ECLI:NL:RBZWB:2026:5452
Samenvatting
Civiel recht; Personen- en familierecht
Uitspraak
Breda
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Breda
Zaaknummer: C/02/447531 / JE RK 26-716
Datum uitspraak: 21 mei 2026
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling
in de zaak van
de gecertificeerde instelling
Stichting Jeugdbescherming Brabant,
gevestigd te Etten-Leur,
hierna te noemen de GI,
over
[minderjarige 1], geboren op [geboortedag 1] 2010 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen [minderjarige 1] ,
[minderjarige 2], geboren op [geboortedag 2] 2012 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen [minderjarige 2] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder],
hierna te noemen de moeder,
wonende in [woonplaats 1] ,
advocaat mr. W.F. Wienen uit Almere,
[de vader],
hierna te noemen de vader,
wonende in [woonplaats 2] .
1. Het verloop van de procedure
1.1..
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 23 april 2026.
1.2.. De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 8 mei 2026. Daarbij waren aanwezig:
de vader;
de moeder met haar advocaat;
een vertegenwoordiger van de GI.
1.3.. De kinderrechter heeft [minderjarige 1] en [minderjarige 2] naar hun mening gevraagd. Zij hebben geen mening gegeven.
1.4.. Deze procedure hangt nauw samen met de zaak van GI over de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken met het kenmerk C/02/444905 JE RK 26-230. Daarom heeft de kinderrechter de zaken tegelijk mondeling behandeld. De beslissing in de andere zaak staat in een aparte beschikking.
2. De feiten
2.1.. De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .
2.2..
[minderjarige 1] en [minderjarige 2] wonen bij hun moeder.
2.3.. De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 21 mei 2025 de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] verlengd tot 23 mei 2026.
3. Het verzoek
3.1.. De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] te verlengen voor de duur van zes maanden en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
4. De standpunten
4.1.. De GI heeft ter toelichting op het verzoek aangegeven dat er nog steeds aanhoudende zorgen zijn over de samenwerking en communicatie tussen de ouders en de gevolgen hiervan voor het welzijn en de ontwikkeling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . In het kader van de ondertoezichtstelling is geprobeerd te werken aan het creëren van rust, duidelijkheid en stabiliteit. De focus heeft gelegen op het verbeteren van de samenwerking en de communicatie tussen de ouders en op het maken van duidelijke, werkbare afspraken over de zorg- en opvoedingstaken. Er zijn stappen gezet, maar de situatie is nog altijd kwetsbaar en de doelen van de ondertoezichtstelling zijn niet bereikt. Het is de ouders met behulp van langdurige en intensieve begeleiding door [psychologenpraktijk] niet gelukt om te komen tot een gedragen ouderschapsplan. De ouders blijven verdeeld over de haal- en brengtijden en de zomervakantie. Hierdoor ontbreekt tot op heden een vastgesteld en actueel ouderschapsplan en er blijven terugkerende discussies ontstaan over de contactregeling. De GI hoopt dat met een beslissing over de vakantie en de haal- en brengtijden er rust zal ontstaan en dat de spanningen rondom de zorgregeling zullen afnemen. Ondanks dat de GI de ouders herhaaldelijk heeft gewezen op hun verantwoordelijkheid als ouders, lukt het hen niet om hun ouderschap zodanig vorm te geven zonder [minderjarige 1] en [minderjarige 2] te belasten. Door het voortduren van de situatie is er sprake van een voortdurende ontwikkelingsbedreiging in emotionele zin. De GI had verwacht dat met het indienen van het verzoek met betrekking tot de zorgregeling meer rust zou ontstaan, maar vervolgens ontstaat er weer onrust en willen de ouders weer procedures opstarten bij de rechtbank. De GI vreest dat dit de realiteit is waarin [minderjarige 1] en [minderjarige 2] moeten opgroeien en dat deze situatie niet zal veranderen. Er zijn momenten dat het goed gaat, maar deze perioden worden afgewisseld met spanningen, gebrekkige afstemming door de ouders en onvoldoende eigenaarschap van de ouders. De GI hoopt dat dit met een duidelijke zorgregeling minder wordt. De GI acht een verlenging van de ondertoezichtstelling noodzakelijk om toezicht te houden op de situatie, ouders te blijven begeleiden en te begrenzen waar nodig, en om de uitkomst van de lopende procedures bij de rechtbank te kunnen implementeren en te monitoren. Zonder verlenging van de ondertoezichtstelling bestaat het risico dat de spanningen verder toenemen, afspraken verder onder druk komen te staan en [minderjarige 1] en [minderjarige 2] opnieuw klem komen te zitten tussen hun ouders, met negatieve gevolgen voor hun emotionele ontwikkeling. Anderzijds is door de GI ook tijdens de mondelinge behandeling aangegeven dat door de ondertoezichtstelling aan de ouders een platform wordt gegeven om over elkaar te blijven praten. Als de ouders hun houding niet kunnen veranderen na alle intensieve hulpverlening die al is ingezet, is het ook de vraag of de doelen van de ondertoezichtstelling wel behaald kunnen worden.
4.2.. De vader heeft aangegeven in te kunnen stemmen met een verlenging van de ondertoezichtstelling. Wel wil hij dat twee andere jeugdbeschermers worden aangesteld en deze aan waarheidsvinding zullen gaan doen. De huidige jeugdbeschermers zijn volgens hem niet consequent en handelen niet correct.
4.3.. De moeder heeft aangegeven dat het goed gaat met [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . Zij vindt dat het een scheef beeld geeft naar de kinderen als de ondertoezichtstelling wordt verlengd als de zorgregeling nog niet is geregeld. De moeder is van mening dat het traject met de GI sneller had kunnen verlopen. Ook heeft de GI niet doorgepakt op onderwerpen die er toe doen. De GI heeft met name gestuurd op het vaststellen van een regeling en praktische zaken en is niet gericht geweest op verbetering van de communicatie. De onderliggende oorzaak van de problemen is dan ook onvoldoende aangepakt. De moeder vraagt zich af of de doelen te behalen zijn in komende zes maanden.
5. De beoordeling
5.1.. De kinderrechter kan op grond van artikel 1:260 eerste lid van het Burgerlijk Wetboek (BW) de duur van de ondertoezichtstelling telkens verlengen met ten hoogste een jaar, als aan de grond van de ondertoezichtstelling (zoals beschreven in artikel 1:255 eerste lid BW) is voldaan.
5.2.. De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een verlenging van de ondertoezichtstelling is voldaan. De kinderrechter overweegt dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] nog steeds opgroeien tussen hun ouders die niet in staat zijn om met elkaar op ouderniveau te communiceren en afspraken met elkaar te maken die door hen beiden gedragen worden. De kinderrechter acht het zorgelijk dat de beide ouders de strijd met elkaar blijven aangaan waardoor zij beiden voorbij gaan aan de belangen van hun kinderen. De kinderrechter heeft een beslissing genomen over de zorgregeling (C/02/444905 JE RK 26-230). Een ondertoezichtstelling is nodig om te monitoren op welke wijze uitvoering wordt gegeven aan deze zorgregeling. De kinderrechter hoopt dat er meer rust komt en dat de GI mogelijk kan werken naar een afronding van de ondertoezichtstelling. Het is daarbij wel van belang dat de ouders stoppen met het elkaar bestoken van procedures om hun eigen gelijk te halen. Het is voor de kinderen van belang dat er rust en duidelijkheid komt en dat zij een goed contact kunnen behouden met hun beide ouders.
5.3.. De ondertoezichtstelling is daarom nog steeds nodig. De kinderrechter verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] voor de duur van zes maanden.
5.4.. De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
6. De beslissing
De kinderrechter:
6.1.. verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] van 23 mei 2026 tot 23 november 2026;6.2.. verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is gegeven door mr. Maandag, kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 21 mei 2026 in aanwezigheid van Boink als griffier.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.