[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"court-roermond":3},{"court":4,"decisions":10},{"id":5,"name":6,"country":7,"level":8,"jurisdiction":9},66,"Roermond","nl","first_instance","administrative",[11,24,32,39,47,54,61,70,77,84,92,101,109,117,125,134,142,149,157,165],{"id":12,"ecli":13,"caseNumber":14,"courtId":5,"courtName":14,"decisionDate":15,"fullText":16,"language":7,"source":17,"sourceUrl":18,"summary":14,"slug":19,"metadata":20},"410","ECLI:NL:RBLIM:2026:6423","","2026-07-08T00:00:00.000Z","RECHTBANK limburg\n\nZittingsplaats Roermond\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: ROE 25 \u002F 2565\n\nuitspraak van de meervoudige kamer van 8 juli 2026 in de zaak tussen\n\n [belanghebbende] , gevestigd te [plaats], belanghebbende\n\n(gemachtigde: M.O.E. Uyen)\n\nen\n\nde heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking Gemeenten en Waterschappen, de heffingsambtenaar (gemachtigde: A. van den Dool).\n\nProcesverloop\n\nDe heffingsambtenaar heeft op grond van de Wet waardering onroerende zaken (Wet woz) de waarde van de onroerende zaken van belanghebbende voor het belastingjaar 2025 vastgesteld (het primaire besluit).\n\nBelanghebbende heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt.\n\nDe heffingsambtenaar heeft het bezwaar van belanghebbende gegrond verklaard (het bestreden besluit). Aan belanghebbende is een proceskostenvergoeding van in totaal € 161,74 toegekend.\n\nBelanghebbende heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.\n\nDe heffingsambtenaar heeft verweer gevoerd.\n\nOp 4 mei 2026, aangevuld op 11 mei 2026, zijn van belanghebbende nadere gronden en stukken ontvangen.\n\nHet onderzoek ter zitting heeft vervolgens plaatsgevonden op 15 mei 2026. Belanghebbende heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. L.H.G.M. Driessen, kantoorgenote van haar gemachtigde bij Previcus B.V. te Boxmeer. De heffingsambtenaar heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.\n\nOverwegingen\n\n1. De rechtbank stelt vast dat de woz-waarde tussen partijen niet meer in geschil is. Het beroep van belanghebbende richt zich enkel tegen de toegekende proceskostenvergoeding en spitst zich toe op de vraag of de heffingsambtenaar bij de vaststelling van de proceskostenvergoeding in bezwaar toepassing heeft mogen geven aan de vermenigvuldigingsfactor 0,125 van artikel 30a, eerste lid, van de Wet woz, zoals dit artikellid luidt met ingang van 1 januari 2025.\n\n2. De heffingsambtenaar heeft in het bestreden besluit de proceskostenvergoeding van € 161,74 als volgt gespecificeerd:\n\n- indienen bezwaarschrift: 1 punt x waarde per punt € 647,- x factor 0,125 = € 80,87 +\n\n- bijwonen hoorzitting: 1 punt x waarde per punt € 647,- x factor 0,125 = € 80,87 = € 161,74.\n\n3. Belanghebbende vindt dat de heffingsambtenaar een te lage proceskostenvergoeding heeft toegekend. Zij verzoekt de rechtbank om artikel 30a van de Wet woz buiten toepassing te laten, omdat haar gemachtigde een bijzonder geval is als bedoeld in het zogenoemde 30a-arrest van de Hoge Raad van 17 januari 2025 (ECLI:NL:HR:2025:46).\n\n4. In het 30a-arrest heeft de Hoge Raad geoordeeld dat bijzondere gevallen zich onderscheiden doordat zij niet voldoen aan de volgende kenmerken: dat aan de belanghebbende rechtsbijstand wordt verleend door een beroepsmatig optredende gemachtigde, dan wel een kantoor, waarvan het bedrijfsmodel eruit bestaat dat\n\n( i) wordt opgetreden op basis van no cure no pay,\n\n(ii) daarbij zodanige afspraken met de cliënten worden gemaakt dat het bedrag van eventuele proceskostenvergoedingen aan de gemachtigde of aan het kantoor wordt afgedragen, en\n\n(iii) de procedures op een zodanige wijze worden gevoerd dat de daarin toegekende proceskostenvergoedingen de in redelijkheid gemaakte kosten ver overtreffen.\n\n5. De daarbij te hanteren regels zijn nader uitgewerkt in de arresten van de Hoge Raad van 25 april 2025 (ECLI:NL:HR:2025:670) en 18 juli 2025 (ECLI:NL:HR:2025:1175).\n\n5.1.. Volgens de Hoge Raad rusten op de belanghebbende de stelplicht en bewijslast van feiten die meebrengen dat buiten redelijke twijfel komt vast te staan dat, beoordeelt naar de situatie op het moment waarop het desbetreffende rechtsmiddel is aangewend, het bedrijfsmodel van de betreffende gemachtigde of diens kantoor kennelijk niet allehiervoor bedoelde drie kenmerken heeft en dat aldus sprake is van een bijzonder geval. Er is dus (al) sprake van een bijzonder geval als één van de drie kenmerken niet van toepassing is.\n\n5.2.. Bij de beoordeling van het bedrijfsmodel gaat het niet specifiek om de werkzaamheden die de gemachtigde heeft verricht in de procedure waarop de proceskostenvergoeding ziet. Met het bedrijfsmodel is namelijk meer in het algemeen de wijze bedoeld waarop de gemachtigde zijn inkomsten verwerft met het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand.\n\n5.3.. Indien het bedrijfsmodel van een gemachtigde of een kantoor inhoudt dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay (i), of op een grondslag die daarmee in wezen overeenkomt en daarmee dus op één lijn kan worden gesteld, en dat daarbij afspraken met de cliënten worden gemaakt als hiervoor onder (ii) bedoeld, zal aldus moeten worden beoordeeld of dit bedrijfsmodel voldoet aan het hiervoor onder (iii) vermelde kenmerk van vergaande overdekking. Daartoe moet een vergelijking worden gemaakt tussen enerzijds het totale bedrag aan proceskostenvergoedingen dat aan de gemachtigde of aan het kantoor wordt afgedragen, en anderzijds het totale bedrag van de kosten van de gemachtigde of van het kantoor die kunnen worden toegerekend aan het voeren van de procedures waarop die proceskostenvergoedingen betrekking hebben. Het komt dus erop aan of het totale bedrag van de afgedragen proceskostenvergoedingen het totale bedrag van de zojuist bedoelde kosten verre overtreft. De omstandigheid dat vaak geheel of ten dele gebruik wordt gemaakt van gestandaardiseerde tekstblokken die niet zijn toegespitst op de desbetreffende zaak, vormt een aanwijzing dat het bedrijfsmodel wel het derde kenmerk van vergaande overdekking heeft, en zal daarom in het algemeen volstaan om aan te nemen dat de belanghebbende niet in dit door hem te leveren bewijs is geslaagd.\n\n6. In het arrest van 26 september 2025 (ECLI:NL:HR:2025:1375) heeft de Hoge Raad nader uitgewerkt wanneer sprake is van een bedrijfsmodel dat eruit bestaat dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay (i). Bij optreden op basis van no cure no pay moet worden uitgegaan van afspraken tussen de belanghebbende en de rechtsbijstandverlener op grond waarvan de belanghebbende geen financieel risico loopt bij inschakeling van de rechtsbijstandverlener, omdat geen instapvergoeding verschuldigd is noch een percentage van de bespaarde belasting als vergoeding moet worden afgestaan (zie Kamerstukken II 2023\u002F24, 36 427, nr. 3, blz. 2). Bij de beoordeling van de vraag of het bedrijfsmodel van een beroepsmatig optredende gemachtigde, dan wel een kantoor, eruit bestaat dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay, komt het dus erop aan of die gemachtigde dan wel diens kantoor afspraken maakt met klanten op grond waarvan zij geen financieel risico lopen bij het verstrekken van de opdracht tot het verlenen van rechtsbijstand in een belastingprocedure. De verschuldigdheid van een instapvergoeding staat niet in alle gevallen eraan in de weg dat afspraken met een rechtsbijstandsverlener worden aangemerkt als afspraken op basis van no cure no pay. Onder het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand op basis van no cure no pay wordt namelijk ook begrepen het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand op een grondslag die daarmee in wezen overeenkomt en daarmee dus op één lijn kan worden gesteld. Dan moet worden gedacht aan de betaling van een zodanig laag bedrag dat die betaling als een pro forma of symbolische bijdrage moet worden beschouwd.\n\n7. De rechtbank stelt vast dat de gemachtigde van belanghebbende in deze zaak niet heeft bestreden dat haar bedrijfsmodel de hiervoor onder (ii) en (iii) vermelde kenmerken heeft.\n\n8. Belanghebbende bestrijdt dat het bedrijfsmodel van haar gemachtigde ten tijde van het instellen van bezwaar (en beroep) eruit bestaat dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay (i). Hiertoe heeft de gemachtigde verwezen naar een beschrijving van haar per 1 januari 2025 gewijzigde bedrijfsmodel (“Bijzonder geval: bedrijfsmodel Previcus en artikel 30a Wet WOZ”).\n\n8.1.. Volgens die beschrijving is de werkwijze met ingang van 1 januari 2025 fundamenteel gewijzigd. Het aantal dossiers is vanaf 2025 aanzienlijk afgenomen van 128.000 zaken naar circa 1.291 zaken. De zaken worden (vrijwel) niet meer op basis van no cure no pay uitgevoerd, maar volgens een regulier model waarin een cliënt, ongeacht de uitkomst van de zaak, een vaste startvergoeding betaalt (doorgaans gebaseerd op het aantal aanslagbiljetten) en\u002Fof een deel van de gerealiseerde besparing afdraagt (in bijna alle gevallen 40% van de besparing). De vóór 2025 aangebrachte zaken worden nog op basis van no cure no pay uitgevoerd. Bovendien worden vanaf 2025 alle aanslagbiljetten op voorhand gescreend en worden enkel de zaken doorgezet waarbij op voorhand onvoldoende duidelijk is dat er geen fouten zijn gemaakt. Er is, aldus de beschrijving, geen sprake meer van een grote massa waar de wetswijziging (Wet herwaardering proceskostenvergoeding WOZ en Bpm) op zag. De gemachtigde richt zich voortaan op de zakelijke markt, waarbij vrijwel altijd ook prijsafspraken met belanghebbenden worden gemaakt die losstaan van eventueel toegekende proceskostenvergoedingen.\n\n8.2.. De gemachtigde heeft de prijsafspraken over 2025 als volgt in een overzicht opgenomen.\n\n8.3.. De vermelding in de volmacht dat de vergoeding voor de werkzaamheden uitsluitend het totaal van de proceskostenvergoedingen bedraagt, klopt, aldus de beschrijving, niet meer. De onderliggende overeenkomsten bepalen dat cliënten zelf vergoedingen verschuldigd zijn. De proceskostenvergoeding speelt daarin nog slechts een kleine aanvullende rol.\n\n9. Op 4 mei 2026 heeft de gemachtigde van belanghebbende de facturen en betaalbewijzen in een groot aantal zaken, waarin zij als gemachtigde optreedt, ingezonden. Op 11 mei 2026 is daarvan een overzicht overgelegd. Die stukken bevestigen het beeld dat de beschrijving van het bedrijfsmodel geeft. Uit de facturen en betaalbewijzen blijkt namelijk dat de gemachtigde van een groot deel van haar cliënten een “besparingsfee” van minimaal 30% van de eventuele belastingbesparing vraagt, zij die “besparingsfee” aan haar cliënten factureert en die “besparingsfee” vervolgens ook door de cliënten wordt betaald.\n\n10. Daarnaast komt uit de facturen en betaalbewijzen naar voren dat de meeste cliënten (bovenop de “besparingsfee”) tevens een (in hoogte variërende) “startfee” zijn verschuldigd. Op zitting heeft de gemachtigde toegelicht dat, indien overeengekomen, de “startfee” altijd wordt gefactureerd en betaald. Dat dit niet in alle gevallen gebeurt blijkt uit de overgelegde facturen en betaalbewijzen, en komt, aldus de gemachtigde, doordat de “startfee”, die ongeacht de uitkomst is verschuldigd, in die gevallen eerder is gefactureerd en betaald. Dat is anders bij de “besparingsfee”, die niet eerder dan na het nemen van het bestreden besluit in rekening kan worden gebracht, omdat dan pas de (hoogte van de) besparing duidelijk is.\n\n11. De heffingsambtenaar heeft zich ter zitting op het standpunt gesteld dat het pas op 4 mei 2026 door de gemachtigde van belanghebbende indienen van facturen en betaalbewijzen (die op 6 mei 2026 door de rechtbank zijn vrijgegeven), die al in 2025 beschikbaar waren, in strijd is met een goede procesorde. De rechtbank overweegt dat partijen in beginsel vrij zijn om gedurende de procedure hun standpunten aan te vullen. Die vrijheid wordt echter begrensd door de beginselen van de goede procesorde. Hoewel de late indiening van reeds voorhanden zijnde stukken niet de schoonheidsprijs verdient, ziet de rechtbank hierin geen grond om die stukken vanwege strijd met een goede procesorde buiten beschouwing te laten. Hiertoe acht de rechtbank van belang dat de stukken een onderbouwing vormen van een eerder door de gemachtigde ingenomen standpunt, een reactie zijn op het verweerschrift en dat de aard en de omvang van de stukken niet zodanig zijn dat van de heffingsambtenaar om adequaat hierop te kunnen reageren een nader diepgaand (feiten)onderzoek wordt gevergd. De inhoudelijke reactie van de heffingsambtenaar op de stukken in de pleitnota bevestigen dit oordeel.\n\n12. De rechtbank stelt voorop dat voor haar de facturen en de betaalbewijzen leidend zijn voor de beoordeling van de vraag of kenmerk (i) op de gemachtigde van belanghebbende van toepassing is. Naar het oordeel van de rechtbank zijn (alleen) die stukken, en niet (ook) de overeenkomst, de website en de algemene voorwaarden van de gemachtigde (op 9 februari 2025), waarvan gesteld is dat die op dat moment nog niet in overeenstemming met het gewijzigde bedrijfsmodel waren gebracht, relevant voor de vraag of sprake is van een bedrijfsmodel op basis van no cure no pay. Omdat het bedrijfsmodel van de gemachtigde (en niet de vergoedingen in de aan de rechtbank voorliggende zaken) moet worden beoordeeld, blijft die beoordeling, anders dan de heffingsambtenaar stelt, niet beperkt tot de gemeenten binnen het ambtsgebied van de heffingsambtenaar. Daaruit volgt ook dat op grond van het (incidenteel) ontbreken van facturen en betaalbewijzen in aan de rechtbank voorliggende zaken niet zonder meer kan worden geconcludeerd dat kenmerk (i) op het bedrijfsmodel van de gemachtigde van toepassing is.\n\n13. De rechtbank is van oordeel dat met voldoende gegevens is onderbouwd dat de gemachtigde in 2025 voor een groot deel van de procedures een “besparingsfee” in rekening heeft gebracht. Door het betalen van een “besparingsfee” loopt een belanghebbende bij de inschakeling een gemachtigde voor het voeren van een procedure een financieel risico (zie hiervoor het arrest van de Hoge Raad van 26 september 2025). Deze door de gemachtigde gevraagde vergoeding (van 30-40%) acht de rechtbank, nog daargelaten dat de Hoge Raad dat enkel ten aanzien van “instapvergoedingen” heeft geoordeeld, ook niet dusdanig laag dat kan worden gesproken van rechtsbijstandverlening op een grondslag die in wezen overeenkomt met rechtsbijstandverlening op basis van no cure no pay. Op grond van het vorenstaande heeft belanghebbende, naar het oordeel van de rechtbank, buiten redelijke twijfel bewezen dat het bedrijfsmodel van de gemachtigde ten tijde van het instellen van bezwaar niet het kenmerk van optreden op basis van no cure no pay heeft (i). Daaraan doet niet af dat een belanghebbende vooraf ermee heeft ingestemd dat een eventuele vergoeding van proceskosten aan de gemachtigde toekomt. Dat geldt ook voor het ontbreken van facturen en betaalbewijzen van op een eerder moment in rekening gebrachte “startfees” en de door de heffingsambtenaar gestelde inconsistenties in de hoogte hiervan.\n\n14. Uit het vorenstaande volgt dat sprake is van een bijzonder geval en de heffingsambtenaar ten onrechte toepassing heeft gegeven aan artikel 30a, eerste lid, van de Wet woz.\n\n15. Dit betekent dat het beroep van belanghebbende gegrond is. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit voor zover dat ziet op de toegekende proceskostenvergoeding en bepaalt met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht de proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase op € 1.332,- (2 x € 666,-).\n\n16. Aan het standpunt van belanghebbende dat aan het bestreden besluit een motiveringsgebrek kleeft, wordt niet toegekomen.\n\n17. Omdat het beroep gegrond is, moet de heffingsambtenaar het griffierecht aan belanghebbende vergoeden.\n\n18. De rechtbank acht termen aanwezig om de heffingsambtenaar te veroordelen in de proceskosten die belanghebbende redelijkerwijs heeft moeten maken in verband met de behandeling van het beroep, een en ander eveneens overeenkomstig de normen van het Besluit proceskosten bestuursrecht. Aan belanghebbende is door een derde beroepsmatig rechtsbijstand verleend. Voor de in aanmerking te nemen proceshandelingen worden 2 punten (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen op zitting met een waarde van € 934,- per punt) toegekend. De rechtbank bepaalt in overeenstemming met het Richtsnoer proceskostenvergoeding belastingkamers gerechtshoven 2024 (neergelegd in de uitspraak van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 7 augustus 2024, ECLI:NL:GHSHE:2024:2524) de wegingsfactor op 0,5. Gelet hierop bedraagt het vanwege de in deze zaak verleende rechtsbijstand te vergoeden bedrag in totaal € 934,-.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep gegrond;\n\n- vernietigt het bestreden besluit voor zover dat ziet op de toegekende proceskostenvergoeding, stelt de proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase vast op € 1.332,- en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;\n\n- draagt de heffingsambtenaar op het betaalde griffierecht van € 385,- aan belanghebbende te vergoeden;\n\n- veroordeelt de heffingsambtenaar in de proceskosten van belanghebbende wegens verleende rechtsbijstand in beroep tot een bedrag van € 934,-.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. B.F.A. van Huijgevoort, voorzitter, en mrs. E.P.J. Rutten en J.H. van Hoof leden, in aanwezigheid van mr. D.D.R.H. Lechanteur, griffier.De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 8 juli 2026.\n\ngriffier rechter\n\nAfschrift verzonden aan partijen op: 8 juli 2026.\n\nRechtsmiddel\n\nTegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof ’s-Hertogenbosch (belastingkamer).\n\nU kunt digitaal beroep instellen via www.rechtspraak.nl. Daar klikt u op “Formulieren en inloggen”. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ’s-Hertogenbosch (belastingkamer).\n\nBij het instellen van het hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:\n\n1. bij het hogerberoepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;\n\n2 - het hogerberoepschrift moet, indien het op papier wordt ingediend, ondertekend zijn. Verder moet het ten minste het volgende vermelden:\n\na. de naam en het adres van de indiener;\n\nb. de datum van verzending;\n\nc. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;\n\nd. de redenen waarom u het niet eens bent met de uitspraak (de gronden van het hoger beroep).","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBLIM:2026:6423","ecli-nl-rblim-2026-6423",{"courtName":6,"legalDomain":21,"decisionType":22,"procedureType":23},"Bestuursrecht; Belastingrecht","uitspraak","Uitspraak",{"id":25,"ecli":26,"caseNumber":14,"courtId":5,"courtName":14,"decisionDate":15,"fullText":27,"language":7,"source":17,"sourceUrl":28,"summary":14,"slug":29,"metadata":30},"534","ECLI:NL:RBLIM:2026:6673","RECHTBANK LIMBURG\n\nZittingsplaats Roermond\n\nStrafrecht\n\nParketnummer : 03.227940.25\n\nTegenspraak\n\nVonnis van de meervoudige kamer d.d. 8 juli 2026\n\nin de strafzaak tegen\n\n [verdachte] ,\n\ngeboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum 1] 1997,\n\nthans verblijvende te [adres 1] .\n\nDe verdachte wordt bijgestaan door mr. L.M.J. de Ruiter, advocaat kantoorhoudende te Venlo.1. Onderzoek van de zaak\n\nDe zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 29 april 2026. De verdachte en haar raadsvrouw zijn verschenen. De officier van justitie en de verdediging hebben hun standpunten kenbaar gemaakt. Vervolgens is op 8 juli 2026 het onderzoek ter terechtzitting gesloten.\n\n2. De tenlastelegging\n\nDe tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.\n\nDe verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat de verdachte op 25 augustus 2025 een kussen tegen het gezicht van haar baby heeft gedrukt en zodoende heeft geprobeerd om haar baby te doden (primair). Deze handelswijze is subsidiair en meer subsidiair tenlastegelegd als een poging tot zware mishandeling dan wel een mishandeling\n\n3. De beoordeling van het bewijs3.1. \n\nHet standpunt van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de primair tenlastegelegde poging tot doodslag wettig en overtuigend kan worden bewezen. Zij heeft hierbij verwezen naar de bekennende verklaring van de verdachte, de aangifte van haar partner en de berichten die zijn gestuurd in de groepsapp van de familie op Whatsapp.\n\nVoorts heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat er geen sprake was van een volledig verstoorde wil bij de verdachte, nu uit onderzoek is gebleken dat zij slechts verminderd en niet volledig ontoerekeningsvatbaar was.\n\n3.2. \n\nHet standpunt van de verdediging\n\nDe verdediging heeft aangevoerd dat er bij de verdachte sprake was van een verstoorde wil, waardoor de wilscomponent ontbreekt, hetgeen reeds om die reden tot vrijspraak moet leiden. Daarnaast heeft de verdachte de aanmerkelijke kans op de dood, dan wel zwaar lichamelijk letsel niet bewust aanvaard. Haar handelen was immers een uiting van onmacht, waardoor vrijspraak moet volgen voor het primair en subsidiair tenlastegelegde feit.\n\nDe verdediging heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank ten aanzien van het meer subsidiair tenlastegelegde feit.3.3. Het oordeel van de rechtbank\n\nDe bewijsmiddelen\n\n [naam 1] , de vader van [naam 2]heeft namens hem aangifte gedaan en heeft – zakelijk weergegeven – onder meer het volgende verklaard:\n\nIk doe aangifte van poging doodslag.\n\nOns gezin bestaat uit mijn partner [verdachte] , mijn dochter [naam 3] (2 jaar) en mijn zoontje [naam 2] die geboren is op [geboortedatum 2] 2025. Wij wonen met zijn vieren op de [adres 2] , binnen de gemeente Venlo.\n\nOp 25 augustus 2025, om 17:45 uur, kwam [verdachte] naar beneden. Ik zat op de bank. [naam 2] lag in de box. Ik zag dat [verdachte] om de box liep naar de bank. Ik zag dat [verdachte] van de rechterhoek van de bank een kussen vastpakte. Ik zag dat [verdachte] het kussen vasthad met beide handen. Ik zag dat [verdachte] terugliep naar de box. Ik zag dat [verdachte] voor de box stond. Ik zag dat [naam 2] in het midden van de box lag. Ik zag dat [verdachte] voorovergebogen bij de box stond. Ik zag dat [verdachte] het kussen in een snelle beweging liet zakken. Ik zag dat [verdachte] met beide handen, het kussen tegen het gezicht van [naam 2] drukte. Ik zag dat [verdachte] het kussen hard drukte op het gezicht van [naam 2] . Dit zag ik doordat [verdachte] hard kneep in het kussen. Ze had witte knokkels en ik zag dat het matras\u002Fmatje werd ingedrukt. Ik hoorde dat ze niets zei. Ik zei: “Niet doen!” Ik zag dat [naam 2] met zijn beentjes begon te spartelen. Ik hoorde dat [naam 2] geen geluid maakte. Ik ben erop gevlogen om het te stoppen. Ik denk dat ik binnen ongeveer 4 seconden bij de box stond. Ik zag dat [verdachte] het kussen hard op het gezicht van [naam 2] bleef duwen en dat [naam 2] nog steeds spartelde met zijn benen. Ik heb [verdachte] vervolgens geslagen op haar rug, om het te stoppen. Ik zag dat [verdachte] niet stopte. Ik heb [verdachte] toen nogmaals geslagen. Ik sloeg haar tegen haar arm en of zij. Ik zag dat [verdachte] toen nog niet stopte. Ik heb toen nogmaals geslagen tegen haar arm en of zij. Daarna heb ik haar weggeduwd van de box. Ik denk dat dit ongeveer 8 tot 10 seconden heeft geduurd. Ik heb toen zelf het kussen van het gezicht van [naam 2] gehaald. Ik heb [naam 2] opgetild, want ik hoorde dat hij hard aan het huilen was. Dit klonk anders dan normaal. Ik heb dit ervaren als een paniek huil. Ik zag dat de tranen over zijn wangen rolden. Ik zag dat [naam 2] harder dan normaal ademde. Ik hoorde dat [naam 2] aan een stuk bleef huilen.\n\nIk was heel angstig dat [naam 2] iets zou overkomen. Ik kan niet inschatten of ze ermee was gestopt of dat ze het had doorgezet.\n\nVerbalisant [naam 4], die op 25 augustus 2025 aanwezig was bij de aanhouding van de verdachte, relateerde in het proces-verbaal van aanhouding van de verdachte:\n\nIk vroeg aan [verdachte] : \"Ik heb gehoord dat jij een kussen op het gezicht van [naam 2] had gedrukt. Klopt dat?\" Ik hoorde dat [verdachte] zei: \"Ja dat klopt.\" Ik zag dat ze dit zei zonder emotie. Ik zei: \"Wilde je hem dood maken?” Ik hoorde dat [verdachte] zei: “Ja, dat kan best.”\n\nDe verdachteheeft tijdens haar eerste verhoor bij de politie onder meer het volgende verklaard:\n\nOp 25 augustus 2025 knapte er iets in mij en toen heb ik het kussen op het hoofd van mijn jongste kind, [naam 2] , geduwd. [naam 1] duwde mij weg en ik begon te schreeuwen. Ik heb het kussen een paar seconden op zijn hoofd geduwd.\n\nTijdens haar tweede verhoor bij de politie heeft de verdachtehet volgende verklaard:\n\nV: Je dochtertje zat bij je he?\n\nA: Ze zat bij mij op de schoot.\n\nV: Waarom richtte je je niet tot haar in plaats van op je zoontje?\n\nA: Omdat hij zich nog niet kan verweren, dus dan is het makkelijker.\n\nV: Wat was dan makkelijker?\n\nA: Om me daar op af te reageren omdat hij zich toch niet kan verweren.\n\nV: Wat ging er door je heen toen je naar de box liep?\n\nA: Ik weet niet meer precies, het was alsof ik dat moest doen om overal vanaf te zijn.\n\n(…)\n\nV: Gisteren kwam het ‘achter het behang plakken’ ter sprake. Dat we dit gevoel allemaal wel kennen. Wanneer heb je voor het eerst gedacht je zoontje echt wat aan te willen doen? We bedoelen dus het gevoel dat verder gaat dan 'achter het behang plakken’.\n\nA: Ik heb het wel eens gedacht, maar niet tot actie om gezet.\n\nV: Wanneer heb je dit voor het eerst gedacht?\n\nA: Een paar weken terug.\n\nV: Hoe zagen die gedachtes eruit?\n\nA: Als dit zo door blijft gaan, dan doe ik hem dadelijk iets aan.\n\nBewijsoverwegingen\n\nDe rechtbank stelt op basis van de inhoud van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting vast dat de verdachte op 25 augustus 2025 in haar woning een kussen op het gezicht van haar baby heeft gedrukt en gedrukt heeft gehouden. De partner van de verdachte heeft haar moeten wegduwen en slaan om haar te laten stoppen.\n\nNaar het oordeel van de rechtbank kan deze gedraging, gelet op haar uiterlijke verschijningsvorm, worden aangemerkt als een gedraging die is gericht op het beëindigen van het leven van het slachtoffer. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat het een feit van algemene bekendheid is dat het drukken van een kussen op het hoofd de ademhaling belemmert en tot verstikking kan leiden. Dit geldt in het bijzonder voor een baby van zes maanden oud, die vanwege diens fysieke kwetsbaarheid en afhankelijkheid in het geheel niet in staat is zich aan een dergelijke situatie te onttrekken.\n\nDe rechtbank leidt uit deze uiterlijke verschijningsvorm af dat de verdachte op zijn minst voorwaardelijk opzet had op de dood van haar baby. De rechtbank slaat daarbij ook acht op de uitlatingen die de verdachte tegenover de politie heeft gedaan dat het best zou kunnen dat zij haar zoontje op dat moment wilde dood maken, dat zij sinds een paar weken gedachtes had dat zij haar zoontje iets aan kon doen en dat zij zich bewust tot haar zoontje richtte, omdat hij zich nog niet kan verweren.\n\nDe raadsvrouw heeft aangevoerd dat de verdachte handelde vanuit een geestelijke stoornis, waardoor sprake zou zijn geweest van een verstoorde wilsvorming. De rechtbank overweegt dienaangaande dat uit de onder 5 nader te noemen triple rapportage naar de persoon van de verdachte weliswaar volgt dat zij leed aan een psychische stoornis, maar dat niet is gebleken dat deze stoornis haar wilsvrijheid zodanig heeft aangetast dat zij niet in staat was haar wil te bepalen of overeenkomstig die wil te handelen. Dat de verdachte nog in staat was om bewuste keuzes te maken, blijkt bovendien reeds uit de omstandigheid dat zij zich tot haar zoontje richtte omdat hij zich nog niet kan verweren. Dat de verdachte mogelijk vanuit haar stoornis heeft gehandeld, maakt niet dat haar wil volledig was uitgeschakeld.\n\nDe rechtbank verwerpt daarom het verweer en acht de poging tot doodslag zoals primair ten laste is gelegd wettig en overtuigend bewezen.3.4. \n\nDe bewezenverklaring\n\nDe rechtbank acht bewezen dat de verdachte\n\nPrimair\n\nop 25 augustus 2025 in de gemeente Venlo ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [naam 2] (geboren op [geboortedatum 2] 2025) van het leven te beroven, een kussen tegen het gezicht van die [naam 2] heeft gedrukt en gedrukt gehouden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.\n\nDe rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. De verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.\n\n4. De strafbaarheid van het bewezenverklaarde\n\nHet bewezenverklaarde levert het volgende strafbare feit op:\n\nPrimair\n\nPoging tot doodslag.\n\nEr zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.\n\n5. De strafbaarheid van de verdachte\n\nGZ-psycholoog dhr. T. ’t Hoen, psychiater mw. C.M.A. Matton en forensisch milieuonderzoeker dhr. D.A. de Ruiter hebben op 18 december 2025 een triple rapportage uitgebracht over de persoon van de verdachte. In genoemd rapport is vermeld dat de verdachte een zeer kwetsbare, gesloten en getraumatiseerde vrouw is, bij wie een forse scheefgroei in haar persoonlijkheids- en identiteitsontwikkeling wordt gezien waarvoor de basis al is gelegd in haar problematische en belaste jeugd. Er is sprake van een op de voorgrond staande borderline-persoonlijkheidsstoornis. Daarnaast is bij de verdachte terugkerend sprake van een mengbeeld van stemmingsklachten en trauma-gerelateerde klachten, die ook in aanloop naar het feit op de voorgrond kwamen. Tevens kan er volgens de deskundigen worden gesproken van een stoornis in het gebruik van speed (amfetamine), licht van aard en thans in remissie in de gereguleerde omgeving van detentie.\n\nVolgens de deskundigen was van bovenstaande stoornissen ook sprake ten tijde van het tenlastegelegde feit en werden de gedragskeuzes en gedragingen ten tijde van het tenlastegelegde feit ook door de psychische stoornissen beïnvloed.\n\nIn aanloop naar het tenlastegelegde feit liepen de spanningen en psychische problemen bij de verdachte steeds meer op. Haar draagkracht schoot steeds meer tekort om de toenemende draaglast het hoofd te bieden, wat leidde tot een sterke toename van psychische klachten in de vorm van forse spannings- en stemmingsklachten (waaronder prikkelbaarheid). Doordat de spanningen en problemen bleven aanhouden en zelfs toenamen, lukte het haar niet langer om de afgesplitste woede en agressie te controleren. Dit kwam al tot uiting in de toenemende woede en agressie jegens zichzelf in de vorm van automutilatie en suïcidaliteit. Daarnaast lijkt de afgesplitste woede ook naar buiten te zijn geslagen in de vorm van de agressieve impulsdoorbraak jegens haar paar maanden oude zoontje. De verdachte was al met al als gevolg van haar ernstige persoonlijkheidspathologie op dat moment onvoldoende in staat om haar gedrag op een gezondere wijze bij te sturen en andere gedragskeuzes te maken. De deskundigen adviseren daarom het feit in verminderde mate toe te rekenen.\n\nOp grond van dit rapport is de rechtbank van oordeel dat het bewezenverklaarde feit in verminderde mate aan de verdachte kan worden toegerekend, omdat zij het feit heeft begaan onder invloed van een ziekelijke stoornis van haar geestvermogens.\n\nGelet op het voorgaande is er géén sprake van een omstandigheid die de strafbaarheid van de verdachte voor het bewezenverklaarde in het geheel uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.\n\n6. De straf en de maatregel6.1. \n\nDe vordering van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie gaat ervan uit dat het feit in verminderde mate aan de verdachte is toe te rekenen. Daarnaast heeft zij in acht genomen dat het een zeer ernstig feit betreft, waar normaliter lange gevangenisstraffen tegenover staan. Zij heeft gevorderd aan de verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van 3 jaren met aftrek van het voorarrest en daarnaast de maatregel van terbeschikkingstelling (hierna: tbs) met de voorwaarden zoals die door de reclassering zijn geadviseerd. Overeenkomstig het reclasseringsadvies heeft zij gevorderd om de aan de tbs te verbinden voorwaarden dadelijk uitvoerbaar te verklaren en om de voorlopige hechtenis te schorsen onder dezelfde voorwaarden. Daarnaast heeft de officier van justitie gevorderd om een gedragsbeïnvloedende of vrijheidsbeperkende maatregel op te leggen, zoals bedoeld in artikel 38z van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr).6.2. \n\nHet standpunt van de verdediging\n\nDe raadsvrouw heeft aangevoerd dat de verdachte gebaat is bij hulp en behandeling en acht tbs met voorwaarden een passende sanctie. Wel heeft zij verzocht om te volstaan met een gevangenisstraf gelijk aan de duur van het voorarrest van de verdachte.6.3. \n\nHet oordeel van de rechtbank\n\nBij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.\n\nDe ernst van het feit\n\nDe verdachte heeft een zeer ernstig feit gepleegd door een kussen op het gezicht van haar zes maanden oude baby te drukken en gedrukt te houden. Daarmee heeft zij de gezondheid en het leven van haar baby ernstig in gevaar gebracht. [naam 2] was als jonge baby compleet weerloos en volledig afhankelijk van de zorg en bescherming van zijn ouders. Door zo te handelen heeft de verdachte op grove wijze inbreuk gemaakt op haar ouderlijke plicht om haar baby te verzorgen en te beschermen en zich te onthouden van elk handelen dat het kind schade kan berokkenen. Dat het handelen van de verdachte geen blijvend letsel of het overlijden van de baby heeft veroorzaakt, is alleen te danken aan het ingrijpen van haar partner.\n\nDe rechtbank heeft er oog voor dat de verdachte heeft gehandeld vanuit frustraties en onmacht die een oorzaak vinden in haar trauma’s en stoornis. Dat kan helpen verklaren hoe het tot dit handelen is gekomen, maar rechtvaardigt het gedrag niet. Juist in zulke situaties mag van een moeder worden verwacht dat zij hulp zoekt of afstand neemt, in plaats van haar kind in gevaar te brengen.\n\nZoals reeds onder 5 is uiteengezet, komt de rechtbank op basis van de daar genoemde triple rapportage wel tot de conclusie dat het bewezenverklaarde verminderd aan de verdachte moet worden toegerekend, omdat de gedragskeuzes en gedragingen ten tijde van het bewezenverklaarde feit door de psychische stoornissen van de verdachte werden beïnvloed. De rechtbank zal daar rekening mee houden bij het bepalen van de op te leggen straf en maatregelen.\n\nDe straf\n\nDe rechtbank is van oordeel dat gelet op de ernst van het feit geen andere straf passend is dan een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. De rechtbank weegt in het voordeel van de verdachte mee, dat zij van het begin af aan openheid van zaken heeft gegeven en ook ten volle heeft meegewerkt aan het triple onderzoek. Omdat de rechtbank van oordeel is dat in deze zaak de focus op de behandeling van de verdachte dient te liggen, zal zij de gevangenisstraf beperken tot een straf gelijk aan de duur van het voorarrest en aan de verdachte opleggen een gevangenisstraf voor de duur van 268 dagen. Omdat de voorlopige hechtenis van de verdachte inmiddels al is geschorst onder dezelfde voorwaarden als geadviseerd in het kader van de tbs met voorwaarden, betekent dat dat de verdachte niet meer terug naar de gevangenis hoeft.\n\nDe maatregel van terbeschikkingstelling\n\nIndien het bewezenverklaarde feit een misdrijf is waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaar of meer is gesteld, de rechtbank tot het oordeel komt dat de verdachte ten tijde van het begaan van het bewezenverklaarde feit leed aan een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestvermogens en de veiligheid van anderen, dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen dat eist, kan de rechtbank gelasten dat een verdachte ter beschikking wordt gesteld.\n\nHet bewezenverklaarde feit is een misdrijf waarop een gevangenisstraf van meer dan vier jaar is gesteld en hiervoor heeft de rechtbank al geconcludeerd dat de verdachte ten tijde van het begaan van het bewezenverklaarde leed aan een ziekelijke stoornis van haar geestvermogens. Ten aanzien van het risico voor de algemene veiligheid van personen of goederen (het recidiverisico) en de behandelmogelijkheden, komt in de triple rapportage naar voren dat bij de verdachte een matig risico aanwezig is op herhaling van een soortgelijk feit. De deskundigen achten een langdurige, intensieve behandeling binnen een forensische kliniek noodzakelijk om dat risico terug te dringen. Deze behandeling dient zich te richten op de borderlinepersoonlijkheidsstoornis van de verdachte en de bijkomende psychische klachten en symptomen. Middels behandeling dient het inzicht van de verdachte in haar emotionele binnenwereld te worden vergroot, moet er aandacht zijn voor haar emotieregulatie en het versterken van haar copingvaardigheden. De deskundigen adviseren om aan de verdachte een tbs-maatregel op te leggen. Zij zien enkele aanknopingspunten voor het opleggen van tbs met voorwaarden, maar zien hier ook de beperkingen van. Zij hebben namelijk zorgen of de verdachte een dergelijk intensief en langdurig behandeltraject aankan. De deskundigen hebben uiteindelijk geadviseerd om de reclassering onderzoek te laten doen naar de haalbaarheid van een tbs met voorwaarden.\n\nDe reclassering heeft op 12 maart 2026 advies uitgebracht. De reclassering schat het risico dat de verdachte zich zal onttrekken aan de voorwaarden in als laag, maar spreekt wel haar twijfels uit over het antwoord op de vraag in hoeverre de verdachte zich vanuit haar ernstige persoonlijkheidspathologie langdurig weet te conformeren aan een ingrijpende en intensieve behandeling. Desalniettemin acht zij een tbs met voorwaarden wel uitvoerbaar. De reclassering heeft daarom geadviseerd om in dat kader aan de verdachte onder meer de volgende voorwaarden op te leggen: meewerken aan reclasseringstoezicht, meewerken aan een time-out, opname in een zorginstelling, ambulante behandeling, verblijf in beschermd\u002Fbegeleid wonen, meewerken aan ambulante gezinsbegeleiding en een alcohol- en verdovende middelen verbod.\n\nDe rechtbank is op basis van de triple rapportage en het advies van de reclassering van oordeel dat adequate zorg rondom de verdachte opgezet zal moeten worden om te voorkomen dat zij niet of onvoldoende behandeld terugkeert in de maatschappij en om ervoor te zorgen dat zij langere tijd behandeld en gemonitord wordt.\n\nDe rechtbank stelt vast dat is voldaan aan de genoemde wettelijke vereisten om de maatregel van tbs met voorwaarden te kunnen opleggen en zal ter bescherming van de veiligheid van anderen de voorwaarden betreffende het gedrag van de verdachte opleggen, zoals benoemd in het advies van de reclassering. De verdachte heeft zich bereid verklaard tot naleving van deze voorwaarden. Uit de rapporten en het verhandelde ter terechtzitting is gebleken dat zij het liefst zo snel mogelijk dient te beginnen met de klinische behandeling bij de Rooyse Wissel. Daarom heeft de rechtbank op de zitting van 29 april 2026 de voorlopige hechtenis geschorst met ingang van het moment dat deze behandeling is aangevangen onder dezelfde voorwaarden als geadviseerd door de reclassering in het kader van de tbs met voorwaarden.\n\nDe rechtbank stelt voorts vast dat deze maatregel wordt opgelegd ter zake van een misdrijf dat is gericht tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen.\n\nDadelijke uitvoerbaarheid\n\nDe rechtbank zal bevelen dat de tbs met voorwaarden dadelijk uitvoerbaar is, omdat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte zonder directe intensieve behandeling en begeleiding zal terugvallen in gedrag dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen.\n\nDe gedrag beïnvloedende of vrijheidsbeperkende maatregel\n\nMede gelet op de inschatting van de deskundigen en de reclassering en hetgeen hiervoor is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat het creëren van een mogelijkheid om de verdachte, ook na beëindiging van de tbs met voorwaarden, langdurig onder toezicht te stellen, noodzakelijk is om het recidiverisico in de toekomst naar een aanvaardbaar risico te kunnen terugdringen c.q. op een aanvaardbaar niveau te houden. Aan de wettelijke voorwaarden voor oplegging van de maatregel is voldaan. De rechtbank legt daarom de maatregel strekkende tot gedragsbeïnvloeding of vrijheidsbeperking ex artikel 38z Sr op aan de verdachte.\n\n7. De wettelijke voorschriften\n\nDe beslissing berust op de artikelen 37a, 38, 38a, 38z, 45 en 287 van het Wetboek van Strafrecht.\n\n8. De beslissing\n\nDe rechtbank:\n\nBewezenverklaring\n\nverklaart het primair tenlastegelegde bewezen zoals hierboven onder 3.4 is omschreven;\n\nspreekt de verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;\n\nStrafbaarheid\n\nverklaart dat het bewezenverklaarde het strafbare feit oplevert zoals hierboven onder 4 is omschreven;\n\nverklaart de verdachte strafbaar;\n\nStraf\n\nveroordeelt de verdachte tot een gevangenisstrafvan268 dagen;\n\nbeveelt dat de tijd die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrestis doorgebracht, bij de uitvoering van deze gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;\n\nMaatregel\n\ngelast dat de verdachte ter beschikking wordt gesteld met voorwaarden;\n\nstelt ter bescherming van de veiligheid van anderen de volgende voorwaarden:\n\na. De veroordeelde werkt mee aan reclasseringstoezicht. Deze medewerking houdt onder andere in:\n\n De veroordeelde meldt zich op afspraken bij de reclassering. De reclassering bepaalt hoe vaak dat nodig is.\n\n De veroordeelde laat een of meer vingerafdrukken nemen en laat een geldig identiteitsbewijs zien. Dit is nodig om de identiteit van de verdachte vast te stellen.\n\n De veroordeelde houdt zich aan de aanwijzingen van de reclassering. De reclassering kan aanwijzingen geven die nodig zijn voor de uitvoering van het toezicht of om de verdachte te helpen bij het naleven van de voorwaarden.\n\n De veroordeelde helpt de reclassering aan een actuele foto waarop haar gezicht herkenbaar is. Deze foto is nodig voor opsporing bij ongeoorloofde afwezigheid.\n\n De veroordeelde werkt mee aan huisbezoeken.\n\n De veroordeelde geeft de reclassering inzicht in de voortgang van begeleiding en\u002Fof behandeling door andere instellingen of hulpverleners.\n\n De veroordeelde vestigt zich niet op een ander adres zonder toestemming van de reclassering.\n\n De veroordeelde werkt mee aan het uitwisselen van informatie met personen en instanties die contact hebben met de verdachte, als dat van belang is voor het toezicht.\n\n De veroordeelde laat zich opnemen in en behandelen door de Rooyse Wissel of een soortgelijke zorginstelling, te bepalen door voor plaatsing verantwoordelijke instantie. De opname start zo spoedig mogelijk en zodra de plaatsing mogelijk is. De zorginstelling bepaalt de wijze van behandeling. De opname duurt zolang de reclassering dat nodig vindt. De veroordeelde houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorginstelling geeft voor de behandeling. Gelet op de problematiek kan hieronder ook het innemen van medicijnen vallen, als de zorginstelling dat nodig vindt. Als de reclassering een overgang naar ambulante zorg, begeleid wonen of maatschappelijk wonen gewenst vindt, werkt de veroordeelde mee aan de indicatiestelling en plaatsing;\n\n De veroordeelde laat zich – na afloop van een klinische behandeling – behandelendoor een nader te bepalenforensische polikliniek of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de behandeling nodig vindt. De zorgverlener bepaalt de wijze van behandeling. De behandeling is gericht op psychische problematiek, verslavingsproblematiek, cognitieve vaardigheden en sociale vaardigheden. Gelet op de problematiek kan onderdeel van de behandeling zijn dat de veroordeelde voorgeschreven medicatie zal gebruiken;\n\n De veroordeelde verblijft na afloop van een klinische behandeling, indien nodig, gedurende de proefperiode of zoveel korter als de reclassering dat nodig vindt, in een nader te bepalen begeleid of beschermd woneninstelling of een soortgelijke instelling, te bepalen door de reclassering. Het verblijf duurt zolang de reclassering dat nodig vindt. De veroordeelde houdt zich aan de huisregels en het dagprogramma dat de instelling in overleg met de reclassering opstelt;\n\n Als de reclassering dat nodig vindt en de veroordeelde daarmee instemt, kan de veroordeelde voor een time-outworden opgenomen in een forensisch psychiatrisch centrum (fpc) of andere instelling. Deze time-out duurt totdat de reclassering of de veroordeelde deze beëindigt, maar maximaal zeven weken, met de mogelijkheid van verlenging met nog eens maximaal zeven weken, tot maximaal veertien weken per jaar;\n\n De veroordeelde gaat niet naar het buitenlandof het Caribisch gebied van het Koninkrijk der Nederlanden, zonder toestemming van de reclassering;\n\n De veroordeelde gebruikt geen verdovende middelengenoemd in lijst I (harddrugs), en\u002Fof lijst II (softdrugs) en\u002Fof geen middelen die vallen onder een stofgroep genoemd in lijst IA in de Opiumwet, tenzij de reclassering toestemming heeft gegeven voor het gebruik. De veroordeelde moet meewerken aan controles. Dit kunnen zijn urineonderzoek\u002Fademonderzoek\u002Fspeekseltest. De reclassering bepaalt hoe vaak en met welk controlemiddel wordt gecontroleerd;\n\n De veroordeelde gebruikt geen alcohol, tenzij de reclassering toestemming heeft gegeven voor het gebruik. De veroordeelde moet meewerken aan controles. Dit kunnen zijn urineonderzoek\u002Fademonderzoek\u002Fspeekseltest. De reclassering bepaalt hoe vaak en met welk controlemiddel wordt gecontroleerd;\n\n De veroordeelde werkt, zolang de reclassering dit nodig acht, mee aan ambulante gezinsbegeleiding en\u002Fof jeugdbeschermingen houdt zich aan de afspraken met de betrokken hulpverlening. In het belang van de veiligheid van de veroordeelde zelf, de partner en de kinderen van de veroordeelde, is de veroordeelde open over haar psychische gesteldheid richting hulpverlening en de reclassering. De reclassering en de hulpverlening hebben overleg met elkaar;\n\nToezicht\n\n- geeft opdracht aan de reclassering om toezichtte houden op de naleving van de voorwaarden en de ter beschikking gestelde ten behoeve daarvan te begeleiden;\n\nDadelijke uitvoerbaarheid\n\n- beveelt dat de terbeschikkingstelling met voorwaarden, dadelijk uitvoerbaaris;Gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel\n\n- legt aan de veroordeelde op de maatregelstrekkende totgedragsbeïnvloeding of vrijheidsbeperking(artikel 38z Sr).\n\nDit vonnis is gewezen door mr. L. Feuth, voorzitter, mr. M.J.A.G. van Baal en mr. R.M.M. Menting, rechters, in tegenwoordigheid van mr. Z. Houkes, griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 8 juli 2026.\n\nBuiten staat\n\nMr. Menting is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.\n\nBIJLAGE: De tenlastelegging\n\nAan de verdachte is ten laste gelegd dat\n\nPrimair:\n\nzij op of omstreeks 25 augustus 2025 in de gemeente Venlo\n\nter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om\n\nopzettelijk een ander, te weten [naam 2] (geboren op [geboortedatum 2] 2025)\n\nvan het leven te beroven, een kussen tegen het gezicht van die [naam 2] heeft\n\ngedrukt en\u002Fof gedrukt gehouden terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf\n\nniet is voltooid;\n\nSubsidiair:\n\nzij op of omstreeks 25 augustus 2025 in de gemeente Venlo\n\nter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een ander, te\n\nweten [naam 2] (geboren op [geboortedatum 2] 2025) opzettelijk zwaar lichamelijk\n\nletsel toe te brengen een kussen tegen het gezicht van die [naam 2] heeft gedrukt\n\nen\u002Fof gedrukt gehouden terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is\n\nvoltooid,\n\nterwijl verdachte dit misdrijf beging tegen haar kind;\n\nMeer subsidiair:\n\nzij op of omstreeks 25 augustus 2025 in de gemeente Venlo\n\n [naam 2] (geboren op [geboortedatum 2] 2025) heeft mishandeld, door een kussen\n\ntegen het gezicht van die [naam 2] te drukken en\u002Fof gedrukt te houden, terwijl\n\nverdachte dit misdrijf beging tegen haar kind.\n\n Waar hierna wordt verwezen naar paginanummers, wordt - tenzij anders vermeld - gedoeld op paginanummers uit het proces-verbaal van politie Eenheid Limburg, proces-verbaalnummer PL2300-2025143771, gesloten d.d. 30 oktober 2025, doorgenummerd van pagina 1 tot en met pagina 182.\n\n Het proces-verbaal van aangifte van [naam 1] mede namens [naam 2] van 25 augustus 2025, pg. 15 en 16.\n\n Het proces-verbaal van aanhouding verdachte van 26 augustus 2025, pg. 144 en 145.\n\n Het proces-verbaal van verhoor verdachte [verdachte] van 26 augustus 2025, pg. 162 en 163.\n\n Het proces-verbaal van verhoor verdachte [verdachte] van 27 augustus 2025, pg. 166-168.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBLIM:2026:6673","ecli-nl-rblim-2026-6673",{"courtName":6,"legalDomain":31,"decisionType":22,"procedureType":23},"Strafrecht",{"id":33,"ecli":34,"caseNumber":14,"courtId":5,"courtName":14,"decisionDate":15,"fullText":35,"language":7,"source":17,"sourceUrl":36,"summary":14,"slug":37,"metadata":38},"409","ECLI:NL:RBLIM:2026:6426","RECHTBANK limburg\n\nZittingsplaats Roermond\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: ROE 26 \u002F 43\n\nuitspraak van de meervoudige kamer van 8 juli 2026 in de zaak tussen\n\n [belanghebbende], wonend te [woonplaats], belanghebbende\n\n(gemachtigde: ir. J.G.J. Frissen)\n\nen\n\nde heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking Gemeenten en Waterschappen, de heffingsambtenaar (gemachtigde: A. van den Dool).\n\nProcesverloop\n\nDe heffingsambtenaar heeft op grond van de Wet waardering onroerende zaken (Wet woz) de waarde van de onroerende zaken van belanghebbende voor het belastingjaar 2025 vastgesteld (het primaire besluit).\n\nBelanghebbende heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt.\n\nDe heffingsambtenaar heeft het bezwaar van belanghebbende gegrond verklaard (het bestreden besluit). Aan belanghebbende is een proceskostenvergoeding van in totaal € 161,74 toegekend.\n\nBelanghebbende heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Als gemachtigde heeft zich gesteld ir. J.G.J. Frissen, werkzaam bij WOZ Kwadraat te Sittard (in 2025).\n\nDe heffingsambtenaar heeft verweer gevoerd.\n\nOp 30 april 2026 zijn van belanghebbende nadere gronden en stukken ontvangen.\n\nDe heffingsambtenaar heeft op 1 mei 2026 een nader stuk ingediend.\n\nHet onderzoek ter zitting heeft vervolgens plaatsgevonden op 15 mei 2026. Belanghebbende en de heffingsambtenaar hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden.\n\nOverwegingen\n\n1. De rechtbank stelt vast dat de woz-waarde van de onroerende zaken tussen partijen niet meer in geschil is.\n\nHet beroep van belanghebbende richt zich enkel tegen de toegekende proceskosten-vergoeding en spitst zich toe op de vraag of de heffingsambtenaar bij de vaststelling van de proceskostenvergoeding in bezwaar toepassing heeft mogen geven aan de vermenigvuldigingsfactor 0,125 van artikel 30a, eerste lid, van de Wet woz, zoals dit artikellid luidt met ingang van 1 januari 2025.\n\n2. De heffingsambtenaar heeft in het bestreden besluit de proceskostenvergoeding van € 161,74 als volgt gespecificeerd:\n\n- indienen bezwaarschrift: 1 punt x waarde per punt € 647,- x factor 0,125 = € 80,87 +\n\n- bijwonen hoorzitting: 1 punt x waarde per punt € 647,- x factor 0,125 = € 80,87 = € 161,74.\n\n3. Belanghebbende vindt dat de heffingsambtenaar een te lage proceskostenvergoeding heeft toegekend. Hij verzoekt de rechtbank om artikel 30a van de Wet woz buiten toepassing te laten, omdat zijn gemachtigde een bijzonder geval is als bedoeld in het zogenoemde 30a-arrest van de Hoge Raad van 17 januari 2025 (ECLI:NL:HR:2025:46).\n\n4. In het 30a-arrest heeft de Hoge Raad geoordeeld dat bijzondere gevallen zich onderscheiden doordat zij niet voldoen aan de volgende kenmerken: dat aan de belanghebbende rechtsbijstand wordt verleend door een beroepsmatig optredende gemachtigde, dan wel een kantoor, waarvan het bedrijfsmodel eruit bestaat dat\n\n( i) wordt opgetreden op basis van no cure no pay,\n\n(ii) daarbij zodanige afspraken met de cliënten worden gemaakt dat het bedrag van eventuele proceskostenvergoedingen aan de gemachtigde of aan het kantoor wordt afgedragen, en\n\n(iii) de procedures op een zodanige wijze worden gevoerd dat de daarin toegekende proceskostenvergoedingen de in redelijkheid gemaakte kosten ver overtreffen.\n\n5. De daarbij te hanteren regels zijn nader uitgewerkt in de arresten van de Hoge Raad van 25 april 2025 (ECLI:NL:HR:2025:670) en 18 juli 2025 (ECLI:NL:HR:2025:1175).\n\n5.1.. Volgens de Hoge Raad rusten op de belanghebbende de stelplicht en bewijslast van feiten die meebrengen dat buiten redelijke twijfel komt vast te staan dat, beoordeelt naar de situatie op het moment waarop het desbetreffende rechtsmiddel is aangewend, het bedrijfsmodel van de betreffende gemachtigde of diens kantoor kennelijk niet allehiervoor bedoelde drie kenmerken heeft en dat aldus sprake is van een bijzonder geval. Er is dus (al) sprake van een bijzonder geval als één van de drie kenmerken toepassing mist.\n\n5.2.. Bij de beoordeling van het bedrijfsmodel gaat het niet specifiek om de werkzaamheden die de gemachtigde heeft verricht in de procedure waarop de proceskostenvergoeding ziet. Met het bedrijfsmodel is namelijk meer in het algemeen de wijze bedoeld waarop de gemachtigde zijn inkomsten verwerft met het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand.\n\n5.3.. Indien het bedrijfsmodel van een gemachtigde of een kantoor inhoudt dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay, of op een grondslag die daarmee in wezen overeenkomt en daarmee dus op één lijn kan worden gesteld, en dat daarbij afspraken met de cliënten worden gemaakt als hiervoor onder (ii) bedoeld, zal aldus moeten worden beoordeeld of dit bedrijfsmodel voldoet aan het hiervoor onder (iii) vermelde kenmerk van vergaande overdekking. Daartoe moet een vergelijking worden gemaakt tussen enerzijds het totale bedrag aan proceskostenvergoedingen dat aan de gemachtigde of aan het kantoor wordt afgedragen, en anderzijds het totale bedrag van de kosten van de gemachtigde of van het kantoor die kunnen worden toegerekend aan het voeren van de procedures waarop die proceskostenvergoedingen betrekking hebben. Het komt dus erop aan of het totale bedrag van de afgedragen proceskostenvergoedingen het totale bedrag van de zojuist bedoelde kosten verre overtreft. De omstandigheid dat vaak geheel of ten dele gebruik wordt gemaakt van gestandaardiseerde tekstblokken die niet zijn toegespitst op de desbetreffende zaak, vormt een aanwijzing dat het bedrijfsmodel wel het derde kenmerk van vergaande overdekking heeft, en zal daarom in het algemeen volstaan om aan te nemen dat de belanghebbende niet in dit door hem te leveren bewijs is geslaagd.\n\n6. In het arrest van 26 september 2025 (ECLI:NL:HR:2025:1375) heeft de Hoge Raad nader uitgewerkt wanneer sprake is van een bedrijfsmodel dat eruit bestaat dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay (i). Bij optreden op basis van no cure no pay moet worden uitgegaan van afspraken tussen de belanghebbende en de rechtsbijstandverlener op grond waarvan de belanghebbende geen financieel risico loopt bij inschakeling van de rechtsbijstandverlener, omdat geen instapvergoeding verschuldigd is noch een percentage van de bespaarde belasting als vergoeding moet worden afgestaan (zie Kamerstukken II 2023\u002F24, 36 427, nr. 3, blz. 2). Bij de beoordeling van de vraag of het bedrijfsmodel van een beroepsmatig optredende gemachtigde, dan wel een kantoor, eruit bestaat dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay, komt het dus erop aan of die gemachtigde dan wel diens kantoor afspraken maakt met klanten op grond waarvan zij geen financieel risico lopen bij het verstrekken van de opdracht tot het verlenen van rechtsbijstand in een belastingprocedure. De verschuldigdheid van een instapvergoeding staat niet in alle gevallen eraan in de weg dat afspraken met een rechtsbijstandsverlener worden aangemerkt als afspraken op basis van no cure no pay. Onder het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand op basis van no cure no pay wordt namelijk ook begrepen het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand op een grondslag die daarmee in wezen overeenkomt en daarmee dus op één lijn kan worden gesteld. Dan moet worden gedacht aan de betaling van een zodanig laag bedrag dat die betaling als een pro forma of symbolische bijdrage moet worden beschouwd.\n\n7. De rechtbank stelt vast dat de gemachtigde van belanghebbende in deze zaak niet heeft bestreden dat haar bedrijfsmodel het hiervoor onder (ii) vermelde kenmerk heeft.\n\n8. Belanghebbende bestrijdt dat het bedrijfsmodel van zijn gemachtigde ten tijde van het instellen van bezwaar (en beroep) eruit bestaat dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay (i). Hiertoe heeft de gemachtigde verwezen naar een beschrijving van zijn bedrijfsmodel (“Verdienmodel WOZ kwadraat B.V.”). Volgens die beschrijving werd aan alle cliënten (50 tot 80 per jaar) in 2025 een “opstartvergoeding” van € 73,- exclusief omzetbelasting (inclusief omzetbelasting: € 76,23), alsmede, voor zover van toepassing, een percentage van maximaal 25% van de belastingverlaging (zowel ten aanzien van lokale- als landelijke heffingen) in rekening gebracht.\n\n9. Op 30 april 2026 heeft de gemachtigde de met zijn cliënten, waarvan de zaken op de onderhavige zitting worden behandeld, gesloten overeenkomsten overgelegd. Daarin is zowel een “opstartvergoeding” als een vergoeding voor het belastingvoordeel opgenomen. Dat die vergoedingen daadwerkelijk aan zijn cliënten zijn gefactureerd, blijkt volgens de gemachtigde uit de eveneens op 30 april 2026 ingezonden facturen. Op zitting heeft de gemachtigde de betaalbewijzen van de gefactureerde vergoedingen overgelegd.\n\n10. De gemachtigde heeft toegelicht waarom in de zaak met zaaknummer ROE 25 \u002F 1001, die ook op de zitting van 15 mei 2026 is behandeld, een factuur en een betaalbewijs ontbreken. Volgens de gemachtigde heeft de belanghebbende in die zaak door een misverstand zelf het griffierecht betaald en is daarom afgesproken dat de vergoedingen achteraf worden gefactureerd.\n\n11. De heffingsambtenaar heeft zich op het standpunt gesteld dat het op 30 april 2026 door de gemachtigde van belanghebbende indienen van overeenkomsten en facturen, die dateren uit april \u002F mei 2025, in strijd is met een goede procesorde. De rechtbank overweegt dat partijen in beginsel vrij zijn om gedurende de procedure hun standpunten aan te vullen. Die vrijheid wordt echter begrensd door de beginselen van de goede procesorde. Hoewel de overeenkomsten en de facturen eerder hadden kunnen worden overgelegd, ziet de rechtbank, mede nu deze de onderbouwing van een eerder ingenomen standpunt vormen, een reactie zijn op het verweerschrift en er op het moment van indiening nog twee weken tot aan de zitting resteerden, hierin geen grond om die stukken vanwege strijd met een goede procesorde buiten beschouwing te laten. De heffingsambtenaar moet geacht worden om hierop adequaat te kunnen reageren. De hierna in twee zaken (ROE 26 \u002F 42 en ROE 26 \u002F 43), die ook op de zitting van 15 mei 2026 zijn behandeld, op 1 mei 2026 ingediende nadere stukken, alsmede de inhoudelijke reactie van de heffingsambtenaar op de stukken in de pleitnota bevestigen dit oordeel.\n\n12. Redenen om de door de gemachtigde van belanghebbende op zitting overgelegde (zeven) betaalbewijzen vanwege strijd met een goede procesorde niet in haar beoordeling te betrekken, acht de rechtbank evenmin aanwezig. De betaalbewijzen zijn beperkt van omvang, komen nagenoeg overeen met de overgelegde overeenkomsten en facturen en bovendien is de heffingsambtenaar, na op zitting de gelegenheid te hebben gekregen om van de betaalbewijzen kennis te nemen, in staat gebleken om hierop adequaat te reageren.\n\n13. De rechtbank stelt voorop dat voor haar de facturen en de betaalbewijzen leidend zijn voor de beoordeling van de vraag of kenmerk (i) op de gemachtigde van belanghebbende van toepassing is. Naar het oordeel van de rechtbank zijn (alleen) die stukken, en niet (ook) de overeenkomst, de website (op 22 januari 2025 en 24 februari 2025) en de algemene voorwaarden van de gemachtigde (op 11 januari 2025), waarvan gesteld is dat die op dat moment nog niet in overeenstemming met het gewijzigde bedrijfsmodel waren gebracht, relevant voor de vraag of sprake is van een bedrijfsmodel op basis van no cure no pay.\n\n14. De rechtbank is van oordeel dat met voldoende gegevens is onderbouwd dat de gemachtigde in 2025 aan haar cliënten (voor zover van toepassing) een “besparingsfee” (van 25%) en een “opstartvergoeding” (van € 73,- exclusief omzetbelasting) in rekening heeft gebracht. De betaalbewijzen laten zien dat, mits sprake is van een belastingbesparing, de “besparingsfee”, en, ongeacht de uitkomst van een procedure, de “opstartvergoeding” door of namens de cliënten van de gemachtigde zijn betaald. Door het betalen van een “besparingsfee” loopt een belanghebbende bij de inschakeling een gemachtigde voor het voeren van een procedure een financieel risico (zie het hiervoor genoemde arrest van de Hoge Raad van 26 september 2025). Deze door de gemachtigde gevraagde vergoeding (van 25%) acht de rechtbank, nog daargelaten dat de Hoge Raad dat enkel ten aanzien van “instapvergoedingen” heeft geoordeeld, ook niet dusdanig laag dat kan worden gesproken van rechtsbijstandverlening op een grondslag die in wezen overeenkomt met rechtsbijstandverlening op basis van no cure no pay. Op grond van het vorenstaande heeft belanghebbende, naar het oordeel van de rechtbank, buiten redelijke twijfel bewezen dat het bedrijfsmodel van de gemachtigde ten tijde van het instellen van bezwaar niet het kenmerk van optreden op basis van no cure no pay heeft (i).\n\n15. De rechtbank acht, gelet op de door de gemachtigde gegeven toelichting (zie onder 10) en het feit dat in de andere zaken facturering en betaling van de “opstartvergoeding” en de “besparingsfee” heeft plaatsgevonden, aannemelijk dat die vergoedingen, zij het achteraf, ook aan de belanghebbende in de zaak met zaaknummer ROE 25 \u002F 1001 in rekening zullen worden gebracht. De rechtbank ziet hierin dan ook geen aanleiding om anders te oordelen over kenmerk (i).\n\n16. Uit het vorenstaande volgt al dat sprake is van een bijzonder geval en de heffingsambtenaar ten onrechte toepassing heeft gegeven aan artikel 30a, eerste lid, van de Wet woz. Aan een beoordeling van het standpunt van belanghebbende dat ook kenmerk (iii) niet op zijn gemachtigde van toepassing is, wordt daarom niet toegekomen.\n\n17. Dit betekent dat het beroep van belanghebbende gegrond is. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit voor zover dat ziet op de toegekende proceskostenvergoeding en bepaalt met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht de proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase op € 1.332,- (2 x € 666,-).\n\n18. Aan het standpunt van belanghebbende dat aan het bestreden besluit een motiveringsgebrek kleeft, wordt niet toegekomen.\n\n19. Omdat het beroep gegrond is, moet de heffingsambtenaar het griffierecht aan belanghebbende vergoeden.\n\n20. De rechtbank acht termen aanwezig om de heffingsambtenaar te veroordelen in de proceskosten die belanghebbende redelijkerwijs heeft moeten maken in verband met de behandeling van het beroep, een en ander eveneens overeenkomstig de normen van het Besluit proceskosten bestuursrecht. Aan belanghebbende is door een derde beroepsmatig rechtsbijstand verleend. Voor de in aanmerking te nemen proceshandelingen worden 2 punten (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen op zitting met een waarde van € 934,- per punt) toegekend. Partijen zijn het erover eens dat de wegingsfactor op 0,25 moet worden bepaald. Gelet hierop bedraagt het vanwege de in deze zaak verleende rechtsbijstand te vergoeden bedrag in totaal € 467,-.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep gegrond;\n\n- vernietigt het bestreden besluit voor zover dat ziet op de toegekende proceskostenvergoeding, stelt de proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase vast op € 1.332,- en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;\n\n- draagt de heffingsambtenaar op het betaalde griffierecht van € 54,- aan belanghebbende te vergoeden;\n\n- veroordeelt de heffingsambtenaar in de proceskosten van belanghebbende wegens verleende rechtsbijstand in beroep tot een bedrag van € 467,-.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. B.F.A. van Huijgevoort, voorzitter, en mrs. E.P.J. Rutten en J.H. van Hoof leden, in aanwezigheid van mr. D.D.R.H. Lechanteur, griffier.De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 8 juli 2026.\n\ngriffier rechter\n\nAfschrift verzonden aan partijen op: 8 juli 2026.\n\nRechtsmiddel\n\nTegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof ’s-Hertogenbosch (belastingkamer).\n\nU kunt digitaal beroep instellen via www.rechtspraak.nl. Daar klikt u op “Formulieren en inloggen”. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ’s-Hertogenbosch (belastingkamer).\n\nBij het instellen van het hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:\n\n1. bij het hogerberoepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;\n\n2 - het hogerberoepschrift moet, indien het op papier wordt ingediend, ondertekend zijn. Verder moet het ten minste het volgende vermelden:\n\na. de naam en het adres van de indiener;\n\nb. de datum van verzending;\n\nc. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;\n\nd. de redenen waarom u het niet eens bent met de uitspraak (de gronden van het hoger beroep).","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBLIM:2026:6426","ecli-nl-rblim-2026-6426",{"courtName":6,"legalDomain":21,"decisionType":22,"procedureType":23},{"id":40,"ecli":41,"caseNumber":14,"courtId":5,"courtName":14,"decisionDate":42,"fullText":43,"language":7,"source":17,"sourceUrl":44,"summary":14,"slug":45,"metadata":46},"1258","ECLI:NL:RBLIM:2026:6530","2026-07-07T00:00:00.000Z","RECHTBANK LIMBURG\n\nZittingsplaats Roermond\n\nStrafrecht\n\nParketnummers: 03.207417.25; 20.002155.21 (tul); 03.050076.23 (tul); 03.344019.21 (tul)\n\nTegenspraak\n\nVonnis van de meervoudige kamer van 7 juli 2026\n\nin de strafzaak tegen\n\n [Verdachte] ,\n\ngeboren te Sittard-Geleen op [geboorte datum] 2003,\n\nwonende te [woonplaats 1] ,\n\nmomenteel gedetineerd in P.I. te Grave.\n\nDe verdachte wordt bijgestaan door mr. L. van Tiggelen, advocaat kantoorhoudende te Heerlen.\n\n1. Onderzoek van de zaak\n\nDe zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 23 juni 2026. De verdachte en zijn raadsvrouw zijn verschenen. De officier van justitie en de verdediging hebben hun standpunten kenbaar gemaakt.\n\n [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] hebben zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces. [slachtoffer 2] is op zitting verschenen. [slachtoffer 1] is niet op zitting verschenen. Namens de benadeelde partijen is A.C.M. Vaes, werkzaam bij Slachtofferhulp Nederland, op de zitting gehoord. De rechtbank heeft de vorderingen tot schadevergoeding behandeld.\n\n2. De tenlastelegging\n\nDe tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.\n\nDe verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat de verdachte:\n\nFeit 1:zijn levensgezel [slachtoffer 1] heeft mishandeld;\n\nFeit 2:een gouden ketting van [slachtoffer 1] heeft gestolen;\n\nFeit 3:[slachtoffer 3] heeft bedreigd door hem een vouwzaag en\u002Fof mes en\u002Fof scherp voorwerp te tonen (primair)dan wel onder bedreiging met dat voorwerp hem heeft gedwongen een pannenkoek (met ontlasting) te eten(subsidiair);\n\nFeit 4:zijn levensgezel [slachtoffer 2] heeft mishandeld;\n\nFeit 5:[slachtoffer 2] heeft belaagd(primair)dan wel haar auto heeft vernield(subsidiair).\n\n3. De beoordeling van het bewijs3.1. \n\nHet standpunt van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de onder 1, 2, 3 primair, 4 en 5 primair ten laste gelegde feiten.3.2. \n\nHet standpunt van de verdediging\n\nTen aanzien van feit 1 verzoekt de verdediging de verdachte partieel vrij te spreken van het geven van een kopstoot, het dichtknijpen van de keel en het slaan tegen het hoofd van aangeefster [slachtoffer 1] wegens onvoldoende bewijs.\n\nTen aanzien van feit 3 verzoekt de verdediging, indien de rechtbank toekomt aan het subsidiair ten laste gelegde, de verdachte partieel vrij te spreken van het gedeelte ‘met\n\nontlasting’.\n\nTen aanzien van feit 5 verzoekt de verdediging de verdachte partieel vrij te spreken van de primair ten laste gelegde belaging voor in ieder geval de periode tot en met 8 maart 2025, nu in die periode aangeefster [slachtoffer 2] zelf ook heeft bijgedragen aan het in stand houden van het contact. Daarnaast verzoekt de verdediging de verdachte partieel vrij te spreken van de ten laste gelegde vernielingen van de auto(banden) en het raam van aangeefster [slachtoffer 2] wegens onvoldoende bewijs.\n\nVoor het overige en ten aanzien van feit 2 en 4 refereert de verdediging zich aan het oordeel van de rechtbank.3.3. \n\nHet oordeel van de rechtbank\n\nVrijspraak feit 5 (primair en subsidiair)\n\nDe rechtbank overweegt allereerst dat niet kan worden vastgesteld dat het de verdachte is geweest die op verschillende momenten de autobanden van aangeefster lek heeft gestoken en\u002Fof de auto heeft bekrast. De verdachte ontkent deze feiten. De vraag die vervolgens voorligt is of de aangifte voldoende wordt ondersteund door andere bewijsmiddelen in het dossier die niet van dezelfde bron afkomstig zijn. Dat is niet het geval. De camerabeelden die zich in het dossier bevinden zijn niet van dien aard dat de politie daar een herkenning van de verdachte op heeft kunnen doen. Daarnaast kan uit de verkeersgegevens van de telefoon van de verdachte niet met voldoende zekerheid worden vastgesteld dat de verdachte op de momenten dat de vernielingen plaatsvonden daadwerkelijk bij de auto van aangeefster aanwezig was. Weliswaar geldt voor bepaalde momenten dat de telefoon van de verdachte bepaalde masten aanstraalde in de buurt van de woning van aangeefster, maar nu die masten een groot gebied aanstraalt is dat onvoldoende als steunbewijs. Per saldo is dus slechts één bewijsmiddel beschikbaar in de vorm van de aangifte en de daarin door aangeefster genoemde herkenning van de verdachte op de beelden. Daarmee is niet voldaan aan het vereiste bewijsminimum zodat de rechtbank niet bewezen acht dat het de verdachte is geweest die op verschillende momenten de autobanden van aangeefster lek heeft gestoken. Ditzelfde geldt voor het gooien van stenen tegen het raam van aangeefster, zodat de rechtbank dat ook niet bewezen acht.\n\nNaar het oordeel van de rechtbank bevat het dossier voor het overige van de ten laste gelegde gedragingen, te weten het door de straat rijden en veelvuldig contact opnemen met aangeefster door haar berichten te sturen en te bellen, naar aard, duur, frequentie en intensiteit onvoldoende om tot een bewezenverklaring van de voor belaging vereiste stelselmatigheid te komen. Daarbij speelt mee dat gedurende een gedeelte van de tenlastegelegde periode de politie heeft geconstateerd dat ook sprake was van contact dat werd geïnitieerd door aangeefster en dat een groot deel van de berichten die volgens aangeefster door de verdachte zijn verzonden niet objectief aan hem te linken zijn. De rechtbank spreekt de verdachte daarom vrij van het primair ten laste gelegde, alsmede van het subsidiair ten laste gelegde, nu reeds is overwogen dat het lek steken van de autobanden niet wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard.\n\nBewezenverklaring feit 1, 2, 3 (primair) en 4\n\nFeit 1\n\nBewijsmiddelen\n\nIn het proces-verbaal van de aangifte van [slachtoffer 1] van 6 juli 2025staat het volgende gerelateerd:\n\nIk ben woonachtig op de [woonplaats 2] . Op maandag 9 juni 2025 hebben wij elkaar voor het eerst gezien in mijn woning. Deze avond is hij gewoon naar huis gegaan. De volgende dag 10 juni 2025 is hij weer naar mijn woning gekomen en is hij eigenlijk niet meer weg gegaan van af toen. Wij hebben toen officieel een relatie gekregen. De eerste 1,5 week was nog alles \"goed\". Vanaf maandag 23 juni 2025 is het geweld richting mij begonnen, deze maandag hadden wij ruzie gekregen omdat [Verdachte] een airco zou gaan ophalen via marktplaats in Heerlen. In de tijd van maandag 23 juni 2025 tot zondag 29 juni 2025 hebben wij vaker ruzie gehad en heeft hij mij ook meerdere malen met een platte hand geslagen.\n\nZondag 29 juni 2025 kwam ik thuis in mijn woning. Deze zondag heeft hij mij ook fysiek weer mishandeld. Hij heeft mij toen geslagen met een platte hand, geduwd ter hoogte van mijn borst en mijn keel dicht geknepen met één of twee handen. Deze mishandelingen hebben een paar uur geduurd waarbij hij dit meerdere malen heeft gedaan. Ik voelde toen ook pijn aan mijn lichaam van deze mishandelingen.\n\nOp maandag 30 juni heeft hij mij ook met gebalde vuisten geslagen op mijn lichaam ik voelde meteen pijn in mijn lichaam en moest huilen van de pijn, schrik en de angst.\n\nDinsdag 1 juli 2025 was een hele extreme dag qua mishandelingen en hiervan heb ik ook heel veel letsel opgelopen. Rond 12 uur stond ik in de badkamer in mijn woning. [Verdachte] verweet mij dat ik wat verkeerds had gedaan, toen ik vroeg wat ik verkeerd had gedaan voelde ik dat [Verdachte] mij met gebalde rechtervuist zeker vijf keer op de linkerkant van mijn hoofd sloeg. Ik voelde meteen heel veel pijn in mijn hoofd en schreeuwde het uit van de pijn. Hij sloeg mij ook met gebalde rechtervuist op mijn bovenbenen, hier heb ik ook blauwe plekken van. Ook kneep hij mij op dat moment in mijn linker bovenarm, hier heb ik een grote blauwe plek van op mijn arm staan. Ik heb toen heel hard moeten huilen van de pijn. [Verdachte] heeft mij toen aan mijn kleding meegetrokken naar mijn woonkamer. Ik heb toen gezegd dat de politie zou komen naar aanleiding van mijn geschreeuw en dat ik niet meer kon liegen omdat ik helemaal onder de blauwe plekken zat. Hij heeft mij toen nog in mijn onderrug geknepen en getrokken aan mijn vel. Op mijn onderrug heb ik hier ook een blauwe plek van. [Verdachte] wilde toen weg uit de woning en wilde naar de [plaats] gaan om daar in de zon te gaan zitten. Ik mocht van hem niet in mijn eigen woning blijven. Ik ben toen ook met hem richting de [plaats] moeten gaan. Onderweg naar de [plaats] heeft [Verdachte] mij drie keer met een gebalde vuist op mijn rechter bovenarm geslagen waarvan ik een grote blauwe plek heb gekregen. Rond 14.30 uur zijn wij terug naar huis gegaan en heb ik andere kleren aangetrokken om mijn blauwe plekken te verbergen.\n\nWoensdag 2 juli 2025 is [Verdachte] wederom boos geworden op mij, ik weet eigenlijk niet eens meer waarom. Toen ik op de bank in de woonkamer zat zag ik dat [Verdachte] mij sloeg met een slipper op mijn linker hoofd [de rechtbank begrijpt: de linkerkant van mijn hoofd]. Dit is de plek waar hij mij eerder al heeft geslagen met gebalde vuisten en ik nog steeds pijn van ondervind. Ook zag en voelde ik dat hij mij met kracht met zijn rechtervoet met hieraan een slipper ook weer tegen de linkerkant van mijn hoofd trapte. Ik voelde van deze klappen meteen nog meer pijn aan mijn hoofd. Ik zag dat [Verdachte] zijn slippers uit deed en deze verruilde voor zijn werkschoenen met stalen neus. Ik zag dat hij met zijn rechtervoet met kracht tegen mijn linkerbeen schopte. Ook dit deed pijn en hiervan heb ik een blauwe plek op mijn been.\n\nDonderdag 3 juli 2025 kan ik mij niet meer goed herinneren maar ook deze dag hebben er weer mishandelingen plaats gevonden richting mij. Iedere dag hebben er\n\nmishandelingen plaatsgevonden vanaf de vorige zondag.\n\nZaterdag 5 juli 2025 ben ik rond 10 uur opgestaan. De afspraak was dat mijn dochtertje [dochter] deze dag naar mijn ouders zou gaan. [Verdachte] was boos dat mijn ouders nog aan het slapen waren en zij dus nog steeds in de woning was. [Verdachte] is vervolgens op mij afkomen lopen en gaf mij een kopstoot tegen mijn voorhoofd. Ik begon gelijk te schreeuwen van de pijn. Ik zat op dat moment op de bank samen met mijn dochtertje.\n\nWij hebben ons toen klaar gemaakt en zijn met zijn drieën richting mijn ouders gereden. Onderweg kregen wij nog ruzie met elkaar en werd hij wederom boos in de auto op mij. Hij heeft mij hierbij heel hard in mijn rechterbeen geknepen terwijl ik aan het autorijden was. Ik ben toen heel hard op de rem moeten gaan. Ik heb vervolgens keihard geschreeuwd van de pijn.\n\nVandaag 6 juli zijn wij samen opgestaan rond 11 of 12 uur en heb ik eigenlijk gelijk aangegeven aan [Verdachte] dat ik mij niet goed voelde en veel pijn had en dat ik het niet meer wilde op deze manier. Ik zat op dat moment hangend op de bank met mijn kont richting [Verdachte] . Ik voelde dat [Verdachte] met kracht met zijn rechtervoet tegen mijn rechterbil trapte en mij met een platte hand op mijn linkerarm sloeg. Ik voelde meteen pijn aan mijn bil en arm en begon te huilen en te schreeuwen. Ik voelde dat [Verdachte] mij vervolgens met twee handen bij mijn keel pakte en deze dichtkneep. Dit omdat ik stil moest zijn en mij niet moest aanstellen. Dit deed hij een paar, ongeveer vijf, seconden en toen liet hij mijn keel los. Tijdens die vijf seconden kreeg ik geen lucht. Ik ben vervolgens naar de keuken gelopen en ik zag dat [Verdachte] mij achterna kwam gelopen. Ik ben in de keuken op de grond gegooid door [Verdachte] en voelde en zag dat hij mij met gebalde vuisten met kracht op mijn lichaam sloeg. Ik ben vervolgens ineengedoken om mij te verweren tegen deze slagen.\n\nOmstreeks 14.00 uur ben ik opgestaan en ben naar de slaapkamer gelopen en ben op bed gaan huilen. [Verdachte] is mij wederom achterna gelopen en heeft op de slaapkamer het raam gesloten. [Verdachte] is vervolgens toen ik op bed lag op mij gesprongen en heeft mij met twee handen mijn keel dichtgeknepen. Dit dichtknijpen heeft ongeveer 10 of 15 seconden geduurd. Hiervan heb ik ook letsel aan mijn keel. Omdat vandaag mijn dochtertje teruggebracht zou worden door mijn ouders moest ik mij gaan klaar maken van [Verdachte] , want ik moest er normaal uitzien voor mijn ouders. Dit was omstreeks 14.30 uur. Deze mochten niet zien dat ik blauwe plekken of striemen op mijn lichaam had. Ik moest vervolgens van [Verdachte] make-up op mijn striemen in mijn nek smeren om dit te verbergen. Om 15.20 uur zag ik dat mijn ouders met mijn dochtertje [dochter] bij mijn woning stonden. [Verdachte] is vervolgens de deur uitgegaan om boodschappen te doen. Ik heb vervolgens tegen mijn moeder gezegd dat zij de politie moest bellen. Mijn moeder heeft vervolgens meteen de politie gebeld waarna jullie kwamen.\n\nIn het proces-verbaal van bevindingen van 8 juli 2025 (met als bijlage het fotoblad betreffende het letsel van [slachtoffer 1] )staat het volgende gerelateerd:\n\nOp zondag 6 juli 2025, omstreeks 15.40 uur kwamen wij verbalisanten op de [woonplaats 2] , dit betrof een flatgebouw waarbij dochter [slachtoffer 1] woonachtig is op de eerste verdieping. Ik, verbalisant [verbalisant] , zag dat [slachtoffer 1] blauwe plekken had op haar beide benen, armen en rug. Ik hoorde dat [slachtoffer 1] zei dat zij ook striemen in haar nek had, maar dat hier make-up op zat. Ik, verbalisant [verbalisant] , zag dat zij de make-up uit haar nek wegveegde. Ik zag dat er rode striemen aan de linkerkant van haar nek zaten. Al het letsel werd op foto vastgelegd.\n\nIn het proces-verbaal van het verhoor van [getuige 1] van 7 juli 2025staat het volgende gerelateerd:\n\n Ik wens een getuigenverklaring af te leggen in verband met vele ruzies op het adres\n\nvan mijn onderbuurvrouw, [woonplaats 2] . De onderbuurvrouw heeft sinds vier weken een relatie gestart met een manspersoon. Sinds een week of twee geleden kwam de buurvrouw op een zondagmiddag thuis. De buurvrouw kwam toen thuis van een weekend logeren bij haar ouders. Deze zondag werd er flink geschreeuwd in de woning. Ik hoorde de buurvrouw meermaals hard roepen: \"auw laat mij los, ik vind dit niet leuk.\" Ik hoorde de man in de woning continu schreeuwen. Ik hoorde de buurvrouw schreeuwen, alsof zij enorm veel pijn had. Na die zondag spelen de ruzies dagelijks, meerdere momenten op de dag. Ik hoor de\n\nbuurvrouw zo vaak schreeuwen. Ik hoorde de buurvrouw vaker schreeuwen: \"Mijn kind, mijn kind. Waarom sla je mij zo hard? Je doet mij pijn, laat mij los. Ik heb mijn kind op schoot zitten, ik wil dit niet. Je maakt mij gewoon kapot, ik trek dit niet meer.\"\n\nIk zag dat de buurvrouw vaker in de ochtend het kind naar de school\u002Fopvang bracht. Ik zag dat de buurvrouw sinds haar relatie veelvuldig make-up op deed, dit zag ik\n\nnormaal nooit bij de buurvrouw. Ik zag dat de buurvrouw ten tijde van de relatie niet lekker in haar vel zat. Ik zag dat de buurvrouw nooit vrolijk was, zodra zij met kind naar buiten liep. Ik zag dat de buurvrouw een stille indruk maakte met haar houding en mimiek. Normaal was de buurvrouw veel vrolijker, zeker voor deze relatie plaatsvond. Ik zag dat de buurvrouw sinds de relatie krom liep. Ik zag dat de buurvrouw voorover liep, hier kreeg ik een vreemd gevoel van.\n\nIn het proces-verbaal van het verhoor van [getuige 2] van 7 juli 2025staat het volgende gerelateerd:\n\nMijn moeder is woonachtig op de [woonplaats 3] . Ik ben hier in de weekenden, in de avonden en ’s morgens vroeg. In de tijd dat ze hier woont, een jaar, heb ik nooit een jongen over de vloer gezien, vooral vriendinnen, tot vier weken terug ongeveer. Op het begin hoorde ik veel gelach tussen de twee en leek het een leuke en gezellig relatie. Na ongeveer anderhalve week ging het van lachen naar huilen. Dit werd met de dag steeds erger. Ik hoor meerdere keren dat er een klap werd gegeven en hierop hoorde ik [slachtoffer 1] : \"Auw!\" roepen.\n\nOok hoor ik op het moment dat de vriend [slachtoffer 1] slaat en [slachtoffer 1] hierop schreeuwt van de pijn, dat de vriend begint te lachen.\n\nErgens in de derde week van hun relatie stond ik te roken op het balkon. Haar\n\nwoonkamer raam stond open en ligt schuin onder mijn balkon, hierdoor kon ik\n\nmeeluisteren wat ze bespraken in de woonkamer van [slachtoffer 1] . Ik hoorde [slachtoffer 1] zich\n\nafvragen waarom het nu zo slecht gaat in de relatie en dat het op het begin ook goed\n\nging. Hierop hoorde ik twee klappen die gegeven werden. Vervolgens hoorde ik dat [slachtoffer 1] iets wilde zeggen en hierop een zware klap kreeg. Ik hoorde dat [slachtoffer 1] haar zin niet kon afmaken en de lucht uit haar geperst werd. Vervolgens werd het raam van de woonkamer dichtgemaakt waardoor ik niks meer hoorde.\n\nDe verdachte verklaarde tijdens de terechtzitting van 23 juni 2026als volgt:\n\nHet klopt dat ik [slachtoffer 1] vaker heb geslagen en geknepen.\n\nOverweging\n\nDe verdachte heeft bekend [slachtoffer 1] meermaals te hebben geslagen en geknepen. De rechtbank acht echter ook wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte [slachtoffer 1] heeft geschopt, haar een kopstoot heeft gegeven en dat hij tweemaal haar keel heeft dichtgeknepen. De verbalisanten die op 6 juli 2025 ter plaatse komen, zien bij [slachtoffer 1] blauwe plekken op haar beide benen, armen en rug en rode striemen aan de linkerkant van haar nek. Getuige [getuige 2] , de buurman van [slachtoffer 1] , verklaart tevens dat hij tijdens een ruzie tussen [slachtoffer 1] en de verdachte hoorde dat zij haar zin niet kon afmaken en lucht uit haar geperst werd. Daarnaast verklaren de buren [getuige 1] en [getuige 2] dat zij na ongeveer anderhalve week sinds de verdachte in beeld is klappen, geschreeuw van de verdachte en geschreeuw van pijn horen. Getuige [getuige 1] verklaart ook dat [slachtoffer 1] sindsdien veel make-up draagt en een ongelukkige houding aanneemt. De incidenten en gedragsveranderingen die de buren waarnemen, komen hierin ook overeen met de verklaring van [slachtoffer 1] . [slachtoffer 1] verklaart immers zelf dat na anderhalve week de relatie veranderde en zij make-up op deed ter verbloeming van haar letsel.