ECLI:NL:RBZWB:2026:5414
Samenvatting
Civiel recht; Personen- en familierecht
Uitspraak
Breda
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Team Familie- en Jeugdrecht
Breda
Zaaknummer: C/02/442299 FA RK 25/6059
20 mei 2026
beschikking betreffende echtscheiding
in de zaak van
[de vrouw] ,
wonende te [woonplaats 1] ,
hierna te noemen de vrouw,
advocaat mr. D.C.M. Smeulders-Martens,
tegen
[de man] ,
wonende te [woonplaats 2] ,
hierna te noemen de man,
advocaat mr. J.A.E. van Raak-Kuiper.
1. Het procesverloop
Dit blijkt uit de volgende stukken:
het op 24 november 2025 ontvangen verzoekschrift met bijlagen;
het op 26 januari 2026 ontvangen gecorrigeerde verzoekschrift;
het F9-formulier van mr. Smeulders-Martens van 4 februari 2026 met als bijlage een door partijen op 29 januari en 1 februari 2026 ondertekend ouderschapsplan;
het F9-formulier van mr. Van Raak-Kuiper van 9 februari 2026;
de brief van mr. Smeulders-Martens van 11 maart 2026;
de brief van mr. Smeulders-Martens van 20 maart 2026;
het F9-formulier van mr. Van Raak-Kuiper van 23 maart 2026.
2. De feiten
Op grond van de stellingen en overgelegde stukken staat tussen partijen het volgende vast:
zij zijn op [datum] 2020 in de gemeente Dongen met elkaar gehuwd in beperkte gemeenschap van goederen;
tijdens hun huwelijk zijn de volgende, nu nog minderjarige kinderen geboren:
1. [minderjarige 1] , geboren te [geboorteplaats 1] op [geboortedag 1] 2020,
2. [minderjarige 2] , geboren te [geboorteplaats 2] op [geboortedag 2] 2022,
3. [minderjarige 3] , geboren te [geboorteplaats 3] op [geboortedag 3] 2025.
zij hebben de Nederlandse nationaliteit;
hun huwelijk is duurzaam ontwricht.
3. Het verzoek
De vrouw verzoekt nu, samengevat,
echtscheiding;
vaststelling van een door de man te betalen onderhoudsbijdrage ten behoeve
van de minderjarige [minderjarige 1] en [minderjarige 2] van € 25,= per maand per kind;
- opneming van de door partijen getroffen regelingen in de beschikking.
4. De beoordeling
4.1.. Bij brieven van 11 en 19 maart 2026 is namens de vrouw bericht dat partijen overeenstemming hebben bereikt en dit is vastgelegd in een ouderschapsplan. Gelet hierop wijzigt de vrouw haar verzoek zoals hiervoor onder 3. is weergegeven. Verder verzoekt de vrouw, zo de rechtbank begrijpt, de zaak schriftelijk af te doen.
4.2.. Bij F9-formulier van 23 maart 2026 is namens de man bericht dat hij instemt met de gewijzigde verzoeken van de vrouw. De rechtbank begrijpt dat ook de man geen behoefte heeft aan een mondelinge behandeling.
4.3.. Aangezien het verzoek op de wet is gegrond en de man hiermee heeft ingestemd, zal de rechtbank het verzoek van de vrouw toewijzen. Hierbij overweegt de rechtbank ten aanzien van het ouderschapsplan en de onderhoudsbijdrage ten behoeve van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] dat tussen partijen niet in geschil is dat de man niet de biologische vader van [minderjarige 3] is. Nu [minderjarige 3] echter binnen het huwelijk van partijen is geboren, is de man wel de juridische vader. De vrouw heeft een procedure aanhangig gemaakt tot gegrondverklaring van de ontkenning van het door het huwelijk ontstane vaderschap. Gelet hierop zal de rechtbank geen gevolgen verbinden aan de omstandigheid dat het ouderschapsplan geen betrekking heeft op [minderjarige 3] en er voor hem geen onderhoudsbijdrage wordt verzocht.
4.4.. Nu de overige verzoeken zijn ingetrokken, kunnen deze verzoeken niet meer worden onderzocht en zullen deze worden afgewezen.
4.5.. Gelet op de relatie tussen partijen zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
5. De beslissing
De rechtbank
spreekt uit de echtscheiding tussen partijen, op [datum] 2020 in de gemeente [woonplaats 1] met elkaar gehuwd;
bepaalt, uitvoerbaar bij voorraad, dat de man met ingang van 1 februari 2026 ten behoeve van de verzorging en opvoeding van de minderjarigen
1. [minderjarige 1] , geboren te [geboorteplaats 1] op [geboortedag 1] 2020,
2. [minderjarige 2] , geboren te [geboorteplaats 2] op [geboortedag 2] 2022,
aan de vrouw voor de toekomst bij vooruitbetaling moet voldoen een bedrag van € 25,= (vijfentwintig euro) per maand;
compenseert de kosten van het geding aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt;
bepaalt dat de onderlinge regelingen uit het als bijlage toegevoegde ouderschapsplan deel uitmaken van deze beschikking;
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mr. Benjaddi, rechter, en in tegenwoordigheid van mr. Verhamme, griffier, in het openbaar uitgesproken op 20 mei 2026.
Mededeling van de griffier:
Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:
door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch.