[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"decision-ecli-nl-rbzwb-2026-5345":3,"decision-more-ecli-nl-rbzwb-2026-5345":20},{"id":4,"ecli":5,"caseNumber":6,"courtId":7,"courtName":8,"courtSlug":9,"decisionDate":10,"fullText":11,"language":12,"source":13,"sourceUrl":14,"summary":6,"slug":15,"metadata":16},"1162","ECLI:NL:RBZWB:2026:5345","",64,"Breda","breda","2026-05-18T00:00:00.000Z","beschikking\n\nRECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT\n\nTeam Familie- en Jeugdrecht\n\nZittingsplaats: Breda\n\nZaaknummer: C\u002F02\u002F444816 \u002F FA RK 26-658 (bodem)\n\n C\u002F02\u002F445629 \u002F FA RK 26-1119 (voorlopige voorziening artikel 223 Rv)\n\ndatum uitspraak: 18 mei 2026\n\nbeschikking over hoofdverblijf, regeling inzake de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken, vervangende toestemming en over provisionele voorzieningen\n\n in de zaak van\n\n [de man],\n\nhierna: de man,\n\nwonende in [woonplaats] ,\n\nadvocaat: mr. W.H.P. de Jongh in Roosendaal,\n\ntegen\n\n [de vrouw] ,\n\nhierna: de vrouw,\n\nwonende in [woonplaats] ,\n\nadvocaat: mr. Z.A. Hoetjes in Breda,\n\nover de minderjarige\n\n- [minderjarige] , geboren op [geboortedag] 2025 te [geboorteplaats] .\n\nOp grond van artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering heeft de Raad voor de Kinderbescherming, Zeeland-West-Brabant, locatie Breda, hierna: de Raad, de rechtbank over het verzoek geadviseerd.\n\n1. Het procesverloop1.1. In het dossier zitten de volgende stukken:\n\n- het op 6 februari 2026 ontvangen verzoek met bijlagen 1 tot en met 5, van de zijde van de man;\n\n- het op 27 februari 2026 ontvangen verweerschrift tevens houdende zelfstandig verzoek, tevens houdende provisionele voorziening, met bijlagen 1 tot en met 7, van de zijde van de vrouw;\n\n- het op 16 april 2026 ontvangen verweerschrift naar aanleiding van zelfstandig verzoek, tevens houdende verweerschrift provisionele voorziening, met bijlagen 6 tot en met 9, van de zijde van de man;\n\n- de op 28 april 2026 ingediende reactie van de zijde van vrouw op de door de man ingediende bijlage 8;\n\n- het uittreksel uit het gezagsregister over [minderjarige] .\n\n1.2. De verzoeken in de bodemprocedure en de verzoeken om een voorlopige voorziening zijn mondeling behandeld op 1 mei 2026. Bij die behandeling zijn gekomen: partijen met hun advocaten. Ook was een vertegenwoordiger aanwezig namens de Raad.\n\n1.3. Tijdens de mondelinge behandeling hebben partijen aangegeven dat zij na de mondelinge behandeling in onderling overleg zullen treden over een voorlopige zorgregeling. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld uiterlijk 13 mei 2026 te berichten of zij in onderling overleg een voorlopige zorgregeling zijn overeengekomen. Partijen zijn niet in de gelegenheid gesteld zich nader inhoudelijk over de zaak uit te laten. Vervolgens heeft de rechtbank ontvangen:\n\n- de brief van mr. Hoetjes van 13 mei 2026;\n\n- de brief van mr. De Jongh van 13 mei 2026.\n\nUit deze brieven blijkt dat partijen geen overeenstemming hebben bereikt over een voorlopige zorgregeling. Voor zover partijen zich in hun brieven nader inhoudelijk hebben uitgelaten over de voorlopige zorgregeling, gaat de rechtbank daaraan bij de beoordeling van het verzoek voorbij. Zij zijn daarmee immers buiten het onderwerp getreden waarover zij de rechtbank mochten informeren, zodat dat als in strijd met de eisen van een goede procesorde buiten beschouwing dient te blijven.\n\n2. De feiten\n\n2.1. Partijen hebben een relatie met elkaar gehad en hebben samengewoond.\n\n2.2. \n\nUit deze relatie is het volgende, minderjarige kind geboren:\n\n- [minderjarige] , geboren op [geboortedag] 2025 te [geboorteplaats] , hierna [minderjarige] .\n\n2.3. De man heeft [minderjarige] erkend. Partijen hebben samen het gezag over [minderjarige] .\n\n2.4. \n [minderjarige] verblijft in de gezamenlijke woning. Partijen verblijven op dit moment afwisselend ieder 24 uur in de woning bij [minderjarige] .\n\n3. De verzoeken en de standpunten\n\n3.1. \n\nDe man verzoekt in de bodemprocedure, na wijziging van zijn verzoek, om bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:\n\nI. te bepalen dat [minderjarige] haar hoofdverblijf zal hebben bij de man en op het adres\n\n zal zijn ingeschreven volgens de Basisregistratie Personen;\n\nII. te bepalen dat de man en [minderjarige] gerechtigd zijn met elkaar door te brengen:\n\n - zolang geen van partijen over andere huisvesting beschikt, om de dag 24 uur\n\n aaneengesloten, waarbij het wisselmoment om 19:30 uur is, zoals thans ook\n\n het geval is, en welk verblijf steeds plaatsvindt in de woning aan de\n\n [adres] in [woonplaats] .\n\n - zodra één van partijen over andere woonruimte beschikt, 3 ½ dag per week\n\n met een wisselmoment op woensdag rond de middag en zondag;\n\n - gedurende de helft van de schoolvakanties en feestdagen en, totdat [minderjarige]\n\n naar school gaat, één keer per jaar een periode van twee weken\n\n aaneengesloten om een vakantie met [minderjarige] te kunnen doorbrengen,\n\n althans een zodanige regeling van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken vast te stellen als uw rechtbank juist acht;\n\nIII. te bepalen dat de man vervangende toestemming wordt verleend in plaats van\n\n de toestemming van de vrouw voor het laten deelnemen van [minderjarige] aan het\n\n Rijksvaccinatieprogramma en dat de man [minderjarige] de vaccinaties kan geven zoals vermeld op het als bijlage 5 weergegeven overzicht van vaccinaties tot en met\n\n de leeftijd van 14 maanden te geven vaccinaties.\n\nVerder verzoekt de man, bij wege van voorlopige voorziening, om bij beschikking:\n\n- te bepalen dat hij en [minderjarige] gerechtigd zijn met elkaar door te brengen:\n\n zolang geen van partijen over andere huisvesting beschikt, om de dag 24 uur aaneengesloten, waarbij het wisselmoment om 19:30 uur is, zoals thans ook het geval is, en welk verblijf steeds plaatsvindt in de woning aan [adres] in [woonplaats] .\n\n3.2. De vrouw is het niet eens met de verzoeken van de man en verzoekt deze verzoeken af te wijzen.\n\nDe vrouw verzoekt in de bodemprocedure zelfstandig om bij beschikking:\n\nI. te bepalen dat [minderjarige] haar hoofdverblijfplaats bij de vrouw zal hebben;\n\nII. te bepalen dat tussen de man en [minderjarige] een zorgregeling zal gelden inhoudende\n\n dat:\n\n - [minderjarige] eenmaal per week gedurende één volledige doordeweekse dag en één volledige dag in het weekend bij de man verblijft, zulks (vooralsnog) zonder overnachting, althans een zodanige zorgregeling vast te stellen als de rechtbank in goede justitie vermeent te behoren;\n\nIII. subsidiair, en uitsluitend voor het geval de rechtbank aanleiding ziet om aan de\n\n man vervangende toestemming te verlenen voor deelname van [minderjarige] aan het\n\n Rijksvaccinatieprogramma, te bepalen dat:\n\n - vaccinatie van [minderjarige] niet eerder zal plaatsvinden dan nadat zij de leeftijd van twee jaren heeft bereikt;\n\n - indien en voor zover tot vaccinatie wordt overgegaan, uitsluitend\n\n monovaccinaties zullen worden toegediend en geen combivaccinaties;\n\nkosten rechtens.\n\nVerder verzoekt de vrouw, bij wege van voorlopige voorziening, om bij beschikking:\n\nI. te bepalen dat de vrouw in afwachting van de bodemprocedure bij uitsluiting van de man gerechtigd is tot het gebruik van de woning en de inboedel van de woning, met bevel aan de man om de woning te verlaten en niet meer te betreden;\n\nII. te bepalen dat [minderjarige] wordt toevertrouwd aan de vrouw;\n\nIII. te bepalen dat tussen de man en [minderjarige] een voorlopige zorgregeling zal gelden,\n\n inhoudende dat [minderjarige] eenmaal per week gedurende één volledige doordeweekse dag en één volledige dag in het weekend bij de man verblijft, zulks vooralsnog zonder overnachting, althans een zodanige voorlopige zorgregeling vast te stellen als de rechtbank in goede justitie vermeent te behoren;\n\nkosten rechtens.\n\n4. De beoordeling\n\n4.1. Vanwege de nauwe samenhang zullen de verzoeken in de bodemprocedure en de verzoeken in het kader van de voorlopige voorziening gezamenlijk worden beoordeeld.\n\nHoofdverblijf(bodemprocedure)\n\nVoorlopige toevertrouwing(voorlopige voorziening)\n\n4.2. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de man aangegeven dat hij zich niet langer verzet tegen het verzoek van de vrouw om te bepalen dat [minderjarige] haar hoofdverblijf zal hebben bij de vrouw. De man heeft zijn eigen verzoek om te bepalen dat [minderjarige] haar hoofdverblijf zal hebben bij hem en op zijn adres zal zijn ingeschreven volgens de Basisregistratie Personen ingetrokken.\n\n4.3. Het voorgaande leidt ertoe dat het verzoek van de vrouw met betrekking tot het hoofdverblijf van [minderjarige] als niet weersproken zal worden toegewezen en dat het verzoek van de man zal worden afgewezen. Aangezien in de bodemprocedure een definitieve beslissing zal worden gegeven met betrekking tot het hoofdverblijf van [minderjarige] , heeft de vrouw geen belang meer bij de door haar verzochte voorlopige voorziening om [minderjarige] voorlopig aan haar toe te vertrouwen. Dit verzoek zal worden afgewezen.\n\nRegeling inzake de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken (hierna: zorgregeling)(bodemprocedure en voorlopige voorziening)\n\nVerzoeken4.4. De man verzoekt zowel in de bodemprocedure als in het kader van een voorlopige voorziening, kort gezegd, vaststelling van een co-ouderschapsregeling.\n\n4.5. De vrouw verzoekt zowel in de bodemprocedure als in het kader van een voorlopige voorziening, te bepalen dat [minderjarige] eenmaal per week gedurende één volledige doordeweekse dag en één volledige dag in het weekend bij de man verblijft, zulks vooralsnog zonder overnachting.\n\nStandpunt van de man4.6. Ter onderbouwing van zijn verzoeken is door en namens de man in de stukken en tijdens de mondelinge behandeling, samengevat, het volgende aangevoerd. Na een conflict in november 2025 is in samenspraak met de politie een co-ouderschapsregeling afgesproken, waarbij [minderjarige] in de woning woont en partijen steeds afwisselend 24 uur in de woning zijn. Deze regeling loopt nog steeds. Hoewel er soms conflicten zijn, functioneert de regeling. Vanuit het CJG is het advies gekomen om deze regeling voorlopig te handhaven. Wijziging van deze voorlopige regeling acht hij ook niet in het belang van [minderjarige] . Verder betwist de man alle beschuldigingen van de vrouw, onder meer over mishandeling, drugs- of alcoholgebruik en betwist hij de inhoud van haar logboeken. Verder is hij prima in staat om [minderjarige] de juiste zorg te geven en houdt hij het door de vrouw gemailde voedingsschema aan. Tussen partijen is sprake van een hoog conflictgehalte. Het is in belang van partijen en van [minderjarige] dat daaraan een einde komt. Hij wenst uiteindelijk vaststelling van een co-ouderschapsregeling.\n\nStandpunt van de vrouw4.7. \n\nTer onderbouwing van haar verweer en haar verzoeken voert de vrouw, samengevat, het volgende aan. De relatie van partijen werd gekenmerkt door vele fysieke en verbale escalaties van de man richting de vrouw. Nadat de situatie op 30 november 2025 weer was geëscaleerd, heeft zij de relatie definitief beëindigd. Op het moment van het incident heeft zij de politie ingeschakeld. Met tussenkomst van de politie is de door de man beschreven\n\n24-uursregeling afgesproken. Dit was bedoeld als tijdelijke oplossing voor enkele dagen, maar de regeling loopt nog steeds. Zij ervaart de regeling als zeer belastend. Er zijn te veel wisselingen en de overdrachtsmomenten verlopen niet goed. Volgens de vrouw is de regeling ook te belastend voor [minderjarige] , wat zich uit in een verandering van haar gedrag. Bovendien maakt zij zich zorgen over de verzorging en opvoeding van [minderjarige] door de man. [minderjarige] is na een contactmoment met de man vaak overstuur. Daarnaast houdt de man zich niet aan het voedingsschema, waardoor [minderjarige] iedere 24 uur een ander voedingsschema heeft, en heeft hij onvoldoende oog voor de persoonlijke verzorging van [minderjarige] . Daarnaast was haar een aantal keer niet duidelijk waar de man met [minderjarige] heeft verbleven tijdens de zorgmomenten. Zo heeft hij [minderjarige] een keer zonder haar toestemming meegenomen naar een vakantiepark in België. De vrouw heeft haar zorgen neergelegd bij het CJG. Vanuit het CJG is met beide ouders afgesproken dat er bij ieder overdrachtsmoment een alcohol- en drugstest wordt uitgevoerd. Deze testen zijn echter nooit aangeschaft en uitgevoerd. Het CJG was voornemens een veiligheidsplan op te stellen, maar dit is niet van grond gekomen. Vervolgens heeft het CJG zich teruggetrokken, omdat het vrijwillig kader in de situatie van partijen ontoereikend is gebleken. De vrouw acht het in het belang van [minderjarige] dat er nieuwe afspraken worden gemaakt, waarbij een opbouwende zorgregeling met de man wordt overeengekomen, bestaande uit één volledige doordeweekse dag en één volledige dag in het weekend, vooralsnog zonder overnachting. Zodra het aansluit bij de ontwikkeling van [minderjarige] en de man heeft aangetoond dat hij over voldoende opvoedingscapaciteiten beschikt, kan de zorgregeling worden uitgebreid, waarbij bijvoorbeeld kan worden toegewerkt naar een weekendregeling eens per veertien dagen.\n\nAdvies van de Raad4.8. De Raad geeft aan dat de huidige 24-uursregeling, die als tijdelijke maatregel was bedoeld, niet in het belang van partijen en ook niet in het belang van [minderjarige] is. De vrouw geeft aan dat zij deze regeling als zeer belastend ervaart. Dat vindt de Raad een belangrijk signaal. Als een verzorgende ouder zodanig wordt belast dat het stress en spanning geeft, heeft een kind daar ook last van. Dit betekent dat partijen in gesprek zullen moeten over de invulling van de zorgregeling. Aangezien de invulling van de zorgregeling nauw samenhangt met de huisvesting van partijen en de huisvesting weer nauw samenhangt met de verdeling van de inboedel, is het belangrijk dat partijen ook over deze onderwerpen in gesprek gaan. De Raad ziet geen reden waarom deze gesprekken zouden moeten plaatsvinden in een gedwongen kader. Er is immers geen sprake van een ontwikkelings-bedreiging van [minderjarige] . Dat neemt niet weg dat partijen – gelet op hun conflictueuze communicatie en gebrek aan vertrouwen, met name aan de zijde van de vrouw – wel een zeker kader nodig hebben, bijvoorbeeld in de vorm van het UHA. Als het gaat om de invulling van de zorgregeling, dan heeft de man aangegeven dat hij graag een volwaardige vader wil zijn en zorgtaken wil hebben. Partijen moeten hierover in gesprek gaan en bekijken hoe daaraan invulling kan worden gegeven. In dat kader is het belangrijk dat [minderjarige] , vanwege haar zeer jonge leeftijd, met beide ouders een goede hechtingsrelatie kan opbouwen. Daarvoor is nodig dat [minderjarige] regelmatig contact heeft met beide ouders. Anderzijds moet de zorgregeling ook praktisch haalbaar zijn voor partijen. Daarbij geldt dat een verblijf van [minderjarige] bij een ouder prevaleert boven opvang door derden.\n\nOverweging van de rechtbank4.9. \n\nIn artikel 1:253a lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) staat dat geschillen over het samen uitoefenen van het gezag op verzoek van een ouder aan de rechtbank kunnen worden voorgelegd. De rechtbank neemt dan een beslissing die zij in het belang van het kind vindt.\n\nLid 2 aanhef en onder a van dat artikel bepaalt dat de rechtbank op verzoek van de ouders of een van hen een regeling inzake de uitoefening van het ouderlijk gezag kan vaststellen, waaronder een zorgregeling.\n\n4.10. De rechtbank volgt de Raad in zijn standpunt dat de huidige 24-uursregeling niet in het belang van [minderjarige] is en evenmin in het belang van partijen. De rechtbank acht het begrijpelijk dat de vrouw overbelast is geraakt. Dit heeft ook zijn weerslag op [minderjarige] . Het is dus in het belang van [minderjarige] en in het belang van partijen dat er een andere zorgregeling wordt vastgesteld. Daarbij is het, zoals de Raad heeft aangegeven, van belang dat [minderjarige] met beide partijen een goede hechtingsrelatie kan opbouwen. Aan de ene kant is daarvoor nodig dat [minderjarige] , gelet op haar zeer jonge leeftijd, beide partijen regelmatig ziet, aan de andere kant moet worden voorkomen dat er te veel wisselingen zijn en moet de regeling voor partijen praktisch uitvoerbaar zijn. Partijen hebben aangegeven dat zij voor de invulling van de definitieve zorgregeling gesprekken wensen aan te gaan onder begeleiding van een professional en dat zij een doorverwijzing wensen naar het UHA. Daartoe overweegt de rechtbank het volgende.\n\nUHA\n\n4.11. De problematiek van partijen (de ouders) omvat het volgende: Zowel tijdens als na het beëindigen van de relatie in november 2025 is sprake van conflictueuze situaties. Volgens de vrouw was tijdens de relatie ook sprake van conflictsituaties met geweld. [minderjarige] is een heel jong kind. Zij was pas 6 maanden oud toen partijen uit elkaar gingen. Sinds het uiteengaan verblijft [minderjarige] in de woning en verblijven partijen afwisselend 24 uur in de woning. Deze regeling is in samenspraak met de politie tot stand gekomen. De regeling loopt maar er is nog steeds sprake van conflicten. Partijen hebben over en weer aangifte tegen elkaar gedaan. De man is van mening dat partijen prima met elkaar communiceren over [minderjarige] . De vrouw is van mening dat de communicatie helemaal niet goed gaat. De 24-uursregeling was bedoeld als tijdelijke oplossing, maar de regeling loopt nu al maanden. De vrouw lijkt hierdoor overbelast te zijn. Partijen slagen er niet in om tot verdere afspraken te komen over de zorgregeling.\n\n4.12. Het lukt partijen samen niet de problemen tussen hen op te lossen. De rechtbank vindt het, net als de Raad, daarom nodig dat voor deze ouders en hun minderjarig kind [minderjarige] een passend (jeugd)hulpverleningstraject bij een zorgaanbieder wordt ingezet. Partijen hebben tijdens de mondelinge behandeling ermee ingestemd dat de rechtbank hen en [minderjarige] voor (jeugd)hulpverlening verwijst naar het loket van de samenwerkende gemeenten in de regio West-Brabant-Oost. De verwijzing heeft op 4 mei 2026 datum plaatsgevonden met het verzenden van het verwijzingsformulier naar het loket. Deze beschikking geldt als bevestiging dat ouders met de doorverwijzing en de voorwaarden daarvan hebben ingestemd.\n\n4.13. Met de inzet van het (jeugd)hulptraject gaan partijen, zo is met hen afgesproken, in ieder geval werken aan het behalen van de volgende resultaten: - de ouders hebben inzicht in de (psychologische) gevolgen van de scheiding voor [minderjarige] ; - [minderjarige] heeft een stem in het scheidingsproces, voelt zich gehoord en gesteund.\n\n4.14. Gebleken is dat partijen daarnaast ook op andere onderdelen hulp en ondersteuning nodig hebben. Daarom heeft de rechter na overleg met partijen besloten dat zij samen met een zorgaanbieder ook gaan werken aan het behalen van volgende resultaten: - de (gezagdragende) ouders zorgen voor afspraken en beslissingen die in het belang zijn van [minderjarige] (lichte interventie); - [minderjarige] en de (gezagdragende) ouders hebben onbelast contact met elkaar; - er is inzicht in de mogelijkheden\u002Fbelemmeringen van beide ouders en de hulp die nodig is om een stabiele opvoedsituatie voor [minderjarige] te realiseren (binnen de scheidingssituatie). De resultaten heeft de rechtbank ook vastgelegd in een resultatenlijst (bijlage 1).\n\n4.15. Na afloop van het (jeugd)hulpverleningstraject maakt de zorgaanbieder een rapportage op over het verloop en het resultaat van het traject. Deze rapportage wordt als bijlage bij het door de gemeente\u002Ftoegang op te maken rapport gevoegd. De rechtbank verzoekt het loket om de volledige UHA rapportage uiterlijk op na te noemen pro forma datum, of zoveel eerder als mogelijk is, bij de rechtbank in te dienen.\n\n4.16. Als de hulp heeft geleid tot een positief resultaat, stelt de rechtbank partijen (en hun advocaten) in de gelegenheid zich binnen twee weken na ontvangst van de eindrapportage uit te laten of een mondelinge behandeling nodig is. De advocaten maken in hun reactie kenbaar wat het resultaat van de hulpverlening betekent voor de verzoeken met betrekking tot [minderjarige] .\n\n4.17. Als de hulp niet is gestart of niet heeft geleid tot een positief resultaat verzoekt de rechtbank het loket de volledige UHA rapportage ook direct toe te sturen aan de Raad. De Raad toetst en beoordeelt dan of een onderzoek of interventie zal worden verricht. De Raad informeert de rechtbank binnen twee weken na ontvangst van de eindrapportage of er aanleiding is een onderzoek of interventie te starten.\n\n4.18. Wanneer de Raad geen aanleiding ziet voor een onderzoek of interventie, maar op grond van de UHA rapportage direct een advies kan geven, stelt de rechtbank partijen (en hun advocaten) in de gelegenheid zich over dit advies, alsmede over het verdere procesverloop uit te laten.\n\n4.19. \n\nWanneer de Raad een onderzoek wel noodzakelijk vindt, dan verzoekt de rechtbank de Raad dit onderzoek te verrichten en daarover bij de rechtbank een rapport en advies in te dienen ter beantwoording van de volgende vraag:\n\n- Welke verdeling van de zorg- en opvoedingstaken door de ouders past het beste bij de belangen van [minderjarige] ?\n\n4.20. Deze beschikking is een verzoek aan de Raad om dit onderzoek te verrichten, indien het traject niet is gestart of niet positief wordt afgesloten én de Raad dat onderzoek noodzakelijk acht.\n\n4.21. Na een onderzoek of interventie van de Raad stelt de rechtbank partijen (en hun advocaten) in de gelegenheid op de rapportage van de Raad te reageren en zich uit te laten over het verdere procesverloop.\n\n4.22. Door in te stemmen met de verwijzing hebben partijen tevens ingestemd met het delen van de privacygegevens en de voorwaarden waaronder de verwijzing plaatsvindt (bijlage 2).