ECLI:NL:RBZWB:2026:5281
Samenvatting
Civiel recht
Uitspraak
Middelburg
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Civielrecht
Kantonrechter
Zittingsplaats Middelburg
zaak/rolnr.: 12031538 CV EXPL 25-4632
vonnis van 10 juni 2026
in de zaak van
[eiser] B.V.,
te [plaats 1] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
gemachtigde: [gemachtigde] ,
t e g e n :
[gedaagde] ,
handelende onder de naam
[bedrijf 1] ,
te [plaats 2] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
in persoon.
1. het verloop van de procedure
De procedure is als volgt verlopen:
dagvaarding van 12 december 2025,
conclusies van antwoord, repliek en dupliek.
2. het geschil
2.1..
[eiser] vordert de veroordeling van [gedaagde] tot betaling van € 948,30 te vermeerderen met de wettelijke rente over € 668,79 vanaf 11 december 2025 en de proceskosten inclusief de nakosten. Het bedrag van € 948,30 bestaat uit een hoofdsom van € 668,79, € 155,82 aan rente daarover vanaf 11 januari 2024 tot en met 10 december 2025 en € 123,69 als vergoeding van buitengerechtelijke kosten.
2.2.. Als grond van haar vordering tot betaling van de hoofdsom voert [eiser] aan dat [bedrijf 2] op 11 januari 2024 € 677,32 onverschuldigd heeft betaald door dit bedrag over te maken van de bankrekening ten name van [stichting] naar de bankrekening van [gedaagde] . De oorspronkelijke eigenaar van de onverschuldigd betaalde gelden is inmiddels schadeloos gesteld. [eiser] heeft de vordering bij akte van cessie verkregen. [gedaagde] is bij brief van 1 oktober 2025 in kennis gesteld van deze overdracht.
2.3.. Samengevat komt het verweer van [gedaagde] op het volgende neer. Voor deze procedure was [gedaagde] al twee keer gedagvaard voor dezelfde vordering. In de eerste zaak was [bedrijf 2] de eisende partij. Die zaak is niet aangebracht bij de rechtbank. In de tweede zaak trad [b.v.] op als eisende partij. Die zaak heeft niet tot een uitspraak geleid omdat [b.v.] het griffierecht niet had betaald. [bedrijf 2] heeft € 677,37 op [gedaagde] bankrekening gestort. Het rekeningnummer waarvan het geld kwam stond op naam van een stichting die [gedaagde] onbekend was. Na ontvangst van een brief van [bedrijf 2] in december 2024 nam [gedaagde] contact op. Hij wilde het bedrag terugbetalen als [bedrijf 2] hem schriftelijk de bankgegevens zou geven en de finale kwijting zou bevestigen nadat hij had betaald.
3. de beoordeling
3.1.. Als gemachtigde van [eiser] treedt op “ [gemachtigde] ”. Dit is niet de naam van een natuurlijk persoon. Ten onrechte is in de dagvaarding niet de rechtsvorm van [gemachtigde] vermeld. [eiser] krijgt de gelegenheid bij akte hierover alsnog duidelijkheid geven. [gemachtigde] is geen advocaat of deurwaarder. Daarom moet [eiser] een schriftelijke en namens haar ondertekende volmacht overleggen waaruit ondubbelzinnig blijkt dat [gemachtigde] in deze rechtszaak als haar gemachtigde optreedt.
3.2.. Op de zakelijke bankrekening van [gedaagde] is een bedrag van € 668,79 bijgeschreven. Volgens het afschrift van die bankrekening was dit bedrag afkomstig van een bankrekening op naam van [naam 1] . Alleen al deze cryptische omschrijving maakt aannemelijk dat het [gedaagde] onduidelijk was wie deze betaling had gedaan.
3.3..
[bedrijf 2] schreef op 2 december 2024 [gedaagde] aan tot terugbetaling van een onverschuldigde betaling van € 677,32. Daarnaast maakte zij aanspraak op € 74,93 aan rente daarover en € 101,60 aan buitengerechtelijke incassokosten. [bedrijf 2] vroeg aan [gedaagde] het totaalbedrag van € 853,85 over te maken op de bankrekening van [stichting] . Het nummer van deze bankrekening komt overeen met dat van de bankrekening waarvan de storting van € 668,79 op de bankrekening van [gedaagde] afkomstig was.
3.4.. In haar brief van 2 december 2024 verlangde [bedrijf 2] ten onrechte rente over het onverschuldigd betaalde bedrag en incassokosten. De wettelijke rente zou verschuldigd kunnen zijn indien [gedaagde] het ontvangen bedrag te kwader trouw zou hebben aangenomen. In dat geval zou zijn verzuim zijn ingetreden zonder ingebrekestelling. Dat is niet aan de orde omdat hij na ontvangst van de betaling contact heeft opgenomen met de bank. Onweersproken stelt hij dat volgens de bank degene die de fout had gemaakt deze betaling te doen, wel contact met hem zou opnemen. Dat gebeurde dus voor het eerst op 2 december 2024. Ook bestond toen nog geen recht op vergoeding van incassokosten.
3.5.. Het verlangen van [gedaagde] dat hem schriftelijk bevestigd werd dat hij bevrijdend zou terugbetalen wat hem onverschuldigd was betaald, is dan ook begrijpelijk.
3.6..
[eiser] stelt nu dat [bedrijf 2] ( [b.v.] ) haar vordering wegens onverschuldigde betaling op [gedaagde] heeft overgedragen aan [eiser] en dat daarvan aan [gedaagde] mededeling is gedaan bij brief van 1 oktober 2025.
3.7..
