ECLI:NL:RBZWB:2026:5439
Samenvatting
Civiel recht; Personen- en familierecht
Uitspraak
Breda
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Breda
Zaaknummer: C/02/447971 / JE RK 26-797
Datum uitspraak: 20 mei 2026
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling en verlenging machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
de gecertificeerde instelling William Schrikker Jeugdbescherming en Jeugdreclassering, gevestigd te Amsterdam,
hierna te noemen de GI,
over
[minderjarige 1], geboren op [geboortedag 1] 2018 in [geboorteplaats 1] ,
hierna te noemen [minderjarige 1] ,
[minderjarige 2], geboren op [geboortedag 2] 2020 in [geboorteplaats 2] ,
hierna te noemen [minderjarige 2] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder],
hierna te noemen de moeder,
wonende in [woonplaats] ,
advocaat mr. A.S. Bissumbhar uit Almere,
[de pleegmoeder],
hierna te noemen de pleegmoeder,
wonende in [plaats] .
1. Het verloop van de procedure
1.1.. De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 6 mei 2026;
het stelbericht van mr. Bissumbhar van 11 mei 2026;
het bericht van mr. Bissumbhar van 20 mei 2026.
1.2..
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 20 mei 2026. Daarbij was aanwezig:
- een vertegenwoordiger van de GI.
1.3.. De moeder en haar advocaat zijn juist opgeroepen, maar niet verschenen. Mr. Bissumbhar heeft voorafgaand aan de mondelinge behandeling de kinderrechter te kennen gegeven dat zowel zij als de moeder niet bij de zitting aanwezig zullen zijn.
Ook de pleegmoeder is juist opgeroepen, maar niet verschenen.
2. De feiten
2.1.. De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .
2.2..
[minderjarige 1] en [minderjarige 2] verblijven in een pleeggezin.
2.3.. De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 20 mei 2025 de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] en de machtiging om [minderjarige 1] en [minderjarige 2] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een voorziening voor pleegzorg verlengd tot 26 mei 2026.
3. Het verzoek
3.1.. De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] te verlengen voor de duur van een jaar. Ook verzoekt de GI de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in een voorziening voor pleegzorg te verlengen voor de duur van de ondertoezichtstelling. De GI verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
4. De standpunten
4.1.. De GI heeft ter onderbouwing van het verzoek het navolgende aangevoerd. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zijn in het verleden blootgesteld aan instabiliteit in de opvoeding. Sinds [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in het pleeggezin verblijven ontwikkelen zij zich positief. De pleegmoeder biedt hen een veilige en stabiele omgeving met voorspelbare structuur en grenzen, wat hen helpt om zich emotioneel en sociaal beter te ontwikkelen. Het perspectief van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] is in 2021 in het pleeggezin bepaald en dus wordt er niet meer gewerkt aan terugplaatsing. De GI ziet enerzijds geen gronden voor een gezagsbeëindigende maatregel, maar heeft anderzijds wel zorgen over een overdracht naar het vrijwillig kader. De samenwerking met de moeder is goed, maar wanneer er instanties moeten worden betrokken laat de moeder weerstand zien, bijvoorbeeld toen pleegzorgbegeleiding eenmalig aanwezig zou zijn bij het omgangsmoment omdat de pleegmoeder geopereerd werd. Deze weerstand wordt groter als de vader weer in beeld komt bij de moeder. Wat het nog ingewikkelder maakt is dat er zorgen zijn over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] en dat zij in de toekomst hulp nodig hebben. De pleegmoeder heeft overigens aangegeven geen pleegoudervoogdij te willen uitoefenen. De GI heeft de Raad voor de Kinderbescherming inmiddels verzocht om een onderzoek te doen naar de noodzaak van een gezagsbeëindigende maatregel. Voorts geeft de GI aan dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] en de moeder eens per vier weken omgang hebben bij oma moederszijde. Om verschillende redenen zegt de moeder de omgang soms af. Soms is het financieel moeilijk voor haar om de omgangsmomenten na te komen. Tijdens de omgangsmomenten wordt gezien dat de moeder liefde en betrokkenheid toont, maar moeite heeft om aan te sluiten bij de behoeften van de kinderen en grenzen te stellen. De communicatie tussen de pleegmoeder en de moeder verloopt goed. De moeder verblijft met haar jongste zoontje [persoon] in een moeder-kindhuis in [woonplaats] . De vader is het afgelopen jaar niet in beeld geweest en al sinds 2023 is er geen omgang meer tussen [minderjarige 1] en [minderjarige 2] en de vader.
