ECLI:NL:RBZWB:2026:5444
Samenvatting
Civiel recht; Personen- en familierecht
Uitspraak
Breda
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Team Familie- en Jeugdrecht
Breda
Zaaknummer: C/02/441941 FA RK 25-5884
datum uitspraak: 21 mei 2026
beschikking betreffende omgangsregeling en levensonderhoud
in de zaak van
[de vrouw],
wonende te [woonplaats] ,
hierna te noemen de vrouw,
advocaat mr. B. Krijnen,
en
[de man],
wonende [woonplaats] ,
hierna te noemen de man,
zonder advocaat.
1 Het procesverloop
1.1 Dit blijkt uit de volgende stukken:
het op 7 november 2025 ontvangen verzoekschrift met bijlagen;
de brief van de griffier van de rechtbank aan de man van 24 december 2025, houdende de oproep voor de zitting;
de brief van mr. Krijnen van 9 april 2026, tevens houdende wijziging van het verzoek, met bijlagen;
het vonnis van deze rechtbank in kort geding van 25 november 2025.
1.2 De zaak is behandeld op de zitting van 16 april 2026. Bij die gelegenheid is verschenen de vrouw, bijgestaan door haar advocaat. Tevens was aanwezig een vertegenwoordiger van de Raad voor de Kinderbescherming, Zeeland-West-Brabant, locatie Breda, hierna te noemen de Raad. De man is niet verschenen.2. De feiten
2.1. Blijkens de stellingen en overgelegde stukken staat tussen partijen het volgende vast:
partijen hebben een relatie met elkaar gehad tot juni 2025;
uit hun relatie is het volgende, nu nog minderjarige kind geboren: [minderjarige] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2019 (hierna ook: [minderjarige] );
[minderjarige] is door de man erkend. De vrouw is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
3. De verzoeken
De vrouw verzoekt nu, samengevat:
vaststelling van een omgangsregeling, inhoudende dat de man en de minderjarige contact met elkaar hebben om de week op zaterdag van 13:00 uur tot 17:00 uur;
vaststelling van een door de man te betalen onderhoudsbijdrage ten behoeve van de minderjarige van € 400,= per maand, met ingang van de datum van indiening van het verzoekschrift.
4. De beoordeling
Oproep van de man
4.1. De man is voor de zitting opgeroepen bij brief van 24 december 2025 op bovenvermeld adres, zijnde het adres waar hij in de Basisregistratie Personen (BRP) staat ingeschreven. De brief is zowel per gewone post als per aangetekende post verzonden. De aangetekend verzonden brief is door de man niet opgehaald en teruggestuurd naar de rechtbank. De per gewone post gestuurde brief is niet geretourneerd. Uit raadpleging van de BRP is gebleken dat genoemd adres met ingang van 12 december 2025 in onderzoek is. Een (ander) adres waarop de man bereikbaar is, ontbreekt. De rechtbank overweegt dat het de verantwoordelijkheid van de man is om te zorgen dat hij in de BRP staat ingeschreven op een adres waarop hij bereikbaar is. Mr. Krijnen heeft op de zitting toegelicht het verzoek en het gewijzigd verzoek ook per email aan de man te hebben toegestuurd, onder vermelding van de zittingsdatum en tijdstip, maar dat ook zij daar geen reactie van de man op heeft ontvangen. De rechtbank heeft op grond van het voorgaande op de zitting geconstateerd dat de man op de wettelijk voorgeschreven wijze is opgeroepen en heeft daarop de verzoeken inhoudelijk behandeld.
Omgangsregeling
4.2. De vrouw heeft toegelicht dat de man sinds het uiteengaan van partijen weinig interesse heeft getoond in [minderjarige] en dat er maar zeer weinig contact tussen hen heeft plaatsgevonden. De vrouw vindt het erg belangrijk dat de man en [minderjarige] op structurele basis contact met elkaar hebben en dat de situatie voor [minderjarige] voorspelbaar is, met name omdat zij kampt met bepaalde problematiek en veel aandacht vraagt. [minderjarige] geeft zelf ook aan dat zij haar vader mist en is altijd blij als zij haar vader heeft gezien. De vrouw is daarom eind 2025 een kort gedingprocedure gestart. In het vonnis van 25 november 2025 is een omgangsregeling vastgesteld gedurende iedere zaterdag van 13:00 uur tot 17:00 uur. De afgelopen periode is echter gebleken dat het voor de man niet haalbaar is om iedere week omgang met [minderjarige] te hebben. Hij laat steeds op vrijdagavond weten of hij wel of niet komt. Dit is erg onrustig, zowel voor de vrouw als voor [minderjarige] . De vrouw verzoekt daarom nu te bepalen dat de man en [minderjarige] om de week op zaterdag contact met elkaar hebben. De vrouw hoopt dat de man zijn verantwoordelijkheid neemt en laat zien dat hij deze regeling kan nakomen. De vrouw zal het contact tussen de man en [minderjarige] blijven stimuleren.
4.3. De Raad heeft op de zitting aangegeven dat een structurele omgang tussen de man en [minderjarige] wenselijk is en dat de door de vrouw verzochte regeling op dit moment het hoogst haalbare lijkt. Daarnaast vindt de Raad het belangrijk dat aan [minderjarige] op een kindvriendelijke manier wordt uitgelegd dat het niet aan haar ligt dat de contacten met haar vader nu onregelmatig zijn. Kinderen hebben namelijk de neiging dit soort zaken op zichzelf te betrekken.
4.4. De rechtbank wijst het verzoek van de vrouw toe, omdat dit verzoek niet door de man is weersproken en omdat niet is gebleken dat het belang van [minderjarige] zich tegen de verzochte regeling verzet. De vrouw heeft op de zitting toegezegd contact op te nemen met de gezinscoach, die haar begeleidt bij opvoedkundige vragen, om te bekijken op welke wijze [minderjarige] kan worden voorgelicht over het door de Raad genoemde punt. De rechtbank spreekt de hoop uit dat de man het belang van [minderjarige] voorop zal stellen en de omgangsregeling, zoals deze nu wordt vastgesteld, zal nakomen. Het is immers niet in het belang van [minderjarige] en haar ontwikkeling dat zij (om de week) op vrijdag in onzekerheid verkeert of zij haar vader zal zien.
Kinderalimentatie
4.5. De vrouw verzoekt verder vaststelling van een door de man te betalen onderhoudsbijdrage ten behoeve van de minderjarige van € 400,= per maand, met ingang van de datum van indiening van het verzoekschrift.
4.6. Dit verzoek zal als niet weersproken en op de wet gegrond worden toegewezen.
5. De beslissing
De rechtbank
5.1. bepaalt dat de man en de minderjarige [minderjarige] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2019, gerechtigd zijn tot omgang met elkaar om de week op zaterdag van 13:00 uur tot 17:00 uur;
5.2. bepaalt dat de man met ingang van 7 november 2025 ten behoeve van de verzorging en opvoeding van genoemde minderjarige aan de vrouw moet voldoen een bedrag van
€ 400,= (vierhonderd euro) per maand, voor de toekomst bij vooruitbetaling te voldoen;
5.3. verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
5.4. wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mr. Haerkens-Wouters, en, in tegenwoordigheid van mr. Laenen, griffier, in het openbaar uitgesproken op 21 mei 2026.
Mededeling van de griffier:
Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:
door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch.