Skip to main content

ECLI:NL:RBZWB:2026:4488

Rechtbank

Middelburg

Datum

22 April 2026

Taal

nl

Samenvatting

Rechtsvraag

Civiel recht; Personen- en familierecht

Uitspraak / Beslissing

Uitspraak

Middelburg

Procedure: UitspraakDomain: Civiel recht; Personen- en familierechtType: uitspraak

vonnisRECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Team Familie- en Jeugdrecht

Middelburg

Zaaknummer / rolnummer: C/02/445479 / KG ZA 26-96

Vonnis in kort geding van 22 april 2026

in de zaak van

[de vrouw] ,

wonende te [woonplaats 1] ,

eiseres in conventie,

verweerster in reconventie,

advocaat: mr. N.P.M. Planthof te Goes,

tegen

[de man] ,

wonende te [woonplaats 2] ,

gedaagde in conventie,

eiser in reconventie,

advocaat: mr. F.L.I. de Vleesschauwer te Terneuzen.

Partijen zullen hierna de vrouw en de man genoemd worden.

1. De procedure1.1.. Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • de dagvaarding met producties;

  • de conclusie van antwoord, tevens eis in reconventie;

  • de op 13 april 2026 ontvangen aanvullende stukken van mr. Planthof.

1.2. De voorzieningenrechter heeft de zaak tijdens de mondelinge behandeling op 15 april 2026 met gesloten deuren behandeld, omdat het belang van de minderjarige en/of de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer van partijen dit eiste.

1.3. Tijdens die behandeling zijn verschenen partijen, bijgestaan door hun advocaten. Daarnaast is verschenen een vertegenwoordiger van de Raad voor de Kinderbescherming, hierna te noemen: de Raad, om de voorzieningenrechter over de vorderingen te adviseren.

1.4.. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1.. Partijen zijn gehuwd geweest. Uit dit huwelijk zijn de navolgende nog minderjarige kinderen geboren:

  • [minderjarige 1], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 1] 2020;

  • [minderjarige 2], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 2] 2022.

2.2.. Partijen zijn gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .

2.3.. Bij beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, locatie Middelburg d.d. 30 januari 2025 is de echtscheiding tussen partijen uitgesproken en is bepaald dat de kinderen hun hoofdverblijf bij de man hebben en is, in afwachting van de inzet van ouderschapsbemiddeling, een voorlopige verdeling van de zorg- en opvoedingstaken bepaald. De beschikking van 30 januari 2025 is op 4 april 2025 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand van de gemeente Terneuzen.

2.4..

Bij beschikking van 27 november 2025 van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch is de

beschikking van 30 januari 2025 van de rechtbank Zeeland-West-Brabant bekrachtigd.

2.5..

In de door partijen opgestelde afsprakenlijst, welke door partijen op 5 juni 2025 is ondertekend, hebben partijen – voor zover voor deze procedure van belang – afgesproken:

‘‘ [minderjarige 1] is ingeschreven voor zwemlessen in [plaats 1] op zaterdagochtend. [de vrouw] regelt dit ook voor [minderjarige 2] zodra zij 3 jaar is’’.

3. Het geschil in conventie en reconventie

3.1.. De vrouw vordert in conventie bij vonnis in kort geding, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

I. primair, de man te gebieden en te bevelen, binnen 24 uur na het in dezen te wijzen

vonnis, de tussen partijen overeengekomen afspraak ten aanzien van de zwemles van

[minderjarige 1] zoals beschreven in de afsprakenlijst na te komen, zulks op verbeurte van een

dwangsom van € 250,00 voor elke dag of gedeelte daarvan waarop de man in gebreke

blijft aan deze veroordeling te voldoen met een maximum van € 25.000,00;

subsidiair, de afspraak ten aanzien van de zwemles van [minderjarige 1] zoals beschreven in de

afsprakenlijst te wijzigen in die zin dat [minderjarige 1] de zwemles bij de zwemschool in [plaats 1]

volgt op de wijze zoals ingedeeld door de zwemschool en de man te veroordelen de

gewijzigde afspraak na te komen, zulks op verbeurte van een dwangsom van € 250,00

voor elke dag of gedeelte daarvan waarop de man in gebreke blijft aan deze

veroordeling te voldoen met een maximum van € 25.000,00;