\n\n4.23. Omdat partijen en [minderjarige] in de gelegenheid worden gesteld deel te nemen aan het (jeugd)hulpverleningstraject beslist de rechtbank nu niet op het verzoek met betrekking tot definitieve zorgregeling, maar houdt zij de beslissing daarover voor de duur van zes maanden aan. Op verzoek van het loket en\u002Fof de gemeente\u002Ftoegang kan de rechtbank deze termijn verlengen. Dit verzoek moet gemotiveerd worden gedaan. Als de verlenging wordt toegestaan dan geeft de rechtbank een nieuwe pro forma datum door.\n\nVoorlopige zorgregeling\n\n4.24. Partijen hebben ieder voor zich verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. Naar het oordeel van de rechtbank hebben de verzoeken voldoende samenhang met de hoofdzaak, zodat partijen (spoedeisend) belang hebben bij hun verzoeken.\n\n4.25. Zowel tijdens als na de mondelinge behandeling hebben partijen geprobeerd afspraken te maken over een tijdelijke regeling in afwachting van resultaten UHA, maar zijn daarin niet geslaagd. Dit betekent dat de rechtbank een voorlopige zorgregeling zal vaststellen. Zoals hiervoor is overwogen is de huidige 24-uursregeling niet in het belang van [minderjarige] (en ook niet in het belang van partijen). Met inachtneming van het advies van de Raad over de frequentie van het contact tussen [minderjarige] en ieder van partijen, en zoveel mogelijk rekening houdend met de werkdagen van de vrouw op dinsdag, donderdag en vrijdag (de man heeft aangegeven dat zijn werkgever flexibel is), acht de rechtbank de volgende voorlopige zorgregeling in het belang van [minderjarige] :\n\n- [minderjarige] verblijft bij de vrouw van zondag 09:00 uur tot donderdag 09:00 uur,\n\n- [minderjarige] verblijft bij de man van donderdag 09:00 uur tot zondag 09:00 uur.\n\nOp deze wijze is de zorg voor [minderjarige] ongeveer gelijk tussen partijen verdeeld, ziet [minderjarige] beide ouders regelmatig, maar zijn er niet te veel wisselingen. De rechtbank zal voormelde voorlopige regeling vaststellen. De voorlopige regeling gaat in vanaf het moment dat de man de woning heeft verlaten (uiterlijk 1 juni 2026). De verzoeken van partijen zullen, voor zover meer of anders is verzocht, worden afgewezen.\n\n4.26. De rechtbank zal de beslissing over de voorlopige zorgregeling uitvoerbaar bij voorraad verklaren zoals is verzocht door de man, aangezien de vrouw daartegen geen verweer heeft gevoerd. Dat betekent dat de beslissing alvast moet worden gevolgd, ook als er hoger beroep wordt ingesteld tegen deze beslissing.\n\nVervangende toestemming deelname Rijksvaccinatieprogramma\n\nVerzoeken4.27. De man verzoekt hem vervangende toestemming te verlenen voor het laten deelnemen van [minderjarige] aan het Rijksvaccinatieprogramma en dat hij [minderjarige] de vaccinaties kan geven zoals vermeld op het als productie 5 weergegeven overzicht van vaccinaties tot en met de leeftijd van 14 maanden te geven vaccinaties.\n\n4.28. De vrouw verzoekt primair het verzoek van de man af te wijzen. Zij verzoekt voorwaardelijk – voor het geval de rechtbank van oordeel is dat [minderjarige] moet deelnemen aan het Rijksvaccinatieprogramma – te bepalen dat vaccinatie van [minderjarige] niet eerder zal plaatsvinden dan nadat zij de leeftijd van twee jaren heeft bereikt en dat uitsluitend monovaccinaties zullen worden toegediend (en geen combivaccinaties).\n\nStandpunt van de man4.29. Ter onderbouwing van zijn verzoek is door en namens de man in de stukken en tijdens de mondelinge behandeling, samengevat, het volgende aangevoerd. Deelname aan het Rijksvaccinatieprogramma is in het belang van [minderjarige] , zodat zij wordt beschermd tegen vele ernstige ziektes. Volgens het consultatiebureau kan [minderjarige] de vaccinaties, die zij tot nu toe nog niet heeft gekregen, alsnog krijgen. Dit is voor de vrouw echter onbespreekbaar. Hij verzoekt hem daarom vervangende toestemming te verlenen om [minderjarige] alsnog te laten deelnemen aan het Rijksvaccinatieprogramma voor zover het de vaccinaties betreft tot en met de leeftijd van 14 maanden. Hij gaat ervan uit dat partijen met betrekking tot de overige vaccinaties alsnog afspraken kunnen maken. In reactie op het verweer van de vrouw heeft de man betwist dat partijen het er tijdens hun relatie over eens waren dat [minderjarige] niet gevaccineerd zou worden. Nadat de vrouw tijdens de mondelinge behandeling haar voorwaardelijk verzoek had toegelicht, heeft de man aangegeven dat hij ermee instemt dat alleen monovaccinaties, op de wijze zoals de vrouw beoogt, worden toegediend.\n\nStandpunt van de vrouw4.30. \n\nDe vrouw voert als verweer, samengevat, het volgende aan. Deelname aan het Rijksvaccinatieprogramma is vrijwillig en kent geen wettelijke verplichting. Partijen hebben tijdens de relatie en de zwangerschap uitvoerig gesproken over al dan niet deelnemen aan het\n\nRijksvaccinatieprogramma. In de stukken heeft de vrouw gesteld dat partijen hadden afgesproken dat [minderjarige] niet zou worden gevaccineerd. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de vrouw dit nader toegelicht. Volgens de vrouw heeft zij zich altijd op het standpunt gesteld dat zij niet wenst dat [minderjarige] gevaccineerd zou worden. De man heeft daarover zijn twijfels geuit, maar heeft vervolgens niks gedaan met de aangeboden informatie, althans hij is er bij haar niet op teruggekomen. In het dossier van het consultatiebureau is in ieder geval vastgelegd dat [minderjarige] niet wordt gevaccineerd. Zij is niet principieel tegen vaccinaties, maar zij is wel van mening dat medische handelingen bij een baby met grote zorgvuldigheid moeten worden overwogen, mede doordat aan het vaccineren risico's verbonden zijn. Bovendien geeft vaccinatie geen 100% garantie dat [minderjarige] de ziekte niet zal krijgen. Hoogstens zal het verloop van de ziekte milder zijn. Bij vaccineren zal het lichaam een kunstmatige respons geven, terwijl zij meer gelooft in een natuurlijke respons. Bovendien is er geen sprake van een medische noodsituatie of concrete gezondheidsdreiging die onmiddellijke vaccinatie voor [minderjarige] noodzakelijk maakt. Voor het geval de rechtbank aanleiding ziet vervangende toestemming te verlenen, verzoekt de vrouw voorwaardelijk te bepalen dat vaccinatie niet eerder plaatsvindt dan na het tweede levensjaar van [minderjarige] , omdat de nieren en lever dan beter ontwikkeld zijn en beter in staat zijn om toxische stoffen uit te scheiden, zodat eventuele schade wordt beperkt. Verder verzoekt de vrouw voorwaardelijk te bepalen dat uitsluitend monovaccinaties worden toegediend in plaats van combinatievaccinaties. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de vrouw toegelicht dat zij in beginsel geen bezwaar heeft tegen bijvoorbeeld de DKTP-vaccinatie, de vaccinatie die vroeger ook werd gegeven, maar wel tegen de huidige toevoeging van Hib en HepB aan de DKTP vaccinatie.\n\nAdvies van de Raad4.31. De Raad geeft aan dat zij voorstander is van het Rijksvaccinatieprogramma, maar dat het in beginsel wordt gerespecteerd wanneer beide ouders daarvan willen afwijken. In dit geval zijn partijen het er echter niet over eens dat zij daarvan willen afwijken. De Raad adviseert dan ook het verzoek van de man om vervangende toestemming voor deelname aan het Rijksvaccinatieprogramma toe te wijzen.\n\nOverweging van de rechtbank4.32. De vrouw stelt primair dat partijen het erover eens waren dat [minderjarige] niet zou deelnemen aan het Rijksvaccinatieprogramma. Dit is echter niet vast komen te staan. De vrouw stelt immers dat dit háár standpunt is en dat de man – in ieder geval vanaf de geboorte van [minderjarige] – daarover zijn twijfels heeft geuit. Uit het gegeven dat de man – ondanks dat de vrouw hem daarop heeft gewezen – geen nader onderzoek heeft gedaan en er bij de vrouw niet meer op is teruggekomen, kan niet worden afgeleid dat hij het eens is met het standpunt van de vrouw.\n\n4.33. Op grond van de stukken en de verklaringen van partijen tijdens de mondelinge behandeling stelt de rechtbank vast dat partijen het er niet over eens zijn of [minderjarige] moet deelnemen aan het Rijksvaccinatieprogramma.\n\n4.34. In artikel 1:253a lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) staat dat als ouders, die samen het gezag hebben over een kind, het niet eens kunnen worden over een beslissing over het kind, zij de rechtbank kunnen vragen die beslissing te nemen. De rechter moet dan een beslissing nemen die zij het meest in het belang van het kind vindt. Daartoe overweegt de rechtbank het volgende.\n\n4.35. Het Rijksvaccinatieprogramma is van overheidswege opgesteld ter bescherming van kinderen tegen diverse aandoeningen die voor hen schadelijk kunnen zijn. Het programma is door wetenschappelijk onderzoek onderbouwd. Uitgangspunt is dat vaccineren in het belang van het kind is. Ondanks andere opinies die in de afgelopen jaren ook naar voren zijn gebracht, is de heersende leer nog altijd dat het Rijksvaccinatieprogramma voldoet en zonder wezenlijke risico’s kan worden opgevolgd. Verder is het een feit van algemene bekendheid dat in medische kringen het gevoerde overheidsbeleid breed wordt gedragen en dat het overgrote deel van de bevolking dit overheidsbeleid ook volgt en kinderen laat deelnemen aan het Rijksvaccinatieprogramma. De rechtbank acht het dan ook niet in het belang van [minderjarige] dat zij, hoe klein de kans mogelijk is, aan een gevaar van meer risico op een ziekte waartegen zij gevaccineerd had kunnen zijn, wordt blootgesteld. Het is de rechtbank gebleken dat de vrouw geen principiële of godsdienstige bezwaren heeft tegen het laten vaccineren van [minderjarige] overeenkomstig het Rijksvaccinatieprogramma, maar dat haar bezwaren met name zien op de mogelijke gezondheidsrisico’s voor [minderjarige] als gevolg van deelname aan het Rijksvaccinatieprogramma. De rechtbank is van oordeel dat, hoewel het op zichzelf juist is dat bijwerkingen kunnen ontstaan, de vrouw niets heeft gesteld op grond waarvan moet worden aangenomen dat [minderjarige] meer risico op bijwerkingen of schadelijke gevolgen loopt dan enig ander kind. Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel is dat het zowel in het algemeen belang als het individueel belang van [minderjarige] is dat zij deelneemt aan het Rijksvaccinatieprogramma.\n\n4.36. Het voorwaardelijke verzoek van de vrouw om te bepalen dat vaccinatie van [minderjarige] niet eerder zal plaatsvinden dan nadat zij de leeftijd van twee jaren heeft bereik, zal worden afgewezen. De rechtbank overweegt hiertoe dat [minderjarige] , zolang zij niet is gevaccineerd, geen bescherming opbouwt en de kans op ziekte groter is. De rechtbank acht het dan ook in het belang van [minderjarige] dat zo spoedig als mogelijk met het vaccineren wordt gestart.\n\n4.37. Het voorwaardelijke verzoek van de vrouw om te bepalen dat uitsluitend monovaccinaties zullen worden toegediend en geen combivaccinaties, zal worden toegewezen, met inachtneming van het volgende. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de vrouw haar verzoek toegelicht en aangegeven dat zij geen bezwaar heeft tegen de DKTP-vaccinatie zoals deze vroeger ook al werd gegeven, maar wel tegen de huidige toevoeging van Hib en HepB aan de DKTP vaccinatie. De rechtbank leidt hieruit af dat de vrouw in beginsel geen bezwaar heeft tegen combivaccinatie als DKTP en BMR, maar dat zij specifiek bezwaar heeft tegen het feit dat de vaccinatie tegen DKTP wordt gecombineerd met vaccinaties tegen Hib en HepB. De man heeft ermee ingestemd dat deze vaccinaties als monovaccinatie zullen worden gegeven.\n\n4.38. Het voorgaande betekent dat het verzoek van de man tot vervangende toestemming om [minderjarige] te laten deelnemen aan het Rijksvaccinatieprogramma voor zover dat betrekking heeft op vaccinaties die worden gegeven tot en met de leeftijd van 14 maanden, zal worden toegewezen, met dien verstande dat de DKTP – Hib – HepB combivaccinatie zal worden gegeven als monovaccinaties, dus als drie afzonderlijke vaccinaties (een vaccinatie tegen DKTP, een vaccinatie tegen Hib en een vaccinatie tegen HepB). Daarbij acht de rechtbank het in het belang van [minderjarige] dat het tijdstip van de (in te halen) vaccinaties (RS, Rota, DKTP, Hib, HepB, Pneu, BMR en MenACWY) wordt bepaald in overeenstemming met het daartoe in te winnen advies van Jeugdgezondheidszorg (GGD, consultatiebureau), zijnde de uitvoerder van het Rijksvaccinatieprogramma.\n\n4.39. De rechtbank zal de beslissing over de vervangende toestemming voor deelname van [minderjarige] aan het Rijksvaccinatieprogramma uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zoals is verzocht door de man, aangezien de vrouw daartegen geen verweer heeft gevoerd. Dat betekent dat de beslissing alvast moet worden gevolgd, ook als er hoger beroep wordt ingesteld tegen deze beslissing.\n\nUitsluitend gebruik woning en inboedel(voorlopige voorziening)\n\n4.40. Tijdens de mondelinge behandeling hebben partijen hun standpunten over het verzoek van de vrouw over en weer nader toegelicht. Vervolgens is de mondelinge behandeling kort onderbroken voor overleg tussen partijen. Dit heeft geleid tot overeenstemming. Partijen hebben de volgende afspraken gemaakt:\n\n- de man zal zich zo snel mogelijk uitschrijven van het adres van de woning;\n\n- partijen gaan in gesprek over de verdeling van de inboedel volgens een bij hen bekende lijst; binnen een week nadat partijen overeenstemming hebben over de verdeling van de inboedel, zal de man de woning verlaten; de man zal de woning in ieder geval per 1 juni 2026 hebben verlaten.\n\n4.41. Gelet op deze afspraken begrijpt de rechtbank dat de vrouw haar verzoek met betrekking tot de woning intrekt. Aangezien het verzoek is ingetrokken, zullen de gronden van het verzoek niet meer worden onderzocht. Het verzoek zal om die reden worden afgewezen. Dit neemt niet weg dat partijen gehouden zijn uitvoering te geven aan de onderlinge afspraken.\n\nDe proceskosten in de voorlopige voorziening\n\n4.42. Omdat partijen een relatie met elkaar hebben gehad en de zaak over hun kind gaat, zullen de proceskosten worden gecompenseerd. Dat betekent dat iedere partij zijn eigen kosten moet dragen.\n\n5. De beslissing\n\nDe rechtbank\n\nIn de bodemprocedure (C\u002F02\u002F444816 \u002F FA RK 26-658)\n\n5.1. bepaalt dat [minderjarige] , geboren op [geboortedag] 2025 te [geboorteplaats] , haar hoofdverblijf heeft bij de vrouw;\n\n5.2. wijst het verzoek van de man met betrekking tot het hoofdverblijf van [minderjarige] en de inschrijving van [minderjarige] op zijn adres af;\n\n5.3. verwijst partijen (ouders) en [minderjarige] voor een (jeugd)hulptraject ten behoeve van de hierboven genoemde resultaten naar het loket van de samenwerkende gemeenten in de regio West-Brabant-Oost. Het loket zal ouders en [minderjarige] vervolgens via de toegang van de woonplaatsgemeente van [minderjarige] verwijzen naar de zorgaanbieder;\n\n5.4. verzoekt het loket om uiterlijk 2 november 2026 pro forma, of zoveel eerder als mogelijk is, de UHA rapportage over het verloop en de resultaten van het (jeugd)hulpverleningstraject bij de griffie van de rechtbank in te dienen;\n\n5.5. verzoekt het loket, wanneer het traject niet is gestart of niet heeft geleid tot een positief resultaat, de UHA rapportage ook direct toe te sturen aan de Raad;\n\n5.6. verzoekt de Raad binnen veertien dagen na binnenkomst van de UHA rapportage de rechtbank te informeren of hij aanleiding ziet een onderzoek of interventie te starten;\n\n5.7. verzoekt de Raad voor de Kinderbescherming, Zeeland-West-Brabant, locatie Breda wanneer het (jeugd)hulptraject niet is gestart of niet heeft geleid tot een positief resultaat, dan wel als de Raad daartoe zelf aanleiding ziet, een onderzoek in te stellen ter beantwoording van de in rechtsoverweging 4.19 vermelde vragen en daarover te rapporteren en te adviseren;\n\n5.8. houdt de behandeling van deze zaak, alsmede iedere verdere beslissing, met betrekking tot de verzoeken over de zorgregeling aan tot 2 november 2026pro forma;\n\n5.9. geeft aan de man – ter vervanging van de ontbrekende toestemming van de vrouw – toestemming om [minderjarige] deel te laten nemen aan het Rijksvaccinatieprogramma voor zover dat betrekking heeft op vaccinaties die worden gegeven tot en met de leeftijd van 14 maanden, een en ander met inachtneming van hetgeen is overwogen in rechtsoverweging 4.38 van deze beschikking, en verklaart deze vervangende toestemming uitvoerbaar bij voorraad;\n\n In de voorlopige voorziening (C\u002F02\u002F445629 \u002F FA RK 26-1119)\n\n5.10. wijst het verzoek van de vrouw om [minderjarige] voorlopig aan haar toe te vertrouwen af;\n\n5.11. bepaalt, uitvoerbaar bij voorraad, dat de man en [minderjarige] in het kader van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken voorlopig– totdat in de bodemprocedure is beslist op de verzoeken van partijen – recht hebben op contact met elkaar elke week van donderdag 09:00 uur tot zondag 09.00 uur, welke regeling ingaat vanaf het moment dat de man de woning heeft verlaten (uiterlijk 1 juni 2026);\n\n5.12. wijst de verzoeken van partijen ten aanzien van de voorlopige zorgregeling voor het overige af;\n\n5.13. wijst het verzoek van de vrouw met betrekking tot het uitsluitend gebruik van de woning af;\n\n5.14. compenseert de kosten van het geding aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt.\n\nDeze beschikking is gegeven door mr. Baggel, rechter, en in het openbaar uitgesproken op 18 mei 2026 in aanwezigheid van mr. Bishop-van Kollenburg, griffier.\n\nIndien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:\n\ndoor de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,\n\ndoor andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.\n\nHet hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het\n\ngerechtshof ’s-Hertogenbosch.","nl","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:5345","ecli-nl-rbzwb-2026-5345",{"courtName":8,"legalDomain":17,"decisionType":18,"procedureType":19},"Civiel recht; Personen- en familierecht","uitspraak","Uitspraak",[21,32,43,53,63],{"id":22,"ecli":23,"caseNumber":6,"courtId":24,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":26,"language":12,"source":13,"sourceUrl":27,"summary":6,"slug":28,"metadata":29},"410","ECLI:NL:RBLIM:2026:6423",66,"2026-07-08T00:00:00.000Z","RECHTBANK limburg\n\nZittingsplaats Roermond\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: ROE 25 \u002F 2565\n\nuitspraak van de meervoudige kamer van 8 juli 2026 in de zaak tussen\n\n [belanghebbende] , gevestigd te [plaats], belanghebbende\n\n(gemachtigde: M.O.E. Uyen)\n\nen\n\nde heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking Gemeenten en Waterschappen, de heffingsambtenaar (gemachtigde: A. van den Dool).\n\nProcesverloop\n\nDe heffingsambtenaar heeft op grond van de Wet waardering onroerende zaken (Wet woz) de waarde van de onroerende zaken van belanghebbende voor het belastingjaar 2025 vastgesteld (het primaire besluit).\n\nBelanghebbende heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt.\n\nDe heffingsambtenaar heeft het bezwaar van belanghebbende gegrond verklaard (het bestreden besluit). Aan belanghebbende is een proceskostenvergoeding van in totaal € 161,74 toegekend.\n\nBelanghebbende heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.\n\nDe heffingsambtenaar heeft verweer gevoerd.\n\nOp 4 mei 2026, aangevuld op 11 mei 2026, zijn van belanghebbende nadere gronden en stukken ontvangen.\n\nHet onderzoek ter zitting heeft vervolgens plaatsgevonden op 15 mei 2026. Belanghebbende heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. L.H.G.M. Driessen, kantoorgenote van haar gemachtigde bij Previcus B.V. te Boxmeer. De heffingsambtenaar heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.\n\nOverwegingen\n\n1. De rechtbank stelt vast dat de woz-waarde tussen partijen niet meer in geschil is. Het beroep van belanghebbende richt zich enkel tegen de toegekende proceskostenvergoeding en spitst zich toe op de vraag of de heffingsambtenaar bij de vaststelling van de proceskostenvergoeding in bezwaar toepassing heeft mogen geven aan de vermenigvuldigingsfactor 0,125 van artikel 30a, eerste lid, van de Wet woz, zoals dit artikellid luidt met ingang van 1 januari 2025.\n\n2. De heffingsambtenaar heeft in het bestreden besluit de proceskostenvergoeding van € 161,74 als volgt gespecificeerd:\n\n- indienen bezwaarschrift: 1 punt x waarde per punt € 647,- x factor 0,125 = € 80,87 +\n\n- bijwonen hoorzitting: 1 punt x waarde per punt € 647,- x factor 0,125 = € 80,87 = € 161,74.\n\n3. Belanghebbende vindt dat de heffingsambtenaar een te lage proceskostenvergoeding heeft toegekend. Zij verzoekt de rechtbank om artikel 30a van de Wet woz buiten toepassing te laten, omdat haar gemachtigde een bijzonder geval is als bedoeld in het zogenoemde 30a-arrest van de Hoge Raad van 17 januari 2025 (ECLI:NL:HR:2025:46).\n\n4. In het 30a-arrest heeft de Hoge Raad geoordeeld dat bijzondere gevallen zich onderscheiden doordat zij niet voldoen aan de volgende kenmerken: dat aan de belanghebbende rechtsbijstand wordt verleend door een beroepsmatig optredende gemachtigde, dan wel een kantoor, waarvan het bedrijfsmodel eruit bestaat dat\n\n( i) wordt opgetreden op basis van no cure no pay,\n\n(ii) daarbij zodanige afspraken met de cliënten worden gemaakt dat het bedrag van eventuele proceskostenvergoedingen aan de gemachtigde of aan het kantoor wordt afgedragen, en\n\n(iii) de procedures op een zodanige wijze worden gevoerd dat de daarin toegekende proceskostenvergoedingen de in redelijkheid gemaakte kosten ver overtreffen.\n\n5. De daarbij te hanteren regels zijn nader uitgewerkt in de arresten van de Hoge Raad van 25 april 2025 (ECLI:NL:HR:2025:670) en 18 juli 2025 (ECLI:NL:HR:2025:1175).\n\n5.1.. Volgens de Hoge Raad rusten op de belanghebbende de stelplicht en bewijslast van feiten die meebrengen dat buiten redelijke twijfel komt vast te staan dat, beoordeelt naar de situatie op het moment waarop het desbetreffende rechtsmiddel is aangewend, het bedrijfsmodel van de betreffende gemachtigde of diens kantoor kennelijk niet allehiervoor bedoelde drie kenmerken heeft en dat aldus sprake is van een bijzonder geval. Er is dus (al) sprake van een bijzonder geval als één van de drie kenmerken niet van toepassing is.