[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"court-dordrecht":3},{"court":4,"decisions":10},{"id":5,"name":6,"country":7,"level":8,"jurisdiction":9},59,"Dordrecht","nl","first_instance","civil",[11,24,33,42,50,59,67,74,81,89,97,104,111],{"id":12,"ecli":13,"caseNumber":14,"courtId":5,"courtName":14,"decisionDate":15,"fullText":16,"language":7,"source":17,"sourceUrl":18,"summary":14,"slug":19,"metadata":20},"482","ECLI:NL:RBROT:2026:8128","","2026-07-08T00:00:00.000Z","Rechtbank RotterdamZittingsplaats Dordrecht\n\nMeervoudige kamer strafzaken\n\nParketnummer: 10-341694-23\n\nDatum uitspraak: 8 juli 2026\n\nDatum zitting: 24 juni 2026\n\nTegenspraak\n\nVerdachte:\n\n [verdachte] ,\n\ngeboren op [geboortedatum 1] 1988 op [geboorteplaats] ( [geboorteland] ),\n\ningeschreven op het adres: [adres] , [postcode] [woonplaats] .\n\nAdvocaat van de verdachte: mr. J. Dekker\n\nOfficier van justitie: mr. X. van Balen\n\nKern van het vonnis\n\nDe verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan ontuchtige handelingen die mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van zijn vijftienjarige stiefdochter. Daarnaast heeft de verdachte kinderporno in zijn bezit gehad. Door de bekennende verklaring van de verdachte stond de bewijsvraag tijdens de zitting niet ter discussie. De rechtbank legt een deels voorwaardelijke gevangenisstraf op en de maximale taakstraf.1. Tenlastelegging\n\nDe officier van justitie beschuldigt de verdachte ervan dat hij – samengevat – ontuchtige handelingen heeft gepleegd met een meisje ouder dan twaalf, maar jonger dan zestien jaar, die mede bestonden uit het seksueel binnendringen van haar lichaam. Daarnaast beschuldigt de officier van justitie de verdachte van het bezit van kinderporno.\n\nDe volledige tenlastelegging houdt in dat\n\n1.\n\nhij in of omstreeks de periode van 1 januari 2023 tot en met 29 april 2023 te Heenvliet,\n\nmet [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum 2] 2007, die de leeftijd van twaalf jaren maar\n\nnog niet die van zestien jaren had bereikt, buiten echt, een of meer ontuchtige handelingen heeft gepleegd, die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer] , te weten\n\n- het aanraken van haar billen, en\u002Fof\n\n- het brengen van zijn penis in haar vagina;\n\n2.\n\nhij in of omstreeks de periode van 1 januari 2023 tot en met 20 juli 2023 te ’s-Gravenhage, althans in Nederland, afbeeldingen, te weten (digitale) fotobestanden en\u002Fof (digitale) filmbestanden en\u002Fof een of meer gegevensdragers, te weten een telefoon, bevattende afbeeldingen, van seksuele gedragingen, waarbij iemand die de leeftijd van achttien jaar nog niet had bereikt, te weten [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum 2] 2007, is betrokken of schijnbaar is betrokken, heeft verworven, in bezit gehad en\u002Fof zich daartoe door middel van een geautomatiseerd werk en\u002Fof met gebruikmaking van een communicatiedienst de toegang heeft verschaft welke seksuele gedragingen - zakelijk weergegeven - bestonden uit:\n\nhet met de penis vaginaal penetreren van het lichaam van die [slachtoffer]\n\n(pagina 9 en 20 van in toonmap opgenomen foto's)\n\nen\u002Fof\n\nhet geheel of gedeeltelijk naakt (laten) poseren van\u002Fdoor die [slachtoffer] , waarbij die [slachtoffer] gekleed is en\u002Fof opgemaakt is en\u002Fof poseert in een omgeving en\u002Fof in een erotisch getinte houding (op een wijze) die niet bij haar leeftijd past en\u002Fof waarbij zij zich (vervolgens) in opeenvolgende afbeeldingen\u002Ffilmfragmenten van haar kleding ontdoet en\u002Fof (waarna) door het camerastandpunt, de (onnatuurlijke) pose en\u002Fof de wijze van kleden van deze persoon en\u002Fof de uitsnede van de foto's\u002Ffilm(s) nadrukkelijk het (ontblote) geslachtsdeel, de borsten en\u002Fof billen in beeld gebracht worden (waarbij) de afbeelding (aldus) (telkens) een onmiskenbaar seksuele strekking heeft en\u002Fof strekt tot seksuele prikkeling\n\n(pagina 2 tot en met 20 van in toonmap opgenomen foto's).2. Bewijs2.1.. \n\nVordering van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld voor beide ten laste gelegde feiten, waarbij geldt dat er slechts bewijs is dat feit 1 één keer is gepleegd en dat feit 2 alleen ziet op het bezit van kinderporno.2.2.. \n\nConclusie van de verdediging\n\nDe verdediging heeft zich ten aanzien van feit 1 gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank, behalve voor zover ten laste is gelegd dat meermaals ontuchtige handelingen zijn gepleegd . Ten aanzien van feit 2 refereert de verdediging zich aan het oordeel van de rechtbank voor zover de tenlastelegging ziet op het bezit.2.3.. Oordeel van de rechtbank2.3.1.. \n\nBewezenverklaring en bewijsmiddelen\n\nBewezen is dat de verdachte de feiten 1 en 2 heeft gepleegd. De volledige bewezenverklaring is vermeld in paragraaf 2.3.2.\n\nDe bewezenverklaring is gebaseerd op de inhoud van de bewijsmiddelen. De verdachte heeft de feiten 1 en 2 bekend en er is geen vrijspraak bepleit. Daarom worden voor deze feiten de bewijsmiddelen hieronder wel genoemd maar niet uitgeschreven.\n\n1. Verklaring van de verdachte\n\n2. Proces-verbaal van de politie, verklaring van aangever\n\n3. Proces-verbaal van de politie, bevindingen\n\n4. Proces-verbaal van de politie, bevindingen2.3.2.. Volledige bewezenverklaring\n\nBewezen is dat:\n\n1.\n\nhij in de periode van 1 januari 2023 tot en met 29 april 2023 te Heenvliet, met [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum 2] 2007, die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren had bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen heeft gepleegd, die mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer] , te weten\n\n- het aanraken van haar billen, en\n\n- het brengen van zijn penis in haar vagina;\n\n2.\n\nhij in de periode van 1 januari 2023 tot en met 20 juli 2023 in Nederland, afbeeldingen, te weten (digitale) fotobestanden en een (digitaal) filmbestand, waarbij iemand die de leeftijd van achttien jaar nog niet had bereikt, te weten [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum 2] 2007, is betrokken, in bezit heeft gehad welke seksuele gedragingen - zakelijk weergegeven - bestonden uit:\n\nhet met de penis vaginaal penetreren van het lichaam van die [slachtoffer]\n\nen\n\nhet geheel of gedeeltelijk naakt poseren door die [slachtoffer] , waarbij die [slachtoffer] gekleed is en poseert in een erotisch getinte houding (op een wijze) die niet bij haar leeftijd past en door de (onnatuurlijke) pose en de wijze van kleden van deze persoon en nadrukkelijk het (ontblote) geslachtsdeel, de borsten en billen in beeld gebracht worden (waarbij) de afbeelding (aldus) (telkens) een onmiskenbaar seksuele strekking heeft en strekt tot seksuele prikkeling.3. Kwalificatie en strafbaarheid3.1.. \n\nKwalificatie\n\nDe bewezen feiten leveren de volgende strafbare feiten op:\n\nFeit 1\n\nmet iemand die de leeftijd van twaalf jaren, maar nog niet die van zestien jaren heeft bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen plegen die mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam;\n\nFeit 2\n\neen afbeelding van een seksuele gedraging, waarbij iemand die kennelijk de leeftijd van achttien jaar nog niet heeft bereikt, is betrokken of schijnbaar is betrokken, in bezit hebben, meermalen gepleegd.\n\n3.2.. \n\nStrafbaarheid van de feiten en van de verdachte\n\nDe feiten en de verdachte zijn strafbaar.4. Straffen4.1.. \n\nEis van de officier van justitie\n\nDe verdachte moet voor de feiten 1 en 2 worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 24 maanden.4.2.. \n\nStandpunt van de verdediging\n\nAan de verdachte moet hoogstens een forse taakstraf worden opgelegd.4.3.. Oordeel van de rechtbank4.3.1.. \n\nErnst en omstandigheden van de feiten\n\nDe verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan twee strafbare feiten. Hij heeft ontuchtige handelingen, die mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam, gepleegd met de vijftienjarige dochter van zijn toenmalige vriendin. Het slachtoffer woonde in een gezinshuis, maar verbleef wel regelmatig bij haar moeder. Zij is op enig moment verliefd geworden op de verdachte. Deze signalen zijn door het gezinshuis besproken met de verdachte en benadrukt is dat hij gelet op haar kwetsbaarheid afstand van haar dient te houden. Kennelijk is de verdachte ook verliefd geworden op de dochter van zijn vriendin. Vervolgens heeft hij vaginale seks met haar gehad. De vriendin van de verdachte heeft dat ontdekt toen zij een door de verdachte gemaakt filmpje daarvan in zijn mobiele telefoon zag. In de periode daarna hielden de verdachte en het slachtoffer in ieder geval via social media contact, waarbij de verdachte naaktfoto’s van haar ontving. Hij heeft zich daarmee ook schuldig gemaakt aan het bezit van kinderporno.\n\nDe verdachte heeft met de bewezenverklaarde handelingen een ernstige inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit en persoonlijke levenssfeer van de dochter van zijn ex-vriendin. In zijn algemeenheid kunnen deze handelingen door een slachtoffer als (zeer) ingrijpend worden ervaren en nadelige fysieke en\u002Fof psychische gevolgen van mogelijk lange duur met zich meebrengen. Kinderen van deze jonge leeftijd bevinden zich nog volledig in de fase van hun (psycho)seksuele ontwikkeling en de verdachte heeft met zijn handelen bewerkstelligd dat zij dit niet in haar eigen tempo kon doormaken. Hij heeft zich kennelijk laten leiden door zijn eigen lustgevoelens en de bevrediging daarvan vooropgesteld en zich niets gelegen laten liggen aan de gevolgen die dit op latere leeftijd voor het slachtoffer zou kunnen hebben. De ervaring leert dat seksueel misbruik van kinderen kan leiden tot grote psychische schade, waaronder verstoring van de seksuele ontwikkeling. De verdachte heeft misbruik gemaakt van zijn positie, zijn overwicht ten opzichte van zijn stiefdochter en de tussen hen bestaande vertrouwensrelatie; een relatie waarbinnen het slachtoffer zich bij uitstek veilig had moeten kunnen voelen en waarbinnen zij bescherming mocht verwachten.\n\nTijdens de behandeling ter zitting heeft de verdachte meer openheid van zaken gegeven door de ten laste gelegde feiten te bekennen. Daarbij heeft de verdachte getoond dat hij enig inzicht heeft verkregen in het laakbare van zijn gedrag.4.3.2.. \n\nPersoon en persoonlijke omstandigheden\n\nStrafblad\n\nUit het strafblad (uittreksel justitiële documentatie) van 2 juni 2026 blijkt dat de verdachte niet eerder onherroepelijk is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten. Het strafblad van de verdachte leidt dus niet tot een hogere straf.\n\nRapport van de reclassering\n\nIn het rapport van Leger des Heils reclassering van 15 juni 2026 staat het volgende.\n\nDe verdachte heeft aan de reclassering geen hulpvraag. Voor praktische zaken heeft hij reeds begeleiding van Middin, daarmee heeft hij voldoende hulp in een vrijwillig kader. Hij ontvangt een Wajong uitkering. Het recidiverisico wordt ingeschat als laag. Bij een veroordeling adviseert de reclassering een straf zonder bijzondere voorwaarden. De verdachte zou een taakstraf kunnen uitvoeren bij de kringloopwinkel waar hij ook vrijwilligerswerk verricht.\n\nOverige persoonlijke omstandigheden\n\nUit het dossier blijkt dat het ontwikkelingsniveau van de verdachte niet overeenkomt met zijn kalenderleeftijd. De verdachte heeft zijn leven inmiddels op orde; hij woont begeleid en hij krijgt begeleiding van Middin waar hij baat bij heeft.4.3.3.. \n\nRedelijke termijn\n\nDe verdachte moet binnen een redelijke termijn worden berecht. De redelijke termijn is in dit geval gestart op 20 juli 2023, omdat de verdachte toen in verzekering is gesteld. Tot aan dit vonnis is sindsdien een periode van bijna drie jaar verstreken.\n\nOmdat er geen bijzondere omstandigheden zijn, is de redelijke termijn in deze zaak twee jaar. Dat betekent dat de redelijke termijn is geschonden. De rechtbank zal daar bij de strafoplegging rekening mee houden, zowel in de strafmodaliteit als de duur van de op te leggen straffen.\n\n4.3.4.. Oplegging straf\n\nStraf\n\nGelet op de ernst van de strafbare feiten is een gevangenisstraf noodzakelijk. Het opleggen van een ander soort straf is niet passend. Bij het bepalen van die strafsoort en de duur daarvan houdt de rechtbank rekening met straffen die in soortgelijke zaken zijn opgelegd.\n\nDe rechtbank betrekt bij de op te leggen straffen en de hoogte daarvan verder dat de verdachte niet functioneert conform zijn kalenderleeftijd, dat hij het kwalijke van zijn handelen lijkt in te zien en hij zijn leven inmiddels op orde heeft. Verder weegt mee dat de redelijke termijn met bijna een jaar is geschonden.\n\nGelet hierop acht de rechtbank het passend om de gevangenisstraf grotendeels in voorwaardelijke vorm op te leggen. Het onvoorwaardelijk deel van de gevangenisstraf is gelijk aan de tijd die de verdachte in verzekering heeft doorgebracht. Dat betekent dat de verdachte niet terug hoeft naar de gevangenis. De rest van de gevangenisstraf wordt voorwaardelijk opgelegd. De voorwaardelijke straf heeft als doel te voorkomen dat de verdachte in de toekomst opnieuw een strafbaar feit pleegt.\n\nDe rechtbank volgt het advies van de reclassering en verbindt, mede omdat het recidiverisico als laag wordt ingeschat en de verdachte geen hulpvraag aan de reclassering heeft, geen bijzondere voorwaarden aan de voorwaardelijke straf.\n\nGelet op de ernst van de strafbare feiten wordt daarnaast een taakstraf van 240 uur opgelegd.5. Wettelijke voorschriften\n\nDe oplegging van deze straffen is gebaseerd op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 57, 240b en 245 (oud) van het Wetboek van Strafrecht.6. Beslissingen\n\nDe rechtbank:\n\nBewezenverklaring\n\nverklaart bewezen dat de verdachte de feiten 1 en 2, zoals in hoofdstuk 2 zijn omschreven, heeft gepleegd;\n\nKwalificatie en strafbaarheid\n\nstelt vast dat het bewezenverklaarde oplevert de in hoofdstuk 3 vermelde strafbare feiten;\n\nverklaart de verdachte strafbaar;\n\nStraffen\n\nGevangenisstraf\n\nveroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf van 180 (honderdtachtig) dagen;\n\nbeveelt dat de tijd die door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering is doorgebracht, in mindering wordt gebracht op de gevangenisstraf, voor zover deze tijd niet al op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;\n\nVoorwaardelijk strafdeel\n\nbepaalt dat 178 (honderdachtenzeventig) dagen gevangenisstrafniet ten uitvoer zullen worden gelegd, tenzij de rechter later anders beslist;\n\nverbindt hieraan een proeftijd, die wordt gesteld op2 (twee) jaar, waarbij tot tenuitvoerlegging van het voorwaardelijke gedeelte van de straf kan worden beslist als de verdachte de onderstaande voorwaarde niet naleeft;\n\nstelt als algemene voorwaarde dat:\n\n- de verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet aan een strafbaar feit schuldig maakt;\n\nTaakstraf\n\nveroordeelt de verdachte tot een taakstraf van 240 (tweehonderdveertig) uur, waarbij de reclassering bepaalt uit welke werkzaamheden deze taakstraf zal bestaan;\n\nbeveelt dat, voor het geval de verdachte de taakstraf niet (goed) verricht, vervangende hechteniszal worden toegepast voor de duur van 120 (honderdtwintig) dagen.\n\n7. Samenstelling rechtbank en ondertekening\n\nDit vonnis is gewezen door:\n\nmr. J. de Lange, voorzitter,\n\nen mr. D.M. Douwes en mr. E.M. Moison, rechters,\n\nin tegenwoordigheid van mr. J.G. Polke, griffier,\n\nen uitgesproken op de openbare zitting van deze rechtbank op 8 juli 2026.\n\nDe exacte vindplaatsen van de bewijsmiddelen zijn genoemd in de bijbehorende voetnoot. Als wordt verwezen naar paginanummers, wordt – tenzij anders vermeld – gedoeld op paginanummers uit het zaaksdossier [dossiernaam] met onderzoeksnummer [nummer X] .\n\n Verklaard tijdens de zitting van 24 juni 2026.\n\n Pagina’s 4-21.\n\n Pagina’s 66-80.\n\n Pagina’s 81-97.","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2026:8128","ecli-nl-rbrot-2026-8128",{"courtName":6,"legalDomain":21,"decisionType":22,"procedureType":23},"Strafrecht","uitspraak","Uitspraak",{"id":25,"ecli":26,"caseNumber":14,"courtId":5,"courtName":14,"decisionDate":27,"fullText":28,"language":7,"source":17,"sourceUrl":29,"summary":14,"slug":30,"metadata":31},"280","ECLI:NL:RBROT:2026:7475","2026-06-25T00:00:00.000Z","RECHTBANK ROTTERDAM\n\nLocatie Dordrecht\n\nzaaknummer: 11971922 CV EXPL 25-4569\n\ndatum uitspraak: 25 juni 2026\n\nVonnis van de kantonrechter\n\nin de zaak van\n\n [bedrijf 1] B.V,\n\nvestigingsplaats: [plaats 1] ,\n\neiseres,\n\ndie zelf procedeert,\n\ntegen\n\n1. [bedrijf 2] V.O.F en haar vennoten2. [bedrijf 3] B.V.,3. [bedrijf 4] B.V.,4. [bedrijf 5] B.V.,\n\nvestigingsplaatsen: (1-3) [plaats 2] , [gemeente 1] ,\n\n (4) [plaats 3] , [gemeente 2] gedaagden,\n\n die zelf procederen,5. [bedrijf 6] B.V.\n\nvestigingsplaats: [plaats] [gemeente 3] ,\n\n gemachtigde: mr. drs. P.J.M. Veuger,\n\ngedaagden.\n\nDe partijen worden hierna [eiseres] , [gedaagden 1-4] (ook voor de vennoten) en [gedaagden 5] genoemd.\n\n1. De procedure1.1.. Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:\n\nde dagvaardingen van 3 en 4 november 2025, met (aanvullende) bijlagen;\n\nde conclusies van antwoord van [gedaagden 1-4] , met bijlagen;\n\nde conclusie van antwoord van [gedaagden 5] , met bijlagen.\n\n1.2.. \n\nOp 27 mei 2026 is de zaak tijdens een zitting besproken. Daarbij waren aanwezig\n\n [persoon A] , [persoon B] en namens [gedaagden 5] [persoon C] en haar gemachtigde. [gedaagden 5] heeft tijdens de zitting nog een bijlage overgelegd, te weten een e-mail bericht van [bedrijf 7] van 24 maart 2026.\n\n2. De beoordeling\n\nWat is de kern?\n\n2.1.. \n [eiseres] heeft van [gedaagden 1-4] een Opel Vivaro, bouwjaar [bouwjaar] (hierna: de auto) voor een bedrag van € 16.940,- gekocht die op [datum] is geleverd. [gedaagden 5] heeft de auto gefinancierd; zij is juridisch eigenaar en zij heeft de auto aan [eiseres] ter beschikking gesteld en een deel van de koopprijs, te weten een bedrag van € 11.900,-, aan [gedaagden 1-4] betaald. [eiseres] heeft de resterende € 5.040,- aan [gedaagden 1-4] betaald. Als [eiseres] alle leasetermijnen aan [gedaagden 5] heeft betaald is de financiering afgelost en wordt zij eigenaar van de auto.\n\n2.2.. \n [eiseres] is niet tevreden over de auto en zij eist in deze procedure ontbinding van de koop-\u002Fleaseovereenkomst, terugbetaling van de koopprijs en leasetermijnen en een schadevergoeding. Gedaagden zijn het niet met deze eisen eens. [gedaagden 5] betwist dat de auto bij levering niet voldeed aan de overeenkomst en dat zij is tekortgekomen. [gedaagden 1-4] stelt dat de auto (opnieuw) volledig is hersteld.\n\n2.3.. \n [eiseres] krijgt van de kantonrechter ongelijk, dat betekent dat al haar eisen worden afgewezen. Deze beslissing wordt hieronder uitgelegd.\n\nWettelijk kader met betrekking tot non-conformiteit\n\n2.4.. Op grond van artikel 7:17 lid 2 BW mag een koper verwachten dat de gekochte zaak de eigenschappen bezit die voor een normaal gebruik daarvan nodig zijn en over de aanwezigheid van die eigenschappen niet hoeft te twijfelen. In het geval van de koop van een (tweedehands) auto geldt kort gezegd als regel dat de auto niet voldoet aan de overeenkomst als het gebruik van de auto door een gebrek dat niet op eenvoudige wijze kan worden hersteld een gevaar voor de verkeersveiligheid oplevert.\n\nDe auto voldoet niet aan de koopovereenkomst\n\n2.5.. \n [gedaagden 1-4] en [gedaagden 5] erkennen dat de auto vrij snel na het in gebruik nemen door [eiseres] gebreken vertoonde waaronder het naar links trekken onder het rijden en het verschijnen van storingsmeldingen op het dashboard. [gedaagden 1-4] heeft daarom de auto teruggenomen en laten repareren bij [bedrijf 7] . In de daarop volgende maanden is de auto nog een aantal keren teruggenomen voor soortgelijke reparaties aan het motorische gedeelte. De auto voldeed dus niet aan de overeenkomst ten tijde van de levering. De verkopende partij is dan ook, zoals [eiseres] aanvoert, tekort geschoten in de nakoming van haar verplichting een auto te leveren die conform de overeenkomst is.\n\nMogelijkheden koper bij non-conformiteit\n\n2.6.. Artikel 7:21 lid 1 BW bepaalt dat de koper in geval van non-conformiteit kan eisen: a) aflevering van het ontbrekende, b) herstel van de afgeleverde zaak of c) vervanging van de afgeleverde zaak. Een vierde mogelijkheid is ontbinding van de koopovereenkomst, voor niet consumenten zoals [eiseres] is dat geregeld in artikel 6:265 lid 1 BW. Dit artikel bepaalt dat iedere tekortkoming in de nakoming de wederpartij de bevoegdheid geeft om de overeenkomst te ontbinden, behalve als de tekortkoming, gelet op haar bijzondere aard of geringe betekenis, deze ontbinding met haar gevolgen niet rechtvaardigt. Bij de beoordeling of de tekortkoming de ontbinding rechtvaardigt, kunnen, naast de bijzondere aard of geringe betekenis van de tekortkoming, alle omstandigheden van het geval van belang zijn.\n\n2.7.. \n\n [eiseres] eist in deze procedure ontbinding van de koopovereenkomst; zij wil van de auto af. [eiseres] is echter steeds akkoord gegaan met herstel van de autoen de auto is ook steeds hersteld. Pas nadat de auto op 18 september 2025 onder het rijden uitvalt laat [eiseres] [gedaagden 1-4] voor het eerst weten dat zij van de overeenkomst af wil of over wil gaan tot een kosteloze omruil (de enige twee voor haar nog aanvaardbare uitkomsten).\n\n [gedaagden 1-4] biedt aan de auto toch nog een keer te repareren nadat deze is bekeken door een derde partij, te weten [bedrijf 8] . [eiseres] gaat hiermee akkoord en de auto wordt conform de bevindingen van [bedrijf 8] door [bedrijf 7] hersteld. [eiseres] haalt de auto op 27 januari 2026 op maar deze valt weer uit op 6 februari 2026. Daarna besluiten partijen blijkbaar tot een nieuwe reparatie na een inspectie van de auto door\n\n [bedrijf 9] . De auto wordt gerepareerd, APK gekeurd en goed bevonden door [bedrijf 7]en staat tot op heden klaar om te worden opgehaald.\n\n [eiseres] heeft dus niet vastgehouden aan haar wens tot ontbinding van de overeenkomst of een kosteloze omruil maar is meegegaan in de reparatievoorstellen waardoor er op dit moment een volledig herstelde auto klaar staat voor haar. Dat maakt dat er op dit moment geen sprake meer is van een tekortkoming in de nakoming van de koopovereenkomst die zo ernstig is dat ontbinding is gerechtvaardigd. De koopovereenkomst wordt dan ook niet ontbonden. Omdat er nu niet ontbonden wordt, blijft de overeenkomst bestaan. [eiseres] kan de bus ophalen.\n\n2.8.. Bij een volgende uitval met betrekking tot dezelfde problemen die van het begin af aan tot reparaties hebben geleid, hoeft [eiseres] geen reparatie meer de accepteren en kan zij de overeenkomst buitengerechtelijk ontbinden door een brief te sturen aan [gedaagden 1-4] dat zij de overeenkomst ontbindt omdat de auto weer dezelfde gebreken vertoont.\n\n2.9.. \n\n [eiseres] heeft nog een beroep gedaan op dwaling. Volgens haar zijn er bij de aankoop gebreken en mogelijke schade aan de auto verzwegen. Zij stelt echter niet dat\n\n [gedaagden 1-4] en [gedaagden 5] wisten van de problemen die zich hebben voorgedaan en dat blijkt ook nergens uit. Daarom slaagt dit beroep op dwaling niet.\n\nSchadevergoeding\n\n2.10.. \n [eiseres] maakt aanspraak op schadevergoeding. Volgens [eiseres] lijdt zij schade doordat zij maanden niet over een bus heeft kunnen beschikken. [eiseres] heeft niet betwist dat zij steeds een leenbus heeft gekregen tijdens de reparaties. Daarom heeft zij niet voldoende uitgelegd dat zij toch schade heeft geleden. Bovendien noemt zij geen bedrag. Er wordt dus geen schadevergoeding toegewezen.\n\nIeder moet de eigen proceskosten dragen\n\n2.11.. Omdat partijen over en weer op enkele punten in het ongelijk zijn gesteld moeten zij hun eigen proceskosten dragen.\n\n3. De beslissing\n\nDe kantonrechter:\n\n3.1.. wijst af de vorderingen van [eiseres] ;\n\n3.2.. compenseert de proceskosten in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.\n\nDit vonnis is gewezen door kantonrechter mr. J.C. Halk en in het openbaar uitgesproken.\n\n gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 14 mei 2019, ECLI:NL:GHARL:2019: 4180\n\n zie haar e-mails van 2 en 9 mei 2025, 16 juli 2025 en 14 september 2025\n\n zie haar e-mail van 19 september 2025\n\n Zie haar e-mail van 24 maart 2026","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2026:7475","ecli-nl-rbrot-2026-7475",{"courtName":6,"legalDomain":32,"decisionType":22,"procedureType":23},"Civiel recht",{"id":34,"ecli":35,"caseNumber":14,"courtId":5,"courtName":14,"decisionDate":36,"fullText":37,"language":7,"source":17,"sourceUrl":38,"summary":14,"slug":39,"metadata":40},"830","ECLI:NL:RBROT:2026:6946","2026-06-18T00:00:00.000Z","RECHTBANK ROTTERDAM\n\nlocatie Dordrecht\n\nzaaknummer: 11728957 CV EXPL 25-2276\n\ndatum uitspraak: 18 juni 2026\n\nVonnis van de kantonrechter\n\nin de zaak van\n\n [eiseres],\n\nvestigingsplaats: [vestigingsplaats] ,\n\neiseres,\n\ngemachtigde: GGN Mastering Credit B.V.,\n\ntegen\n\n [gedaagde] , (mede) handelend onder de naam [handelsnaam],\n\nwoonplaats: [woonplaats] ,\n\ngedaagde,\n\ndie zelf procedeert.\n\nPartijen worden hierna ‘ [eiseres] ’ en ‘ [gedaagde] ’ genoemd.\n\n1. De procedure1.1.. Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:\n\nde dagvaarding van 26 mei 2025, met bijlagen;\n\nhet antwoord, met bijlagen;\n\nhet proces-verbaal van de zitting op 21 mei 2026.\n\n1.2.. Op 21 mei 2026 is de zaak tijdens een zitting besproken. Daarbij waren aanwezig [persoon A] namens [eiseres] met mr. D.A.M. Polderman en mr. J.A. Wesdijk namens de gemachtigde. [gedaagde] is, hoewel hij daarvoor op de juiste wijze is opgeroepen, zonder bericht, niet verschenen.\n\n2. De beoordeling\n\nWaar gaat de zaak over?2.1.. \n [gedaagde] heeft zijn auto ter reparatie aangeboden bij [eiseres] in verband met motorstoringen. Tussen partijen is gesproken over een geschatte reparatiesom van ongeveer € 4.000,00 voor een revisie\u002Freparatie van de huidige motor. [eiseres] heeft vervolgens een motorreparatie uitgevoerd en hiervoor een factuur gestuurd voor een totaalbedrag van € 9.269,23. [gedaagde] was het niet eens met de hoogte van deze factuur en heeft hier direct tegen geprotesteerd. Hij begon echter wel alvast met termijnbetalingen omdat hij vond dat hij in ieder geval een deel van de factuur verschuldigd was. Voorts is tussen partijen gesproken over een onjuiste diagnose met betrekking tot de LPG-installatie waarvoor [eiseres] [gedaagde] financieel heeft gecompenseerd. [gedaagde] heeft in de loop van de tijd in totaal € 4.769,33 aan [eiseres] betaald. [eiseres] eist nu dat hij het restant van € 4.499,90 betaalt, vermeerderd met buitengerechtelijke incassokosten van € 755,00 en rente die tot 25 mei 2025 € 322,45 bedraagt.