ECLI:NL:RBZWB:2026:5384
Samenvatting
Civiel recht; Personen- en familierecht
Uitspraak
Breda
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Breda
Zaaknummer: C/02/447506 / JE RK 26-713
Datum uitspraak: 19 mei 2026
beschikking van de kinderrechter over een reguliere machtiging gesloten jeugdhulp
in de zaak van
de gecertificeerde instelling JEUGDBESCHERMING BRABANT, locatie Tilburg, gevestigd te Tilburg,
hierna te noemen de GI,
over
[minderjarige], geboren op
[geboortedag] 2011 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen [minderjarige] ,
advocaat mr. P.H. Hillen te Tilburg.
Als belanghebbende heeft de kinderrechter aangemerkt:
[de moeder] ,
hierna te noemen de moeder,
wonende in [woonplaats 1] ,
advocaat mr. P.B.J. Dekker.
Als informant heeft de kinderrechter aangemerkt:
[de vader] ,
hierna te noemen de vader,
wonende in [woonplaats 2] .
1. Het verloop van de procedure
1.1.. De kinderrechter neemt mee in de beoordeling:
de door de kinderrechter in deze rechtbank op 23 april 2026 en op 1 mei 2026 gegeven beslissingen en de daarin genoemde stukken;
de op 11 mei 2026 van de GI ontvangen instemmingsverklaring van een
gedragsdeskundige, als bedoeld in artikel 6.1.2 lid 6 Jeugdwet, gedateerd 7 mei
1.2.. De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 19 mei 2026. Daarbij waren aanwezig:
[minderjarige] en haar advocaat;
de moeder en haar advocaat;
de vader;
twee vertegenwoordigsters van de GI.
2. De feiten
2.1.. De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
2.2.. De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 10 maart 2026 [minderjarige] onder toezicht gesteld tot 10 maart 2027.
2.3..
De rechtbank heeft op 11 mei 2026 een verklaring ontvangen van de
gedragsdeskundige, gedateerd 7 mei 2026, waaruit blijkt dat wordt ingestemd op de in die verklaring genoemde gronden met gesloten jeugdhulp, geldend voor een periode
van drie maanden, aansluitend op de spoedmachtiging van 23 april 2026.
3. Het (resterende) verzoek
3.1..
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 23 april 2026 een spoedmachtiging verleend om [minderjarige] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp tot 7 mei 2026. Bij opvolgende beschikking van
1 mei 2026 heeft de kinderrechter in deze rechtbank een spoedmachtiging verleend om [minderjarige] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp voor de resterend verzochte duur, te weten van 7 mei 2026 tot 21 mei 2026. De beslissing op het resterende verzoek van de GI om aansluitend op de spoedmachtiging een reguliere machtiging te verlenen voor opname en verblijf van [minderjarige] in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp voor de duur van zes maanden is aangehouden.
3.2..
[minderjarige] verblijft op dit moment bij [accommodatie] te [plaats] .
4. Het standpunt van [minderjarige] en haar advocaat
4.1..
[minderjarige] , afzonderlijk gehoord in aanwezigheid van haar advocaat, heeft aangegeven dat het inmiddels beter met haar gaat en dat zij merkt dat zij rustiger is geworden. Zij begrijpt dat zij nog hulpverlening nodig heeft, maar dan in de vorm van een open plaatsing. De gesloten jeugdhulp biedt voor haar geen oplossing. Ook wil zij zodra dat kan het liefst terugkeren naar haar oma. Van haar oma, die zij zojuist heeft gesproken, heeft zij begrepen dat zij dat ook wil. Zij heeft zich serieus voorgenomen om in het vervolg geen alcohol en andere middelen meer te gebruiken. Ook is het contact tussen haar en haar moeder de afgelopen weken goed verlopen. Zij wil een tweede kans om te laten zien dat zij oprecht van plan is om iets van haar leven te maken. Zij kan daarom alleen achter gesloten jeugdhulp staan voor een periode van hoogstens nog vier weken.
