[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"decision-ecli-nl-rbzwb-2026-5175":3,"decision-more-ecli-nl-rbzwb-2026-5175":20},{"id":4,"ecli":5,"caseNumber":6,"courtId":7,"courtName":8,"courtSlug":9,"decisionDate":10,"fullText":11,"language":12,"source":13,"sourceUrl":14,"summary":6,"slug":15,"metadata":16},"1831","ECLI:NL:RBZWB:2026:5175","",62,"Middelburg","middelburg","2026-05-12T00:00:00.000Z","RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT\n\nTeam Familie- en Jeugdrecht\n\nMiddelburg\n\nZaaknummers: C\u002F02\u002F434457 \u002F FA RK 25-2019 (echtscheiding) en\n\nC\u002F02\u002F440942 \u002F FA RK 25-5329 (boedel)\n\nbeschikking d.d. 12 mei 2026\n\nin de zaak van\n\n [de man],\n\nwonende te [woonplaats 1] ,\n\nhierna te noemen de man,\n\nadvocaat mr. F.L.I. de Vleesschauwer te Terneuzen,\n\nen\n\n [de vrouw],\n\nwonende te [woonplaats 2] ,\n\nhierna te noemen de vrouw,\n\nadvocaat mr. R.P.H.W. Haas te Heerlen.\n\n1 Het procesverloop\n\nin beide zaken\n\n1.1 Dit blijkt uit de volgende stukken:\n\n- het op 15 april 2025 ontvangen verzoekschrift tot echtscheiding, met producties;\n\n- het verweerschrift echtscheiding tevens houdende zelfstandige verzoeken, ontvangen op 9 juli 2025, met producties;\n\n- het op 1 augustus 2025 ontvangen verweerschrift tevens zelfstandige verzoeken, met producties;\n\n- het op 18 september 2025 ontvangen verweerschrift op zelfstandig verzoek, met bijlagen;\n\n- het F-formulier van 30 december 2025 van de kant van de vrouw, met bijlagen;\n\n- het F-formulier van 15 januari 2026 van de kant van de man, met een productie, met producties.\n\n1.2 De verzoeken zijn behandeld op de mondelinge behandeling van 29 januari 2026. Bij die gelegenheid zijn verschenen partijen, bijgestaan door hun advocaat.\n\n1.3. Na de mondelinge behandeling is – overeenkomstig daartoe tijdens die behandeling gemaakte afspraken – door de vrouw nog een akte houdende nadere producties overgelegd. De man heeft daarop bij akte uitlaten producties gereageerd. Daarna heeft de vrouw eigener beweging nog een akte houdende nadere productie genomen; nu de man bij brief op deze akte heeft gereageerd, zal de rechtbank deze akte – en ook de brief van de man – bij de beoordeling van de verzoeken betrekken.\n\n2 De feiten\n\nin beide zaken\n\n2.1. Partijen zijn op [datum] 1996 in het Marokkaanse consulaat te [plaats 1] , Duitsland, met elkaar gehuwd. Partijen hebben beiden de Marokkaanse nationaliteit; daarnaast heeft de man de Nederlandse nationaliteit en de vrouw de Duitse.3. De verzoeken\n\nin beide zaken\n\n3.1.. \n\nDe man verzoekt de rechtbank\n\n(I) om tussen partijen de echtscheiding uit te spreken,\n\nen voorts – na vermeerdering van zijn verzoeken – om, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:\n\nII. de vrouw te veroordelen om binnen twee weken na de beschikking medewerking te verlenen aan het verstrekken van een opdracht tot bemiddeling aan een lokale makelaar in de omgeving [woonplaats 2] met betrekking tot de verkoop van de woning, gelegen aan de [adres] , te [woonplaats 2] (hierna: de woning);\n\nIII. de vrouw te veroordelen om vervolgens medewerking te verlenen aan de verkoop en levering van de woning tegen een zo hoog mogelijke opbrengst, één en ander te bepalen door de betreffende makelaar;\n\nIV. de vrouw te veroordelen om de woning uiterlijk twee weken voor de levering leeg, ontruimd en in goede staat achter te laten en niet verder te betreden;\n\nV. de man te machtigen, indien de vrouw niet tijdig voldoet aan hetgeen is bepaald in II en III, de beschikking in de plaats te doen stellen van het deel van de schriftelijke bemiddelingsovereenkomst, de schriftelijke koopovereenkomst of de notariële akte van levering, waaruit moet blijken van de wilsverklaring van de vrouw dat zij opdracht geeft tot bemiddeling, de woning (mede) verkoopt c.q. (mede) levert aan de koper(s).\n\nDe man heeft zich verweerd tegen de verzoeken van de vrouw, hierna in rechtsoverweging 3.2 weergegeven onder B.\n\n3.2.. \n\nDe vrouw verweert zich niet tegen het verzoek onder (I) van de man. Bij zelfstandige verzoeken vraagt zij de rechtbank om bij beschikking, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:\n\nA. tussen partijen de echtscheiding uit te spreken, subsidiair een scheiding van tafel en bed;\n\nB. primair:te bepalen dat de man ex art. 3:194 lid 2 van het Burgerlijk Wetboek (verder: BW), zijn aandeel in het onroerend goed te Marokko, de bank- en spaarrekeningen inclusief saldo in Marokko, de inboedel en de auto verbeurt aan de vrouw, nu de man opzettelijk diverse bedragen c.q. de genoemde vermogensbestanddelen heeft weggemaakt in het vooruitzicht van de echtscheiding (verzwijging c.q. zoek maken c.q. verborgen houden) ten einde de vrouw te benadelen, althans ex art. 1:164 BW te bepalen dat de man de gemeenschap binnen zes maanden voorafgaand aan de indiening van het verzoekschrift tot echtscheiding goederen van de gemeenschap heeft verspild en hierdoor de gemeenschap heeft benadeeld door diverse geldbedragen c.q. vermogensbestanddelen zonder toestemming van de vrouw over te boeken naar derden en\u002Fof verborgen te houden, zodat de man verplicht is deze geldbedragen en vermogensbestanddelen aan de huwelijksgoederengemeenschap te vergoeden;\n\nsubsidiair:\n\n1. te bepalen dat de woning door [taxateur] dan wel door een door de rechtbank aan te wijzen deskundige zal worden getaxeerd op basis van de huidige vrije onderhandse verkoopwaarde, waarna de woning aan de vrouw zal worden toegedeeld;\n\n2. de hypotheek welke rust op de woning aan de vrouw toe te scheiden, onder de verplichting van de vrouw om de man te doen ontslaan uit de hoofdelijke aansprakelijkheid;\n\n3. de man te veroordelen tot overlegging van verificatoire (eigendoms)stukken ten aanzien van het appartementencomplex te Marokko alsmede ten aanzien van de bankrekeningen te Marokko inclusief saldi per peildatum, zulks op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 500,-- per dag of gedeelte van de dag dat de man hiermee in gebreke blijft;\n\n4. te bepalen dat het appartementencomplex te Marokko behoort tot de te verdelen huwelijksgoederengemeenschap en dat dit appartementencomplex door een door de rechtbank aan te wijzen onafhankelijk deskundige zal worden getaxeerd op basis van de huidige vrije onderhandse verkoopwaarde, waarna dit onroerend goed aan de man zal worden toebedeeld onder verrekening van de overwaarde tussen partijen van zowel de voormalige echtelijke woning als het appartementencomplex;\n\n5. te bepalen dat de spaarrekening(en) in Marokko aan de man kan\u002Fkunnen worden toegedeeld en de bankrekening van de vrouw bij ING aan de vrouw kan worden toegedeeld onder verrekening van de saldi tussen partijen bij helfte, per peildatum;\n\n6. te bepalen dat de personenauto, merk Jeep, aan de man zal worden toegedeeld onder de verplichting van de man om de helft van de waarde aan de vrouw te voldoen;\n\n7. te bepalen dat de inboedel van de voormalige echtelijke woning aan de vrouw wordt toebedeeld en de inboedel in de woning van de man in Marokko aan de man wordt toebedeeld;\n\nmeer subsidiair: een zodanige verdeling vast te stellen als de rechtbank in goede justitie vermeent te behoren.\n\n3.3.. Op de standpunten van partijen zal hierna, voor zover nodig, nader worden ingegaan.\n\n4. De beoordeling\n\nin de zaak met nummer C\u002F02\u002F434457 \u002F FA RK 25-2019\n\nEchtscheiding\n\nbevoegdheid en toepasselijk recht\n\n4.1.. Nu ten tijde van de indiening van het verzoekschrift de gewone verblijfplaats van ten minste één van partijen zich in Nederland bevond, komt de Nederlandse rechter rechtsmacht toe om te oordelen over het verzoek tot echtscheiding.\n\n4.2.. Op grond van artikel 10:56 BW is Nederlands recht op het verzoek tot echtscheiding van toepassing.\n\n4.3.. Beide partijen verzoeken de echtscheiding in hun huwelijk uit te spreken. Zij hebben beiden gesteld dat het huwelijk duurzaam is ontwricht. Het verzoek tot echtscheiding zal, als op de wet gegrond, worden toegewezen.\n\nin de zaak met nummer C\u002F02\u002F440942 \u002F FA RK 25-5329\n\nVerdeling van de huwelijksgoederengemeenschap\n\nbevoegdheid en toepasselijk recht\n\n4.4.. De rechtbank heeft rechtsmacht om van de verzoeken van de man kennis te nemen, omdat de rechtbank rechtsmacht had ten aanzien van het echtscheidingsverzoek (artikel 4 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering)\n\n4.5.. Volgens het Nederlandse internationaal privaatrecht wordt het toepasselijk recht op het huwelijksgoederenregime bepaald door het Verdrag van 14 maart 1987, Trb. 1988,130, inzake het recht dat van toepassing is op het huwelijksvermogensregime (hierna te noemen: Haags Huwelijksvermogensverdrag 1978). Dit verdrag, dat op 1 september 1992 in werking is getreden, geldt voor echtgenoten die – zoals partijen – na 1 september 1992 in het huwelijk zijn getreden dan wel na die datum het toepasselijke recht op hun huwelijksvermogensregime hebben aangewezen.\n\n4.6.. Partijen hebben vóór of tijdens het huwelijk geen (geldige) rechtskeuze gemaakt overeenkomstig artikelen 3 en 6 van Haags Huwelijksvermogensverdrag 1978. Partijen hadden ten tijde van de huwelijkssluiting allebei de Marokkaanse nationaliteit. De vrouw had toen ook al de Duitse nationaliteit. De man heeft in 1997 naast de Marokkaanse ook de Nederlandse nationaliteit verkregen. Partijen zijn (kort) na de huwelijkssluiting in Nederland gaan wonen.\n\n4.7.. Partijen hadden aldus ten tijde van de huwelijkssluiting een gemeenschappelijke nationaliteit, namelijk de Marokkaanse, terwijl hun gewone verblijfplaats na het huwelijk was gelegen in Nederland. Marokko is een zgn. nationaliteitsland en Nederland heeft een verklaring op grond van artikel 5 van het Haags Huwelijksvermogensverdrag 1978 afgelegd. Dit betekent dat ten tijde van de huwelijkssluiting op grond van artikel 4 lid 2 onder a van dat verdrag Marokkaans recht van toepassing is op het huwelijksgoederenregime van partijen.\n\n4.8.. \n\nVervolgens is de vraag of op enig moment alsnog op het huwelijksgoederenregime van partijen Nederlands recht van toepassing is geworden. Artikel 7 lid 2 onder 1 van het Haags Huwelijksvermogensverdrag 1978 bepaalt immers:\n\n“Het recht dat op grond van de bepalingen van het Verdrag van toepassing is, blijft van toepassing zolang de echtgenoten geen ander toepasselijk recht hebben aangewezen, zelfs in geval van wijziging van hun nationaliteit of gewone verblijfplaats.\n\nIndien de echtgenoten echter noch het toepasselijke recht hebben aangewezen, noch huwelijkse voorwaarden hebben gemaakt, wordt in plaats van het recht waaraan hun huwelijksvermogensregime tevoren was onderworpen het interne recht van de Staat waar de echtgenoten beiden hun gewone verblijfplaats hebben, toepasselijk 1. vanaf het tijdstip waarop zij daar hun gewone verblijfplaats vestigen, indien de nationaliteit van die Staat hun gemeenschappelijke nationaliteit is, dan wel vanaf het tijdstip waarop zij die nationaliteit verkrijgen, of 2. wanneer zij na het huwelijk gedurende meer dan tien jaar daar hun gewone verblijfplaats hebben gehad, of 3. vanaf het tijdstip waarop zij daar hun gewone verblijfplaats vestigen, indien hun huwelijksvermogensregime uitsluitend op grond van artikel 4, tweede lid, onder 3, was onderworpen aan het recht van de Staat van hun gemeenschappelijke nationaliteit.”4.9.. Nu partijen na de huwelijkssluiting Nederland als gewone verblijfplaats hadden, is dus na tien jaar gewone verblijfplaats in Nederland – dat wil zeggen: op [datum] 2006 – voldaan aan de vereisten voor een automatische wijziging overeenkomstig artikel 7, aanhef, sub 2 van het Verdrag van het op het huwelijksgoederenregime van partijen toepasselijke recht naar Nederlands recht.\n\n4.10.. Het vorenstaande betekent dat voor de tijdens het huwelijk door (een van) partijen verkregen goederen dan wel aangegane schulden geldt, dat zover deze goederen zijn verkregen of deze schulden zijn aangegaan vóór [datum] 2006; op de afwikkeling daarvan Marokkaans recht van toepassing is. Aangezien het Marokkaanse recht geen gemeenschap van goederen kent, betekent het vorenstaande voor die goederen\u002Fschulden dat deze blijven bij degene die ze had, heeft verkregen of is aangegaan. Vanaf [datum] 2006 geldt voor partijen het Nederlandse huwelijksvermogensrecht, hetgeen betekent – nu zij geen huwelijkse voorwaarden zijn aangegaan – dat er sprake is van een gemeenschap van goederen.\n\ninhoudelijk\n\n4.11.. Voor de vaststelling van de omvang van de (sinds [datum] 2006 tussen partijen ontstane) bij de verdeling te betrekken huwelijksgoederengemeenschap geldt als peildatum de datum waarop het verzoekschrift tot echtscheiding is ingediend, dus 15 april 2025.\n\n4.12.. De vrouw heeft de navolgende goederen genoemd als vermogensbestanddelen van de tussen partijen bestaan hebbende huwelijksgoederengemeenschap behoren: - de woning, gelegen aan de [adres] te [woonplaats 2] ; - een appartementencomplex met grond, gelegen in [plaats 2] , Marokko; - spaartegoeden in Marokko op naam man, groot € 803.737,--; - een bankrekening op naam van de vrouw, met een saldo van € 784,15; - een auto, Jeep, in gebruik bij de man, met een waarde van € 40.000,--; - de inboedel van de woning [woonplaats 2] en van die in Marokko. Daarnaast noemt zij als in de gemeenschap vallende schuld: - hypothecaire schuld bij Woonfonds, groot € 31.346,--.. De man betwist dat de door de vrouw genoemde vermogensbestanddelen in Marokko (het appartement en de spaartegoeden) en de auto tot de huwelijksgoederengemeenschap van partijen behoren; hij stelt dat deze zaken er helemaal niet zijn.\n\n4.13.. De rechtbank zal eerst ingaan op het verzoek van de vrouw (onder B, primair), om te bepalen dat de man zijn aandeel in een aantal door haar genoemde vermogensbestanddelen aan haar heeft verbeurd, zulks op grond van het bepaald in artikel 3:194 lid 2 BW, dan wel te bepalen dat de man op grond van artikel 1:164 BW gehouden is de vrouw door hem (gedurende de laatste zes maanden voor de indiening van het echtscheidingsverzoek) verspilde geldbedragen en goederen aan haar te vergoeden.\n\n4.14.. Artikel 3:194, lid 2 BW bepaalt dat een deelgenoot die opzettelijk tot de gemeenschap behorende goederen verzwijgt, zoek maakt of verborgen houdt, zijn aandeel in die goederen aan de andere deelgeno(o)t(en) verbeurt. De vrouw stelt dat de man verzwijgt dan wel verborgen houdt, dat in Marokko tot de gemeenschap behorende vermogensbestanddelen aanwezig zijn; zij noemt een stuk grond met daarop een appartement met inboedel, een spaarrekening met daarop een groot bedrag en een auto, Jeep. De man ontkent dat deze zaken er zijn.\n\n4.15.. De rechtbank overweegt en beslist ten aanzien van deze zaken als volgt:|\n\nde onroerende zaak (met inboedel) in Marokko4.16.1. Vast staat dat de man in juli 2006 in [plaats 2] , Marokko een tweetal stukken grond heeft gekocht. Gelet op het hiervoor onder 4.10 overwogene is die grond toen niet in een huwelijksgoederengemeenschap van partijen gevallen; de grond werd eigendom van alleen de man 4.16.2. De vrouw stelt dat de man op de grond een appartementencomplex heeft gebouwd, welk complex, zo stelt zij, tot de huwelijksgoederengemeenschap behoort. De man betwist dat; hij stelt de grond in 2010 te hebben verkocht. Hij heeft van die gestelde verkoop een stuk, in de vertaling geheten “Belofte tot verkoop” overgelegd. De vrouw betwist de betrouwbaarheid van dat stuk en stelt dat dit valselijk is opgemaakt. Dat de man (ver) na de datum van de “Belofte tot verkoop” nog over de grond beschikte en er een appartement op heeft gebouwd, kan, zo stelt de vrouw, worden afgeleid uit een door haar overgelegd stuk, waaruit blijkt dat in oktober 2018 aan de man voor de betreffende percelen een bouwvergunning is afgegeven. Van dit stuk heeft de man weer gesteld dat het valselijk is opgemaakt. De vrouw heeft diverse foto’s en beeldfragmenten overgelegd (zonder bezwaar daartegen zijdens de man), die de bouw, dan wel het bestaan van een gebouw laten zien. De vrouw stelt verder nadere kadastrale stukken in Marokko te hebben opgevraagd.. 4.16.3. De rechtbank is van oordeel dat met het door de man overgelegde stuk onvoldoende is komen vast te staan dat hij de grond heeft verkocht. Daarmee staat evenwel nog niet vast, dat de man op de grond een appartementencomplex heeft gebouwd. Weliswaar is hem – zo blijkt uit het door de vrouw overgelegde stuk, in 2018 een vergunning verleend, maar omdat de uitgewerkte bouwplannen, waarnaar genoemde vergunning verwijst en die bij die vergunning een bijlage zijn, niet zijn overgelegd, kan de rechtbank niet vaststellen waarop de bouwvergunning precies betrekking heeft. Of deze vergunning de bouw betreft van een appartementencomplex en dat die bouw zal plaatsvinden op de hier bedoelde grond van de man, kan de rechtbank niet vaststellen. Daarnaast kan ook uit de door de vrouw overgelegde foto’s en beeldfragmenten niet worden afgeleid (a) dat het daarop zichtbare gebouw wordt gebouwd op de hier bedoelde grond, (b) dat het de bouw betreft waarvoor genoemde bouwvergunning is verleend, en (c) dat de man bij die bouw betrokken was, terwijl voorts (d) niet blijkt dat de beelden zijn gemaakt in de door de vrouw genoemde – en door de man betwiste – jaren 2019 en 2020. Tenslotte moet worden vastgesteld dat het door de vrouw genoemde verzoek om kadastrale stukken uit Marokko– kennelijk – niet heeft geleid tot de verkrijging van stukken die erop wijzen dat er in [plaats 2] onroerende zaken op naam van de man zijn geregistreerd. De rechtbank ziet geen grond om nog langer op stukken te wachten. 4.16.4. Alles overziende oordeelt de rechtbank dat onvoldoende is komen vast te staan dat er op aan de man in eigendom toebehorende grond in [plaats 2] een appartementencomplex is gebouwd, dat onderdeel is van de huwelijksgoederengemeenschap van partijen; dat zal dan ook voor een eventuele inboedel van dat complex gelden. Het door de vrouw aangeboden nadere bewijs – het als getuige doen horen van de zoon van partijen – zal hierin geen verandering kunnen brengen, nu de vrouw enkel heeft aangegeven dat de zoon kan verklaren over het bestaan van een appartementencomplex, maar niet van de omstandigheid dat dit complex onderdeel is geworden van de huwelijksgoederengemeenschap van partijen. Dit bewijsaanbod zal dan ook worden gepasseerd. 4.16.5. Het verzoek van de vrouw om te bepalen dat de man de grond en een appartementencomplex in Marokko aan haar heeft verbeurd, zal op grond van het voorgaande moeten worden afgewezen.\n\nde spaarrekening met saldo in Marokko4.17.1. Uit de door de vrouw overgelegde stukken blijkt dat in Marokko een spaarrekening bestaat (of heeft bestaan) op naam van de man, met nr. [nummer 1] bij de Banque Populaire. Op deze rekening zijn in de jaren 2004 tot en met 2018 (grote) bedragen (tijdelijk) vastgezet, telkens voor één of twee jaar. In september 2018 bedroeg het saldo van deze rekening 8.500.000,-- MAD, zijnde de equivalent van € 803.734,--. De man betwist dat hij deze rekening heeft gehad – hij legt daartoe een verklaring over van de betreffende Banque Populaire, waarin wordt aangegeven dat de man bij die bank maar één bankrekening heeft, namelijk een rekening met [nummer 2] . 