Skip to main content

ECLI:NL:RBZWB:2026:5805

Rechtbank

Breda

Datum

30 June 2026

Taal

nl

Samenvatting

Rechtsvraag

Bestuursrecht

Uitspraak / Beslissing

Uitspraak

Breda

Procedure: UitspraakDomain: BestuursrechtType: uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Bestuursrecht

zaaknummer: BRE 26/3199
uitspraak van de voorzieningenrechter van 30 juni 2026 in de zaak tussen

[verzoekers] , uit [woonplaats] , verzoekers, (gemachtigde mr. P.E.M. Meijer),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Geertruidenberg(college), verweerder.

Inleiding

1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoekers met betrekking tot het niet-ontvankelijk verklaren van hun bezwaarschrift van 10 maart 2026.

1.1.. Op 4 februari 2026 is er namens de gemeente Geertruidenberg door het Baronie Interventieteam (BIT) een onaangekondigde controle uitgevoerd bij de winkel van verzoekers, [winkel] . Verzoekers hebben het college op 16 februari 2026 een brief gestuurd over die controle. Het college heeft op 10 maart 2026 op de brief van verzoekers gereageerd. Verzoekers hebben op 10 maart 2026 een bezwaarschrift ingediend tegen deze brief.

1.2.. Bij beslissing op bezwaar van 11 mei 2026 heeft het college het bezwaar van verzoekers niet-ontvankelijk verklaard, omdat de brief van 10 maart 2026 geen besluit is in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), zodat daar geen bezwaar tegen mogelijk is.

1.3.. Verzoekers hebben tegen deze beslissing beroep ingesteld. Tevens hebben zij de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. Daarbij is onder meer verzocht om een voorschot op de geleden schades vast te stellen.

1.4.. Op grond van artikel 8:83, derde lid van de Awb is een zitting achterwege gebleven.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

2. Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

2.1.. De voorzieningenrechter stelt voorop dat de voorlopige voorzieningenprocedure is bedoeld om in afwachting van de uitkomst van een bezwaar- of beroepsprocedure een voorlopige maatregel te treffen. Daarom speelt bij de beoordeling van een verzoek om voorlopige voorziening de spoedeisendheid een belangrijke rol.

2.2.. De griffier heeft verzoekers bij brief van 17 juni 2026 gevraagd om binnen een week het spoedeisend belang bij het treffen van een voorlopige voorziening nader toe te lichten.

2.3.. De voorzieningenrechter stelt vast dat verzoekers niet op de brief van 17 juni 2026 hebben gereageerd. Daardoor is de voorzieningenrechter niet duidelijk geworden waarom verzoekers de uitkomst van de bezwaarprocedure niet zouden kunnen afwachten. Dat blijkt ook niet uit het verzoek-/beroepschrift.

Conclusie en gevolgen

3. Omdat niet is gebleken van een spoedeisend belang, ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen. Het verzoek wordt daarom afgewezen.

3.1.. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Breeman, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. S. Constant, griffier, op 30 juni 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

griffier

voorzieningenrechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Meer Beslissingen