ECLI:NL:RBZWB:2026:5417
Samenvatting
Civiel recht; Personen- en familierecht
Uitspraak
Middelburg
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Middelburg
Zaaknummer: C/02/447432 / JE RK 26-696
Datum uitspraak: 20 mei 2026
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling en verlenging machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
STICHTING JEUGDBECHERMING BRABANT,
gevestigd te Etten-Leur,
hierna te noemen: de GI,
over
[minderjarige], geboren op [geboortedag] 2022 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder],
hierna te noemen: de moeder,
wonende op een bij de rechtbank onbekend adres.
[de (biologische],
hierna te noemen: de (biologische) vader,
volgens het BRP ingeschreven in [plaats 1] , feitelijk verblijvende in [plaats 2] .
1. Het verloop van de procedure
1.1..
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 17 april 2026.
1.2.. De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 20 mei 2026. Daarbij waren aanwezig:
de (biologische) vader, bijgestaan door een tolk Pools;
de moeder, bijgestaan door een tolk Pools;
een vertegenwoordigster van de GI.
2. De feiten
2.1.. De moeder oefent alleen het ouderlijk gezag over [minderjarige] uit.
2.2.. Bij beschikking van 22 augustus 2024 is [minderjarige] onder toezicht gesteld van de GI met ingang van 22 augustus 2024 en tot 22 mei 2025. Bij beschikking van 19 mei 2025 is de ondertoezichtstelling verlengd tot 22 mei 2026.
2.3.. Bij beschikking van 28 februari 2025 is een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg verleend met ingang van 28 februari 2025 en tot 22 mei 2025. Bij beschikking van 19 mei 2025 is de machtiging tot uithuisplaatsing verlengd tot 22 mei 2026.
2.4.. Op basis van voornoemde machtiging verblijft [minderjarige] in een pleeggezin.
3. Het verzoek
3.1.. De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] te verlengen voor de duur van een jaar. Ook verzoekt de GI de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg te verlengen voor de duur van de ondertoezichtstelling. De GI verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
4. De standpunten
4.1.. De GI handhaaft de verzoeken en verwijst ter onderbouwing van de verzoeken naar de overgelegde stukken. In de komende periode zal een perspectiefonderzoek worden gedaan. Er gaat worden gekeken of het mogelijk is dat de ouders hun zaken dermate op orde krijgen dat [minderjarige] thuis kan komen wonen. Het is in ieder geval belangrijk dat de ouders een dak boven hun hoofd hebben. De ouders moeten ook een beslissing nemen over hun relatie. De GI geeft de complimenten aan de ouders, die volledig toestemming geven voor het verblijf van [minderjarige] bij het pleeggezin.
4.2.. De moeder geeft aan achter de verzoeken van de GI te staan. De moeder is druk met zoeken naar een huis en naar werk. Dit is met name door haar borderline persoonlijkheidsstoornis een moeilijk proces. De moeder komt ook niet in aanmerking voor een uitkering. [minderjarige] zit goed bij het huidige pleeggezin. De moeder wil het allerbeste voor haar. De ex-partner heeft via een juridische procedure in Polen afstand gedaan van zijn rechten als gezaghebbende ouder van [minderjarige] . Het staat de vader nu vrij om [minderjarige] te erkennen. Hiervoor zal nog een afspraak met de ambassade worden gemaakt.
4.3.. De vader geeft aan achter de verzoeken van de GI te staan. De vader heeft bijna een jaar een vaste baan en hij heeft sinds kort een kamer. De vader probeert zo veel mogelijk van zijn schulden af te betalen. De vader probeert een goede basis te creëren zodat [minderjarige] eventueel in de toekomst bij hem kan wonen.
5. De beoordeling
Rechtsmacht en toepasselijk recht
5.1.. De kinderrechter constateert dat de moeder, de vader en [minderjarige] de Poolse nationaliteit hebben. Dit brengt mee dat deze zaak een internationaal karakter heeft, waardoor de kinderrechter (ambtshalve) dient te beoordelen of haar in deze zaak rechtsmacht toekomt. Indien dit het geval is, dient de kinderrechter het toepasselijk recht te bepalen.
5.2.. Op grond van artikel 7 lid 1 van de verordening Brussel II-ter zijn ter zake van de ouderlijke verantwoordelijkheid bevoegd de gerechten van de lidstaat op het grondgebied waarvan de minderjarige zijn gewone verblijfplaats heeft op het tijdstip dat de zaak bij het gerecht aanhangig wordt gemaakt.
5.3.. Nu de gewone verblijfplaats van [minderjarige] in Nederland is, komt de Nederlandse kinderrechter rechtsmacht toe. Nu de Nederlandse kinderrechter bevoegd is om op het verzoek te beslissen, zal op grond van artikel 15 van het Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996 het Nederlands recht op het verzoek worden toegepast.