\n\n2.2.. \n [gedaagde] is het niet eens met de vordering. Volgens hem hebben partijen een prijs van ongeveer € 4.000,00 afgesproken. [eiseres] heeft de uiteindelijke factuur zonder enig tussentijds overleg of waarschuwing laten oplopen tot € 9.269,23. Bovendien waren de klachten na de motorreparatie toen nog niet verholpen.\n\n2.3.. De kantonrechter wijst de vordering af. Hierna wordt uitgelegd hoe de kantonrechter tot dit oordeel is gekomen.\n\nDe prijs2.4.. De overeenkomst die partijen met elkaar hebben gesloten, kwalificeert als aanneming van werk (artikel 7:750 van het Burgerlijk Wetboek (BW)). Vaststaat dat tussen partijen een richtprijs is besproken van ongeveer € 4.000,00. Op grond van artikel 7:752 lid 2 BW geldt dat indien een richtprijs is afgegeven, deze met niet meer dan 10% mag worden overschreden, tenzij de aannemer ( [eiseres] ) de opdrachtgever ( [gedaagde] ) tijdig heeft gewaarschuwd voor een waarschijnlijke overschrijding om zo de opdrachtgever de gelegenheid te geven de opdracht alsnog te beperken of te vereenvoudigen. [eiseres] heeft gesteld dat de meerkosten gaandeweg mondeling zijn besproken. [gedaagde] heeft gemotiveerd betwist dat dit het geval was. Het is dan aan [eiseres] om te onderbouwen dat de meerkosten zijn besproken en dat zij [gedaagde] hiervoor tijdig heeft gewaarschuwd maar dat heeft zij onvoldoende gedaan. Niet is gebleken dat [gedaagde] expliciet en tijdig is gewaarschuwd dat de kosten zouden oplopen tot € 9.269,23 en dat hij hiermee akkoord is gegaan. De kantonrechter zal daarom een redelijke prijs voor de verrichte werkzaamheden moeten vaststellen. Gelet op de aard van de werkzaamheden en de omstandigheid dat [gedaagde] uit eigen beweging inmiddels een totaalbedrag van € 4.769,33 heeft betaald, acht de kantonrechter het redelijk en billijk om de uiteindelijke som op exact dit reeds betaalde bedrag vast te stellen. Dit bedrag valt binnen de redelijke marge van de afgegeven richtprijs van “ongeveer € 4.000,00” plus 10%. Omdat [gedaagde] voornoemd bedrag inmiddels al volledig heeft betaald, is hij het restant van € 4.499,90 niet meer verschuldigd. De stelling van [eiseres] dat [gedaagde] de vordering zou hebben erkend door te betalen, wordt gepasseerd omdat uit de overgelegde stukken blijkt dat [gedaagde] direct en consistent heeft geprotesteerd tegen de hoogte van de factuur. De resterende hoofdsom van € 4.499,90 wordt dus afgewezen. Daarmee worden ook de gevorderde incassokosten en rente afgewezen.\n\nProceskosten2.5.. De proceskosten komen voor rekening van [eiseres] , omdat zij ongelijk krijgt (artikel 237 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering). De kantonrechter begroot deze kosten aan de kant van [gedaagde] op nul, omdat hij zonder bijstand van een gemachtigde heeft geprocedeerd en niet is gebleken dat hij kosten heeft gemaakt voor deze procedure die voor vergoeding in aanmerking komen.\n\n3. De beslissing\n\nDe kantonrechter:\n\n3.1.. wijst de vordering af;\n\n3.2.. veroordeelt [eiseres] in de proceskosten, die aan de kant van [gedaagde] tot nu toe worden begroot op nul.\n\nDit vonnis is gewezen door kantonrechter mr. C. van Steenderen-Koornneef en in het openbaar uitgesproken.\n\n53954","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2026:6946","ecli-nl-rbrot-2026-6946",{"courtName":6,"legalDomain":41,"decisionType":22,"procedureType":23},"Civiel recht; Verbintenissenrecht",{"id":43,"ecli":44,"caseNumber":14,"courtId":5,"courtName":14,"decisionDate":45,"fullText":46,"language":7,"source":17,"sourceUrl":47,"summary":14,"slug":48,"metadata":49},"787","ECLI:NL:RBROT:2026:8174","2026-06-01T00:00:00.000Z","RECHTBANK ROTTERDAM\n\nzaaknummer: 11933862 \\ MB VERZ 25-1213\n\ncjib-nummer: [nummer 1]\n\nregistratienummer: [nummer 2]\n\nuitspraak: 1 juni 2026\n\nuitspraak van de kantonrechter, zitting houdende te Dordrecht,\n\nin de zaak van:\n\nbetrokkene: [betrokkene]\n\nwoonplaats: [woonplaats]\n\ngemachtigde: mr. B. de Jong\n\n1. Het verloop van de procedure\n\nBij inleidende beschikking van 29 september 2023 is aan betrokkene een sanctie opgelegd van € 110,00. De beschikking is opgelegd voor “parkeren buiten parkeervak bij één van de borden E4 tot en met E13 van bijlage I van het RVV 1990”, begaan op dinsdag 19 september 2023 om 18:48 uur te Dordrecht aan het Admiraalsplein (feitcode R397J).\n\nTegen deze beschikking is betrokkene op 11 oktober 2023 bij de officier van justitie in beroep gekomen.\n\nOp 7 februari 2024 is (de gemachtigde van) betrokkene fysiek gehoord.\n\nDe officier van justitie heeft het beroep van betrokkene ongegrond verklaard. Deze beslissing is op 24 april 2025 aan betrokkene verzonden.\n\nTegen de beslissing van de officier van justitie heeft betrokkene op 14 mei 2025 beroep aangetekend bij de kantonrechter.\n\nDe zaak is behandeld op de openbare zitting van 18 mei 2026, waar namens de officier van justitie een vertegenwoordiger van de CVOM en de gemachtigde van betrokkene zijn verschenen.\n\n2. De beoordeling\n\nBetrokkene is verplicht om zekerheid te stellen. Dat betekent dat de gehele sanctie (met een maximum van € 225,00) en de administratiekosten bij wijze van voorschot moeten worden betaald. Betrokkene heeft niet aan die verplichting voldaan. De gemachtigde heeft namens betrokkene in dat kader, zoals standaard in alle pro-forma beroepen van deze gemachtigde wordt gedaan, slechts aangevoerd dat hij niet kan betalen.\n\nIn de oproepingsbrief van 10 april 2026 heeft de kantonrechter verzocht om op de zitting stukken over te leggen waaruit de financiële draagkracht van betrokkene blijkt.\n\nTer zitting zijn geen stukken overgelegd waaruit blijkt dat betrokkene geen draagkracht heeft om zekerheid te stellen. Ter zitting heeft de kantonrechter aan de gemachtigde van betrokkene gevraagd waarom er geen stukken zijn overgelegd, terwijl toch in de oproepingsbrief staat dat deze stukken meegenomen moeten worden. De gemachtigde stelt dat zij om stukken heeft gevraagd, maar dat betrokkene deze niet heeft ingeleverd. Daarvan heeft zij ook geen bewijsstukken overgelegd en evenmin blijkt dat de gemachtigde vervolgens heeft gevraagd of er een reden is waarom deze stukken niet zijn overgelegd.\n\nVan een professioneel gemachtigde mag worden verlangd dat deze ofwel tijdig expliciet gevraagde stukken overlegt of een goede reden opgeeft waarom deze stukken niet kunnen worden overgelegd. Dat heeft de gemachtigde niet gedaan, dus betrokkene zal niet-ontvankelijk worden verklaard omdat zonder een goede reden op te geven geen zekerheid is gesteld.\n\nNu het beroep niet-ontvankelijk wordt verklaard, bestaat er geen aanleiding tot het toekennen van een proceskostenvergoeding.\n\n3. De beslissing\n\nDe kantonrechter:\n\nverklaart het beroep niet-ontvankelijk;\n\nwijst het verzoek om een proceskostenvergoeding af.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. J.C. Halk en uitgesproken ter openbare zitting.\n\n67223\n\nWanneer de bij deze beslissing opgelegde sanctie meer bedraagt dan € 110,00 of uw beroep niet-ontvankelijk is verklaard op grond van het niet tijdig stellen van zekerheid, staat ingevolge artikel 14 Wahv tegen deze uitspraak hoger beroep open binnen 6 weken na de hieronder vermelde dag van toezending bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. Het beroepschrift dient ingezonden te worden bij de kantonrechter (Postbus 7003, 3300 GC Dordrecht). Het is niet mogelijk om hoger beroep in te stellen per e-mail.\n\nDatum toezending:","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2026:8174","ecli-nl-rbrot-2026-8174",{"courtName":6,"legalDomain":32,"decisionType":22,"procedureType":23},{"id":51,"ecli":52,"caseNumber":14,"courtId":5,"courtName":14,"decisionDate":53,"fullText":54,"language":7,"source":17,"sourceUrl":55,"summary":14,"slug":56,"metadata":57},"1987","ECLI:NL:RBROT:2026:7840","2026-05-29T00:00:00.000Z","RECHTBANK ROTTERDAM\n\nZittingsplaats Dordrecht\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummers: ROT 24\u002F7602 en ROT 24\u002F7603\n uitspraak van de enkelvoudige kamer van 29 mei 2026 in de zaken tussen\n [naam 1] , uit [woonplaats] , eiser\n\nen\n\nde heffingsambtenaar van de gemeente Dordrecht\n\n(gemachtigde: mr. R.H. Kastelein).\n\nProcesverloop\n\n1.1.. Met de beschikking van 31 mei 2024 heeft de heffingsambtenaar de waarde van de onroerende zaak [straatnaam] in [locatie 1] (de woning) per de waardepeildatum van 1 januari 2023 vastgesteld op € 195.000,- op grond van de Wet waardering onroerende zaken (Wet WOZ). Met deze waardevaststelling is aan eiser ook de aanslag onroerendezaakbelasting voor het belastingjaar 2024 opgelegd.\n\n1.2.. Met de beschikking van 30 april 2024 heeft de heffingsambtenaar aan eiser voor het belastingjaar 2024 een aanslag riool- en afvalstoffenheffing opgelegd.\n\n1.3.. Met de uitspraak op bezwaar van 25 juni 2024 heeft de heffingsambtenaar het bezwaar van eiser tegen de beschikking van 31 mei 2024 ongegrond verklaard.\n\n1.4.. Met de uitspraak op bezwaar van 24 juli 2024 heeft de heffingsambtenaar het bezwaar van eiser tegen de beschikking van 30 april 2024 niet-ontvankelijk verklaard.\n\n1.5.. Eiser heeft beroepen ingesteld tegen de uitspraak op bezwaar van 25 juni 2024 (ROT 24\u002F7602) en de uitspraak op bezwaar van 24 juli 2024 (ROT 24\u002F7603).\n\n1.6.. De rechtbank heeft de beroepen gezamenlijk op de zitting van 20 mei 2026 behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en de gemachtigde van de heffingsambtenaar, vergezeld door [naam 2] , taxateur.\n\nFeiten\n\n2. Eiser is eigenaar van de woning [straatnaam] in [locatie 1] . Het is een hoekwoning met een woonoppervlakte van 52 m² en een grondoppervlakte van 189 m². De woning beschikt over een berging\u002Fschuur. Het bouwjaar is 1977.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\nWOZ-waarde (ROT 24\u002F7602)\n\n3. Eiser betoogt dat de heffingsambtenaar de waarde van de woning te hoog heeft vastgesteld. Volgens eiser bedraagt de waarde van de woning € 185.000,-. De door de heffingsambtenaar gehanteerde vergelijkingsobjecten zijn van een andere prijsklasse en qua woonoppervlakte niet vergelijkbaar met zijn woning. Daarnaast is de taxateur die de WOZ-waarde van de woning heeft vastgesteld bij de gemeente in dienst, zodat sprake is van belangenverstrengeling. Er is nooit een taxateur bij eiser thuis geweest. Het opgestelde taxatierapport voor het belastingjaar 2024 is hetzelfde als het taxatierapport voor het belastingjaar 2022. Dat de gemeente het tarief van de onroerendezaakbelasting zelf mag bepalen, is in strijd is met de wet. Bovendien wordt de straat van eiser niet goed schoongemaakt, terwijl de opbrengsten van de onroerendezaakbelastingen daar wel aan zou moeten worden besteed.\n\n3.1.. Voor de beoordeling van deze beroepsgrond zijn de volgende regels van belang. Aan een onroerende zaak wordt een waarde toegekend.Deze waarde is gelijk aan de prijs die de meestbiedende koper zou betalen bij een verkoop op de meest geschikte wijze na de beste voorbereiding.De heffingsambtenaar moet aannemelijk maken dat hij de waarde van de woning niet op een te hoog bedrag heeft vastgesteld.\n\n3.2.. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de heffingsambtenaar aannemelijk gemaakt dat de waarde van de woning niet te hoog is vastgesteld. De waarde van de woning is bepaald door middel van een methode van systematische vergelijking met woningen waarvan marktgegevens beschikbaar zijn, waarbij de verschillen tussen de woningen en de vergelijkingsobjecten voldoende zijn toegelicht. De heffingsambtenaar heeft in beroep de woning vergeleken met vijf vergelijkingsobjecten, namelijk [adres 1] , [adres 2] , [adres 3] , [adres 4] en [adres 4] in [locatie 1] . De vergelijkingsobjecten zijn gelegen in dezelfde wijk als de woning en hebben een vergelijkbaar bouwjaar. Net als de woning hebben de vergelijkingsobjecten een relatief kleinere woonoppervlakte en een relatief grotere perceeloppervlakte. De vergelijkingsobjecten zijn daarom bruikbaar bij de waardering. Anders dan eiser betoogt, hoeven de vergelijkingsobjecten niet identiek te zijn aan de te waarderen woning. Uit de taxatiematrix blijkt dat de heffingsambtenaar rekening heeft gehouden met de verschillen tussen de woning en de vergelijkingsobjecten, zowel wat betreft de ondergemiddelde voorzieningen en staat van onderhoud van de woning als de verschillen in woon- en perceeloppervlakte tussen de woning en de vergelijkingsobjecten. Voor zover het perceel van de woning groter is dan de gemiddelde perceeloppervlakte van de vergelijkingsobjecten, heeft de heffingsambtenaar daaraan geen waarde toegekend.3.3.. Wat eiser verder heeft aangevoerd, leidt niet tot een ander oordeel. De heffingsambtenaar is niet verplicht een inpandige opname van de woning van eiser te doen. Dat de taxateur van de heffingsambtenaar in dienst is van de gemeente Dordrecht, doet geen afbreuk aan de conclusie dat de heffingsambtenaar aannemelijk heeft gemaakt dat de waarde van de woning niet te hoog is vastgesteld, omdat het taxatierapport inzichtelijk en transparant de waarde van de woning onderbouwt. De heffingsambtenaar heeft betwist dat het taxatierapport voor het belastingjaar 2024 gelijk is aan dat van 2022. Eiser heeft het taxatierapport voor het belastingjaar 2022 niet overgelegd, zodat de rechtbank de stelling van eiser niet kan controleren. De gemeenteraad is bevoegd het tarief van de onroerendezaakbelasting vast te stellen.Anders dan bij de heffing van gemeentelijke rechten, zoals bedrijfsreinigingsrechten, is de gemeente Dordrecht geen tegenprestatie verschuldigd voor de onroerendezaakbelasting.Dat de straat van eiser volgens hem niet schoon genoeg is, tast de bevoegdheid van de heffingsambtenaar om een aanslag onroerendezaakbelasting op te leggen dus niet aan.\n\n3.4.. \n\nOp verzoek van eiser overweegt de rechtbank ter voorlichting als volgt. Het staat iemand die het niet eens is met de WOZ-waarde van zijn woning vrij om op eigen kosten een taxatie van de woning te laten verrichten. Als de rechtbank in beroep tot het oordeel komt dat de WOZ-waarde te hoog is vastgesteld, dan kan de rechtbank bepalen dat de heffingsambtenaar de taxatiekosten geheel of gedeeltelijk moet vergoeden. Daarbij past de rechtbank het Besluit proceskosten bestuursrecht toe. Aanslag riool- en afvalstoffenheffing (ROT 24\u002F7603)\n\n4. Eiser betoogt dat de heffingsambtenaar zijn bezwaar ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard, omdat hij de aanslag riool- en afvalstoffenheffing, met dagtekening 30 april 2024, gelijktijdig heeft ontvangen met de aanslag onroerendezaakbelasting, met dagtekening 31 mei 2024. Eiser heeft vervolgens tegen beide aanslagen bezwaar gemaakt op 12 juni 2024. Verder is eiser het er niet mee eens dat hij zowel rioolheffing betaalt als eigenaar en als gebruiker van de woning.\n\n4.1.. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de heffingsambtenaar het bezwaar van eiser ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard. De heffingsambtenaar heeft geen verzendadministratie overgelegd van de aanslag riool- en afvalstoffenheffing. De rechtbank gaat er daarom vanuit dat eiser die aanslag inderdaad gelijktijdig heeft ontvangen met de aanslag onroerendezaakbelasting. Dat betekent dat eiser tijdig bezwaar heeft gemaakt tegen de aanslag riool- en afvalstoffenheffing. Het beroep is gegrond en de uitspraak op bezwaar van 24 juli 2024 zal worden vernietigd.\n\n4.2.. Eiser heeft de rechtbank verzocht een inhoudelijk oordeel te geven over de zaak.De rechtbank verwijst de zaak daarom niet terug naar de heffingsambtenaar, maar zal zelf in de zaak voorzien.4.3.. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de heffingsambtenaar terecht een aanslag rioolheffing eigenaren en een aanslag rioolheffing gebruikers aan eiser opgelegd. Op grond van artikel 228a van de Gemeentewet mogen twee soorten rioolheffing worden geheven, ter zake van, kort gezegd, huishoudelijk afvalwater en afvloeiend hemelwater. Op grond van artikel 3 van de Verordening op de heffing en invordering van rioolheffing 2024 van de gemeente Dordrecht wordt de rioolheffing inzake huishoudelijk afvalwater geheven van eigenaren van een perceel dat is aangesloten op de gemeentelijke riolering. Op grond van dezelfde bepaling wordt de rioolheffing inzake afvloeiend hemelwater geheven van de gebruiker van een perceel van waaruit water direct of indirect op de gemeentelijke riolering wordt afgevoerd. Eiser is eigenaar en gebruiker van het perceel. Hij heeft niet betwist dat zijn perceel is aangesloten op de gemeentelijke riolering en dat vanuit zijn perceel water direct of indirect op de gemeentelijke riolering wordt afgevoerd. De aanslagen zijn daarom terecht opgelegd.\n\n4.4.. Het voorgaande betekent dat het bezwaar van eiser tegen de aanslag riool- en afvalstoffenheffing ongegrond moet worden verklaard. Conclusie en gevolgen\n\n5. Het beroep in de zaak ROT 24\u002F7602 is ongegrond. Dat betekent dat de WOZ-waarde hetzelfde blijft. Eiser krijgt het griffierecht in deze zaak niet terug.\n\n6. Het beroep in de zaak ROT 24\u002F7603 is gegrond. De rechtbank zal de uitspraak op bezwaar van 24 juli 2024 vernietigen. De heffingsambtenaar moet in deze zaak het betaalde griffierecht aan eiser vergoeden. De rechtbank voorziet zelf in de zaak door het bezwaar van eiser ongegrond te verklaren. Dat betekent dat de aanslag riool- en afvalstoffenheffing in stand blijft.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\nverklaart het beroep in de zaak ROT 24\u002F7602 ongegrond;\n\nverklaart het beroep in de zaak ROT 24\u002F7603 gegrond;\n\nvernietigt de uitspraak op bezwaar van 24 juli 2024;\n\nverklaart het bezwaar van eiser tegen de beschikking van 30 april 2024 ongegrond;\n\nbepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde uitspraak op bezwaar;\n\nbepaalt dat de heffingsambtenaar het betaalde griffierecht van € 51,- aan eiser vergoedt.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. R.J.P. Ferwerda, rechter, in aanwezigheid van mr. S. de Bloois, griffier. Uitgesproken op 29 mei 2026.\n\ngriffier\n\nrechter\n\nDeze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert wordt een afschrift aangetekend per post verzonden.\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Den Haag waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.\n\nDigitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Den Haag (belastingkamer), Postbus 20302, 2500 EH Den Haag.\n\nKan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Den Haag vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.\n\n Artikel 17, eerste lid, van de Wet WOZ.\n\nKamerstukken II1992\u002F93, 22885, nr. 3, p. 44.\n\n HR 14 oktober 2005, ECLI:NL:HR:2005:AU4300.\n\n Artikel 220f, eerste lid, van de Gemeentewet.\n\n Vgl. artikel 229 van de Gemeentewet.\n\n Vgl. HR 9 juni 2006, ECLI:NL:HR:2006:AX7330.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2026:7840","ecli-nl-rbrot-2026-7840",{"courtName":6,"legalDomain":58,"decisionType":22,"procedureType":23},"Bestuursrecht",{"id":60,"ecli":61,"caseNumber":14,"courtId":5,"courtName":14,"decisionDate":62,"fullText":63,"language":7,"source":17,"sourceUrl":64,"summary":14,"slug":65,"metadata":66},"1379","ECLI:NL:RBROT:2026:7864","2026-04-16T00:00:00.000Z","Rechtbank RotterdamZittingsplaats Dordrecht\n\nMeervoudige kamer strafzaken\n\nParketnummer: 10\u002F087549-25\n\nDatum uitspraak: 16 april 2026\n\nDatum zitting: 2 april 2026\n\nTegenspraak\n\nVerdachte:\n\n [verdachte] ,\n\ngeboren op [geboortedatum] 1987 in [geboorteplaats] ,\n\ningeschreven op het adres: [adres] , [postcode] [woonplaats] ,\n\nAdvocaat van de verdachte: mr. G.A.J. Purperhart\n\nOfficier van justitie: mr. H.H. Balk\n\nBenadeelde partij: [benadeelde partij]\n\nAdvocaat van de benadeelde partij: mr. J.V. van Blitterswijk\n\nKern van het vonnis\n\nDe verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan zware mishandeling. De rechtbank legt aan de verdachte een gevangenisstraf op voor de duur van 90 dagen, met aftrek van voorarrest, waarvan 89 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren en een taakstraf voor de duur van 100 uren. De vordering van de benadeelde partij wordt gedeeltelijk toegewezen.1. Tenlastelegging\n\nDe officier van justitie beschuldigt de verdachte ervan dat hij [slachtoffer] zwaar heeft mishandeld. Subsidiair is dit ten laste gelegd als een poging tot zware mishandeling en meer subsidiair als een mishandeling. De volledige tenlastelegging houdt in dat:\n\nPrimair:\n\nhij op of omstreeks 4 september 2024 te Capelle aan den IJssel\n\naan [slachtoffer]\n\nopzettelijk\n\nzwaar lichamelijk letsel, te weten een gebroken kaak en\u002Fof traumatisch hersenletsel, heeft toegebracht door\n\n- die [slachtoffer] meermalen in\u002Fop\u002Ftegen het hoofd en\u002Fof het lichaam te slaan, waardoor die [slachtoffer] ten val is gekomen en\u002Fof\n\n- ( vervolgens) terwijl die [slachtoffer] op de grond lag, die [slachtoffer] meermalen in\u002Fop\u002Ftegen het hoofd en\u002Fof het lichaam te schoppen en\u002Fof te slaan\n\nsubsidiair\n\nhij op of omstreeks 4 september 2024 te Capelle aan den IJssel ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om\n\naan een ander, te weten [slachtoffer]\n\nopzettelijk\n\nzwaar lichamelijk letsel toe te brengen\n\n- die [slachtoffer] meermalen in\u002Fop\u002Ftegen het hoofd en\u002Fof het lichaam heeft geslagen, waardoor die [slachtoffer] ten val is gekomen en\u002Fof\n\n- ( vervolgens) terwijl die [slachtoffer] op de grond lag, die [slachtoffer] meermalen in\u002Fop\u002Ftegen het hoofd en\u002Fof het lichaam heeft geslagen en\u002Fof geschopt,\n\nterwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid\n\nmeer subsidiair\n\nhij op of omstreeks 4 september 2024 te Capelle aan den IJssel\n\n [slachtoffer] heeft mishandeld door\n\n- die [slachtoffer] meermalen in\u002Fop\u002Ftegen het hoofd en\u002Fof het lichaam te slaan, waardoor die [slachtoffer] ten val is gekomen en\u002Fof\n\n- ( vervolgens) terwijl die [slachtoffer] op de grond lag, die [slachtoffer] meermalen in\u002Fop\u002Ftegen het hoofd en\u002Fof het lichaam te schoppen en\u002Fof te slaan,\n\nterwijl het feit zwaar lichamelijk letsel ten gevolge had;2. Bewijs2.1.. \n\nVordering van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld voor het primair ten laste gelegde.2.2.. \n\nConclusie van de verdediging\n\nDe verdediging heeft vrijspraak bepleit voor alle varianten van het ten laste gelegde feit.2.3.. Oordeel van de rechtbank2.3.1.. \n\nBewezenverklaring en bewijsmiddelen\n\nBewezen is dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan zware mishandeling. De volledige bewezenverklaring is vermeld in paragraaf 2.3.3. De bewezenverklaring is gebaseerd op de hieronder opgenomen inhoud van de bewijsmiddelenen de onderstaande bewijsmotivering.\n\n1. Verklaring van de verdachte\n\nHet klopt dat ik het slachtoffer heb geslagen en geschopt. Het slachtoffer kwam daardoor ten val. Het klopt ook dat ik het slachtoffer heb geslagen en geschopt toen hij op de grond lag.\n\n2. Verklaring van de verdachte\n\nIk heb de man zeker twee keer goed geraakt met mijn rechter vuist in zijn gezicht.\n\n3. Proces-verbaal van de politie, bevindingen\n\nOp 4 september 2024 kwamen wij, verbalisanten, ter plaatse op de parkeerplaats bij [winkelcentrum] in Capelle aan den IJssel ter hoogte van de Albert Heijn. Wij zagen dat er meerdere mensen bij een voertuig stonden. Wij zagen dat in dit voertuig een man zat en zagen dat deze man een wond op zijn hoofd had en dat er bloed uit kwam. Ook zagen wij dat de man glazig uit zijn ogen keek en wij roken een alcohol lucht. Ik, verbalisant, vroeg de man op een op naam gesteld identiteitsbewijs. De man overhandigde mij een op naam gesteld identiteitsbewijs. De man betrof: ----- [slachtoffer]\n\n4. Verklaring van de getuige [getuige 1]\n\nToen liep ik naar de auto op de parkeerplaats van [winkelcentrum] , bij de Albert Heijn, was het al begonnen tussen een oudere man en een jongere man. Ze gingen vechten. Toen ik in de auto zat zag ik dat de oude man meerdere keren op zijn hoofd werd geschopt. De oude man lag op de grond. Het tegen het hoofd schoppen zag ik uit de linker zijkant van de auto en dat geluid hoorde ik ook echt zelfs in de auto. Er is 6 of 7 keer geschopt denk ik. Of dat allemaal tegen het hoofd was durf ik niet met zekerheid te zeggen.\n\n5. Verklaring van de getuige [getuige 2]\n\nIk ging boodschappen ging doen bij de AH. Het slachtoffer lag op zijn zij op de grond met zijn handen voor zijn gezicht en werd tegen zijn achterkant op zijn rug geschopt en naar mijn idee tegen zijn gezicht geslagen. Verdachte ging met zijn knie bovenop hem zitten en bleef hem slaan.\n\n6. Verklaring van de getuige [getuige 2]\n\nIk ging boodschappen doen bij de Albert Heijn bij het [winkelcentrum] . Een blanke man (rechtbank: slachtoffer) en een getinte man (rechtbank: verdachte) stonden tegenover elkaar. Ik zag dat het slachtoffer meerdere klappen kreeg richting het hoofd en bovenlichaam. Het slachtoffer viel vervolgens naar de grond en de tegenpartij (rechtbank: verdachte) bleef slaan en schoppen naar het slachtoffer. Er is ook geschopt tegen het lijf van het slachtoffer. Hij raakte hem waar hij hem raken kon.\n\n7. Schriftelijk stuk, FARR-verklaring\n\n18-11-24, betreffende [slachtoffer] .\n\nS Informatie ontvangen van IJsselland Ziekenhuis afdeling kaakchirurgie, betreffende een bezoek aan de polikliniek aldaar op 05-09-2024. O Bij lichamelijk en beeldvormend onderzoek werd gezien: - Huidbeschadigingen in het aangezicht (aantal, precieze locatie en afmetingen niet nader gespecificeerd); - Een breuk van de hoek van de onderkaak aan de linkerzijde, waarbij de boven- en onderkaak niet meer recht op elkaar stonden, E Bij lichamelijk onderzoek was tevens sprake van een verminderd gevoel in de onderlip. Er werd op 05-09-2024 een operatie uitgevoerd waarbij de breuk van de kaak werd hersteld met een metalen plaat en vier schroeven. Betrokkene kreeg antibiotica en een zacht dieet voorgeschreven. Na de operatie vond een controle plaats op de polikliniek. De breuk was genezende en de kaken stonden weer recht op elkaar, wel was er nog sprake van het verminderde gevoel in de onderlip. Ook was er niet voldoende weefsel over de plaat en schroeven heen gegroeid waardoor dit bloot lag. Er zal later een operatie moeten plaatsvinden om de plaat en schroeven te verwijderen. P De genezingsduur betreft tenminste zes weken, ten tijde van opstellen van dit rapport is de behandeling nog niet afgerond. Er bestaat een kans op blijvend letsel (verminderd gevoel aan de onderlip).\n\n8. Schriftelijk stuk, aanvullend verhoor aangever [aangever]\n\nOp 27 februari 2025 werd door mij gehoord de aangever. Ik kan niet goed kan praten. Ik heb nog steeds een plaat in mijn kaak. Ik heb de hele tijd het gevoel dat de helft van mijn gezicht verdoofd is. Ik heb sinds een paar dagen een ontsteking op de plaats waar de plaat zit.2.3.2.. \n\nBewijsmotivering\n\nVast staat dat de verdachte de aangever tegen het hoofd en het gezicht, dat een onderdeel van het hoofd is, en tegen het lichaam heeft geschopt en geslagen. Het geweld was zo hard dat de aangever hierdoor is gevallen. Toen hij op de grond lag, is de verdachte nog doorgegaan met schoppen en slaan. Hij is pas opgehouden toen zijn toenmalige partner hem wegtrok.