingsambtenaar bij de vaststelling van de proceskostenvergoeding in bezwaar toepassing heeft mogen geven aan de vermenigvuldigingsfactor 0,125 van artikel 30a, eerste lid, van de Wet woz, zoals dit artikellid luidt met ingang van 1 januari 2025.\n\n2. De heffingsambtenaar heeft in het bestreden besluit de proceskostenvergoeding van € 161,74 als volgt gespecificeerd:\n\n- indienen bezwaarschrift: 1 punt x waarde per punt € 647,- x factor 0,125 = € 80,87 +\n\n- bijwonen hoorzitting: 1 punt x waarde per punt € 647,- x factor 0,125 = € 80,87 = € 161,74.\n\n3. Belanghebbende vindt dat de heffingsambtenaar een te lage proceskostenvergoeding heeft toegekend. Zij verzoekt de rechtbank om artikel 30a van de Wet woz buiten toepassing te laten, omdat haar gemachtigde een bijzonder geval is als bedoeld in het zogenoemde 30a-arrest van de Hoge Raad van 17 januari 2025 (ECLI:NL:HR:2025:46).\n\n4. In het 30a-arrest heeft de Hoge Raad geoordeeld dat bijzondere gevallen zich onderscheiden doordat zij niet voldoen aan de volgende kenmerken: dat aan de belanghebbende rechtsbijstand wordt verleend door een beroepsmatig optredende gemachtigde, dan wel een kantoor, waarvan het bedrijfsmodel eruit bestaat dat\n\n( i) wordt opgetreden op basis van no cure no pay,\n\n(ii) daarbij zodanige afspraken met de cliënten worden gemaakt dat het bedrag van eventuele proceskostenvergoedingen aan de gemachtigde of aan het kantoor wordt afgedragen, en\n\n(iii) de procedures op een zodanige wijze worden gevoerd dat de daarin toegekende proceskostenvergoedingen de in redelijkheid gemaakte kosten ver overtreffen.\n\n5. De daarbij te hanteren regels zijn nader uitgewerkt in de arresten van de Hoge Raad van 25 april 2025 (ECLI:NL:HR:2025:670) en 18 juli 2025 (ECLI:NL:HR:2025:1175).\n\n5.1.. Volgens de Hoge Raad rusten op de belanghebbende de stelplicht en bewijslast van feiten die meebrengen dat buiten redelijke twijfel komt vast te staan dat, beoordeelt naar de situatie op het moment waarop het desbetreffende rechtsmiddel is aangewend, het bedrijfsmodel van de betreffende gemachtigde of diens kantoor kennelijk niet allehiervoor bedoelde drie kenmerken heeft en dat aldus sprake is van een bijzonder geval. Er is dus (al) sprake van een bijzonder geval als één van de drie kenmerken niet van toepassing is.\n\n5.2.. Bij de beoordeling van het bedrijfsmodel gaat het niet specifiek om de werkzaamheden die de gemachtigde heeft verricht in de procedure waarop de proceskostenvergoeding ziet. Met het bedrijfsmodel is namelijk meer in het algemeen de wijze bedoeld waarop de gemachtigde zijn inkomsten verwerft met het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand.\n\n5.3.. Indien het bedrijfsmodel van een gemachtigde of een kantoor inhoudt dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay (i), of op een grondslag die daarmee in wezen overeenkomt en daarmee dus op één lijn kan worden gesteld, en dat daarbij afspraken met de cliënten worden gemaakt als hiervoor onder (ii) bedoeld, zal aldus moeten worden beoordeeld of dit bedrijfsmodel voldoet aan het hiervoor onder (iii) vermelde kenmerk van vergaande overdekking. Daartoe moet een vergelijking worden gemaakt tussen enerzijds het totale bedrag aan proceskostenvergoedingen dat aan de gemachtigde of aan het kantoor wordt afgedragen, en anderzijds het totale bedrag van de kosten van de gemachtigde of van het kantoor die kunnen worden toegerekend aan het voeren van de procedures waarop die proceskostenvergoedingen betrekking hebben. Het komt dus erop aan of het totale bedrag van de afgedragen proceskostenvergoedingen het totale bedrag van de zojuist bedoelde kosten verre overtreft. De omstandigheid dat vaak geheel of ten dele gebruik wordt gemaakt van gestandaardiseerde tekstblokken die niet zijn toegespitst op de desbetreffende zaak, vormt een aanwijzing dat het bedrijfsmodel wel het derde kenmerk van vergaande overdekking heeft, en zal daarom in het algemeen volstaan om aan te nemen dat de belanghebbende niet in dit door hem te leveren bewijs is geslaagd.\n\n6. In het arrest van 26 september 2025 (ECLI:NL:HR:2025:1375) heeft de Hoge Raad nader uitgewerkt wanneer sprake is van een bedrijfsmodel dat eruit bestaat dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay (i). Bij optreden op basis van no cure no pay moet worden uitgegaan van afspraken tussen de belanghebbende en de rechtsbijstandverlener op grond waarvan de belanghebbende geen financieel risico loopt bij inschakeling van de rechtsbijstandverlener, omdat geen instapvergoeding verschuldigd is noch een percentage van de bespaarde belasting als vergoeding moet worden afgestaan (zie Kamerstukken II 2023\u002F24, 36 427, nr. 3, blz. 2). Bij de beoordeling van de vraag of het bedrijfsmodel van een beroepsmatig optredende gemachtigde, dan wel een kantoor, eruit bestaat dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay, komt het dus erop aan of die gemachtigde dan wel diens kantoor afspraken maakt met klanten op grond waarvan zij geen financieel risico lopen bij het verstrekken van de opdracht tot het verlenen van rechtsbijstand in een belastingprocedure. De verschuldigdheid van een instapvergoeding staat niet in alle gevallen eraan in de weg dat afspraken met een rechtsbijstandsverlener worden aangemerkt als afspraken op basis van no cure no pay. Onder het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand op basis van no cure no pay wordt namelijk ook begrepen het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand op een grondslag die daarmee in wezen overeenkomt en daarmee dus op één lijn kan worden gesteld. Dan moet worden gedacht aan de betaling van een zodanig laag bedrag dat die betaling als een pro forma of symbolische bijdrage moet worden beschouwd.