ECLI:NL:RBZWB:2026:5578
Samenvatting
Bestuursrecht; Belastingrecht
Uitspraak
Breda
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Belastingrecht
zaaknummer: BRE 26/76
uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 26 juni 2026 in de zaak tussen
[belanghebbende] , uit [woonplaats] , belanghebbende
(gemachtigde: [gemachtigde] ),
en
de heffingsambtenaar van de gemeente Tilburg, de heffingsambtenaar.
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het verzoek van belanghebbende om een veroordeling van de heffingsambtenaar in de proceskosten. Belanghebbende heeft dit verzoek gedaan bij de intrekking van zijn beroep tegen het besluit van de heffingsambtenaar van 30 december 2025. Hij heeft het beroep ingetrokken omdat de heffingsambtenaar de naheffingsaanslag parkeerbelasting heeft vernietigd.
1.1.. De rechtbank heeft de heffingsambtenaar in de gelegenheid gesteld te reageren op het verzoek om veroordeling in de proceskosten. De heffingsambtenaar heeft hierop niet gereageerd.
1.2.. De rechtbank doet zonder zitting uitspraak op het verzoek om proceskostenveroordeling.
Beoordeling door de rechtbank
2. De rechtbank wijst het verzoek om proceskostenveroordeling toe. Zij legt hierna uit hoe zij tot dit oordeel komt.
Wanneer wordt een bestuursorgaan in de proceskosten veroordeeld?
3. Als een beroep wordt ingetrokken omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, kan de bestuursrechter op verzoek van de indiener dat bestuursorgaan bij afzonderlijke uitspraak veroordelen in de proceskosten.
Is de heffingsambtenaar aan belanghebbende tegemoetgekomen?
4. De rechtbank moet dus beoordelen of de heffingsambtenaar geheel of gedeeltelijk aan belanghebbende is tegemoetgekomen.
4.1.. Bij brief met dagtekening van 5 januari 2026 heeft belanghebbende beroep ingesteld tegen het bestreden besluit waarin het bezwaar van belanghebbende ongegrond is verklaard. De heffingsambtenaar heeft op 2 februari 2026 laten weten dat de naheffingsaanslag parkeerbelasting is vernietigd. Hiermee is de heffingsambtenaar tegemoetgekomen aan het beroep van belanghebbende.
Welk bedrag aan proceskosten moet de heffingsambtenaar aan belanghebbende vergoeden?
5. De rechtbank wijst het verzoek als kennelijk gegrond toe. Belanghebbende krijgt een vergoeding van zijn proceskosten. De heffingsambtenaar moet deze vergoeding betalen. Ten aanzien van de proceskostenvergoeding ziet de rechtbank zich voor de vraag gesteld welke kosten belanghebbende bepleit. Belanghebbende verzoekt om een vergoeding van de kosten van een door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.5.1.. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt belanghebbende een vast bedrag per procesbehandeling. Belanghebbende heeft recht op 1 procespunt voor het indienen van een beroepschrift, met een waarde van € 934,-. Aangezien het gaat om een parkeerbelastingzaak, is sprake van een lichte wegingsfactor (een wegingsfactor van 0,5).De vergoeding bedraagt in het onderhavige geval dus € 467,-. Daarnaast heeft belanghebbende recht op een kostenvergoeding voor de bezwaarfase van € 333,- (1 procespunt voor het indienen van het bezwaarschrift met een waarde per punt van € 666,- en een wegingsfactor van 0,5). Belanghebbende heeft niet onderbouwd dat overige kosten zijn gemaakt die voor vergoeding in aanmerking komen. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 800.
Krijgt belanghebbende een vergoeding van het griffierecht?
6. De rechtbank wijst erop dat de heffingsambtenaar verplicht is het door belanghebbende betaalde griffierecht van € 54,- te vergoeden.Belanghebbende moet zich hiervoor dan ook tot de heffingsambtenaar wenden.
Beslissing
De rechtbank veroordeelt de heffingsambtenaar tot betaling van € 800,- aan proceskosten aan belanghebbende.
Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. S.J. Willems-Ruesink, rechter, in aanwezigheid van
R.P.A.G. Dekkers, griffier, op 26 juni 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.
Informatie over verzet
Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.
Met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, in samenhang met artikel 8:75a, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Dit volgt uit artikel 8:75a van de Awb en is nader uitgewerkt in het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb).
Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 11 november 2021, ECLI:NL:GHSHE:2021:3315
Dit volgt uit artikel 8:41, zevende lid, van de Awb.