\n\nDe aangever heeft hierdoor letsel aan zijn gezicht en een gebroken kaak opgelopen waaraan hij moest worden geopereerd. Uit de (medische) stukken blijkt dat de aangever direct na de operatie kampte met zenuwschade in zijn gezicht, welke schade ook maanden na het incident nog niet was hersteld. Op de terechtzitting heeft de aangever verteld dat het gevoel aan die kant van zijn gezicht nu – zo’n anderhalf jaar later – nog steeds niet terug is en dat hij een tweede operatie heeft moeten ondergaan om de plaat en schroeven te laten verwijderen. De rechtbank ziet geen reden hieraan te twijfelen.\n\nZwaar lichamelijk letsel\n\nGezien de aard van het letsel, de noodzaak van medische behandelingen en het nog niet volledige herstel merkt de rechtbank het letsel aan als zwaar lichamelijk letsel. De rechtbank acht het opgelopen traumatisch hersenletsel niet bewezen. De verdachte wordt daarvan partieel vrijgesproken.\n\nOpzet\n\nDe verdediging heeft aangevoerd dat het opzet op het teweegbrengen van zwaar lichamelijk letsel ontbreekt. Naar het oordeel van de rechtbank kan op grond van het dossier en het verhandelde ter zitting niet worden vastgesteld dat de verdachte vol opzet heeft gehad op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel. De vraag is dus of de verdachte daar wel voorwaardelijk opzet op heeft gehad. De rechtbank beantwoordt die vraag bevestigend.\n\nUit de diverse verklaringen volgt dat de verdachte de aangever meerdere keren met kracht tegen het gezicht en tegen het lichaam heeft geschopt en geslagen, ook toen hij op de grond lag. Het hoofd – en meer in het bijzonder het gezicht – is een kwetsbaar deel van het menselijk lichaam. Als men daar met kracht op slaat en tegenaan schopt en daar zelfs mee doorgaat terwijl het slachtoffer weerloos op de grond ligt, zoals de verdachte heeft gedaan, is naar algemene ervaringsregels de kans dat dit slachtoffer zwaar lichamelijk letsel oploopt aanmerkelijk. Door op deze wijze te handelen, heeft de verdachte deze kans ook bewust aanvaard. Daarmee is het voorwaardelijk opzet op het zwaar lichamelijk letsel gegeven.\n\nDe verdediging heeft daarnaast bepleit dat de verdachte moet worden vrijgesproken, omdat hem een beroep op noodweer toekomt. De aangever bleef alsmaar de confrontatie met de verdachte opzoeken en haalde als eerste uit. De verdachte mocht zich hiertegen verweren.\n\nVoor een geslaagd beroep op noodweer moet aannemelijk zijn geworden dat het handelen van de verdachte was geboden voor de noodzakelijke verdediging van zijn eigen of eens anders lijf, eerbaarheid of goed tegen een ogenblikkelijke en wederrechtelijke aanranding.\n\nMet de verdediging is de rechtbank van oordeel dat sprake was van een ogenblikkelijke en wederrechtelijke aanranding. Uit het dossier blijkt dat de aangever de verdachte aan het uitdagen was, de confrontatie met hem opzocht en ook als eerste uithaalde. Echter, uit het dossier blijkt ook dat de aangever onder invloed was en missloeg. Onder die omstandigheden bestond voor de verdachte geen noodzaak meerdere keren te slaan en te schoppen en daarmee door te gaan toen de aangever op de grond lag. Bovendien bevond de verdachte zich niet in een kleine ruimte waaruit hij moeilijk weg kon, maar op de rijbaan van een parkeerplaats buiten op straat. Daarmee had de verdachte de mogelijkheid zich van de situatie te distantiëren door weg te lopen, zoals hij eerst ook deed, of in zijn auto te gaan zitten (en weg te rijden). Hij had dus anders kunnen en moeten reageren. De rechtbank is dan ook van oordeel dat het voor de verdachte niet noodzakelijk was zich tegen de aanranding te verdedigen en zijn handelen ook niet in verhouding staat tot de ernst van de aanranding. Het beroep op (putatief) noodweer wordt derhalve verworpen.2.3.3.. Volledige bewezenverklaring\n\nBewezen is dat:\n\nPrimair:\n\nhij op of omstreeks4 september 2024 te Capelle aan den IJssel\n\naan [slachtoffer]\n\nopzettelijk\n\nzwaar lichamelijk letsel, te weten een gebroken kaak en\u002Fof traumatisch hersenletsel, heeft toegebracht door\n\n- die [slachtoffer] meermalen in\u002Fop\u002Ftegen het hoofd en\u002Fofhet lichaam te slaan, waardoor die [slachtoffer] ten val is gekomen en\u002Fof\n\n- ( vervolgens) terwijl die [slachtoffer] op de grond lag, die [slachtoffer] meermalen in\u002Fop\u002Ftegen het hoofd en\u002Fofhet lichaam te schoppen en\u002Fofte slaan3. Kwalificatie en strafbaarheid3.1.. \n\nKwalificatie\n\nHet bewezen feit levert het volgende strafbare feit op:\n\nPrimair: zware mishandeling\n\n3.2.. \n\nStrafbaarheid van het feit en van de verdachte\n\nHet feit en de verdachte zijn strafbaar.\n\nDe rechtbank heeft het beroep op noodweer in paragraaf 2.3.2. verworpen. Nu geen sprake was van een noodweersituatie kan ook geen sprake zijn van noodweerexces. Dit verweer wordt daarom ook verworpen.4. Straf4.1.. \n\nEis van de officier van justitie\n\nDe verdachte moet worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 6 maanden, met aftrek van voorarrest.4.2.. \n\nStandpunt van de verdediging\n\nDe verdediging heeft verzocht een taakstraf op te leggen van 180 uren, al dan niet gedeeltelijk voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren, of anders een voorwaardelijke gevangenisstraf.4.3.. Oordeel van de rechtbank4.3.1.. \n\nErnst en omstandigheden van het feit\n\nDe verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan zware mishandeling door het slachtoffer meermalen te schoppen en te slaan, onder andere tegen zijn gezicht. Dit is een ernstig feit, dat onder meer heeft geleid tot een kaakbreuk, waarvoor een operatie noodzakelijk was, en zenuwschade. Het slachtoffer heeft door de mishandeling veel pijn gehad, kon zekere periode niet werken en heeft beperkingen gehad bij onder meer het praten. Ter terechtzitting heeft het slachtoffer verklaard dat hij nog steeds last heeft van wat hem die dag is aangedaan. De rechtbank rekent het de verdachte aan dat hij zich op klaarlichte dag op de parkeerplaats van een winkelcentrum zo agressief heeft gedragen. Hij heeft zich niet laten weerhouden door omstanders die riepen ermee te stoppen en is er pas mee opgehouden toen zijn toenmalige partner hem wegtrok. Dit soort geweld roept gevoelens van onveiligheid en angst op in de samenleving, met name bij de slachtoffers, maar ook bij getuigen van dit geweld en omwonenden.4.3.2.. \n\nPersoon en persoonlijke omstandigheden\n\nStrafblad\n\nUit het strafblad (uittreksel justitiële documentatie) van 17 februari 2026 blijkt dat de verdachte eerder, maar niet recentelijk, onherroepelijk is veroordeeld voor strafbare feiten.4.3.3.. \n\nOplegging straf\n\nDe ernst van het feit rechtvaardigt, mede gelet op de straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd, in beginsel een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Echter, gelet op de persoonlijke omstandigheden van de verdachte zie de rechtbank aanleiding om het overgrote gedeelte van deze gevangenisstraf voorwaardelijk op te leggen. De rechtbank verbindt aan deze voorwaardelijke gevangenisstraf de voorwaarde die hierna wordt genoemd. Dit voorwaardelijke strafdeel dient er tevens toe de verdachte ervan te weerhouden in de toekomst opnieuw strafbare feiten te plegen. Om de ernst van het feit tot uitdrukking te brengen, zal de rechtbank de verdachte daarnaast veroordelen tot een onvoorwaardelijke taakstraf.5. Vordering van de benadeelde partij5.1.. \n\nVordering [benadeelde partij]\n\n heeft als benadeelde partij € 18.500,- als vergoeding voor immateriële schade gevorderd, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.5.2.. \n\nStandpunt van de officier van justitie\n\nDe vordering van de benadeelde partij kan worden toegewezen tot een bedrag van € 17.500,-, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De benadeelde partij kan niet-ontvankelijk worden verklaard in het overige deel van de vordering aangezien dit overige deel ziet op een eventueel hoger beroep.5.3.. \n\nStandpunt van de verdediging\n\nDe benadeelde partij moet, gelet op de bepleite vrijspraak, niet-ontvankelijk worden verklaard in zijn vordering. Verder heeft de verdediging met een beroep op de Rotterdamse schaal toewijzing van een lager bedrag (€ 7.500,-) bepleit.5.4.. Oordeel van de rechtbank5.4.1.. \n\nImmateriële schade\n\nDe benadeelde partij heeft als gevolg van het strafbare feit rechtstreeks schade geleden. Hij heeft namelijk lichamelijk letsel opgelopen, waardoor hij op grond van artikel 6:106, aanhef en onder b, van het Burgerlijk Wetboek recht heeft op een naar billijkheid vast te stellen vergoeding van zijn immateriële schade.\n\nDe vergoeding voor immateriële schade wordt toegewezen tot een bedrag van € 3.000,-. Hierbij is in het bijzonder rekening gehouden met de aard van de aansprakelijkheid en de ernst van het aan de verdachte te maken verwijt en de aanleiding van het incident. Verder is acht geslagen op bedragen die in vergelijkbare gevallen zijn toegekend.5.4.2.. \n\nWettelijke rente, proceskosten en schadevergoedingsmaatregel\n\nDe benadeelde partij heeft gevorderd de schadevergoeding te vermeerderen met de wettelijke rente. De rechtbank wijst de wettelijke rente toe vanaf 4 september 2024.\n\nDe rechtbank veroordeelt de verdachte in de proceskosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en die hij bij de tenuitvoerlegging nog zal maken, omdat de vordering van de benadeelde partij wordt toegewezen. Deze kosten worden tot vandaag begroot op nihil.\n\nDe rechtbank legt de schadevergoedingsmaatregel op als bedoeld in artikel 36f Sr. Dit betekent dat de verdachte de schadevergoeding aan de staat moet betalen en de staat het bedrag uitkeert aan de benadeelde partij. Als dwangmiddel kan gijzeling worden toegepast voor de duur van maximaal 30 dagen. De toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.6. Wettelijke voorschriften\n\nDe oplegging van deze straf is op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36f en 302 van het Wetboek van Strafrecht.7. Beslissingen\n\nDe rechtbank:\n\nverklaart bewezen dat de verdachte het feit, zoals in hoofdstuk 2.3.3. is omschreven, heeft gepleegd;\n\nstelt vast dat het bewezenverklaarde oplevert het in hoofdstuk 3 vermelde strafbare feit;\n\nverklaart de verdachte strafbaar;\n\nveroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf van 90 (negentig) dagen;\n\nbeveelt dat de tijd die door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, in mindering wordt gebracht op de gevangenisstraf, voor zover deze tijd niet al op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;\n\nbepaalt dat 89 dagen van deze gevangenisstrafniet ten uitvoer zullen worden gelegd, tenzij de rechter later anders beslist;\n\nverbindt hieraan een proeftijd, die wordt gesteld op 2 jaar, waarbij tot tenuitvoerlegging van het voorwaardelijke gedeelte van de straf kan worden beslist als de verdachte de onderstaande voorwaarde niet naleeft;\n\nstelt als algemene voorwaarde dat:\n\n- de verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet aan een strafbaar feit schuldig maakt;\n\nveroordeelt de verdachte tot een taakstraf van 100 (honderd) uur, waarbij de reclassering bepaalt uit welke werkzaamheden deze taakstraf zal bestaan;\n\nbeveelt dat, voor het geval de verdachte de taakstraf niet (goed) verricht, vervangende hechteniszal worden toegepast voor de duur van 50 dagen;\n\nveroordeelt de verdachte aan de benadeelde partij [benadeelde partij] te betalen een bedrag van € 3.000,-als vergoeding van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente hierover vanaf 4 september 2024 tot de dag van volledige betaling;\n\nverklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in het resterende deel van zijn vordering en bepaalt dat dit deel van de vordering kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;\n\nveroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte proceskosten, tot op vandaag begroot op nihil, en in de nog te maken kosten voor de tenuitvoerlegging van dit vonnis;\n\nlegt aan de verdachte voor het feit de maatregel tot schadevergoedingop, wat inhoudt dat de verdachte de verplichting heeft om ten behoeve van de benadeelde partij [benadeelde partij] aan de staat€ 3.000,-te betalen, alsmede de wettelijke rente hierover vanaf 4 september 2024 tot aan de dag van de gehele betaling. Bepaalt dat, indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt,gijzelingkan worden toegepast voor de duur van maximaal30dagen. De toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op;\n\nbepaalt dat de verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij de schade aan de benadeelde partij of aan de staat heeft vergoed.8. Samenstelling rechtbank en ondertekening\n\nDit vonnis is gewezen door:\n\nmr. I. Bouter, voorzitter,\n\nen mrs. A.M. van der Leeden en T. Urbanus, rechters,\n\nin tegenwoordigheid van mr. E.P. de Jong, griffier,\n\nen uitgesproken op de openbare zitting van deze rechtbank op 16 april 2026.\n\nMr. T. Urbanus is niet in de gelegenheid dit vonnis te ondertekenen.\n\nDe exacte vindplaatsen van de bewijsmiddelen zijn genoemd in de bijbehorende voetnoot. Als wordt verwezen naar paginanummers, wordt - tenzij anders vermeld - gedoeld op paginanummers uit het zaaksdossier met nummer [dossiernummer] .\n\nGedaan op de terechtzitting van 2 april 2026.\n\n Pagina’s 31-37.\n\nPagina’s 6-8.\n\n Proces-verbaal van getuigenverhoor ten overstaan van de rechter-commissaris.\n\n Proces-verbaal van getuigenverhoor ten overstaan van de rechter-commissaris.\n\n Pagina’s 19-20.\n\n Pagina’s 17-18\n\n Pagina 14.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2026:7864","ecli-nl-rbrot-2026-7864",{"courtName":6,"legalDomain":21,"decisionType":22,"procedureType":23},{"id":68,"ecli":69,"caseNumber":14,"courtId":5,"courtName":14,"decisionDate":62,"fullText":70,"language":7,"source":17,"sourceUrl":71,"summary":14,"slug":72,"metadata":73},"1376","ECLI:NL:RBROT:2026:7863","Rechtbank RotterdamZittingsplaats Dordrecht\n\nMeervoudige kamer strafzaken\n\nParketnummer: 10\u002F350924-25\n\nDatum uitspraak: 16 april 2026\n\nDatum zitting: 2 april 2026\n\nTegenspraak\n\nVerdachte\n\n [verdachte] ,\n\ngeboren op [geboortedatum 1] 1986 in [geboorteplaats 1] ,\n\ningeschreven op het adres:\n\n [adres 1] , [postcode] [woonplaats] ,\n\ngedetineerd in de Penitentiaire Inrichting te [verblijfsplaats] .\n\nAdvocaat van de verdachte: mr. C.J.J. Kwint\n\nOfficier van justitie: mr. X.R. van Balen\n\nKern van het vonnis\n\nDe verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het voorhanden hebben van een handgranaat. De rechtbank legt aan de verdachte een gevangenisstraf op voor de duur van 12 maanden, met aftrek van voorarrest.1. Tenlastelegging\n\nDe officier van justitie beschuldigt de verdachte ervan dat hij een handgranaat voorhanden heeft gehad. De volledige tenlastelegging houdt in dat:\n\nhij op of omstreeks 26 december 2025 te Schiedam een wapen als bedoeld in artikel 2 lid 1 Categroie II onder 7 van de Wet wapens en munitie, te weten een voorwerp bestemd voor het treffen van personen of zaken door vuur of doormiddel van ontploffing (namelijk een handgranaat), voorhanden heeft gehad;2. Bewijs2.1.. \n\nVordering van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld voor het ten laste gelegde feit.2.2.. \n\nConclusie van de verdediging\n\nDe verdediging heeft vrijspraak bepleit voor het ten laste gelegde feit.2.3.. Oordeel van de rechtbank2.3.1.. \n\nBewezenverklaring en bewijsmiddelen\n\nBewezen is dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het voorhanden hebben van een handgranaat. De volledige bewezenverklaring is vermeld in paragraaf 2.3.3. De bewezenverklaring is gebaseerd op de hieronder opgenomen inhoud van de bewijsmiddelenen de onderstaande bewijsmotivering.\n\n1. Verklaring van de verdachte\n\nHet klopt dat ik in het bezit was van een handgranaat.\n\n2. Proces-verbaal van de politie, bevindingen\n\nOp 26 december 2025 omstreeks 00.35 uur kregen wij het verzoek om te gaan richting [adres 2] te Schiedam. Daar zou de broer van melder voor de voordeur staan. De broer van melder was agressief en zou tegen de voordeur aan trappen.\n\nOp 26 december 2025 kwamen wij, verbalisanten, ter plaatse aan [adres 2] ter hoogte van pandnummer [nummer] . Wij zagen dat dat de hondengeleider, [kentekennummer] , al ter plaatse was en bij een man stond die later bleek te zijn: [verdachte] geboren op [geboortedatum 1] 1986 te [geboorteplaats 1]\n\nIk hoorde dat de, toen nog onbekende man, geen geldig identificerend document bij zich had, waarna de politiefunctionaris van [kentekennummer] hem onderwierp aan een identiteits-fouillering. Ik zag dat hij hierbij diverse spullen uit de jaszak van, de toen nog onbekende man, haalde, waaronder een plastic tasje. Ik zag dat de politiefunctionaris deze op de grond neerlegde. (...)\n\nIk zag dat er een man in de opening van de voordeur stond aan de [adres 2] te Schiedam. Ik liep richting de man en deze bleek de melder en tevens halfbroer van [verdachte] te zijn en betrof: [persoon A] geboren op [geboortedatum 2] 1997 te [geboorteplaats 2] . Ik hoorde dat [persoon A] verklaarde dat hij [verdachte] niet in zijn huis wilde hebben en hem daarom geen toegang verschafte tot de woning. Ik heb [persoon A] vervolgens naar binnen gestuurd, omdat ik zag en hoorde dat [verdachte] zich op dat moment recalcitrant opstelde richting de politiefunctionaris van [kentekennummer] .\n\nWij zagen dat [verdachte] duidelijk onder invloed was. [verdachte] sprak namelijk met een dubbele tong en was onvast ter been. Wij hoorden dat [verdachte] hard aan het schreeuwen was en wij zagen dat hierdoor meerdere buurtbewoners voor hun raam stonden en naar buiten keken in onze richting. Gezien het tijdstip zorgde dit voor veel overlast in de straat. Ik zag en hoorde dat [verdachte] de straat, op aanwijzing van de politiefunctionaris van [kentekennummer] , weigerde te verlaten. [verdachte] begon de politiefunctionaris van [kentekennummer] daarbij te beledigen. [verdachte] riep namelijk met luide stem teksten als: \"Ik neuk je kanker moeder, ik pak je kanker moeder wel\". [verdachte] begon zich steeds meer recalcitrant op te stellen richting ons verbalisanten.\n\nIk heb [verdachte] samen met de politiefunctionaris van [kentekennummer] , op 26 december 2025 aangehouden ter zake openbaar dronkenschap. Wij hebben [verdachte] daarbij achter in het dienstmotorvoertuig geplaatst. Wij zagen dat de politiefunctionaris van [kentekennummer] , in de richting liep van de spullen, die bij zijn eerdere identiteitsfouillering, uit de jaszak van [verdachte] kwamen. De politiefunctionaris van [kentekennummer] onderwierp het meegevoerde plastic tasje aan een vervoersfouillering. Wij zagen dat de politiefunctionaris van [kentekennummer] zich bij ons aan sloot en het plastic tasje open deed en de inhoud van het tasje aan ons liet zien. Wij zagen dat er een voorwerp in het tasje lag welke wij beiden direct herkenden als zijnde handgranaat.\n\n3. Proces-verbaal van de politie, bevindingen\n\nEOD kwam ter plaatse op [adres 2] en hebben de handgranaat onschadelijk gemaakt. (...) Volgens de EOD ging het om een echte handgranaat gevuld met springstof en metalen ballen van het merk M75.\n\n4. Deskundigenverslag\n\n1. Betreft het een bekende explosieve constructie? Zo ja, wat is de herkomst? - Ja, de vermeende handgranaat – waarvan de losse onderdelen als onderzoeksmateriaal zijn aangeleverd – betrof een scherfhandgranaat van het type M75P3. Dit type handgranaat werd geproduceerd door de fabrikant Slavko Rodič uit Bugojno (Bosnië Herzegovina) en is in gebruik geweest bij het voormalige Joegoslavische volksleger.\n\n2. Is het een deugdelijke explosieve constructie (met andere woorden: had deze tot ontploffing kunnen worden gebracht)? - Ja, de handgranaatonderdelen oogden in gave conditie en er zijn bij het onderzoek geen onvolkomenheden geconstateerd. Ik twijfel dan ook niet aan de deugdelijkheid van de handgranaat. Wanneer de handgranaat zou zijn geactiveerd, dan zou deze tot ontploffing zijn gekomen.\n\n3. Valt een dergelijke constructie onder de Wet wapens en munitie? Ja, scherfhandgranaten van het type M75P3 –zoals de handgranaat in dit onderzoek– zijn gezien de opbouw, de werking, de uitwerking, het doel waar deze handgranaten voor zijn geproduceerd (oorlogsvoering), aan te merken als: “een voorwerp bestemd voor het treffen van personen of zaken door middel van ontploffing”, zoals vermeld in de Wet wapens en munitie, artikel 2, lid 1, categorie II, 7°.2.3.2.. \n\nBewijsmotivering\n\nDe verdachte heeft ter terechtzitting bekend dat hij een handgranaat voorhanden heeft gehad. De verdediging heeft gesteld dat de doorzoeking van de tas van de verdachte, waar de handgranaat in zat, onrechtmatig is geweest en dat daarom sprake is van onrechtmatig verkregen bewijs. Dit betreft een vormverzuim als bedoeld in artikel 359a Sv. Het bewijs moet dus worden uitgesloten van het dossier en dat zou ertoe moeten leiden dat de verdachte wordt vrijgesproken, aldus de verdediging.\n\nDe rechtbank stelt de volgende feiten vast. In de nacht van 26 december 2026 krijgen verbalisanten het verzoek te gaan naar [adres 2] in Schiedam omdat de broer van de melder (naar later blijkt de verdachte) agressief gedrag zou vertonen. Ter plekke treffen zij de verdachte aan en onderwerpen hem aan een identiteitsfouillering. Zij halen spullen uit zijn jaszak, waaronder een plastic tas. Zij constateren tevens dat de verdachte duidelijk onder invloed is. Omdat de verdachte de aanwijzingen van de verbalisanten niet opvolgde, zich recalcitrant opstelde tegen de verbalisanten en hen ook beledigde, houden zij hem aan voor openbaar dronkenschap en plaatsen hem in de politieauto. Vervolgens loopt één van de verbalisanten naar de spullen van de verdachte, die zij hadden aangetroffen tijdens de identiteitsfouillering, en onderwerpt deze aan een vervoersfouillering. Als de verbalisant de plastic tas in het kader van de vervoersfouillering opent, wordt een voorwerp gezien dat direct wordt herkend als een handgranaat.\n\nDe vervoersfouillering is geregeld in artikel 7 lid 4 Politiewet. Op grond van dit artikel hebben opsporingsambtenaren de bevoegdheid een te vervoeren persoon aan zijn kleding en de voorwerpen die hij bij zich draagt of met zich mee voert te onderzoeken op de aanwezigheid van voorwerpen die een gevaar voor de veiligheid van betrokkene of voor anderen kunnen vormen. De rechtbank is van oordeel dat de politie, gezien de hiervoor vastgestelde feiten, heeft gehandeld conform artikel 7 lid 4 Politiewet. Gelet op dit artikel waren de verbalisanten bevoegd de verdachte aan te houden en naar het politiebureau over te brengen en zijn spullen te onderwerpen aan fouillering en controle.\n\nDat conform artikel 7 lid 4 Politiewet is besloten tot de vervoersfouillering acht de rechtbank ook begrijpelijk in het licht van het feit dat de verdachte zich sinds de identiteitsfouillering steeds recalcitranter was gaan gedragen, hij de aanwijzingen van de verbalisanten niet opvolgde en hen ook had beledigd. Verbalisanten mogen in het geval van het vervoeren van een aangehouden verdachte – en zeker in dit geval – voor hun eigen veiligheid of voor de veiligheid van de verdachte of die van derden, de voorwerpen onderzoeken die de verdachte bij zich draagt of met zich meevoert. De in de plastic tas aangetroffen handgranaat is dus geen onrechtmatig verkregen bewijs. Anders dan de rechter-commissaris is de rechtbank is, die daarover uiteindelijk te oordelen heeft, van oordeel dat er geen sprake is van een vormverzuim. Zij verwerpt daarom het verweer.2.3.3.. Volledige bewezenverklaring\n\nBewezen is dat:\n\nhij op of omstreeks26 december 2025 te Schiedam een wapen als bedoeld in artikel 2 lid 1CategorieII onder 7 van de Wet wapens en munitie, te weten een voorwerp bestemd voor het treffen van personen of zaken door vuur of doormiddel van ontploffing (namelijk een handgranaat), voorhanden heeft gehad;3. Kwalificatie en strafbaarheid3.1.. \n\nKwalificatie\n\nHet bewezen feit levert het volgende strafbare feit op:\n\nhandelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een wapen van categorie II.\n\n3.2.. \n\nStrafbaarheid van het feit en van de verdachte\n\nDe verdediging heeft aangevoerd dat de verdachte moet worden ontslagen van alle rechtsvolging, omdat aan zijn handelen in de gegeven omstandigheden het wederrechtelijk karakter ontbreekt. De verdachte had de intentie de handgranaat te overhandigen aan de politie en wilde eerst aan zijn broer vragen wat hij met de situatie aan moest. De rechtbank begrijpt dat de verdachte meent dat hem een geslaagd beroep op een (niet nader gespecificeerde) rechtvaardigingsgrond toekomt.\n\nVast staat dat de verdachte een handgranaat heeft aangetroffen in een plastic tas en deze handgranaat in de plastic tas heeft meegenomen naar de woning van zijn broer. Door te besluiten de handgranaat mee te nemen en te vervoeren naar de woning van zijn broer is de verdachte als heer en meester over die handgranaat gaan beschikken. Dat hij met louter goede intenties heeft besloten de handgranaat bij zich te houden en naar zijn broer te gaan voor advies, vindt geen steun in ander bewijs dan zijn eigen verklaring en vindt de rechtbank daarom niet aannemelijk.\n\nIndien hij met zijn handelen de maatschappij had willen beschermen tegen een gevaarlijk en verboden voorwerp had het naar oordeel van de rechtbank in de rede gelegen dat de verdachte bij ontdekking van de handgranaat zich daarvan zou distantiëren en direct bij de politie melding zou maken van zijn vondst. In plaats daarvan is hij blijven drinken en “chillen” en heeft hij, toen hij wegging, de plastic tas met de handgranaat meegenomen en over de openbare weg vervoerd naar de woning van zijn broer. Onder die omstandigheden komt de verdachte naar oordeel van de rechtbank geen rechtvaardigingsgrond toe en was het handelen van de verdachte wederrechtelijk.\n\nHet feit en de verdachte zijn dus strafbaar.4. Straf4.1.. \n\nEis van de officier van justitie\n\nDe verdachte moet voor worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden met aftrek van voorarrest.4.2.. \n\nStandpunt van de verdediging\n\nDe verdediging heeft verzocht een gevangenisstraf op te leggen die gelijkstaat aan het voorarrest en anders een deels voorwaardelijke taakstraf.4.3.. Oordeel van de rechtbank4.3.1.. \n\nErnst en omstandigheden van het feit\n\nDe verdachte heeft een handgranaat voorhanden gehad. Explosieven worden meer en meer gebruikt bij het plegen van ernstige misdrijven, soms met ingrijpende gevolgen, en veroorzaken dan veelal grote materiële schade, gevaar voor personen en ernstige gevoelens van onveiligheid. Ook komen regelmatig ongelukken voor bij het hanteren van dergelijke explosieven. Al om die reden wordt streng opgetreden tegen het onbevoegd voorhanden hebben van explosieven. Daar komt bij dat uit het onderzoek van het NFI blijkt dat verdachte een zogenaamde scherfhandgranaat in gave conditie voorhanden heeft gehad. Zo’n handgranaat bevat naast springstof metalen kogeltjes die zijn bedoeld personen in de directe omgeving te treffen als de handgranaat tot ontploffing komt. De handgranaat had bij het afgaan ervan tot enorme schade hebben kunnen leiden.4.3.2.. \n\nPersoon en persoonlijke omstandigheden\n\nStrafblad\n\nUit het strafblad (uittreksel justitiële documentatie) van 17 februari 2026 blijkt dat de verdachte eerder, maar niet recentelijk, onherroepelijk is veroordeeld voor strafbare feiten.