\n\n7. De rechtbank stelt vast dat de gemachtigde van belanghebbende in deze zaak niet heeft bestreden dat haar bedrijfsmodel de hiervoor onder (ii) en (iii) vermelde kenmerken heeft.\n\n8. Belanghebbende bestrijdt dat het bedrijfsmodel van haar gemachtigde ten tijde van het instellen van bezwaar (en beroep) eruit bestaat dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay (i). Hiertoe heeft de gemachtigde verwezen naar een beschrijving van haar per 1 januari 2025 gewijzigde bedrijfsmodel (“Bijzonder geval: bedrijfsmodel Previcus en artikel 30a Wet WOZ”).\n\n8.1.. Volgens die beschrijving is de werkwijze met ingang van 1 januari 2025 fundamenteel gewijzigd. Het aantal dossiers is vanaf 2025 aanzienlijk afgenomen van 128.000 zaken naar circa 1.291 zaken. De zaken worden (vrijwel) niet meer op basis van no cure no pay uitgevoerd, maar volgens een regulier model waarin een cliënt, ongeacht de uitkomst van de zaak, een vaste startvergoeding betaalt (doorgaans gebaseerd op het aantal aanslagbiljetten) en\u002Fof een deel van de gerealiseerde besparing afdraagt (in bijna alle gevallen 40% van de besparing). De vóór 2025 aangebrachte zaken worden nog op basis van no cure no pay uitgevoerd. Bovendien worden vanaf 2025 alle aanslagbiljetten op voorhand gescreend en worden enkel de zaken doorgezet waarbij op voorhand onvoldoende duidelijk is dat er geen fouten zijn gemaakt. Er is, aldus de beschrijving, geen sprake meer van een grote massa waar de wetswijziging (Wet herwaardering proceskostenvergoeding WOZ en Bpm) op zag. De gemachtigde richt zich voortaan op de zakelijke markt, waarbij vrijwel altijd ook prijsafspraken met belanghebbenden worden gemaakt die losstaan van eventueel toegekende proceskostenvergoedingen.\n\n8.2.. De gemachtigde heeft de prijsafspraken over 2025 als volgt in een overzicht opgenomen.\n\n8.3.. De vermelding in de volmacht dat de vergoeding voor de werkzaamheden uitsluitend het totaal van de proceskostenvergoedingen bedraagt, klopt, aldus de beschrijving, niet meer. De onderliggende overeenkomsten bepalen dat cliënten zelf vergoedingen verschuldigd zijn. De proceskostenvergoeding speelt daarin nog slechts een kleine aanvullende rol.\n\n9. Op 4 mei 2026 heeft de gemachtigde van belanghebbende de facturen en betaalbewijzen in een groot aantal zaken, waarin zij als gemachtigde optreedt, ingezonden. Op 11 mei 2026 is daarvan een overzicht overgelegd. Die stukken bevestigen het beeld dat de beschrijving van het bedrijfsmodel geeft. Uit de facturen en betaalbewijzen blijkt namelijk dat de gemachtigde van een groot deel van haar cliënten een “besparingsfee” van minimaal 30% van de eventuele belastingbesparing vraagt, zij die “besparingsfee” aan haar cliënten factureert en die “besparingsfee” vervolgens ook door de cliënten wordt betaald.\n\n10. Daarnaast komt uit de facturen en betaalbewijzen naar voren dat de meeste cliënten (bovenop de “besparingsfee”) tevens een (in hoogte variërende) “startfee” zijn verschuldigd. Op zitting heeft de gemachtigde toegelicht dat, indien overeengekomen, de “startfee” altijd wordt gefactureerd en betaald. Dat dit niet in alle gevallen gebeurt blijkt uit de overgelegde facturen en betaalbewijzen, en komt, aldus de gemachtigde, doordat de “startfee”, die ongeacht de uitkomst is verschuldigd, in die gevallen eerder is gefactureerd en betaald. Dat is anders bij de “besparingsfee”, die niet eerder dan na het nemen van het bestreden besluit in rekening kan worden gebracht, omdat dan pas de (hoogte van de) besparing duidelijk is.\n\n11. De heffingsambtenaar heeft zich ter zitting op het standpunt gesteld dat het pas op 4 mei 2026 door de gemachtigde van belanghebbende indienen van facturen en betaalbewijzen (die op 6 mei 2026 door de rechtbank zijn vrijgegeven), die al in 2025 beschikbaar waren, in strijd is met een goede procesorde. De rechtbank overweegt dat partijen in beginsel vrij zijn om gedurende de procedure hun standpunten aan te vullen. Die vrijheid wordt echter begrensd door de beginselen van de goede procesorde. Hoewel de late indiening van reeds voorhanden zijnde stukken niet de schoonheidsprijs verdient, ziet de rechtbank hierin geen grond om die stukken vanwege strijd met een goede procesorde buiten beschouwing te laten. Hiertoe acht de rechtbank van belang dat de stukken een onderbouwing vormen van een eerder door de gemachtigde ingenomen standpunt, een reactie zijn op het verweerschrift en dat de aard en de omvang van de stukken niet zodanig zijn dat van de heffingsambtenaar om adequaat hierop te kunnen reageren een nader diepgaand (feiten)onderzoek wordt gevergd. De inhoudelijke reactie van de heffingsambtenaar op de stukken in de pleitnota bevestigen dit oordeel.\n\n12. De rechtbank stelt voorop dat voor haar de facturen en de betaalbewijzen leidend zijn voor de beoordeling van de vraag of kenmerk (i) op de gemachtigde van belanghebbende van toepassing is. Naar het oordeel van de rechtbank zijn (alleen) die stukken, en niet (ook) de overeenkomst, de website en de algemene voorwaarden van de gemachtigde (op 9 februari 2025), waarvan gesteld is dat die op dat moment nog niet in overeenstemming met het gewijzigde bedrijfsmodel waren gebracht, relevant voor de vraag of sprake is van een bedrijfsmodel op basis van no cure no pay. Omdat het bedrijfsmodel van de gemachtigde (en niet de vergoedingen in de aan de rechtbank voorliggende zaken) moet worden beoordeeld, blijft die beoordeling, anders dan de heffingsambtenaar stelt, niet beperkt tot de gemeenten binnen het ambtsgebied van de heffingsambtenaar. Daaruit volgt ook dat op grond van het (incidenteel) ontbreken van facturen en betaalbewijzen in aan de rechtbank voorliggende zaken niet zonder meer kan worden geconcludeerd dat kenmerk (i) op het bedrijfsmodel van de gemachtigde van toepassing is.