4.2.. Door de advocaat van [minderjarige] is aangevoerd dat [minderjarige] zich door de verleende spoedmachtiging gesloten jeugdhulp overweldigd voelde, nu zij in de veronderstelling verkeerde dat een open plaatsing aan de orde was. Vanuit haar gevoel van verontwaardiging heeft zij daar vervolgens niet goed op gereageerd. [minderjarige] is, naar zij ook zelf aangeeft, inmiddels tot rust gekomen. Zij is van mening dat een open groep voor haar op dit moment het meest passend is. Een ingrijpendere maatregel is volgens haar niet (langer) noodzakelijk. Daarbij speelt een belangrijke rol dat haar gedrag door de GI in het verzoekschrift op een aantal punten, zoals ten aanzien van het weglopen en enkele fysieke klachten, sterk overdreven of niet waarheidsgetrouw is weergegeven. [minderjarige] wil (uiteindelijk) graag terugkeren naar haar oma. In geval van toewijzing van het verzoek dient de reguliere machtiging gesloten jeugdhulp in elk geval niet voor de verzochte duur van 6 maanden te worden verleend, ter voorkoming dat processen tussentijds onnodig stagneren. Namens [minderjarige] stelt hij zich op het standpunt dat de machtiging gesloten jeugdhulp in duur moet worden beperkt tot een periode van maximaal twee maanden en dat het resterende deel van het verzoek moet worden afgewezen.
5. De standpunten van de moeder en haar advocaat en de vader
5.1.. Door en namens de moeder is - samengevat - naar voren gebracht dat de moeder van mening is dat [minderjarige] goed kan functioneren op een open groep. Gesloten jeugdhulp vindt zij om die reden een te ingrijpende maatregel. Bovendien is het verzoek van de GI grotendeels op foutieve en verdraaide gegevens gebaseerd. Daarnaast heeft de moeder de indruk dat [minderjarige] binnen de familiekring onder druk is geplaatst. De moeder steunt [minderjarige] in haar wens om zo snel mogelijk naar een open groep te worden doorgeplaatst. Verder wil zij in elk geval niet dat [minderjarige] terugkeert bij de oma. Namens de moeder neemt haar advocaat het standpunt in dat in geval van toewijzing van het resterende verzoek de machtiging gesloten jeugdhulp voor een zo kort mogelijke duur dient te worden verleend.
5.2.. Door de vader is opgemerkt dat hem ter zitting duidelijk is geworden hoe [minderjarige] tegen het verzoek aankijkt. Hoewel hij haar gevoelens respecteert vindt hij ook dat zij de hulpverlening geboden dient te krijgen, die in het belang van haar (verdere) ontwikkeling noodzakelijk is.
6. Het standpunt van de GI
Namens de GI is - samengevat - aangevoerd dat gezien wordt dat [minderjarige] positief reageert op de aan haar bij [accommodatie] geboden structuur en voor haar voortgezette gesloten jeugdhulp op dit moment nog noodzakelijk wordt geacht om (verder) te kunnen werken aan het creëren van meer rust en stabiliteit en om te onderzoeken wat er nog aan (tussen)stappen nodig is om een (uiteindelijke) terugplaatsing naar huis mogelijk te maken. Er zal daartoe in samenspraak met [accommodatie] een plan van aanpak worden opgesteld. Ook zal [hulpverlening] voor wat betreft school daarin een rol vervullen. Met deze toelichting handhaaft de GI haar verzoek in zoverre dat zij, gelet op de inhoud van de instemmingsverklaring van de gedragsdeskundige, zich kan vinden in een toewijzing van drie maanden, een aanhouding van het restant in afwachting van hetgeen er in de eerste drie maanden kan worden bereikt.
