Skip to main content

ECLI:NL:RBZWB:2026:5762

Rechtbank

Breda

Datum

3 June 2026

Taal

nl

Samenvatting

Rechtsvraag

Bestuursrecht

Uitspraak / Beslissing

Uitspraak

Breda

Procedure: UitspraakDomain: BestuursrechtType: uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Zittingsplaats Breda

Bestuursrecht

zaaknummer: BRE 25/6320
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 3 juni 2026 in de zaak tussenmr. [eiser] , uit [plaats] , eiser

en

de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, de minister.

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de beslissing op bezwaar van 3 november 2025 (bestreden besluit) waarin de minister het bezwaar van eiser ongegrond heeft verklaard. Het bezwaar was gericht tegen het besluit van 31 juli 2025 (primaire besluit) waarin de minister een beslissing heeft genomen op het verzoek van eiser op grond van de Wet open overheid (Woo). Eiser is het er niet mee eens dat zijn verzoek gedeeltelijk is afgewezen en gedeeltelijk niet in behandeling is genomen. Ook vindt hij dat de minister in strijd heeft gehandeld met procedurele beginselen. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de behandeling van het Woo-verzoek.

1.1.. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de minister het Woo-verzoek op goede gronden gedeeltelijk heeft afgewezen en gedeeltelijk niet in behandeling heeft genomen.Ook is niet gebleken dat de minister in strijd heeft gehandeld met procedurele beginselen. Eiser krijgt dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Op 11 juni 2025 heeft eiser een verzoek ingediend op grond van de Woo bij de minister. De minister heeft met het primaire besluit van 31 juli 2025 drie documenten gedeeltelijk openbaar gemaakt en heeft besloten het Woo-verzoek verder niet in behandeling te nemen. Met het bestreden besluit van 3 november 2025 heeft de minister het bezwaar ongegrond verklaard.

2.1.. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De minister heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.

2.2.. De rechtbank heeft het beroep op 22 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en namens de minister mr. J.W.T. Berg.

Beoordeling door de rechtbank

De feiten

3. Het Woo-verzoek van 11 juni 2025 strekt tot openbaarmaking van alle Woo-verzoeken die sinds de inwerkingtreding van de Woo op 1 mei 2022 zijn ingediend bij het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (BZK) of bij de minister, die hebben geleid tot een Woo-besluit waarbij documenten (gedeeltelijk) openbaar zijn gemaakt. Hierbij heeft eiser gevraagd om openbaarmaking van de volgende informatie:

Een overzicht van de Woo-verzoeken met datum van ontvangst en onderwerp.

De oorspronkelijke tekst van de Woo-verzoeken, zoals ingediend door de verzoekers.

De gelakte en geanonimiseerde versies van de Woo-verzoeken.

Interne beleidsnotities of instructies over het publiceren van Woo-verzoeken of Woo-besluiten.

Als laatste punt heeft eiser in zijn Woo-verzoek op het volgende gewezen:

5. Op de datum van zijn Woo-verzoek las eiser op de website ‘www.rijksoverheid.nl’ dat het digitale archief op filter Woo-besluit circa 6092 documenten zou bevatten en dat slechts 500 documenten zijn getoond.

3.1.. Met het primaire besluit heeft de minister besloten om onderdeel 1 van het Woo-verzoek niet in te willigen en geen overzicht openbaar te maken van de Woo-verzoeken met datum van ontvangst en onderwerp. De minister heeft onderdeel 4 van het verzoek wel ingewilligd en heeft drie interne documenten over het publiceren van Woo-verzoeken gedeeltelijk openbaar gemaakt. De minister heeft onderdelen 2, 3 en 5 van het Woo-verzoek niet in behandeling genomen omdat een duidelijke aangelegenheid ontbreekt. Tegen het primaire besluit heeft eiser bezwaar gemaakt.