\n\n13. De rechtbank is van oordeel dat met voldoende gegevens is onderbouwd dat de gemachtigde in 2025 voor een groot deel van de procedures een “besparingsfee” in rekening heeft gebracht. Door het betalen van een “besparingsfee” loopt een belanghebbende bij de inschakeling een gemachtigde voor het voeren van een procedure een financieel risico (zie hiervoor het arrest van de Hoge Raad van 26 september 2025). Deze door de gemachtigde gevraagde vergoeding (van 30-40%) acht de rechtbank, nog daargelaten dat de Hoge Raad dat enkel ten aanzien van “instapvergoedingen” heeft geoordeeld, ook niet dusdanig laag dat kan worden gesproken van rechtsbijstandverlening op een grondslag die in wezen overeenkomt met rechtsbijstandverlening op basis van no cure no pay. Op grond van het vorenstaande heeft belanghebbende, naar het oordeel van de rechtbank, buiten redelijke twijfel bewezen dat het bedrijfsmodel van de gemachtigde ten tijde van het instellen van bezwaar niet het kenmerk van optreden op basis van no cure no pay heeft (i). Daaraan doet niet af dat een belanghebbende vooraf ermee heeft ingestemd dat een eventuele vergoeding van proceskosten aan de gemachtigde toekomt. Dat geldt ook voor het ontbreken van facturen en betaalbewijzen van op een eerder moment in rekening gebrachte “startfees” en de door de heffingsambtenaar gestelde inconsistenties in de hoogte hiervan.\n\n14. Uit het vorenstaande volgt dat sprake is van een bijzonder geval en de heffingsambtenaar ten onrechte toepassing heeft gegeven aan artikel 30a, eerste lid, van de Wet woz.\n\n15. Dit betekent dat het beroep van belanghebbende gegrond is. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit voor zover dat ziet op de toegekende proceskostenvergoeding en bepaalt met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht de proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase op € 1.332,- (2 x € 666,-).\n\n16. Aan het standpunt van belanghebbende dat aan het bestreden besluit een motiveringsgebrek kleeft, wordt niet toegekomen.\n\n17. Omdat het beroep gegrond is, moet de heffingsambtenaar het griffierecht aan belanghebbende vergoeden.\n\n18. De rechtbank acht termen aanwezig om de heffingsambtenaar te veroordelen in de proceskosten die belanghebbende redelijkerwijs heeft moeten maken in verband met de behandeling van het beroep, een en ander eveneens overeenkomstig de normen van het Besluit proceskosten bestuursrecht. Aan belanghebbende is door een derde beroepsmatig rechtsbijstand verleend. Voor de in aanmerking te nemen proceshandelingen worden 2 punten (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen op zitting met een waarde van € 934,- per punt) toegekend. De rechtbank bepaalt in overeenstemming met het Richtsnoer proceskostenvergoeding belastingkamers gerechtshoven 2024 (neergelegd in de uitspraak van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 7 augustus 2024, ECLI:NL:GHSHE:2024:2524) de wegingsfactor op 0,5. Gelet hierop bedraagt het vanwege de in deze zaak verleende rechtsbijstand te vergoeden bedrag in totaal € 934,-.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep gegrond;\n\n- vernietigt het bestreden besluit voor zover dat ziet op de toegekende proceskostenvergoeding, stelt de proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase vast op € 1.332,- en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;\n\n- draagt de heffingsambtenaar op het betaalde griffierecht van € 385,- aan belanghebbende te vergoeden;\n\n- veroordeelt de heffingsambtenaar in de proceskosten van belanghebbende wegens verleende rechtsbijstand in beroep tot een bedrag van € 934,-.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. B.F.A. van Huijgevoort, voorzitter, en mrs. E.P.J. Rutten en J.H. van Hoof leden, in aanwezigheid van mr. D.D.R.H. Lechanteur, griffier.De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 8 juli 2026.\n\ngriffier rechter\n\nAfschrift verzonden aan partijen op: 8 juli 2026.\n\nRechtsmiddel\n\nTegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof ’s-Hertogenbosch (belastingkamer).\n\nU kunt digitaal beroep instellen via www.rechtspraak.nl. Daar klikt u op “Formulieren en inloggen”. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ’s-Hertogenbosch (belastingkamer).\n\nBij het instellen van het hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:\n\n1. bij het hogerberoepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;\n\n2 - het hogerberoepschrift moet, indien het op papier wordt ingediend, ondertekend zijn. Verder moet het ten minste het volgende vermelden:\n\na. de naam en het adres van de indiener;\n\nb. de datum van verzending;\n\nc. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;\n\nd. de redenen waarom u het niet eens bent met de uitspraak (de gronden van het hoger beroep).","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBLIM:2026:6423","ecli-nl-rblim-2026-6423",{"courtName":30,"legalDomain":17,"decisionType":18,"procedureType":19},"Roermond",{"id":32,"ecli":33,"caseNumber":34,"courtId":35,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":36,"language":37,"source":38,"sourceUrl":6,"summary":39,"slug":40,"metadata":41},"85","ECLI:RO:2026:JudecatoriaSECTORUL5BUCURESTI:17050-302-2025-a1","17050\u002F302\u002F2025\u002Fa1",97,"Admite cererea de îndreptare a erorii materiale din cuprinsul sentin?ei civile nr. 2484\u002F06.03.2026, pronunţată de Judecătoria Sectorului 5 Bucure?ti în dosar nr. 17050\u002F302\u002F2025, formulată din oficiu.       \nDispune îndreptarea erorii materiale strecurată în cuprinsul sentin?ei civile nr. 2484\u002F06.03.2026 pronun?ată în cadrul dosarului nr. 17050\u002F302\u002F2025, în sensul re?inerii că pârâtul Vasile Constantin are codul numeric personal ............, iar nu ............., astfel cum în mod eronat s-a consemnat.   \nPrezenta încheiere face parte integrantă din cuprinsul sentin?ei civile nr. 2484\u002F06.03.2026 pronun?ată în cadrul dosarului nr. 17050\u002F302\u002F2025.   \nÎndreptarea se va efectua în toate exemplarele sentin?ei.\n\tCu drept de apel în 30 de zile de la comunicare. Cererea de apel se va depune la Judecătoria Sectorului 5 Bucure?ti.   \n\tPronun?ată prin punerea solu?iei la dispozi?ia păr?ilor prin intermediul grefei instan?ei, astăzi, 08.07.2026.\n","ro","portalquery_ro","Admite cererea","ecli-ro-2026-judecatoriasectorul5bucuresti-17050-302-2025-a1",null,{"id":43,"ecli":44,"caseNumber":6,"courtId":45,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":46,"language":12,"source":13,"sourceUrl":47,"summary":6,"slug":48,"metadata":49},"296","ECLI:NL:GHDHA:2026:2250",58,"Rolnummer: 22-001978-23\n\nParketnummer: 10-066729-23\n\nDatum uitspraak: 8 juli 2026\n\nTEGENSPRAAK\n\nArrestvan de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Den Haag gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 28 juni 2023 in de strafzaak tegen de verdachte:\n\n [verdachte],\n\ngeboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2002,\n\nBRP-adres: [BRP-adres] , [woonplaats] .\n\nOnderzoek van de zaak\n\nDit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof.\n\nHet hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.\n\nProcesgang\n\nIn eerste aanleg is de verdachte van het onder 1 tenlastegelegde vrijgesproken en ter zake van het onder 2 en 3 tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 120 dagen, met aftrek van voorarrest, waarvan 73 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren. Voorts is beslist op de vorderingen van de benadeelde partijen, zoals nader omschreven in het vonnis waarvan beroep.\n\nNamens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.\n\nOmvang van het hoger beroep\n\nDe verdachte is door de rechtbank Rotterdam vrijgesproken van hetgeen aan hem onder 1 is tenlastegelegd. Het hoger beroep is door de verdachte onbeperkt ingesteld en is derhalve mede gericht tegen de in eerste aanleg gegeven beslissing tot vrijspraak. Gelet op hetgeen is bepaald in artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering staat voor de verdachte tegen deze beslissing geen hoger beroep open. Het hof zal de verdachte mitsdien niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep gegeven vrijspraak.\n\nWaar hierna wordt gesproken van \"de zaak\" of \"het vonnis\", wordt daarmee bedoeld de zaak of het vonnis voor zover op grond van het vorenstaande aan het oordeel van dit hof onderworpen.\n\nTenlastelegging\n\nAan de verdachte is – voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen – tenlastegelegd dat:\n\n2. hij op of omstreeks 01 januari 2023 te 's-Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard, openlijk, te weten, op of aan de Smidsweg en\u002Fof de Langestraat, in elk geval op of aan (een) openbare weg(en), in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een of meer verbalisanten van de politie Eenheid Rotterdam, te weten [hoofdagent] (hoofdagent) en\u002Fof [aspirant] (aspirant) en\u002Fof één of meer verbalisanten, zijnde groepsleden van de Mobiele Eenheid van politie Eenheid Rotterdam, te weten [verbalisant 1] en\u002Fof [verbalisant 2] en\u002Fof [verbalisant 3] en\u002Fof [verbalisant 4] en\u002Fof [verbalisant 5] en\u002Fof [verbalisant 6] en\u002Fof [verbalisant 7] en\u002Fof [verbalisant 8] en\u002Fof [verbalisant 9] en\u002Fof [verbalisant 10] en\u002Fof [verbalisant 11] en\u002Fof [verbalisant 12] en\u002Fof [verbalisant 13] en\u002Fof [verbalisant 14] en\u002Fof [verbalisant 15] en\u002Fof [verbalisant 16] en\u002Fof [verbalisant 17] en\u002Fof [verbalisant 18] en\u002Fof [verbalisant 19] en\u002Fof [verbalisant 20] , althans een of meer (andere) verbalisanten door\n\n- één of meer stuks zwaar (illegaal) vuurwerk (betreffende onder meer: cobra's \u002F nitraten \u002F shells) en\u002Fof vuurwerkbommen op\u002Ftegen, althans in de richting van\u002Fnaar voornoemde verbalisanten af te schieten en\u002Fof te gooien, waarbij voornoemd(e) vuurwerk\u002Fvuurwerkbommen vlakbij\u002Fnaast het\u002Fde lichamen en\u002Fof het\u002Fde hoofden\u002Fgezichten van voornoemde verbalisanten tot ontploffing is\u002Fzijn gekomen en\u002Fof\n\n- ( met kracht) één of meer stenen en\u002Fof glaswerk op\u002Ftegen, althans in de richting van voornoemde verbalisanten te gooien en\u002Fof\n\n- ( dreigend) zich op te dringen aan voornoemde ambtenaren en\u002Fof\n\n- ( daarbij) (dreigend) een of meerdere ploertendoders, althans slagvoorwerpen, aan voornoemde ambtenaren te tonen\u002Fvoor te houden en\u002Fof\n\n- ( daarbij) aan die [aspirant] en\u002Fof [hoofdagent] en\u002Fof een of meer (andere) verbalisanten de weg te versperren, althans de doorgang te beletten en\u002Fof (daarbij) te verhinderen dat die [aspirant] en\u002Fof [hoofdagent] en\u002Fof anderen met\u002Fin een (politie)voertuig weg konden rijden en\u002Fof\n\n- naar\u002Fin de richting van voornoemde ambtenaren te schelden, met de woorden: \"Kankerlijers\", \"Kanker op joh\" en\u002Fof \"Kankerpolitie\" en\u002Fof\n\n- ( met kracht) op\u002Ftegen het (politie)schild van die [verbalisant 2] te trappen\u002Fschoppen;\n\n3. hij op of omstreeks 31 december 2022 te 's-Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard opzettelijk en wederrechtelijk een vuilnisbak\u002Fprullenbak, in elk geval enig goed, dat\u002Fdie geheel of ten dele aan Gemeente Hoeksche Waard, in elk geval aan een ander dan aan verdachte toebehoorde(n) heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt.\n\nVordering van de advocaat-generaal\n\nDe advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de bewezenverklaring zal worden bevestigd en dat de verdachte ter zake van het onder 2 en 3 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 107 dagen, met aftrek van voorarrest, waarvan 60 dagen voorwaardelijk en met een proeftijd van 2 jaren.\n\nHet vonnis waarvan beroep\n\nHet vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.\n\nVrijspraak\n\nDe advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het onder 2 tenlastegelegde wettig en overtuigend kan worden bewezenverklaard, nu de verdachte met zijn handelen een bijdrage van voldoende gewicht heeft geleverd aan het openlijk geweld tegen de desbetreffende verbalisanten. Zo heeft de verdachte voorafgaand aan de jaarwisseling deel genomen aan een WhatsApp-groep waarin werd gesproken over het voornemen onrust te veroorzaken ten tijde van de jaarwisseling. Voorts heeft de verdachte in de nacht van de jaarwisseling – nadat hij door leden van de Mobiele Eenheid (ME) was ingesloten –op zijn telefoon een video-opname gemaakt waarin er samen met medeverdachte [medeverdachte] (hierna: [medeverdachte] ) wordt gepraat over het doodschoppen van een ME’er. Vijftien minuten nadat hij deze video had opgenomen, is [medeverdachte] aangehouden voor het schoppen tegen het schild van een ME’er.\n\nHet hof overweegt als volgt.\n\nHet hof stelt voorop dat van het \"in vereniging\" plegen van geweld sprake is, indien de betrokkene een voldoende significante of wezenlijke bijdrage levert aan het geweld, zij het dat deze bijdrage zelf niet van gewelddadige aard hoeft te zijn. De enkele omstandigheid dat iemand aanwezig is in een groep die openlijk geweld pleegt is niet zonder meer voldoende om hem te kunnen aanmerken als iemand die \"in vereniging\" geweld pleegt. Beoordeeld zal moeten worden of de door de verdachte geleverde – intellectuele en\u002Fof materiële – bijdrage aan het delict van voldoende gewicht is.\n\nMet de advocaat-generaal en de verdediging is het hof van oordeel dat op grond van het verhandelde ter terechtzitting niet kan worden bewezen dat de verdachte omstreeks de jaarwisseling geweld heeft gebruikt jegens de verbalisanten, zoals het gooien met stenen of vuurwerk. Het hof is voorts van oordeel dat evenmin bewezen kan worden dat de verdachte op enige wijze geweldshandelingen die door andere personen zijn gepleegd heeft ondersteund of anderszins heeft bijgedragen aan het ontstaan of het voortduren van het geweld jegens de verbalisanten. Het hof neemt hierbij in aanmerking dat [medeverdachte] bij de raadsheer-commissaris als getuige is gehoord en heeft verklaard dat hetgeen de verdachte in de video-opname heeft gezegd, los stond van zijn handelen daarna en dat de verdachte niet in de buurt was toen [medeverdachte] tegen het schild van verbalisant [verbalisant 2] aan schopte. De enkele aanwezigheid in de groep die door de politie\u002FME was ingesloten en het feit dat de verdachte deel uit maakte van een WhatsApp-groep acht het hof evenmin een bijdrage van voldoende gewicht. Gelet op het voorgaande is niet vast komen te staan dat de verdachte een voldoende significante of wezenlijke bijdrage heeft geleverd aan het tenlastegelegde geweld tegen de desbetreffende verbalisanten, zodat het ten laste gelegde niet kan worden bewezen en de verdachte daarvan zal worden vrijgesproken.\n\nBewezenverklaring\n\nHet hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 3 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:\n\n3. hij op of omstreeks31 december 2022 te 's-Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard opzettelijk en wederrechtelijk eenvuilnisbak\u002Fprullenbak, in elk geval enig goed,dat\u002Fdiegeheel of ten deleaan Gemeente Hoeksche Waard, in elk geval aan een ander dan aan verdachtetoebehoorde(n)heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt;.\n\nHetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.\n\nBewijsvoering\n\nHet hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.\n\nIn die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.\n\nStrafbaarheid van het bewezenverklaarde\n\nHet onder 3 bewezenverklaarde levert op\n\nopzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen.\n\nStrafbaarheid van de verdachte\n\nEr is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.\n\nStrafmotivering\n\nHet hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.\n\nDaarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.\n\nDe verdachte heeft zich op oudejaarsavond schuldig gemaakt aan vernieling van een prullenbak door hierop zwaar vuurwerk tot ontploffing te brengen. Een dergelijk feit is gevaarzettend en geschikt om gevoelens van angst en onveiligheid in de maatschappij teweeg te brengen. De verdachte heeft met zijn handelen de gemeente en daarmee de gemeenschap financiële schade berokkend en hij heeft hiermee overlast veroorzaakt.\n\nHet hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie van 1 juni 2026, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder voor een vergelijkbaar feit is veroordeeld.\n\nTen aanzien van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) overweegt het hof dat deze is aangevangen op 6 maart 2023. In eerste aanleg is de redelijke termijn niet overschreden. Het hof stelt vast dat de behandeling van de zaak in hoger beroep niet heeft plaatsgevonden binnen de daartoe gestelde redelijke termijn,. Namens de verdachte is immers op 4 juli 2023 hoger beroep ingesteld en het hof wijst op 8 juli 2026 eindarrest. De redelijke termijn van de berechting in hoger beroep is derhalve met meer dan één jaar overschreden. Het hof ziet, ook gelet op de duur van de procedure als geheel, aanleiding te volstaan met de constatering van dit verzuim, gelet op de gekozen strafmodaliteit en de hoogte van de op te leggen straf.