Skip to main content

ECLI:NL:RBZWB:2026:5451

Rechtbank

Middelburg

Datum

21 May 2026

Taal

nl

Samenvatting

Rechtsvraag

Civiel recht; Personen- en familierecht

Uitspraak / Beslissing

Uitspraak

Middelburg

Procedure: UitspraakDomain: Civiel recht; Personen- en familierechtType: uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht

Locatie Middelburg

Zaaknummer: C/02/447706 / JE RK 26-759

Datum uitspraak: 21 mei 2026

Beschikking van de kinderrechter over een ondertoezichtstelling

in de zaak van

DE RAAD VOOR DE KINDERBESCHERMING, Regio Zeeland-West-Brabant,

locatie Middelburg,

hierna te noemen: de Raad,

over

[minderjarige], geboren op [geboortedag] 2016 in [geboorteplaats] ,

hierna te noemen: [minderjarige] .

De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:

[de moeder],

hierna te noemen: de moeder,

wonende in [woonplaats 1] ,

advocaat mr. N.P.M Planthof te Goes,

[de vader],

hierna te noemen: de vader,

wonende in [woonplaats 2] ,

advocaat mr. E. Sijneseal te Middelburg.

De kinderrechter merkt als informant aan:

de gecertificeerde instelling STICHTING LEGER DES HEILS JEUGDBESCHERMING EN RECLASSERING,

locatie Eindhoven,

hierna te noemen: de GI,

1. Het verloop van de procedure

1.1.. De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:

het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 29 april 2026;

het arrest van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 31 maart 2026.

1.2.. De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 7 mei 2026. Daarbij waren aanwezig:

  • de vader bijgestaan door zijn advocaat;

  • de moeder bijgestaan door haar advocaat;

een tweetal vertegenwoordigsters van de GI;

een vertegenwoordigster van de Raad.

1.3.. De kinderrechter heeft [minderjarige] naar zijn mening gevraagd. [minderjarige] heeft hierover een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [minderjarige] heeft verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.

2. De feiten

2.1.. De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .

2.2..
[minderjarige] woont bij zijn moeder.

3. Het verzoek

3.1.. De Raad verzoekt [minderjarige] onder toezicht te stellen voor de duur van een jaar en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

4. De standpunten

4.1..
[minderjarige] geeft in zijn gesprek met kinderrechter aan dat hij op dit moment geen contact heeft met zijn vader en dat hij dit ook niet wil. [minderjarige] heeft moeite met het gedrag van de vader, zoals roken en het huis rommelig maken. Daarnaast is [minderjarige] geschrokken toen de vader aan de deur bij de moeder heeft geschreeuwd. [minderjarige] zou graag willen dat er geen ruzie is tussen de vader en de moeder, maar ook in dat geval wil [minderjarige] niet naar de vader toe. Als [minderjarige] toch naar de vader zou moeten gaan zou hij graag willen dat er iemand mee gaat die hij vertrouwt, zoals de moeder of opa en oma van de vaderskant. Verder vindt [minderjarige] het niet leuk dat hij zijn halfbroer [persoon 1] niet ziet. Zijn andere halfbroer, [persoon 2] , ziet hij af en toe. Ook met de opa en oma van de vaderszijde heeft [minderjarige] op dit moment geen contact. Tot slot praat [minderjarige] eens in de aantal weken met [persoon 3] van buurtteams, met wie [minderjarige] over zijn gevoel kan praten.

4.2.. De Raad handhaaft het verzoek en verwijst ter onderbouwing van het verzoek naar de overgelegde stukken. [minderjarige] is getuige geweest van escalaties tussen de ouders, wat heeft gezorgd voor een gevoel van onveiligheid bij [minderjarige] . Er is een jarenlange strijd tussen de ouders, waarbij er contactverlies is ontstaan tussen [minderjarige] en de vader. De ouders zijn daarnaast door de belastende situatie verminderd emotioneel beschikbaar voor [minderjarige] . De ouders geven daarnaast onvoldoende toestemming voor onbelast contact met de andere ouder. De focus op [minderjarige] verdwijnt bij de ouders steeds meer. Het is nodig dat deze situatie op een systematische manier benaderd wordt en dat trauma sensitieve hulpverlening wordt ingezet. Ook is interactie observatie tussen de vader en [minderjarige] nodig.