4.17.2. De door de man overgelegde verklaring is naar het oordeel van de rechtbank, in het licht van de door de vrouw over de bankrekening met eindcijfers 009 overgelegde stukken – die betrekking hebben op een periode van veertien jaar –, onvoldoende om op grond daarvan te moeten vaststellen dat de genoemde spaarrekening 009 er nooit is geweest. Dat betekent dat de rechtbank ervan uitgaat dat de rekening heeft bestaan en in 2018 het hierboven genoemde saldo had. De stellingen van de man moeten dan aldus worden begrepen, dat hij stelt dat die rekening\u002Fdat saldo er op de peildatum niet meer was. En het is dan aan de man – ook omdat de rekening op (alleen) zijn naam stond en werd aangehouden bij een bank in Marokko, waar partijen niet woonde maar waar, naar onbetwist is, de man al langere tijd verblijft – om toelichting te geven over wat er sinds 2018 met de rekening\u002Fhet saldo is gebeurd. De man heeft die toelichting niet gegeven; hij heeft enkel laten zien dat op dit moment de bankrekening niet meer bestaat. De rechtbank moet dan aannemen dat het saldo er nog wel is (zij het dat het mogelijk niet meer op de spaarrekening staat) en dat de man dat saldo bewust weghoudt uit deze (verdelings-)procedure. Vastgesteld moet dan worden dat het saldo onderdeel is van de te verdelen huwelijksgoederengemeenschap van partijen en dat de man ten aanzien van dat saldo handelt zoals is omschreven in artikel 3:194, lid 2 BW: hij verzwijgt het geld opzettelijk, dan wel houdt het opzettelijk verborgen. Hij verbeurt daarmee zijn aandeel in dit saldo, hetgeen tot gevolg moert hebben dat het saldo geheel toekomt taan de vrouw. Nu de man geen inzicht heeft gegeven in het verloop van het saldo na september 2018, kan de rechtbank niet anders dan uitgaan van het laatst bekende saldo. De man zal dus een bedrag van € 803.734,-- aan de vrouw dienen te betalen.\n\nde auto Jeep4.18.1. De vrouw heeft gesteld dat tot de gemeenschap behoort een auto, Jeep, die door de man (in Marokko) wordt gebruikt. De man heeft ontkent over een auto te beschikken. De vrouw heeft een foto van een Jeep – naar zij onbetwist heeft gesteld: gemaakt in 2025 – overgelegd, en voorts bij haar laatste akte een proces-verbaal van uitvoering (met vertaling in het Nederlands), waaruit blijkt dat door een daartoe bevoegde instantie op 8 april 2026 onderzoek is gedaan bij het voertuigenregistratie-kantoor te [plaats 2] en dat in dat onderzoek is vastgesteld dat daar een auto, Jeep, met [kenteken] op naam van de man is geregistreerd. In onderlinge samenhang beschouwd, leveren deze stukken voldoende bewijs op van de stelling van de vrouw dat de man op de peildatum over deze auto beschikte, en dat de auto dus tot de te verdelen huwelijksgoederengemeenschap behoort. 4.18.2. De man heeft nog twee stukken overgelegd, waaruit naar hij stelt blijkt dat de Jeep met genoemd kenteken bij een ander – en dus niet bij hem – in eigendom is. Deze stukken zijn echter in het Marokkaans gesteld en niet voorzien van een vertaling in het Nederlands; de rechtbank kan daardoor de juistheid van de stelling van de man niet uit die stukken afleiden. Wel ziet de rechtbank dat de stukken betrekking (lijken te) hebben op feiten van op en na 8 april 2026 (de datum waarop het door de vrouw overgelegde onderzoek is gedaan). De stukken zijn dan onvoldoende om het hiervoor vastgestelde – dat de auto op de peildatum in bezit van de man was en tot de huwelijksgoederengemeenschap behoord – te weerleggen. 4.18.3. De rechtbank gaat er dus vanuit, dat de auto onderdeel is van de huwelijksgoederen-gemeenschap van partijen. Dan moet worden vastgesteld dat de man ten aanzien van deze auto handelt zoals is omschreven in artikel 3:194, lid 2 BW: hij verzwijgt de auto opzettelijk, dan wel houdt deze opzettelijk verborgen. Hij verbeurt daarmee zijn aandeel in de auto, hetgeen feitelijk betekent dat die auto geheel zal toekomen aan de vrouw. De rechtbank zal aldus beslissen. Onder die omstandigheden is het niet meer nodig om een waarde van de auto vast te stellen.\n\n4.19.. Nu het primaire verzoek van de vrouw deels wordt afgewezen, komt de rechtbank toe aan de subsidiaire verzoeken. De verzoeken onder B, 1 en 2 hebben betrekking op de voormalige echtelijke woning aan de [adres] te [woonplaats 2] . Bij gelegenheid van de mondelinge behandeling zijn partijen overeengekomen deze woning bindend te laten taxeren door een – door hen beide geaccordeerde – taxateur. Bij haar latere akte heeft de vrouw het van die taxatie opgemaakte rapport overgelegd; de man heeft zich met dit rapport akkoord verklaard. De waarde van de woning is door de taxateur vastgesteld op € 450.000,--; De vrouw heeft verzocht de woning aan haar toe te delen. Daarbij zal zij de op die woning rustende hypothecaire schuld als eigen schuld op zich nemen en voldoen, en de man doen ontslaan uit zijn hoofdelijke aansprakelijkheid voor deze schuld. Zij heeft gesteld tot de overname van de woning in staat te zijn; de man heeft dat betwist. Na de taxatie zijn partijen op deze discussie niet meer teruggekomen. De rechtbank zal daarom aannemen dat de woning – nu de waarde bekend is – voor die waarde (€ 450.000,--) aan de vrouw kan worden toegedeeld; zij zal daartoe beslissen en bepalen dat de vrouw de hypothecaire schuld (die onbetwist € 31.346,-- bedraagt) als haar eigen schuld op zich zal nemen en zal voldoen, onder de verplichting de man het doen ontslaan uit de hoofdelijke aansprakelijkheid voor deze schuld. Wegens overbedeling zal de vrouw aan de man dienen uit te keren een bedrag van (€ 450.000,-- – € 31.346,--) : 2= € 209.327,--. De vrouw heeft verder – onder B, 7 verzocht de inboedel van de echtelijke woning zonder verrekening aan haar toe te delen. De man heeft tijdens de mondelinge behandeling daarmee ingestemd. De rechtbank zal aldus beslissen.\n\n4.20.. De rechtbank zal het onbetwiste verzoek van de vrouw onder B, 5 om het saldo van de bankrekening op haar naam bij ING-bank met nr. [iban] aan haar toe te delen, toewijzen; de vrouw zal wegens overbedeling de helft van het saldo, dus (€ 784,15 : 2 =) € 397,08, aan de man dienen uit te keren. Het saldo op de bankrekening op naam van de man bij Banque Populaire in Marokko met [nummer 2] wordt – nu daartegen geen verweer is gevoerd – toegedeeld aan de man. Wegens overbedeling zal hij de helft van het saldo op de peildatum (15 april 2025) aan de vrouw dienen te vergoeden. Op grond van de door de man overgelegde bankafschriften kan het saldo op genoemde datum worden vastgesteld op 35.460,38 MAD, zijnde € 3.190,--. De man dient dus een bedrag van € 1.595,-- aan de vrouw uit te keren.\n\n4.21.. Aan de subsidiaire verzoeken betreffende de grond en het appartementencomplex (inclusief de inboedel) in Marokko, de bankrekeningen aldaar en de auto komt de rechtbank, gelet op hetgeen hiervoor in rechtsoverweging 4.16, 4.17 en 4.18 is overwogen en beslist, niet toe.\n\n4.22.. Resumerend zal de rechtbank de wijze van verdelen van de tussen partijen bestaan hebbende huwelijksgoederengemeenschap als volgt vaststellen: ● de woning aan de [adres] te [woonplaats 2] (inclusief de inboedel) wordt toegedeeld aan de vrouw; zij zal de op die woning rustende hypothecaire schuld als eigen schuld op zich nemen en voldoen, en de man doen ontslaan uit zijn hoofdelijke aansprakelijkheid voor deze schuld. Wegens overbedeling zal de vrouw aan de man dienen uit te keren een bedrag van € 209.327,--; ● het saldo van de bankrekening bij ING-bank met nr. [iban] wordt toegedeeld aan de vrouw; wegens overbedeling zal de vrouw € 397,08, aan de man dienen uit te keren ● het saldo op de bankrekening met [nummer 2] bij Banque Populaire in Marokko wordt toegedeeld aan de man; wegens overbedeling zal de man een bedrag van € 1.595,-- aan de vrouw dienen uit te keren; ● het saldo van de spaarrekening met nr. [nummer 1] bij de Banque Populaire in Marokko komt geheel toe aan de vrouw; de man zal een bedrag van € 803.734,-- aan de vrouw dienen te betalen; ● de auto Jeep, met [kenteken] , komt geheel toe aan de vrouw; de man zal de auto aan de vrouw dienen af te geven.\n\n4.23.. De rechtbank zal overeenkomstig rechtsoverweging 4.19 beslissen, en afwijzen wat meer of anders is verzocht.\n\n5. De beslissing\n\nDe rechtbank\n\nin de zaak met nummer C\u002F02\u002F434457 \u002F FA RK 25-2019\n\nspreekt de echtscheiding uit in het op [datum] 1996 tussen partijen in het Marokkaans consulaat te [plaats 1] gesloten huwelijk;\n\nin de zaak met nummer C\u002F02\u002F440942 \u002F FA RK 25-5329\n\nstelt – uitvoerbaar bij voorraad – de wijze van verdeling van de tussen partijen bestaan hebbende huwelijksgoederengemeenschap als volgt vast:\n\n● de woning aan de [adres] te [woonplaats 2] (inclusief de inboedel) wordt toegedeeld aan de vrouw; zij zal de op die woning rustende hypothecaire schuld als eigen schuld op zich nemen en voldoen, en de man doen ontslaan uit zijn hoofdelijke aansprakelijkheid voor deze schuld. Wegens overbedeling zal de vrouw aan de man dienen uit te keren een bedrag van € 209.327,--; ● het saldo van de bankrekening bij ING-bank met nr. [iban] wordt toegedeeld aan de vrouw; wegens overbedeling zal de vrouw € 397,08, aan de man dienen uit te keren ● het saldo op de bankrekening met [nummer 2] bij Banque Populaire in Marokko wordt toegedeeld aan de man; wegens overbedeling zal de man een bedrag van € 1.595,-- aan de vrouw dienen uit te keren; ● het saldo van de spaarrekening met nr. [nummer 1] bij de Banque Populaire in Marokko komt geheel toe aan de vrouw; de man zal een bedrag van € 803.734,-- aan de vrouw dienen te betalen; ● de auto Jeep, met [kenteken] , komt geheel toe aan de vrouw; de man zal de auto aan de vrouw dienen af te geven.\n\nwijst af hetgeen meer of anders is verzocht.\n\nDeze beschikking is gegeven door mr. Van Dijk, en, in tegenwoordigheid van de griffier, in het openbaar uitgesproken op 12 mei 2026.\n\nMededeling van de griffier:\n\nIndien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:\n\n- door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,\n\n- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.