ECLI:NL:RBZWB:2026:5418
Samenvatting
Civiel recht; Personen- en familierecht
Uitspraak
Middelburg
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Middelburg
Zaaknummer: C/02/447671 / JE RK 26-753
Datum uitspraak: 20 mei 2026
Beschikking van de kinderrechter over de schriftelijke aanwijzing
in de zaak van
[de moeder] ,
hierna te noemen de moeder,
wonende in [woonplaats] ,
advocaat: mr. E.A.G. van Acker uit Sint Jansteen,
over
[minderjarige], geboren op [geboortedag] 2010 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbende aan:
de gecertificeerde instelling WILLIAM SCHRIKKER STICHTING JEUGDBESCHERMING & JEUGDRECLASSERING, gevestigd te Amsterdam,
hierna te noemen de GI.
1. Het verloop van de procedure
1.1..
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 16 april 2026.
1.2.. De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 20 mei 2026. Daarbij waren aanwezig:
de moeder met haar advocaat;
een vertegenwoordigster van de GI.
2. De feiten
2.1.. De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
2.2..
Bij beschikking van 22 maart 2024 is [minderjarige] onder toezicht gesteld van de GI met
ingang van 22 maart 2024 en tot 22 september 2024. Ook is een machtiging tot
uithuisplaatsing van [minderjarige] verleend in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder met
ingang van 22 maart 2024 en tot 22 september 2024. Het resterende deel van het verzoek tot
ondertoezichtstelling van [minderjarige] is aangehouden.
2.3..
Bij beschikking van 23 augustus 2024 heeft de kinderrechter de
ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie
van een jeugdhulpaanbieder verlengd met ingang van 22 september 2024 en tot 22 maart
2025. 2.4.. Bij beschikking van 12 maart 2025 is de ondertoezichtstelling van [minderjarige] laatstelijk verlengd tot 22 maart 2026. Tevens is bij deze beschikking de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder verlengd tot 22 maart 2026.
2.5.. Bij beschikking van 20 augustus 2025, hersteld bij beschikking van 25 september 2025, heeft de kinderrechter de voornoemde machtiging tot uithuisplaatsing tijdelijk ingetrokken met ingang van 20 augustus 2025 en tot 18 oktober 2025 en is mr. M. Kalle benoemd tot bijzondere curator van [minderjarige] .
2.6.. Bij beschikking van 17 oktober 2025 is Stichting Jeugdbescherming west Zeeland vervangen door William Schrikker Stichting Jeugdbescherming & Jeugdreclassering. De kinderrechter heeft tevens de voornoemde machtiging tot uithuisplaatsing tijdelijk ingetrokken met ingang van 18 oktober 2025 en tot 15 januari 2026.
2.7.. Bij beschikking van 16 januari 2026 is het (zelfstandige) verzoek van de moeder om voorlopig te bepalen dat [minderjarige] dag en nacht bij haar verblijft afgewezen, omdat de GI het verzoek omtrent de machtiging uithuisplaatsing heeft ingetrokken.
2.8.. Bij beschikking van 24 februari 2026 heeft de kinderrechter zonder voorafgaand verhoor van de belanghebbenden een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder verleend met ingang van 24 februari 2026 en tot 22 maart 2026.
2.9.. Bij beschikking van 4 maart 2026 is de ondertoezichtstelling laatstelijk verlengd tot 22 maart 2027. De machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder is verlengd tot - naar de kinderrechter begrijpt - 22 september 2026, onder aanhouding van het resterende deel van het verzoek tot een nader te plannen zitting begin september 2026.
2.10.. Op grond van deze machtiging verblijft [minderjarige] op een zorggroep in [plaats] .
2.11.. De GI heeft op 31 maart 2026 de moeder een schriftelijke aanwijzing gegeven betreffende de verzorging en opvoeding van [minderjarige] . Hierin is de volgende regeling opgenomen: 1 keer per week 2 uur begeleid door de groep. Om de dag 10 minuten bellen om 19 uur. De regeling zal voor nu zo zijn tot deze loopt en we een aantal omgangen hebben gehad. Dan kunnen we gaan evalueren.
U kan samen met de begeleiding een dag en tijd afspreken om langs te komen, minimaal 5 dagen van te voren moet dit van beide kanten bevestigd worden.
U dient zelf zorg te dragen om naar de groep te komen.
Wij verwachten van u dat u [minderjarige] niet belast met volwassen zaken, zoals praten over uw financiën, uw ongenoegen uiten over hulpverlening en andere professionals tegen [minderjarige] en andere zaken waar [minderjarige] niets mee kan en bij hem voor onrust zorgen. De begeleiding ziet hierop toe en zal hier op aanspreken wanneer hier sprake van is. Dit wordt terug gegeven aan ons van de GI.
Wij verwachten van u dat u een fijn en onbelast moment met [minderjarige] kan hebben.
U kan naast de bezoeken om de dag 10 minuten ongeveer bellen met [minderjarige] . [minderjarige] belt naar u. De begeleiding blijft in de buurt om erop toe te zien dat het een onbelast gesprek zal worden.