3.2.. Op 12 september 2025 heeft een telefoongesprek plaatsgevonden tussen eiser en een vertegenwoordiger van de minister. De minister heeft dit telefoongesprek aangemerkt als (telefonische) hoorzitting zoals bedoeld in artikel 7:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

Het bestreden besluit

4. De minister heeft met het bestreden besluit het bezwaar ongegrond verklaard en het primaire besluit in stand gelaten. De minister stelt voorop dat hij van mening is dat met het telefoongesprek van 12 september 2025 is voldaan aan de hoorplicht van artikel 7:2 van de Awb, omdat eiser tijdens dit gesprek zijn bezwaargronden nader heeft kunnen toelichten en omdat antwoord is gegeven op zijn vragen. Over onderdeel 1 van het verzoek heeft de minister na een interne, mondelinge consultatie bij het betrokken onderdeel van het ministerie geconstateerd dat een overzicht van de Woo-verzoeken met datum van ontvangst en onderwerp niet bestaat. Over onderdelen 2 en 3 blijft de minister erbij dat eiser geen onderliggende aangelegenheid heeft gespecificeerd, maar alleen een doel heeft gesteld van zijn verzoek waardoor niet is voldaan aan artikel 4.1, vierde lid, van de Woo. Subsidiair stelt de minister dat de teksten van de Woo-verzoeken openbare informatie zijn. In de gepubliceerde beslissingen op deze verzoeken (de Woo-besluiten) is al een samenvatting van het verzoek opgenomen.

Toetsingskader

5. De wettelijke regels die van belang zijn voor deze zaak, staan in de bijlage bij deze uitspraak.

5.1.. Eenieder kan een verzoek om publieke informatie richten tot een bestuursorgaan of een onder verantwoordelijkheid van een bestuursorgaan werkzame instelling, dienst of bedrijf. In het laatste geval beslist het verantwoordelijke bestuursorgaan op het verzoek. Dit staat in artikel 4.1, eerste lid, van de Woo. Het vierde lid van dit artikel bepaalt dat de verzoeker bij zijn verzoek de aangelegenheid of het daarop betrekking hebbende document vermeldt, waarover hij informatie wenst te ontvangen.

5.2.. Het bestuursorgaan vervult zijn taak zonder vooringenomenheid. Dit staat in artikel 2:4 van de Awb. Uit het tweede lid van dit artikel volgt dat het bestuursorgaan ertegen waakt dat tot het bestuursorgaan behorende of daarvoor werkzame personen die een persoonlijk belang bij een besluit hebben, de besluitvorming beïnvloeden.

5.3.. Een bestuursorgaan stelt een belanghebbende in de gelegenheid om te worden gehoord voordat een beslissing op bezwaar wordt genomen. Alleen in de gevallen die zijn genoemd in art. 7:3 van de Awb kan worden afgezien van het horen. Dit betreft een limitatieve opsomming. Dit staat in artikel 7:2, eerste lid, van de Awb.

5.4.. Op grondslag van het bezwaar vindt een volledige heroverweging van het besluit plaats. Dit staat in artikel 7:11, eerste lid, van de Awb.

Omvang van het geschil

6. De rechtbank stelt vast dat de minister drie documenten gedeeltelijk openbaar heeft gemaakt (onderdeel 4 van het verzoek). Eiser heeft geen gronden aangevoerd over het weglakken van informatie in deze documenten. De rechtbank stelt ook vast dat eiser geen gronden heeft aangevoerd tegen het niet in behandeling nemen van onderdeel 5 van zijn verzoek. Het bestreden besluit voor zover dat ziet op de onderdelen 4 en 5, zal de rechtbank daarom niet bespreken. Ten slotte zijn partijen het eens dat de bij de minister ingediende originele Woo-verzoeken documenten zijn zoals bedoeld in artikel 2.1 van de Woo. Dit punt behoeft dus ook geen verdere bespreking.

6.1.. De beslissing van de minister op de onderdelen 1, 2 en 3 van het Woo-verzoek is wel in geschil. Partijen verschillen immers van mening over het bestaan van een overzicht van de Woo-verzoeken met datum van ontvangst en onderwerp (onderdeel 1). Partijen zijn het ook niet eens over het al dan niet ontbreken van een aangelegenheid bij het Woo-verzoek en over de vraag of de originele Woo-verzoeken openbare informatie betreffen. Eiser vindt dat de minister niet had mogen bepalen dat onderdelen 2 en 3 om deze redenen niet in behandeling zijn genomen. Deze punten zal de rechtbank hieronder bespreken.

Heeft de minister een onafhankelijke heroverweging uitgevoerd?

7. Eiser voert aan dat geen sprake is geweest van een onafhankelijke integrale heroverweging en dat de minister in strijd heeft gehandeld met de hoorplicht door hem niet te horen. Daarom heeft de minister in strijd gehandeld met de artikelen 7:3 en 7:11 van de Awb.De minister heeft het telefoongesprek met de behandelaar van het bezwaar achteraf ten onrechte als hoorzitting bestempeld. Dit gesprek had alleen een procedureel karakter en er was geen ruimte om over de inhoud te praten of om invloed uit te oefenen op de besluitvorming. Ook wordt in het verslag van het telefoongesprek ten onrechte gesuggereerd dat dit gesprek was gevoerd met de Directeur-Generaal of de minister zelf. De behandelaar van het bezwaar was bovendien niet onafhankelijk omdat hij betrokken is geweest bij de totstandkoming van de Rijksbrede instructie voor het behandelen van Woo-verzoeken én bij andere beroepen en hoger beroepen van eiser. Het is echter onverenigbaar met artikel 2:4, van de Awb dat dezelfde functionaris optreedt als interne verdediger van het standpunt van de minister en later als bezwaarbehandelaar in deze zaak.

8. De rechtbank is van oordeel dat niet is gebleken dat het bestreden besluit tot stand is gekomen met vooringenomen of partijdig handelen. Dus is niet gebleken dat de minister heeft gehandeld in strijd met artikel 2:4, 7:3 en 7:11, van de Awb.

8.1..

Anders dan eiser stelt, mocht de minister naar het oordeel van de rechtbank het telefoongesprek van 12 september 2025 in de eerste plaats wel aanmerken als hoorgesprek en heeft de minister hiermee voldaan aan de hoorplicht van artikel 7:2, van de Awb. In het dossier zit een e-mail van de behandelend ambtenaar aan eiser waarin een samenvatting staat van het telefoongesprek. Aan het begin van de e-mail staat dat de primaire inzet van het gesprek was om te bezien of een andere hoorzitting noodzakelijk was. In deze mail staat daarna echter ook dat eiser tijdens het telefoongesprek zijn bezwaargronden heeft kunnen toelichten en dat ruimte was gegeven voor het stellen van vragen. Uit de samenvatting blijkt dat eiser het doel van zijn Woo-verzoek heeft toegelicht.

Eiser heeft de inhoud van deze samenvatting van het gesprek niet betwist en dus heeft de rechtbank geen reden om aan de inhoud van die samenvatting te twijfelen. Daarom staat vast dat eiser de gelegenheid heeft gekregen om zijn bezwaar inhoudelijk toe te lichten en dat (ook) over de inhoud is gesproken. Het verslag spreekt de stelling van eiser dat het gesprek uitsluitend zag op een formele afhandeling zonder enige ruimte voor een inhoudelijke bespreking of wezenlijke beïnvloeding van de uitkomst van de beslissing op bezwaar, dus tegen.

8.2..

De rechtbank ziet ten tweede geen aanleiding voor het oordeel dat de minister bij het nemen van het bestreden besluit zijn taak vooringenomen zou hebben verricht in strijd met artikel 2:4, eerste lid, van de Awb. Het bestuursorgaan waakt op basis van het tweede lid ertegen dat tot het bestuursorgaan behorende of daarvoor werkzame personen die een persoonlijk belang bij een besluit hebben, de besluitvorming beïnvloeden. Daartoe wordt, niet aan de in de bepaling bedoelde personen individueel, maar aan het tot besluiten bevoegd bestuursorgaan, een zorgplicht opgelegd. Die zorgplicht houdt in elk geval in dat door het orgaan wordt voorkomen dat de besluitvorming niet meer voldoet aan de in het eerste lid neergelegde norm. Met het begrip "persoonlijk" is blijkens de wetsgeschiedenis van artikel 2:4 van de Awb gedoeld op ieder belang dat niet behoort tot de belangen die het bestuursorgaan uit hoofde van de hem opgedragen taak behoort te behartigen.

De rechtbank is van oordeel dat een persoonlijk belang bij de uitkomst van een beslissing op bezwaar tegen een Woo-besluit, niet zonder meer volgt uit de enkele omstandigheid dat de behandelaar van dat bezwaar betrokken zou zijn geweest bij de totstandkoming van de Rijksbrede instructie voor het behandelen van Woo-verzoeken. Ook het betoog dat de behandelaar van het bestreden besluit (in beroep) betrokken is geweest bij andere procedures over Woo-verzoeken van eiser, kan niet zonder meer leiden tot het oordeel dat sprake is van een persoonlijk belang of vooringenomenheid. De Awb verzet zich er immers niet tegen dat binnen één procedure een primair besluit of een beslissing op bezwaar door dezelfde ambtenaar zijn voorbereid en dat hij het bestuursorgaan tijdens een zitting bij de bestuursrechter heeft vertegenwoordigd.Datzelfde moet ook gelden voor het optreden in verschillende fases in aparte procedures. De rechtbank stelt vast dat eiser geen (andere) omstandigheden heeft aangevoerd waaruit zou volgen dat sprake is van vooringenomen handelen. Nu de rechtbank van oordeel is dat de minister niet in strijd heeft gehandeld met artikel 2:4, van de Awb, slaagt ook het betoog dat de minister in strijd zou hebben gehandeld met artikel 7:3 en 7:11 van de Awb door geen onafhankelijke hoorzitting te houden, niet.

Is de stelling geloofwaardig dat een overzicht van Woo-verzoeken niet bestaat?

9. Eiser stelt dat de minister geen enkel onderzoek heeft gedaan naar het bestaan van de het gevraagde overzicht bij onderdeel 1 van zijn verzoek. De minister heeft namelijk niet toegelicht in welke systemen zijn gezocht en met welke zoekslag. Daardoor heeft de minister niet aannemelijk gemaakt dat het overzicht van de Woo-verzoeken met datum van ontvangst en onderwerp niet zou bestaan.

10. De rechtbank is van oordeel dat de verklaring van de minister dat een overzicht van de Woo-verzoeken met datum van ontvangst en onderwerp niet bij hem berust, niet ongeloofwaardig is. Het is vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) dat wanneer een bestuursorgaan stelt dat na onderzoek is gebleken dat een bepaald document niet of niet meer onder hem berust en een dergelijke mededeling niet ongeloofwaardig voorkomt, het in beginsel aan degene is die om informatie verzoekt om aannemelijk te maken dat, in tegenstelling tot de uitkomsten van het onderzoek door het bestuursorgaan, dat document toch onder het bestuursorgaan berust.Een bestuursorgaan dient zijn mededeling te onderbouwen door inzichtelijk te maken op welke wijze is gezocht naar gevraagde documenten.

10.1.. De rechtbank stelt op basis van de stukken allereerst vast dat de stelling van eiser onjuist is dat de minister geen enkel onderzoek heeft gedaan naar het bestaan van een overzicht van de Woo-verzoeken met datum van ontvangst en onderwerp. De minister heeft immers toegelicht dat is gezocht in het digitale archiefsysteem en dat een mondelinge consultatie heeft plaatsgevonden bij het betrokken onderdeel van het ministerie. Gelet op deze motivering komt de mededeling van de minister niet ongeloofwaardig over dat het overzicht van de Woo-verzoeken met datum van ontvangst en onderwerp niet bestaat. Het is daarom aan eiser om aannemelijk te maken dat dit overzicht wel zou bestaan. Daar is eiser niet in geslaagd. Eiser betoogt dat een overzicht van de Woo-verzoeken met datum van ontvangst en onderwerp zou moeten bestaan, omdat een overzicht van de Woo-besluiten die op deze verzoeken zijn genomen wel bestaat. Bovendien beschikt de minister over een intern registratiesysteem en door de metadata van deze registraties samen te nemen, is sprake van een overzicht. De rechtbank volgt dit betoog van eiser niet. De rechtbank begrijpt het betoog van eiser aldus dat eiser met ‘overzicht van de Woo-besluiten die op deze Woo-verzoeken zijn genomen’, doelt op de website van de rijksoverheid waar Woo-besluiten worden gepubliceerd. Dit is een openbaar archiefsysteem van gepubliceerde Woo-besluiten. Een soortgelijk openbaar archief specifiek voor de Woo-verzoeken die binnen zijn gekomen bij het ministerie van BZK, bestaat echter niet. Dat Woo-verzoeken worden geregistreerd en opgeslagen in het interne archiefsysteem van het ministerie, leidt niet tot de conclusie dat daardoor automatisch een totaaloverzicht wordt gegenereerd van alle Woo-verzoeken. Ten slotte is de minister op grond van de Woo niet verplicht om een overzicht de produceren.

Mocht de minister het verzoek om Woo-verzoeken te publiceren buiten behandeling laten?