\n\nReclasseringsrapport\n\nIn het rapport van Reclassering Nederland (hierna: de reclassering) van 26 maart 2026 staat het volgende.\n\nDe verdachte maakte in de gesprekken met de reclassering geen melding van onoverkomelijke problemen, anders dan dat hij graag hulp zou willen bij het vinden van een andere woonplek. Uit zowel dossier- als referenteninformatie kwamen aanwijzingen voor problematisch middelengebruik naar voren. Daarnaast ontbreekt het de verdachte aan regulier werk en staat hij onder bewindvoering.\n\nUit referenteninformatie bleek dat de verdachte zich in vrijwillig kader onvoldoende liet begeleiden door de hulpverlening en dat hij zich, ondanks herhaaldelijke kansen en waarschuwingen, zou hebben onttrokken aan afspraken, waardoor vervolgtrajecten (zoals behandeling of dagbesteding) onvoldoende van de grond kwamen. De hulpverlening en zijn familie zouden niet tot hem kunnen doordringen. De reclassering ziet ook weinig probleembesef en behandelmotivatie bij de verdachte voor zijn middelengebruik. Inmiddels is verdachtes verblijfsplek bij het CVD beëindigd. Het advies van de (eerder) betrokken partijen (CVD en Wmo-adviseur van de gemeente Rotterdam) was dat de verdachte beschermd zou moeten gaan wonen, omdat de eerdere setting bij het CVD te vrijblijvend was en meer begeleiding en toezicht nodig wordt geacht. De reclassering heeft in dat kader geprobeerd de verdachte te motiveren voor beschermd wonen, maar hij ziet dat niet zitten. De reclassering heeft vervolgens nogmaals met de verdachte gesproken over het voorgestelde plan van aanpak, maar hij heeft laten weten daar niet langer gemotiveerd voor te zijn.\n\nDe reclassering heeft verder de gemeente Rotterdam verzocht te blijven kijken naar alternatieve (niet-forensische) woonplekken voor de verdachte. De reclassering heeft van de casemanager vernomen dat de verdachte ook het begeleidingsplan (met o.a. beschermd wonen) van de gemeente niet heeft willen ondertekenen, omdat hij na detentie geen hulp wenst en zijn leven zelf wil vormgeven, met behulp van zijn familie.\n\nOmdat de verdachte niet gemotiveerd is om mee te werken met haar concludeert de reclassering dat zij een plan in een forensisch kader onverminderd geïndiceerd vindt. Zij vindt dat echter onvoldoende haalbaar. Bij een veroordeling adviseert zij dan ook een straf zonder bijzondere voorwaarden, omdat zij onvoldoende mogelijkheden ziet om met interventies of toezicht de risico's te beperken of het gedrag te veranderen.4.3.3.. \n\nOplegging straf\n\nBij het bepalen van de strafsoort en de duur daarvan houdt de rechtbank rekening met straffen die in soortgelijke zaken zijn opgelegd. Hierbij is ook rekening gehouden met de LOVS-oriëntatiepunten. De ernst van het strafbare feit rechtvaardigt, mede in het licht van de omstandigheden waaronder het feit is begaan en gelet op de straffen die door rechters in soortgelijke gevallen plegen te worden opgelegd, een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Alles afwegend wordt een gevangenisstraf van 12 maanden opgelegd. Een deels voorwaardelijke gevangenisstraf ligt niet in de rede omdat de verdachte ook ter terechtzitting duidelijk heeft uitgesproken niet te willen mee werken aan bijzondere voorwaarden.\n\nDe gevangenisstraf zal worden tenuitvoergelegd binnen de penitentiaire inrichting, totdat de verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma.5. Wettelijke voorschriften\n\nDe oplegging van deze straf is gebaseerd op de artikelen 26 en 55 van de Wet Wapens en Munitie.6. Beslissingen\n\nDe rechtbank:\n\nverklaart bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde feit zoals in hoofdstuk 2.3.3 is omschreven, heeft gepleegd;\n\nstelt vast dat het bewezenverklaarde oplevert het in hoofdstuk 3 vermelde strafbare feit;\n\nverklaart de verdachte strafbaar;\n\nveroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf van 12 (twaalf) maanden;\n\nbeveelt dat de tijd die door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, in mindering wordt gebracht op de gevangenisstraf, voor zover deze tijd niet al op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht.7. Samenstelling rechtbank en ondertekening\n\nDit vonnis is gewezen door:\n\nmr. I. Bouter, voorzitter,\n\nen mrs. A.M. van der Leeden en T. Urbanus, rechters,\n\nin tegenwoordigheid van mr. E.P. de Jong, griffier,\n\nen uitgesproken op de openbare zitting van deze rechtbank op 16 april 2026.\n\nMr. T. Urbanus is niet in de gelegenheid dit vonnis te ondertekenen.\n\nDe exacte vindplaatsen van de bewijsmiddelen zijn genoemd in de bijbehorende voetnoot. Als wordt verwezen naar paginanummers, wordt - tenzij anders vermeld - gedoeld op paginanummers uit het zaaksdossier met nummer [dossiernummer] .\n\nGedaan op de terechtzitting van 2 april 2026.\n\nPagina’s 6-9.\n\nPagina’s 12-13.\n\nRapport van het Nederlands Forensisch Instituut van 23 maart 2026, Explosievenonderzoek aan een vermeende\n\nhandgranaat aangetroffen bij een persoon in Schiedam op 26 december 2025.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2026:7863","ecli-nl-rbrot-2026-7863",{"courtName":6,"legalDomain":21,"decisionType":22,"procedureType":23},{"id":75,"ecli":76,"caseNumber":14,"courtId":5,"courtName":14,"decisionDate":62,"fullText":77,"language":7,"source":17,"sourceUrl":78,"summary":14,"slug":79,"metadata":80},"1381","ECLI:NL:RBROT:2026:7865","Rechtbank RotterdamZittingsplaats Dordrecht\n\nMeervoudige kamer strafzaken\n\nParketnummer: 10\u002F347237-25\n\nDatum uitspraak: 16 april 2026\n\nDatum zitting: 2 april 2026\n\nTegenspraak\n\nVerdachte:\n\n [verdachte] ,\n\ngeboren op [geboortedatum 1] 1972 in [geboorteplaats] ( [geboorteland] ),\n\ningeschreven op het adres: [adres 1] , [postcode] [woonplaats] ,\n\ngedetineerd in de Penitentiaire Inrichting te [verblijfsplaats] .\n\nAdvocaat van de verdachte: mr. E.B. Jobse\n\nOfficier van justitie: mr. S.E. Poutsma\n\nBenadeelde partij: [benadeelde partij]\n\nKern van het vonnis\n\nDe verdachte wordt vrijgesproken van poging tot doodslag en bedreiging. Hij wordt veroordeeld voor een poging tot zware mishandeling. De rechtbank legt aan de verdachte een gevangenisstraf op voor de duur van 120 dagen, met aftrek van voorarrest. Daarnaast wordt aan hem een 38v-maatregel inhoudende een contactverbod met [benadeelde partij] opgelegd, die direct uitvoerbaar is. De vordering van de benadeelde partij wordt gedeeltelijk toegewezen.1. Tenlastelegging\n\nDe officier van justitie beschuldigt de verdachte ervan dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan een poging tot doodslag (feit 1, impliciet primair) dan wel een (zware) mishandeling (feit 1 impliciet subsidiair en subsidiair) en een bedreiging (feit 2).\n\nDe volledige tenlastelegging houdt in dat:\n\n1 hij op of omstreeks 18 december 2025 te Rotterdam ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk een ander, te weten [slachtoffer] , van het leven te beroven, althans zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, (met kracht) die [slachtoffer] - meermalen, althans eenmaal heeft gewurgd, althans gedurende enige tijd de keel heeft dichtgeknepen en\u002Fof - aan\u002Fbij de haren heeft beetgepakt en\u002Fof (daarbij) met haar hoofd en\u002Fof schouder tegen een muur heeft geslagen en\u002Fof - op\u002Ftegen het gezicht\u002Fhoofd en\u002Fof lichaam heeft gestompt en\u002Fof - op\u002Ftegen haar lichaam heeft geschopt en\u002Fof - een knietje op\u002Ftegen haar hoofd (slaap) heeft gegeven terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;\n\nsubsidiairhij op of omstreeks 18 december 2025 te Rotterdam [slachtoffer] , heeft mishandeld, door die [slachtoffer] - meermalen, althans eenmaal te wurgen, althans gedurende enige tijd de keel dicht te knijpen en\u002Fof - aan\u002Fbij de haren beet te pakken en\u002Fof (daarbij) met haar hoofd en\u002Fof schouder tegen een muur te slaan en\u002Fof - op\u002Ftegen het gezicht\u002Fhoofd en\u002Fof lichaam te stompen en\u002Fof - op\u002Ftegen haar lichaam te schoppen en\u002Fof - een knietje op\u002Ftegen haar hoofd (slaap) te geven terwijl verdachte dit misdrijf beging tegen zijn levensgezel;\n\n2 hij op of omstreeks 18 december 2025 te Rotterdam [slachtoffer] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en\u002Fof met zware mishandeling, door die aan die [slachtoffer] dreigend de woorden toe te voegen -zakelijk weergegeven- dat hij verdachte die [slachtoffer] dood ging maken en\u002Fof dat hij haar ging slaan en\u002Fof dat hij haar van het balkon ging gooien, althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking2. Bewijs2.1.. \n\nVordering van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt vrijgesproken van de onder 1 impliciet primair ten laste gelegde poging tot doodslag en dat hij wordt veroordeeld voor de onder 1 impliciet subsidiair ten laste gelegde poging tot zware mishandeling. Daarnaast moet de verdachte worden veroordeeld voor de onder 2 ten laste gelegde bedreiging.2.2.. \n\nConclusie van de verdediging\n\nDe verdediging heeft integrale vrijspraak bepleit voor beide ten laste gelegde feiten.2.3.. Oordeel van de rechtbank2.3.1.. \n\nVrijspraak (feit 1 impliciet primair en feit 2)\n\nMet de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat de impliciet primair ten laste gelegde poging tot doodslag niet is bewezen, zodat de verdachte daarvan zonder nadere motivering zal worden vrijgesproken.\n\nDe verdachte zal ook worden vrijgesproken van de onder 2 ten laste gelegde bedreiging. De aangeefster heeft verklaard dat de verdachte haar heeft bedreigd door te zeggen dat hij haar zou gaan doodmaken, haar zou gaan slaan en haar van het balkon zou gooien. De verdachte heeft dit ontkend. Naar het oordeel van de rechtbank zit in het dossier onvoldoende ondersteunend bewijs voor de bedreiging voor zover het betreft het hiervoor genoemde doodmaken en van het balkon gooien. Het dossier bevat als ondersteunend bewijsmiddel voor de bedreiging slechts de verklaring van de buurman, [getuige] . Hij heeft verklaard dat hij de verdachte hoorde schreeuwen en dat de verdachte “(..) ik ga je slaan(..)” heeft gezegd. Dat kan dus bewezen worden verklaard. De woorden ‘ik ga je slaan’ leveren echter geen strafbare bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht en\u002Fof met zware mishandeling op. Nu er voor de andere ten laste gelegde uitlatingen – die op zich zelf, mits bewezen, wel een strafbare bedreiging zouden kunnen opleveren – geen steunbewijs is, zal de verdachte worden vrijgesproken van de bedreiging.2.3.2.. \n\nBewezenverklaring (feit 1 impliciet subsidiair) en bewijsmiddelen\n\nBewezen is dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de onder feit 1 impliciet subsidiair ten laste gelegde poging tot zware mishandeling. De volledige bewezenverklaring is vermeld in paragraaf 2.3.3. De bewezenverklaring is gebaseerd op de hieronder opgenomen inhoud van de bewijsmiddelenen de onderstaande bewijsmotivering. Een weergave van letselfoto’s is als bijlage 1 bijgevoegd bij dit vonnis.\n\n1. Proces-verbaal van de politie, aangifte [aangeefster]\n\nPlaats delict: [adres 2] te Rotterdam\n\nPleegdatum\u002Ftijd: Tussen 18 december 2025 20:44 uur en 18 december 2025 21:15 uur.\n\nOp 18 december 2025 hoorden wij een persoon die ons opgaf te zijn:\n\nVoornamen: [voornamen aangeefster]\n\nAchternaam: [achternaam aangeefster]\n\nIk ben mishandeld door mijn ex-partner, [verdachte] . [verdachte] is de man die met mij in de woning was toen de politie hier kwam en wie uw collega's net hebben aangehouden. [verdachte] en ik waren zeven maanden samen en we zijn nu ongeveer een maand uit elkaar. We gingen uit elkaar omdat hij steeds agressiever werd.\n\n Ik ben vandaag door [verdachte] gewurgd, hij deed dit drie keer erg stevig, waarbij dit elke keer ongeveer een paar seconde duurde. Hierdoor kon ik geen adem halen. Hierna pakte hij mij bij mijn haren en sloeg hij mij tegen de muur. Nu heb ik een schaafwond op mijn linkerarm en linkerschouder, ik laat dit u nu even zien. Daarna sloeg hij mij met zijn vuist tegen mijn wang. Ik kan mijn gezicht niet bewegen. Ik voel overal pijn. Als ik praat voel ik pijn aan de zijkant van mijn hoofd, maar ik heb op het moment het meeste last van mijn lip. Na de klappen schopte [verdachte] mij met zijn knie tegen mijn slaap. Dit was aan de rechterzijde van mijn slaap. Ik hoorde hem zeggen dat hij mij ging doodmaken, ik zou dood gaan. Hij kwam dronken thuis en vroeg mij of ik verder met hem wilde in de relatie. Toen ik dit afwees, hoorde ik dat hij zei dat hij mij wilde doodmaken en van het balkon wilde gooien. We stonden namelijk naast het balkon en ik zag dat hij de balkondeur opendeed. Hij pakte me bij mij haren en probeerde mij naar het balkon te trekken. Ik zette mijn been in de deurpost om mezelf niet mee te laten sleuren, waarna we samen op de grond vielen. Hier op de grond ligt nog een haarpluk van mij, ik wijs u deze nu aan.\"\n\n2. Proces-verbaal van politie, bevindingen\n\nOp donderdag 18 december 2025, omstreeks 20.45 uur, kregen wij van een medewerker van\n\nhet Operationeel Centrum Rotterdam het verzoek om te gaan naar [adres 2] in\n\nRotterdam. Hier zou een buurtbewoner hebben gehoord dat er een ruzie gaande was. Er\n\nwaren harde geluiden en geschreeuw te horen o.a. au.\n\nOp 18 december 2025, om 20.55 uur, kwamen wij ter plaatse aan [adres 2] in Rotterdam. Wij belden aan en zagen dat de voordeur werd geopend door een vrouw. Wij, verbalisanten, zagen direct dat de vrouw bloed op en rondom haar mond had. De vrouw maakte ook een angstige indruk. Wij zetten een stap naar voren en zagen dat er een man achter de vrouw stond. Wij betraden hierdoor direct de woning en scheidden de man en vrouw van elkaar.\n\nDe vrouw bleek later genaamd te zijn: --- [slachtoffer] . De man bleek later genaamd te zijn; --- [verdachte]\n\nIk, verbalisant [verbalisant] , vroeg direct aan [slachtoffer] of er meer personen in de woning waren. Ik hoorde dat [slachtoffer] verklaarde dat zij enkel met [verdachte] in de woning was. Ik liep samen met [slachtoffer] naar de slaapkamer. Ik hoorde dat [slachtoffer] verklaarde dat haar ex-partner haar had geslagen. Ik zag dat [slachtoffer] angstig was: [slachtoffer] was aan het trillen en zij had een gesloten houding doordat zij haar armen om zich heen had geslagen. Ik vroeg [slachtoffer] om tegen de muur te gaan staan zodat ik foto's van haar en haar letsel kon maken.\n\nIk zag dat [slachtoffer] tegen de muur stond en ik zag het volgende: - een verdikking, blauw van kleur, op de linkerwang; - een rode plek op de linkerzijde van de hals; - een bebloede onderlip; - rode vlekken\u002Fplekken en schaafwonden aan de rechterzijde (onder) van de hals; - een rode vlek\u002Fplek in het midden van de hals; - rode plekken\u002Fschaafwonden ter hoogte van het sleutelbeen, aan de rechterzijde; - een blauwe plek op de linker bovenarm aan de binnenkant; - bloed en verdikking aan de binnenkant van de bovenlip; - meerdere schaafwondjes op de linker elle boog en - een blauwe plek op de rechter bovenarm aan de binnenkant. Wij hoorden [slachtoffer] het volgende verklaren: 'Ik ben twee keer in mijn buik geslagen. Ik ben gewurgd en heb een schop tegen mijn slaap gekregen. Ik heb erg veel pijn in mijn gezicht en lip. Ik heb hoofdpijn en alles doet zeer.' Ik, verbalisant vroeg aan het slachtoffer waarom zij rode plekken in haar nek en hals had. Ik hoorde [slachtoffer] verklaren dat zij door [verdachte] gewurgd was. Ik hoorde [slachtoffer] verklaren dat zij drie keer stevig bij haar nek was vastgepakt. Dat dit elke keer enkele seconden duurde. Het slachtoffer was hierdoor duizelig.\n\n3. Schriftelijk stuk, FARR-verklaring\n\nS\n\nMEN via politie zuidplein geweld op de hals casus\n\n23-24u op kantoor FARR\n\nO\n\nFoto's [bestandsnaam 1] t\u002Fm [bestandsnaam 2]\n\nForensisch lichtfoto's; FARR NFS [bestandsnaam 3] t\u002Fm [bestandsnaam 4] .\n\nlinker wang bloeduitstorting ca 5cm dsnd.\n\nLinker schouder opp schaafverwonding ca. 3 cm dsnd\n\nGehele hals bandvormige rode huidverkleuring en verdikking.\n\nop borst aan rechter kant thv sleutelbeen en eronder 2 bloeduitstortingen resp. 2cm en 2cm dsnd.\n\nOp binnenzijde armen bdzd bloeduitstortingen (links 2stukt 5x4cm en 2x3 cm en rechts een 2x1cm grootte.\n\nOp beide linker elleboog twee krasverwondingen ca 4 cm groot en evenwijdig.\n\nOp rechter elleboog opp. schaafverwonding met hierin twee bastverwondingen in gebied van ca. 2cm dsnd.\n\nE\n\nBloeduitstortingen en schaafverwondingen, krasverwondingen en barstverwondingen.\n\ntevens Aanwijzingen middels forensisch licht voor bloedophoping diepere huidlagen passen bij inwerkend geweld op de hals\n\nP\n\nGenezingsduur 2 weken.\n\nIngestuurd naar SEH IKazia voor onderzoek aangezicht.\n\nEr is door politie een VT melding gedaan.\n\n4. Proces-verbaal van de politie, aanvullend verhoor [aangeefster]\n\nToen [verdachte] binnenkwam heeft hij heeft hij gevraagd of hij hier mag blijven en of we samen verder kunnen. Ik zei nee want je hebt me te vaak pijn gedaan. Toen schopte hij mij tegen mijn borstkas. Ik heb ook een hele schoenafdruk op mijn borstkas staan. Toen begon de hele ruzie. Toen [verdachte] mij wurgde, was ik heel erg bang. Ik was bang dat hij mij iets aan zou doen. Ik ben nog steeds bang voor mijn leven. Hij heeft gezegd dat hij mij sowieso gaat doden.\n\n5. Proces-verbaal van de politie, verklaring getuige [getuige]\n\nIk en mijn vriendin zaten op de bank en hoorde en man schreeuwen. Het geschreeuw kwam van de boven buren. Ik kon de man verstaan. Ik hoorde hem in Pools zeggen. (..) Ik ga je slaan. (..) Ik hoor vaker ruzie tussen de man en vrouw. Normaal schreeuwen ze tegen elkaar en maken ze ruzie maar vanavond was het heftiger. Vanavond hoorde ik geschreeuw en direct daarna gebonk. Het leek alsof er iemand op de grond werd gegooid. Ik hoorde de boven buurvrouw schreeuwen: au en stop. Ik hoorde haar ook huilen. Het geluid stopte en de ruzie was over.2.3.3.. \n\nBewijsmotivering\n\nOp 18 december 2025 komt de politie ter plaatse bij de woning van [aangeefster] (hierna: de aangeefster), nadat buurtbewoners melding maken van een ruzie waarbij harde geluiden en geschreeuw was te horen met onder andere het woord ‘au’. Als de aangeefster de voordeur opent zien de verbalisanten een angstige vrouw met bloed rondom haar mond. De enige andere persoon in de woning is de verdachte. Ter plaatse en in haar aangifte verklaart de aangeefster dat de verdachte haar die avond heeft mishandeld, waarbij hij onder andere meermalen haar keel heeft dichtgeknepen, haar tegen het gezicht heeft gestompt en haar tegen het lichaam heeft geschopt. Deze verklaring vindt steun in de getuigenverklaring van de buurman [getuige] , de FARR-verklaring, de bevindingen van de verbalisanten over de situatie ter plaatse en de toestand van de aangeefster, en de verschillende foto’s van het gezicht en het lichaam van de aangeefster, die zowel ter plaatse als de volgende dag door de politie zijn genomen. Uit de FARR-verklaring en de foto’s blijkt dat bij aangeefster meerdere letsels en bloeduitstortingen zijn vastgesteld, waaronder (onderhuids) letsel aan de hals, en dat het vastgestelde letsel past bij de toedracht zoals beschreven door aangeefster. De rechtbank heeft daarom geen reden te twijfelen aan de juistheid van de verklaring van de aangeefster dat de verdachte haar die avond heeft mishandeld.\n\nDe rechtbank gaat voorbij aan de lezing van de verdachte dat hij de aangeefster slechts van achteren met zijn armen heeft vastgepakt om haar te kalmeren nadat zij – blijkbaar zonder duidelijke aanleiding – door de woning begon te springen, dat zij snel blauwe plekken krijgt en dat zij zichzelf heeft verwond terwijl hij haar in zijn armen vast had. Dit door de verdachte geschetste alternatieve scenario acht de rechtbank onaannemelijk, nu het geheel op zichzelf staat en geen enkele steun vindt in het procesdossier.\n\nDe rechtbank stelt op basis van de hiervoor opgenomen bewijsmiddelen vast dat verdachte de aangeefster in het gezicht heeft gestompt, tegen haar lichaam heeft geschopt, haar met haar hoofd en schouder tegen de muur heeft geslagen en meerdere keren gedurende enige tijd haar keel heeft dichtgeknepen. De rechtbank kwalificeert dit handelen van verdachte als een poging tot zware mishandeling, nu het meerdere keren gedurende enige tijd dichtknijpen van de hals naar algemene ervaringsregels ook de aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel oplevert. Omdat zijn handelingen niet daadwerkelijk tot zwaar letsel hebben geleid, kwalificeert de rechtbank het als een poging.2.3.4.. Volledige bewezenverklaring\n\nBewezen is dat:\n\nhij op of omstreeks18 december 2025 te Rotterdam ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk een ander, te weten [slachtoffer] ,van het leven te beroven, althanszwaar lichamelijk letsel toe te brengen, (met kracht) die [slachtoffer] - meermalen,althans eenmaal heeft gewurgd, althansgedurende enige tijd de keel heeft dichtgeknepen en\u002Fof-aan\u002Fbij de haren heeft beetgepakt en\u002Fof(daarbij) met haar hoofd en\u002Fof schouder tegen een muur heeft geslagen en\u002Fof-op\u002Ftegen het gezicht\u002Fhoofd en\u002Fof lichaamheeft gestompt en\u002Fof-op\u002Ftegen haar lichaam heeft geschopten\u002Fof- een knietje op\u002Ftegen haar hoofd (slaap) heeft gegeventerwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;3. Kwalificatie en strafbaarheid3.1.. \n\nKwalificatie\n\nHet bewezen feit levert het volgende strafbare feit op:\n\nFeit 1 (impliciet) subsidiair: poging tot zware mishandeling\n\n3.2.. \n\nStrafbaarheid van het feit en van de verdachte\n\nDe raadsman heeft in het kader van de strafbaarheid van de verdachte bij pleidooi opgemerkt dat het dossier aanwijzingen bevat dat de verdachte heeft gehandeld uit (putatief) noodweer. Volgens vaste jurisprudentie is het aan de verdediging de feitelijke grondslag van een straf- of rechtvaardigingsgrond aannemelijk te maken. Nu de verdachte zelf helemaal niet heeft verklaard dat hij heeft gehandeld uit noodweer en de raadsman ook verder niet heeft toegelicht waaruit de gestelde aanwijzingen voor (putatief) noodweer zouden bestaan, is er geen begin van aannemelijkheid. De rechtbank acht dus het feit en de verdachte strafbaar.4. Straf4.1.. \n\nEis van de officier van justitie\n\nDe verdachte moet worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 maanden, alsmede oplegging van een 38v-maatregel inhoudende een contactverbod met [aangeefster] .4.2.. \n\nStandpunt van de verdediging\n\nDe verdediging heeft verzocht om een gevangenisstraf gelijk aan het voorarrest op te leggen.4.3.. Oordeel van de rechtbank4.3.1.. \n\nErnst en omstandigheden van het feit\n\nDe verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot zware mishandeling. Hij heeft zijn (toenmalige) vriendin [aangeefster] in haar woning aangevallen. De verdachte is daarmee zonder noemenswaardige aanleiding over gegaan tot excessief geweld. Uit haar verklaringen en haar vordering als benadeelde partij blijkt dat dit voor het slachtoffer een zeer beangstigend incident is geweest. De verdachte heeft met zijn handelen een ernstige inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer. Het dossier geeft aanleiding te vermoeden dat het geweld alleen is gestopt omdat de politie ter plaatse kwam doordat buren alarm sloegen.4.3.2.. \n\nPersoon en persoonlijke omstandigheden\n\nStrafblad\n\nUit het strafblad (uittreksel justitiële documentatie) van 17 februari 2026 blijkt dat de verdachte eerder onherroepelijk, maar niet recentelijk, is veroordeeld voor strafbare feiten.\n\nReclasseringsrapport\n\nIn het rapport van Reclassering Nederland (hierna: de reclassering) van 18 maart 2026 staat het volgende.\n\nDe reclassering kan het risico op recidive, letsel en het onttrekken aan voorwaarden niet inschatten. Gelet op de aard van het ten laste gelegde zouden eventuele risico-verhogende factoren gelegen kunnen zijn in de leefgebieden relaties, middelengebruik en het psychosociaal functioneren, waarbij bij het laatste gedacht moet worden aan het maken van verkeerde keuzes en het onvoldoende nadenken over zijn handelen en de gevolgen ervan. De verdachte is niet eerder bekend met huiselijk geweld. De verdachte zegt dat hij beperkt drinkt en alleen bij gelegenheden. Tot een paar jaar geleden zou hij amfetamine gebruikt hebben. Door de ontkennende houding van de verdachte kan de reclassering geen concrete uitspraken doen over delictgerelateerde factoren of een verband leggen tussen de tenlastelegging en de diverse leefgebieden. Bij een veroordeling adviseert de reclassering dan ook een straf zonder bijzondere voorwaarden. Gezien de aard van de tenlastelegging adviseert zij wel een contact- en locatieverbod.4.3.3.. \n\nOplegging straf en maatregel\n\nGelet op de ernst van het strafbare feit is een gevangenisstraf noodzakelijk. Het opleggen van een ander soort straf is niet passend. Bij het bepalen van die strafsoort en de duur daarvan houdt de rechtbank rekening met straffen die in soortgelijke zaken zijn opgelegd. Hierbij is ook rekening gehouden met de LOVS-oriëntatiepunten. Bij het bepalen van de straf weegt de rechtbank verder in negatieve zin mee dat de verdachte geen verantwoordelijkheid heeft genomen voor zijn handelen, terwijl er wel sprake is van divers letsel. Ook weegt de rechtbank mee dat uit onderzoek is gebleken dat hij tijdens het incident flink onder invloed was van alcohol. Alles overziend komt de rechtbank tot een gevangenisstraf van 120 dagen.\n\nTer beveiliging van de maatschappij en ter voorkoming van strafbare feiten wordt aan de verdachte op grond van artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht de maatregel strekkende tot beperking van de vrijheid voor de duur van 2 jaren opgelegd, met 2 weken hechtenis per overtreding met een maximum van 6 maanden. Deze maatregel houdt in een contactverbod met aangeefster [aangeefster] .