\n\nDe rechtbank passeert op grond van bovenstaande dan ook de gedeeltelijke ontkenning van de verdachte en acht de verklaring van [slachtoffer 1] in zijn geheel betrouwbaar. De verklaring van aangeefster vindt steun in de bevindingen van de verbalisanten, maar ook in de waarnemingen van de getuigenverklaringen omtrent de ruzies, incidenten en gedragsveranderingen.\n\nFeit 2\n\nAangezien de verdachte het ten laste gelegde feit heeft bekend en door of namens hem geen vrijspraak is bepleit, volstaat de rechtbank, met toepassing van artikel 359, derde lid, laatste volzin van het Wetboek van Strafvordering (Sv), met een opsomming van de bewijsmiddelen:\n\nde bekennende verklaring van de verdachte, afgelegd ter terechtzitting van 23 juni 2026;\n\nhet proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 1] van 15 juli 2025.\n\nFeit 3 (primair)\n\nAangezien de verdachte het ten laste gelegde feit heeft bekend en door of namens hem geen vrijspraak is bepleit, volstaat de rechtbank, met toepassing van artikel 359, derde lid, laatste volzin van het Wetboek van Strafvordering (Sv), met een opsomming van de bewijsmiddelen:\n\nde bekennende verklaring van de verdachte, afgelegd ter terechtzitting van 23 juni 2026;\n\nhet proces-verbaal van bevindingen van 3 april 2026;\n\n- het proces-verbaal van bevindingen van 15 juli 2025.\n\nDe rechtbank spreekt de verdachte partieel vrij van de ten laste gelegde periode van 10 juni 2025 tot en met 18 juni 2025 en van 24 juli 2025 tot en met 6 juli 2025. De video waarop te zien is dat de verdachte [slachtoffer 3] bedreigt, is opgenomen in de woning van [slachtoffer 1] . Zij heeft verklaard dat de verdachte in het weekend van 21 juni 2025 alleen in haar woning is geweest en dat zij op 19 juni 2025 nog pannenkoeken in de koelkast had gezet voor hem. Dit maakt dat het niet anders kan dan dat de bedreiging in de periode van 19 juni 2025 tot en met 23 juni 2025 heeft plaatsgevonden. [slachtoffer 1] verklaart immers ook dat zij na terugkomst van het weekendverblijf bij haar ouders samen de betreffende video bekeken hebben.\n\nDe verdediging heeft daarnaast verzocht ‘met ontlasting’ uit te strepen. De rechtbank komt in het kader van de bewijsvraag echter niet toe aan de vraag of de pannenkoek met of zonder ontlasting door [slachtoffer 3] werd gegeten, omdat deze vraag enkel aan de orde is bij het subsidiair ten laste gelegde en zij het primair ten laste gelegde bewezen acht.\n\nFeit 4\n\nAangezien de verdachte het ten laste gelegde feit heeft bekend en door of namens hem geen vrijspraak is bepleit, volstaat de rechtbank, met toepassing van artikel 359, derde lid, laatste volzin van het Wetboek van Strafvordering (Sv), met een opsomming van de bewijsmiddelen:\n\nde bekennende verklaring van de verdachte, afgelegd ter terechtzitting van 23 juni 2026;\n\nhet proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 2] van 16 november 2024 (in samenhang bezien met het bijbehorende fotoblad).3.4. \n\nDe bewezenverklaring\n\nDe rechtbank acht bewezen dat de verdachte\n\nFeit 1\n\nop meerdere tijdstippen in de periode van 23 juni 2025 tot en met 6 juli 2025 te [woonplaats 2] [slachtoffer 1] , heeft mishandeld, door\n\n- die [slachtoffer 1] meermalen tegen het hoofd en het lichaam te slaan en te schoppen,\n\n- meermalen in de arm en rug van die [slachtoffer 1] te knijpen,\n\n- die [slachtoffer 1] een kopstoot te geven en\n\n- door meermalen de keel van die [slachtoffer 1] dicht te knijpen,\n\nterwijl verdachte dit misdrijf beging tegen zijn levensgezel;\n\nFeit 2\n\nin de periode van 1 juli 2025 tot en met 5 juli 2025 te [woonplaats 2] een gouden ketting die aan [slachtoffer 1] toebehoorde, heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;\n\nFeit 3 (primair)\n\nin de periode van 19 juni 2025 tot en met 23 juni 2025 te [woonplaats 2] [slachtoffer 3] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en\u002Fof met zware mishandeling, door die [slachtoffer 3] een vouwzaag of mes te tonen;\n\nFeit 4\n\nop 16 november 2024 te [woonplaats 4] [slachtoffer 2] heeft mishandeld, door die [slachtoffer 2] een kopstoot te geven, terwijl verdachte dit misdrijf beging tegen zijn levensgezel.\n\nDe rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. De verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.\n\n4. De strafbaarheid van het bewezenverklaarde\n\nHet bewezenverklaarde levert de volgende strafbare feiten op:\n\nFeit 1\n\nmishandeling, begaan tegen zijn levensgezel, meermalen gepleegd\n\nFeit 2\n\ndiefstal\n\nFeit 3 primair\n\nbedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht en\u002Fof met zware mishandeling\n\nFeit 4\n\nmishandeling, begaan tegen zijn levensgezel\n\nEr zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.\n\n5. De strafbaarheid van de verdachte\n\nDe verdachte is strafbaar, omdat geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.\n\n6. De straf en de maatregel6.1. \n\nDe vordering van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft op grond van hetgeen zij bewezen heeft geacht, gevorderd aan de verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden met aftrek van het voorarrest en daarnaast de maatregel van terbeschikkingstelling met dwangverpleging. Tevens dient de gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel (GVM) te worden opgelegd.6.2. \n\nHet standpunt van de verdediging\n\nDe verdediging heeft verzocht een gedeeltelijk voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen waarvan het onvoorwaardelijke deel gelijk is aan het reeds ondergane voorarrest. Aan het voorwaardelijk op te leggen deel kan, naast ambulante behandeling en begeleiding bij zijn problemen, een contact- en locatieverbod worden opgelegd. Oplegging van een tbs-maatregel of GVM is volgens de verdediging niet opportuun en disproportioneel.6.3. \n\nHet oordeel van de rechtbank\n\nBij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.\n\nErnst van de feiten\n\nDe verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het mishandelen van [slachtoffer 2] die destijds zijn levensgezel was. Hij heeft haar een kopstoot gegeven midden op een openbare parkeerplaats waar meerdere mensen getuige van zijn geweest. [slachtoffer 2] schaamde zich daarvoor en voelde zich daarnaast onveilig en bang. Ook heeft de verdachte [slachtoffer 1] mishandeld, die na [slachtoffer 2] zijn levensgezel werd. De verdachte heeft [slachtoffer 1] geslagen, geknepen, geschopt, haar een kopstoot gegeven en tweemaal haar keel dichtgeknepen. Vaak deed de verdachte dit in aanwezigheid van het dochtertje van destijds drie jaar oud.\n\nHuiselijk geweld is een van de meest ingrijpende vormen van geweld: het vindt plaats binnen de privésfeer, waar iemand zich veilig zou moeten voelen. Het is algemeen bekend dat huiselijk geweld een bijzonder destructieve vorm van geweld is, waarvan de gevolgen jarenlang kunnen doorwerken in het leven van het slachtoffer en diepe psychische sporen kunnen achterlaten. Het tast het gevoel van eigenwaarde aan, leidt tot gevoelens van angst en wantrouwen en veroorzaakt niet zelden sociaal isolement. Dat de feiten psychisch grote indruk hebben gemaakt op de slachtoffers bleek ook ter zitting uit de slachtofferverklaring van [slachtoffer 1] en uit de toelichting op de vorderingen tot schadevergoeding.\n\nOok is in zeer korte tijd het geweld dat de verdachte gebruikte geïntensiveerd, hetgeen de rechtbank ernstige zorgen baart. In het dossier ziet de rechtbank een patroon van toenemende agressie en verlies van controle. De rechtbank vreest hierdoor voor verdere escalatie met mogelijk fatale gevolgen. In dit kader wijst de rechtbank op het reële risico voor femicide: geweld gepleegd door een (ex-)partner tegen een vrouw dat leidt tot de dood. Dit vormt een groot maatschappelijk probleem en het zijn zeer ernstige feiten die de samenleving in ernstige mate schokken en waarbij veelvuldig blijkt hoe moeilijk het is vrouwen en meisjes hiertegen te beschermen. In dit geval zijn er meerdere risicofactoren aanwezig: het escalerende fysieke geweld (waaronder de keel dichtknijpen van [slachtoffer 1] ), het controlerende gedrag, de jaloezie en de bedreiging. Uit de verklaringen van de slachtoffers in deze zaak, [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] blijkt dat zij allemaal heel erg bang zijn voor de verdachte en daadwerkelijk vrezen voor wat de verdachte hen zou kunnen aandoen.\n\nNaast het huiselijk geweld heeft de verdachte [slachtoffer 3] bedreigd en dit gefilmd. Hij droeg daarbij een bivakmuts en bedreigde hem met een zaag\u002Fmes. De verdachte heeft [slachtoffer 3] daarmee gedwongen een pannenkoek op te eten. De rechtbank gaat er daarbij vanuit dat deze pannenkoek besmeurd was met poep van de verdachte, nu [slachtoffer 1] verklaard heeft dat de verdachte dat tegen haar heeft gezegd en zij geen enkel belang had om dit te verzinnen ten overstaan van de politie. Deze omstandigheid past ook bij de verklaring van de verdachte ter zitting dat hij, nadat van hem in het verleden een vernederend filmpje is gemaakt, ook een keer wilde ervaren hoe het is om een vernederend filmpje te maken van iemand anders. Het dwingen van het eten van een pannenkoek met ontlasting is buitengewoon vies, vernederend en respectloos en dit handelen miskent de menselijke waardigheid op ernstige wijze. Dit heeft diepe angst en walging veroorzaakt bij het slachtoffer. Dat blijkt ook uit de enorme angst die [slachtoffer 3] nog steeds heeft voor de verdachte als de politie hem komt bevragen over wat er precies gebeurd zou zijn.\n\nTot slot heeft de verdachte een gouden ketting van [slachtoffer 1] gestolen. Een ketting die emotionele waarde had, omdat de 3-jarige dochter van [slachtoffer 1] die van een tante van haar uit Italië had gekregen. De verdachte heeft laten zien geen respect te hebben voor andermans eigendom. Hij heeft deze stiekem verkocht, terwijl [slachtoffer 1] in de auto op hem aan het wachten was.\n\nDe rechtbank acht het van groot belang om dergelijke feiten zoals begaan door de verdachte krachtig te veroordelen, mede ter bescherming van (potentiële) slachtoffers en ter voorkoming van verdere escalatie.\n\nStrafblad\n\nDe rechtbank heeft acht geslagen op het strafblad van de verdachte van 3 juni 2026, waaruit blijkt dat hij meerdere keren met justitie in aanraking is geweest en is veroordeeld, onder andere voor mishandeling, brandstichting en het voorhanden hebben van een wapen. Eerdere veroordelingen en opgelegde straffen hebben de verdachte er kennelijk niet van kunnen weerhouden zich opnieuw schuldig te maken aan soortgelijke feiten.\n\nDeskundigenrapportages\n\nVerder heeft de rechtbank acht geslagen op de Pro Justitia-rapportage van de psychiater [psychiater 1] , onder supervisie van psychiater [psychiater 2] , en van klinisch psycholoog [psycholoog] , klinisch psycholoog, opgesteld op 9 maart 2026. De verdachte heeft te kennen gegeven niet te zullen meewerken aan een NIFP-onderzoek en hij heeft ook niet meegewerkt aan het onderzoek in het Pieter Baan Centrum (PBC). Hij ging met zowel de psychiaters, de\n\npsycholoog als de milieuonderzoeker niet (inhoudelijk) in gesprek. De verdachte liet zich wel zien op de verblijfafdeling van het PBC, zodat op basis van deze informatie en enkele referenten, een rapport is opgesteld.\n\nUit de PBC-rapportage blijkt dat er bij de verdachte op 5-jarige leeftijd ontwikkelingsstoornissen, autisme en ADHD zijn vastgesteld, waarna gedurende de levensloop werd gezien dat de verdachte telkens weer in de problemen komt, met name in interpersoonlijke relaties. Dit heeft geleid tot problemen op alle levensgebieden.\n\nUit de beschikbare informatie komt niet naar voren dat er periodes zijn geweest waarin hij gezond en stabiel functioneerde en ook nu is daar geen sprake van. Inmiddels kan gesproken worden van een duurzaam patroon van afwijkend gedrag. Zo is sprake van problemen in aandacht en concentratie, korte-termijn-denken en gerichtheid op directe behoeftebevrediging, problemen in de frustratietolerantie en de emotie-, impuls- en\n\nagressieregulatie (leidend tot verbale en fysieke agressie), instrumentele, bewust ingezette\n\nagressie vanuit opportunisme (waaronder ook afdwingen en dreigen), zich niet houden aan\n\nafspraken, regels en wetten, grensoverschrijdend en provocerend gedrag, vernederend\n\ngedrag met soms een sadistische kleuring, gebrekkige empathische vermogens en gebrekkige\n\ngewetensfuncties. Door deze functionele problemen overschrijdt hij grenzen van anderen,\n\nkomt hij voortdurend in conflict met anderen en roept hij agressie over zichzelf af. De deskundigen vragen zich af of en in hoeverre hij in staat is om zijn gedrag op anderen af te\n\nstemmen en rekening te houden met mensen in zijn omgeving.\n\nDe psychiaters komen tot de classificatie van een ongespecificeerde persoonlijkheidsstoornis (volgens DSM-5-TR) en de psycholoog tot de meer algemene classificatie van een ongespecificeerde psychische stoornis (DSM-5-TR). De deskundigen concluderen hoe dan ook dat sprake is van chronische, complexe en ernstige psychiatrische problematiek, en zien dezelfde forensisch relevante functiebeperkingen. Het is mogelijk dat andere comorbide diagnoses (zoals de in de jeugd vastgestelde stoornissen) ook aan deze functiebeperkingen ten grondslag liggen. De psychiaters zien gezien het chronische patroon van maladaptieve gedragingen in ieder geval genoeg grond voor het classificeren van een persoonlijkheidsstoornis in algemene zin, naast eventuele comorbide (ontwikkelings)pathologie. De deskundigen benadrukken dat het slechts om een verschil in classificatie gaat en dat er overeenstemming bestaat over dat sprake is van chronische, complexe en ernstige psychiatrische problematiek. Ze stellen dat de psychische stoornis chronisch is en derhalve aanwezig was ten tijde van het plegen van de feiten.\n\nHet is de deskundigen onduidelijk gebleven, betrekking hebbende op feit 1, 2 en 4, hoe en onder welke omstandigheden de feiten zich hebben afgespeeld. Ze kunnen derhalve niet inschatten of en in hoeverre de verdachte beperkt was in zijn wilsvrijheid en kunnen daarom geen advies geven over de toerekenbaarheid bij deze feiten. De kans dat de psychische stoornis helemaal niet heeft doorgewerkt in deze feiten achten zij echter onwaarschijnlijk. Betreffende de diefstal van de gouden ketting komen uit het onderzoek geen aanwijzingen naar voren die aanleiding geven om de verdachte dit feit minder of niet toe te rekenen.\n\nOp basis van de gestandaardiseerde risicotaxatie concluderen de deskundigen dat er een hoge kans op recidive van gewelddadig gedrag bestaat. Als risicofactoren komen in ieder geval naar voren: eerder gewelddadig en overig antisociaal gedrag; een historie van problemen binnen intieme en niet-intieme relaties; problemen in het arbeidsverleden en mogelijk ook met middelengebruik (cannabis); affectieve, gedragsmatige en cognitieve instabiliteit; instabiele levensomstandigheden en gebrekkige respons op toezicht\u002F behandeling. Verdere beschermende factoren lijken niet aanwezig te zijn, met name doordat de verdachte tot nog toe geen pro-sociaal leven heeft opgebouwd.\n\nDoor de hiervoor besproken beperkingen van het onderzoek konden de deskundigen geen gericht advies geven over een behandeling die de kans op recidive zou kunnen verminderen. Zij hebben om die reden ook geen advies gegeven over binnen welk juridisch kader een eventuele behandeling zou moeten plaatsvinden.\n\nHet openbaar ministerie heeft voorts de reclassering verzocht te adviseren over de (on)mogelijkheden voor het opleggen van een tbs-maatregel met voorwaarden. Uit het reclasseringsrapport van 5 juni 2023 volgt dat de verdachte ook bij de reclassering terughoudend is in gesprekken. De reclassering adviseert daarom en gelet op zijn verleden en zijn wens tot autonomie negatief over het opleggen van (tbs met) voorwaarden. Wel adviseert de reclassering een GVM op te leggen. De reclassering schat het risico op recidive, net als de psychiaters en de psycholoog, hoog in.\n\nGetuige-deskundigen [psychiater 2] , psychiater en werkzaam bij het PBC, en [getuige-deskundige] , werkzaam bij Reclassering Nederland, zijn ter zitting gehoord en hebben aangegeven bij hun conclusies uit hun rapporten te blijven.\n\nDe rechtbank neemt de bevindingen en conclusies van de deskundigen over en maakt die tot de hare.\n\nDe op te leggen maatregel\n\nGezien de vastgestelde stoornis bij de verdachte, het chronische karakter daarvan en het hoge recidiverisico is de rechtbank van oordeel dat het noodzakelijk is dat de verdachte behandeld en begeleid zal worden ter voorkoming van nieuw strafbaar gedrag. Daarbij ligt allereerst de vraag voor of deze behandeling plaats kan vinden in een ambulant kader, zoals een toezicht in de vorm van bijzondere voorwaarden bij een voorwaardelijk strafdeel. Dit kader is naar het oordeel van de rechtbank volstrekt ontoereikend, omdat bij het niet meewerken en vervolgens uitzitten van het voorwaardelijk strafdeel, het gevolg is dat de verdachte onbehandeld weer terug de maatschappij in kan keren, met alle risico’s van dien.