11. Eiser is het er niet mee eens dat de minister zijn verzoek om de originele Woo-verzoeken (gedeeltelijk) openbaar de maken, niet in behandeling te nemen.Zijn Woo-verzoek heeft namelijk wel een onderliggende aangelegenheid. Die aangelegenheid is het bestaan van de originele Woo-verzoeken en de verplichting om die documenten te lokaliseren en te beoordelen. Het verzoek is concreet omdat het ziet op Woo-verzoeken die hebben geleid tot een Woo-besluit in een begrensde periode. Deze context blijkt voldoende duidelijk uit de tekst van het Woo-verzoek, maar de minister heeft essentiële passages weggelaten die de inhoud, strekking en wettelijke relevantie van het verzoek bepalen. Juist uit die passages blijkt dat wel sprake is van een aangelegenheid. Op grond van artikel 4.1, vierde lid van de Woo had de minister feitelijk onderzoek moeten uitvoeren als hij had gevonden dat het verzoek onvoldoende specifiek was. Ten slotte maken andere ministeries de originele Woo-verzoeken wel bekend. Daardoor is sprake van ongelijke behandeling en strijd met de rechtszekerheid.

12. De rechtbank is van oordeel dat de minister het verzoek om openbaarmaking van alle Woo-verzoeken buiten behandeling heeft mogen laten omdat dit verzoek niet is gericht op een aangelegenheid zoals bedoeld in de Woo. Wel is sprake van een zorgvuldigheidsgebrek, omdat uit de stukken niet blijkt dat de minister na ontvangst van het Woo-verzoek bij eiser heeft nagevraagd om de aangelegenheid te specificeren zoals bedoeld in artikel 4.1, vijfde lid, van de Woo. Uit de stukken blijkt dat de minister pas tijdens de bezwaarprocedure heeft gevraagd om de aangelegenheid van het verzoek te specificeren. Hoewel de minister hiermee dus te laat was en daardoor onzorgvuldig heeft gehandeld, heeft hij deze gelegenheid uiteindelijk wel geboden. Dit betekent dat het zorgvuldigheidsgebrek tijdens de primaire fase is hersteld met het bestreden besluit waardoor dit gebrek kan worden gepasseerd met toepassing van artikel 6:22, van de Awb omdat eiser hierdoor niet is benadeeld.

12.1..

In een uitspraak van 26 november 2025 heeft de ABRvS uitgesproken dat de verzoeker bij zijn verzoek het daarop betrekking hebbend document of de daarop betrekking hebbende documenten moet vermelden en de aangelegenheid waarover het verzoek gaat duidelijk moet zijn, op grond artikel 4.1, vierde lid, van de Woo.Dat betekent dat als de verzoeker bij zijn verzoek de betreffende aangelegenheid niet noemt, hij bij zijn verzoek alleen kan volstaan met het noemen van een specifiek document als uit het verzoek of de naam of inhoud van dat document duidelijk blijkt welk document wordt bedoeld en daaruit ook al zelf de aangelegenheid blijkt waarover het verzoek gaat. Als dat niet het geval is en het specifiek genoemde document bijvoorbeeld over meerdere aangelegenheden gaat, mag van verzoeker worden verwacht dat hij of zij desgevraagd te kennen geeft over welke aangelegenheid hij of zij wenst dat informatie openbaar wordt gemaakt.

Om te kunnen spreken van een aangelegenheid is het nodig de rol of het optreden van de overheid in het kader van een gebeurtenis, casus, kwestie, voorval of op z’n minst een situatie van overheidshandelen als zodanig te noemen.De rechtbank stelt vast dat eiser heeft gevraagd om openbaarmaking van alle originele Woo-verzoeken die sinds de inwerkingtreding van de Woo op 1 mei 2022 zijn ingediend bij het ministerie van BZK of bij de minister, die hebben geleid tot een Woo-besluit waarbij documenten (gedeeltelijk) openbaar zijn gemaakt. Daarmee heeft hij een begrenzing gegeven van de periode, het verantwoordelijke bestuursorgaan en de categorie van informatie. Deze begrenzing maakt naar oordeel van de rechtbank echter niet dat sprake is van een specifieke aangelegenheid, omdat eiser daarmee geen onderwerp of kwestie genoemd heeft waar zijn verzoek over gaat. Hij heeft dus geen aangelegenheid genoemd zoals bedoeld in artikel 4.1, vierde lid van de Woo want zijn verzoek raakt een onbegrensd aantal onderwerpen.