4.3.. Door en namens de moeder wordt aangevoerd dat de moeder het eens is met het verzoek van de Raad. Er moet zicht komen op de zorgen van [minderjarige] en in kaart worden gebracht welke hulpverlening het meest passend is voor [minderjarige] . Ook in de onderlinge verhouding tussen de ouders moet wat gebeuren. De moeder is het eens met de door de Raad gestelde doelen. Er kan gekeken worden wat de GI kan beteken in de omgangsregeling.

Door en namens de vader wordt aangevoerd dat de vader het eens in met het verzoek van de Raad. De vader is het eens met gestelde doelen, maar maakt bezwaar tegen het observeren van het contact tussen de vader en [minderjarige] . De vader is bang dat het heel lang gaat duren voordat dit opgestart kan worden. De vader betreurt het ten zeerste dat hij nu geen contact heeft met [minderjarige] . Het gerechtshof heeft besloten dat de omgang er moet zijn, dus dit moet zo snel mogelijk opgestart worden.

4.4.. De GI geeft aan dat er direct twee jeugdbeschermers beschikbaar zijn. Verder is er voor het begeleiden en observeren van het contact tussen de vader en [minderjarige] een wachttijd van maanden.

5. De beoordeling

Wettelijk kader

5.1.. Ingevolge het bepaalde in artikel 1:255 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) kan de kinderrechter een minderjarige onder toezicht stellen van een gecertificeerde instelling wanneer die minderjarige zodanig opgroeit, dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en:

de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, en;

de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige.

Inhoudelijke beoordeling

5.2.. De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een ondertoezichtstelling is voldaan.De kinderrechter legt hieronder uit waarom.

5.3.. De ontwikkeling van [minderjarige] wordt ernstig bedreigd, omdat [minderjarige] zich bevindt in een zeer kwetsbare positie. Er is een jarenlange, escalerende en aanhoudende strijd tussen de ouders. Hierdoor heeft [minderjarige] gevoelens van onveiligheid ontwikkeld. Op dit moment is er contactverlies tussen [minderjarige] en zijn vader. Doordat de moeder niet meewerkt aan het arrest van het gerechtshof van 31 maart 2026 waarin de moeder is veroordeeld om mee te werken aan de door partijen overeengekomen zorgregeling tussen de vader en [minderjarige] , blijft dit contactverlies in stand. Dit is zeer zorgelijk. Het lukt de ouders daarnaast onvoldoende om de onderlinge strijd weg te houden bij [minderjarige] . Hierdoor ervaart [minderjarige] stress, verwarring en onrust en is er onvoldoende rust en voorspelbaarheid in zijn opvoedomgeving. De ouders voelen de noodzaak [minderjarige] tegen de andere ouder te beschermen en het ontbreekt hen aan inzicht in hun eigen aandeel in het conflict. Verder is er ook (dreigend) contactverlies met [persoon 1] en [persoon 2] , de half-broers van [minderjarige] . Daar komt bij dat [minderjarige] op dit moment ook geen contact heeft met de opa en oma van de vaderszijde. De kinderrechter maakt zich zorgen dat dit opnieuw verlieservaringen worden voor [minderjarige] . Gelet op het voorgaande is de kinderrechter van oordeel dat de ontwikkeling van [minderjarige] ernstig wordt bedreigd. Het is belangrijk dat de GI onderzoekt welke hulpverlening het meest passend is voor [minderjarige] . Doordat de ouders zelf ook ingrijpende levensgebeurtenissen hebben meegemaakt is het belangrijk dat ook de ouders de passende hulpverlening krijgen. Het is daarbij van belang dat de ouders zich begeleidbaar opstellen en werken aan hun intrinsieke motivatie. De GI moet daarbij ook aandacht besteden aan de onderlinge communicatie van de ouders. Tot slot wil de kinderrechter ingaan op het monitoren via video-opnames van het contact tussen de vader en [minderjarige] . De kinderrechter benadrukt dat het arrest van het gerechtshof als uitgangspunt geldt. In dit arrest wordt de moeder veroordeeld mee te werken aan de door ouders eerder overeengekomen zorgregeling. Dat de Raad op dit moment te weinig zicht heeft gekregen op de omgang tussen [minderjarige] en de vader is geen gegronde reden om de omgang op te schorten totdat de video-observatie ingezet kan worden, hetgeen volgens de GI een maandenlange wachttijd heeft. De kinderrechter vraagt dan ook aan de GI om de omgang tussen de vader en [minderjarige] zo snel mogelijk op een veilige manier op te starten ook als dat is zonder video-observatie. Het contactherstel tussen de vader en [minderjarige] is van groot belang. De kinderrechter benadrukt richting de vader dat het zeer begrijpelijk is dat hij frustraties ervaart vanwege het gebrek aan contact met [minderjarige] . Voor het welzijn van [minderjarige] en het onderlinge contactherstel tussen de vader en [minderjarige] is het echter heel belangrijk dat [minderjarige] niet met die frustraties geconfronteerd wordt. Wanneer [minderjarige] zijn vader boos ziet, of anderszins, indirect, wordt geconfronteerd met die boosheid, veroorzaakt dat gevoelens van onveiligheid bij hem.