\n\nDe rechtbank beveelt dat de maatregel dadelijk uitvoerbaar is omdat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte opnieuw een strafbaar feit zal plegen of zich belastend zal gedragen jegens de aangeefster. De rechtbank betrekt daarbij dat de verdachte geen verantwoordelijkheid heeft genomen voor zijn handelen5. Vordering van de benadeelde partij5.1.. \n\nVordering [benadeelde partij]\n\n heeft als benadeelde partij twee vorderingen ingediend waarin zij (bij elkaar opgeteld) verzoekt om € 5.000,- als vergoeding voor materiële schade en € 10.000,- als vergoeding voor immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.5.2.. \n\nStandpunt van de officier van justitie\n\nDe vordering van de benadeelde partij kan worden toegewezen tot een bedrag van € 2.000,- te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.5.3.. \n\nStandpunt van de verdediging\n\nDe vordering van de benadeelde partij moet, gelet op de bepleite vrijspraak, niet-ontvankelijk worden verklaard in de vordering. Indien dit niet wordt gevolgd heeft de verdediging verzocht de schade te schatten op hoogstens enkele honderden euro’s.5.4.. Oordeel van de rechtbank5.4.1.. \n\nMateriële schade\n\nDe benadeelde partij wordt niet-ontvankelijk verklaard in haar vordering tot vergoeding van materiële schade. Die vordering ligt niet voor onmiddellijke toewijzing gereed. De behandeling van dat deel van de vordering levert naar het oordeel van de rechtbank een onevenredige belasting van het strafgeding op. Dit deel van de vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht5.4.2.. \n\nImmateriële schade\n\nDe benadeelde partij heeft als gevolg van het strafbare feit rechtstreeks schade geleden. De benadeelde partij heeft namelijk lichamelijk letsel opgelopen, waardoor hij op grond van artikel 6:106, aanhef en onder b, van het Burgerlijk Wetboek recht heeft op een naar billijkheid vast te stellen vergoeding van zijn immateriële schade.\n\nDe vergoeding voor immateriële schade wordt toegewezen tot een bedrag van € 2.000,-. Voor het overige wordt de benadeelde partij niet-ontvankelijk in haar vordering verklaard, omdat de vordering voor het meerdere onvoldoende is onderbouwd. Zo kan onder meer niet worden vastgesteld dat de aangeefster psychisch letsel heeft opgelopen door het incident. Wel staat vast dat de benadeelde partij divers letsel heeft opgelopen door het bewezen verklaarde feit. Bij het bepalen van de hoogte van het toegewezen bedrag is rekening gehouden met de aard van de aansprakelijkheid en de ernst van het aan de verdachte te maken verwijt. Verder is acht geslagen op bedragen die in vergelijkbare gevallen zijn toegekend.5.4.3.. \n\nWettelijke rente, proceskosten en schadevergoedingsmaatregel\n\nDe benadeelde partij heeft gevorderd de schadevergoeding te vermeerderen met de wettelijke rente. De rechtbank wijst de wettelijke rente toe vanaf 18 december 2025.\n\nDe rechtbank veroordeelt de verdachte in de proceskosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en die hij bij de tenuitvoerlegging nog zal maken, omdat de vordering van de benadeelde partij wordt toegewezen. Deze kosten worden tot vandaag begroot op nihil.\n\nDe rechtbank legt de schadevergoedingsmaatregel op als bedoeld in artikel 36f Sr. Dit betekent dat de verdachte de schadevergoeding aan de staat moet betalen en de staat het bedrag uitkeert aan de benadeelde partij. Als dwangmiddel kan gijzeling worden toegepast voor de duur van maximaal 20 dagen. De toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.6. Wettelijke voorschriften\n\nDe oplegging van deze straf is op de artikelen 36f, 45 en 302 van het Wetboek van Strafrecht.7. Beslissingen\n\nDe rechtbank:\n\nverklaart niet bewezen dat de verdachte de onder 1 impliciet primair en onder 2 ten laste gelegde feiten heeft gepleegd en spreekt de verdachte daarvan vrij;\n\nverklaart bewezen dat de verdachte het onder 1 impliciet subsidiair ten laste gelegde feit, zoals in hoofdstuk 2.3.4. is omschreven, heeft gepleegd;\n\nstelt vast dat het bewezenverklaarde oplevert het in hoofdstuk 3 vermelde strafbare feit;\n\nverklaart de verdachte strafbaar;\n\nveroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf van 120 (honderdtwintig) dagen;\n\nbeveelt dat de tijd die door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, in mindering wordt gebracht op de gevangenisstraf, voor zover deze tijd niet al op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;\n\nlegt de verdachte op de maatregel strekkende tot beperking van de vrijheid voor de duur van 2 jaar, inhoudende dat de verdachte:\n\n- op geen enkele wijze direct of indirect contact zoekt of heeft met [benadeelde partij] , geboren op [geboortedatum 2] 1979;\n\nbepaalt dat voor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan vervangende hechtenis wordt toegepast voor de duur van 2 weken, met een totale duur van ten hoogste zes maanden;\n\ntoepassing van de vervangende hechtenis heft de verplichtingen ingevolge de opgelegde maatregel niet op;\n\nbeveelt dat de maatregel dadelijk uitvoerbaar is;\n\nveroordeelt de verdachte aan de benadeelde partij [benadeelde partij] te betalen een bedrag van € 2.000,-als vergoeding van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente hierover vanaf 18 december 2025 tot de dag van volledige betaling;\n\nverklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in het resterende deel van haar vordering en bepaalt dat dit deel van de vordering kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;\n\nveroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte proceskosten, tot op vandaag begroot op nihil, en in de nog te maken kosten voor de tenuitvoerlegging van dit vonnis;\n\nlegt aan de verdachte voor het feit de maatregel tot schadevergoedingop, wat inhoudt dat de verdachte de verplichting heeft om ten behoeve van de benadeelde partij [benadeelde partij] aan de staat€ 2.000,-te betalen, alsmede de wettelijke rente hierover vanaf 18 december 2025 tot aan de dag van de gehele betaling. Bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt,gijzelingkan worden toegepast voor de duur van maximaal20dagen. De toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op;\n\nbepaalt dat de verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij de schade aan de benadeelde partij of aan de staat heeft vergoed.8. Samenstelling rechtbank en ondertekening\n\nDit vonnis is gewezen door:\n\nmr. I. Bouter, voorzitter,\n\nen mrs. A.M. van der Leeden en T. Urbanus, rechters,\n\nin tegenwoordigheid van mr. E.P. de Jong, griffier,\n\nen uitgesproken op de openbare zitting van deze rechtbank op 16 april 2026.\n\nMr. T. Urbanus is niet in de gelegenheid dit vonnis te ondertekenen.\n\nDe exacte vindplaatsen van de bewijsmiddelen zijn genoemd in de bijbehorende voetnoot. Als wordt verwezen naar paginanummers, wordt - tenzij anders vermeld - gedoeld op paginanummers uit het zaaksdossier met nummer [dossiernummer] .\n\n Pagina’s 2-10\n\nPagina’s 28-40\n\n Pagina 11\n\n Pagina’s 18-22\n\n Pagina’s 23-24","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2026:7865","ecli-nl-rbrot-2026-7865",{"courtName":6,"legalDomain":21,"decisionType":22,"procedureType":23},{"id":82,"ecli":83,"caseNumber":14,"courtId":5,"courtName":14,"decisionDate":84,"fullText":85,"language":7,"source":17,"sourceUrl":86,"summary":14,"slug":87,"metadata":88},"1386","ECLI:NL:RBROT:2026:7869","2026-04-02T00:00:00.000Z","Rechtbank RotterdaMZittingsplaats Dordrecht\n\nMeervoudige kamer strafzaken\n\nParketnummer: 10\u002F347549-25\n\nDatum uitspraak: 2 april 2026\n\nDatum zitting: 2 april 2026\n\nTegenspraak\n\nVerdachte:\n\n [verdachte] ,\n\ngeboren op [geboortedatum] 1998 in [geboorteplaats]\n\ningeschreven op het adres: [adres] , [postcode] [woonplaats] ,\n\nAdvocaat van de verdachte: mr. M.E. Pennings\n\nOfficier van justitie: mr. X.C. van Balen\n\nBenadeelde partij: [benadeelde partij]\n\nKern van het vonnis\n\nDe verdachte wordt vrijgesproken van diefstal met geweld. Wel wordt hij veroordeeld voor openlijke geweldpleging. De rechtbank legt aan de verdachte een taakstraf op voor de duur van 120 uur, waarvan 40 uur voorwaardelijk. De benadeelde partij wordt niet-ontvankelijk in zijn vordering verklaard.1. Tenlastelegging\n\nDe officier van justitie beschuldigt de verdachte ervan dat hij tezamen en in vereniging diefstal met geweld heeft gepleegd (primair), dan wel dat hij openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd (subsidiair).\n\nDe volledige tenlastelegging houdt in dat:\n\nhij op of omstreeks 21 december 2025 te Rotterdam, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een tas en\u002Fof een geldbedrag van €270, in elk geval enig goed, dat\u002Fdie geheel of ten dele aan [slachtoffer] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte en\u002Fof zijn mededader(s) toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl deze diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en\u002Fof gevolgd van geweld en\u002Fof bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door die [slachtoffer] , meermalen, althans eenmaal, - tegen het lichaam te duwen, - in\u002Fop\u002Ftegen het gezicht en\u002Fof tegen het hoofd, althans tegen het lichaam te slaan, - in\u002Fop\u002Ftegen het gezicht en\u002Fof tegen het hoofd, althans tegen het lichaam te schoppen en\u002Fof - die [slachtoffer] naar de grond te werken en\u002Fof tegen de grond te gooien;\n\nsubsidiairhij op of omstreeks 21 december 2025 te Rotterdam, althans in Nederland, openlijk, te weten op de Sint-Luciastraat en\u002Fof op de Lijnbaan, in elk geval op of aan de openbare weg en\u002Fof een voor het publiek toegankelijke plaats, in vereniging, geweld heeft gepleegd tegen een persoon, te weten [slachtoffer] , door die [slachtoffer] meermalen, althans eenmaal, - tegen het lichaam te duwen, - in\u002Fop\u002Ftegen het gezicht en\u002Fof tegen het hoofd, althans tegen het lichaam te slaan, - in\u002Fop\u002Ftegen het gezicht en\u002Fof tegen het hoofd, althans tegen het lichaam te schoppen en\u002Fof - die [slachtoffer] naar de grond te werken en\u002Fof tegen de grond te gooien;2. Vrijspraak \u002F Bewijs2.1.. \n\nVordering van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte moet worden vrijgesproken van het primair ten laste gelegde, maar dat hij moet worden veroordeeld voor het subsidiair ten laste gelegde.2.2.. \n\nConclusie van de verdediging\n\nDe verdediging heeft vrijspraak bepleit voor het primair ten laste gelegde. De verdediging heeft zich ten aanzien van het subsidiair ten laste gelegde gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.2.3.. Oordeel van de rechtbank2.3.1.. \n\nVrijspraak en bewezenverklaring\n\nMet de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat de primair ten laste gelegde diefstal met geweld niet is bewezen, zodat de verdachte daarvan zonder nadere motivering zal worden vrijgesproken.\n\nBewezen is dat de verdachte openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd. De bewezenverklaring is gebaseerd op de inhoud van de bewijsmiddelen. Dit verkorte vonnis bevat geen bewijsmiddelen. Als hoger beroep wordt ingesteld, zal het vonnis worden aangevuld met een bijlage met daarin de inhoud van de bewijsmiddelen.2.3.2.. \n\nVolledige bewezenverklaring\n\nBewezen is dat:\n\nhij op of omstreeks21 december 2025 te Rotterdam,althans in Nederland,openlijk, te weten op de Sint-Luciastraat en\u002Fofop de Lijnbaan,in elk geval op of aan de openbare weg en\u002Fof een voor het publiek toegankelijkeplaats,in vereniging, geweld heeft gepleegd tegen een persoon, te weten [slachtoffer] , door die [slachtoffer] meermalen,althans eenmaal,- tegen het lichaam te duwen, -in\u002Fop\u002Ftegen het gezicht en\u002Fof tegen het hoofd, althanstegen het lichaam te slaan, -in\u002Fop\u002Ftegen het gezicht en\u002Fof tegen het hoofd, althanstegen het lichaam te schoppen en\u002Fof- die [slachtoffer] naar de grond te werkenen\u002Fof tegen de grond te gooien;3. Kwalificatie en strafbaarheid3.1.. \n\nKwalificatie\n\nHet bewezen feit levert het volgende strafbare feit op:\n\nSubsidiair: openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen3.2.. \n\nStrafbaarheid van het feit en van de verdachte\n\nHet feit en de verdachte zijn strafbaar.4. Straf4.1.. \n\nEis van de officier van justitie\n\nDe verdachte moet worden veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 240 uren, waarvan 90 uren voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.4.2.. \n\nStandpunt van de verdediging\n\nDe verdediging heeft zich ten aanzien van de strafmaat gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.4.3.. Oordeel van de rechtbank4.3.1.. \n\nErnst en omstandigheden van het feit\n\nDe verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan openlijke geweldpleging. Hij heeft het slachtoffer samen met een ander zonder noemenswaardige aanleiding geslagen en geschopt. Dit alles vond plaats op de openbare weg. De verdachte heeft met zijn handelen een ernstige inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer. Dergelijk geweld zorgt voor ernstige gevoelens van angst en onveiligheid in de maatschappij. De rechtbank rekent dit de verdachte aan.4.3.2.. \n\nPersoon en persoonlijke omstandigheden\n\nStrafblad\n\nUit het strafblad (uittreksel justitiële documentatie) van 23 februari 2026 blijkt dat de verdachte eerder, maar niet recentelijk, onherroepelijk is veroordeeld voor strafbare feiten.4.3.3.. \n\nOplegging straf\n\nDe ernst van het feit rechtvaardigt, mede gelet op de straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd, in beginsel een onvoorwaardelijke taakstraf. Echter, gelet op de persoonlijke omstandigheden en de proceshouding van de verdachte ziet de rechtbank aanleiding een gedeelte van deze taakstraf voorwaardelijk op te leggen. Hierbij weegt de rechtbank mee dat de verdachte spijt heeft betuigd, zelf al professionele (psychische) hulp heeft gezocht en mede daardoor zijn leven inmiddels goed op orde heeft. Dit voorwaardelijke strafdeel dient er tevens toe de verdachte ervan te weerhouden in de toekomst opnieuw strafbare feiten te plegen.5. Vordering van de benadeelde partij5.1.. \n\nVordering [benadeelde partij]\n\n heeft als benadeelde partij voor het primair ten laste gelegde feit € 270,- als vergoeding voor materiële schade gevorderd, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.5.2.. \n\nStandpunt van de officier van justitie\n\nDe benadeelde partij moet, gelet op de gerekwireerde vrijspraak voor het primair ten laste gelegde, niet-ontvankelijk worden verklaard in zijn vordering. In plaats daarvan moet de schadevergoedingsmaatregel voor een bedrag van € 270,- worden toegewezen als vergoeding van immateriële schade voor het subsidiair ten laste gelegde.5.3.. \n\nStandpunt van de verdediging\n\nDe benadeelde partij moet, gelet op de bepleite vrijspraak voor het primair ten laste gelegde, niet-ontvankelijk worden verklaard in zijn vordering. De benadeelde partij heeft geen vergoeding voor immateriële schade gevorderd, waardoor hij ook in zoverre niet-ontvankelijk in zijn vordering moet worden verklaard..5.4.. Oordeel van de rechtbank5.4.1.. \n\nMateriële en immateriële schade\n\nDe rechtbank heeft de vordering van de benadeelde partij zo begrepen, dat hij vergoeding vraagt van het geldbedrag dat van hem zou zijn gestolen. De rechtbank merkt dit dan ook aan als een verzoek tot vergoeding van materiële schade en zal deze ook zo beoordelen. De benadeelde partij wordt niet-ontvankelijk verklaard in zijn vordering, omdat de verdachte wordt vrijgesproken van de diefstal van enig geldbedrag. De benadeelde partij vordert geen vergoeding van immateriële schade. Zonder nadere toelichting, die ontbreekt, kan de rechtbank niet tot het oordeel komen dat de verdachte aansprakelijk is voor eventuele immateriële schade. Er is daarom geen plaats voor toewijzing van de schadevergoedingsmaatregel.6. Wettelijke voorschriften\n\nDe oplegging van deze straf is gebaseerd op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d en 141 van het Wetboek van Strafrecht.7. Beslissingen\n\nDe rechtbank:\n\nverklaart niet bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde feit heeft gepleegd en spreekt de verdachte daarvan vrij;\n\nverklaart bewezen dat de verdachte het subsidiair ten laste gelegde feit, zoals in hoofdstuk 2.3.2 is omschreven, heeft gepleegd;\n\nstelt vast dat het bewezenverklaarde oplevert het in hoofdstuk 3 vermelde strafbare feit;\n\nverklaart de verdachte strafbaar;\n\nveroordeelt de verdachte tot een taakstraf van 120 (honderdtwintig) uur, waarbij de reclassering bepaalt uit welke werkzaamheden deze taakstraf zal bestaan;\n\nbeveelt dat, voor het geval de verdachte de taakstraf niet (goed) verricht, vervangende hechteniszal worden toegepast voor de duur van 60 dagen;\n\nbepaalt dat 40 uur van deze taakstrafniet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders beslist;\n\nverbindt hieraan een proeftijd, die wordt gesteld op 2 jaar, waarbij tot tenuitvoerlegging van het voorwaardelijke gedeelte van de straf kan worden beslist als de verdachte de onderstaande voorwaarde niet naleeft;\n\nstelt als algemene voorwaarde dat:\n\n- de verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet aan een strafbaar feit schuldig maakt;\n\nverklaart de benadeelde partij [benadeelde partij] niet-ontvankelijk in zijn vordering;\n\nveroordeelt de benadeelde partij in de kosten die de verdachte heeft gemaakt voor de verdediging tegen de vordering, en begroot deze kosten op € 0.8. Samenstelling rechtbank en ondertekening\n\nDit vonnis is gewezen door:\n\nmr. I. Bouter, voorzitter,\n\nen mrs. A.M. van der Leeden en T. Urbanus, rechters,\n\nin tegenwoordigheid van mr. E.P. de Jong, griffier,\n\nen uitgesproken op de openbare zitting van deze rechtbank op 2 april 2026.\n\nMr. T. Urbanus is niet in de gelegenheid dit vonnis te ondertekenen.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2026:7869","ecli-nl-rbrot-2026-7869",{"courtName":6,"legalDomain":21,"decisionType":22,"procedureType":23},{"id":90,"ecli":91,"caseNumber":14,"courtId":5,"courtName":14,"decisionDate":92,"fullText":93,"language":7,"source":17,"sourceUrl":94,"summary":14,"slug":95,"metadata":96},"1373","ECLI:NL:RBROT:2026:7861","2026-04-01T00:00:00.000Z","Rechtbank RotterdamZittingsplaats Dordrecht\n\nMeervoudige kamer strafzaken\n\nParketnummer: 10\u002F152408-24\n\nDatum uitspraak: 1 april 2026\n\nDatum zitting: 18 maart 2026\n\nTegenspraak\n\nVerdachte:\n\n [verdachte] ,\n\ngeboren op [geboortedatum] 1982 in [geboorteplaats]\n\ningeschreven op het adres: [adres] , [postcode] [woonplaats] ,\n\nAdvocaat van de verdachte: mr. E.R. Weegenaar\n\nOfficier van justitie: mr. J. du Chatinier\n\nKern van het vonnis\n\nDe verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan opzettelijke brandstichting. De rechtbank legt aan de verdachte een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 15 maanden op, met daaraan gekoppeld een proeftijd van 3 jaren en enkele bijzondere voorwaarden.1. Tenlastelegging\n\nDe officier van justitie beschuldigt de verdachte ervan dat hij opzettelijk brand heeft gesticht (primair), dan wel dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan vernieling (subsidiair).\n\nDe volledige tenlastelegging houdt in dat:\n\nhij op of omstreeks 5 mei 2024 te Zwijndrecht opzettelijk brand heeft gesticht in een garagebox, gelegen aan de Dahliastraat, door open vuur in aanraking te brengen met een of meer kaars(en) en\u002Fof daar (vervolgens) brandgel bij\u002Fop te doen, terwijl daarvan - gemeen gevaar voor goederen, te weten voor zich in die garagebox bevindende goederen en\u002Fof voor die garagebox zelf en\u002Fof voor belendende garageboxen en\u002Fof woningen, en\u002Fof - levensgevaar en\u002Fof gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander, te weten een\u002Fde zich in die belendende woningen bevindende perso(o)n(en)en te duchten was subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:\n\nhij op of omstreeks 5 mei 2024 te Zwijndrecht opzettelijk en wederrechtelijk een garagebox, gelegen aan de Dahliastraat ( [nummer] ), in elk geval enig goed, dat\u002Fdie geheel of ten dele aan [aangever] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt en\u002Fof weggemaakt2. Bewijs2.1.. \n\nVordering van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld voor het primair ten laste gelegde.2.2.. \n\nConclusie van de verdediging\n\nDe verdediging heeft bepleit dat de verdachte geen opzet heeft gehad op de brandstichting, zodat hij moet worden vrijgesproken. Daarnaast was er geen sprake van gevaar voor personen, zodat hij in ieder geval van dit deel van de tenlastelegging dient te worden vrijgesproken.2.3.. Oordeel van de rechtbank2.3.1.. \n\nBewezenverklaring en bewijsmiddelen\n\nHet is bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan opzettelijke brandstichting. De volledige bewezenverklaring is vermeld onder 2.3.2.\n\nDe bewezenverklaring is gebaseerd op de inhoud van de volgende bewijsmiddelen en de onderstaande bewijsmotivering.\n\n1. Verklaring van de verdachte\n\nHet klopt dat ik op 5 mei 2024 in Zwijndrecht in een gesloten garagebox een vuur heb ontstoken. Ik heb een vuur gemaakt met kaarsen en daar brandgel aan toegevoegd. Ik heb het omrasterd met een houten constructie. Dit was een soort provisorische open haard. Op enig moment stond die houten constructie ook in brand.\n\n2. Proces-verbaal van de politie\n\nDe brand was ontstaan in een garagebox welke naast de toegang van de portiekflat\n\ngevestigd was. De verdachte die het brandje aan het stoken was, heeft toen de brand\n\nuit de hand liep, 112 gebeld. De meldkamer heeft toen geadviseerd om de garagebox\n\nte verlaten en de deur van de garagebox te sluiten. Hierdoor is de zuurstof en\n\ndaardoor de brand qua hevigheid wat verminderd, maar door de slechtere verbranding is\n\nde rookontwikkeling en koolmonoxide ontwikkeling toegenomen. Echter was de deur in\n\nhet slot gevallen, waardoor de brandweer niet direct de garagebox binnen kon komen om\n\nte blussen. Zij hebben een gat moeten maken, om de garagebox te betreden. Het trappenhuis van de portiekflat stond vol met rookontwikkeling. Ook was er rookontwikkeling in diverse woningen. Het betrof een portiekflat met 4 verdiepingen en 8 woningen. Eén van de bewoners was wakker en zag de rookontwikkeling. Vervolgens hebben de bewoners zichzelf in veiligheid gebracht. De brandweer heeft gecheckt of alle bewoners in veiligheid\n\nwaren. Ook is de koolmonoxide in de woningen gemeten. Dit was ver boven de waarde van\n\n25 Parts Per Million (p.p.m.) Voor de duidelijkheid: Als bij een cv-ketel 5 p.p.m.\n\nwordt gemeten dien je de installatie direct uit bedrijf te nemen. De koolmonoxide was dus veel te hoog in de woningen en in het trappenhuis, waardoor dit gevaar op heeft geleverd voor de bewoners dan wel personen die zich in de portiekflat bevonden.\n\n3. Proces-verbaal van aangifte\n\nOp het moment dat ik vandaag ter plaatse kwam zag ik bij het openen van de schuifdeur dat er meerdere fietsen, scooter en een aanhangwagen met diverse goederen erop in de garagebox stonden. Tevens zag ik dat er meerdere roetvlekken op de muren van de garagebox zaten. Tevens hing er een enorme rooklucht in de garagebox. Ik weet zeker dat in de garagebox, op het moment dat de garagebox werd verhuurd, deze schade niet aanwezig was.2.3.2.. \n\nBewijsmotivering\n\nDe verdachte heeft ter terechtzitting bekend dat hij op 5 mei 2024 in een garagebox te Zwijndrecht een vuur heeft ontstoken. De verdediging heeft betwist dat de verdachte met opzet brand heeft gesticht. De intentie van de verdachte was om slechts een klein vuur te maken, zodat hij zichzelf daaraan kon opwarmen.\n\nDe rechtbank verwerpt dit verweer. Uit de verklaring van de verdachte volgt dat hij een vuur heeft gemaakt met kaarsen en dat hij dit vuur heeft vergroot door daar brandgel aan toe te voegen. De verdachte heeft verklaard dat hij de vuurhaard heeft omrasterd met een houten constructie om de gel niet te laten wegstromen. Het zijn feiten van algemene bekendheid dat brandgel licht ontvlambaar is en dat hout brandbaar is. Deze zaken zijn niet bestemd om in deze combinatie, in een garagebox, in brand te worden gestoken. Gezien de door de verdachte gebruikte materialen en de gebouwelijke situatie (de garagebox was gelegen onder portiekwoningen en het portiek bestond in totaal uit acht woningen) was naar algemene ervaringsregels het gemeen gevaar voor goederen voorzienbaar. Hetzelfde geldt voor het levensgevaar voor een ander, waarbij de rechtbank nog specifiek wijst op de rookontwikkeling en de aanwezigheid van koolmonoxide-waardes die ver boven het toelaatbare niveau lagen. Dat de verdachte dit wellicht niet heeft voorzien, is daarbij niet van belang (vgl. Hoge Raad 17 februari 2009, ECLI:NL:HR:2009:BG1653)\n\n2.3.3.. Volledige bewezenverklaring\n\nBewezen is dat:\n\nPrimair:\n\nhij op 5 mei 2024 te Zwijndrecht opzettelijk brand heeft gesticht in een garagebox, gelegen aan de Dahliastraat, door open vuur in aanraking te brengen met een of meer kaarsen en daar (vervolgens) brandgel bij te doen, terwijl daarvan - gemeen gevaar voor goederen, te weten voor zich in die garagebox bevindende goederen en voor die garagebox zelf en voor belendende garageboxen en woningen, en - levensgevaar = voor (een)ander(en), te weten een\u002Fde zich in die belendende woningen bevindende perso(o)n(en) te duchten was.3. Kwalificatie en strafbaarheid3.1.. \n\nKwalificatie\n\nHet bewezen feit levert het volgende strafbare feit op:\n\nPrimair: meerdaadse samenloop van opzettelijk brand stichten terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en levensgevaar voor een ander te duchten is\n\n3.2.. \n\nStrafbaarheid van het feit en van de verdachte\n\nHet feit en de verdachte zijn strafbaar.4. Straf4.1.. \n\nEis van de officier van justitie\n\nDe verdachte moet worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden, waarvan 12 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren en met oplegging van de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de reclassering in het over de verdachte opgemaakte rapport van 12 september 2025.4.2.. \n\nStandpunt van de verdediging\n\nDe verdediging heeft verzocht om bij een eventuele strafoplegging rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte en daarom de door de officier van justitie neergelegde eis flink te matigen.4.3.. Oordeel van de rechtbank4.3.1.. \n\nErnst en omstandigheden van het feit \u002Fde feiten\n\nDe verdachte heeft brand gesticht door in een garagebox kaarsen aan te steken en dit vuur te voorzien van brandgel en een houten constructie. Door de brand is er gevaar voor goederen en levensgevaar voor personen ontstaan. Als gevolg van door de verdachte gestichte brand hebben de aanwezige bewoners van de portiekwoningen deze voor hun veiligheid moeten verlaten. Hoewel het dossier daar nagenoeg geen gegevens over bevat, ligt het zeer voor de hand dat het handelen van de verdachte gevoelens van angst en ongerustheid bij voornoemde bewoners en andere bewoners van de Dahliastraat teweeg zal hebben gebracht. Verder is sprake geweest van rookontwikkeling, en daarmee niet alleen van overlast maar ook met voor de bewoners van de portiekwoningen gepaard gaand gevaar.4.3.2.. \n\nPersoon en persoonlijke omstandigheden\n\nStrafblad\n\nUit het strafblad (uittreksel justitiële documentatie) van 7 maart 2026 blijkt dat de verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten.\n\nReclasseringsadvies en verklaring op de zitting\n\nIn het rapport van Reclassering Nederland van 12 september 2025 staat onder meer het volgende.