De stelling van eiser dat de aangelegenheid moet worden bezien in het verlengde van het doel van zijn Woo-verzoek, maakt het oordeel niet anders. Dat doel is het verifiëren van het bestaan van de originele Woo-verzoeken en het controleren van de verplichting om die documenten te lokaliseren en te beoordelen. Uit het doel blijkt geen aangelegenheid. Bovendien hoeft een verzoeker voor zijn Woo-verzoek geen belang te stellen. Het betoog slaagt dus niet. De stelling van eiser dat andere ministeries wel de originele Woo-verzoeken openbaar maken, betekent ook nog niet dat sprake is van strijd met het gelijkheidsbeginsel of het rechtszekerheidsbeginsel. Dat zou namelijk dan gaan om andere bestuursorganen en zij hebben de discretionaire bevoegdheid om andere keuzes te maken.

Ten slotte is naar oordeel van de rechtbank ook niet gebleken dat de minister essentiële passages zou hebben weggelaten waaruit de aangelegenheid zou blijken. De minister heeft gelet op de tekst van het primaire besluit juist de kern van het verzoek letterlijk overgenomen. Dit heeft de minister als basis genomen voor de behandeling. De rechtbank leest in de overige tekst van het verzoek ook geen casus, kwestie, voorval of specifiek onderwerp.

13. Omdat de rechtbank tot de conclusie komt dat de minister het verzoek om openbaarmaking van alle Woo-verzoeken buiten de reikwijdte heeft mogen laten vanwege het ontbreken van een aangelegenheid, komt de rechtbank niet meer aan de vraag toe of sprake is van reeds openbare informatie.

Conclusie en gevolgen

14. Het beroep is ongegrond. Omdat de rechtbank het onder overweging 12 geconstateerde gebrek heeft gepasseerd met toepassing van artikel 6:22, van de Awb, moet het college het griffierecht aan eiser vergoeden. Eiser heeft geen proceskosten gemaakt die voor vergoeding in aanmerking komen.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.G.J.M. de Weert, rechter, in aanwezigheid van mr. T.A. de Kraker, griffier op 3 juni 2026 en openbaar gemaakt door geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

Griffier

rechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving

Algemene wet bestuursrecht

Artikel 2:4

Het bestuursorgaan vervult zijn taak zonder vooringenomenheid.

Het bestuursorgaan waakt ertegen dat tot het bestuursorgaan behorende of daarvoor werkzame personen die een persoonlijk belang bij een besluit hebben, de besluitvorming beïnvloeden.

Artikel 7:2

Voordat een bestuursorgaan op het bezwaar beslist, stelt het belanghebbenden in de gelegenheid te worden gehoord.

Het bestuursorgaan stelt daarvan in ieder geval de indiener van het bezwaarschrift op de hoogte alsmede de belanghebbenden die bij de voorbereiding van het besluit hun zienswijze naar voren hebben gebracht.

Artikel 7:11

Indien het bezwaar ontvankelijk is, vindt op grondslag daarvan een heroverweging van het bestreden besluit plaats.

Voor zover de heroverweging daartoe aanleiding geeft, herroept het bestuursorgaan het bestreden besluit en neemt het voor zover nodig in de plaats daarvan een nieuw besluit.

Wet open overheid

Artikel 2.1

In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

document: een door een orgaan, persoon of college als bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, opgemaakt of ontvangen schriftelijk stuk of ander geheel van vastgelegde gegevens dat naar zijn aard verband houdt met de publieke taak van dat orgaan, die persoon of dat college;

[…]

Artikel 2.4, derde lid

Indien een bestuursorgaan overeenkomstig deze wet informatie openbaar maakt, geschiedt dat op zodanige wijze dat de belanghebbende en belangstellende burger zoveel mogelijk wordt bereikt en op de volgende algemeen toegankelijke wijze:

in een voor hergebruik beschikbare vorm die voldoet aan de voorwaarden van de Wet hergebruik van overheidsinformatie;

of, indien verstrekking in een machinaal leesbaar open formaat redelijkerwijs niet gevergd kan worden, in andere elektronisch doorzoekbare vorm;

of, indien elektronische verschaffing redelijkerwijs niet gevergd kan worden, door verstrekking van een kopie van de letterlijke inhoud ervan in andere vorm te verstrekken;

of, indien verstrekking van een kopie of de letterlijke inhoud redelijkerwijs niet gevergd kan worden, door een uittreksel of een samenvatting van de inhoud te geven, inlichtingen daaruit te verschaffen of door terinzagelegging.