4.2.. Mr. Bissumbhar heeft namens de moeder middels voornoemd bericht van 20 mei 2026 aangegeven dat de moeder instemt met het verzoek. De moeder geeft reeds op voorhand aan dat zij niet instemt met een gezagsbeëindigende maatregel.
5. De beoordeling
5.1.. Op grond van artikel 1:260 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de kinderrechter, mits aan de grond, bedoeld in artikel 1:255 lid 1 BW is voldaan, de duur van de ondertoezichtstelling telkens verlengen met ten hoogste een jaar.
5.2.. Op grond van artikel 1:265c lid 2 BW kan de rechter, mits aan de grond, bedoeld in artikel 1:265b lid 1 BW is voldaan, de duur van de machtiging uithuisplaatsing telkens verlengen met ten hoogste een jaar.
5.3.. De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een verlenging van de ondertoezichtstelling is voldaan. De kinderrechter legt hieronder uit waarom.
5.4.. De ontwikkeling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] wordt nog steeds ernstig bedreigd. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben in hun opvoedsituatie bij de moeder instabiliteit ervaren. Dat is de reden dat jaren geleden hun perspectief in het pleeggezin is bepaald. In het pleeggezin wordt [minderjarige 1] en [minderjarige 2] een veilige en stabiele opvoedomgeving met voorspelbare structuur en duidelijke grenzen geboden. Zij worden ondersteund in hun sociaal-emotionele ontwikkeling. Dit hebben zij ook nodig gelet op hun kind-eigenproblematiek. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben om de vier weken omgang met de moeder. Tijdens de omgangsmomenten toont de moeder weliswaar genegenheid en betrokkenheid, maar lukt het haar onvoldoende aan te sluiten bij wat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] nodig hebben van hun opvoeder. De moeder beschikt over onvoldoende opvoedingscapaciteiten. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] en de vader hebben al enkele jaren geen omgang met elkaar. Hij lijkt volledig uit beeld te zijn en speelt op dit moment geen actieve rol in hun leven.
5.5.. De ernstige ontwikkelingsbedreiging kan niet of onvoldoende worden weggenomen met vrijwillige hulpverlening. De moeder zoekt weliswaar de samenwerking met de GI en de pleegmoeder op, maar als situaties lastig worden of dingen anders lopen dan de moeder wellicht zou wensen laat zij weerstand zien in de samenwerking, zeker als andere instanties worden betrokken. Oftewel, er is sprake van een wankel evenwicht in de samenwerking. De vader is zoals gezegd de afgelopen jaren afwezig geweest.
5.6.. De ondertoezichtstelling is daarom nog steeds nodig. De kinderrechter zal de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] verlengen voor de duur van een jaar.
5.7.. Ook is de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] noodzakelijk in het belang van de verzorging en opvoeding. Het is gelet op het voorgaande noodzakelijk dat het verblijf van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in het pleeggezin gewaarborgd blijft.
5.8.. In het komende jaar zal worden gewerkt aan de volgende doelen:
een gestructureerde en veilige omgangsregeling;
acceptatie van de plaatsing in het pleeggezin door de vader;
onderzoek naar een gezagsbeëindigende maatregel.
5.9.. De kinderrechter zal de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
6. De beslissing
De kinderrechter:
6.1.. verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] met ingang van 26 mei 2026 tot 26 mei 2027;
6.2.. verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in een voorziening voor pleegzorg met ingang van 26 mei 2026 tot 26 mei 2027;6.3.. verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 20 mei 2026 door mr. Pellikaan, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. Van Noort als griffier, en op schrift gesteld op 4 juni 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.