II. de man te veroordelen in de kosten van deze procedure en de nakosten.

3.2.. Door en namens de vrouw is daartoe, kort samengevat, het navolgende aangevoerd. Partijen hebben in de afsprakenlijst bewust de afspraak opgenomen dat [minderjarige 1] wordt ingeschreven voor zwemlessen in [plaats 1] op de zaterdagochtend. Ook toen partijen nog samen waren, was het al zo dat de kinderen naar de zwemschool in [plaats 1] zouden gaan. Dit vanwege de kwaliteit van de zwemschool en de historie die de vrouw met deze zwemschool in [plaats 1] heeft. De vrouw wil graag bij alle zwemlessen van [minderjarige 1] aanwezig zijn, nu dit zeer belangrijk voor haar is en zij zelf ook 25 jaar op een waterclub heeft gezeten. Nu blijkt dat de zwemlessen voor [minderjarige 1] voor twintig keer op de donderdagavond (groep 1) zijn, daarna volgens afspraak op de zaterdag (groep 2 en 3) en vervolgens op de vrijdag (groep 4). De vrouw is bereid om mee te denken in oplossingen. Zij stelt voor dat zij [minderjarige 1] ophaalt en terugbrengt, dat [minderjarige 1] op de donderdag bij de vrouw slaapt of dat het contactmoment van beide kinderen met de vrouw eens in de twee weken op de woensdag tijdelijk wordt gewisseld met de donderdag. Vanaf september 2026 kan [minderjarige 1] starten met de zwemlessen in [plaats 1] en de laatste zwemles zal op donderdagavond 7 januari 2027 zijn, waarna de Westerscheldetunnel vanaf 11 januari 2027 wordt afgesloten. Gezien de reisafstand voor de vrouw en de onduidelijkheid over op welke dagen en tijden de zwemlessen bij de door de man voorgestelde zwemschool in [plaats 2] zullen zijn, is dat geen optie. Verder is de communicatie tussen partijen verslechterd, nadat de ouderschapsbemiddeling is gestopt. De vrouw heeft het gevoel dat zij door de man buitenspel wordt gezet, nu de man zonder overleg beslissingen over de kinderen neemt. De vrouw geeft desgevraagd aan dat zij ervoor open staat om de ouderschapsbemiddeling te herstarten.

3.3.. De man voert verweer tegen de vorderingen van de vrouw in conventie en concludeert tot afwijzing dan wel niet-ontvankelijkheid van de vrouw in haar vorderingen.

De man vordert in reconventie bij vonnis in kort geding, de man vervangende toestemming te verlenen voor de inschrijving van [minderjarige 1] bij de zwemschool te [plaats 2] .

3.4.. Door en namens de man is daartoe, kort samengevat, het navolgende aangevoerd. De man is het niet meer eens met de door partijen gemaakte afspraak over de zwemlessen in [plaats 1] , zoals opgenomen in de afsprakenlijst. Destijds waren de zwemtijden voor de man niet bekend en ook was het nog niet bekend dat de vrouw hoger beroep zou instellen. Mede daardoor is het vertrouwen van de man beschadigd geraakt. De man stelt dat het niet in het belang van [minderjarige 1] en zijn rust is om zwemlessen in [plaats 1] te volgen, niet tijdelijk op donderdagavond en ook niet op zaterdagochtend. De man kan zich niet vinden in de door de vrouw voorgestelde, tijdelijke oplossingen voor de twintig keer dat de zwemles op donderdagavond zal zijn, nu dit niet volgens de zorgregeling is, het tot extra reisbewegingen leidt en het te vermoeiend voor [minderjarige 1] zal zijn. Als [minderjarige 1] zwemles in [plaats 1] volgt, is hij op donderdagavond laat thuis terwijl hij vrijdagochtend vroeg naar school moet. Daar komt nog bij dat er vaak files zijn en dat de Westerscheldetunnel vanaf januari 2027 een tijd lang wordt afgesloten. Het is in het belang van [minderjarige 1] om in de buurt van zijn gewone verblijfplaats zwemlessen te volgen. In oktober 2026 kan [minderjarige 1] starten bij de zwemschool in [plaats 2] . Op welke dagen en tijden dit zal zijn, is voor de man nog niet bekend.

3.5.. Op de overige stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, ingegaan.

4. De beoordeling in conventie en in reconventie

4.1.. Op grond van de gedingstukken en de toelichting door partijen tijdens de mondelinge behandeling staat naar het oordeel van de voorzieningenrechter het spoedeisend belang van partijen bij hun vorderingen vast. Belangrijk voor de ontwikkeling van [minderjarige 1] is dat hij op korte termijn bij een zwemschool wordt ingeschreven en zwemlessen kan volgen.

4.2.. Vanwege de nauwe samenhang tussen de vorderingen in conventie en reconventie, zullen deze vorderingen gezamenlijk worden behandeld.