Na afloop van deze duur zal het verloop van deze regeling worden geëvalueerd. U ontvangt hiervoor een uitnodiging.
3. Het verzoek
3.1.. De moeder verzoekt de schriftelijke aanwijzing van de GI geheel, dan wel gedeeltelijk vervallen te verklaren en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
4. De standpunten
4.1.. De moeder stelt ter onderbouwing van haar verzoek dat de door de GI in de schriftelijke aanwijzing bepaalde contactregeling voor haar niet haalbaar is. Van de moeder wordt verlangd dat zij iedere week afreist naar de groep waar [minderjarige] sinds eind februari jl. verblijft. Dit is haar tot op heden twee keer gelukt. De moeder kampt met een ernstige vorm van diabetes, waardoor het voor haar niet mogelijk is om zelfstandig naar [plaats] te reizen. De gezondheidsproblemen belemmeren de moeder geregeld in haar dagelijks leven en leiden geregeld tot uitval en ziekenhuisopnames. Dit is ook de reden waarom de moeder niet iedere keer kan deelnemen aan gesprekken omtrent [minderjarige] en de evaluaties. Daarnaast beschikt de moeder niet over voldoende financiële middelen voor alternatief vervoer. Tevens is niemand in haar netwerk bereid om de moeder naar [plaats] te brengen. Meerijden met de jeugdbeschermer is voor de moeder geen optie. Dit vindt zij niet prettig vanwege de verstoorde verhouding die zij met haar heeft. De moeder vindt dan ook dat de schriftelijke aanwijzing vervallen verklaard moeten worden, nu deze voor haar niet haalbaar en uitvoerbaar is. In aanvulling op het voorgaande benoemt de moeder ook dat zij zich zorgen maakt om [minderjarige] en de groep waar hij nu verblijft. De moeder begrijpt dat [minderjarige] het erg naar de zin heeft op deze groep, want er worden veel uitjes ondernomen, maar zij vindt het zorgelijk dat [minderjarige] niet naar school gaat en geen dagbesteding heeft. De moeder vindt de vele kostbare uitjes die op de groep worden ondernomen onbegrijpelijk en niet passend. De begeleiding rijdt met de kinderen het hele land door. De moeder begrijpt dan ook niet dat [minderjarige] niet een keer bij haar op bezoek kan en mag komen. Ook vindt de moeder het gamegedrag van [minderjarige] zorgelijk, waarbij hij tikkies krijgt van andere groepsgenoten en er geld op zijn bankrekening wordt gezet. De moeder heeft dit meermaals gemeld bij de groepsleiding, maar zij weten hier niet naar te handelen.
4.2.. De GI benoemt dat [minderjarige] sinds 24 februari jl. op de groep in [plaats] verblijft. Volgens de GI is moeder sindsdien drie keer bij [minderjarige] op bezoek in [plaats] geweest. Dit in tegenstelling tot de vorige groep, waar de moeder [minderjarige] geregeld kwam ophalen. De GI beseft dat de reisafstand tussen de moeder en [minderjarige] aanzienlijk is. De GI heeft naar mogelijkheden gezocht om een oplossing te vinden voor de belemmeringen van de moeder, ook in overleg met de groep. Volgens de GI is echter de medische en financiële situatie van de moeder niet de enige reden waarom bezoeken niet doorgaan. De moeder heeft namelijk ook een bezoek afgezegd omdat zij boos was op [minderjarige] . Tevens wil zij niet meerijden met de jeugdbeschermer. De GI merkt dat de redenen nogal wisselen. De GI wil zich inspannen voor het realiseren van begeleide bezoeken bij de moeder thuis, maar vindt het ook belangrijk voor [minderjarige] dat de moeder ook op de plek komt waar hij zijn dagelijkse leven heeft. De GI heeft het daarom noodzakelijk gevonden om de moeder een schriftelijke aanwijzing te geven, maar beseft ook dat het een lastige situatie is. Het is belangrijk dat er bezoeken met regelmaat doorgaan om evaluatiemomenten in te kunnen plannen. Dit is ook de reden waarom er geen specifieke data genoemd zijn in de schriftelijke aanwijzing. De GI weet niet of het voor de groep haalbaar is om af en toe bezoeken bij de moeder thuis te laten plaatsvinden en dus om [minderjarige] naar de moeder te brengen. Dit moet met de groep besproken worden. Ook de mogelijkheid om een fonds aan te spreken voor het vervoer van de moeder met eventueel een overnachting dient nader onderzocht te worden.
5. De beoordeling
5.1.. Ingevolge artikel 1:263 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de GI ter uitvoering van haar taak een ouder een schriftelijke aanwijzing geven betreffende de verzorging en opvoeding van de minderjarige. De GI kan dit doen indien de met het gezag belaste ouder niet instemt, niet of onvoldoende medewerking verleent aan de uitvoering van het plan of als dit noodzakelijk is teneinde de concrete bedreigingen in de ontwikkeling van de minderjarige weg te nemen. Het tweede lid bepaalt dat de met het gezag belaste ouder een schriftelijke aanwijzing opvolgt.
5.2.. Ingevolge artikel 1:264 lid 1 BW kan de met het gezag belaste ouder de kinderrechter verzoeken een schriftelijke aanwijzing geheel of gedeeltelijk vervallen te verklaren. Het derde lid bepaalt dat de termijn voor het indienen van een dergelijk verzoek twee weken bedraagt en die termijn vangt aan met ingang van de dag na die waarop de beslissing is verzonden of uitgereikt.
5.3.. De kinderrechter ziet zich dan ook allereerst voor de vraag gesteld of de moeder kan worden ontvangen in haar verzoek. De schriftelijke aanwijzing is op 2 april 2026 aan de moeder uitgereikt en het verzoekschrift is op 16 april 2026 ingediend. Dit betekent dat het verzoek tijdig is ingediend. De kinderrechter zal de moeder dan ook ontvangen in haar verzoek en hierna inhoudelijk behandelen.
5.4..
De kinderrechter komt tot het oordeel dat de schriftelijke aanwijzing van 31 maart 2026 vervallen moet worden verklaard en zal uitleggen waarom hij dit vindt. In deze schriftelijke aanwijzing wordt van de moeder verlangd dat zij [minderjarige] iedere week twee uur bezoekt op de groep in [plaats] . De moeder dient minimaal vijf dagen van te voren met de begeleiding een dag en tijd hiervoor af te spreken. De bezoeken vinden onder begeleiding plaats. Daarnaast hebben de moeder en [minderjarige] om de dag een telefonisch contactmoment gedurende 10 minuten, waarbij de begeleiding op de buurt aanwezig is.
De kinderrechter vindt het in het belang van [minderjarige] dat de bezoeken met de moeder onder begeleiding (blijven) plaatsvinden. Ook vindt hij het belangrijk dat de moeder meewerkt aan de begeleide bezoeken en de afspraken die gelden voor een fijn en onbelast contact van [minderjarige] met de moeder. De kinderrechter onderschrijft inhoudelijk dan ook de schriftelijke aanwijzing op deze punten. Wat de kinderrechter minder goed vindt, is dat in de schriftelijke aanwijzing onvoldoende is weergegeven voor welke duur deze aanwijzing van toepassing is en wanneer de evaluaties zullen plaatsvinden. Daardoor is de schriftelijke aanwijzing onvoldoende helder en toetsbaar geformuleerd, zodat het de moeder onvoldoende duidelijk is wat de geldigheidsduur en de toetsingsmomenten zullen zijn.
Daarnaast lijkt het voorschrift dat de moeder [minderjarige] één keer per week fysiek bezoekt op de groep in [plaats] voor haar niet haalbaar en uitvoerbaar, gelet op de gezondheidsproblemen van de moeder en de belemmeringen die zij hiervan ondervindt in haar dagelijks functioneren. De moeder kan de lange reis naar [minderjarige] in [plaats] niet zelfstandig maken en is daarin afhankelijk van derden of kostbare alternatieven. De kinderrechter vindt dat de uitvoerbaarheid van een schriftelijke aanwijzing zeker gesteld moet zijn op het moment dat deze door de GI aan een ouder wordt opgelegd. Dat is in de onderhavige kwestie naar het oordeel van de kinderrechter niet het geval. De kinderrechter zal daarom de schriftelijke aanwijzing vervallen verklaren. Hij dringt bij de GI erop aan dat zij tot een nieuwe schriftelijke aanwijzing zal komen, waarin een duidelijke periode wordt opgenomen hoe lang de aanwijzing zal gelden als ook de manier waarop de maatregelen uitgevoerd moeten worden. Er moet daarbij gezocht worden naar mogelijkheden om het begeleide contact tussen de moeder en [minderjarige] structureel te kunnen vormgeven op een wijze die ook voor de moeder uitvoerbaar en haalbaar is. Daarnaast moeten er duidelijke afspraken komen, waarbij van de moeder wordt verwacht dat zij met de GI meedenkt over de mogelijkheden om de afspraken die rondom [minderjarige] gepland worden na te komen en om [minderjarige] te bezoeken op zijn woonplek. Het is zijn belang dat hij de omgeving waar hij woont en leeft kan laten zien aan zijn moeder. De moeder moet daar kennis van willen nemen.
5.5.. Tot slot vraagt de kinderrechter bij de GI aandacht voor de zorgen die de moeder heeft aangekaart over het gamegedrag van [minderjarige] en het vermoeden dat hij als mogelijke katvanger door enkele groepsgenoten lijkt te worden ingezet. Van de GI wordt verwacht dat zij dit zo spoedig mogelijk met de groepsleiding oppakt.
5.6.. Het voorgaande leidt tot de volgende beslissing.
6. De beslissing
De kinderrechter:
6.1.. verklaart de schriftelijke aanwijzing d.d. 31 maart 2026 vervallen.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 20 mei 2026 door mr. Duinhof, kinderrechter, in aanwezigheid van Bakker-Maljers als griffier, en op schrift gesteld op 29 mei 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking staat geen hoger beroep open.
Artikel 807 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv).