ECLI:NL:RBZWB:2026:5442
Samenvatting
Civiel recht; Personen- en familierecht
Uitspraak
Breda
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Team Familie- en Jeugdrecht
Breda
Zaaknummer: C/02/438990 / FA RK 25-4297
Datum uitspraak: 21 mei 2026
beschikking betreffende levensonderhoud
in de zaak van
[de vrouw],
wonende te [woonplaats 1] ,
hierna te noemen de vrouw,
advocaat mr. J.M. Molkenboer te Tilburg,
en
[jongmeerderarige 1],
wonende te [woonplaats 1] ,
hierna te noemen de jongmeerderjarige ( [jongmeerderarige 1] ),
advocaat mr. J.M. Molkenboer te Tilburg,
tegen
[de man],
wonende te [woonplaats 2] ,
hierna te noemen de man,
advocaat mr. J. Verdonk te Heerenveen.
1. Het procesverloop
1.1. Dit blijkt uit de volgende stukken:
het op 20 augustus 2025 ontvangen verzoekschrift met bijlagen;
de brief met bijlage van 10 september 2025 van mr. Molkenboer;
het op 21 oktober 2025 ontvangen verweerschrift met bijlagen;
de brief met bijlagen van 13 april 2026 van mr. Molkenboer;
de brief, tevens inhoudende een zelfstandig verzoek, met bijlagen van 13 april 2026 van mr. Verdonk.
1.2. De zaak is behandeld op de mondelinge behandeling van 23 april 2026. Bij die gelegenheid zijn verschenen:
de vrouw en de jongmeerderjarige, bijgestaan door hun advocaat;
de man, bijgestaan door zijn advocaat.
2. De feiten
2.1. Op grond van de stellingen en overgelegde stukken staat tussen partijen het volgende vast:
de vrouw en de man zijn met elkaar gehuwd geweest van 23 mei 2008 tot 6 oktober 2010;
uit dit huwelijk zijn volgende nu jongmeerderjarige kinderen geboren:
1. [jongmeerderarige 2] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 1] 2006 (hierna [jongmeerderarige 2] );
2. [jongmeerderarige 1] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 2] 2008;
bij beschikking van deze rechtbank van 28 juni 2010 is, voor zover van belang, de echtscheiding tussen de vrouw en de man uitgesproken en bepaald dat de man met ingang van 1 mei 2010 tot 1 juni 2010 een bedrag van € 175,= per kind per maand als kinderalimentatie aan de vrouw moet voldoen en met ingang van 1 juni 2010 een bedrag van € 350,= per kind per maand. Ook is bepaald dat de overige regelingen uit het ouderschapsplan (waarvan een exemplaar aan de beschikking is gehecht) als overgenomen en herhaald dienen te worden beschouwd.
in dit ouderschapsplan zijn de vrouw en de man de hiervoor genoemde bedragen overeengekomen. Ook zijn zij het volgende overeengekomen ten aanzien van de alimentatie voor een jongmeerderjarige: “7.3 Alimentatie Jongmeerderjarige
Vanaf het tijdstip waarop een kind meerderjarig wordt, betaalt de vader de in artikel 7.1 genoemde alimentatie aan het kind zelf ex artikel 1:395a BW op een door het kind aan te wijzen bankrekening, tenzij het kind op dat moment nog bij de moeder woont. In dat geval wordt door de ouders en het kind in onderling overleg bepaald op welke wijze wordt betaald, zolang die situatie voortduurt.
De wettelijke indexeringsregeling blijft van toepassing totdat het kind de 21-jarige leeftijd heeft bereikt”.
bij beschikking van deze rechtbank van 8 september 2014 is de zaak naar team familie verwezen om verder te worden afgedaan. Bij beschikking van 10 februari 2016 is, voor zover van belang, de beschikking van 28 juni 2010 gewijzigd en bepaald dat de man met ingang van de datum van deze beschikking een bedrag van € 273,50 per kind per maand als kinderalimentatie aan de vrouw moet voldoen.
op grond van laatstgenoemde beschikking dient de man nu -inclusief de wettelijke indexering- afgerond € 380,= per kind per maand te betalen voor de kosten van verzorging en opvoeding.
3. De verzoeken
3.1. De vrouw verzocht aanvankelijk de door de man te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [jongmeerderarige 1] met ingang van 1 maart 2025 nader vast te stellen op € 711,= per maand. Dit verzoek heeft zij ter zitting ingetrokken.
3.2. De jongmeerderjarige verzoekt nu de door de man te betalen bijdrage voor haar kosten van levensonderhoud en studie met ingang van 1 mei 2026 nader vast te stellen op € 1.400,= per maand.
3.3. De man verzoekt nu zelfstandig de bijdrage voor de jongmeerderjarige met ingang van 1 mei 2026 te wijzigen en nader te bepalen op nihil.
4. De beoordeling
4.1. Nu de vrouw haar verzoek heeft ingetrokken, zullen de gronden van dat verzoek niet meer worden onderzocht, om welke reden het verzoek zal worden afgewezen. De rechtbank zal hieronder het verzoek van de jongmeerderjarige en het zelfstandige verzoek van de man beoordelen.
4.2. Op grond van het bepaalde in artikel 1:401, eerste lid van het Burgerlijk Wetboek (BW), is een rechterlijke uitspraak of overeenkomst betreffende levensonderhoud voor wijziging vatbaar wanneer zij nadien door wijziging van omstandigheden ophoudt aan de wettelijke maatstaven te voldoen.
4.3. Partijen zijn het erover eens dat sinds 1 mei 2026 sprake is van een wijziging van omstandigheden. In dit verband staat vast dat [jongmeerderarige 1] inmiddels jongmeerderjarig is en inkomen uit dienstverband heeft gegenereerd. Aldus heeft zich een wijziging van omstandigheden voorgedaan die een onderzoek naar de behoefte van de jongmeerderjarige aan een bijdrage en naar de huidige financiële draagkracht van de onderhoudsplichtigen noodzakelijk maakt. Daarna zal blijken of deze wijziging als rechtens relevant is aan te merken.
4.4. Bij het bepalen van de behoefte aan een onderhoudsbijdrage en de financiële
draagkracht om die te voldoen hanteert de rechtbank de uitgangspunten, zoals deze zijn
neergelegd in de aanbevelingen van de Expertgroep Alimentatie.
Ingangsdatum
4.5. Ter zitting is gebleken dat partijen het erover eens zijn dat de door de man ten behoeve van de jongmeerderjarige [jongmeerderarige 1] te betalen bijdrage in de kosten van levensonderhoud en studie met ingang van 1 mei 2026 gewijzigd dient te worden. Nu partijen het daarover eens zijn, zal de rechtbank als ingangsdatum voor de eventueel gewijzigde alimentatieverplichting 1 mei 2026 bepalen.
Behoefte van de jongmeerderjarige
4.6. De jongmeerderjarige stelt dat zij een behoefte heeft van € 1.519,35 per maand, op basis van haar maandelijkse kosten. Zij volgt nu een opleiding aan de VAVO en zal in mei 2026 eindexamen doen. Daarnaast werkt zij bij [organisatie] op basis van een nul-urencontract. Met ingang van 1 augustus 2026 zal ze bij [middelbare school] een opleiding autotechniek gaan volgen (MBO 3 niveau), waarbij zij vijf dagen per week school heeft. Haar inkomen uit arbeid zal dan aanzienlijk verminderen of komen te vervallen. Subsidiair stelt de jongmeerderjarige dat voor haar behoefte moet worden aangesloten bij de WSF-norm.
4.7. Volgens de man dient voor de behoefte van de jongmeerderjarige aansluiting te worden gezocht bij de WSF-norm. Over de maanden mei tot augustus 2026 bedraagt de WSF-norm € 778,99, welk bedrag moet worden verminderd met het lesgeld van € 121,50. Er resteert dan een behoefte in de periode van 1 mei tot 1 augustus 2026 van € 657,49 per maand. Voor deze periode is de man van mening dat de jongmeerderjarige zelf in haar behoefte voorziet of kan voorzien, door haar inkomen uit arbeid. In 2024 heeft zij haar examen niet gehaald, waarna ze is gaan werken bij de [bedrijf] en daarna bij [organisatie] . Het gaat om structurele en reële eigen inkomsten uit arbeid, waarmee zij in haar eigen behoefte kan voorzien.