\n\nDe reclassering schat het recidiverisico in als hoog. Zij ziet de leefgebieden middelengebruik en psychosociaal functioneren als direct delictgerelateerde factoren. Zo was de verdachte ten tijde van het delict onder invloed van speed. Wanneer de verdachte dit gebruikt, lijkt hij ondoordachte en impulsieve beslissingen te nemen, waarbij risicovolgedrag ten aanzien van brandstichting vaker voort lijkt te komen (zo ook in de begeleide woonvorm waar hij tot voor kort verbleef). De verdachte lijkt de ernst van zijn (delict)gedrag onvoldoende in te zien. Omdat dit mogelijk voortkomt uit problematiek op het gebied van zijn psychosociaal functioneren, ziet de reclassering de houding van de verdachte als mogelijk delictgerelateerde factor.\n\nBinnen de onderhavige zaak is er sprake van een schorsingstoezicht bij Fivoor reclassering. Dit toezicht verloopt moeizaam. De verdachte woonde een periode bij een begeleide woonvorm van Antes. Echter, op 22 juli 2025 is dit traject beëindigd, omdat hij zich herhaaldelijk niet aan de regels van de begeleide woonvorm heeft gehouden. Gedurende het schorsingstoezicht is daarnaast gepoogd behandeling bij Fivoor FACT van de grond te krijgen, onder andere met het doel diagnostiek bij hem af te nemen. Mede wegens het forse middelengebruik van de verdachte en zijn ongemotiveerde houding is dit uiteindelijk niet gelukt. De behandeling is op 28 juli 2025 voortijdig beëindigd.\n\nGelet op de zorgen en de risico’s op toekomstig delictgedrag, ziet de reclassering een noodzaak tot het voortzetten van een reclasseringstoezicht. Binnen het schorsingstoezicht is echter gebleken dat het de verdachte niet lukt om zich aan de bijzondere voorwaarden te houden. De reclassering ziet op dit moment een langdurige klinische opname daarom als laatste mogelijkheid om stabiliteit in het leven van de verdachte teweeg te brengen en de risico’s op delictgedrag te beperken. Gedurende een klinische opname dient ingezet te worden op zijn verslavingsproblematiek. Daarnaast kan diagnostiek worden afgenomen, waarna eventuele psychopathologie kan worden behandeld en een passend nazorgtraject kan worden opgesteld. De verdachte staat ambivalent tegenover een klinische opname, wat vermoedelijk zijn grondslag vindt in zijn onwil om voor langere (nog onbepaalde) tijd zonder middelengebruik te leven. Toch lijkt de verdachte hier in groeiende mate voor open te staan.\n\nOp de zitting heeft [de getuige] , werkzaam bij Reclassering Nederland, (hierna: de getuige) aanvullend over de persoonlijke omstandigheden van de verdachte verklaard. De getuige heeft verklaard dat het ambulante kader bij de reclassering is uitgeput en dat er een indicatiestelling voor een klinische opname is afgegeven. De verdachte kon terecht bij een kliniek in [plaats 1] , maar staat nu op de wachtlijst voor de kliniek in [plaats 2] , omdat dit dichter bij [plaats 3] is. Voor de verdachte is het belangrijk dat hij behandeling krijgt, waarna hij direct kan doorstromen naar een passende woonvorm.4.3.3.. \n\nOplegging straf\n\nMede gelet op de straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd rechtvaardigt de ernst van het feit in beginsel een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. De rechtbank ziet echter aanleiding om de gevangenisstraf geheel voorwaardelijk op te leggen. Hiertoe overweegt de rechtbank dat er zorgen bestaan ten aanzien van de bovenmatige interesse en genegenheid van de verdachte voor het starten van vuur, dat de persoonlijke omstandigheden van de verdachte dusdanig zijn dat hulp in de vorm van een klinische opname – waarvan de noodzaak is benadrukt door de reclassering – moet prevaleren boven vergelding en dat de verdachte thans een meewerkende houding heeft ten opzichte van een klinische opname. De rechtbank koppelt aan de voorwaardelijke gevangenisstraf een proeftijd van drie jaren. De rechtbank verbindt hieraan de voorwaarden die hierna worden genoemd. Deze voorwaardelijke straf dient de verdachte ervan te weerhouden in de toekomst opnieuw strafbare feiten te plegen.5. Wettelijke voorschriften\n\nDe oplegging van deze straf is gebaseerd op de artikelen 14a, 14b, 14c, 57 en 157 van het Wetboek van Strafrecht.6. Beslissingen\n\nDe rechtbank:\n\nStraf\n\nveroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf van 15 (vijftien) maanden;\n\nbeveelt dat de tijd die door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, in mindering wordt gebracht op de gevangenisstraf, voor zover deze tijd niet al op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;\n\nbepaalt dat deze gevangenisstrafniet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders beslist;\n\nverbindt hieraan een proeftijd, die wordt gesteld op 3 jaar, waarbij tot tenuitvoerlegging van het voorwaardelijke gedeelte van de straf kan worden beslist als de verdachte een van de onderstaande voorwaarden niet naleeft;\n\nstelt als algemene voorwaarde dat:\n\n- de verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet aan een strafbaar feit schuldig maakt;\n\nstelt als bijzondere voorwaarden dat:\n\n1. Meldplicht bij reclassering (na afspraak)\n\nDe verdachte meldt zich op afspraken bij Fivoor reclassering, op Marconistraat 2, 3029 AK te Rotterdam, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering zal contact met de verdachte opnemen voor de eerste afspraak. Binnen dit toezicht werkt de verdachte aan bewustwording van zijn levensstijl en middelenproblematiek. Hiertoe volgt de verdachte de begeleidingsmodule Stap voor Stap.\n\n2. Opname in een zorginstelling\n\nDe verdachte laat zich opnemen in een zorginstelling, te bepalen door de justitiële instantie die verantwoordelijk is voor plaatsing. De opname duurt een jaar of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. De verdachte houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorginstelling geeft voor de behandeling. Gelet op de problematiek kan hieronder ook het innemen van medicijnen vallen en\u002Fof controle op het innemen van de medicatie, als de zorginstelling dat nodig vindt. Als de reclassering een overgang naar ambulante zorg, begeleid wonen of maatschappelijke opvang gewenst vindt, werkt de verdachte mee aan de indicatiestelling en plaatsing.\n\n3. Ambulante behandeling\n\nDe verdachte laat zich behandelen door Fivoor of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering. De behandeling start wanneer de reclassering dit nodig acht. De behandeling duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. De verdachte houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling. Bij een terugval in middelengebruik of verslechtering van het psychiatrische ziektebeeld kan de reclassering een indicatiestelling aanvragen voor een kortdurende opname voor detoxificatie en\u002Fof stabilisatie. Als de voor indicatie verantwoordelijke instantie een kortdurende opname indiceert, zal de verdachte zich, na goedkeuring door de rechter, laten opnemen in een zorginstelling voor zeven weken of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. De justitiële instantie die verantwoordelijk is voor plaatsing in forensische zorg, bepaalt in welke zorginstelling de opname plaatsvindt. De verdachte houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorginstelling geeft voor de behandeling. Gelet op de problematiek kan hieronder ook het innemen van medicijnen vallen, als de zorginstelling dat nodig vindt. (De rechtbank: de verdachte heeft zich daartoe bereid verklaard.)\n\n4. Begeleid wonen of maatschappelijke opvang\n\nDe verdachte verblijft in een instelling voor beschermd wonen of maatschappelijke opvang, te bepalen door de reclassering. Het verblijf start wanneer de reclassering dit noodzakelijk acht. Het verblijf duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. De verdachte houdt zich aan de huisregels en het dagprogramma dat de instelling in overleg met de reclassering voor haar heeft opgesteld.\n\n5. Meewerken aan middelencontrole\n\nDe verdachte werkt mee aan controle van het gebruik van alcohol en drugs om het middelengebruik te beheersen. De reclassering kan urineonderzoek en ademonderzoek (blaastest) gebruiken voor de controle. De reclassering bepaalt hoe vaak de verdachte wordt gecontroleerd;\n\nverstaat dat van rechtswege de volgende voorwaarden zijn verbonden aan de hierboven genoemde bijzondere voorwaarden:\n\nde verdachte zal ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verlenen aan het nemen van één of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbieden;\n\nde verdachte zal medewerking verlenen aan reclasseringstoezicht, daaronder begrepen de medewerking aan huisbezoeken;\n\ngeeft aan genoemde reclasseringsinstelling opdracht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden.\n\nVoorlopige hechtenis\n\nheft op het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte; deze voorlopige hechtenis is eerder geschorst.\n\n7. Samenstelling rechtbank en ondertekening\n\nDit vonnis is gewezen door:\n\nmr. D.F. Smulders, voorzitter,\n\nen mrs. D. van der Sluis en M.S. Polet, rechters,\n\nin tegenwoordigheid van mr. E.P. de Jong, griffier,\n\nen uitgesproken op de openbare zitting van deze rechtbank op 1 april 2026.\n\nMr. E.P. de Jong is niet in de gelegenheid dit vonnis te ondertekenen.\n\n Verklaard tijdens de zitting van 18 maart 2026.\n\n Proces-verbaal van bevindingen, [proces-verbaalnummer 1] .\n\n Proces-verbaal van aangifte: [proces-verbaalnummer 2]","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2026:7861","ecli-nl-rbrot-2026-7861",{"courtName":6,"legalDomain":21,"decisionType":22,"procedureType":23},{"id":98,"ecli":99,"caseNumber":14,"courtId":5,"courtName":14,"decisionDate":92,"fullText":100,"language":7,"source":17,"sourceUrl":101,"summary":14,"slug":102,"metadata":103},"1371","ECLI:NL:RBROT:2026:7858","Rechtbank RotterdamZittingsplaats Dordrecht\n\nMeervoudige kamer strafzaken\n\nParketnummer 10\u002F240146-23\n\nDatum uitspraak: 1 april 2026\n\nDatum zitting: 18 maart 2026\n\nTegenspraak\n\nVerdachte:\n\n [verdachte] ,\n\ngeboren op [geboortedatum] 1974 in [geboorteplaats]\n\ningeschreven op het adres:\n\n [adres] , [postcode] [woonplaats] ,\n\nAdvocaat van de verdachte: mr. L. Klewer\n\nOfficier van justitie: mr. B. Woei-A-Tsoi\n\nKern van het vonnis\n\nDe verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het bezit van kinderporno. De rechtbank legt aan de verdachte een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 8 maanden op, met daaraan gekoppeld een proeftijd van 3 jaren met een algemene voorwaarde en bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de reclassering.\n\n1. Tenlastelegging\n\nDe officier van justitie beschuldigt de verdachte ervan dat hij - samengevat -\n\nin de periode van 12 februari 2023 tot en met 28 april 2023 kinderpornografische afbeeldingen heeft verspreid en in zijn bezit heeft gehad.\n\nDe volledige tenlastelegging houdt in dat\n\nHij op of omstreeks de periode van 12 februari 2023 tot en met 28 september 2023 te Rotterdam, althans in Nederland, meermalen, althans eenmaal, een of meer afbeeldingen en\u002Fof - gegevensdragers, bevattende afbeeldingen - van een seksuele gedraging, waarbij iemand die kennelijk de leeftijd van achttien jaar nog niet had bereikt was betrokken en\u002Fof schijnbaar was betrokken heeft verspreid en\u002Fof vervaardigd en\u002Fof in heeft bezit gehad waarop te zien is dat: - die perso(o)n(en) oraal, vaginaal en\u002Fof anaal wordt\u002Fworden gepenetreerd met een een penis, vinger(s) en\u002Fof een voorwerp en\u002Fof - het eigen lichaam oraal, vaginaal en\u002Fof anaal wordt gepenetreerd met vinger(s) of een dildo en\u002Fof tandenborstel (visuele weergave 1,2,9 en 12) en\u002Fof - het geslachtsdeel en\u002Fof de billen van die pers(o)n(en) wordt\u002Fworden aangeraakt met de penis, hand en\u002Fof vingers en\u002Fof - die perso(o)n(en) een penis aanraken met een vinger en\u002Fof hand en\u002Fof mond en\u002Fof tong en\u002Fof borst(en) aanraken met een vinger en\u002Fof hand en\u002Fof voorwerp en\u002Fof -die perso(o)n(en) het eigen lichaam aanraken bij de geslachtsdelen en\u002Fof borsten met de vingers en\u002Fof hand en\u002Fof een voorwerp (visuele weergave 3 en 4) en\u002Fof - het geslachtsdeel van die perso(o)n(en) wordt\u002Fworden gelikt door een dier (visuele weergave 5) en\u002Fof - die perso(o)n(en) geheel of gedeeltelijk naakt is\u002Fzijn en\u002Fof gekleed is\u002Fzijn op een wijze die niet bij de leeftijd past en\u002Fof in een (erotisch getinte) houding op een wijze die niet bij de leeftijd past poseert\u002Fposeren en daarbij de borsten, vagina en billen laten zien en\u002Fof - die perso(o)n(en) een op sperma gelijkende substantie op het lichaam en\u002Fof het gezicht heeft (visuele weergave 6,7,8,10 en 11) en hij van het plegen van dit misdrijf een gewoonte heeft gemaakt.2. Bewijs2.1.. \n\nVordering van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte moet worden veroordeeld. De verdachte dient vrijgesproken te worden van het strafverzwarende element dat hij van het plegen van het delict een gewoonte heeft gemaakt. Het laatstgenoemde is abusievelijk in de definitieve tenlastelegging terecht gekomen.2.2.. \n\nConclusie van de verdediging\n\nDe verdediging heeft vrijspraak bepleit van het onderdeel ‘gewoonte maken’ van het misdrijf. De verdediging heeft zich voor het overige gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.2.3.. Oordeel van de rechtbank2.3.1.. \n\nBewezenverklaring en bewijsmiddelen\n\nDe bewezenverklaring is gebaseerd op de inhoud van de bewijsmiddelen. De verdachte heeft het ten laste gelegde bekend en er is geen vrijspraak bepleit, anders dan ten aanzien van het element dat hij van het plegen van het feit een gewoonte heeft gemaakt. Gelijk aan de eis van de officier van justitie en het standpunt van de verdediging komt de rechtbank tot het oordeel dat de verdachte van dat deel moet worden vrijgesproken. Gelet op het voorgaande worden de bewijsmiddelen hieronder wel genoemd maar niet uitgeschreven.\n\n1. Bekennende verklaring van de verdachte\n\n2. Proces-verbaal van de politie, beschrijving kinderpornografisch materiaal\n\n2.3.2.. Volledige bewezenverklaring\n\nBewezen is dat:\n\nHij inde periode van 12 februari 2023 tot en met 28 september 2023 te Rotterdam, meermalen, een of meer afbeeldingen en\u002Fof gegevensdragers, bevattende afbeeldingen - van een seksuele gedraging, waarbij iemand die kennelijk de leeftijd van achttien jaar nog niet had bereikt was betrokken en\u002Fof schijnbaar was betrokken heeft verspreid en in bezitheeftgehad waarop te zien is dat: - die perso(o)n(en) oraal, vaginaal en\u002Fof anaal wordt\u002Fworden gepenetreerd met een een penis, vinger(s) en\u002Fof een voorwerp en - het eigen lichaam oraal, vaginaal en\u002Fof anaal wordt gepenetreerd met vinger(s) of een dildo en\u002Fof tandenborstel (visuele weergave 1,2,9 en 12) en\\ - het geslachtsdeel en\u002Fof de billen van die pers(o)n(en) wordt\u002Fworden aangeraakt met de penis, hand en\u002Fof vingers en - die perso(o)n(en) een penis aanraken met een vinger en\u002Fof hand en\u002Fof mond en\u002Fof tong en\u002Fof borst(en) aanraken met een vinger en\u002Fof hand en\u002Fof voorwerp en -die perso(o)n(en) het eigen lichaam aanraken bij de geslachtsdelen en\u002Fof borsten met de vingers en\u002Fof hand en\u002Fof een voorwerp (visuele weergave 3 en 4) en - het geslachtsdeel van die perso(o)n wordt gelikt door een dier (visuele weergave 5) en\\ - die perso(o)n(en) geheel of gedeeltelijk naakt is\u002Fzijn en\u002Fof gekleed is\u002Fzijn op een wijze die niet bij de leeftijd past en\u002Fof in een (erotisch getinte) houding op een wijze die niet bij de leeftijd past poseert\u002Fposeren en daarbij de borsten, vagina en billen laten zien en - die perso(o)n(en) een op sperma gelijkende substantie op het lichaam en\u002Fof het gezicht heeft\u002Fhebben(visuele weergave 6,7,8,10 en 11)3. Kwalificatie en strafbaarheid3.1.. \n\nKwalificatie\n\nHet bewezen feit levert het volgende strafbare feit op:\n\neen gegevensdrager bevattende een afbeelding van een seksuele gedraging, waarbij iemand die kennelijk de leeftijd van achttien jaar nog niet heeft bereikt, is betrokken of schijnbaar is betrokken, verspreiden en in bezit hebben, meermalen gepleegd\n\n3.2.. \n\nStrafbaarheid van het feit en van de verdachte\n\nHet feit en de verdachte zijn strafbaar.4. Straf4.1.. \n\nEis van de officier van justitie\n\nDe verdachte moet worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 5 jaren, met oplegging van de algemene voorwaarde en bijzondere voorwaarden, zoals geadviseerd door de reclassering in het rapport van 23 oktober 2025. De verdachte moet daarnaast worden veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 240 uren subsidiair 120 dagen vervangende hechtenis.4.2.. \n\nStandpunt van de verdediging\n\nDe verdediging heeft verzocht om bij een eventuele strafoplegging (nog meer dan door de officier van justitie is gedaan) rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte en zodoende te komen tot een geheel voorwaardelijke (gevangenis)straf met een lange proeftijd.4.3.. Oordeel van de rechtbank4.3.1.. \n\nErnst en omstandigheden van het feit \u002Fde feiten\n\nDe verdachte heeft afbeeldingen van kinderpornografische aard in zijn bezit gehad. De collectie kinderporno betrof 893 foto’s en video’s van kinderen met voornamelijk een leeftijd van onder de 12 jaar. Ook blijkt hij een deel daarvan door de afbeeldingen te delen met een ander te hebben verspreid.\n\nHet bezit van kinderpornografisch materiaal is verboden om seksueel misbruik van kinderen en de exploitatie van dergelijk misbruik tegen te gaan. Door de vraag naar dergelijke afbeeldingen blijft de productie daarvan en het misbruik dat daarmee gepaard gaat, bestaan. De verdachte heeft met zijn handelen indirect bijgedragen aan de instandhouding van dit misbruik. Bij het maken van kinderporno wordt op grove wijze inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit en persoonlijke levenssfeer van de betrokken - in dezen ook zeer jonge - kinderen. Dergelijk seksueel misbruik zal in de regel leiden tot ernstige lichamelijke en psychische schade bij hen.\n\nDe verdachte weet en wist al dat dit een ernstig zedendelict is, omdat hij hiervoor zoals hierna wordt besproken, al eerder veroordeeld is.4.3.2.. \n\nPersoon en persoonlijke omstandigheden\n\nStrafblad\n\nUit het strafblad (uittreksel justitiële documentatie) van 10 februari 2026 blijkt dat de verdachte op 15 december 2017 door het Gerechtshof Den Haag onder meer is veroordeeld voor eenzelfde strafbaar feit. De proeftijd behorend bij de door het Hof opgelegde voorwaardelijke straf was nog geen twee maanden verstreken toen de verdachte opnieuw de fout inging.\n\nReclasseringsadvies en verklaring op de zitting\n\nIn het rapport van Reclassering Nederland van 23 oktober 2025 komt de reclassering tot de volgende conclusie en het volgende advies.\n\nCriminogene risicofactoren ziet de reclassering gelegen in het psychosociaal functioneren, het ontbreken van een ondersteunend sociaal netwerk, het verlies van werk en het ontbreken van zingeving. De verdachte is gediagnosticeerd met een obsessief compulsieve stoornis, pedofilie en daarnaast is er sprake van een angststoornis. Er is sprake van een grote lijdensdruk. Ten aanzien van het in bezit hebben van kinderpornografie is er sprake van een langdurig en persisterend patroon, beginnende in het achttiende levensjaar van de verdachte. Naast een seksuele functie, wordt het downloaden van en kijken naar porno eveneens gebruikt als coping strategie voor het omgaan met stress en spanningen. De verdachte zit sinds bijna een half jaar in de Ziektewet en het ziet er niet naar uit dat hij terug kan naar zijn werk. De verdachte heeft nauwelijks een ondersteunend sociaal netwerk en woont alleen, maar heeft hiervoor onvoldoende (woon)vaardigheden en het alleen wonen vergroot zijn sociaal isolement. Door zijn angsten komt de verdachte niet buiten en is het leggen van contacten moeilijk. De verdachte heeft medicatie die zijn seksuele impulsen onderdrukt, maar wisselingen van medicatie en het te plotseling stoppen van medicatie verergerden de symptomen en leidden tot een verhoogd gebruik van (kinder)pornografie. Er is een hoog risico op recidive.\n\nOm dit hoge recidiverisico te verlagen, is het van belang dat de verdachte in behandeling blijft bij [zorginstelling 2] , zijn medicatie blijft gebruiken, een sociaal netwerk heeft en zijn interpersoonlijke vaardigheden vergroot. Beschermd wonen is geïndiceerd, zodat het sociaal isolement wordt doorbroken en er sneller gesignaleerd kan worden als de stress bij de verdachte oploopt. Controle op “digitale omgevingen seksueel kindermisbruik” acht de reclassering noodzakelijk, omdat er sprake is van een langdurig en volhardend patroon van het downloaden en bekijken van kinderpornografie.\n\nBij een veroordeling adviseert de reclassering een (deels) voorwaardelijke straf met de onderstaande bijzondere voorwaarden:\n\n• Meldplicht bij de reclassering;\n\n• Ambulante behandeling (met mogelijkheid tot kortdurende klinische opname);\n\n• Begeleid wonen;\n\n• Dagbesteding en\n\n• Vermijden digitale omgevingen seksueel kindermisbruik.\n\n Op de zitting heeft de door de verdediging meegebrachte en gehoorde getuige [getuige] , werkzaam bij [zorginstelling 1] , verklaard dat hij vanaf november 2025 actief betrokken is bij de begeleiding van de verdachte. Laatstgenoemde staat open voor hulp, stelt zich begeleidbaar op, maar heeft aansturing nodig. De hulp die de verdachte aangeboden krijgt, pakt hij aan. De getuige heeft verder verklaard dat er voor de verdachte een aanvraag in het kader van de Wet langdurige zorg (hierna: WLZ) is ingediend en dat deze naar alle waarschijnlijkheid binnen drie maanden zal worden gehonoreerd. Met een WLZ-indicatie kan de verdachte meer dan thans het geval is aanspraak maken op zorg.4.3.3.. \n\nRedelijke termijn\n\nAlgemeen uitgangspunt van rechtspleging is dat zaken binnen redelijke termijn moeten worden afgedaan. Dat geldt ook voor strafzaken. Dit uitgangspunt wordt bovenal gedragen door de gedachte dat het onrechtvaardig is personen te lang met de dreiging van een strafvervolging te confronteren. Dat kan niet alleen een zware psychische belasting opleveren, maar ook het maatschappelijk functioneren van degene die dit treft in de weg staan.\n\nVoor zaken als de onderhavige geldt dat de zaak binnen een termijn van twee jaar dient te zijn afgerond met een einduitspraak in eerste aanleg, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden. Hierbij dient te worden gerekend vanaf het moment dat de verdachte in redelijkheid de verwachting kon ontlenen dat tegen hem een strafvervolging zou worden ingesteld.\n\nDe rechtbank oordeelt in dezen dat de redelijke termijn op 28 september 2023 is aangevangen, waarbij zij aansluiting heeft gezocht bij het moment waarop de woning van de verdachte is doorzocht ter inbeslagname. Deze doorzoeking had betrekking op het feit waarvoor de verdachte thans wordt vervolgd en deze had ook belangrijke gevolgen voor (de strafzaak van) de verdachte. Aan deze doorzoeking kon de verdachte in redelijkheid de verwachting ontlenen dat tegen hem een strafvervolging zou worden ingesteld, te meer nu hij reeds eerder voor eenzelfde feit was veroordeeld. Dat de verdachte deze verwachting ook daadwerkelijk heeft gehad, volgt uit het gegeven dat hij tijdens de doorzoeking aan een lid van de zoekploeg – nadat aan hem de cautie was gegeven – heeft verklaard dat hij kinder- en dierenporno had bekeken en dat zijn leven voorbij was. Ook heeft hij toen meermalen verklaard dat hij schuldig was aan het bezit van kinderporno. Uit de verdere verklaringen van de verdachte en uit de overige inhoud van voornoemd rapport van de reclassering volgt dat de (reële) dreiging van strafvervolging zwaar op de verdachte heeft gedrukt en mede heeft geleid tot een aanmelding voor euthanasie.\n\nSinds 28 september 2023 tot aan (de in de aanhef van) dit vonnis (genoemde datum) is een periode van twee jaren en zes maanden is verstreken. Het is onduidelijk gebleven wat heeft gemaakt dat de verdachte na de doorzoeking in september 2023 pas in maart 2025 is aangehouden en verhoord en de strafzaak van de verdachte eerst in februari 2026 op zitting is gebracht, zodat er geen sprake is van bijzondere omstandigheden. Gelet hierop stelt de rechtbank vast dat de redelijke termijn is geschonden.4.3.4.. \n\nOplegging straf\n\nDe ernst van het feit rechtvaardigt, mede gelet op de straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd, in beginsel een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Echter, nu er sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn, de reclassering oplegging van bijzondere voorwaarden adviseert en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte hier aanleiding toe geven, ziet de rechtbank aanleiding om de gevangenisstraf geheel voorwaardelijk op te leggen, met daaraan gekoppeld een proeftijd van drie jaren. Deze proeftijd is korter dan gevorderd door de officier van justitie. Dit wordt ingegeven door de omstandigheid dat de verdachte is vervolgd en veroordeeld voor het overtreden van artikel 240b (oud) van het Wetboek van Strafrecht. In samenhang bezien met artikel 14b, tweede lid, (oud) van het Wetboek van Strafrecht is de maximale proeftijd drie jaren. De rechtbank verbindt aan deze voorwaardelijke gevangenisstraf de voorwaarden die hierna worden genoemd, die ertoe dienen de verdachte ervan te weerhouden in de toekomst opnieuw strafbare feiten te plegen. De rechtbank ziet vanwege de coöperatieve houding van de verdachte ten aanzien van de aan hem geboden hulp(verlening) geen meerwaarde in het dadelijk uitvoerbaar verklaren van deze bijzondere voorwaarden.\n\nDe rechtbank ziet, gelet op de zwaarwegende persoonlijke omstandigheden van de verdachte waarbij met name is gekeken naar de (fysieke en mentale) belastbaarheid van de verdachte, af van het opleggen van een (onvoorwaardelijke) taakstraf.5. Wettelijke voorschriften\n\nDe oplegging van deze straf is gebaseerd op de artikelen 14a, 14b, 14c en 240b van het Wetboek van Strafrecht (oud).6. Beslissingen\n\nDe rechtbank:\n\nBewezenverklaring\n\nverklaart bewezen dat de verdachte het feit, zoals onder 2 is omschreven, heeft gepleegd;\n\nKwalificatie en strafbaarheid\n\nstelt vast dat het bewezenverklaarde oplevert het onder 3 vermelde strafbare feit;\n\nverklaart de verdachte strafbaar;\n\nStraf\n\nGevangenisstraf\n\nveroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf van 8 (acht) maanden;\n\nVoorwaardelijk strafdeel\n\nbepaalt dat deze gevangenisstrafniet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders beslist;\n\nverbindt hieraan een proeftijd, die wordt gesteld op drie jaar, waarbij tot tenuitvoerlegging van het voorwaardelijke gedeelte van de straf kan worden beslist als de verdachte een van de onderstaande voorwaarden niet naleeft;\n\nstelt als algemene voorwaarde dat:\n\n- de verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet aan een strafbaar feit schuldig maakt;\n\nstelt als bijzondere voorwaarden dat:\n\n1. Meldplicht bij reclassering\n\nDe verdachte meldt zich na uitnodiging bij Reclassering Nederland. De verdachte blijft zich melden op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt.\n\n2. Ambulante behandeling (met mogelijkheid tot kortdurende klinische opname)\n\nDe verdachte laat zich behandelen door [zorginstelling 2] of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering. De behandeling is al gestart. De behandeling duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. De verdachte houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling. Gelet op de problematiek kan hieronder ook het innemen van medicijnen vallen, als de zorgverlener dat nodig vindt. Bij een verslechtering van het psychiatrische ziektebeeld kan de reclassering een indicatiestelling aanvragen voor een kortdurende opname voor crisisbehandeling of stabilisatie. Als de voor indicatie verantwoordelijke instantie een kortdurende opname indiceert, zal de verdachte zich, na goedkeuring door de rechter, laten opnemen in een zorginstelling voor zeven weken of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. De justitiële instantie die verantwoordelijk is voor plaatsing in forensische zorg, bepaalt in welke zorginstelling de opname plaatsvindt. De verdachte houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorginstelling geeft voor de behandeling. Gelet op de problematiek kan hieronder ook het innemen van medicijnen vallen, als de zorginstelling dat nodig vindt. (De rechtbank: de verdachte heeft zich daartoe bereid verklaard.)\n\n3. Begeleid wonen\n\nDe verdachte verblijft in een, in overleg met [zorginstelling 1] en [zorginstelling 2] , door de reclassering nader te bepalen instelling voor beschermd wonen. De toezichthouder meldt de verdachte aan. Het verblijf duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. De verdachte houdt zich aan de huisregels en het dagprogramma dat de instelling in overleg met de reclassering voor hem heeft opgesteld.\n\n4. Dagbesteding\n\nDe verdachte spant zich in voor het vinden en behouden van onbetaald werk of vrijetijdsbesteding, met een vaste structuur. De dagbesteding draagt bij aan het voorkomen van delictgedrag.\n\n5. Vermijden digitale omgevingen seksueel kindermisbruik\n\nDat de verdachte gedurende de gehele proeftijd:\n\ndigitale omgevingen vermijdt waarin hij in aanraking kan komen met kinderpornografisch materiaal;\n\ndigitale omgevingen vermijdt waarin over seksuele handelingen met minderjarigen wordt gecommuniceerd;\n\ngames met chatfunctie, die specifiek ontwikkeld zijn voor minderjarigen vermijdt;\n\ngeen gebruik maakt van virtuele machines, versleutelprogramma’s (zoals Bitlocker, Veracrypt) of applicaties die helpen de identiteit te verbergen (zoals een VPN), tenzij de reclassering toestemming heeft gegeven voor het gebruik (zoals voor werk of voor bankzaken);\n\ninzicht geeft in de wijze waarop hij de omgevingen genoemd onder 1 en 2 zal vermijden en bespreekt hoe dit tot dat moment verlopen is.\n\nHet toezicht op de naleving van de onderdelen 1 tot en met 4 beperkt zich tot geautomatiseerde controles van digitale apparaten (zoals computers, smart devices, USB-sticks, SD-kaarten, externe harde schijven) waarop bestanden kunnen worden opgeslagen en\u002Fof waarmee internet kan worden benaderd en die de verdachte in gebruik heeft. De verdachte werkt mee aan deze controles tijdens (on)aangekondigde huisbezoeken en verschaft toegang tot alle aanwezige digitale apparaten die de verdachte in gebruik heeft. Hieronder wordt begrepen het verstrekken van wachtwoorden, codes of andere wijzen van ontgrendeling of ontsluiting zoals vingerafdrukken, die nodig zijn voor toegang. Op verzoek past de verdachte de instellingen zodanig aan dat controle mogelijk is. De wijzigingen mogen niet leiden tot definitieve wijzigingen aan het apparaat en worden aan het einde van de controle weer teruggezet. De controles worden uitgevoerd door de reclassering. Indien en voor zover noodzakelijk mag de reclassering voor ondersteuning op technisch en digitaal gebied een specialist, niet zijnde een opsporingsambtenaar meenemen. Bij de controle kan gebruik worden gemaakt van een hulpmiddel dat een indicatie geeft of kinderporno-grafisch materiaal aanwezig is. De controles mogen gedurende de gehele proeftijd maximaal één keer per jaar proeftijd, dus drie keer in totaal plaatsvinden.\n\nverstaat dat van rechtswege de volgende voorwaarden zijn verbonden aan de hierboven genoemde bijzondere voorwaarden:\n\nde verdachte zal ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verlenen aan het nemen van één of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbieden;\n\nde verdachte zal medewerking verlenen aan reclasseringstoezicht, daaronder begrepen de medewerking aan huisbezoeken;\n\ngeeft aan genoemde reclasseringsinstelling opdracht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden.7. Samenstelling rechtbank en ondertekening\n\nDit vonnis is gewezen door:\n\nmr. D.F. Smulders, voorzitter,\n\nen mrs. D. van der Sluis en M.S. Polet, rechters,\n\nin tegenwoordigheid van mr. E.P. de Jong, griffier,\n\nen uitgesproken op de openbare zitting van deze rechtbank op 1 april 2026.\n\nMr. E.P. de Jong is niet in de gelegenheid dit vonnis te ondertekenen.\n\nDe exacte vindplaatsen van de bewijsmiddelen zijn genoemd in de bijbehorende voetnoot. Als wordt verwezen naar paginanummers, wordt - tenzij anders vermeld - gedoeld op paginanummers uit het proces-verbaal met nummer [proces-verbaalnummer] .\n\n Verklaard tijdens de zitting van 18 maart 2026.\n\n Pagina’s 62-82.\n\nvgl. ECLI:NL:HR:2017:524.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2026:7858","ecli-nl-rbrot-2026-7858",{"courtName":6,"legalDomain":21,"decisionType":22,"procedureType":23},{"id":105,"ecli":106,"caseNumber":14,"courtId":5,"courtName":14,"decisionDate":92,"fullText":107,"language":7,"source":17,"sourceUrl":108,"summary":14,"slug":109,"metadata":110},"1374","ECLI:NL:RBROT:2026:7862","Rechtbank RotterdamZittingsplaats Dordrecht\n\nMeervoudige kamer strafzaken\n\nParketnummer: 10\u002F169396-25\n\nDatum uitspraak: 1 april 2026\n\nDatum zitting: 18 maart 2026\n\nTegenspraak\n\nVerdachte:\n\n [verdachte] ,\n\ngeboren op [geboortedatum 1] 1986 in [geboorteplaats 1]\n\ningeschreven op het adres: [adres 1] , [postcode] [woonplaats]\n\nAdvocaat van de verdachte: mr. W.J. Backer\n\nOfficier van justitie: mr. J. du Chatinier\n\nKern van het vonnis\n\nDe verdachte wordt vrijgesproken van (poging tot zware) mishandeling van zijn ex-partner (hierna; de aangeefster) en verboden vuurwapenbezit. De verdachte wordt wel veroordeeld voor belaging van de aangeefster en voor bedreiging van een collega van haar (hierna: de aangever). De rechtbank legt hiervoor aan de verdachte een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 2 maanden op, met daaraan gekoppeld een proeftijd van 3 jaren en enkele bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de reclassering. De rechtbank legt aan de verdachte verder een taakstraf op voor de duur van 80 uren. De tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht, wordt hierop in mindering gebracht.1. Tenlastelegging\n\nDe volledige tenlastelegging houdt in dat\n\n1 hij op of omstreeks 23 mei 2025 te Schiedam, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een ander, te weten [aangeefster] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen die [aangeefster] bij de keel\u002Fnek heeft vastgepakt en\u002Fof vervolgens de keel heeft dichtgeknepen en\u002Fof op het hoofd heeft geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;\n\nsubsidiair\n\nhij op of omstreeks 23 mei 2025 te Schiedam, [aangeefster] heeft mishandeld, door die [aangeefster] bij de keel\u002Fnek vast te pakken en\u002Fof vervolgens de keel dicht te knijpen en\u002Fof op het hoofd te slaan;\n\n2 hij in of omstreeks de periode van 23 mei 2025 tot en met 31 mei 2025 te Schiedam en\u002Fof te Rotterdam, althans in Nederland, wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op eens anders persoonlijke levenssfeer, te weten die van [aangeefster] , door - een groot aantal tekstberichten, spraakberichten, foto's en\u002Fof video's naar die [aangeefster] te sturen, - die [aangeefster] meermaals te (video)bellen, en\u002Fof - meermaals naar het werk van die [aangeefster] te gaan, met het oogmerk die [aangeefster] , te dwingen iets te doen, niet te doen, te dulden en\u002Fof vrees aan te jagen;\n\n3 hij op of omstreeks de 31 mei 2025 te Rotterdam, [aangever] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en\u002Fof met zware mishandeling, door naar zijn broeksband en\u002Fof onder zijn shirt te grijpen en\u002Fof vervolgens schietbewegingen met zijn hand te maken;\n\n4 hij op of omstreeks 31 mei 2025 te Schiedam, een wapen van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een alarmpistool met schietbeker zijnde een vuurwapen in de vorm van een geweer, revolver en\u002Fof pistool voorhanden heeft gehad.2. Bewijs2.1.. \n\nVordering van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld voor de onder feit 1 subsidiair, feit 2 en feit 4 ten laste gelegde feiten. De officier van justitie acht het onder feit 1 primair en het onder feit 3 ten laste gelegde niet bewezen.2.2.. \n\nConclusie van de verdediging\n\nDe verdediging heeft integrale vrijspraak bepleit.2.3.. Oordeel van de rechtbank2.3.1.. \n\nBewezenverklaring en bewijsmiddelen\n\nBewezen is dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan belaging en bedreiging (feiten 2 en 3). De volledige bewezenverklaring is vermeld onder 2.3.4. De bewezenverklaring is gebaseerd op de inhoud van de bewijsmiddelenen de onderstaande bewijsmotivering.\n\n1. Verklaring van de verdachte\n\nOp 29 mei was ik ineens geblokkeerd op WhatsApp. Desgevraagd beaam ik dat via twee andere nummers ook nog berichten heb gestuurd, dat was niet handig. Ik heb nog een andere mobiel en ik heb een extra nummer erbij genomen toen ik wist dat ik geblokkeerd was.\n\n2. Proces-verbaal van de politie, aangifte [aangeefster]\n\nNa 23 mei 2025 ontvang ik dagelijks whatsapp berichten van [verdachte] . [verdachte] maakt gebruik van het telefoonnummer [telefoonnummer 1] . In de berichten schrijft [verdachte] dat hij mij terug wil en dat het hem spijt. [verdachte] stuurde foto's dat hij zichzelf in zijn arm had gesneden en een foto van heel veel medicijnen. Ik heb [verdachte] een bericht terug gestuurd dat hij moest stoppen en dat ik moest werken. Ik stuurde hem ook dat ik niet met hem wilde praten en dat hij beter met zijn vader kon gaan praten. Ik heb [verdachte] meerdere malen geantwoord dat ik niet meer met hem wilde praten.\n\n [verdachte] stuurde ook spraakberichten of probeerde video te bellen met mij. [verdachte] kon via Snapchat mijn locatie zien en stuurde mij foto's dat hij mij aan het zoeken was. [verdachte] bleef maar berichten, filmpje, foto's en spraakberichten sturen. De berichten ontving ik overdag maar ook in de nacht. Ik denk in totaal wel 100 berichten. Ik denk dat ik op woensdag 28 mei 2025 [verdachte] op advies van de Politie heb geblokkeerd.\n\nVervolgens begon [verdachte] met een andere telefoonnummers mij lastig te vallen. [verdachte] gebruikte hiervoor de telefoonnummers [telefoonnummer 2] en [telefoonnummer 3] . Ik ontving filmpjes van [verdachte] waarop hij huilt en mij smeekte om terug te komen. Ook probeerde hij weer te videobellen en stuurde tekstberichten.\n\nOp 30 mei 2025 ontving ik van [verdachte] een foto. Op de foto is [bedrijf] te zien waar ik op dat moment aan het werk was. [verdachte] schreef bij de foto dat hij mij met iemand anders had gezien. [verdachte] stuurde een spraakbericht waarop te horen is dat hij mij beschuldigd dat ik met een andere man was. Ik was heel bang en heb aan een collega gevraagd om de politie te bellen. De politie is ook ter plaatse geweest.\n\n3. Proces-verbaal van de politie, aanvullende aangifte [aangeefster]\n\nOp 23 mei 2025, de eerste nacht toen ik weg ben gegaan van huis, berichtte en\n\nbelde [verdachte] mij heel vaak. [verdachte] stuurde toen een foto van zijn arm. Ik zag op\n\ndie foto dat hij meerdere sneden had in zijn arm. Hij stuurde bij de foto van zijn\n\narm een bericht met daarin: kom terug, hij smeekte het mij. Hij stuurde ook een foto\n\nvan veel medicijnen. Daarbij had hij een tekst erbij gezet met \"loved you\". Voordat hij een foto stuurde van zijn arm, zei hij in een bericht over de Whatsapp tegen mij: \"I don't care if i die\"\n\nOp 24 mei 2025 en 25 mei 2025 stuurde [verdachte] mij meer dan 100 berichten met zijn telefoonnummer [telefoonnummer 1] . Dit was overdag en 's nachts. Ik zei dat hij mij met rust moest laten en zijn rust moest pakken.\n\nOp 26 mei 2025 stuurde [verdachte] met telefoonnummer [telefoonnummer 1] , een video. Hierin zei hij in de Engelse taal: \"Come outside for a bit, i love you\". Hierna begon [verdachte] mij met een andere, voor mij onbekende telefoonnummers lastig te vallen. Ik weet zeker dat dit de telefoonnummers van [verdachte] zijn, omdat hij hierin video's met zijn gezicht stuurt of mij smeekt te reageren. [verdachte] gebruikte hiervoor de telefoonnummers [telefoonnummer 2] en [telefoonnummer 3] . Hij stuurde ook mijn moeder en zus berichten, dat ik vreemd zou gaan.\n\nOp 30 mei 2025 ontving ik op (de rechtbank begrijpt: “van”) telefoonnummer [telefoonnummer 2] filmpjes van [verdachte] waarop hij huilt en mij smeekte om terug te komen. Omstreeks 23:59 uur, ontving ik\n\nvan [verdachte] een foto. Op de foto is [bedrijf] te zien waar ik op dat moment aan het\n\nwerk was. [verdachte] schreef bij de foto dat hij mij met iemand anders had gezien.\n\n [verdachte] stuurde een spraakbericht waarop te horen is dat hij mij beschuldigd dat ik\n\nmet een andere man was.\n\n4. Proces-verbaal van de politie, bevindingen\n\nOp 2 juni 2025 heb ik een schriftelijke klacht ontvangen ter zake: stalking door ex-vriend. Blijft contact opnemen terwijl zij dat niet wilt.\n\nDe klacht werd gedaan door:\n\nAchternaam [achternaam aangeefster]\n\nVoornamen [voornamen aangeefster]\n\nDe klaagster verzocht uitdrukkelijk om tot vervolging van de mogelijke dader(s) over\n\nte gaan.\n\n5. Proces-verbaal van de politie, bevindingen\n\nIk stelde de communicatie veilig van de periode van 23 mei 2025 tot en met 31 mei 2025. Ik stelde de communicatie veilig van in totaal vier WhatsApp gesprekken. Dit gaat om de volgende contacten:\n\n [verdachte] ,\n\n56 audioberichten, 9 video's, 11 foto's\u002Fafbeeldingen en een grote hoeveelheid tekstberichten\n\nIk zag dat er constant over en weer communicatie was tussen aangeefster en [verdachte] .\n\nIk zag in de chatgeschiedenis dat aangeefster [verdachte] blokkeerde op 29 mei 2025 om 09.28 uur, deblokkeerde op 31 mei 2025 om 09.44 uur en dat zij vervolgens op het zelfde tijdstip weer [verdachte] gelijk blokkeerde.\n\n [telefoonnummer 3] ,\n\nIk las dat er alleen op 30 mei 2025 berichten werden verstuurd naar aangeefster.\n\nIk las dat er om 02.22 uur, verspreid over meerdere losse berichten werd gestuurd: \"honey, what the hell, why you blocked me, baby, querida?, I just remove my picture and you block me\". Ik las hierna dat er meerdere berichten werden gestuurd waarin de verzender zijn liefde voor aangeefster uitte.\n\nIk zag dat aangeefster geen berichten terugstuurde naar dit telefoonnummer en ik zag dat aangeefster het telefoonnummer op 30 mei 2025 om 03.02 uur blokkeerde.\n\n [telefoonnummer 2] ,\n\n6 audioberichten, 3 video's en 1 foto\u002Fafbeelding en chatgeschiedenis op 30 en 31 mei 2025.\n\nIk beluisterde de audioberichten en ik hoorde dat dit exact dezelfde stem was als in de audioberichten in de communicatie met [verdachte] . Ik bekeek tevens ook de 3 video's die waren gestuurd naar aangeefster. Ik zag op deze video's een persoon die in selfiemodus de video's had opgenomen. Ik herkende deze persoon als verdachte [verdachte] .\n\nIk bekeek en beluisterde alle communicatie tussen bovenstaand nummer en aangeefster.. Ik las dat op 31 mei 2025 verspreid over meerdere berichten naar aangeefster werd gestuurd: \"I saw you, babe i fcking saw hou6, you\". Ik zag dat aangeefster geen berichten terugstuurde naar dit telefoonnummer en ik zag dat aangeefster het telefoonnummer blokkeerde op 31 mei 2025 om 12.12 uur.\n\n [telefoonnummer 4] .\n\nIk las dat er alleen op 30 mei 2025 berichten werden verstuurd naar aangeefster.\n\nIk las dat er 4 berichten werden verstuurd naar aangeefster.\n\nIk zag dat aangeefster geen berichten terugstuurde naar dit telefoonnummer en ik zag dat aangeefster het telefoonnummer op 30 mei 2025 om 18.35 uur blokkeerde.\n\n6. Proces-verbaal van de politie, aangifte [aangever]\n\nOp 31 mei 2025 was ik als receptionist aan het werk in [bedrijf] aan [adres 2] te Rotterdam. Mijn collega [aangeefster] is zijn ex-partner. Rond 16:00 uur parkeerde een zwarte Mercedes bij ons voor de deur. Ik zag een man mijn kant op staren en ineens herkende ik hem van een incident dat gisteren was gebeurd.\n\nIk had oogcontact met de man en dit duurde wel even. De man bleef ongeveer vijf minuten buiten in de auto zitten. Toen stapte hij uit en leunde tegen zijn auto en keek hij [bedrijf] in, gericht naar mij. Ik zag dat toen hij uitstapte hij meteen zijn hand naar zijn kruis bracht. Ik zag dat hij zijn hand onder zijn shirt deed en bij zijn kruis hield. Ik zag bij zijn kruis de contouren van, wat op mij overkwam, als een pistool.\n\nIk zag en hoorde dat hij iets riep, maar ik kon hem niet verstaan omdat de deur van [bedrijf] dicht was. Ik riep naar hem: \"Wat zei je?\". Daarop zag ik dat hij zijn hand naar de slaap van zijn hoofd bracht en schietbewegingen maakte.\n\nIk deed de deur van [bedrijf] op slot want er waren gasten binnen en die waren volledig in paniek, het was heel hectisch. Ik schrok van wat de man deed en voelde mij enorm bedreigd.\n\nDe man zag er vandaag als volgt uit:\n\n- man;\n\n- blank;\n\n- klein beetje een dubbele kin;\n\n- ongeveer 1.80m lang;\n\n- wit shirt aan;\n\n- korte, blauwe joggingsshort;\n\n- witte sneakers.\n\nOp 30 mei 2025, was ik ook bedreigd door dezelfde man. Gisteren ging het als volgt. Ik kwam rond 15 uur op mijn werk en toen stond deze man schuin voor [bedrijf] . Op gegeven moment zag ik dat hij in de deuropening stond. Ik zei tegen hem dat ik politie ging bellen. Ik hoorde dat hij zij: \"Hou je kankerbek joh neger voordat ik je door je hoofd schiet\". Ik zei dat hij weg moest gaan en ik de politie ging bellen. Ik hoorde dat de man zei: \"Bemoei niet, morgen kom ik je door je hoofd schieten, wacht maar \".\n\nIk was echt bang voor de veiligheid van mij en mijn gasten. Ook de gasten zijn mijn verantwoordelijkheid en de lobby zat gewoon vol. Vandaag had ik ook echt het idee dat hij een vuurwapen bij zich had. Dan denk je wel van zo, dit had ook anders af kunnen lopen. Ik had ook eerder van mijn collega [aangeefster] gehoord, dat deze man echt een pistool had.\n\n7. Proces-verbaal van de politie, bevindingen\n\nIk opende het in dit onderzoek ter beschikking gestelde videomateriaal, opgenomen door beveiligingscamera’s van [bedrijf] aan [adres 2] te Rotterdam.\n\nIk zag dat er rechtsboven in het beeld 31 mei 2025 \u002F 15:41:14 stond. Ik zag dat er een zwarte auto geparkeerd stond op de busbaan, direct voor [bedrijf] . Ik zag dat je de zijkant van de auto kon zien. Ik kon het kenteken niet zien. Ik zag dat er een persoon aan de bestuurderszijde stond. Ik zag dat de persoon over de auto heen hing en in de richting van [bedrijf] keek.\n\nMij is bekend dat dit verdachte [verdachte] betreft. Ik bekeek een foto in de politiebevragingssystemen en herkende Berkel aan zijn uiterlijke kenmerken zijnde gezichtsvorm en haar. Ik zag dat de persoon op de beelden [verdachte] betrof.\n\n Ik zag dat om 15:41:17 uur, [verdachte] wegliep bij zijn auto en naar het hek van [bedrijf] liep. Ik zag dat hij zijn rechterhand bij zijn broeksband hield. Ik zag dat [verdachte] lopend, richting [bedrijf] keek en ter hoogte van het trottoir bleef staan. Ik zag dat [verdachte] woorden riep, kijkend naar de voorzijde van [bedrijf] . Ik zag dat [verdachte] zijn hand al die tijd bij zijn broeksband hield. Ik zag dat [verdachte] omdraaide om weg te lopen. Ik zag dat hij na één stap weer omdraaide en iets riep richting [bedrijf] . Ik zag dat [verdachte] zijn rechterhand naar zijn voorhoofd boog en met twee vingers naar zijn hoofd wees. Ik zag dat [verdachte] hierbij wat riep. Ik zag dat [verdachte] hierna terug naar zijn auto liep. Ik zag dat hij hierbij zijn t-shirt naar beneden trok. Ik zag dat voordat [verdachte] in zijn auto stapte, hij weer met zijn rechterhand, wijs en ringvinger naar zichzelf wees en in de richting van [bedrijf] keek.2.3.2.. Bewijsmotivering (feiten 2 en 3)\n\nFeit 2\n\nVan belaging is sprake wanneer iemand opzettelijk een ander stelselmatig lastigvalt, waardoor inbreuk wordt gemaakt op diens persoonlijke levenssfeer. Bij de beoordeling van de vraag of sprake is van belaging zijn verschillende factoren van belang: de aard, de duur, de frequentie en de intensiteit van de gedragingen van de verdachte, de omstandigheden waaronder deze hebben plaatsgevonden en de invloed daarvan op het persoonlijk leven en de persoonlijke vrijheid van het slachtoffer. De kern van het in artikel 285b van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) neergelegde verbod bestaat uit de stelselmatige inbreuk op iemands persoonlijke levenssfeer. Stelselmatigheid veronderstelt een herhaling van gedragingen, zoals iemand herhaaldelijk lastigvallen; dit kan door een en dezelfde activiteit, maar dit kan ook gevormd worden door de combinatie van verschillende gedragingen.\n\nDe verdachte en de aangeefster (tevens klaagster) hebben een relatie gehad, waarna de aangeefster op 23 mei 2025 bij de verdachte weg is gegaan. Vanaf dat moment heeft de verdachte de aangeefster vele malen gebeld dan wel geprobeerd te bellen en heeft hij haar tientallen berichten gestuurd. Bij enkele berichten stuurde hij ook foto’s mee waarop vele medicijnen en snijverwondingen op zijn arm te zien zijn. De aangeefster heeft deze berichten twee dagen lang genegeerd, maar heeft op enig moment toch gereageerd. Toen de aangeefster merkte dat de verdachte hier niet rustiger van werd, heeft zij hem geblokkeerd. De verdachte wist op dat moment dat de aangeefster hem had geblokkeerd, omdat hij zag dat zijn WhatsAppberichten niet aankwamen. Vanaf toen moet voor de verdachte duidelijk zijn geweest dat de aangeefster geen contact met hem wilde. In de dagen daarna heeft de verdachte de aangeefster verschillende keren via andere telefoonnummers benaderd en heeft hij haar meerdere malen, soms meerdere keren per dag, opgezocht bij het hotelwaar zij werkte en verbleef. Daarnaast benaderde de verdachte ook familieleden van de aangeefster waarbij hij haar in Engelse berichten aan hen wegzette als hoer.\n\nHet handelen van de verdachte heeft zonder twijfel een negatieve psychische impact gehad op de aangeefster. Gelet op de frequentie van de gedragingen en de – naar objectieve maatstaven begrijpelijke – impact daarvan op de aangeefster en haar dagelijks leven, acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte, door zo te handelen, wederrechtelijk opzettelijk stelselmatig een inbreuk heeft gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van de aangeefster. Uit het karakter van de bewezen verklaarde gedragingen van diverse aard, in samenhang bezien, volgt dat de verdachte daarbij ten minste het oogmerk heeft gehad de aangeefster te dwingen die gedragingen te dulden. Uit de verklaringen en de inhoud van de berichten van de verdachte blijkt dat hij ook oogmerk heeft gehad om aangeefster te bewegen iets te doen, namelijk om met hem te praten en om haar vrees aan te jagen (door de te suggereren dat hij zichzelf iets zou aandoen dan wel heeft aangedaan). Het verweer van de verdediging dat geen sprake zou zijn van een wederrechtelijke, stelselmatige en opzettelijke inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van de aangeefster wordt derhalve verworpen.\n\nFeit 3\n\nAnders dan de officier van justitie en de verdediging, oordeelt de rechtbank dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan een bedreiging op 31 mei 2025. Op 30 mei 2025 was de verdachte ook bij [bedrijf] . Op die dag heeft hij zich bedreigend geuit tegen de aangever, waarbij hij heeft gezegd dat hij de aangever zou neerschieten. Op 31 mei 2025 stond de verdachte voor [bedrijf] , waarbij hij van afstand contact maakte met de aangever. De aangever zag dat de verdachte al lopend zijn handen bij zijn kruis hield en daarna dat de verdachte zijn hand naar zijn, verdachtes, slaap bracht en daarbij schietbewegingen maakte. Deze gebaren zijn ook opgenomen door camera’s van [bedrijf] . In het strafdossier is beschreven dat op deze beelden is te zien dat de verdachte zijn hand bij zijn broeksband hield, vervolgens zijn rechterhand naar zijn voorhoofd boog en met twee vingers naar zijn hoofd wees en hierbij wat riep. Het verweer van de verdachte dat hij zijn hand met twee vingers naar zijn hoofd bewoog om te kennen te geven dat de aangever gek is, wordt – gelet op de beschrijving van de (ook op zitting getoonde) beelden – verworpen.\n\nGelet op de omstandigheden waaronder de gedragingen hebben plaatsgevonden en bezien in de context waarin deze zijn begaan, is de bedreiging van dien aard en onder zodanige omstandigheden geschied dat bij de aangever de redelijke vrees kon ontstaan dat hij het leven zou kunnen verliezen.2.3.3.. Vrijspraak (feiten 1 en 4)\n\nFeit 1\n\nDe rechtbank is met de officier van justitie en de verdediging van oordeel dat de onder 1 primair ten laste gelegde poging tot zware mishandeling niet wettig en overtuigend is bewezen. Evenmin is de onder feit 1 subsidiair ten laste gelegde mishandeling wettig en overtuigend bewezen. De rechtbank licht dit oordeel hierna toe.\n\nDe aangeefster heeft verklaard dat de verdachte haar in zijn woning bij haar keel heeft gegrepen, dat hij haar keel heeft dichtgeknepen en dat hij haar hierna heeft geslagen tegen haar hoofd. De verdachte heeft dit alles ontkend. De verklaring van de aangeefster vindt te weinig steun in de overige bewijsmiddelen. In het dossier bevindt zich weliswaar een getuigenverklaring van de buurman van de verdachte, maar hij heeft de verweten handelingen niet gezien. Hij beschrijft voornamelijk de gemoedstoestand van de aangeefster kort nadat zij de woning van de verdachte had verlaten. Wat hij heeft verklaard over hetgeen in de woning van de verdachte zou zijn voorgevallen, heeft hij ‘van horen zeggen’. Over zijn waarneming dat de aangeefster toen een rood hoofd had, is hij niet nader bevraagd door de politie. De verklaring van de getuige wordt hierom niet gebruikt als steunbewijs. Het is de rechtbank overigens opgevallen dat de partner van de getuige, die toen ook in hun woning was, niet is gehoord. Ten aanzien van de diverse foto’s van de aangeefster in het dossier geldt dat niet steeds duidelijk is wanneer (en door wie) de foto’s zijn gemaakt. Reeds hierom kan hetgeen op een aantal foto’s door de politie is waargenomen niet zonder meer worden gekoppeld aan de ten laste gelegde datum. In het procesdossier bevinden zich kortom onvoldoende aanknopingspunten voor de vaststelling dat de verdachte de ten laste gelegde handelingen heeft verricht.