\n\nHet hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het\n\ngerechtshof ’s-Hertogenbosch.","nl","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:5175","ecli-nl-rbzwb-2026-5175",{"courtName":8,"legalDomain":17,"decisionType":18,"procedureType":19},"Civiel recht; Personen- en familierecht","uitspraak","Uitspraak",[21,32,43,53,63],{"id":22,"ecli":23,"caseNumber":6,"courtId":24,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":26,"language":12,"source":13,"sourceUrl":27,"summary":6,"slug":28,"metadata":29},"410","ECLI:NL:RBLIM:2026:6423",66,"2026-07-08T00:00:00.000Z","RECHTBANK limburg\n\nZittingsplaats Roermond\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: ROE 25 \u002F 2565\n\nuitspraak van de meervoudige kamer van 8 juli 2026 in de zaak tussen\n\n [belanghebbende] , gevestigd te [plaats], belanghebbende\n\n(gemachtigde: M.O.E. Uyen)\n\nen\n\nde heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking Gemeenten en Waterschappen, de heffingsambtenaar (gemachtigde: A. van den Dool).\n\nProcesverloop\n\nDe heffingsambtenaar heeft op grond van de Wet waardering onroerende zaken (Wet woz) de waarde van de onroerende zaken van belanghebbende voor het belastingjaar 2025 vastgesteld (het primaire besluit).\n\nBelanghebbende heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt.\n\nDe heffingsambtenaar heeft het bezwaar van belanghebbende gegrond verklaard (het bestreden besluit). Aan belanghebbende is een proceskostenvergoeding van in totaal € 161,74 toegekend.\n\nBelanghebbende heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.\n\nDe heffingsambtenaar heeft verweer gevoerd.\n\nOp 4 mei 2026, aangevuld op 11 mei 2026, zijn van belanghebbende nadere gronden en stukken ontvangen.\n\nHet onderzoek ter zitting heeft vervolgens plaatsgevonden op 15 mei 2026. Belanghebbende heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. L.H.G.M. Driessen, kantoorgenote van haar gemachtigde bij Previcus B.V. te Boxmeer. De heffingsambtenaar heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.\n\nOverwegingen\n\n1. De rechtbank stelt vast dat de woz-waarde tussen partijen niet meer in geschil is. Het beroep van belanghebbende richt zich enkel tegen de toegekende proceskostenvergoeding en spitst zich toe op de vraag of de heffingsambtenaar bij de vaststelling van de proceskostenvergoeding in bezwaar toepassing heeft mogen geven aan de vermenigvuldigingsfactor 0,125 van artikel 30a, eerste lid, van de Wet woz, zoals dit artikellid luidt met ingang van 1 januari 2025.\n\n2. De heffingsambtenaar heeft in het bestreden besluit de proceskostenvergoeding van € 161,74 als volgt gespecificeerd:\n\n- indienen bezwaarschrift: 1 punt x waarde per punt € 647,- x factor 0,125 = € 80,87 +\n\n- bijwonen hoorzitting: 1 punt x waarde per punt € 647,- x factor 0,125 = € 80,87 = € 161,74.\n\n3. Belanghebbende vindt dat de heffingsambtenaar een te lage proceskostenvergoeding heeft toegekend. Zij verzoekt de rechtbank om artikel 30a van de Wet woz buiten toepassing te laten, omdat haar gemachtigde een bijzonder geval is als bedoeld in het zogenoemde 30a-arrest van de Hoge Raad van 17 januari 2025 (ECLI:NL:HR:2025:46).\n\n4. In het 30a-arrest heeft de Hoge Raad geoordeeld dat bijzondere gevallen zich onderscheiden doordat zij niet voldoen aan de volgende kenmerken: dat aan de belanghebbende rechtsbijstand wordt verleend door een beroepsmatig optredende gemachtigde, dan wel een kantoor, waarvan het bedrijfsmodel eruit bestaat dat\n\n( i) wordt opgetreden op basis van no cure no pay,\n\n(ii) daarbij zodanige afspraken met de cliënten worden gemaakt dat het bedrag van eventuele proceskostenvergoedingen aan de gemachtigde of aan het kantoor wordt afgedragen, en\n\n(iii) de procedures op een zodanige wijze worden gevoerd dat de daarin toegekende proceskostenvergoedingen de in redelijkheid gemaakte kosten ver overtreffen.\n\n5. De daarbij te hanteren regels zijn nader uitgewerkt in de arresten van de Hoge Raad van 25 april 2025 (ECLI:NL:HR:2025:670) en 18 juli 2025 (ECLI:NL:HR:2025:1175).\n\n5.1.. Volgens de Hoge Raad rusten op de belanghebbende de stelplicht en bewijslast van feiten die meebrengen dat buiten redelijke twijfel komt vast te staan dat, beoordeelt naar de situatie op het moment waarop het desbetreffende rechtsmiddel is aangewend, het bedrijfsmodel van de betreffende gemachtigde of diens kantoor kennelijk niet allehiervoor bedoelde drie kenmerken heeft en dat aldus sprake is van een bijzonder geval. Er is dus (al) sprake van een bijzonder geval als één van de drie kenmerken niet van toepassing is.\n\n5.2.. Bij de beoordeling van het bedrijfsmodel gaat het niet specifiek om de werkzaamheden die de gemachtigde heeft verricht in de procedure waarop de proceskostenvergoeding ziet. Met het bedrijfsmodel is namelijk meer in het algemeen de wijze bedoeld waarop de gemachtigde zijn inkomsten verwerft met het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand.\n\n5.3.. Indien het bedrijfsmodel van een gemachtigde of een kantoor inhoudt dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay (i), of op een grondslag die daarmee in wezen overeenkomt en daarmee dus op één lijn kan worden gesteld, en dat daarbij afspraken met de cliënten worden gemaakt als hiervoor onder (ii) bedoeld, zal aldus moeten worden beoordeeld of dit bedrijfsmodel voldoet aan het hiervoor onder (iii) vermelde kenmerk van vergaande overdekking. Daartoe moet een vergelijking worden gemaakt tussen enerzijds het totale bedrag aan proceskostenvergoedingen dat aan de gemachtigde of aan het kantoor wordt afgedragen, en anderzijds het totale bedrag van de kosten van de gemachtigde of van het kantoor die kunnen worden toegerekend aan het voeren van de procedures waarop die proceskostenvergoedingen betrekking hebben. Het komt dus erop aan of het totale bedrag van de afgedragen proceskostenvergoedingen het totale bedrag van de zojuist bedoelde kosten verre overtreft. De omstandigheid dat vaak geheel of ten dele gebruik wordt gemaakt van gestandaardiseerde tekstblokken die niet zijn toegespitst op de desbetreffende zaak, vormt een aanwijzing dat het bedrijfsmodel wel het derde kenmerk van vergaande overdekking heeft, en zal daarom in het algemeen volstaan om aan te nemen dat de belanghebbende niet in dit door hem te leveren bewijs is geslaagd.\n\n6. In het arrest van 26 september 2025 (ECLI:NL:HR:2025:1375) heeft de Hoge Raad nader uitgewerkt wanneer sprake is van een bedrijfsmodel dat eruit bestaat dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay (i). Bij optreden op basis van no cure no pay moet worden uitgegaan van afspraken tussen de belanghebbende en de rechtsbijstandverlener op grond waarvan de belanghebbende geen financieel risico loopt bij inschakeling van de rechtsbijstandverlener, omdat geen instapvergoeding verschuldigd is noch een percentage van de bespaarde belasting als vergoeding moet worden afgestaan (zie Kamerstukken II 2023\u002F24, 36 427, nr. 3, blz. 2). Bij de beoordeling van de vraag of het bedrijfsmodel van een beroepsmatig optredende gemachtigde, dan wel een kantoor, eruit bestaat dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay, komt het dus erop aan of die gemachtigde dan wel diens kantoor afspraken maakt met klanten op grond waarvan zij geen financieel risico lopen bij het verstrekken van de opdracht tot het verlenen van rechtsbijstand in een belastingprocedure. De verschuldigdheid van een instapvergoeding staat niet in alle gevallen eraan in de weg dat afspraken met een rechtsbijstandsverlener worden aangemerkt als afspraken op basis van no cure no pay. Onder het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand op basis van no cure no pay wordt namelijk ook begrepen het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand op een grondslag die daarmee in wezen overeenkomt en daarmee dus op één lijn kan worden gesteld. Dan moet worden gedacht aan de betaling van een zodanig laag bedrag dat die betaling als een pro forma of symbolische bijdrage moet worden beschouwd.\n\n7. De rechtbank stelt vast dat de gemachtigde van belanghebbende in deze zaak niet heeft bestreden dat haar bedrijfsmodel de hiervoor onder (ii) en (iii) vermelde kenmerken heeft.\n\n8. Belanghebbende bestrijdt dat het bedrijfsmodel van haar gemachtigde ten tijde van het instellen van bezwaar (en beroep) eruit bestaat dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay (i). Hiertoe heeft de gemachtigde verwezen naar een beschrijving van haar per 1 januari 2025 gewijzigde bedrijfsmodel (“Bijzonder geval: bedrijfsmodel Previcus en artikel 30a Wet WOZ”).\n\n8.1.. Volgens die beschrijving is de werkwijze met ingang van 1 januari 2025 fundamenteel gewijzigd. Het aantal dossiers is vanaf 2025 aanzienlijk afgenomen van 128.000 zaken naar circa 1.291 zaken. De zaken worden (vrijwel) niet meer op basis van no cure no pay uitgevoerd, maar volgens een regulier model waarin een cliënt, ongeacht de uitkomst van de zaak, een vaste startvergoeding betaalt (doorgaans gebaseerd op het aantal aanslagbiljetten) en\u002Fof een deel van de gerealiseerde besparing afdraagt (in bijna alle gevallen 40% van de besparing). De vóór 2025 aangebrachte zaken worden nog op basis van no cure no pay uitgevoerd. Bovendien worden vanaf 2025 alle aanslagbiljetten op voorhand gescreend en worden enkel de zaken doorgezet waarbij op voorhand onvoldoende duidelijk is dat er geen fouten zijn gemaakt. Er is, aldus de beschrijving, geen sprake meer van een grote massa waar de wetswijziging (Wet herwaardering proceskostenvergoeding WOZ en Bpm) op zag. De gemachtigde richt zich voortaan op de zakelijke markt, waarbij vrijwel altijd ook prijsafspraken met belanghebbenden worden gemaakt die losstaan van eventueel toegekende proceskostenvergoedingen.