Voor de periode vanaf augustus 2026 geldt dat de WSF-norm is gewijzigd naar € 783,41 per maand, welk bedrag moet worden verminderd met de basisbeurs van € 107,26. Er resteert dan een behoefte van € 677,15 per maand.
4.8. De rechtbank overweegt dat uit het rapport van de Expertgroep Alimentatienormen volgt dat geen aparte maatstaven zijn ontwikkeld voor de behoefte van kinderen van 18 tot 21 jaar die onder de Wet studiefinanciering vallen. Voor de behoeftebepaling van studerende kinderen kan aansluiting worden gezocht bij de voor hen geldende normbedragen in het kader van de Wet op de studiefinanciering (WSF-norm), waarbij een student kan aantonen dat voor een bepaalde post een hoger budget nodig is. De rechtbank oordeelt dat de jongmeerderjarige niet, althans onvoldoende, aannemelijk heeft gemaakt dat zij voor één van deze posten een hoger budget nodig heeft. Het door haar overgelegde overzicht van haar kosten acht de rechtbank daartoe onvoldoende. De rechtbank gaat dan ook voorbij aan het primaire standpunt van de jongmeerderjarige. Dat betekent dat aansluiting zal worden gezocht bij de WSF-norm. Voor een thuiswonende MBO-student geldt over de maanden januari tot en met juli 2026 een normbedrag van € 778,99 en vanaf augustus 2026 een normbedrag van € 783,41. Partijen zijn het er dan over eens dat voor de periode van 1 mei 2026 tot 1 augustus 2026 dit bedrag moet worden verminderd met het lesgeld van € 121,50 (nu haar opleiding pas op 1 augustus 2026 start). Dat betekent dat de behoefte van de jongmeerderjarige over die periode € 657,49 bedraagt. Voor de periode vanaf 1 augustus 2026 geldt een normbedrag van € 783,41, welk bedrag moet worden verminderd met de basisbeurs van € 107,26. De behoefte van de jongmeerderjarige vanaf 1 augustus 2026 bedraagt van € 676,15. Gelet op het minimale verschil in behoefte in deze periode, ziet de rechtbank aanleiding om de behoefte van de jongmeerderjarige [jongmeerderarige 1] met ingang van 1 mei 2026 te bepalen op afgerond € 676,= per maand.
4.9. De rechtbank houdt geen rekening met eigen inkomsten van de jongmeerderjarige en overweegt daartoe als volgt. Uitgangspunt is dat alleen eigen inkomsten die in vergelijking met de behoefte structureel en substantieel zijn invloed kunnen hebben op de hoogte van de behoefte van een jongmeerderjarige. [jongmeerderarige 1] heeft aangegeven op dit moment minder te zijn gaan werken met het oog op haar eindexamens in mei 2026. Daarna zal zij niet, althans niet meer structureel, werken in verband met de opleiding die zij per augustus 2026 zal starten. De man betwist niet dat [jongmeerderarige 1] eindexamens heeft in mei en betwist evenmin dat zij met ingang van 1 augustus 2026 bij [middelbare school] een opleiding autotechniek gaat volgen. Gelet op de eindexamens en de nieuwe opleiding acht de rechtbank het redelijk om ervan uit te gaan dat de jongmeerderjarige geen structurele en substantiële inkomsten zal genereren in deze periode.
4.10. Beoordeeld dient te worden in welke verhouding de behoefte van de
jongmeerderjarige tussen de onderhoudsplichtigen zal worden verdeeld. De rechtbank volgt
ook in dit opzicht de aanbevelingen van de Expertgroep Alimentatie, inhoudende dat de
behoefte tussen de onderhoudsplichtigen wordt verdeeld naar rato van hun draagkracht.