Artikel 3.1, eerste lid

Het bestuursorgaan dat het rechtstreeks aangaat, maakt bij de uitvoering van zijn taak uit eigen beweging de bij het bestuursorgaan berustende informatie neergelegd in documenten voor eenieder openbaar, indien dit zonder onevenredige inspanning of kosten redelijkerwijs mogelijk is, behoudens voor zover de artikelen 5.1, eerste, tweede en vijfde lid, en 5.2 aan openbaarmaking in de weg staan of met de openbaarmaking geen redelijk belang wordt gediend. Deze informatie betreft in ieder geval informatie over het beleid, inclusief de voorbereiding, uitvoering, naleving, handhaving en evaluatie.

Artikel 3.3

Een bestuursorgaan maakt in ieder geval uit eigen beweging openbaar:

wetten en andere algemeen verbindende voorschriften;

overige besluiten van algemene strekking;

[Red: dit onderdeel is nog niet in werking getreden;]

inzicht in zijn organisatie en werkwijze, waaronder de taken en bevoegdheden van de organisatieonderdelen;

de bereikbaarheid van het bestuursorgaan en zijn organisatieonderdelen en de wijze waarop een verzoek om informatie kan worden ingediend.

Behoudens voor zover de artikelen 5.1, eerste, tweede en vijfde lid, en 5.2 daaraan in de weg staan, maakt het bestuursorgaan voorts uit eigen beweging openbaar:

[Red: dit onderdeel is nog niet in werking getreden;]

vergaderstukken en verslagen van de Kamers en de verenigde vergadering der Staten-Generaal en hun commissies, tenzij deze betrekking hebben op door de regering vertrouwelijk aan de Staten-Generaal verstrekte informatie;

[Red: dit onderdeel is nog niet in werking getreden;]

[…]

[Red: dit onderdeel is nog niet in werking getreden.]Artikel 4.1

Eenieder kan een verzoek om publieke informatie richten tot een bestuursorgaan of een onder verantwoordelijkheid van een bestuursorgaan werkzame instelling, dienst of bedrijf. In het laatste geval beslist het verantwoordelijke bestuursorgaan op het verzoek.

Een verzoek kan mondeling of schriftelijk worden ingediend en kan elektronisch worden verzonden op de door het bestuursorgaan aangegeven wijze.

De verzoeker behoeft bij zijn verzoek geen belang te stellen.

De verzoeker vermeldt bij zijn verzoek de aangelegenheid of het daarop betrekking hebbende document, waarover hij informatie wenst te ontvangen.

Indien een verzoek te algemeen geformuleerd is, verzoekt het bestuursorgaan binnen twee weken na ontvangst van het verzoek de verzoeker om het verzoek te preciseren en is het de verzoeker daarbij behulpzaam.

Het bestuursorgaan kan besluiten een verzoek niet te behandelen, indien de verzoeker niet meewerkt aan een verzoek tot precisering als bedoeld het vijfde lid. In afwijking van artikel 4:5, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht wordt het besluit om het verzoek niet te behandelen aan de verzoeker bekendgemaakt binnen twee weken nadat het verzoek is gepreciseerd of nadat de daarvoor gestelde termijn ongebruikt is verstreken.

Een verzoek om informatie wordt ingewilligd met inachtneming van het bepaalde in hoofdstuk 5.Artikel 4.5

Het bestuursorgaan verstrekt de informatie in de door verzoeker verzochte vorm of, indien dit redelijkerwijs niet gevergd kan worden, met inachtneming van het bepaalde in artikel 2.4, derde lid.

Indien de informatie reeds in een voor de verzoeker gemakkelijk toegankelijke vorm voor het publiek beschikbaar is, wijst het bestuursorgaan de verzoeker daarop.

Kamerstukken II, 1988/89, 21 221, nr. 3, blz. 55.

Vergelijk: ABRvS 8 augustus 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2643, r.o. 4.1

ABRvS 21 januari 2026, ECLI:NL:RVS:2026:348, r.o. 9.1.

Onderdeel 2 en 3 van het Woo-verzoek.

ABRvS 26 november 2025, ECLI:NL:RVS:2025:5734, r.o. 5.

Rechtbank Noord-Holland 8 april 2026, ECLI:NL:RBNHO:2026:3668, r.o. 8

Meer Beslissingen