De (biologische) vader als belanghebbende
5.4.. In het onderhavige geval is sprake van een (biologische) vader die niet mede is belast met het ouderlijk gezag. In zo’n geval wordt de (biologische) vader in beginsel niet beschouwd als belanghebbende in een procedure omtrent een ondertoezichtstelling en een uithuisplaatsing. Niettemin merkt de kinderrechter de (biologische) vader in dit geval wel aan als belanghebbende. Gebleken is namelijk dat de moeder en de (biologische) vader handelen als ware er gezamenlijk gezag, naast dat de belangen en ‘family life’ van de (biologische) vader rechtstreeks door het voorliggende verzoek worden geraakt. Ingevolge artikel 6 en 8 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens dient hij dan ook in voldoende mate in het besluitvormingsproces met betrekking tot deze kinderbeschermingsmaatregelen te worden betrokken.
Wettelijk kader
5.5.. Op grond van artikel 1:260 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) kan de rechter, mits aan de grond, bedoeld in artikel 1:255 lid 1 BW is voldaan, de duur van de ondertoezichtstelling telkens verlengen met ten hoogste een jaar.
5.6.. Op grond van artikel 1:265c lid 2 BW kan de kinderrechter, mits aan de grond, bedoeld in artikel 1:265b lid 1 BW is voldaan, de duur van de machtiging uithuisplaatsing telkens verlengen met ten hoogste een jaar.
Inhoudelijke beoordeling
5.7.. De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een verlenging van de ondertoezichtstelling is voldaan.De kinderrechter legt hieronder uit waarom.
5.8.. De ontwikkeling van [minderjarige] wordt nog steeds ernstig bedreigd, omdat de ouders niet in staat zijn een stabiele opvoedomgeving voor [minderjarige] te realiseren. Op dit moment is er geen stabiliteit in huisvesting, in financiën en in de onderlinge relatie tussen de ouders. De vader heeft al bijna een jaar een vaste baan en is bezig met het aflossen van zijn schulden. Het is belangrijk dat de vader dit vasthoudt. De moeder is op zoek naar een baan en huisvesting. Dit is vanwege de eigen problematiek van de moeder geen gemakkelijke opgave. Daarnaast is de relatiestatus van de ouders onduidelijk en wisselend. Voor [minderjarige] is het van belang dat hier een definitief besluit over wordt genomen. Op het moment dat er meer stabiliteit komt in de huisvesting en financiën van de ouders kan de GI opvoedondersteuning inzetten bij de ouders. Ook zullen de ouders minder spanning en stress ervaren waardoor de ouders meer beschikbaar zijn voor hun opvoedtaak. Het is de kinderrechter gebleken dat de ouders het beste voor hebben met [minderjarige] . Ook de contactmomenten worden door de ouders gewaardeerd. In het komende jaar moet hard worden gewerkt aan stabiliteit bij de ouders. In dit jaar zal moeten worden bepaald of het opgroei perspectief van [minderjarige] bij de ouders kan liggen.
5.9.. De ernstige ontwikkelingsbedreiging kan niet of onvoldoende worden weggenomen met vrijwillige hulpverlening, omdat het de ouders niet lukt om de huidige problematiek te stabiliseren. Het is belangrijk dat de GI de regie blijft voeren om de ouders te ondersteunen en zicht te houden op de ontwikkeling van [minderjarige] . De huidige samenwerking tussen de GI en de ouders verloopt goed. Dit moet het komende jaar vastgehouden worden.
5.10.. De ondertoezichtstelling is daarom nog steeds nodig. De kinderrechter verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] voor de duur van een jaar.
5.11.. Ook is de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] noodzakelijk in het belang van de opvoeding en verzorging.Het is op dit moment (nog) niet mogelijk om [minderjarige] bij de ouders te laten wonen. De moeder heeft geen vaste verblijfplaats. De vader heeft momenteel een vaste kamer. Het is belangrijk dat er stabiliteit komt in de huisvesting van de ouders. Doordat de ouders op dit moment geen stabiele huisvesting hebben is de GI nog niet begonnen met opvoedondersteuning aan de ouders. Het pleeggezin biedt [minderjarige] voorspelbaarheid, duidelijkheid, structuur en rust. Ook de ouders beamen dat [minderjarige] goed zit bij het huidige pleeggezin. Gelet op het voorgaande is het van belang dat de uithuisplaatsing bij de pleegouders wordt gecontinueerd.
5.12.. De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
6. De beslissing
De kinderrechter:
6.1.. verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] met ingang van 22 mei 2026 tot 22 mei 2027;
6.2.. verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg met ingang van 22 mei 2026 tot 22 mei 2027;6.3.. verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 20 mei 2026 door mr. Dijkman, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. Den Boer als griffier, en op schrift gesteld op 3 juni 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.
Artikel 1:260 BW.
Artikel 1:265c, tweede lid, BW.