Skip to main content

ECLI:NL:RBZWB:2026:5389

Rechtbank

Breda

Datum

19 May 2026

Taal

nl

Samenvatting

Rechtsvraag

Civiel recht; Personen- en familierecht

Uitspraak / Beslissing

Uitspraak

Breda

Procedure: UitspraakDomain: Civiel recht; Personen- en familierechtType: uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht

Locatie Breda

Zaaknummer: C/02/448044 / FA RK 26-2418

Datum uitspraak: 19 mei 2026

Beschikking rechterlijke machtiging

op het verzoek van het Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ) voor

[betrokkene],

geboren op [geboortedag] 1962 in [geboorteplaats] ,

hierna te noemen betrokkene,

wonend in [plaats 1] ,

nu verblijvende in een [accommodatie] te [plaats 2] ,

advocaat mr. Z. Yeral uit Roosendaal.

1. Het verloop van de procedure

1.1..

De rechtbank neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:

  • het verzoekschrift met bijlagen, binnengekomen bij de rechtbank op 11 mei 2026.

1.2.. De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 19 mei 2026. Daarbij waren aanwezig:

  • betrokkene, bijgestaan door zijn advocaat;

mevrouw [persoon 1] , specialist ouderengeneeskunde, behandelaar;

mevrouw [persoon 2] , verpleegkundige.

1.3.. De rechtbank constateert bij aanvang van de zitting dat betrokkene niet is verschenen. Uit artikel 38 lid 3 Wzd volgt dat de rechtbank, voordat zij beslist op het verzoek tot het verlenen van een rechterlijke betrokkene hoort, tenzij zij vaststelt dat deze niet in staat of niet bereid is zich te doen horen. De rechter is daarom samen met de behandelaar en de advocaat naar betrokkene toe gelopen. Betrokkene verbleef in de huiskamer van de instelling omdat hij niet bij de zitting aanwezig kon zijn vanwege zijn toestandsbeeld. Betrokkene heeft op de vragen van de rechter geen reactie gegeven en verdere communicatie bleek niet mogelijk. Gezien de reactie van betrokkene heeft de rechter hem verder met rust gelaten. Gelet op het voorgaande stelt de rechtbank vast dat betrokkene niet in staat is om zich te doen horen. De rechtbank heeft de zitting – met instemming van de advocaat van betrokkene en de behandelaar - voortgezet buiten de aanwezigheid van betrokkene.

2. Wat vaststaat

2.1.. Door de rechtbank is aan betrokkene een machtiging tot voortzetting van de inbewaringstelling verleend tot en met 11 mei 2026.

3. Het verzoek

3.1.. Het CIZ verzoekt de rechtbank een rechterlijke machtiging tot opname en verblijf te verlenen voor de duur van zes maanden.

4. De standpunten

4.1.. De advocaat verzoekt om afwijzing van het verzoek. Hij merkt op dat communicatie met betrokkene nauwelijks tot niet mogelijk is en dat hij zijn standpunt daarom baseert op het dossier. Volgens de advocaat verzet betrokkene zich tegen de opname en wenst hij geen rechterlijke machtiging.

4.2.. De behandelaar van betrokkene heeft toegelicht dat er bij betrokkene sprake is van dementie met een progressief beeld waardoor hij voortdurend intensieve zorg nodig heeft. Hij heeft veel sturing nodig, laat verzorging regelmatig niet toe en vertoont ontremd en dwaalgedrag. Daarnaast is communicatie vrijwel onmogelijk mede vanwege de taalbarrière (Servische taal). Volgens de behandelaar is een plaatsing binnen een voorziening met 24-uurszorg noodzakelijk waarbij wordt gehoopt dat het verzet in de toekomst zal afnemen.

4.3.. De verpleegkundige heeft gezegd dat betrokkene slechts beperkt lijkt te begrijpen wat tegen hem wordt gezegd en voornamelijk communiceert met gebaren en onverstaanbare woorden. Het zorgteam probeert zo voorspelbaar mogelijk te handelen en instructies veelvuldig te herhalen. Volgens de verpleegkundige laat betrokkene verzorging soms kortdurend toe, maar is dit meestal moeilijk uitvoerbaar vanwege zijn verzet.

5. De beoordeling

5.1.. De rechtbank verleent de gevraagde machtiging voor de duur van zes maanden. Zij legt hierna uit waarom zij deze beslissing neemt.

5.2.. De rechtbank is van oordeel dat betrokkene lijdt aan een psychogeriatrische aandoening. Bij betrokkene is namelijk sprake van frontotemporale dementie. Het ontbreekt betrokkene aan ziekte-inzicht en ziektebesef.

5.3.. Het gedrag dat voortvloeit uit deze aandoening leidt tot ernstig nadeel, namelijk:

  • levensgevaar;

  • ernstig lichamelijk letsel;

  • ernstige psychische schade;

  • ernstige verwaarlozing;

  • maatschappelijke teloorgang;

  • het oproepen van agressie van een ander door het vertonen van hinderlijk gedrag;

  • gevaar voor de algemene veiligheid van personen en goederen.

5.4.. De rechtbank neemt hierbij in overweging dat betrokkene ernstig ontregeld gedrag vertoont als gevolg van zijn aandoening. Betrokkene dwaalt veelvuldig rond, heeft een sterke loopdrang en toont geen inzicht in verkeerssituaties waardoor er sprake is van een risico voor de verkeersveiligheid. Daarnaast is betrokkene niet georiënteerd in tijd, plaats en persoon. Verder is sprake van ernstige zelfverwaarlozing, ontremd gedrag en decorumverlies. Zo eet en drinkt betrokkene ook niet-eetbare producten, urineert en spuugt hij op de grond en vertoont hij gedrag waaruit het lijkt dat hij terug gaat naar de kindertijd.

5.5.. De opname en het verblijf zijn noodzakelijk en geschikt om het ernstig nadeel te voorkomen of af te wenden. Betrokkene verzet zich hiertegen. Betrokkene wil steeds naar buiten en zoekt naar openingen in de omheining van het terrein.

5.6.. Er zijn geen minder bezwarende alternatieven die hetzelfde beoogde effect hebben. Betrokkene heeft 24 uurs zorg nodig die hem in de thuissituatie niet geboden kan worden. Daarbij is het steunsysteem van betrokkene inmiddels ernstig overbelast geraakt.

6. De beslissing

De rechtbank:

6.1.. verleent een machtiging tot opname en verblijf voor [betrokkene], geboren op [geboortedag] 1962 in [geboorteplaats] ;

6.2.. bepaalt dat deze machtiging geldt tot en met 19 november 2026.

Deze beschikking is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 19 mei 2026 door mr. Meyboom, rechter, in aanwezigheid van Van Dijke, griffier, en op schrift gesteld op 1 juni 2026.

Tegen deze beschikking staat het rechtsmiddel van cassatie open.

Meer Beslissingen