\n\n5.2.. Bij de beoordeling van het bedrijfsmodel gaat het niet specifiek om de werkzaamheden die de gemachtigde heeft verricht in de procedure waarop de proceskostenvergoeding ziet. Met het bedrijfsmodel is namelijk meer in het algemeen de wijze bedoeld waarop de gemachtigde zijn inkomsten verwerft met het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand.\n\n5.3.. Indien het bedrijfsmodel van een gemachtigde of een kantoor inhoudt dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay (i), of op een grondslag die daarmee in wezen overeenkomt en daarmee dus op één lijn kan worden gesteld, en dat daarbij afspraken met de cliënten worden gemaakt als hiervoor onder (ii) bedoeld, zal aldus moeten worden beoordeeld of dit bedrijfsmodel voldoet aan het hiervoor onder (iii) vermelde kenmerk van vergaande overdekking. Daartoe moet een vergelijking worden gemaakt tussen enerzijds het totale bedrag aan proceskostenvergoedingen dat aan de gemachtigde of aan het kantoor wordt afgedragen, en anderzijds het totale bedrag van de kosten van de gemachtigde of van het kantoor die kunnen worden toegerekend aan het voeren van de procedures waarop die proceskostenvergoedingen betrekking hebben. Het komt dus erop aan of het totale bedrag van de afgedragen proceskostenvergoedingen het totale bedrag van de zojuist bedoelde kosten verre overtreft. De omstandigheid dat vaak geheel of ten dele gebruik wordt gemaakt van gestandaardiseerde tekstblokken die niet zijn toegespitst op de desbetreffende zaak, vormt een aanwijzing dat het bedrijfsmodel wel het derde kenmerk van vergaande overdekking heeft, en zal daarom in het algemeen volstaan om aan te nemen dat de belanghebbende niet in dit door hem te leveren bewijs is geslaagd.\n\n6. In het arrest van 26 september 2025 (ECLI:NL:HR:2025:1375) heeft de Hoge Raad nader uitgewerkt wanneer sprake is van een bedrijfsmodel dat eruit bestaat dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay (i). Bij optreden op basis van no cure no pay moet worden uitgegaan van afspraken tussen de belanghebbende en de rechtsbijstandverlener op grond waarvan de belanghebbende geen financieel risico loopt bij inschakeling van de rechtsbijstandverlener, omdat geen instapvergoeding verschuldigd is noch een percentage van de bespaarde belasting als vergoeding moet worden afgestaan (zie Kamerstukken II 2023\u002F24, 36 427, nr. 3, blz. 2). Bij de beoordeling van de vraag of het bedrijfsmodel van een beroepsmatig optredende gemachtigde, dan wel een kantoor, eruit bestaat dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay, komt het dus erop aan of die gemachtigde dan wel diens kantoor afspraken maakt met klanten op grond waarvan zij geen financieel risico lopen bij het verstrekken van de opdracht tot het verlenen van rechtsbijstand in een belastingprocedure. De verschuldigdheid van een instapvergoeding staat niet in alle gevallen eraan in de weg dat afspraken met een rechtsbijstandsverlener worden aangemerkt als afspraken op basis van no cure no pay. Onder het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand op basis van no cure no pay wordt namelijk ook begrepen het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand op een grondslag die daarmee in wezen overeenkomt en daarmee dus op één lijn kan worden gesteld. Dan moet worden gedacht aan de betaling van een zodanig laag bedrag dat die betaling als een pro forma of symbolische bijdrage moet worden beschouwd.\n\n7. De rechtbank stelt vast dat de gemachtigde van belanghebbende in deze zaak niet heeft bestreden dat haar bedrijfsmodel de hiervoor onder (ii) en (iii) vermelde kenmerken heeft.\n\n8. Belanghebbende bestrijdt dat het bedrijfsmodel van haar gemachtigde ten tijde van het instellen van bezwaar (en beroep) eruit bestaat dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay (i). Hiertoe heeft de gemachtigde verwezen naar een beschrijving van haar per 1 januari 2025 gewijzigde bedrijfsmodel (“Bijzonder geval: bedrijfsmodel Previcus en artikel 30a Wet WOZ”).\n\n8.1.. Volgens die beschrijving is de werkwijze met ingang van 1 januari 2025 fundamenteel gewijzigd. Het aantal dossiers is vanaf 2025 aanzienlijk afgenomen van 128.000 zaken naar circa 1.291 zaken. De zaken worden (vrijwel) niet meer op basis van no cure no pay uitgevoerd, maar volgens een regulier model waarin een cliënt, ongeacht de uitkomst van de zaak, een vaste startvergoeding betaalt (doorgaans gebaseerd op het aantal aanslagbiljetten) en\u002Fof een deel van de gerealiseerde besparing afdraagt (in bijna alle gevallen 40% van de besparing). De vóór 2025 aangebrachte zaken worden nog op basis van no cure no pay uitgevoerd. Bovendien worden vanaf 2025 alle aanslagbiljetten op voorhand gescreend en worden enkel de zaken doorgezet waarbij op voorhand onvoldoende duidelijk is dat er geen fouten zijn gemaakt. Er is, aldus de beschrijving, geen sprake meer van een grote massa waar de wetswijziging (Wet herwaardering proceskostenvergoeding WOZ en Bpm) op zag. De gemachtigde richt zich voortaan op de zakelijke markt, waarbij vrijwel altijd ook prijsafspraken met belanghebbenden worden gemaakt die losstaan van eventueel toegekende proceskostenvergoedingen.\n\n8.2.. De gemachtigde heeft de prijsafspraken over 2025 als volgt in een overzicht opgenomen.\n\n8.3.. De vermelding in de volmacht dat de vergoeding voor de werkzaamheden uitsluitend het totaal van de proceskostenvergoedingen bedraagt, klopt, aldus de beschrijving, niet meer. De onderliggende overeenkomsten bepalen dat cliënten zelf vergoedingen verschuldigd zijn. De proceskostenvergoeding speelt daarin nog slechts een kleine aanvullende rol.\n\n9. Op 4 mei 2026 heeft de gemachtigde van belanghebbende de facturen en betaalbewijzen in een groot aantal zaken, waarin zij als gemachtigde optreedt, ingezonden. Op 11 mei 2026 is daarvan een overzicht overgelegd. Die stukken bevestigen het beeld dat de beschrijving van het bedrijfsmodel geeft. Uit de facturen en betaalbewijzen blijkt namelijk dat de gemachtigde van een groot deel van haar cliënten een “besparingsfee” van minimaal 30% van de eventuele belastingbesparing vraagt, zij die “besparingsfee” aan haar cliënten factureert en die “besparingsfee” vervolgens ook door de cliënten wordt betaald.\n\n10. Daarnaast komt uit de facturen en betaalbewijzen naar voren dat de meeste cliënten (bovenop de “besparingsfee”) tevens een (in hoogte variërende) “startfee” zijn verschuldigd. Op zitting heeft de gemachtigde toegelicht dat, indien overeengekomen, de “startfee” altijd wordt gefactureerd en betaald. Dat dit niet in alle gevallen gebeurt blijkt uit de overgelegde facturen en betaalbewijzen, en komt, aldus de gemachtigde, doordat de “startfee”, die ongeacht de uitkomst is verschuldigd, in die gevallen eerder is gefactureerd en betaald. Dat is anders bij de “besparingsfee”, die niet eerder dan na het nemen van het bestreden besluit in rekening kan worden gebracht, omdat dan pas de (hoogte van de) besparing duidelijk is.\n\n11. De heffingsambtenaar heeft zich ter zitting op het standpunt gesteld dat het pas op 4 mei 2026 door de gemachtigde van belanghebbende indienen van facturen en betaalbewijzen (die op 6 mei 2026 door de rechtbank zijn vrijgegeven), die al in 2025 beschikbaar waren, in strijd is met een goede procesorde. De rechtbank overweegt dat partijen in beginsel vrij zijn om gedurende de procedure hun standpunten aan te vullen. Die vrijheid wordt echter begrensd door de beginselen van de goede procesorde. Hoewel de late indiening van reeds voorhanden zijnde stukken niet de schoonheidsprijs verdient, ziet de rechtbank hierin geen grond om die stukken vanwege strijd met een goede procesorde buiten beschouwing te laten. Hiertoe acht de rechtbank van belang dat de stukken een onderbouwing vormen van een eerder door de gemachtigde ingenomen standpunt, een reactie zijn op het verweerschrift en dat de aard en de omvang van de stukken niet zodanig zijn dat van de heffingsambtenaar om adequaat hierop te kunnen reageren een nader diepgaand (feiten)onderzoek wordt gevergd. De inhoudelijke reactie van de heffingsambtenaar op de stukken in de pleitnota bevestigen dit oordeel.\n\n12. De rechtbank stelt voorop dat voor haar de facturen en de betaalbewijzen leidend zijn voor de beoordeling van de vraag of kenmerk (i) op de gemachtigde van belanghebbende van toepassing is. Naar het oordeel van de rechtbank zijn (alleen) die stukken, en niet (ook) de overeenkomst, de website en de algemene voorwaarden van de gemachtigde (op 9 februari 2025), waarvan gesteld is dat die op dat moment nog niet in overeenstemming met het gewijzigde bedrijfsmodel waren gebracht, relevant voor de vraag of sprake is van een bedrijfsmodel op basis van no cure no pay. Omdat het bedrijfsmodel van de gemachtigde (en niet de vergoedingen in de aan de rechtbank voorliggende zaken) moet worden beoordeeld, blijft die beoordeling, anders dan de heffingsambtenaar stelt, niet beperkt tot de gemeenten binnen het ambtsgebied van de heffingsambtenaar. Daaruit volgt ook dat op grond van het (incidenteel) ontbreken van facturen en betaalbewijzen in aan de rechtbank voorliggende zaken niet zonder meer kan worden geconcludeerd dat kenmerk (i) op het bedrijfsmodel van de gemachtigde van toepassing is.\n\n13. De rechtbank is van oordeel dat met voldoende gegevens is onderbouwd dat de gemachtigde in 2025 voor een groot deel van de procedures een “besparingsfee” in rekening heeft gebracht. Door het betalen van een “besparingsfee” loopt een belanghebbende bij de inschakeling een gemachtigde voor het voeren van een procedure een financieel risico (zie hiervoor het arrest van de Hoge Raad van 26 september 2025). Deze door de gemachtigde gevraagde vergoeding (van 30-40%) acht de rechtbank, nog daargelaten dat de Hoge Raad dat enkel ten aanzien van “instapvergoedingen” heeft geoordeeld, ook niet dusdanig laag dat kan worden gesproken van rechtsbijstandverlening op een grondslag die in wezen overeenkomt met rechtsbijstandverlening op basis van no cure no pay. Op grond van het vorenstaande heeft belanghebbende, naar het oordeel van de rechtbank, buiten redelijke twijfel bewezen dat het bedrijfsmodel van de gemachtigde ten tijde van het instellen van bezwaar niet het kenmerk van optreden op basis van no cure no pay heeft (i). Daaraan doet niet af dat een belanghebbende vooraf ermee heeft ingestemd dat een eventuele vergoeding van proceskosten aan de gemachtigde toekomt. Dat geldt ook voor het ontbreken van facturen en betaalbewijzen van op een eerder moment in rekening gebrachte “startfees” en de door de heffingsambtenaar gestelde inconsistenties in de hoogte hiervan.\n\n14. Uit het vorenstaande volgt dat sprake is van een bijzonder geval en de heffingsambtenaar ten onrechte toepassing heeft gegeven aan artikel 30a, eerste lid, van de Wet woz.\n\n15. Dit betekent dat het beroep van belanghebbende gegrond is. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit voor zover dat ziet op de toegekende proceskostenvergoeding en bepaalt met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht de proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase op € 1.332,- (2 x € 666,-).\n\n16. Aan het standpunt van belanghebbende dat aan het bestreden besluit een motiveringsgebrek kleeft, wordt niet toegekomen.\n\n17. Omdat het beroep gegrond is, moet de heffingsambtenaar het griffierecht aan belanghebbende vergoeden.\n\n18. De rechtbank acht termen aanwezig om de heffingsambtenaar te veroordelen in de proceskosten die belanghebbende redelijkerwijs heeft moeten maken in verband met de behandeling van het beroep, een en ander eveneens overeenkomstig de normen van het Besluit proceskosten bestuursrecht. Aan belanghebbende is door een derde beroepsmatig rechtsbijstand verleend. Voor de in aanmerking te nemen proceshandelingen worden 2 punten (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen op zitting met een waarde van € 934,- per punt) toegekend. De rechtbank bepaalt in overeenstemming met het Richtsnoer proceskostenvergoeding belastingkamers gerechtshoven 2024 (neergelegd in de uitspraak van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 7 augustus 2024, ECLI:NL:GHSHE:2024:2524) de wegingsfactor op 0,5. Gelet hierop bedraagt het vanwege de in deze zaak verleende rechtsbijstand te vergoeden bedrag in totaal € 934,-.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep gegrond;\n\n- vernietigt het bestreden besluit voor zover dat ziet op de toegekende proceskostenvergoeding, stelt de proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase vast op € 1.332,- en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;\n\n- draagt de heffingsambtenaar op het betaalde griffierecht van € 385,- aan belanghebbende te vergoeden;\n\n- veroordeelt de heffingsambtenaar in de proceskosten van belanghebbende wegens verleende rechtsbijstand in beroep tot een bedrag van € 934,-.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. B.F.A. van Huijgevoort, voorzitter, en mrs. E.P.J. Rutten en J.H. van Hoof leden, in aanwezigheid van mr. D.D.R.H. Lechanteur, griffier.De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 8 juli 2026.\n\ngriffier rechter\n\nAfschrift verzonden aan partijen op: 8 juli 2026.\n\nRechtsmiddel\n\nTegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof ’s-Hertogenbosch (belastingkamer).\n\nU kunt digitaal beroep instellen via www.rechtspraak.nl. Daar klikt u op “Formulieren en inloggen”. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ’s-Hertogenbosch (belastingkamer).\n\nBij het instellen van het hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:\n\n1. bij het hogerberoepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;\n\n2 - het hogerberoepschrift moet, indien het op papier wordt ingediend, ondertekend zijn. Verder moet het ten minste het volgende vermelden:\n\na. de naam en het adres van de indiener;\n\nb. de datum van verzending;\n\nc. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;\n\nd. de redenen waarom u het niet eens bent met de uitspraak (de gronden van het hoger beroep).","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBLIM:2026:6423","ecli-nl-rblim-2026-6423",{"courtName":30,"legalDomain":31,"decisionType":18,"procedureType":19},"Roermond","Bestuursrecht; Belastingrecht",{"id":33,"ecli":34,"caseNumber":35,"courtId":36,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":37,"language":38,"source":39,"sourceUrl":6,"summary":40,"slug":41,"metadata":42},"85","ECLI:RO:2026:JudecatoriaSECTORUL5BUCURESTI:17050-302-2025-a1","17050\u002F302\u002F2025\u002Fa1",97,"Admite cererea de îndreptare a erorii materiale din cuprinsul sentin?ei civile nr. 2484\u002F06.03.2026, pronunţată de Judecătoria Sectorului 5 Bucure?ti în dosar nr. 17050\u002F302\u002F2025, formulată din oficiu.       \nDispune îndreptarea erorii materiale strecurată în cuprinsul sentin?ei civile nr. 2484\u002F06.03.2026 pronun?ată în cadrul dosarului nr. 17050\u002F302\u002F2025, în sensul re?inerii că pârâtul Vasile Constantin are codul numeric personal ............, iar nu ............., astfel cum în mod eronat s-a consemnat.   \nPrezenta încheiere face parte integrantă din cuprinsul sentin?ei civile nr. 2484\u002F06.03.2026 pronun?ată în cadrul dosarului nr. 17050\u002F302\u002F2025.   \nÎndreptarea se va efectua în toate exemplarele sentin?ei.\n\tCu drept de apel în 30 de zile de la comunicare. Cererea de apel se va depune la Judecătoria Sectorului 5 Bucure?ti.   \n\tPronun?ată prin punerea solu?iei la dispozi?ia păr?ilor prin intermediul grefei instan?ei, astăzi, 08.07.2026.\n","ro","portalquery_ro","Admite cererea","ecli-ro-2026-judecatoriasectorul5bucuresti-17050-302-2025-a1",null,{"id":44,"ecli":45,"caseNumber":6,"courtId":46,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":47,"language":12,"source":13,"sourceUrl":48,"summary":6,"slug":49,"metadata":50},"296","ECLI:NL:GHDHA:2026:2250",58,"Rolnummer: 22-001978-23\n\nParketnummer: 10-066729-23\n\nDatum uitspraak: 8 juli 2026\n\nTEGENSPRAAK\n\nArrestvan de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Den Haag gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 28 juni 2023 in de strafzaak tegen de verdachte:\n\n [verdachte],\n\ngeboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2002,\n\nBRP-adres: [BRP-adres] , [woonplaats] .\n\nOnderzoek van de zaak\n\nDit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof.\n\nHet hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.\n\nProcesgang\n\nIn eerste aanleg is de verdachte van het onder 1 tenlastegelegde vrijgesproken en ter zake van het onder 2 en 3 tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 120 dagen, met aftrek van voorarrest, waarvan 73 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren. Voorts is beslist op de vorderingen van de benadeelde partijen, zoals nader omschreven in het vonnis waarvan beroep.\n\nNamens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.\n\nOmvang van het hoger beroep\n\nDe verdachte is door de rechtbank Rotterdam vrijgesproken van hetgeen aan hem onder 1 is tenlastegelegd. Het hoger beroep is door de verdachte onbeperkt ingesteld en is derhalve mede gericht tegen de in eerste aanleg gegeven beslissing tot vrijspraak. Gelet op hetgeen is bepaald in artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering staat voor de verdachte tegen deze beslissing geen hoger beroep open. Het hof zal de verdachte mitsdien niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep gegeven vrijspraak.\n\nWaar hierna wordt gesproken van \"de zaak\" of \"het vonnis\", wordt daarmee bedoeld de zaak of het vonnis voor zover op grond van het vorenstaande aan het oordeel van dit hof onderworpen.\n\nTenlastelegging\n\nAan de verdachte is – voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen – tenlastegelegd dat:\n\n2. hij op of omstreeks 01 januari 2023 te 's-Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard, openlijk, te weten, op of aan de Smidsweg en\u002Fof de Langestraat, in elk geval op of aan (een) openbare weg(en), in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een of meer verbalisanten van de politie Eenheid Rotterdam, te weten [hoofdagent] (hoofdagent) en\u002Fof [aspirant] (aspirant) en\u002Fof één of meer verbalisanten, zijnde groepsleden van de Mobiele Eenheid van politie Eenheid Rotterdam, te weten [verbalisant 1] en\u002Fof [verbalisant 2] en\u002Fof [verbalisant 3] en\u002Fof [verbalisant 4] en\u002Fof [verbalisant 5] en\u002Fof [verbalisant 6] en\u002Fof [verbalisant 7] en\u002Fof [verbalisant 8] en\u002Fof [verbalisant 9] en\u002Fof [verbalisant 10] en\u002Fof [verbalisant 11] en\u002Fof [verbalisant 12] en\u002Fof [verbalisant 13] en\u002Fof [verbalisant 14] en\u002Fof [verbalisant 15] en\u002Fof [verbalisant 16] en\u002Fof [verbalisant 17] en\u002Fof [verbalisant 18] en\u002Fof [verbalisant 19] en\u002Fof [verbalisant 20] , althans een of meer (andere) verbalisanten door\n\n- één of meer stuks zwaar (illegaal) vuurwerk (betreffende onder meer: cobra's \u002F nitraten \u002F shells) en\u002Fof vuurwerkbommen op\u002Ftegen, althans in de richting van\u002Fnaar voornoemde verbalisanten af te schieten en\u002Fof te gooien, waarbij voornoemd(e) vuurwerk\u002Fvuurwerkbommen vlakbij\u002Fnaast het\u002Fde lichamen en\u002Fof het\u002Fde hoofden\u002Fgezichten van voornoemde verbalisanten tot ontploffing is\u002Fzijn gekomen en\u002Fof\n\n- ( met kracht) één of meer stenen en\u002Fof glaswerk op\u002Ftegen, althans in de richting van voornoemde verbalisanten te gooien en\u002Fof\n\n- ( dreigend) zich op te dringen aan voornoemde ambtenaren en\u002Fof\n\n- ( daarbij) (dreigend) een of meerdere ploertendoders, althans slagvoorwerpen, aan voornoemde ambtenaren te tonen\u002Fvoor te houden en\u002Fof\n\n- ( daarbij) aan die [aspirant] en\u002Fof [hoofdagent] en\u002Fof een of meer (andere) verbalisanten de weg te versperren, althans de doorgang te beletten en\u002Fof (daarbij) te verhinderen dat die [aspirant] en\u002Fof [hoofdagent] en\u002Fof anderen met\u002Fin een (politie)voertuig weg konden rijden en\u002Fof\n\n- naar\u002Fin de richting van voornoemde ambtenaren te schelden, met de woorden: \"Kankerlijers\", \"Kanker op joh\" en\u002Fof \"Kankerpolitie\" en\u002Fof\n\n- ( met kracht) op\u002Ftegen het (politie)schild van die [verbalisant 2] te trappen\u002Fschoppen;\n\n3. hij op of omstreeks 31 december 2022 te 's-Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard opzettelijk en wederrechtelijk een vuilnisbak\u002Fprullenbak, in elk geval enig goed, dat\u002Fdie geheel of ten dele aan Gemeente Hoeksche Waard, in elk geval aan een ander dan aan verdachte toebehoorde(n) heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt.\n\nVordering van de advocaat-generaal\n\nDe advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de bewezenverklaring zal worden bevestigd en dat de verdachte ter zake van het onder 2 en 3 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 107 dagen, met aftrek van voorarrest, waarvan 60 dagen voorwaardelijk en met een proeftijd van 2 jaren.\n\nHet vonnis waarvan beroep\n\nHet vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.\n\nVrijspraak\n\nDe advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het onder 2 tenlastegelegde wettig en overtuigend kan worden bewezenverklaard, nu de verdachte met zijn handelen een bijdrage van voldoende gewicht heeft geleverd aan het openlijk geweld tegen de desbetreffende verbalisanten. Zo heeft de verdachte voorafgaand aan de jaarwisseling deel genomen aan een WhatsApp-groep waarin werd gesproken over het voornemen onrust te veroorzaken ten tijde van de jaarwisseling. Voorts heeft de verdachte in de nacht van de jaarwisseling – nadat hij door leden van de Mobiele Eenheid (ME) was ingesloten –op zijn telefoon een video-opname gemaakt waarin er samen met medeverdachte [medeverdachte] (hierna: [medeverdachte] ) wordt gepraat over het doodschoppen van een ME’er. Vijftien minuten nadat hij deze video had opgenomen, is [medeverdachte] aangehouden voor het schoppen tegen het schild van een ME’er.