\n\n8.2.. De gemachtigde heeft de prijsafspraken over 2025 als volgt in een overzicht opgenomen.\n\n8.3.. De vermelding in de volmacht dat de vergoeding voor de werkzaamheden uitsluitend het totaal van de proceskostenvergoedingen bedraagt, klopt, aldus de beschrijving, niet meer. De onderliggende overeenkomsten bepalen dat cliënten zelf vergoedingen verschuldigd zijn. De proceskostenvergoeding speelt daarin nog slechts een kleine aanvullende rol.\n\n9. Op 4 mei 2026 heeft de gemachtigde van belanghebbende de facturen en betaalbewijzen in een groot aantal zaken, waarin zij als gemachtigde optreedt, ingezonden. Op 11 mei 2026 is daarvan een overzicht overgelegd. Die stukken bevestigen het beeld dat de beschrijving van het bedrijfsmodel geeft. Uit de facturen en betaalbewijzen blijkt namelijk dat de gemachtigde van een groot deel van haar cliënten een “besparingsfee” van minimaal 30% van de eventuele belastingbesparing vraagt, zij die “besparingsfee” aan haar cliënten factureert en die “besparingsfee” vervolgens ook door de cliënten wordt betaald.\n\n10. Daarnaast komt uit de facturen en betaalbewijzen naar voren dat de meeste cliënten (bovenop de “besparingsfee”) tevens een (in hoogte variërende) “startfee” zijn verschuldigd. Op zitting heeft de gemachtigde toegelicht dat, indien overeengekomen, de “startfee” altijd wordt gefactureerd en betaald. Dat dit niet in alle gevallen gebeurt blijkt uit de overgelegde facturen en betaalbewijzen, en komt, aldus de gemachtigde, doordat de “startfee”, die ongeacht de uitkomst is verschuldigd, in die gevallen eerder is gefactureerd en betaald. Dat is anders bij de “besparingsfee”, die niet eerder dan na het nemen van het bestreden besluit in rekening kan worden gebracht, omdat dan pas de (hoogte van de) besparing duidelijk is.\n\n11. De heffingsambtenaar heeft zich ter zitting op het standpunt gesteld dat het pas op 4 mei 2026 door de gemachtigde van belanghebbende indienen van facturen en betaalbewijzen (die op 6 mei 2026 door de rechtbank zijn vrijgegeven), die al in 2025 beschikbaar waren, in strijd is met een goede procesorde. De rechtbank overweegt dat partijen in beginsel vrij zijn om gedurende de procedure hun standpunten aan te vullen. Die vrijheid wordt echter begrensd door de beginselen van de goede procesorde. Hoewel de late indiening van reeds voorhanden zijnde stukken niet de schoonheidsprijs verdient, ziet de rechtbank hierin geen grond om die stukken vanwege strijd met een goede procesorde buiten beschouwing te laten. Hiertoe acht de rechtbank van belang dat de stukken een onderbouwing vormen van een eerder door de gemachtigde ingenomen standpunt, een reactie zijn op het verweerschrift en dat de aard en de omvang van de stukken niet zodanig zijn dat van de heffingsambtenaar om adequaat hierop te kunnen reageren een nader diepgaand (feiten)onderzoek wordt gevergd. De inhoudelijke reactie van de heffingsambtenaar op de stukken in de pleitnota bevestigen dit oordeel.\n\n12. De rechtbank stelt voorop dat voor haar de facturen en de betaalbewijzen leidend zijn voor de beoordeling van de vraag of kenmerk (i) op de gemachtigde van belanghebbende van toepassing is. Naar het oordeel van de rechtbank zijn (alleen) die stukken, en niet (ook) de overeenkomst, de website en de algemene voorwaarden van de gemachtigde (op 9 februari 2025), waarvan gesteld is dat die op dat moment nog niet in overeenstemming met het gewijzigde bedrijfsmodel waren gebracht, relevant voor de vraag of sprake is van een bedrijfsmodel op basis van no cure no pay. Omdat het bedrijfsmodel van de gemachtigde (en niet de vergoedingen in de aan de rechtbank voorliggende zaken) moet worden beoordeeld, blijft die beoordeling, anders dan de heffingsambtenaar stelt, niet beperkt tot de gemeenten binnen het ambtsgebied van de heffingsambtenaar. Daaruit volgt ook dat op grond van het (incidenteel) ontbreken van facturen en betaalbewijzen in aan de rechtbank voorliggende zaken niet zonder meer kan worden geconcludeerd dat kenmerk (i) op het bedrijfsmodel van de gemachtigde van toepassing is.\n\n13. De rechtbank is van oordeel dat met voldoende gegevens is onderbouwd dat de gemachtigde in 2025 voor een groot deel van de procedures een “besparingsfee” in rekening heeft gebracht. Door het betalen van een “besparingsfee” loopt een belanghebbende bij de inschakeling een gemachtigde voor het voeren van een procedure een financieel risico (zie hiervoor het arrest van de Hoge Raad van 26 september 2025). Deze door de gemachtigde gevraagde vergoeding (van 30-40%) acht de rechtbank, nog daargelaten dat de Hoge Raad dat enkel ten aanzien van “instapvergoedingen” heeft geoordeeld, ook niet dusdanig laag dat kan worden gesproken van rechtsbijstandverlening op een grondslag die in wezen overeenkomt met rechtsbijstandverlening op basis van no cure no pay. Op grond van het vorenstaande heeft belanghebbende, naar het oordeel van de rechtbank, buiten redelijke twijfel bewezen dat het bedrijfsmodel van de gemachtigde ten tijde van het instellen van bezwaar niet het kenmerk van optreden op basis van no cure no pay heeft (i). Daaraan doet niet af dat een belanghebbende vooraf ermee heeft ingestemd dat een eventuele vergoeding van proceskosten aan de gemachtigde toekomt. Dat geldt ook voor het ontbreken van facturen en betaalbewijzen van op een eerder moment in rekening gebrachte “startfees” en de door de heffingsambtenaar gestelde inconsistenties in de hoogte hiervan.\n\n14. Uit het vorenstaande volgt dat sprake is van een bijzonder geval en de heffingsambtenaar ten onrechte toepassing heeft gegeven aan artikel 30a, eerste lid, van de Wet woz.\n\n15. Dit betekent dat het beroep van belanghebbende gegrond is. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit voor zover dat ziet op de toegekende proceskostenvergoeding en bepaalt met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht de proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase op € 1.332,- (2 x € 666,-).\n\n16. Aan het standpunt van belanghebbende dat aan het bestreden besluit een motiveringsgebrek kleeft, wordt niet toegekomen.\n\n17. Omdat het beroep gegrond is, moet de heffingsambtenaar het griffierecht aan belanghebbende vergoeden.\n\n18. De rechtbank acht termen aanwezig om de heffingsambtenaar te veroordelen in de proceskosten die belanghebbende redelijkerwijs heeft moeten maken in verband met de behandeling van het beroep, een en ander eveneens overeenkomstig de normen van het Besluit proceskosten bestuursrecht. Aan belanghebbende is door een derde beroepsmatig rechtsbijstand verleend. Voor de in aanmerking te nemen proceshandelingen worden 2 punten (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen op zitting met een waarde van € 934,- per punt) toegekend. De rechtbank bepaalt in overeenstemming met het Richtsnoer proceskostenvergoeding belastingkamers gerechtshoven 2024 (neergelegd in de uitspraak van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 7 augustus 2024, ECLI:NL:GHSHE:2024:2524) de wegingsfactor op 0,5. Gelet hierop bedraagt het vanwege de in deze zaak verleende rechtsbijstand te vergoeden bedrag in totaal € 934,-.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep gegrond;\n\n- vernietigt het bestreden besluit voor zover dat ziet op de toegekende proceskostenvergoeding, stelt de proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase vast op € 1.332,- en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;\n\n- draagt de heffingsambtenaar op het betaalde griffierecht van € 385,- aan belanghebbende te vergoeden;\n\n- veroordeelt de heffingsambtenaar in de proceskosten van belanghebbende wegens verleende rechtsbijstand in beroep tot een bedrag van € 934,-.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. B.F.A. van Huijgevoort, voorzitter, en mrs. E.P.J. Rutten en J.H. van Hoof leden, in aanwezigheid van mr. D.D.R.H. Lechanteur, griffier.De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 8 juli 2026.\n\ngriffier rechter\n\nAfschrift verzonden aan partijen op: 8 juli 2026.\n\nRechtsmiddel\n\nTegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof ’s-Hertogenbosch (belastingkamer).\n\nU kunt digitaal beroep instellen via www.rechtspraak.nl. Daar klikt u op “Formulieren en inloggen”. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ’s-Hertogenbosch (belastingkamer).\n\nBij het instellen van het hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:\n\n1. bij het hogerberoepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;\n\n2 - het hogerberoepschrift moet, indien het op papier wordt ingediend, ondertekend zijn. Verder moet het ten minste het volgende vermelden:\n\na. de naam en het adres van de indiener;\n\nb. de datum van verzending;\n\nc. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;\n\nd. de redenen waarom u het niet eens bent met de uitspraak (de gronden van het hoger beroep).","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBLIM:2026:6423","ecli-nl-rblim-2026-6423",{"courtName":30,"legalDomain":31,"decisionType":18,"procedureType":19},"Roermond","Bestuursrecht; Belastingrecht",{"id":33,"ecli":34,"caseNumber":35,"courtId":36,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":37,"language":38,"source":39,"sourceUrl":6,"summary":40,"slug":41,"metadata":42},"85","ECLI:RO:2026:JudecatoriaSECTORUL5BUCURESTI:17050-302-2025-a1","17050\u002F302\u002F2025\u002Fa1",97,"Admite cererea de îndreptare a erorii materiale din cuprinsul sentin?ei civile nr. 2484\u002F06.03.2026, pronunţată de Judecătoria Sectorului 5 Bucure?ti în dosar nr. 17050\u002F302\u002F2025, formulată din oficiu.       \nDispune îndreptarea erorii materiale strecurată în cuprinsul sentin?ei civile nr. 2484\u002F06.03.2026 pronun?ată în cadrul dosarului nr. 17050\u002F302\u002F2025, în sensul re?inerii că pârâtul Vasile Constantin are codul numeric personal ............, iar nu ............., astfel cum în mod eronat s-a consemnat.   \nPrezenta încheiere face parte integrantă din cuprinsul sentin?ei civile nr. 2484\u002F06.03.2026 pronun?ată în cadrul dosarului nr. 17050\u002F302\u002F2025.   \nÎndreptarea se va efectua în toate exemplarele sentin?ei.\n\tCu drept de apel în 30 de zile de la comunicare. Cererea de apel se va depune la Judecătoria Sectorului 5 Bucure?ti.   \n\tPronun?ată prin punerea solu?iei la dispozi?ia păr?ilor prin intermediul grefei instan?ei, astăzi, 08.07.2026.\n","ro","portalquery_ro","Admite cererea","ecli-ro-2026-judecatoriasectorul5bucuresti-17050-302-2025-a1",null,{"id":44,"ecli":45,"caseNumber":6,"courtId":46,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":47,"language":12,"source":13,"sourceUrl":48,"summary":6,"slug":49,"metadata":50},"296","ECLI:NL:GHDHA:2026:2250",58,"Rolnummer: 22-001978-23\n\nParketnummer: 10-066729-23\n\nDatum uitspraak: 8 juli 2026\n\nTEGENSPRAAK\n\nArrestvan de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Den Haag gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 28 juni 2023 in de strafzaak tegen de verdachte:\n\n [verdachte],\n\ngeboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2002,\n\nBRP-adres: [BRP-adres] , [woonplaats] .\n\nOnderzoek van de zaak\n\nDit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof.\n\nHet hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.\n\nProcesgang\n\nIn eerste aanleg is de verdachte van het onder 1 tenlastegelegde vrijgesproken en ter zake van het onder 2 en 3 tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 120 dagen, met aftrek van voorarrest, waarvan 73 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren. Voorts is beslist op de vorderingen van de benadeelde partijen, zoals nader omschreven in het vonnis waarvan beroep.\n\nNamens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.\n\nOmvang van het hoger beroep\n\nDe verdachte is door de rechtbank Rotterdam vrijgesproken van hetgeen aan hem onder 1 is tenlastegelegd. Het hoger beroep is door de verdachte onbeperkt ingesteld en is derhalve mede gericht tegen de in eerste aanleg gegeven beslissing tot vrijspraak. Gelet op hetgeen is bepaald in artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering staat voor de verdachte tegen deze beslissing geen hoger beroep open. Het hof zal de verdachte mitsdien niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep gegeven vrijspraak.\n\nWaar hierna wordt gesproken van \"de zaak\" of \"het vonnis\", wordt daarmee bedoeld de zaak of het vonnis voor zover op grond van het vorenstaande aan het oordeel van dit hof onderworpen.\n\nTenlastelegging\n\nAan de verdachte is – voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen – tenlastegelegd dat:\n\n2. hij op of omstreeks 01 januari 2023 te 's-Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard, openlijk, te weten, op of aan de Smidsweg en\u002Fof de Langestraat, in elk geval op of aan (een) openbare weg(en), in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een of meer verbalisanten van de politie Eenheid Rotterdam, te weten [hoofdagent] (hoofdagent) en\u002Fof [aspirant] (aspirant) en\u002Fof één of meer verbalisanten, zijnde groepsleden van de Mobiele Eenheid van politie Eenheid Rotterdam, te weten [verbalisant 1] en\u002Fof [verbalisant 2] en\u002Fof [verbalisant 3] en\u002Fof [verbalisant 4] en\u002Fof [verbalisant 5] en\u002Fof [verbalisant 6] en\u002Fof [verbalisant 7] en\u002Fof [verbalisant 8] en\u002Fof [verbalisant 9] en\u002Fof [verbalisant 10] en\u002Fof [verbalisant 11] en\u002Fof [verbalisant 12] en\u002Fof [verbalisant 13] en\u002Fof [verbalisant 14] en\u002Fof [verbalisant 15] en\u002Fof [verbalisant 16] en\u002Fof [verbalisant 17] en\u002Fof [verbalisant 18] en\u002Fof [verbalisant 19] en\u002Fof [verbalisant 20] , althans een of meer (andere) verbalisanten door\n\n- één of meer stuks zwaar (illegaal) vuurwerk (betreffende onder meer: cobra's \u002F nitraten \u002F shells) en\u002Fof vuurwerkbommen op\u002Ftegen, althans in de richting van\u002Fnaar voornoemde verbalisanten af te schieten en\u002Fof te gooien, waarbij voornoemd(e) vuurwerk\u002Fvuurwerkbommen vlakbij\u002Fnaast het\u002Fde lichamen en\u002Fof het\u002Fde hoofden\u002Fgezichten van voornoemde verbalisanten tot ontploffing is\u002Fzijn gekomen en\u002Fof\n\n- ( met kracht) één of meer stenen en\u002Fof glaswerk op\u002Ftegen, althans in de richting van voornoemde verbalisanten te gooien en\u002Fof\n\n- ( dreigend) zich op te dringen aan voornoemde ambtenaren en\u002Fof\n\n- ( daarbij) (dreigend) een of meerdere ploertendoders, althans slagvoorwerpen, aan voornoemde ambtenaren te tonen\u002Fvoor te houden en\u002Fof\n\n- ( daarbij) aan die [aspirant] en\u002Fof [hoofdagent] en\u002Fof een of meer (andere) verbalisanten de weg te versperren, althans de doorgang te beletten en\u002Fof (daarbij) te verhinderen dat die [aspirant] en\u002Fof [hoofdagent] en\u002Fof anderen met\u002Fin een (politie)voertuig weg konden rijden en\u002Fof\n\n- naar\u002Fin de richting van voornoemde ambtenaren te schelden, met de woorden: \"Kankerlijers\", \"Kanker op joh\" en\u002Fof \"Kankerpolitie\" en\u002Fof\n\n- ( met kracht) op\u002Ftegen het (politie)schild van die [verbalisant 2] te trappen\u002Fschoppen;\n\n3. hij op of omstreeks 31 december 2022 te 's-Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard opzettelijk en wederrechtelijk een vuilnisbak\u002Fprullenbak, in elk geval enig goed, dat\u002Fdie geheel of ten dele aan Gemeente Hoeksche Waard, in elk geval aan een ander dan aan verdachte toebehoorde(n) heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt.\n\nVordering van de advocaat-generaal\n\nDe advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de bewezenverklaring zal worden bevestigd en dat de verdachte ter zake van het onder 2 en 3 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 107 dagen, met aftrek van voorarrest, waarvan 60 dagen voorwaardelijk en met een proeftijd van 2 jaren.\n\nHet vonnis waarvan beroep\n\nHet vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.\n\nVrijspraak\n\nDe advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het onder 2 tenlastegelegde wettig en overtuigend kan worden bewezenverklaard, nu de verdachte met zijn handelen een bijdrage van voldoende gewicht heeft geleverd aan het openlijk geweld tegen de desbetreffende verbalisanten. Zo heeft de verdachte voorafgaand aan de jaarwisseling deel genomen aan een WhatsApp-groep waarin werd gesproken over het voornemen onrust te veroorzaken ten tijde van de jaarwisseling. Voorts heeft de verdachte in de nacht van de jaarwisseling – nadat hij door leden van de Mobiele Eenheid (ME) was ingesloten –op zijn telefoon een video-opname gemaakt waarin er samen met medeverdachte [medeverdachte] (hierna: [medeverdachte] ) wordt gepraat over het doodschoppen van een ME’er. Vijftien minuten nadat hij deze video had opgenomen, is [medeverdachte] aangehouden voor het schoppen tegen het schild van een ME’er.\n\nHet hof overweegt als volgt.\n\nHet hof stelt voorop dat van het \"in vereniging\" plegen van geweld sprake is, indien de betrokkene een voldoende significante of wezenlijke bijdrage levert aan het geweld, zij het dat deze bijdrage zelf niet van gewelddadige aard hoeft te zijn. De enkele omstandigheid dat iemand aanwezig is in een groep die openlijk geweld pleegt is niet zonder meer voldoende om hem te kunnen aanmerken als iemand die \"in vereniging\" geweld pleegt. Beoordeeld zal moeten worden of de door de verdachte geleverde – intellectuele en\u002Fof materiële – bijdrage aan het delict van voldoende gewicht is.\n\nMet de advocaat-generaal en de verdediging is het hof van oordeel dat op grond van het verhandelde ter terechtzitting niet kan worden bewezen dat de verdachte omstreeks de jaarwisseling geweld heeft gebruikt jegens de verbalisanten, zoals het gooien met stenen of vuurwerk. Het hof is voorts van oordeel dat evenmin bewezen kan worden dat de verdachte op enige wijze geweldshandelingen die door andere personen zijn gepleegd heeft ondersteund of anderszins heeft bijgedragen aan het ontstaan of het voortduren van het geweld jegens de verbalisanten. Het hof neemt hierbij in aanmerking dat [medeverdachte] bij de raadsheer-commissaris als getuige is gehoord en heeft verklaard dat hetgeen de verdachte in de video-opname heeft gezegd, los stond van zijn handelen daarna en dat de verdachte niet in de buurt was toen [medeverdachte] tegen het schild van verbalisant [verbalisant 2] aan schopte. De enkele aanwezigheid in de groep die door de politie\u002FME was ingesloten en het feit dat de verdachte deel uit maakte van een WhatsApp-groep acht het hof evenmin een bijdrage van voldoende gewicht. Gelet op het voorgaande is niet vast komen te staan dat de verdachte een voldoende significante of wezenlijke bijdrage heeft geleverd aan het tenlastegelegde geweld tegen de desbetreffende verbalisanten, zodat het ten laste gelegde niet kan worden bewezen en de verdachte daarvan zal worden vrijgesproken.\n\nBewezenverklaring\n\nHet hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 3 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:\n\n3. hij op of omstreeks31 december 2022 te 's-Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard opzettelijk en wederrechtelijk eenvuilnisbak\u002Fprullenbak, in elk geval enig goed,dat\u002Fdiegeheel of ten deleaan Gemeente Hoeksche Waard, in elk geval aan een ander dan aan verdachtetoebehoorde(n)heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt;.