4.3.. Tijdens de mondelinge behandeling van 15 april 2026 heeft de Raad, kort samengevat, aangegeven dat partijen in de afsprakenlijst de afspraak hebben gemaakt dat de kinderen bij de zwemschool in [plaats 1] zwemlessen zullen volgen en daar is de man volgens de Raad te makkelijk aan voorbij gegaan. De Raad erkent dat het gebruikelijk is dat kinderen zwemlessen in de buurt van hun gewone verblijfplaats volgen, maar partijen hebben dit bewust afgesproken en daarnaast gaat het om een tijdelijke situatie van twintig keer op de donderdagavond. Die situatie is volgens de Raad niet onoverkomelijk. Dat partijen niet bij elkaar in de buurt wonen, is op dit moment de situatie en daartoe moeten de kinderen zich ook leren verhouden. De Raad adviseert de tussen partijen gemaakte afspraak te volgen en daarmee dat [minderjarige 1] naar de zwemschool in [plaats 1] gaat. Aan partijen adviseert de Raad om hulpverlening gericht op de oudercommunicatie te gaan volgen.

4.4.. De voorzieningenrechter stelt vast dat partijen in de op 5 juni 2025 ondertekende afsprakenlijst, als resultaat van het ouderschapsbemiddelingstraject bij [jeugdzorg] , overeen zijn gekomen dat [minderjarige 1] wordt ingeschreven voor zwemlessen in [plaats 1] op de zaterdagochtend. Gebleken is nu dat de zwemlessen bij de zwemschool in [plaats 1] zo zijn ingedeeld dat [minderjarige 1] in 4 groepen zijn ABC-diploma zal behalen. Groep 1 bestaat uit twintig zwemlessen op de donderdagavond in plaats van de zaterdagochtend, zoals partijen overeen waren gekomen. De zwemlessen in groep 2 en 3 zullen wel op de zaterdag zijn en de zwemlessen in groep 4 op de vrijdag. De man stelt nu dat het niet in het belang van [minderjarige 1] en zijn rust is om zwemlessen in [plaats 1] te volgen, niet tijdelijk op donderdagavond en ook niet op zaterdagochtend en verzoekt om die reden vervangende toestemming aan de rechtbank om [minderjarige 1] bij de zwemschool in Zelzate in te schrijven.

4.5.. De voorzieningenrechter betreurt allereerst dat de situatie en de communicatie tussen partijen is verslechterd en dat het vertrouwen in elkaar is beschadigd. Zij acht dit niet in het belang van de kinderen. Tegelijkertijd stelt zij ook vast dat dat niet wegneemt dat partijen destijds samen en bewust de afspraak hebben gemaakt dat de kinderen zwemlessen bij de zwemschool in [plaats 1] zullen volgen en dat de man tijdens het maken van deze afspraak blijkbaar ook heeft ingezien waarom het volgen van zwemlessen door de kinderen in [plaats 1] belangrijk voor de vrouw én de kinderen is. Daar komt bij dat de man met de kinderen toen ook al in [woonplaats 2] woonde. Dat de man nu verzoekt om vervangende toestemming om [minderjarige 1] bij de zwemschool in [plaats 2] in te schrijven, wijkt af van de afspraak die partijen hebben gemaakt. Tijdens de zitting heeft de voorzieningenrechter verder geconstateerd dat de vrouw bereid is om mee te denken in (tijdelijke) oplossingen en dat dit, hoewel begrijpelijk waar dit vandaan komt, bij de man in mindere mate aanwezig is. Zo is door en namens de vrouw voorgesteld dat de vrouw [minderjarige 1] ophaalt en terugbrengt, dat [minderjarige 1] op de donderdagavond bij de vrouw overnacht of dat tijdelijk het contactmoment tussen de vrouw en beide kinderen van eens in de twee weken op de woensdag wordt gewisseld met de donderdag. De man stelt slechts dat al deze opties niet mogelijk zijn.

4.6.. Verder is door en namens de vrouw toegelicht dat het aanwezig zijn bij de zwemlessen en het leren zwemmen van de kinderen in [plaats 1] erg belangrijk voor de vrouw is en dat zij dit graag met de kinderen wil delen, hetgeen gelet op de door partijen gemaakte afspraak naar het oordeel van de voorzieningenrechter destijds ook door de man is erkend. Door de woonsituatie van de vrouw, wat mogelijk deels haar eigen keuze is, staat zij op een bepaalde afstand tot de kinderen. Het volgen van zwemlessen door [minderjarige 1] in [plaats 1] kan naar het oordeel van de voorzieningenrechter iets zijn wat [minderjarige 1] echt met zijn moeder deelt en dat is waardevol en acht zij in het belang van [minderjarige 1] . Juist nu de kinderen bij de man hun gewone verblijfplaats hebben en ook veel momenten met hun vader delen. Dat neemt niet weg dat de voorzieningenrechter begrijpt dat het belastend voor [minderjarige 1] kan zijn om tijdelijk op de donderdagavond na school naar [plaats 1] te reizen om zwemles te volgen en dat hij wellicht iets later dan normaal naar bed zal gaan. Dit betreft echter een tijdelijke situatie van twintig keer welke zodanig is beperkt in tijd dat [minderjarige 1] rond 20.00 uur thuis bij de man in [woonplaats 2] kan zijn. Met de Raad is de voorzieningenrechter van oordeel dat dit niet onoverkomelijk is. Daarnaast is gebleken dat de laatste zwemles van [minderjarige 1] in groep 1 op donderdagavond 7 januari 2027 zal zijn en daarmee voor het afsluiten van de Westerscheldetunnel vanaf 11 januari 2027, zodat partijen daar op de donderdagavonden dat [minderjarige 1] zwemles in [plaats 1] volgt geen hinder van zullen ondervinden.