Daartoe dient eerst het netto besteedbaar inkomen (NBI) van de onderhoudsplichtigen te
worden bepaald. Het bedrag aan draagkracht wordt in 2026 bij inkomens vanaf € 2.200,= per
maand vastgesteld aan de hand van de formule 70% x [NBI – (0,3 x NBI + € 1.365,=)]. Voor
de lagere inkomens (beneden een NBI van € 2.200,= per maand) zijn vaste bedragen per categorie van toepassing.
Draagkracht vrouw
4.11. Partijen zijn het erover eens dat de vrouw een WAJONG-uitkering ontvangt van € 19.003,= bruto per jaar. De rechtbank zal de berekening van de man volgen (overgelegd als productie 9), gelet op de daarin gehanteerde tarieven en de meegenomen uitgaven voor specifieke zorgkosten en de jonggehandicaptenkorting. Uit deze berekening volgt een netto besteedbaar inkomen van de vrouw van € 2.001,= per maand, wat leidt tot een draagkracht van in totaal € 98,= per maand.
Draagkracht man
4.12. Ter zitting is gebleken dat partijen het erover eens zijn dat voor de draagkracht van de man uit moet worden gegaan van een bruto jaarinkomen van € 100.023,=, welk bedrag nog moet worden verminderd met de bijtelling van de auto van € 12.000,=. Aldus resteert een bruto jaarinkomen van € 88.023,=. Ter zitting is ook gebleken dat partijen het erover eens zijn dat op dit moment geen rekening moet worden gehouden met winst of verlies uit de onderneming van de man.
4.13. Tussen partijen is in geschil of rekening moet worden gehouden met een aflossing van € 211,= per maand op een schuld ten behoeve van door de man te betalen advocaatkosten. Volgens de man moet daar rekening mee worden gehouden, omdat hij geen spaargeld heeft om die lening af te lossen en hoge lasten heeft. De jongmeerderjarige is van mening dat de man de aflossing uit zijn vrije ruimte zou moeten voldoen.
4.14. De rechtbank overweegt dat met andere noodzakelijke lasten rekening kan worden gehouden als deze niet vermijdbaar en niet verwijtbaar zijn. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de man onvoldoende onderbouwd dat deze lasten niet vermijdbaar zijn. Niet is gebleken dat de man zich niet geheel/gedeeltelijk van deze last kan bevrijden door aflossing met behulp van zijn spaargeld of dat hij zich hiervan kan bevrijden door zijn draagkrachtvrije ruimte te gebruiken. De rechtbank houdt daarom geen rekening met de aflossing op een schuld ten behoeve van advocaatkosten.
4.15. De man heeft tot slot met betrekking tot zijn draagkracht aangevoerd dat een deel van zijn inkomen prestatieafhankelijk is en pas aan het eind van het jaar wordt uitgekeerd. De rechtbank overweegt dat rekening wordt gehouden met het inkomen dat hij genereert in een kalenderjaar. Dat mogelijk een substantieel deel van zijn inkomen pas aan het eind van het jaar wordt uitgekeerd, is geen reden om daar geen rekening mee te houden. De rechtbank begrijpt dat dit de betalingsverplichtingen van de man bemoeilijkt, maar het is aan de man om een wijze van budgettering daarin te vinden. De man heeft bovendien desgevraagd geen juridische consequentie aan dit standpunt verbonden.
4.16. Aan de hand van voornoemde uitgangspunten en rekening houdend met de van toepassing zijnde premies en heffingskortingen becijfert de rechtbank het netto besteedbaar inkomen van de man op een bedrag van € 4.787,= per maand. De draagkracht van de man is dan volgens de formule in totaal € 1.390,= per maand. De rechtbank verwijst naar de aangehechte berekening.
Draagkrachtvergelijking
4.17. Ter zitting is besproken hoe de door de man te betalen bijdrage voor [jongmeerderarige 2] moet worden meegenomen. Volgens de vrouw moet uit worden gegaan van het bedrag dat de man feitelijk voor [jongmeerderarige 2] betaalt. Volgens de man moet de draagkracht van partijen naar rato van behoefte worden verdeeld.
4.18. De rechtbank acht het redelijk dat de draagkracht van partijen gelijk wordt verdeeld over beide jongmeerderjarige kinderen. Gebleken is namelijk dat de jongmeerderjarige [jongmeerderarige 2] ook een mbo-studie volgt en thuiswonend is. Het voorgaande betekent dat de vrouw een draagkracht voor de jongmeerderjarige [jongmeerderarige 1] beschikbaar heeft van € 49,= per maand (€ 98 : 2 kinderen) en de man € 695,= per maand (€ 1.390 : 2 kinderen).
4.19. Partijen hebben samen een draagkracht voor de jongmeerderjarige [jongmeerderarige 1] van in totaal € 744,= per maand (€ 49 + € 695). Dat is voldoende om te voorzien in haar behoefte van afgerond € 676,= per maand. Omdat de gezamenlijke draagkracht de behoefte van de jongmeerderjarige [jongmeerderarige 1] overstijgt, zal de rechtbank een draagkrachtvergelijking toepassen, om te bepalen welk bedrag ieder van de ouders voor de jongmeerderjarige [jongmeerderarige 1] dient te dragen.
4.20. De verdeling van de kosten van de jongmeerderjarige [jongmeerderarige 1] over de
onderhoudsplichtigen wordt dan berekend volgens de formule: ieders draagkracht gedeeld
door de totale draagkracht vermenigvuldigd met de behoefte, oftewel:
het aandeel van de man bedraagt: € 695 / € 744 x € 676 = € 631,=;
het aandeel van de vrouw bedraagt: € 49 / € 744 x € 676 = € 45,=.
Zorgkorting
4.21. De jongmeerderjarige stelt dat de man geen aanspraak maakt op een zorgkorting, nu zij feitelijk al langere tijd geen contact meer met de man heeft.
4.22. Volgens de man is het onredelijk om geen zorgkorting toe te passen, omdat hij openstaat voor herstel van het contact. Daarnaast is het niet toepassen van de zorgkorting een prikkel om het gebrek aan contact in stand te houden.
4.23. De rechtbank overweegt dat bij beschikking van het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 14 juni 218 een zorgregeling tussen de man en de kinderen is vastgesteld. Uit de overgelegde stukken en dat wat op de zitting is besproken, is echter gebleken dat er in ieder geval het afgelopen jaar geen contact tussen [jongmeerderarige 1] en de man heeft plaatsgevonden. De rechtbank acht het gelet hierop passend om geen rekening te houden met een zorgkorting.
Conclusie
4.24. De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de conclusie dat sprake is van een rechtens relevante wijziging van omstandigheden die leidt tot een aanpassing van de huidige bijdrage. De rechtbank zal de door de man ten behoeve van de jongmeerderjarige [jongmeerderarige 1] te betalen bijdrage met ingang van 1 mei 2026 wijzigen naar € 631,= per maand.
Aanhechten berekening
4.25. De rechtbank heeft een berekening van de draagkracht van de man gemaakt. Een gewaarmerkt exemplaar van deze berekening is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.
Proceskosten
4.26. Gelet op de relatie tussen partijen zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
5. De beslissing
De rechtbank
wijzigt voormelde beschikking van deze rechtbank van 10 februari 2016 als volgt:
5.1. bepaalt dat de daarbij vastgestelde bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [jongmeerderarige 1] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 2] 2008, met ingang van 1 mei 2026 wordt gewijzigd naar een bijdrage in de kosten van levensonderhoud en studie van € 631,= (zeshonderdeenendertig euro) per maand, bij vooruitbetaling door de man aan de jong-meerderjarige te voldoen;
5.2. compenseert de kosten van het geding aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt;
5.3. wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. Baggel, en, in tegenwoordigheid van mr. Van Egeraat, griffier, in het openbaar uitgesproken op 21 mei 2026.
Mededeling van de griffier:
Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:
door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het
gerechtshof ’s-Hertogenbosch.