\n\nHetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.\n\nBewijsvoering\n\nHet hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.\n\nIn die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.\n\nStrafbaarheid van het bewezenverklaarde\n\nHet onder 3 bewezenverklaarde levert op\n\nopzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen.\n\nStrafbaarheid van de verdachte\n\nEr is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.\n\nStrafmotivering\n\nHet hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.\n\nDaarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.\n\nDe verdachte heeft zich op oudejaarsavond schuldig gemaakt aan vernieling van een prullenbak door hierop zwaar vuurwerk tot ontploffing te brengen. Een dergelijk feit is gevaarzettend en geschikt om gevoelens van angst en onveiligheid in de maatschappij teweeg te brengen. De verdachte heeft met zijn handelen de gemeente en daarmee de gemeenschap financiële schade berokkend en hij heeft hiermee overlast veroorzaakt.\n\nHet hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie van 1 juni 2026, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder voor een vergelijkbaar feit is veroordeeld.\n\nTen aanzien van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) overweegt het hof dat deze is aangevangen op 6 maart 2023. In eerste aanleg is de redelijke termijn niet overschreden. Het hof stelt vast dat de behandeling van de zaak in hoger beroep niet heeft plaatsgevonden binnen de daartoe gestelde redelijke termijn,. Namens de verdachte is immers op 4 juli 2023 hoger beroep ingesteld en het hof wijst op 8 juli 2026 eindarrest. De redelijke termijn van de berechting in hoger beroep is derhalve met meer dan één jaar overschreden. Het hof ziet, ook gelet op de duur van de procedure als geheel, aanleiding te volstaan met de constatering van dit verzuim, gelet op de gekozen strafmodaliteit en de hoogte van de op te leggen straf.\n\nHet hof is – alles afwegende – van oordeel dat een onvoorwaardelijke taakstraf van na te melden duur een passende en geboden reactie vormt. Anders dan de verdediging heeft bepleit acht het hof een geldboete, gelet op de context waarin en de wijze waarop de vernieling plaatsvond – tijdens de jaarwisseling en met (illegaal) vuurwerk – niet passend. Evenmin zal om die reden toepassing worden gegeven aan het bepaalde in artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht.\n\nVorderingen tot schadevergoeding\n\nIn het onderhavige strafproces hebben tweeëntwintig verbalisanten zich als benadeelde partij gevoegd ter zake van het onder 2 ten laste gelegde. De benadeelde partijen [verbalisant 17] , [verbalisant 12] , [verbalisant 8] , [verbalisant 9] , [verbalisant 19] , [verbalisant 20] , [verbalisant 18] , [verbalisant 15] , [verbalisant 10] , [verbalisant 4] , [verbalisant 1] , [verbalisant 16] , [verbalisant 3] , [aspirant] , [verbalisant 7] , [hoofdagent] , [verbalisant 14] , [verbalisant 5] en [verbalisant 6] vorderen per persoon een vergoeding van € 350,00 aan immateriële schade. De benadeelde partijen [verbalisant 13] en [verbalisant 11] vorderen per persoon een vergoeding van € 400,00 aan immateriële schade en de benadeelde partij [verbalisant 2] vordert een vergoeding van € 750,00 aan immateriële schade.\n\nNu de verdachte ter zake van het onder 2 tenlastegelegde wordt vrijgesproken, zullen de benadeelde partijen niet-ontvankelijk worden verklaard in hun vordering.\n\nGelet daarop zullen de benadeelde partijen worden veroordeeld in de kosten die de verdachte tot aan deze uitspraak in verband met de verdediging tegen die vorderingen heeft moeten maken, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil.\n\nToepasselijke wettelijke voorschriften\n\nHet hof heeft gelet op de artikelen 9, 22c, 22d en 350 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.\n\nBESLISSING\n\nHet hof:\n\nVerklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder 1 tenlastegelegde.\n\nVernietigt het vonnis waarvan beroep voor zover thans aan het oordeel van het hof onderworpen en doet in zoverre opnieuw recht:\n\nVerklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 2 tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.\n\nVerklaart, zoals hiervoor overwogen, bewezen dat de verdachte het onder 3 tenlastegelegde heeft begaan.\n\nVerklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.\n\nVerklaart het onder 3 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.\n\nVeroordeelt de verdachte tot een taakstrafvoor de duur van60 (zestig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door30 (dertig) dagen hechtenis.\n\nBeveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van 2 uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.\n\nVordering van de benadeelde partijen:\n\n- [verbalisant 17] ,\n\n- [verbalisant 12] ,\n\n- [verbalisant 13] ,\n\n- [verbalisant 8] ,\n\n- [verbalisant 9] ,\n\n- [verbalisant 19] ,\n\n- [verbalisant 20] ,\n\n- [verbalisant 11]\n\n- [verbalisant 18] ,\n\n- [verbalisant 15] ,\n\n- [verbalisant 10] ,\n\n- [verbalisant 4] ,\n\n- [verbalisant 1] ,\n\n- [verbalisant 16] ,\n\n- [verbalisant 3] ,\n\n- [verbalisant 2]\n\n- [aspirant] ,\n\n- [verbalisant 7] ,\n\n- [hoofdagent] ,\n\n- [verbalisant 14] ,\n\n- [verbalisant 5] , en\n\n- [verbalisant 6]\n\nVerklaart de hiervoor genoemde benadeelde partijen telkens niet-ontvankelijk in hun vordering tot schadevergoeding.\n\nVeroordeelt de hiervoor genoemde benadeelde partijen telkens in de door verdachte gemaakte kosten en begroot deze telkens op nihil.\n\nDit arrest is gewezen door mr. F.W. Pieters, als voorzitter, mr. E.C. van Veen en mr. M.C. Bruining, leden, in bijzijn van de griffier mr. V.V. de Lange.\n\nHet is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 8 juli 2026.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHDHA:2026:2250","ecli-nl-ghdha-2026-2250",{"courtName":51,"legalDomain":52,"decisionType":18,"procedureType":19},"Den Haag","Strafrecht",{"id":54,"ecli":55,"caseNumber":6,"courtId":56,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":57,"language":12,"source":13,"sourceUrl":58,"summary":6,"slug":59,"metadata":60},"348","ECLI:NL:RBDHA:2026:18721",65,"RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Groningen\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL26.20806\n uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n \n [naam], eiseres,\n\nV-nummer: [v-nummer:],\n\n(gemachtigde: mr. I.M. Zuidhoek),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, de minister.\n\nInleiding\n\n1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 7 april 2026 niet in behandeling genomen omdat daarvoor Frankrijk verantwoordelijk is.\n\n1.1.. De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiseres. Zij doet dat mede aan de hand van de argumenten die eiseres heeft aangevoerd, de beroepsgronden.\n\n3. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiseres ongelijk krijgt en het bestreden besluit in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nToepasselijk recht\n\n4. Op deze zaak is het recht van toepassing dat gold vóór 12 juni 2026.\n\nTotstandkoming van het besluit\n\n5. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening.Op grond van de Dublinverordening neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.In dit geval heeft Nederland bij Frankrijk een verzoek om terugname gedaan. Frankrijk heeft dit verzoek aanvaard.\n\nMag de minister ten opzichte van Frankrijk uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel?\n\n6. Eiseres stelt zich op het standpunt dat er in Frankrijk voor haar een onveilige situatie zal optreden. Dit is het gevolg van de aanwezigheid van veel Libanezen in Frankrijk, waaronder ook de familie van haar moeder die haar eerder al bedreigde. Bovendien heeft eiseres in Nederland een community gevonden waar zij zich veilig bij voelt en in Frankrijk heeft zij niemand, dit is voor haar een angstaanjagend vooruitzicht. Dit terwijl in Nederland er een sterke en diverse LHBT-gemeenschap is waar zij zich veilig voelt. Volgens eiseres is er in Frankrijk bovendien nog steeds een groot probleem met betrekking tot de opvang van asielzoekers. Ze verwijst naar het AIDA-rapport over Frankrijk, update 2024.Er is een tekort aan opvangplekken en eiseres loopt bij terugkeer een reëel risico om in een situatie van materiële deprivatie terecht te komen. Volgens eiseres is het bestreden besluit niet zorgvuldig voorbereid en berust het evenmin op een deugdelijke motivering.\n\n6.1.. De beroepsgrond slaagt niet. Naar het oordeel van de rechtbank mag de minister ten aanzien van Frankrijk uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. De Afdelingheeft meermaals bevestigd dat ten aanzien van Frankrijk in algemene zin kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Hierbij is ook het AIDA rapport, update 2024, betrokken. De rechtbank overweegt ambtshalve dat ook het recente AIDA rapport, update 2025, geen wezenlijk ander beeld geeft van de opvangvoorzieningen in Frankrijk dan de informatie die is betrokken door de Afdeling in eerdere uitspraken.\n\n6.2.. Uit de AIDA rapporten blijkt niet dat sprake is van structurele tekortkomingen in de opvang of asielprocedure, ook niet ten aanzien van de LHTBI-gemeenschap. Eiseres heeft bovendien niet aannemelijk gemaakt dat zij bij overdracht aan Frankrijk persoonlijk geen opvang, rechtsbescherming of toegang tot de procedure zal krijgen. Eiseres heeft niet eerder een asielaanvraag in Frankrijk ingediend waardoor zij geen persoonlijke ervaring heeft met de kwaliteit van de asielprocedure en de opvangvoorzieningen in Frankrijk.\n\n6.3.. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van bijzondere, individuele omstandigheden op basis waarvan de minister de aanvraag toch zou moeten behandelen.