4.7.. Gezien al het voorgaande en met name de afspraak die partijen samen en bewust over het volgen van zwemlessen in [plaats 1] hebben gemaakt en de tijdelijkheid van de zwemlessen op de donderdagavond (twintig keer) is de voorzieningenrechter van oordeel dat het volgen van zwemlessen in [plaats 1] in het belang van [minderjarige 1] is. Zij geeft aan partijen mee om samen afspraken te maken voor de twintig keer dat de zwemles van [minderjarige 1] in [plaats 1] op de donderdagavond zal zijn en geeft met name aan partijen in overweging de door de vrouw aangeboden oplossing om tijdelijk het contactmoment tussen de vrouw en de kinderen van eens in de twee weken op de woensdag – en daarmee dus voor tien keer – te wisselen met de donderdag. Deze oplossing is naar het oordeel van de voorzieningenrechter het meest in het belang van de kinderen en biedt de meeste rust aan [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . Verder geeft zij aan partijen mee om het advies van de Raad op te volgen en opnieuw een hulpverleningstraject aan te gaan met als doel om de samenwerking en oudercommunicatie te verbeteren, zodat partijen in de toekomst op een constructieve manier samen en in overleg beslissingen voor en over de kinderen kunnen nemen. Beide partijen hebben aangegeven hiervoor open te staan.

4.8.. Gelet op het voorgaande zal de voorzieningenrechter de vordering van de vrouw in conventie toewijzen. Een deel van de primaire vordering kan niet worden toegewezen, nu de voorzieningenrechter bepaalt dat [minderjarige 1] eerst twintig zwemlessen op de donderdagavond bij de zwemschool in [plaats 1] zal volgen en niet zoals conform de door partijen in de afsprakenlijst gemaakte afspraak op de zaterdagochtend. De voorzieningenrechter zal voor die periode het subsidiaire verzoek van de vrouw toewijzen. Na die twintig zwemlessen op de donderdagavond zal [minderjarige 1] conform de door partijen in de afsprakenlijst gemaakte afspraak zwemlessen op de zaterdag bij de zwemschool in [plaats 1] volgen en daarna op de vrijdag. De man wordt veroordeeld om dit na te komen. De voorzieningenrechter gaat er vanuit dat beide partijen deze beslissing zullen naleven. Om die reden ziet zij op dit moment onvoldoende aanleiding voor het opleggen van een dwangsom.

4.9.. De vordering van de man in reconventie zal worden afgewezen.

4.10.. De rechtbank zal de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren, omdat het voor de opvoeding en ontwikkeling van de minderjarige noodzakelijk is dat de beslissing ondanks een eventueel hoger beroep meteen uitgevoerd kan worden.

4.11.. Gelet op de relatie die tussen partijen heeft bestaan, zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

4.12.. Het meer of anders gevorderde in conventie en reconventie zal worden afgewezen.

5. De beslissing

De voorzieningenrechter:

5.1.. bepaalt dat [minderjarige 1] de eerste twintig zwemlessen op de donderdagavond bij de zwemschool in [plaats 1] volgt en na die periode conform de door partijen gemaakte afspraak in de op 5 juni 2025 ondertekende afsprakenlijst waarin overeen is gekomen dat [minderjarige 1] zwemlessen op de zaterdag bij de zwemschool in [plaats 1] volgt en bepaalt dat [minderjarige 1] daarna zwemlessen op de vrijdag bij de zwemschool in [plaats 1] volgt;

5.2.. veroordeelt de man om zijn medewerking te verlenen aan het bepaalde in rechtsoverweging 5.1;

5.3.. verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

5.4.. compenseert de proceskosten tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;

5.5.. wijst het meer of anders gevorderde in conventie en reconventie af.

Dit vonnis is gewezen door mr. Verschoor-Bergsma, voorzieningenrechter, en in het openbaar uitgesproken op 22 april 2026 in tegenwoordigheid van mr. Vork, griffier.

Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:

door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,

door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.

Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het

gerechtshof ’s-Hertogenbosch.

Meer Beslissingen