\n\nFeit 4\n\nDe verdachte wordt ook vrijgesproken van het ten laste gelegde onder 4. De rechtbank licht dit toe.\n\nDe opsteller van de tenlastelegging is ervan uitgegaan dat het onder de verdachte in beslag genomen vuurwapen een wapen van categorie III onder 1 van de Wet wapens en munitie (hierna: Wwm) is. Deze tenlastelegging is klaarblijkelijk gebaseerd op het proces-verbaal van bevindingen van de verbalisant, die opgeleid en bevoegd is tot het juridisch beschrijven van slag-steek-of stootwapens, imitatiewapens, gasbusjes, gas-alarmwapens of stroomstootwapens. Uit dit proces-verbaal volgt het volgende. De verbalisant heeft niet het daadwerkelijke inbeslaggenomen goed onderzocht, maar heeft diens beoordeling gebaseerd aan de hand van foto’s hiervan. Op de diverse foto's van het inbeslaggenomen goed heeft hij gezien dat het gaat om een alarmpistool dat een bruin beslag op de handgreep bevatte, met hierbij een duidelijk aanwezige schietbeker. Dit laatste is een externe loop, die op verschillende manieren op een alarm- of gaspistool bevestigd wordt, maar tot doel heeft om een voorwerp af te schieten. Doorgaans zijn dit seinkogels of andere vuurwerk gerelateerde stoffen, aldus de verbalisant. Omdat er een loop in de vorm van een schietbeker aanwezig was, valt dit alarmpistool zijns inziens onder de categorie vuurwapen.\n\nHet voorgaande is – bij gebrek aan nadere informatie over de categorie waaronder dit vuurwapen zou vallen – onvoldoende om vast te stellen dat het in dit geval gaat om een vuurwapen van categorie III onder 1 van de Wwm. Immers wordt enerzijds beschreven dat het ook na het toevoegen van de schietbeker een alarmpistool (categorie III onder 4 van de Wwm) betreft, maar anderzijds dat het desalniettemin thans beschouwd moet worden als een vuurwapen. Daarbij wordt slechts de algemene definitie van een vuurwapen weergegeven zoals ook vermeld in artikel 1 onder 3 van de Wwm, maar er is niet gespecificeerd of het dan een vuurwapen van de categorie II (onder 1 tot en met 4) zou betreffen of een vuurwapen van de categorie III onder 1. Bij gebrek aan nadere informatie is de ten laste gelegde categorisering niet wettig en overtuigend bewezen.2.3.4.. Volledige bewezenverklaring\n\nBewezen is dat:\n\n 2 hij in de periode van 23 mei 2025 tot en met 31 mei 2025 te Schiedam en te Rotterdam,\n\nwederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op eens anders persoonlijke levenssfeer, te weten die van [aangeefster] , door - een groot aantal tekstberichten, spraakberichten, foto's en video's naar die [aangeefster] te sturen, - die [aangeefster] meermaals te (video)bellen, en - meermaals naar het werk van die [aangeefster] te gaan, met het oogmerk die [aangeefster] , te dwingen iets te doen, tedulden en\u002Fof vrees aan te jagen;\n\n3 hij op 31 mei 2025 te Rotterdam, [aangever] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht door naar zijn broeksband en onder zijn shirt te grijpen en vervolgens schietbewegingen met zijn hand te maken;3. Kwalificatie en strafbaarheid3.1.. \n\nKwalificatie\n\nDe bewezen feiten leveren de volgende strafbare feiten op:\n\nFeit 2: belaging\n\nFeit 3: bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht\n\n3.2.. \n\nStrafbaarheid van de feiten en van de verdachte\n\nDe feiten en de verdachte zijn strafbaar.4. Straf4.1.. \n\nEis van de officier van justitie\n\nDe verdachte moet worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 180 dagen waarvan 148 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren en met oplegging van de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de reclassering in het rapport van 18 december 2025. De verdachte moet daarnaast worden veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 160 uren. Tevens moet de zogenoemde 38v-maatregel aan de verdachte worden opgelegd, inhoudende een contactverbod met de aangeefster. Dit contactverbod dient dadelijk uitvoerbaar verklaard te worden.4.2.. \n\nStandpunt van de verdediging\n\nDe verdediging heeft er (uiterst) subsidiair op gewezen dat de verdachte reeds 32 dagen in voorarrest heeft gezeten, dat hij geschorst is onder voorwaarden en dat er dientengevolge geen ruimte meer gezien wordt voor een aanvullende straf.4.3.. Oordeel van de rechtbank4.3.1.. \n\nErnst en omstandigheden van de feiten\n\nDe verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan belaging en bedreiging. Hij heeft op verschillende manieren veelvuldig en indringend contact gezocht met de aangeefster, zijn ex-partner. Dit deed hij nadat zij aan hem te kennen had gegeven geen contact meer te willen en hem had geblokkeerd op haar telefoon. Daarnaast heeft de verdachte de aangeefster meerdere keren opgezocht bij haar werk en haar verblijfplaats. Door aldus te handelen, heeft de verdachte de grens van het toelaatbare overschreden en stelselmatig een ernstige inbreuk gemaakt op haar persoonlijke levenssfeer.\n\nVerder heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan bedreiging. Door het plegen van deze bedreiging heeft de verdachte gevoelens van angst en onveiligheid veroorzaakt bij de aangever, een collega van zijn ex-partner en bij gasten van [bedrijf] , nu de bedreiging zich ook voor hen zichtbaar heeft afgespeeld. De verdachte heeft daarvoor geen oog gehad, wat de rechtbank hem aanrekent.4.3.2.. \n\nPersoon en persoonlijke omstandigheden\n\nStrafblad\n\nHoewel uit de Screening Assessment for Stalking and Harassment (SASH)zou kunnen worden afgeleid dat de verdachte een geschiedenis van (relationeel) geweld jegens anderen heeft, blijkt uit het strafblad (uittreksel justitiële documentatie) van 10 februari 2026 dat de verdachte niet eerder onherroepelijk is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten.\n\nReclasseringsadvies\n\nIn het rapport van Reclassering Nederland van 18 december 2025 staat onder meer het volgende.\n\nDe reclassering concludeert dat de verdachte in zijn huidige sociaal-maatschappelijke situatie beschikt over enkele beschermende factoren zoals een stabiele band met zijn ouders, zus en zoon. Tegelijkertijd ziet de reclassering risico-verhogende omstandigheden. Sinds vorig jaar is de verdachte zonder werk en is hij afhankelijk van een Ziektewetuitkering. Het ontbreken van een dagbesteding heeft geleid tot een verstoord dag- en nachtritme, een gebrek aan structuur en een verergering van zijn psychische problematiek. De verdachte heeft in het verleden contact gehad met psychologische zorginstellingen, maar er is geen sprake van een afgerond diagnostisch traject. Verdere diagnostiek acht de reclassering noodzakelijk om zicht te krijgen op onderliggende psychische problematiek, die mogelijk een rol speelt in het gedrag van de verdachte en zijn relationele patronen. De reclassering adviseert om te investeren in het creëren van een stabiel mentaal fundament. Dit omvat een uitgebreid diagnostisch onderzoek, gevolgd door passende behandeling, waaronder ook medicamenteuze ondersteuning. Wanneer er meer stabiliteit is bereikt, kan worden ingezet op het opbouwen van dagstructuur, het verkrijgen van werk of dagbesteding en het versterken van sociale en praktische vaardigheden. Dit kan bijdragen aan het verminderen van risico’s en het vergroten van het zelfinzicht van de verdachte en zijn handelings-mogelijkheden in toekomstige relaties en stressvolle situaties.\n\nBij een veroordeling adviseert de reclassering een (deels) voorwaardelijke straf met de onderstaande bijzondere voorwaarden:\n\n• Meldplicht bij de reclassering (na afspraak);\n\n• Ambulante behandeling en\n\n• Contactverbod.4.3.3.. \n\nOplegging straf\n\nDe ernst van de feiten rechtvaardigt, mede gelet op de straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd, in beginsel een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Echter, nu de reclassering een (deels) voorwaardelijke straf met oplegging van bijzondere voorwaarden adviseert, ziet de rechtbank in de bewezenverklaring van slechts twee van de vier ten laste gelegde feiten en de tijd die de verdachte reeds in voorarrest heeft gezeten aanleiding om een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen, met daaraan gekoppeld een proeftijd van drie jaren. Hierbij weegt de rechtbank mee dat de verdachte openstaat voor hulp, op dit moment al aan traumabehandeling is begonnen en bereid is om mee te werken aan verdere diagnostiek. De rechtbank verbindt aan deze voorwaardelijke gevangenisstraf de voorwaarden die hierna worden genoemd. Dit voorwaardelijke strafdeel dient er tevens toe de verdachte ervan te weerhouden in de toekomst opnieuw strafbare feiten te plegen.\n\nDe rechtbank ziet gelet op de huidige houding van de verdachte ten opzichte van hulpverlening geen meerwaarde in het dadelijk uitvoerbaar verklaren van de bijzondere voorwaarden. De rechtbank ziet evenmin meerwaarde in het opleggen van een 38v-maatregel, inhoudende het opleggen van een contactverbod met de aangeefster . Dit reeds om de reden dat de rechtbank een contactverbod met haar effectueert door middel van het opleggen van bijzondere voorwaarden.\n\nDe rechtbank zal daarnaast, om de ernst van de feiten tot uitdrukking te brengen, de verdachte veroordelen tot een onvoorwaardelijke taakstraf. Echter, nu de rechtbank, anders dan de officier van justitie, het onder 1 en 4 ten laste gelegde niet wettig en overtuigend bewezen acht, komt zij tot de oplegging van een taakstraf die qua aantal uren lager is dan gevorderd.5. Wettelijke voorschriften\n\nDe oplegging van deze straf is gebaseerd op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 57, 63, 285, 285b Sr.6. Beslissingen\n\nDe rechtbank:\n\nVrijspraak\n\nverklaart niet bewezen dat de verdachte feiten 1 en 4 heeft gepleegd en spreekt de verdachte daarvan vrij;\n\nBewezenverklaring\n\nverklaart bewezen dat de verdachte de feiten 2 en 3, zoals onder 2 omschreven, heeft gepleegd;\n\nKwalificatie en strafbaarheid\n\nstelt vast dat het bewezenverklaarde oplevert de onder 3 vermelde strafbare feiten;\n\nverklaart de verdachte strafbaar;\n\nStraffen\n\nveroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf van 2 (twee) maanden;\n\nbepaalt dat de gevangenisstrafniet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders beslist;\n\nverbindt hieraan een proeftijd, die wordt gesteld op 3 jaar, waarbij tot tenuitvoerlegging van het voorwaardelijke gedeelte van de straf kan worden beslist als de verdachte een van de onderstaande voorwaarden niet naleeft;\n\nstelt als algemene voorwaarde dat:\n\n- de verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet aan een strafbaar feit schuldig maakt;\n\nstelt als bijzondere voorwaarden:\n\n1. Meldplicht bij reclassering\n\nDe verdachte meldt zich gedurende de proeftijd op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken zijn.\n\n2. Ambulante behandeling\n\nDe verdachte laat zich diagnosticeren en behandelen door [zorginstelling] of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de behandeling nodig vindt. De zorgverlener bepaalt de wijze van behandeling. De behandeling is gericht op grensoverschrijdend gedrag in relationele context. Gelet op de problematiek kan onderdeel van de behandeling zijn dat de verdachte voorgeschreven medicatie zal gebruiken.\n\n3. Contactverbod\n\nDe verdachte zal gedurende de proeftijd op geen enkele wijze – direct of indirect – contact zoeken of hebben met [aangeefster] , geboren op [geboortedatum 2] 1991 te [geboorteplaats 2] , [geboorteland] ;\n\nverstaat dat van rechtswege de volgende voorwaarden zijn verbonden aan de hierboven genoemde bijzondere voorwaarden:\n\nde verdachte zal ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verlenen aan het nemen van één of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbieden;\n\nde verdachte zal medewerking verlenen aan reclasseringstoezicht, daaronder begrepen de medewerking aan huisbezoeken;\n\ngeeft aan genoemde reclasseringsinstelling opdracht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.\n\nveroordeelt de verdachte tot een taakstraf van 80 (tachtig) uur, waarbij de reclassering bepaalt uit welke werkzaamheden deze taakstraf zal bestaan;\n\nbeveelt dat de tijd die door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, in mindering wordt gebracht op de taakstraf volgens de maatstaf van twee uur per dag, zodat (nog) 16 uur taakstrafmoet worden verricht;\n\nbeveelt dat, voor het geval de verdachte de taakstraf niet (goed) verricht, vervangende hechteniszal worden toegepast voor de duur van 8 dagen;\n\nVoorlopige hechtenis\n\nheft op het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte; deze voorlopige hechtenis is eerder geschorst.\n\n7. Samenstelling rechtbank en ondertekening\n\nDit vonnis is gewezen door:\n\nmr. D.F. Smulders, voorzitter,\n\nen mrs. D. van der Sluis en M.S. Polet, rechters,\n\nin tegenwoordigheid van mr. E.P. de Jong, griffier,\n\nen uitgesproken op de openbare zitting van deze rechtbank op 1 april 2026.\n\nMr. E.P. de Jong is niet in de gelegenheid dit vonnis te ondertekenen.\n\nDe exacte vindplaatsen van de bewijsmiddelen zijn genoemd in de bijbehorende voetnoot. Als wordt verwezen naar paginanummers, wordt - tenzij anders vermeld - gedoeld op paginanummers uit het zaaksdossier [dossiernummer] , pagina’s 1 - 110.\n\n Verklaard tijdens de zitting van 18 maart 2026.\n\n Pagina’s 20-23.\n\n Pagina’s 61-66.\n\n Pagina 67.\n\n Pagina’s 34-36.\n\n Pagina’s 8-11.\n\n Pagina’s 37-39.\n\n Pagina 110\n\nPagina 107","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2026:7862","ecli-nl-rbrot-2026-7862",{"courtName":6,"legalDomain":21,"decisionType":22,"procedureType":23},{"id":112,"ecli":113,"caseNumber":14,"courtId":5,"courtName":14,"decisionDate":114,"fullText":115,"language":7,"source":17,"sourceUrl":116,"summary":14,"slug":117,"metadata":118},"752","ECLI:NL:RBROT:2023:390","2023-01-19T00:00:00.000Z","RECHTBANK ROTTERDAM\n\nzaaknummer: 4908758 CV EXPL 16-2278\n\nuitspraak: 19 januari 2023\n\nvonnis van de kantonrechter, zitting houdende te Dordrecht,\n\nin de zaak van\n\n1. de vereniging met volledige rechtsbevoegdheid\n\nFederatie Nederlandse Vakbeweging,\n\ngevestigd te Amsterdam,\n\n2.\n\n[eiser01],\n\nwonende te [woonplaats01] (Roemenië),\n\n3.\n\n[eiser02],\n\nwonende te [woonplaats02] (Roemenië),\n\n4.\n\n[eiser03],\n\nwonende te [woonplaats03] (Roemenië),\n\n5.\n\n[eiser04],\n\nwonende te [woonplaats04] ,\n\n6.\n\n[eiser05],\n\nwonende te [woonplaats05] (Roemenië),\n\n7.\n\n[eiser06],\n\nwonende te [woonplaats06] (Roemenië),\n\n8.\n\n[eiser07],\n\nwonende te [woonplaats07] (Roemenië),\n\n9.\n\n[eiser08],\n\nwonende te [woonplaats08] (Roemenië),\n\n10.\n\n[eiser09],\n\nallen wonende te [woonplaats09] (Roemenië),\n\neisers,\n\ngemachtigde: mr. J.H. Mastenbroek,\n\ntegen\n\n1.. de besloten vennootschap Wemmers Tanktransport B.V.,\n\ngevestigd te Bleskensgraaf,\n\n2. de vennootschap naar Duits recht\n\nWemmers Tanktransporte GmbH,\n\ngevestigd te Euskirchen (Duitsland),\n\n3. de vennootschap naar Tsjechisch recht\n\nUnitrans Bohemia s.r.o.,\n\ngevestigd te Ceske Budejovice (Tsjechië),\n\ngedaagden,\n\ngemachtigde: aanvankelijk mr. R.A.A. Duk, thans mr. F.M. Dekker.\n\nEiseres onder 1 wordt hierna aangeduid als FNV.\n\nEisers onder 2 tot en met 10 worden hierna aangeduid als ‘de chauffeurs’.\n\nGedaagde onder 3 wordt hierna aangeduid als ‘Unitrans’.\n\n1.. Het verloop van de procedure\n\n1.1. \nHet verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- het tussenvonnis van 22 september 2022 en de daaraan ten grondslag liggende stukken;\n\n- de akte van de zijde van FNV en de chauffeurs;\n\n- de akte van de zijde van Wemmers c.s.\n\n1.2. \nHet vonnis is vervolgens bepaald op heden.\n\n2.. De verdere beoordeling\n\n2.1. \nDe kantonrechter neemt hier over en blijft bij wat in het vonnis van 22 september 2022 is overwogen en beslist.2.2. \nIn dat tussenvonnis is de zaak verwezen naar de rol voor het nemen van een akte door de chauffeurs over de in dat vonnis genoemde punten. Unitrans heeft de gelegenheid gekregen een naar het Nederlands vertaalde versie van de in het Tsjechisch opgestelde loonstrook over te leggen.2.3. \nVoor de berekening van wat Unitrans nog aan de chauffeurs verschuldigd is, zijn er drie variabelen: 1) de te verlonen uren, 2) het uurloon en 3) de aan de chauffeurs al betaalde bedragen, bestaande uit loon en netto vergoedingen\n.\n\n- Wat het eerste betreft heeft de kantonrechter in het vonnis van 22 september 2022 beslist dat slechts de loonstroken van Unitrans als informatiebron daarvoor kunnen dienen.\n\n- Wat het uurloon betreft is in dat vonnis beslist dat trede D5 bij de berekening van het uurloon van de chauffeurs zal worden gehanteerd.\n\n- Wat de reeds betaalde loonbedragen en netto vergoedingen betreft, is allereerst van belang dat de chauffeurs zich op het standpunt stellen, zoals zij overigens ook al bij dagvaarding deden, dat uit de loonstroken niet blijkt dat de daarin genoemde bedragen ook daadwerkelijk aan hen zijn betaald. Zij doelden en doelen op de mogelijkheid dat aan hen minder is betaald dan vermeld op de loonstroken, die zij, naar zij onweersproken hebben gesteld, niet alle hebben ontvangen. Unitrans beschikt over de bewijsstukken van de loonbetalingen aan de chauffeurs. Zij willen daarom dat Unitrans aan de hand van bankafschriften laat zien wat zij aan elk van hen heeft betaald.\n\nUnitrans heeft niet weersproken dat zij over de betaalbewijzen beschikt. Het is in de gegeven omstandigheden in overeenstemming met de eisen van goed werkgeverschap dat zij de betalingsbewijzen aan de chauffeurs ter beschikking stelt\n.\n\nAan de hand daarvan kan worden vastgesteld of de chauffeurs inderdaad conform de loonstroken zijn betaald. In zoverre brengt de kantonrechter een nuancering aan in de beslissing in het vonnis van 22 september 2022 onder 2.7.3: de kantonrechter zal bij de berekening van de vorderingen van de chauffeurs uitgaan van de (bruto) bedragen die volgens de loonstroken aan elke chauffeur per maand zouden\n\nmoetenzijn betaald.\n\nDe kantonrechter verwijst de zaak naar de rol voor het overleggen door Unitrans van justificatoire bescheiden of gegevensdragers waaruit blijkt welke bedragen ten titel waarvan aan elk van de chauffeurs zijn betaald gedurende hun dienstverband met Unitrans.\n\n2.4. \n\nDe chauffeurs hebben de gelegenheid gekregen kenbaar te maken of de totaalbedragen door Unitrans (producties D11 en D12) juist zijn berekend.\n\nUit de berekening van Unitrans wordt echter niet duidelijk welke brutobedragen uit de specificaties zij heeft omgerekend naar euro’s en naar welke koers. Daardoor is het inderdaad, zoals de chauffeurs stellen, niet mogelijk de juistheid van de totaalbedragen te controleren.\n\nDat betekent dat Unitrans op dat punt te zijner tijd, nadat is komen vast te staan welke bedragen daadwerkelijk zijn betaald, zonodig alsnog inzichtelijk moet maken welk brutobedrag zij heeft omgerekend tegen welke koers en welk bedrag in euro’s daarvan in haar berekening het resultaat was.\n\n2.5. \n\nTussen de chauffeurs en Unitrans staat thans vast dat uitgegaan moet worden van\n\n40 basisuren\n\nper weeken van 40 overuren, 20 zaterdaguren en 10 zondaguren\nper maand.\n\n2.6. \n\nhet ritme twee maanden “op” en een maand ”af”\n\nDe chauffeurs hebben laten weten dat de wijze waarop Unitrans dit ritme in D l 1 en D 12 heeft verwerkt op hoofdlijnen lijkt te kloppen. De kantonrechter neemt daarom aan dat Unitrans dit ritme per chauffeur juist heeft verwerkt.2.7. \n\nloonberekening bij het ritme twee maanden “op” en een maand ”af”\n\nDe chauffeurs wijzen erop dat de CAO een standaard-CAO is, die de werkgever verplicht om altijd minimaal 40 basisuren per week te betalen (artikel 26, met het opschrift: “loonberekening”). Die verplichting geldt volgens hen ook als de chauffeur niet werkt.\n\nDaarnaast noemen zij als grondslag voor hun vordering op dit punt de mogelijkheid dat werknemers met de werkgever afspreken dat vakantiedagen worden afgeschreven voor de maand “af”. In dat geval beschouwen ze die maand “af” kennelijk als vakantie, waarmee zij aanspraak zouden hebben op het basisloon op grond van het dwingendrechtelijke artikel 7:639 BW.\n\nUnitrans bestrijdt niet uitdrukkelijk dat het om vakantie gaat, maar voert aan dat het van tweeën een is:\n\nofalle overuren in de maanden “op” worden betaald, maar dan wordt er geen loon betaald in de maand “af”\nofin de maand “af” wordt het normale basisloon betaald, maar dan worden de niet gewerkte uren verrekend met de overuren van de maanden daarvoor. Zij acht de berekeningswijze van de chauffeurs niet redelijk.\n\nDe kantonrechter oordeelt als volgt.\n\nDe wet definieert het begrip “vakantie” niet. De CAO verwijst in artikel 67, dat gaat over vakantie, naar artikel 7:634 BW, waarin de wettelijke aanspraak op vakantiedagen is vermeld.\nHet aantal vakantiedagen varieert volgens de CAO van 24 tot 28 dagen per jaar.\n\nDe maanden “af”, en dat zijn er op jaarbasis vier, omvatten natuurlijk veel meer werkuren dan waarop de werknemer aanspraak op vakantie heeft op grond van artikel 7:634 BW.\n\nDe kantonrechter kan de niet gewerkte uren in de maanden “af” dan ook niet beschouwen als alléén vakantie. Artikel 7:639 BW kan dus niet de grondslag vormen voor de door de chauffeurs gevorderde betaling van het basisloon over die maanden.\n\nDe volgende vraag is dan of de chauffeurs hun aanspraak op basisloon in de maanden “af” terecht baseren op artikel 26 van de CAO.\n\nDat artikel (CAO 2014-2017 luidt:\n\n“Loonberekening\n\n1.a. De functielonen gelden voor 160 diensturen per periode van 4 weken, respectievelijk 174 diensturen per maand.\n\n1.b. Het bepaalde onder a. laat onverlet dat uitbetaling aan de werknemer van minimaal 40 uur per week gegarandeerd is.”)\n\nVoor de vordering van de chauffeurs vormt dit laatste artikellid, dat de uitbetaling van het loon per week regelt, een onvoldoende basis. Het is niet toepasbaar op de situatie “twee maanden “op” en een maand “af”, een situatie waarvoor de CAO geen regeling bevat.\n\nHoewel de CAO een standaardregeling is, is het in de gegeven omstandigheden toelaatbaar daaraan het door de chauffeurs voorgestane rechtsgevolg te verbinden: aanspraak op betaling van het basisloon in de maanden “af”. Het zou naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zijn dat niet te doen. Hiertoe is het volgende redengevend.\n\nHet “van tweeën een-argument” van Unitrans miskent dat de chauffeurs hun vrije tijd in de twee maanden “op” maar beperkt naar eigen wens konden besteden. Uitgaande van 244 werkuren per maand (174 reguliere uren en in totaal 70 over-, zaterdag- en zondaguren) resteerden voor de chauffeurs in de maanden “op” van de 728 uren waaruit een gemiddelde maand bestaat (728 – 244 =) 484 uren die “van henzelf” waren, dat wil zeggen: door hen vrijelijk te besteden zouden moeten zijn. Voor twee maanden waren dat er dus 968. Door de aard van het internationale werk waren de chauffeurs echter in aanzienlijke mate beperkt in de vrije besteding van die uren. Zij leefden twee maanden lang immers bij en rond hun vrachtwagens en konden niet naar huis. In de maand “af”, die volgde op twee maanden “op”, werkten de chauffeurs niet. Daarmee moeten de 968 uren uit de voorafgaande maanden, die zij slechts in zeer beperkte mate vrij hadden kunnen besteden, én hun vakantie-aanspraak als gecompenseerd worden beschouwd.\n\nDe chauffeurs maken voor de maanden “af” dan ook terecht aanspraak op het basisloon.\n\n2.8. \nDe chauffeurs hebben de voorkeur voor de eerste door Unitrans voorgestelde berekeningswijze, waarbij zij er, terecht, wel van uitgaan dat in de weken ”af” het basisloon wordt betaald en dat de lonen uit schaal D trede 5 worden gehanteerd.\n\nreis- en onkostenvergoedingen\n\n2.9. \n\nDe chauffeurs stellen zich op het standpunt dat volstrekt onduidelijk is wat Unitrans op dit punt heeft aangeleverd. Zij bestrijden voor (een deel van?) de als betaald aangemerkte reiskosten en voor door hen als onvoorziene kosten (bijvoorbeeld tolgelden) voorgeschoten bedragen dat zij die als onverschuldigd betaald zouden moeten terugbetalen. Ook op grond van artikel 41 van de CAO verschuldigde vergoedingen voor het “een weekend ‘overstaan’ ” kunnen niet worden teruggevorderd, aldus de chauffeurs.\n\nDe kantonrechter kan de chauffeurs, zonder nadere toelichting, die ontbreekt, in dit betoog niet volgen.\n\nDe chauffeurs hebben aanspraak op reis- en verblijfkosten volgens de CAO. Wat zij daarboven al hebben ontvangen, hebben zij dus te veel ontvangen. Wanneer vast staat wat aan de chauffeurs daadwerkelijk is betaald, moet dat in mindering strekken op de vergoedingen waarop zij op grond van de CAO recht hebben.\n\n2.10. \nDe chauffeurs hebben geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid zich uit te laten over de door Unitrans voorgenomen wijze van betaling te zijner tijd (terugrekening van bruto naar netto loonbedragen en vervolgens verrekening met eventueel te veel ontvangen onbelaste vergoedingen. De kantonrechter neemt daarom aan dat zij op zichzelf akkoord gaan met die betalingswijze.\n\n2.11. \n\nIedere verdere beslissing zal worden aangehouden.\n\nDe beslissing\n\nDe kantonrechter,\n\n1. verwijst de zaak naar de rolzitting van\n\ndonderdag 16 februari 2023voor het overleggen bij akte door Unitrans van justificatoire bescheiden of gegevensdragers waaruit blijkt welke bedragen ten titel waarvan aan elk van de chauffeurs zijn betaald gedurende hun dienstverband met Unitrans;\n\n2 bepaalt dat de chauffeurs daarop bij antwoordakte kunnen reageren;\n\n3 houdt iedere verdere beslissing aan.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. P. Joele en uitgesproken ter openbare terechtzitting.\n \n37878\n\nOp de vertaalde loonstroken aangeduid als “onkostenvergoeding” “reiskosten” en “extra onkostenvergoeding”\n\nZie de argumenten van de chauffeurs in hun akte van 10 februari 2022 onder 5, waarbij nog komt dat van de Roemeense chauffeurs niet kon worden verwacht dat zij uit de in het Tsjechisch gestelde loonstroken, voor zover zij die hebben ontvangen, konden opmaken of zij conform die loonstroken werden betaald.\n\nArtikel 7:634: “De werknemer verwerft over ieder jaar waarin hij gedurende de volledige overeengekomen arbeidsduur recht op loon heeft gehad, aanspraak op vakantie van ten minste vier maal de overeengekomen arbeidsduur per week of, als de overeengekomen arbeidsduur in uren per jaar is uitgedrukt, van ten minste een overeenkomstige tijd.”","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2023:390","ecli-nl-rbrot-2023-390",{"courtName":6,"legalDomain":119,"decisionType":22,"procedureType":23},"Civiel recht; Arbeidsrecht"]