\n\nHet hof is – alles afwegende – van oordeel dat een onvoorwaardelijke taakstraf van na te melden duur een passende en geboden reactie vormt. Anders dan de verdediging heeft bepleit acht het hof een geldboete, gelet op de context waarin en de wijze waarop de vernieling plaatsvond – tijdens de jaarwisseling en met (illegaal) vuurwerk – niet passend. Evenmin zal om die reden toepassing worden gegeven aan het bepaalde in artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht.\n\nVorderingen tot schadevergoeding\n\nIn het onderhavige strafproces hebben tweeëntwintig verbalisanten zich als benadeelde partij gevoegd ter zake van het onder 2 ten laste gelegde. De benadeelde partijen [verbalisant 17] , [verbalisant 12] , [verbalisant 8] , [verbalisant 9] , [verbalisant 19] , [verbalisant 20] , [verbalisant 18] , [verbalisant 15] , [verbalisant 10] , [verbalisant 4] , [verbalisant 1] , [verbalisant 16] , [verbalisant 3] , [aspirant] , [verbalisant 7] , [hoofdagent] , [verbalisant 14] , [verbalisant 5] en [verbalisant 6] vorderen per persoon een vergoeding van € 350,00 aan immateriële schade. De benadeelde partijen [verbalisant 13] en [verbalisant 11] vorderen per persoon een vergoeding van € 400,00 aan immateriële schade en de benadeelde partij [verbalisant 2] vordert een vergoeding van € 750,00 aan immateriële schade.\n\nNu de verdachte ter zake van het onder 2 tenlastegelegde wordt vrijgesproken, zullen de benadeelde partijen niet-ontvankelijk worden verklaard in hun vordering.\n\nGelet daarop zullen de benadeelde partijen worden veroordeeld in de kosten die de verdachte tot aan deze uitspraak in verband met de verdediging tegen die vorderingen heeft moeten maken, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil.\n\nToepasselijke wettelijke voorschriften\n\nHet hof heeft gelet op de artikelen 9, 22c, 22d en 350 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.\n\nBESLISSING\n\nHet hof:\n\nVerklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder 1 tenlastegelegde.\n\nVernietigt het vonnis waarvan beroep voor zover thans aan het oordeel van het hof onderworpen en doet in zoverre opnieuw recht:\n\nVerklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 2 tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.\n\nVerklaart, zoals hiervoor overwogen, bewezen dat de verdachte het onder 3 tenlastegelegde heeft begaan.\n\nVerklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.\n\nVerklaart het onder 3 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.\n\nVeroordeelt de verdachte tot een taakstrafvoor de duur van60 (zestig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door30 (dertig) dagen hechtenis.\n\nBeveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van 2 uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.\n\nVordering van de benadeelde partijen:\n\n- [verbalisant 17] ,\n\n- [verbalisant 12] ,\n\n- [verbalisant 13] ,\n\n- [verbalisant 8] ,\n\n- [verbalisant 9] ,\n\n- [verbalisant 19] ,\n\n- [verbalisant 20] ,\n\n- [verbalisant 11]\n\n- [verbalisant 18] ,\n\n- [verbalisant 15] ,\n\n- [verbalisant 10] ,\n\n- [verbalisant 4] ,\n\n- [verbalisant 1] ,\n\n- [verbalisant 16] ,\n\n- [verbalisant 3] ,\n\n- [verbalisant 2]\n\n- [aspirant] ,\n\n- [verbalisant 7] ,\n\n- [hoofdagent] ,\n\n- [verbalisant 14] ,\n\n- [verbalisant 5] , en\n\n- [verbalisant 6]\n\nVerklaart de hiervoor genoemde benadeelde partijen telkens niet-ontvankelijk in hun vordering tot schadevergoeding.\n\nVeroordeelt de hiervoor genoemde benadeelde partijen telkens in de door verdachte gemaakte kosten en begroot deze telkens op nihil.\n\nDit arrest is gewezen door mr. F.W. Pieters, als voorzitter, mr. E.C. van Veen en mr. M.C. Bruining, leden, in bijzijn van de griffier mr. V.V. de Lange.\n\nHet is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 8 juli 2026.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHDHA:2026:2250","ecli-nl-ghdha-2026-2250",{"courtName":50,"legalDomain":51,"decisionType":18,"procedureType":19},"Den Haag","Strafrecht",{"id":53,"ecli":54,"caseNumber":6,"courtId":55,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":56,"language":12,"source":13,"sourceUrl":57,"summary":6,"slug":58,"metadata":59},"348","ECLI:NL:RBDHA:2026:18721",65,"RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Groningen\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL26.20806\n uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n \n [naam], eiseres,\n\nV-nummer: [v-nummer:],\n\n(gemachtigde: mr. I.M. Zuidhoek),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, de minister.\n\nInleiding\n\n1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 7 april 2026 niet in behandeling genomen omdat daarvoor Frankrijk verantwoordelijk is.\n\n1.1.. De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiseres. Zij doet dat mede aan de hand van de argumenten die eiseres heeft aangevoerd, de beroepsgronden.\n\n3. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiseres ongelijk krijgt en het bestreden besluit in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nToepasselijk recht\n\n4. Op deze zaak is het recht van toepassing dat gold vóór 12 juni 2026.\n\nTotstandkoming van het besluit\n\n5. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening.Op grond van de Dublinverordening neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.In dit geval heeft Nederland bij Frankrijk een verzoek om terugname gedaan. Frankrijk heeft dit verzoek aanvaard.\n\nMag de minister ten opzichte van Frankrijk uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel?\n\n6. Eiseres stelt zich op het standpunt dat er in Frankrijk voor haar een onveilige situatie zal optreden. Dit is het gevolg van de aanwezigheid van veel Libanezen in Frankrijk, waaronder ook de familie van haar moeder die haar eerder al bedreigde. Bovendien heeft eiseres in Nederland een community gevonden waar zij zich veilig bij voelt en in Frankrijk heeft zij niemand, dit is voor haar een angstaanjagend vooruitzicht. Dit terwijl in Nederland er een sterke en diverse LHBT-gemeenschap is waar zij zich veilig voelt. Volgens eiseres is er in Frankrijk bovendien nog steeds een groot probleem met betrekking tot de opvang van asielzoekers. Ze verwijst naar het AIDA-rapport over Frankrijk, update 2024.Er is een tekort aan opvangplekken en eiseres loopt bij terugkeer een reëel risico om in een situatie van materiële deprivatie terecht te komen. Volgens eiseres is het bestreden besluit niet zorgvuldig voorbereid en berust het evenmin op een deugdelijke motivering.\n\n6.1.. De beroepsgrond slaagt niet. Naar het oordeel van de rechtbank mag de minister ten aanzien van Frankrijk uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. De Afdelingheeft meermaals bevestigd dat ten aanzien van Frankrijk in algemene zin kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Hierbij is ook het AIDA rapport, update 2024, betrokken. De rechtbank overweegt ambtshalve dat ook het recente AIDA rapport, update 2025, geen wezenlijk ander beeld geeft van de opvangvoorzieningen in Frankrijk dan de informatie die is betrokken door de Afdeling in eerdere uitspraken.\n\n6.2.. Uit de AIDA rapporten blijkt niet dat sprake is van structurele tekortkomingen in de opvang of asielprocedure, ook niet ten aanzien van de LHTBI-gemeenschap. Eiseres heeft bovendien niet aannemelijk gemaakt dat zij bij overdracht aan Frankrijk persoonlijk geen opvang, rechtsbescherming of toegang tot de procedure zal krijgen. Eiseres heeft niet eerder een asielaanvraag in Frankrijk ingediend waardoor zij geen persoonlijke ervaring heeft met de kwaliteit van de asielprocedure en de opvangvoorzieningen in Frankrijk.\n\n6.3.. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van bijzondere, individuele omstandigheden op basis waarvan de minister de aanvraag toch zou moeten behandelen.\n\nConclusie en gevolgen\n\n7. Het beroep is kennelijk ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft en eiseres overgedragen kan worden aan Frankrijk. Eiseres krijgt geen vergoeding van haar proceskosten.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. A. Sibma, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Strating, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.\n\nDe uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over verzet\n\nAls partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.\n\n Zie artikel 84 van de Asiel- en migratiebeheerverordening inzake het overgangsrecht.\n\n Verordening (EU) nr. 604\u002F2013.\n\n Dit staat ook in artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.\n\n Update 2024 van juni 2025.\n\n Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.\n\n Update 2025 van mei 2026.\n\n Zie ook de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Arnhem, van 3 juli 2026. (ECLI:NL:RBDHA:2026:18469, r.o. 7.1) en de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Middelburg, van 25 juni 2026 (ECLI:NL:RBDHA:2026:17711).","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18721","ecli-nl-rbdha-2026-18721",{"courtName":60,"legalDomain":61,"decisionType":18,"procedureType":19},"Groningen","Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht",{"id":63,"ecli":64,"caseNumber":6,"courtId":65,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":66,"language":12,"source":13,"sourceUrl":67,"summary":6,"slug":68,"metadata":69},"418","ECLI:NL:RBDHA:2026:18726",61,"RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Rotterdam\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL26.36068uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n\n [naam eiser] , eiser\n\nV-nummer: [V-nummer]\n\n(gemachtigde: mr. J.S. Dobosz),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, verweerder\n\n(gemachtigde: mr. C. van der Zijde).\n\nSamenvatting\n\n1. Deze uitspraak gaat over de maatregel van vreemdelingenbewaring die aan eiser is opgelegd. Deze maatregel is opgelegd op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser is het niet eens met die maatregel. Hij voert daartegen een beroepsgrond aan. Onder meer aan de hand van deze beroepsgrond beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van die maatregel en de vraag of aan eiser een schadevergoeding moet worden toegekend.\n\n1.1.. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep gegrond is. Het opleggen van de maatregel van vreemdelingenbewaring is onrechtmatig. De rechtbank kent daarom een schadevergoeding toe. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.\n\n1.2.. In deze uitspraak gebruikt de rechtbank de volgende afkortingen voor de wet- en regelgeving:\n\nAwb: Algemene wet bestuursrecht\n\nVw: Vreemdelingenwet 2000\n\nVb: Vreemdelingenbesluit 2000\n\nProcesverloop\n\n2. Met het bestreden besluit van 29 juni 2026 heeft verweerder aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.\n\n2.1.. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.\n\n2.2.. De rechtbank heeft het beroep op 7 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, K.A. Ozdzinska als tolk en de gemachtigde van verweerder.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\nToetsingskader\n\n3. Verweerder kan als het belang van de openbare orde of de nationale veiligheid dat vordert, de vreemdeling die geen rechtmatig verblijf heeft in vreemdelingenbewaring stellen.Verweerder stelt een vreemdeling slechts in vreemdelingenbewaring, voor zover geen minder dwingende maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast en de vreemdelingenbewaring blijft achterwege of wordt beëindigd, indien deze niet langer noodzakelijk is met het oog op het doel van de vreemdelingenbewaring.Deze vreemdeling kan in vreemdelingenbewaring worden gesteld op grond dat het belang van de openbare orde of nationale veiligheid zulks vordert, indien a) een onderduikrisico bestaat, of b) de vreemdeling de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert.De maatregel kan alleen worden opgelegd wegens het bestaan van een onderduikrisico, indien ten minste twee van de gronden, genoemd in artikel 5.6, tweede lid, van het Vb zich voordoen.