\n\nHet hof overweegt als volgt.\n\nHet hof stelt voorop dat van het \"in vereniging\" plegen van geweld sprake is, indien de betrokkene een voldoende significante of wezenlijke bijdrage levert aan het geweld, zij het dat deze bijdrage zelf niet van gewelddadige aard hoeft te zijn. De enkele omstandigheid dat iemand aanwezig is in een groep die openlijk geweld pleegt is niet zonder meer voldoende om hem te kunnen aanmerken als iemand die \"in vereniging\" geweld pleegt. Beoordeeld zal moeten worden of de door de verdachte geleverde – intellectuele en\u002Fof materiële – bijdrage aan het delict van voldoende gewicht is.\n\nMet de advocaat-generaal en de verdediging is het hof van oordeel dat op grond van het verhandelde ter terechtzitting niet kan worden bewezen dat de verdachte omstreeks de jaarwisseling geweld heeft gebruikt jegens de verbalisanten, zoals het gooien met stenen of vuurwerk. Het hof is voorts van oordeel dat evenmin bewezen kan worden dat de verdachte op enige wijze geweldshandelingen die door andere personen zijn gepleegd heeft ondersteund of anderszins heeft bijgedragen aan het ontstaan of het voortduren van het geweld jegens de verbalisanten. Het hof neemt hierbij in aanmerking dat [medeverdachte] bij de raadsheer-commissaris als getuige is gehoord en heeft verklaard dat hetgeen de verdachte in de video-opname heeft gezegd, los stond van zijn handelen daarna en dat de verdachte niet in de buurt was toen [medeverdachte] tegen het schild van verbalisant [verbalisant 2] aan schopte. De enkele aanwezigheid in de groep die door de politie\u002FME was ingesloten en het feit dat de verdachte deel uit maakte van een WhatsApp-groep acht het hof evenmin een bijdrage van voldoende gewicht. Gelet op het voorgaande is niet vast komen te staan dat de verdachte een voldoende significante of wezenlijke bijdrage heeft geleverd aan het tenlastegelegde geweld tegen de desbetreffende verbalisanten, zodat het ten laste gelegde niet kan worden bewezen en de verdachte daarvan zal worden vrijgesproken.\n\nBewezenverklaring\n\nHet hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 3 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:\n\n3. hij op of omstreeks31 december 2022 te 's-Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard opzettelijk en wederrechtelijk eenvuilnisbak\u002Fprullenbak, in elk geval enig goed,dat\u002Fdiegeheel of ten deleaan Gemeente Hoeksche Waard, in elk geval aan een ander dan aan verdachtetoebehoorde(n)heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt;.\n\nHetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.\n\nBewijsvoering\n\nHet hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.\n\nIn die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.\n\nStrafbaarheid van het bewezenverklaarde\n\nHet onder 3 bewezenverklaarde levert op\n\nopzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen.\n\nStrafbaarheid van de verdachte\n\nEr is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.\n\nStrafmotivering\n\nHet hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.\n\nDaarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.\n\nDe verdachte heeft zich op oudejaarsavond schuldig gemaakt aan vernieling van een prullenbak door hierop zwaar vuurwerk tot ontploffing te brengen. Een dergelijk feit is gevaarzettend en geschikt om gevoelens van angst en onveiligheid in de maatschappij teweeg te brengen. De verdachte heeft met zijn handelen de gemeente en daarmee de gemeenschap financiële schade berokkend en hij heeft hiermee overlast veroorzaakt.\n\nHet hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie van 1 juni 2026, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder voor een vergelijkbaar feit is veroordeeld.\n\nTen aanzien van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) overweegt het hof dat deze is aangevangen op 6 maart 2023. In eerste aanleg is de redelijke termijn niet overschreden. Het hof stelt vast dat de behandeling van de zaak in hoger beroep niet heeft plaatsgevonden binnen de daartoe gestelde redelijke termijn,. Namens de verdachte is immers op 4 juli 2023 hoger beroep ingesteld en het hof wijst op 8 juli 2026 eindarrest. De redelijke termijn van de berechting in hoger beroep is derhalve met meer dan één jaar overschreden. Het hof ziet, ook gelet op de duur van de procedure als geheel, aanleiding te volstaan met de constatering van dit verzuim, gelet op de gekozen strafmodaliteit en de hoogte van de op te leggen straf.\n\nHet hof is – alles afwegende – van oordeel dat een onvoorwaardelijke taakstraf van na te melden duur een passende en geboden reactie vormt. Anders dan de verdediging heeft bepleit acht het hof een geldboete, gelet op de context waarin en de wijze waarop de vernieling plaatsvond – tijdens de jaarwisseling en met (illegaal) vuurwerk – niet passend. Evenmin zal om die reden toepassing worden gegeven aan het bepaalde in artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht.\n\nVorderingen tot schadevergoeding\n\nIn het onderhavige strafproces hebben tweeëntwintig verbalisanten zich als benadeelde partij gevoegd ter zake van het onder 2 ten laste gelegde. De benadeelde partijen [verbalisant 17] , [verbalisant 12] , [verbalisant 8] , [verbalisant 9] , [verbalisant 19] , [verbalisant 20] , [verbalisant 18] , [verbalisant 15] , [verbalisant 10] , [verbalisant 4] , [verbalisant 1] , [verbalisant 16] , [verbalisant 3] , [aspirant] , [verbalisant 7] , [hoofdagent] , [verbalisant 14] , [verbalisant 5] en [verbalisant 6] vorderen per persoon een vergoeding van € 350,00 aan immateriële schade. De benadeelde partijen [verbalisant 13] en [verbalisant 11] vorderen per persoon een vergoeding van € 400,00 aan immateriële schade en de benadeelde partij [verbalisant 2] vordert een vergoeding van € 750,00 aan immateriële schade.\n\nNu de verdachte ter zake van het onder 2 tenlastegelegde wordt vrijgesproken, zullen de benadeelde partijen niet-ontvankelijk worden verklaard in hun vordering.\n\nGelet daarop zullen de benadeelde partijen worden veroordeeld in de kosten die de verdachte tot aan deze uitspraak in verband met de verdediging tegen die vorderingen heeft moeten maken, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil.\n\nToepasselijke wettelijke voorschriften\n\nHet hof heeft gelet op de artikelen 9, 22c, 22d en 350 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.\n\nBESLISSING\n\nHet hof:\n\nVerklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder 1 tenlastegelegde.\n\nVernietigt het vonnis waarvan beroep voor zover thans aan het oordeel van het hof onderworpen en doet in zoverre opnieuw recht:\n\nVerklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 2 tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.\n\nVerklaart, zoals hiervoor overwogen, bewezen dat de verdachte het onder 3 tenlastegelegde heeft begaan.\n\nVerklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.\n\nVerklaart het onder 3 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.\n\nVeroordeelt de verdachte tot een taakstrafvoor de duur van60 (zestig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door30 (dertig) dagen hechtenis.\n\nBeveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van 2 uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.\n\nVordering van de benadeelde partijen:\n\n- [verbalisant 17] ,\n\n- [verbalisant 12] ,\n\n- [verbalisant 13] ,\n\n- [verbalisant 8] ,\n\n- [verbalisant 9] ,\n\n- [verbalisant 19] ,\n\n- [verbalisant 20] ,\n\n- [verbalisant 11]\n\n- [verbalisant 18] ,\n\n- [verbalisant 15] ,\n\n- [verbalisant 10] ,\n\n- [verbalisant 4] ,\n\n- [verbalisant 1] ,\n\n- [verbalisant 16] ,\n\n- [verbalisant 3] ,\n\n- [verbalisant 2]\n\n- [aspirant] ,\n\n- [verbalisant 7] ,\n\n- [hoofdagent] ,\n\n- [verbalisant 14] ,\n\n- [verbalisant 5] , en\n\n- [verbalisant 6]\n\nVerklaart de hiervoor genoemde benadeelde partijen telkens niet-ontvankelijk in hun vordering tot schadevergoeding.\n\nVeroordeelt de hiervoor genoemde benadeelde partijen telkens in de door verdachte gemaakte kosten en begroot deze telkens op nihil.\n\nDit arrest is gewezen door mr. F.W. Pieters, als voorzitter, mr. E.C. van Veen en mr. M.C. Bruining, leden, in bijzijn van de griffier mr. V.V. de Lange.\n\nHet is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 8 juli 2026.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHDHA:2026:2250","ecli-nl-ghdha-2026-2250",{"courtName":51,"legalDomain":52,"decisionType":18,"procedureType":19},"Den Haag","Strafrecht",{"id":54,"ecli":55,"caseNumber":6,"courtId":56,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":57,"language":12,"source":13,"sourceUrl":58,"summary":6,"slug":59,"metadata":60},"348","ECLI:NL:RBDHA:2026:18721",65,"RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Groningen\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL26.20806\n uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n \n [naam], eiseres,\n\nV-nummer: [v-nummer:],\n\n(gemachtigde: mr. I.M. Zuidhoek),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, de minister.\n\nInleiding\n\n1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 7 april 2026 niet in behandeling genomen omdat daarvoor Frankrijk verantwoordelijk is.\n\n1.1.. De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiseres. Zij doet dat mede aan de hand van de argumenten die eiseres heeft aangevoerd, de beroepsgronden.\n\n3. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiseres ongelijk krijgt en het bestreden besluit in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nToepasselijk recht\n\n4. Op deze zaak is het recht van toepassing dat gold vóór 12 juni 2026.\n\nTotstandkoming van het besluit\n\n5. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening.Op grond van de Dublinverordening neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.In dit geval heeft Nederland bij Frankrijk een verzoek om terugname gedaan. Frankrijk heeft dit verzoek aanvaard.\n\nMag de minister ten opzichte van Frankrijk uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel?\n\n6. Eiseres stelt zich op het standpunt dat er in Frankrijk voor haar een onveilige situatie zal optreden. Dit is het gevolg van de aanwezigheid van veel Libanezen in Frankrijk, waaronder ook de familie van haar moeder die haar eerder al bedreigde. Bovendien heeft eiseres in Nederland een community gevonden waar zij zich veilig bij voelt en in Frankrijk heeft zij niemand, dit is voor haar een angstaanjagend vooruitzicht. Dit terwijl in Nederland er een sterke en diverse LHBT-gemeenschap is waar zij zich veilig voelt. Volgens eiseres is er in Frankrijk bovendien nog steeds een groot probleem met betrekking tot de opvang van asielzoekers. Ze verwijst naar het AIDA-rapport over Frankrijk, update 2024.Er is een tekort aan opvangplekken en eiseres loopt bij terugkeer een reëel risico om in een situatie van materiële deprivatie terecht te komen. Volgens eiseres is het bestreden besluit niet zorgvuldig voorbereid en berust het evenmin op een deugdelijke motivering.\n\n6.1.. De beroepsgrond slaagt niet. Naar het oordeel van de rechtbank mag de minister ten aanzien van Frankrijk uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. De Afdelingheeft meermaals bevestigd dat ten aanzien van Frankrijk in algemene zin kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Hierbij is ook het AIDA rapport, update 2024, betrokken. De rechtbank overweegt ambtshalve dat ook het recente AIDA rapport, update 2025, geen wezenlijk ander beeld geeft van de opvangvoorzieningen in Frankrijk dan de informatie die is betrokken door de Afdeling in eerdere uitspraken.\n\n6.2.. Uit de AIDA rapporten blijkt niet dat sprake is van structurele tekortkomingen in de opvang of asielprocedure, ook niet ten aanzien van de LHTBI-gemeenschap. Eiseres heeft bovendien niet aannemelijk gemaakt dat zij bij overdracht aan Frankrijk persoonlijk geen opvang, rechtsbescherming of toegang tot de procedure zal krijgen. Eiseres heeft niet eerder een asielaanvraag in Frankrijk ingediend waardoor zij geen persoonlijke ervaring heeft met de kwaliteit van de asielprocedure en de opvangvoorzieningen in Frankrijk.\n\n6.3.. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van bijzondere, individuele omstandigheden op basis waarvan de minister de aanvraag toch zou moeten behandelen.\n\nConclusie en gevolgen\n\n7. Het beroep is kennelijk ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft en eiseres overgedragen kan worden aan Frankrijk. Eiseres krijgt geen vergoeding van haar proceskosten.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. A. Sibma, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Strating, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.\n\nDe uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over verzet\n\nAls partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.\n\n Zie artikel 84 van de Asiel- en migratiebeheerverordening inzake het overgangsrecht.\n\n Verordening (EU) nr. 604\u002F2013.\n\n Dit staat ook in artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.\n\n Update 2024 van juni 2025.\n\n Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.\n\n Update 2025 van mei 2026.\n\n Zie ook de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Arnhem, van 3 juli 2026. (ECLI:NL:RBDHA:2026:18469, r.o. 7.1) en de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Middelburg, van 25 juni 2026 (ECLI:NL:RBDHA:2026:17711).","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18721","ecli-nl-rbdha-2026-18721",{"courtName":61,"legalDomain":62,"decisionType":18,"procedureType":19},"Groningen","Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht",{"id":64,"ecli":65,"caseNumber":6,"courtId":66,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":67,"language":12,"source":13,"sourceUrl":68,"summary":6,"slug":69,"metadata":70},"418","ECLI:NL:RBDHA:2026:18726",61,"RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Rotterdam\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL26.36068uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n\n [naam eiser] , eiser\n\nV-nummer: [V-nummer]\n\n(gemachtigde: mr. J.S. Dobosz),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, verweerder\n\n(gemachtigde: mr. C. van der Zijde).\n\nSamenvatting\n\n1. Deze uitspraak gaat over de maatregel van vreemdelingenbewaring die aan eiser is opgelegd. Deze maatregel is opgelegd op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser is het niet eens met die maatregel. Hij voert daartegen een beroepsgrond aan. Onder meer aan de hand van deze beroepsgrond beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van die maatregel en de vraag of aan eiser een schadevergoeding moet worden toegekend.\n\n1.1.. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep gegrond is. Het opleggen van de maatregel van vreemdelingenbewaring is onrechtmatig. De rechtbank kent daarom een schadevergoeding toe. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.\n\n1.2.. In deze uitspraak gebruikt de rechtbank de volgende afkortingen voor de wet- en regelgeving:\n\nAwb: Algemene wet bestuursrecht\n\nVw: Vreemdelingenwet 2000\n\nVb: Vreemdelingenbesluit 2000\n\nProcesverloop\n\n2. Met het bestreden besluit van 29 juni 2026 heeft verweerder aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.\n\n2.1.. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.\n\n2.2.. De rechtbank heeft het beroep op 7 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, K.A. Ozdzinska als tolk en de gemachtigde van verweerder.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\nToetsingskader\n\n3. Verweerder kan als het belang van de openbare orde of de nationale veiligheid dat vordert, de vreemdeling die geen rechtmatig verblijf heeft in vreemdelingenbewaring stellen.Verweerder stelt een vreemdeling slechts in vreemdelingenbewaring, voor zover geen minder dwingende maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast en de vreemdelingenbewaring blijft achterwege of wordt beëindigd, indien deze niet langer noodzakelijk is met het oog op het doel van de vreemdelingenbewaring.Deze vreemdeling kan in vreemdelingenbewaring worden gesteld op grond dat het belang van de openbare orde of nationale veiligheid zulks vordert, indien a) een onderduikrisico bestaat, of b) de vreemdeling de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert.De maatregel kan alleen worden opgelegd wegens het bestaan van een onderduikrisico, indien ten minste twee van de gronden, genoemd in artikel 5.6, tweede lid, van het Vb zich voordoen.\n\nGronden\n\n4. Eiser heeft de gronden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd niet bestreden. De gronden, die de ambtshalve toetsing van de rechtbank doorstaan, zijn tezamen voldoende om de maatregel van bewaring te kunnen dragen.\n\nRechtmatig verblijf\n\n5. Eiser heeft aangevoerd dat er sprake is van een rechtmatig verblijf van eiser in Nederland op grond van artikel 7 van de Richtlijn 2004\u002F38\u002FEG. Eiser is een maand voorafgaand aan de onderhavige zaak opgehouden op 3 juni 2026. Hij heeft ter onderbouwing het proces-verbaal van ophouding overgelegd. Op deze dag is onderzoek gedaan naar de arbeidssituatie van eiser. Gebleken is dat eiser arbeid verricht voor een Nederlands uitzendbureau en beschikte over een arbeidscontract. Eiser is vervolgens heengezonden wegens bestendig verblijf. Verweerder kon ten aanzien van de onderhavige maatregel van bewaring op 29 juni 2026 niet zonder meer terugvallen op het standpunt dat sprake is van voortgezet onrechtmatig verblijf. Dit is onverenigbaar met de bevinding op 3 juni 2026. De maatregel van bewaring is dan ook onvoldoende zorgvuldig voorbereid en onvoldoende gemotiveerd.\n\n5.1.. Verweerder heeft aan de maatregel ten grondslag gelegd dat eiser geen rechtmatig verblijf in Nederland heeft, nu zijn verblijfsrecht als Unieburger bij beschikking van 6 maart 2025 is beëindigd. De rechtbank stelt voorop dat de enkele omstandigheid dat het verblijfsrecht van een Unieburger eerder is beëindigd, niet zonder meer meebrengt dat deze op een later moment geen rechten meer aan het Unierecht kan ontlenen. Indien sprake is van gewijzigde feiten en omstandigheden dient verweerder de verblijfsrechtelijke positie van de betrokkene opnieuw te beoordelen alvorens tot het oordeel te komen dat hij geen rechtmatig verblijf heeft.\n\n5.2.. De rechtbank oordeelt als volgt. In de maatregel van bewaring is vermeld dat eiser heeft verklaard werkzaam te zijn voor een Nederlands uitzendbureau en dit ook heeft aangetoond, dat eiser werkzaam is in België waar hij ook wordt voorzien van woonruimte door de werkgever en dat hij in België mag verblijven. Naar het oordeel van de rechtbank vormen deze omstandigheden concrete aanwijzingen dat de feitelijke situatie van eiser sinds de beschikking van 6 maart 2025 is gewijzigd. Van verweerder mocht daarom worden verwacht dat hij kenbaar zou onderzoeken welke betekenis deze gewijzigde omstandigheden hebben voor de actuele verblijfsrechtelijke positie van eiser. Uit de maatregel van bewaring, het gehoor voorafgaand aan deze maatregel en de overige stukken in het dossier is niet gebleken dat een dergelijk onderzoek heeft plaatsgevonden. Daarbij betrekt de rechtbank dat uit het proces-verbaal van ophouding van eiser op 3 juni 2026 blijkt dat eiser is heengezonden, omdat sprake was van ‘mogelijk bestendig verblijf’. Uit het proces-verbaal van verhoor op die dag blijkt dat het werken voor een Nederlands uitzendbureau hier ook aan de orde is geweest. Vervolgens wordt nog geen maand later in de onderhavige maatregel van bewaring zonder kenbare motivering aangenomen dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft. Niet valt in te zien waarom verweerder er zonder nader onderzoek van uit heeft kunnen gaan dat eiser geen aan het Unierecht ontleend verblijfsrecht had. De motivering dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft, is onder deze omstandigheden onvoldoende draagkrachtig. Gelet hierop is de maatregel in strijd met artikel 3:2 en 3:46 van de Awb tot stand gekomen en is dan ook onrechtmatig. Deze beroepsgrond slaagt.\n\nConclusie en gevolgen\n\n6. Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is gegrond. Deze maatregel is vanaf het moment van het opleggen daarvan onrechtmatig. De rechtbank beveelt de opheffing van deze maatregel met ingang van vandaag.\n\n6.1.. Op grond van artikel 106 van de Vw kan de rechtbank indien zij de opheffing van de maatregel van vreemdelingenbewaring beveelt aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen. De rechtbank acht gronden aanwezig om een schadevergoeding toe te kennen voor 10 dagen onrechtmatige (tenuitvoerlegging van de) vreemdelingenbewaring ten bedrage van 0 x € 160,- (verblijf politiecel) en 10 x € 120,- (verblijf detentiecentrum) = € 1.200,-.\n\n6.2.. Eiser krijgt een vergoeding van zijn proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- omdat de gemachtigde van eiser geacht wordt beroep te hebben ingesteld en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep gegrond;\n\n- veroordeelt de Staat der Nederlanden tot het betalen van € 1.200,- aan schadevergoeding aan eiser, te betalen door de griffier en beveelt de tenuitvoerlegging van deze schadevergoeding;\n\n- beveelt de opheffing van de maatregel van vreemdelingenbewaring met ingang van vandaag;\n\n- veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiser.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. S.N. Abdoelkadir, rechter, in aanwezigheid van mr. M. Stehouwer, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.\n\n Het beroep tegen een maatregel van bewaring wordt ook aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding. Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 59c van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 5.5 van het Vb.\n\n Dit volgt uit artikel 5.6, eerste lid, van het Vb.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18726","ecli-nl-rbdha-2026-18726",{"courtName":71,"legalDomain":62,"decisionType":18,"procedureType":19},"Rotterdam"]