ECLI:NL:RBZWB:2026:5744
Samenvatting
Strafrecht
Uitspraak
Breda
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Team strafrecht
Zittingsplaats Breda
zaaknummer.: 11602138 \ MB VERZ 25-477
CJIB-nummer: [CJIB-nummer]
uitspraakdatum: 9 juni 2026
proces-verbaal van de zitting en uitspraak op een beroep op grond van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv)
in de zaak van
naam : [betrokkene]
adres : [adres]
woonplaats : [woonplaats]
hierna: betrokkene
gemachtigde : [gemachtigde] (Verbo Juridisch Advies)
Verloop van de procedure
Aan betrokkene is een administratieve sanctie (hierna: boete) opgelegd. Betrokkene heeft daartegen beroep ingesteld bij de officier van justitie. De officier van justitie heeft het beroep ongegrond verklaard. Tegen die beslissing is door betrokkene beroep ingesteld bij de kantonrechter.
De zaak is behandeld op de zitting van 9 juni 2026. Namens de officier van justitie is verschenen mr. W. Geijlvoet (hierna: zittingsvertegenwoordiger). Gemachtigde en betrokkene zijn niet verschenen. De kantonrechter heeft op de zitting uitspraak gedaan.
Standpunten
De gedraging waarvoor de boete is opgelegd luidt, kort omschreven: 11 km per uur harder rijden dan mag op een autosnelweg buiten de bebouwde kom (verkeersbord A1) op de A59 (rechts) te Den Hout op 12 maart 2023 om 11:01 uur.
Gemachtigde heeft in het beroepschrift samengevat aangevoerd dat de hoorplicht is geschonden omdat het CVOM presteert te bellen op tijdstippen en data waarop gemachtigde niet aanwezig was, terwijl dit al vooraf was doorgegeven. Er is sprake van misbruik van het recht door keer op keer niet te voldoen aan mails en telefoontjes met betrekking tot het verzetten van de hoorzitting, ofwel het traineren van ondergetekende. Gemachtigde verzoekt om een proceskostenvergoeding.
De zittingsvertegenwoordiger heeft verzocht het beroep gedeeltelijk gegrond te verklaren en heeft daartoe het volgende aangevoerd. In de brief van de officier van justitie van 22 april 2024 met daarin de uitnodiging staat op welke wijze een hoorgesprek kan worden geannuleerd, namelijk per post of via het digitaal loket. Daarbij staat ook aangegeven op welke wijze dit niet kan en dat mails hierover niet worden beantwoord. Uit het hoorverslag blijkt dat er telefonisch contact is opgenomen met gemachtigde, maar dat hij geen gehoor gaf. Dat gemachtigde verhinderdata heeft doorgegeven zou niet moeten leiden tot een ander oordeel. De zittingsvertegenwoordiger verwijst hiervoor naar uitspraak ECLI:NL:GHARL:2026:1041. Gelet op het voorgaande is het beroep volgens de zittingsvertegenwoordiger inhoudelijk ongegrond, maar omdat de redelijke termijn is overschreden, is er aanleiding voor een matiging van 25%.
Overwegingen
Inhoudelijk
De kantonrechter is van oordeel dat uit de stukken in het dossier - met name uit de verklaring van de verbalisant - voldoende blijkt dat de gedraging waarvoor de boete is opgelegd, is verricht. Gemachtigde ontkent dit ook niet.
De boete is dus terecht opgelegd.
Schending hoorplicht
Gemachtigde stelt dat de hoorplicht is geschonden doordat het CVOM hem contacteert op data en tijdstippen waarop gemachtigde verhinderd is.
De kantonrechter is van oordeel dat de gemachtigde voldoende in de gelegenheid is gesteld om te worden gehoord. Met verwijzing naar het arrest van het Hof van 23 februari 2026 (ECLI:NL:GHARL:2026:1041) is de kantonrechter van oordeel dat geen sprake is van een schending van de hoorplicht in het geval dat een gemachtigde zich niet houdt aan de aangegeven wijze om het hoorgesprek af te zeggen, dan wel te verplaatsen. Nu vaststaat dat gemachtigde niet op de door het CVOM aangegeven wijze heeft gevraagd om de afspraak te verplaatsen, komt het voor eigen rekening van gemachtigde dat hij hieraan geen gehoor heeft gegeven.
Overschrijding redelijke termijn
Iedereen heeft recht op behandeling van zijn rechtszaak binnen een redelijke termijn (artikel 6, lid 1 van het EVRM). Volgens vaste rechtspraak van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (ECLI:GHARL:2017:1777) is sprake van schending van die redelijke termijn van berechting wanneer de procedure bij de officier van justitie en de kantonrechter samen langer dan twee jaar heeft geduurd. Deze termijn vangt aan bij het opleggen van de boete.
In dit geval is de redelijke termijn overschreden.
Omdat sprake is van een overschrijding zal de kantonrechter de boete matigen met 25% (zie ECLI:NL:GHARL:2023:6369). Het beroep is dus gedeeltelijk gegrond. De beslissing van de officier van justitie zal worden gewijzigd. Het bedrag dat betrokkene te veel aan zekerheid heeft betaald moet door de officier van justitie worden terugbetaald.
Proceskostenvergoeding
Omdat de boete wordt gematigd is er aanleiding voor een proceskostenvergoeding. Daarbij gaat het alleen om de kosten in de fase waarin de redelijke termijn is overschreden, dus de kosten van het beroep bij de kantonrechter.
De beslissing van de officier van justitie op het administratief beroep is van na 31 december 2023. Daarom is de vermenigvuldigingsfactor 0,25 van artikel 13a, lid 2, Wahv van toepassing.
De proceskostenvergoeding is als volgt berekend:
beroepschrift 1 punt x gewicht 0,5 x € 934,- x 0,25 = € 116,75.
Beslissing
De kantonrechter:
‒ verklaart het beroep gedeeltelijk gegrond;
‒ wijzigt de beslissing van de officier van justitie in die zin dat de boete wordt gematigd tot € 74,25, plus € 9,- administratiekosten;
‒ draagt de officier van justitie op het bedrag van € 24,75, dat betrokkene te veel als zekerheidstelling heeft betaald, aan betrokkene terug te betalen;
‒ veroordeelt de officier van justitie tot het vergoeden van de proceskosten van betrokkene van € 116,75.
Deze uitspraak is gedaan door mr. K. Verschueren, kantonrechter, bijgestaan door de griffier E. Alekperov, en in het openbaar uitgesproken op 9 juni 2026.
De griffier is niet in de gelegenheid om de uitspraak mede te ondertekenen.
Tegen deze beslissing is geen hoger beroep mogelijk.
Datum verzending:
Hoge Raad 24 juni 2025, ECLI:NL:HR:2025:985.