5.4.. De ernstige ontwikkelingsbedreiging kan niet of onvoldoende worden weggenomen met vrijwillige hulpverlening, omdat de ouders vanwege de onderlinge strijd niet in staat zijn om gezamenlijk beslissingen te nemen in het belang van [minderjarige] . Het is nodig dat de GI de regie voert om de benodigde hulpverlening in te zetten en om besluiten te kunnen nemen in het belang van [minderjarige] .

5.5.. De ondertoezichtstelling is daarom in dit geval nodig. De kinderrechter stelt [minderjarige] onder toezicht voor de duur van een jaar.

5.6.. De kinderrechter geeft aan de GI de opdracht mee om aan de volgende doelen uitvoering te geven:

  • [minderjarige] groeit op in een (fysiek en emotioneel) veilige, stabiele en voorspelbare opvoedingsomgevingen, waarbij de ouders fysiek en emotioneel beschikbaar zijn, er in zijn opvoedbehoeften wordt voorzien, de ouders hem sensitief-responsief ouderschap bieden en hij zich kan richten op de ontwikkelingstaken die bij zijn leeftijd passen;

De ouders staken hun strijd, kunnen zich inleven in elkaars beleving, leren te reflecteren op zichzelf en stellen het belang van [minderjarige] voorop;

Het contact tussen [minderjarige] en de vader is hersteld en de vorm hiervan ervaart [minderjarige] als veilig, hierbij krijgt hij emotionele toestemming van de moeder. De ouders communiceren op een manier die geen stress en loyaliteitsproblemen bij [minderjarige] geeft. [minderjarige] ervaart niet dat hij partij voor een ouder dient te kiezen;

Het contact tussen [minderjarige] en zijn half-broers is (deels) hersteld, voor zover dit haalbaar is. [minderjarige] heeft hierover passende uitleg gekregen en het lukt hem zijn emoties hierover te delen;

[minderjarige] en de ouders verwerken hun ingrijpende levensgebeurtenissen;

De vader heeft geleerd beter zijn emoties te reguleren en vertoont geen dreigend gedrag meer naar de moeder en ook naar betrokken hulpverlening ontstaan er niet langer situaties waarbij de ander zich onveilig voelt;

De draagkracht/draaglast van de moeder is in balans;

Er is zicht ontstaan op de interactie tussen [minderjarige] en de vader;

De ouders blijven zich begeleidbaar opstellen en houden zich aan de gemaakte afspraken.

5.7.. De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

6. De beslissing

De kinderrechter:

6.1.. stelt [minderjarige] onder toezicht van Stichting Leger des Heils Jeugdbescherming & Reclassering met ingang van 21 mei 2026 tot 21 mei 2027;6.2.. verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beschikking is gegeven door mr. Borm, kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 21 mei 2026, in aanwezigheid van mr. Den Boer, griffier.

Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:

degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;

andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Artikel 1:255 BW.

Meer Beslissingen