7. De beoordeling
7.1.. Naar het oordeel van de kinderrechter blijkt uit de inhoud van de stukken en de mondelinge behandeling ter zitting dat ten aanzien van [minderjarige] zich nog steeds de situatie voordoet dat ernstige opgroei- of opvoedingsproblemen haar in haar ontwikkeling naar volwassenheid ernstig belemmeren. Ook maken deze problemen dat een verblijf in een gesloten instelling noodzakelijk en geschikt is om te voorkomen dat zij zich onttrekt aan de jeugdhulp die zij nodig heeft of daaraan door anderen wordt onttrokken en is niet gebleken dat er minder ingrijpende mogelijkheden zijn om deze problemen te behandelen.Daarbij neemt de kinderrechter in aanmerking dat het [minderjarige] gedurende vrijwel haar hele leven heeft ontbroken aan stabiliteit en voldoende veiligheid in haar zorg- en opvoedsituatie. [minderjarige] laat zelfbepalend en zorgwekkend gedrag zien. Er was veel strijd tussen de moeder en de oma moederszijde en [minderjarige] en haar zusje [persoon] kampten met een loyaliteitsconflict. Een bijkomende zorg was dat [minderjarige] en haar zusje niet meer naar school gingen. [minderjarige] is vervolgens bij de oma geplaatst. Daar zijn er in de afgelopen tijd verschillende escalaties geweest tussen [minderjarige] en de oma wegens zelfbepalend gedrag van [minderjarige] en alcohol- en middelengebruik. De oma heeft zich daardoor bedreigd en onveilig gevoeld en zij was niet langer in staat aan [minderjarige] de zorg te bieden die zij nodig heeft, waarop een onhoudbare situatie ontstond.
7.2..
[minderjarige] laat in haar gedrag zien dat zij gunstig reageert op de haar bij [accommodatie] geboden regels en structuur. De kinderrechter deelt de opvatting van de GI dat voortgezette gesloten jeugdhulp, hoe ingrijpend ook, op dit moment de meest passende maatregel en daarbij proportioneel is om deze positieve lijn te kunnen voortzetten en om te kunnen vaststellen wat er nog aan (tussen)stappen nodig is om een terugkeer naar huis mogelijk te maken. Wel acht de kinderrechter het in het belang van [minderjarige] , ook nadrukkelijk rekening houdend met haar leeftijd uit oogpunt van haar verdere ontwikkeling, dat aan de hand van het plan van aanpak zo spoedig mogelijk met een behandeling wordt gestart, dat [minderjarige] in de gelegenheid wordt gesteld een schoolopleiding te volgen en de GI daarnaast de mogelijkheden onderzoekt om [minderjarige] - zodra mogelijk en verantwoord - naar een open groep door te plaatsen. Een machtiging gesloten jeugdhulp voor een periode van vier weken, zoals [minderjarige] wenst en ook voor een periode van twee maanden beschouwt de kinderrechter als onvoldoende om deze doelen te kunnen realiseren. Ook valt in dit stadium niet te voorspellen of een periode van drie maanden, zoals door de gedragsdeskundige benoemd, daarvoor toereikend zal zijn. Niettemin ziet de kinderrechter, rekening houdend met de reikwijdte van de instemmingsverklaring van de gedragsdeskundige en met het zeer ingrijpende karakter van een machtiging gesloten jeugdhulp en het oprechte voornemen van [minderjarige] om serieus iets van haar leven te gaan maken, aanleiding om een machtiging gesloten jeugdhulp te verlenen voor de duur van drie maanden en het resterende deel van het verzoek af te wijzen.
7.3..
Met inachtneming van het voorgaande zal de kinderrechter een aansluitende machtiging verlenen om [minderjarige] uit huis te plaatsen in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp voor de duur van drie maanden, te weten met ingang van 21 mei 2026 tot
21 augustus 2026 en het restantverzoek afwijzen.
8. De beslissing
De kinderrechter:
8.1.. verleent een machtiging om [minderjarige] uit huis te plaatsen in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp met ingang van 21 mei 2026 tot 21 augustus 2026;
8.2.. wijst het meer dan wel anders verzochte af.
Deze beschikking is mondeling gegeven door mr. Maandag, kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 19 mei 2026, in aanwezigheid van Baremans als griffier en schriftelijk uitgewerkt op 2 juni 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.
Artikel 6.1.2, tweede lid, Jeugdwet (Jw).