\n\nGronden\n\n4. Eiser heeft de gronden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd niet bestreden. De gronden, die de ambtshalve toetsing van de rechtbank doorstaan, zijn tezamen voldoende om de maatregel van bewaring te kunnen dragen.\n\nRechtmatig verblijf\n\n5. Eiser heeft aangevoerd dat er sprake is van een rechtmatig verblijf van eiser in Nederland op grond van artikel 7 van de Richtlijn 2004\u002F38\u002FEG. Eiser is een maand voorafgaand aan de onderhavige zaak opgehouden op 3 juni 2026. Hij heeft ter onderbouwing het proces-verbaal van ophouding overgelegd. Op deze dag is onderzoek gedaan naar de arbeidssituatie van eiser. Gebleken is dat eiser arbeid verricht voor een Nederlands uitzendbureau en beschikte over een arbeidscontract. Eiser is vervolgens heengezonden wegens bestendig verblijf. Verweerder kon ten aanzien van de onderhavige maatregel van bewaring op 29 juni 2026 niet zonder meer terugvallen op het standpunt dat sprake is van voortgezet onrechtmatig verblijf. Dit is onverenigbaar met de bevinding op 3 juni 2026. De maatregel van bewaring is dan ook onvoldoende zorgvuldig voorbereid en onvoldoende gemotiveerd.\n\n5.1.. Verweerder heeft aan de maatregel ten grondslag gelegd dat eiser geen rechtmatig verblijf in Nederland heeft, nu zijn verblijfsrecht als Unieburger bij beschikking van 6 maart 2025 is beëindigd. De rechtbank stelt voorop dat de enkele omstandigheid dat het verblijfsrecht van een Unieburger eerder is beëindigd, niet zonder meer meebrengt dat deze op een later moment geen rechten meer aan het Unierecht kan ontlenen. Indien sprake is van gewijzigde feiten en omstandigheden dient verweerder de verblijfsrechtelijke positie van de betrokkene opnieuw te beoordelen alvorens tot het oordeel te komen dat hij geen rechtmatig verblijf heeft.\n\n5.2.. De rechtbank oordeelt als volgt. In de maatregel van bewaring is vermeld dat eiser heeft verklaard werkzaam te zijn voor een Nederlands uitzendbureau en dit ook heeft aangetoond, dat eiser werkzaam is in België waar hij ook wordt voorzien van woonruimte door de werkgever en dat hij in België mag verblijven. Naar het oordeel van de rechtbank vormen deze omstandigheden concrete aanwijzingen dat de feitelijke situatie van eiser sinds de beschikking van 6 maart 2025 is gewijzigd. Van verweerder mocht daarom worden verwacht dat hij kenbaar zou onderzoeken welke betekenis deze gewijzigde omstandigheden hebben voor de actuele verblijfsrechtelijke positie van eiser. Uit de maatregel van bewaring, het gehoor voorafgaand aan deze maatregel en de overige stukken in het dossier is niet gebleken dat een dergelijk onderzoek heeft plaatsgevonden. Daarbij betrekt de rechtbank dat uit het proces-verbaal van ophouding van eiser op 3 juni 2026 blijkt dat eiser is heengezonden, omdat sprake was van ‘mogelijk bestendig verblijf’. Uit het proces-verbaal van verhoor op die dag blijkt dat het werken voor een Nederlands uitzendbureau hier ook aan de orde is geweest. Vervolgens wordt nog geen maand later in de onderhavige maatregel van bewaring zonder kenbare motivering aangenomen dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft. Niet valt in te zien waarom verweerder er zonder nader onderzoek van uit heeft kunnen gaan dat eiser geen aan het Unierecht ontleend verblijfsrecht had. De motivering dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft, is onder deze omstandigheden onvoldoende draagkrachtig. Gelet hierop is de maatregel in strijd met artikel 3:2 en 3:46 van de Awb tot stand gekomen en is dan ook onrechtmatig. Deze beroepsgrond slaagt.\n\nConclusie en gevolgen\n\n6. Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is gegrond. Deze maatregel is vanaf het moment van het opleggen daarvan onrechtmatig. De rechtbank beveelt de opheffing van deze maatregel met ingang van vandaag.\n\n6.1.. Op grond van artikel 106 van de Vw kan de rechtbank indien zij de opheffing van de maatregel van vreemdelingenbewaring beveelt aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen. De rechtbank acht gronden aanwezig om een schadevergoeding toe te kennen voor 10 dagen onrechtmatige (tenuitvoerlegging van de) vreemdelingenbewaring ten bedrage van 0 x € 160,- (verblijf politiecel) en 10 x € 120,- (verblijf detentiecentrum) = € 1.200,-.\n\n6.2.. Eiser krijgt een vergoeding van zijn proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- omdat de gemachtigde van eiser geacht wordt beroep te hebben ingesteld en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep gegrond;\n\n- veroordeelt de Staat der Nederlanden tot het betalen van € 1.200,- aan schadevergoeding aan eiser, te betalen door de griffier en beveelt de tenuitvoerlegging van deze schadevergoeding;\n\n- beveelt de opheffing van de maatregel van vreemdelingenbewaring met ingang van vandaag;\n\n- veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiser.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. S.N. Abdoelkadir, rechter, in aanwezigheid van mr. M. Stehouwer, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.\n\n Het beroep tegen een maatregel van bewaring wordt ook aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding. Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 59c van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 5.5 van het Vb.\n\n Dit volgt uit artikel 5.6, eerste lid, van het Vb.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18726","ecli-nl-rbdha-2026-18726",{"courtName":70,"legalDomain":61,"decisionType":18,"procedureType":19},"Rotterdam"]