\n\nConclusie en gevolgen\n\n7. Het beroep is kennelijk ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft en eiseres overgedragen kan worden aan Frankrijk. Eiseres krijgt geen vergoeding van haar proceskosten.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. A. Sibma, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Strating, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.\n\nDe uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over verzet\n\nAls partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.\n\n Zie artikel 84 van de Asiel- en migratiebeheerverordening inzake het overgangsrecht.\n\n Verordening (EU) nr. 604\u002F2013.\n\n Dit staat ook in artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.\n\n Update 2024 van juni 2025.\n\n Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.\n\n Update 2025 van mei 2026.\n\n Zie ook de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Arnhem, van 3 juli 2026. (ECLI:NL:RBDHA:2026:18469, r.o. 7.1) en de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Middelburg, van 25 juni 2026 (ECLI:NL:RBDHA:2026:17711).","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18721","ecli-nl-rbdha-2026-18721",{"courtName":61,"legalDomain":62,"decisionType":18,"procedureType":19},"Groningen","Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht",{"id":64,"ecli":65,"caseNumber":6,"courtId":66,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":67,"language":12,"source":13,"sourceUrl":68,"summary":6,"slug":69,"metadata":70},"418","ECLI:NL:RBDHA:2026:18726",61,"RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Rotterdam\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL26.36068uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n\n [naam eiser] , eiser\n\nV-nummer: [V-nummer]\n\n(gemachtigde: mr. J.S. Dobosz),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, verweerder\n\n(gemachtigde: mr. C. van der Zijde).\n\nSamenvatting\n\n1. Deze uitspraak gaat over de maatregel van vreemdelingenbewaring die aan eiser is opgelegd. Deze maatregel is opgelegd op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser is het niet eens met die maatregel. Hij voert daartegen een beroepsgrond aan. Onder meer aan de hand van deze beroepsgrond beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van die maatregel en de vraag of aan eiser een schadevergoeding moet worden toegekend.\n\n1.1.. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep gegrond is. Het opleggen van de maatregel van vreemdelingenbewaring is onrechtmatig. De rechtbank kent daarom een schadevergoeding toe. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.\n\n1.2.. In deze uitspraak gebruikt de rechtbank de volgende afkortingen voor de wet- en regelgeving:\n\nAwb: Algemene wet bestuursrecht\n\nVw: Vreemdelingenwet 2000\n\nVb: Vreemdelingenbesluit 2000\n\nProcesverloop\n\n2. Met het bestreden besluit van 29 juni 2026 heeft verweerder aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.\n\n2.1.. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.\n\n2.2.. De rechtbank heeft het beroep op 7 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, K.A. Ozdzinska als tolk en de gemachtigde van verweerder.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\nToetsingskader\n\n3. Verweerder kan als het belang van de openbare orde of de nationale veiligheid dat vordert, de vreemdeling die geen rechtmatig verblijf heeft in vreemdelingenbewaring stellen.Verweerder stelt een vreemdeling slechts in vreemdelingenbewaring, voor zover geen minder dwingende maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast en de vreemdelingenbewaring blijft achterwege of wordt beëindigd, indien deze niet langer noodzakelijk is met het oog op het doel van de vreemdelingenbewaring.Deze vreemdeling kan in vreemdelingenbewaring worden gesteld op grond dat het belang van de openbare orde of nationale veiligheid zulks vordert, indien a) een onderduikrisico bestaat, of b) de vreemdeling de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert.De maatregel kan alleen worden opgelegd wegens het bestaan van een onderduikrisico, indien ten minste twee van de gronden, genoemd in artikel 5.6, tweede lid, van het Vb zich voordoen.\n\nGronden\n\n4. Eiser heeft de gronden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd niet bestreden. De gronden, die de ambtshalve toetsing van de rechtbank doorstaan, zijn tezamen voldoende om de maatregel van bewaring te kunnen dragen.\n\nRechtmatig verblijf\n\n5. Eiser heeft aangevoerd dat er sprake is van een rechtmatig verblijf van eiser in Nederland op grond van artikel 7 van de Richtlijn 2004\u002F38\u002FEG. Eiser is een maand voorafgaand aan de onderhavige zaak opgehouden op 3 juni 2026. Hij heeft ter onderbouwing het proces-verbaal van ophouding overgelegd. Op deze dag is onderzoek gedaan naar de arbeidssituatie van eiser. Gebleken is dat eiser arbeid verricht voor een Nederlands uitzendbureau en beschikte over een arbeidscontract. Eiser is vervolgens heengezonden wegens bestendig verblijf. Verweerder kon ten aanzien van de onderhavige maatregel van bewaring op 29 juni 2026 niet zonder meer terugvallen op het standpunt dat sprake is van voortgezet onrechtmatig verblijf. Dit is onverenigbaar met de bevinding op 3 juni 2026. De maatregel van bewaring is dan ook onvoldoende zorgvuldig voorbereid en onvoldoende gemotiveerd.\n\n5.1.. Verweerder heeft aan de maatregel ten grondslag gelegd dat eiser geen rechtmatig verblijf in Nederland heeft, nu zijn verblijfsrecht als Unieburger bij beschikking van 6 maart 2025 is beëindigd. De rechtbank stelt voorop dat de enkele omstandigheid dat het verblijfsrecht van een Unieburger eerder is beëindigd, niet zonder meer meebrengt dat deze op een later moment geen rechten meer aan het Unierecht kan ontlenen. Indien sprake is van gewijzigde feiten en omstandigheden dient verweerder de verblijfsrechtelijke positie van de betrokkene opnieuw te beoordelen alvorens tot het oordeel te komen dat hij geen rechtmatig verblijf heeft.\n\n5.2.. De rechtbank oordeelt als volgt. In de maatregel van bewaring is vermeld dat eiser heeft verklaard werkzaam te zijn voor een Nederlands uitzendbureau en dit ook heeft aangetoond, dat eiser werkzaam is in België waar hij ook wordt voorzien van woonruimte door de werkgever en dat hij in België mag verblijven. Naar het oordeel van de rechtbank vormen deze omstandigheden concrete aanwijzingen dat de feitelijke situatie van eiser sinds de beschikking van 6 maart 2025 is gewijzigd. Van verweerder mocht daarom worden verwacht dat hij kenbaar zou onderzoeken welke betekenis deze gewijzigde omstandigheden hebben voor de actuele verblijfsrechtelijke positie van eiser. Uit de maatregel van bewaring, het gehoor voorafgaand aan deze maatregel en de overige stukken in het dossier is niet gebleken dat een dergelijk onderzoek heeft plaatsgevonden. Daarbij betrekt de rechtbank dat uit het proces-verbaal van ophouding van eiser op 3 juni 2026 blijkt dat eiser is heengezonden, omdat sprake was van ‘mogelijk bestendig verblijf’. Uit het proces-verbaal van verhoor op die dag blijkt dat het werken voor een Nederlands uitzendbureau hier ook aan de orde is geweest. Vervolgens wordt nog geen maand later in de onderhavige maatregel van bewaring zonder kenbare motivering aangenomen dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft. Niet valt in te zien waarom verweerder er zonder nader onderzoek van uit heeft kunnen gaan dat eiser geen aan het Unierecht ontleend verblijfsrecht had. De motivering dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft, is onder deze omstandigheden onvoldoende draagkrachtig. Gelet hierop is de maatregel in strijd met artikel 3:2 en 3:46 van de Awb tot stand gekomen en is dan ook onrechtmatig. Deze beroepsgrond slaagt.\n\nConclusie en gevolgen\n\n6. Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is gegrond. Deze maatregel is vanaf het moment van het opleggen daarvan onrechtmatig. De rechtbank beveelt de opheffing van deze maatregel met ingang van vandaag.\n\n6.1.. Op grond van artikel 106 van de Vw kan de rechtbank indien zij de opheffing van de maatregel van vreemdelingenbewaring beveelt aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen. De rechtbank acht gronden aanwezig om een schadevergoeding toe te kennen voor 10 dagen onrechtmatige (tenuitvoerlegging van de) vreemdelingenbewaring ten bedrage van 0 x € 160,- (verblijf politiecel) en 10 x € 120,- (verblijf detentiecentrum) = € 1.200,-.\n\n6.2.. Eiser krijgt een vergoeding van zijn proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- omdat de gemachtigde van eiser geacht wordt beroep te hebben ingesteld en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep gegrond;\n\n- veroordeelt de Staat der Nederlanden tot het betalen van € 1.200,- aan schadevergoeding aan eiser, te betalen door de griffier en beveelt de tenuitvoerlegging van deze schadevergoeding;\n\n- beveelt de opheffing van de maatregel van vreemdelingenbewaring met ingang van vandaag;\n\n- veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiser.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. S.N. Abdoelkadir, rechter, in aanwezigheid van mr. M. Stehouwer, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.\n\n Het beroep tegen een maatregel van bewaring wordt ook aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding. Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 59c van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 5.5 van het Vb.\n\n Dit volgt uit artikel 5.6, eerste lid, van het Vb.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18726","ecli-nl-rbdha-2026-18726",{"courtName":71,"legalDomain":62,"decisionType":18,"procedureType":19},"Rotterdam"]