[eiser] heeft diverse brieven van [bedrijf 2] overgelegd. Volgens deze brieven is [bedrijf 2] de handelsnaam van [b.v.] (hierna: [b.v.] ). Voor overdracht aan [eiser] van de vordering wegens onverschuldigde betaling op [gedaagde] is nodig een akte tot levering van de vordering en mededeling daarvan aan hem door de vervreemder of de verkrijger van de vordering (artikel 3:94 BW).
3.8.. Als mededeling van de overdracht van de vordering merkt [eiser] aan de niet ondertekende brief van 1 oktober 2025. [eiser] licht niet toe waarom deze brief kan gelden als de wettelijk vereiste mededeling van de cessie door [bedrijf 2] / [b.v.] als vervreemder of door [eiser] als verkrijger. De afzender van deze brief is “ [naam 2] ”. In deze brief is ten onrechte de rechtsvorm van [naam 2] niet vermeld. Mogelijk verstuurde [naam 2] de brief van 1 oktober 2025 ter uitvoering van een volmacht van [b.v.] en/of [eiser] . In dat geval staat [naam 2] jegens [gedaagde] in voor het bestaan en de omvang van de gestelde volmacht (artikel 3:70 BW). Daarom dient ook de rechtsvorm van [naam 2] te worden opgehelderd.
3.9.. In het verweer ligt besloten dat [gedaagde] een uittreksel verlangt van de akte tot overdracht van de vordering wegens onverschuldigde betaling en van haar titel. Dit uittreksel moet zijn gewaarmerkt door [bedrijf 2] / [b.v.] als vervreemder (artikel 3:94 lid 4 BW).
3.10.. De kantonrechter verwijst de zaak naar de rolzitting zodat [eiser] bij akte van de volgende stukken kan overleggen:
een stuk waaruit ondubbelzinnig blijkt van de rechtsvorm van [gemachtigde] , bijvoorbeeld een actueel uittreksel uit het handelsregister,
een schriftelijke volmacht waaruit ondubbelzinnig blijkt dat [gemachtigde] in deze rechtszaak als gemachtigde van [eiser] optreedt,
een stuk waaruit ondubbelzinnig blijkt van de rechtsvorm van [naam 2] , bijvoorbeeld een actueel uittreksel uit het handelsregister,
een stuk waaruit ondubbelzinnig blijkt dat de brief van 1 oktober 2025 van [naam 2] aan [gedaagde] kan gelden als de wettelijk vereiste mededeling van de cessie door [b.v.] als vervreemder of door [eiser] als verkrijger,
een uittreksel van de akte tot overdracht van de vordering wegens onverschuldigde betaling door [bedrijf 2] / [b.v.] aan [eiser] en van haar onderliggende titel. Dit uittreksel moet zijn gewaarmerkt door [bedrijf 2] / [b.v.] als vervreemder.
3.11.. Indien [eiser] niet of onvoldoende gebruik maakt van de mogelijkheid stukken over te leggen, moet zij er rekening mee houden dat de kantonrechter daaraan de gevolgen kan verbinden die hem geraden voorkomen.
3.12.. Als [eiser] een akte neemt, mag [gedaagde] daarop reageren bij antwoordakte.
3.13.. Om een praktische oplossing van deze zaak te bevorderen en te voorkomen dat voor dezelfde vordering wegens onverschuldigde betaling een vierde dagvaarding wordt uitgebracht, overweegt de kantonrechter nog het volgende.
3.14.. Nog steeds is onduidelijk wie de rechthebbende is op de vordering tot terugbetaling van het onverschuldigd betaalde bedrag. [gedaagde] komt dan ook de bevoegdheid toe die terugbetaling op te schorten (artikel 6:37 BW). Als gevolg van de opschorting is er geen sprake van een toerekenbare tekortkoming van [gedaagde] in de nakoming van de verbintenis tot terugbetaling. Dit brengt mee dat de rechthebbende op de vordering tot betaling nu geen aanspraak toekomt tot vergoeding van rente en buitengerechtelijke incassokosten. Als de rechthebbende wel recht zou hebben op rente, zou dat de wettelijke rente zijn en niet, zoals [eiser] kennelijk aanneemt, contractuele rente of de wettelijke handelsrente.
3.15.. Mogelijk lukt het partijen met deze handreiking hun geschil onderling op te lossen zonder verdere voortzetting van de procedure.
4. de beslissing
De kantonrechter:
4.1.. verwijst de zaak naar de rolzitting van 1 juli 2026 om 09.00 uur zodat [eiser] bij akte de volgende stukken kan overleggen:
een stuk waaruit ondubbelzinnig blijkt van de rechtsvorm van [gemachtigde] , bijvoorbeeld een actueel uittreksel uit het handelsregister,
een schriftelijke volmacht waaruit ondubbelzinnig blijkt dat [gemachtigde] in deze rechtszaak als gemachtigde van [eiser] optreedt,
een stuk waaruit ondubbelzinnig blijkt van de rechtsvorm van [naam 2] , bijvoorbeeld een actueel uittreksel uit het handelsregister,
een stuk waaruit ondubbelzinnig blijkt dat de brief van 1 oktober 2025 van [naam 2] aan [gedaagde] kan gelden als de wettelijk vereiste mededeling van de cessie door [b.v.] als vervreemder of door [eiser] als verkrijger,
een uittreksel van de akte tot overdracht van de vordering wegens onverschuldigde betaling door [bedrijf 2] / [b.v.] aan [eiser] en van haar onderliggende titel. Dit uittreksel moet zijn gewaarmerkt door [bedrijf 2] / [b.v.] als vervreemder;
4.2.. houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. Kool, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 10 juni 2026.