\n\nTen aanzien van de mogelijkheid van een tbs-maatregel met voorwaarden overweegt de rechtbank dat dit een intensieve inzet en medewerking van de verdachte vereist. Gelet op de gebrekkige medewerking aan het deskundigenonderzoek, de complexe problematiek wat betreft zijn stoornissen en de problematiek in contact met anderen, ziet de rechtbank niet in hoe de verdachte zich zou kunnen conformeren aan voorwaarden. Van de verdachte zou in een dergelijk kader verwacht worden dat hij gedurende een langere periode blijk geeft van een consistente bereidheid om aan behandeling, begeleiding en risicobeperking mee te werken. De verdachte heeft een dergelijke duurzame en intensieve inspanning tot op heden niet laten zien. Dat hij ter terechtzitting een meer bereidwillige houding heeft aangenomen, maakt dat niet anders, gelet op het gebrek aan inzicht in zijn beperkingen.\n\nDe officier van justitie heeft om diezelfde redenen een tbs-maatregel met dwangverpleging geëist.\n\nDe rechtbank stelt allereest vast dat de verdachte pertinent heeft geweigerd om mee te werken aan alle rapportages over zijn geestvermogens. De rechtbank acht zich, ook gezien hetgeen is opgenomen in artikel 37a, vierde lid, Sr, voldoende voorgelicht op basis van voornoemde rapportages.\n\nDe rechtbank stelt vast dat, ondanks de weigering van de verdachte om mee te werken aan het onderzoek naar zijn geestvermogens, aan de formele eisen voor oplegging van een tbs-maatregel met dwangverpleging is voldaan.\n\nZoals hiervoor reeds overwogen is er bij de verdachte immers sprake van een tijdens het begaan van de feiten aanwezige ziekelijke stoornis van de geestvermogens. De deskundigen benadrukken daarbij dat sprake is van complexe en ernstige psychiatrische problematiek, dat deze chronisch is en ook al aanwezig was ten tijde van de bewezenverklaarde feiten. Daarmee is aan het vereiste van artikel 37a lid 1 sub 1 Sr voldaan.\n\nDe rechtbank stelt daarnaast vast dat de maatregel zal worden opgelegd voor misdrijven waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaar of meer is gesteld, namelijk de mishandeling van [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] , die ten tijde van het plegen van die mishandeling zijn levensgezel waren. De bewezenverklaarde bedreiging betreft een specifiek beschreven misdrijf in sub 2 van artikel 37a lid 1 Sr. Daarmee is aan het vereiste van artikel 37a lid 1 sub 2 Sr voldaan.\n\nDe rechtbank stelt daarnaast op basis van de rapporten van de deskundigen vast dat sprake is van een hoog recidiverisico.\n\nDe rechtbank deelt het standpunt van de raadsvrouw dat de tbs-maatregel met dwangverpleging een zware maatregel is, maar toch acht zij de tbs-maatregel met dwangverpleging in dit geval proportioneel gezien de ernst van de delicten en het hoge recidiverisico met het risico op escalatie indien de onderliggende psychiatrische problematiek van de verdachte onbehandeld zal blijven. Daarbij wijst de rechtbank ook op de chronische aard van die problematiek, leidend tot problemen op alle leefgebieden van de verdachte. De rechtbank ziet tevens een gedragspatroon waarin geweld, naar in dit geval zijn partners, in zeer korte tijd ernstig is toegenomen. De rechtbank heeft ten aanzien hiervan al aangestipt dat zij gezien deze dynamiek vreest voor een verdere escalatie met mogelijk fatale gevolgen. De rechtbank ziet met andere woorden een reëel risico op femicide. Tevens ziet de rechtbank dat de verdachte zonder een goede aanleiding en vrij willekeurig ernstig gewelddadig gedrag naar andere mensen vertoont, hetgeen de rechtbank ernstige zorgen baart voor de toekomst. Het is naar het oordeel van de rechtbank niet uit te leggen als de verdachte onbehandeld terug zou mogen keren in de maatschappij met alle hiervoor beschreven risico’s van dien.\n\nGezien het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de veiligheid van anderen, dan wel de algemene veiligheid van personen, de maatregel van terbeschikkingstelling vereist en de rechtbank zal deze dan ook opleggen, waarbij de rechtbank voorts zal bevelen dat de verdachte van overheidswege zal worden verpleegd.\n\nDe maatregel wordt opgelegd wegens misdrijven die zijn gericht tegen of gevaar veroorzaken voor de onaantastbaarheid van het lichaam van personen in de zin van artikel 38e Sr, zodat de duur van de terbeschikkingstelling niet op voorhand is gemaximeerd.\n\nDe rechtbank ziet geen aanleiding om een gedragsbeïnvloedende- en vrijheidsbeperkende maatregel als bedoeld in artikel 38z Sr aan de verdachte op te leggen, nu zij reeds overgaat tot oplegging van een niet gemaximeerde tbs-maatregel met dwangverpleging. Onvoldoende duidelijk is waarom de in artikel 38z maatregel bij deze verdachte aanvullend zou moeten worden opgelegd. Om diezelfde reden gaat de rechtbank ook niet over tot het opleggen van een contact- en locatieverbod als bedoeld in artikel 38v Sr.\n\nDe op te leggen straf\n\nDe rechtbank is van oordeel dat niet kan worden volstaan met het opleggen van enkel een terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging. Naast de maatregel zal de rechtbank daarom, gelet op de ernst van het feit, in verband met een juiste normhandhaving, ook een gevangenisstraf opleggen. De rechtbank acht uit een oogpunt van vergelding en ter beveiliging van de maatschappij vrijheidsbeneming op zijn plaats en acht daarom een gevangenisstraf van 9 maanden, met aftrek van de tijd die de verdachte reeds in voorarrest heeft doorgebracht, passend en geboden. De rechtbank komt tot een lagere gevangenisstraf dan de officier van justitie heeft geëist, nu zij de verdachte vrijspreekt van het onder 5 tenlastegelegde feit.\n\nDe verdachte verblijft tijdens de gevangenisstraf in een penitentiaire inrichting, totdat de verdachte in aanmerking komt voor een programma dat de verdachte helpt terug te keren in de maatschappij (penitentiair programma).\n\n7. De benadeelde partijen en de schadevergoedingsmaatregel7.1. \n\nDe vordering van de benadeelde partij\n\nDe benadeelde partij [slachtoffer 1] vordert een schadevergoeding van € 1.518,57, bestaande uit € 18,57 aan materiële schade en € 1.500,- aan immateriële schade ter zake van feit 1 en 2.\n\nDe benadeelde partij [slachtoffer 2] vordert een schadevergoeding van € 8.845,58, bestaande uit € 7.345,58 aan materiële schade en € 1.500,- aan immateriële schade ter zake van feit 4 en 5.\n\nDe benadeelden hebben verzocht om vermeerdering van het toe te wijzen bedrag met de wettelijke rente en om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.7.2. \n\nHet standpunt van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft geconcludeerd tot gehele toewijzing van beide vorderingen. De vorderingen dienen te worden vermeerderd met de wettelijke rente en toegewezen te worden met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.7.3. \n\nHet standpunt van de verdediging\n\nTen aanzien van de vordering van [slachtoffer 1] heeft de verdediging zich betreffende het materiële deel gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank en betreffende het immateriële deel verzocht het bedrag te matigen tot € 750,-. Het verzoek tot matiging vloeit mede voort uit het verzoek om partiële vrijspraak voor het letsel aan het hoofd van [slachtoffer 1] .\n\nTen aanzien van de vordering van [slachtoffer 2] heeft de verdediging zich primair op het standpunt gesteld dat de benadeelde niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, nu deze vordering pas op zitting is aangebracht. Subsidiair verzoekt de verdediging betreffende de materiële schade deze af te wijzen gelet op de bepleitte partiële vrijspraak, en meer subsidiair verzoekt de verdediging het gevorderde schadebedrag te matigen, omdat deze in te ver verwijderd verband staan tot de gedragingen van de verdachte. Betreffende de immateriële schade verzoekt de verdediging rekening te houden met het feit dat er wederzijds contact is geweest tijdens een bepaalde periode van de tenlastelegging. De verdediging verzoekt daarom het gevorderde schadebedrag te matigen.7.4. \n\nHet oordeel van de rechtbank\n\nBenadeelde partij [slachtoffer 1]\n\nDoor de benadeelde wordt een bedrag van € 18,57 gevorderd aan reiskosten. De kostenpost is voldoende onderbouwd en door de verdediging niet weersproken, zodat de rechtbank dit deel van de vordering toewijst.\n\nDaarnaast wordt door de benadeelde een bedrag van € 1.500,- gevorderd aan immateriële schade. Artikel 6:106 BW geeft een limitatieve opsomming van gevallen waarin de wet recht geeft op vergoeding van immateriële schade als gevolg van onrechtmatig handelen. Een van die gevallen is wanneer sprake is van een aantasting in de persoon door het oplopen van lichamelijk letsel (sub b). Daar is in het onderhavige geval sprake van. Dat de benadeelde als gevolg van het handelen van de verdachte lichamelijk letsel heeft opgelopen is voldoende onderbouwd en komt in het dossier ook evident naar voren. De benadeelde is in korte tijd zeer intensief door de verdachte mishandeld, vaak in het bijzin van haar dochtertje. Zij liet de verdachte op goed vertrouwen in haar woning verblijven, maar de verdachte heeft dit vertrouwen beschadigt. De benadeelde heeft lange tijd psychische gevolgen hiervan ondervonden en is nog steeds bezig met de verwerking.\n\nDe rechtbank heeft voor het toe te wijzen bedrag rekening gehouden met de vergoedingen die in soortgelijke zaken worden toegekend en acht het gevorderde bedrag van € 1.500,- billijk en zal dit toewijzen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 6 juli 2025 tot de dag van volledige betaling.\n\nOm te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed, zal de rechtbank daarnaast de schadevergoedingsmaatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen.\n\nBenadeelde partij D. [slachtoffer 2]\n\nNu aan de vordering betreffende de materiële schade een feitencomplex ten grondslag ligt waarvoor de verdachte niet zal worden veroordeeld, zal de rechtbank de benadeelde niet-ontvankelijk verklaren in dat deel van de vordering.\n\nOp grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting stelt de rechtbank vast dat de benadeelde partij rechtstreeks immateriële schade heeft geleden door het onder 4 bewezenverklaarde feit. Zij heeft hierdoor immers letsel opgelopen, zodat aan haar een vergoeding toekomt op basis van artikel 6:106 sub b BW. De benadeelde had meteen pijn na de kopstoot, liep een bloedneus op en kreeg daarna zichtbare blauwe plekken op haar gezicht. Benadeelde is hier erg van geschrokken en werd erg angstig na het incident. De verdachte heeft met zijn handelen haar gevoel van veiligheid aangetast.\n\nDe rechtbank acht, gelet op vergelijkbare zaken, een bedrag van € 500,- billijk en zal dit toewijzen, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente vanaf 16 november 2024 tot de dag van volledige betaling. Voor het overige zal de rechtbank de benadeelde niet-ontvankelijk verklaren in haar vordering.8. De vorderingen tenuitvoerlegging\n\nDe vordering tot tenuitvoerlegging met parketnummer 20.002155.21\n\nBij arrest van 14 december 2022 heeft het gerechtshof ‘s Hertogenbosch de verdachte onder meer veroordeeld tot een jeugddetentie voor de duur van 1 maand voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.\n\nDe vordering tot tenuitvoerlegging met parketnummer 03.050076.23\n\nBij vonnis van 10 juli 2023 heeft de rechtbank Limburg de verdachte veroordeeld tot onder meer een werkstraf van 160 uren, waarvan 60 uren voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar en een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van 6 maanden met een proeftijd van 2 jaar.\n\nDe vordering tot tenuitvoerlegging met parketnummer 03.344019.21\n\nBij vonnis van 24 juli 2023 heeft de rechtbank Limburg de verdachte veroordeeld tot onder meer een werkstraf van 30 uren voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar.8.1. \n\nHet oordeel van de rechtbank\n\nGebleken is dat de verdachte zich voor het einde van de proeftijden aan strafbare feiten heeft schuldig gemaakt, zoals naar voren komt uit de overige inhoud van dit vonnis. Gelet echter op hetgeen hiervoor is overwogen met betrekking tot de aan de verdachte op te leggen ongemaximeerde tbs-maatregel met dwangverpleging, is de rechtbank van oordeel dat tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde straffen geen strafrechtelijk doel dient. De rechtbank zal de vorderingen tot tenuitvoerlegging afwijzen.\n\n9. Het beslag\n\nVerbeurdverklaring\n\nDe rechtbank zal de inbeslaggenomen zaag met goednummer 1819956 verbeurd verklaren, omdat het onder 3 bewezenverklaarde feit met behulp van dit voorwerp is begaan en deze ten tijde van het begaan van dat feit aan de verdachte toebehoorde.\n\nTeruggave aan de verdachte\n\nVan de twee telefoons, met goednummers 1819940 en 1819942 zal teruggave aan de verdachte worden bevolen, omdat naar het oordeel van de rechtbank het belang van strafvordering zich niet meer verzet tegen de teruggave van deze inbeslaggenomen goederen.\n\n10. De wettelijke voorschriften\n\nDe beslissing berust op de artikelen 33, 33a, 36f, 37a, 37b, 57, 63, 285, 300, 304 en 310 van het Wetboek van Strafrecht.\n\n11. De beslissing\n\nDe rechtbank:\n\nVrijspraak\n\n- spreekt de verdachte vrij van de onder feit 5 primair en subsidiair ten laste gelegde feiten;\n\nBewezenverklaring\n\nverklaart het tenlastegelegde bewezen zoals hierboven onder 3.4 is omschreven;\n\nspreekt de verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;\n\nStrafbaarheid\n\nverklaart dat het bewezenverklaarde de strafbare feiten oplevert zoals hierboven onder 4 is omschreven;\n\nverklaart de verdachte strafbaar;\n\nStraf\n\nveroordeelt de verdachte voor het onder 1, 2, 3 primair en 4 bewezenverklaardetot eengevangenisstraf van 9 maanden;\n\nbeveelt dat de tijd die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van deze gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;\n\nMaatregelen\n\n- gelast dat de verdachte voor het onder 1, 3 primair en 4 bewezenverklaardeter beschikking wordt gestelden beveelt dat hijvan overheidswege wordt verpleegd;\n\nBenadeelde partij [slachtoffer 1] (t.a.v. feit 1 en 2)\n\nwijstde vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partijtoeen veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij, [slachtoffer 1] , van een bedrag van€ 1.518,57, bestaande uit € 18,57 materiële schade en € 1.500,- immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 6 juli 2025 tot aan de dag der algehele voldoening;\n\nveroordeelt verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de proceskosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken;\n\nlegt aan de verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van [slachtoffer 1] , van een bedrag van € 1.518,57, bestaande uit € 18,57 materiële schade en € 1.500,- immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 6 juli 2025 tot aan de dag der algehele voldoening;\n\nbepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 15 dagen. De toepassing van deze gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op;\n\nde verdachte is van zijn schadevergoedingsplicht jegens de benadeelde bevrijd voor zover hij heeft voldaan aan een van de hem opgelegde verplichtingen tot vergoeding van deze schade;\n\nBenadeelde partij [slachtoffer 2] (t.a.v. feit 4)\n\nwijstde vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partijgedeeltelijk toeen veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij, [slachtoffer 2] , van een bedrag van€ 500,-, bestaande uit immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 16 november 2024 tot aan de dag der algehele voldoening;\n\nveroordeelt verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de proceskosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken;\n\nverklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in het overige van de vordering;\n\nlegt aan de verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van [slachtoffer 2] van een bedrag van € 500,-, bestaande uit immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 16 november 2024 tot aan de dag der algehele voldoening;\n\nbepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 5 dagen. De toepassing van deze gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op;\n\nde verdachte is van zijn schadevergoedingsplicht jegens de benadeelde bevrijd voor zover hij heeft voldaan aan een van de hem opgelegde verplichtingen tot vergoeding van deze schade;\n\nVorderingen tot tenuitvoerlegging\n\n- wijst afde vordering met parketnummer 20.002155.21 van de officier van justitie van 14 december 2022;\n\n- wijst afde vordering met parketnummer 03.050076.23 van de officier van justitie van 10 juli 2023;\n\n- wijst afde vordering met parketnummer 03.344019.21 van de officier van justitie 24 juli 2023;\n\nBeslag\n\n- verklaart verbeurdde volgende in beslag genomen voorwerpen:\n\n1 STK Zaag, goednummer 1819956;\n\n- gelast de teruggavevan het volgende in beslag genomen voorwerpaan de verdachte:\n\n1 STK GSM, goednummer 1819940;\n\n1 STK GSM, goednummer 1819942.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. K. Mestrom, voorzitter, mr. L. Bastiaans en mr. Y.R.S. Piekhaar, rechters, in tegenwoordigheid van mr. D.R.C. Custers, griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 7 juli 2026.\n\nBuiten staat\n\nMr. Y.R.S. Piekhaar en de griffier zijn niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.\n\nBIJLAGE I: De tenlastelegging\n\nAan de verdachte is ten laste gelegd dat\n\nFeit 1\n\nhij op een of meerdere tijdstippen in of omstreeks de periode van 23 juni 2025 tot en met 06 juli 2025 te [woonplaats 2] , gemeente Kerkrade [slachtoffer 1] , heeft mishandeld, door\n\n- die [slachtoffer 1] meermalen, althans eenmaal, tegen het hoofd en\u002Fof het lichaam te slaan en\u002Fof te schoppen,\n\n- meermalen, althans eenmaal, in de arm en\u002Fof rug van die [slachtoffer 1] te knijpen,\n\n- die [slachtoffer 1] een kopstoot te geven en\u002Fof\n\n- door meermalen, althans eenmaal, (in) de keel\u002Fnek van die [slachtoffer 1] (dicht) te knijpen,\n\nterwijl verdachte dit misdrijf beging tegen zijn levensgezel;\n\nFeit 2\n\nhij in of omstreeks de periode van 1 juli 2025 tot en met 5 juli 2025 te [woonplaats 2] en\u002Fof Heerlen een gouden ketting, in elk geval enig goed, dat\u002Fdie geheel of ten dele aan [slachtoffer 1] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;\n\nFeit 3\n\nhij in of omstreeks de periode van 10 juni 2025 tot en met 6 juli 2025 te [woonplaats 2]\n\n [slachtoffer 3] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en\u002Fof met zware mishandeling, door die [slachtoffer 3] een vouwzaag en\u002Fof mes en\u002Fof scherp voorwerp te tonen;\n\nsubsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:\n\nhij in of omstreeks de periode van 10 juni 2025 tot en met 6 juli 2025 te [woonplaats 2] , een ander, te weten [slachtoffer 3] , door geweld of enige andere feitelijkheid en\u002Fof door bedreiging met geweld of enige andere feitelijkheid gericht tegen die ander wederrechtelijk heeft gedwongen iets te doen, niet te doen en\u002Fof te dulden, door die [slachtoffer 3] een vouwzaag en\u002Fof mes en\u002Fof scherp voorwerp te tonen en\u002Fof die [slachtoffer 3] onder bedreiging met een vouwzaag en\u002Fof mes en\u002Fof scherp voorwerp, terwijl hij, verdachte, een bivakmuts droeg te dwingen een pannenkoek, in elk geval enig voedsel (met ontlasting) te eten;\n\nFeit 4\n\nhij op of omstreeks 16 november 2024 te Brunssum [slachtoffer 2] , heeft mishandeld, door die [slachtoffer 2] een kopstoot te geven, terwijl verdachte dit misdrijf beging tegen zijn levensgezel;\n\nFeit 5\n\nhij op één of meerdere tijdstippen in of omstreeks de periode van 26 januari 2025 tot en met 22 maart 2025 te Brunssum en\u002Fof Vijlen, althans in Nederland, wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op eens anders persoonlijke levenssfeer, te weten die van [slachtoffer 2] , door meermalen, althans eenmaal\n\n- autobanden van de auto van die [slachtoffer 2] lek te steken en\u002Fof de auto van die [slachtoffer 2] te bekrassen,\n\n- een steen tegen het raam van de woning van die [slachtoffer 2] te gooien,\n\n- door de straat van die [slachtoffer 2] te rijden,\n\n- die [slachtoffer 2] (veelvuldig) berichten te sturen via Snapchat, Whatsapp, iMessage, e-mail en\u002Fof Instagram en\u002Fof\n\n- die [slachtoffer 2] te (video)bellen,\n\nmet het oogmerk die [slachtoffer 2] , te dwingen iets te doen, niet te doen, te dulden en\u002Fof vrees aan te jagen;\n\nsubsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:\n\nhij op één of meerdere tijdstippen in of omstreeks de periode van 26 januari 2025 tot en met 22 maart 2025 te Brunssum en\u002Fof Vijlen, meermalen, althans eenmaal, opzettelijk en wederrechtelijk (autobanden van) een auto, in elk geval enig goed, dat\u002Fdie geheel of ten dele aan een ander, te weten aan [slachtoffer 2] , toebehoorde heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt en\u002Fof weggemaakt.\n\n Waar hierna wordt verwezen naar paginanummers, wordt - tenzij anders vermeld - gedoeld op paginanummers uit het proces-verbaal van politie Eenheid Limburg, proces-verbaalnummer PL2421-2025112779, gesloten op 25 augustus 2025, doorgenummerd van pagina 1 tot en met pagina 168.\n\n Het proces-verbaal van de aangifte van [slachtoffer 1] van 6 juli 2025, pagina 11 tot en met 15.\n\n Het proces-verbaal van het verhoor van bevindingen van 8 juli 2025, pagina 21 tot en met 28 en 39.\n\n Het proces-verbaal van het verhoor van [getuige 1] van 7 juli 2025, pagina 41 en 42.\n\n Het proces-verbaal van het verhoor van [getuige 1] van 7 juli 2025, pagina 48 en 49.\n\n Waar hierna wordt verwezen naar paginanummers, wordt - tenzij anders vermeld - gedoeld op paginanummers uit het proces-verbaal van politie Eenheid Limburg, proces-verbaalnummer PL2421-2025112779, gesloten op 25 augustus 2025, doorgenummerd van pagina 1 tot en met pagina 168.\n\n Het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 1] van 15 juli 2025, pagina 96, 97 en 100.\n\n Waar hierna wordt verwezen naar paginanummers, wordt - tenzij anders vermeld - gedoeld op paginanummers uit het proces-verbaal van politie Eenheid Limburg, proces-verbaalnummer PL2421-2025112779, gesloten op 25 augustus 2025, doorgenummerd van pagina 1 tot en met pagina 168.\n\n Het proces-verbaal van bevindingen van 3 april 2026, pagina 5, 6 en 9 tot en met 20 van het aanvullend proces-verbaal.\n\n Het proces-verbaal van bevindingen van 15 juli 2025, pagina 83 tot en met 85.\n\n Waar hierna wordt verwezen naar paginanummers, wordt - tenzij anders vermeld - gedoeld op paginanummers uit het proces-verbaal van politie Eenheid Limburg, proces-verbaalnummer PL2421-2025112779, gesloten op 29 augustus 2025, doorgenummerd van pagina 1 tot en met pagina 316.\n\n Het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 2] van 16 november 2024, pagina 240 en 249.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBLIM:2026:6530","ecli-nl-rblim-2026-6530",{"courtName":6,"legalDomain":31,"decisionType":22,"procedureType":23},{"id":48,"ecli":49,"caseNumber":14,"courtId":5,"courtName":14,"decisionDate":42,"fullText":50,"language":7,"source":17,"sourceUrl":51,"summary":14,"slug":52,"metadata":53},"1259","ECLI:NL:RBLIM:2026:6579","RECHTBANK LIMBURG\n\nZittingsplaats Roermond\n\nStrafrecht\n\nParketnummers: 03.122499.25, 03.222572.24 (ttz.gev.)\n\ntegenspraak\n\nVonnis van de meervoudige strafkamer van 7 juli 2026\n\nin de strafzaak tegen\n\n [verdachte]\n\ngeboren te Venlo op [geboorte datum] 2005,\n\nthans gedetineerd in P.I. Sittard te Sittard.\n\nDe verdachte wordt bijgestaan door mr. T.J.N. Hameleers, advocaat kantoorhoudende te Roermond.\n\n1. Onderzoek van de zaak\n\nDe zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 23 juni 2026. De verdachte en zijn raadsman zijn verschenen. De officier van justitie en de verdediging hebben hun standpunten kenbaar gemaakt.\n\nin de zaak met parketnummer 03.122499.25\n\nDe nabestaanden [nabestaande 1] en [nabestaande 2] hebben zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces. Namens hen is mr. P.G.J.M. Boonen gehoord. De nabestaanden [nabestaande 3] en [nabestaande 4] hebben zich ook als benadeelde partij gevoegd in het strafproces. Namens hen is mr. F.E.L. Teerling gehoord. De rechtbank heeft de vorderingen tot schadevergoeding behandeld. Tevens hebben [nabestaande 1] , [nabestaande 2] en [nabestaande 4] het spreekrecht uitgeoefend.\n\nin de zaak met parketnummer 03.222572.24\n\n [benadeelde partij] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces. Hij is niet verschenen. De rechtbank heeft de vordering tot schadevergoeding behandeld.\n\n2. De tenlastelegging\n\nDe – gewijzigde – tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.\n\nNa wijziging tenlastelegging komt de verdenking er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat de verdachte:\n\nin de zaak met parketnummer 03.122499.25\n\nop 21 april 2025 in Venlo:\n\nfeit 1:opzettelijk, al dan niet met voorbedachten rade, [slachtoffer] heeft gedood door met een vuurwapen een kogel in zijn (boven)lichaam te schieten;\n\nfeit 2:een vuurwapen en munitie voorhanden heeft gehad;\n\nin de zaak met parketnummer 03.222572.24:\n\nop 29 oktober 2023 in Venlo:\n\nfeit 1:[benadeelde partij] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en\u002Fof met zware mishandeling;\n\nfeit 2:heeft geprobeerd [benadeelde partij] zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, dan wel hem heeft mishandeld, door hem met een theeglas tegen zijn hoofd te slaan.\n\n3. De beoordeling van het bewijs3.1. \n\nHet standpunt van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft zich op het navolgende standpunt gesteld:\n\nin de zaak met parketnummer 03.122499.25\n\nDe officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de onder feit 1 impliciet subsidiair tenlastegelegde doodslag. Hij heeft verwezen naar de melding van het schietincident, het ter plaatse aantreffen van een neergeschoten persoon, zijnde [slachtoffer] (hierna: [slachtoffer] ) de getuigenverklaringen van getuigen [getuige 1] (hierna: [getuige 1] ), [getuige 2] (hierna: [getuige 2] ) en [getuige 3] (hierna: [getuige 3] ), de aanhouding van de verdachte, de bekennende verklaring van de verdachte tijdens het derde politieverhoor, het sectieverslag van de Forensische Opsporing en de camerabeelden.\n\nDe officier van justitie acht niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte heeft gehandeld met voorbedachte raad. Hoewel er aanwijzingen zijn dat de verdachte van plan was iets te gaan doen, zijn er geen aanwijzingen dat de verdachte juist [slachtoffer] iets wilde aandoen. De beslissing om op [slachtoffer] te schieten is op dat moment genomen en moet worden gekwalificeerd als doodslag.\n\nDe verdachte heeft op korte afstand met een pistool op [slachtoffer] geschoten, waarbij deze in zijn hart is getroffen. Het met een vuurwapen op zo’n korte afstand schieten op het lichaam van een persoon is naar zijn uiterlijke verschijningsvorm zo zeer gericht op de dood dat dit niet anders kan worden uitgelegd dan als een bewust handelen gericht op de dood.\n\nHoewel het dossier aanwijzingen geeft dat de verdachte samen met anderen [getuige 3] en aanhang zou treffen, is daarmee nog niet gezegd dat er sprake was van een nauwe en bewuste samenwerking ten aanzien van de uiteindelijke doodslag. Het onderzoek heeft geen duidelijkheid, dan wel invulling over die rol gegeven. Dit dient te leiden tot partiële vrijspraak van het bestanddeel ‘medeplegen’.\n\nDe officier van justitie heeft verder gerekwireerd tot bewezenverklaring van het onder feit 2 tenlastegelegde en heeft daartoe aangevoerd dat het vuurwapen niet is aangetroffen, maar dat uit het dossier blijkt dat het slachtoffer door een afgevuurd 9mm patroon dodelijk is getroffen. Dit patroon was afkomstig uit een wapen dat door de verdachte werd afgevuurd. Ter plaatse is ook een huls en nog een patroon aangetroffen.\n\nin de zaak met parketnummer 03.222572.24\n\nDe officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de onder feit 1 tenlastegelegde bedreiging en de onder feit 2 primair tenlastegelegde poging tot zware mishandeling. Verwezen wordt naar de aangifte van [benadeelde partij] (hierna: [benadeelde partij] ), de foto’s van het letsel, de medische verklaring, de getuigenverklaringen van getuigen [getuige 4] (hierna: [getuige 4] ) en [getuige 5] (hierna: [getuige 5] ) en de (deels) bekennende verklaring van de verdachte. De verdachte heeft [benadeelde partij] met een glas tegen het hoofd geslagen. Uit de stukken valt op te maken dat deze slag met behoorlijke kracht heeft plaats gevonden. Het glas is immers gebroken. Gelet op zijn uiterlijke verschijningsvorm heeft de verdachte de aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel bij [benadeelde partij] bewust aanvaard.3.2. \n\nHet standpunt van de verdediging\n\nDe raadsman heeft het navolgende aangevoerd:\n\nin de zaak met parketnummer 03.122499.25\n\nDe verdediging heeft vrijspraak bepleit van de onder feit 1 tenlastegelegde moord. Bij de verdachte was geen sprake van een vooropgezet plan om [slachtoffer] van het leven te beroven. De onder feit 1 impliciet subsidiair tenlastegelegde doodslag kan wel worden bewezen.\n\nDe verdediging heeft eveneens vrijspraak bepleit van het onder feit 2 tenlastegelegde, omdat niet kan worden vastgesteld dat de verdachte heeft geschoten met een vuurwapen zoals bedoeld in categorie III onder 1 van de Wet wapens en munitie.\n\nin de zaak met parketnummer 03.222572.24\n\nDe verdediging heeft zich gerefereerd ten aanzien van de onder feit 1 tenlastegelegde bedreiging. De verdediging heeft vrijspraak bepleit van de onder feit 2 primair tenlastegelegde poging tot zware mishandeling vanwege een gebrek aan bewijs.\n\nDe verdediging beroept zich ten aanzien van de onder feit 2 subsidiair tenlastegelegde mishandeling op noodweer. De verdachte werd door [benadeelde partij] geslagen, waarop hij hem terugsloeg met de mok nog in zijn hand.\n\n3.3. Het oordeel van de rechtbank3.3.1.. \n\nDe zaak met parketnummer 03.122499.25\n\nInleiding\n\nOp 21 april 2025 omstreeks 17:14 uur ontving de politie een melding van een schietincident op de [plaats delict] te Venlo. De melder had gezien dat een persoon een pistool uit zijn zak pakte en hiermee het slachtoffer neerschoot. De schutter zou zijn gevlucht. Ter plaatse werd het slachtoffer liggend op de grond aangetroffen op de parkeerplaats tussen Bureau Jeugdzorg en de apotheek. Het slachtoffer had een schotwond in zijn borst en hier kwam bloed uit. Korte tijd later is het slachtoffer overleden. De verdachte werd na een intensief opsporingsonderzoek op 23 april 2025 aangehouden. Op 1 mei 2025 heeft de verdachte verklaard dat hij [slachtoffer] heeft doodgeschoten.\n\nFeit 1\n\nVoorbedachte raad\n\nMet de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat uit de bewijsmiddelen niet onomstotelijk blijkt dat de verdachte een vooropgezet plan had om [slachtoffer] van het leven te beroven. De verdachte had met [getuige 3] afgesproken vanwege een langlopend conflict. Op enig moment ziet de verdachte [getuige 3] en [slachtoffer] op zich af komen. [slachtoffer] liep voorop en droeg, zo bleek, een mes bij zich. De verdachte heeft het vuurwapen ter hand genomen en daarmee gericht geschoten. De rechtbank kan niet vaststellen dat er eerder bij de verdachte het plan bestond om juist [slachtoffer] van het leven te beroven. De rechtbank ziet onvoldoende bewijsmiddelen om vast te kunnen stellen dat de verdachte de gelegenheid heeft gehad om na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven. De rechtbank zal de verdachte daarom partieel vrijspreken van het onderdeel ‘voorbedachten rade’.\n\nBewijsmiddelen\n\nDe rechtbank acht de impliciet subsidiair tenlastegelegde doodslag wel wettig en overtuigend bewezen. De rechtbank komt tot bewezenverklaring van dit misdrijf op grond van de inhoud van de volgende bewijsmiddelen. Daarbij zal de rechtbank, nu de verdachte het feit heeft bekend en door of namens hem geen verweer is gevoerd met betrekking tot de impliciet subsidiair aan hem tenlastegelegde doodslag, overeenkomstig het bepaalde in artikel 359, derde lid, laatste volzin, van het Wetboek van Strafvordering volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen, te weten:\n\n- De bekennende verklaring van de verdachte, zoals afgelegd ter terechtzitting;\n\n- De beschrijving van de camerabeelden door de politie;\n\n- Het proces-verbaal forensisch overlijdensonderzoek plaats delict;\n\n- Het rapport forensisch pathologisch onderzoek naar aanleiding van mogelijk niet-natuurlijke aard van overlijden van 9 mei 2025;\n\n- Het proces-verbaal van verhoor medeverdachte [medeverdachte] ;\n\n- Het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 2] .\n\nDe verdachte heeft met een vuurwapen één kogel op [slachtoffer] afgeschoten. Ten gevolge van één doorschot door de romp is [slachtoffer] overleden. Het handelen van verdachte kan redelijkerwijs niet anders worden opgevat dan gericht op het doden van [slachtoffer] .\n\nMedeplegen\n\nHoewel het dossier diverse aanwijzingen bevat voor de betrokkenheid van anderen is de rechtbank van oordeel dat daarmee niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat er sprake was van de voor medeplegen vereiste nauwe en bewuste samenwerking gericht op de dood van [slachtoffer] . De rechtbank zal de verdachte daarom partieel vrijspreken van het onderdeel ‘medeplegen’.\n\nFeit 2\n\nBewijsmiddelen en overwegingen van de rechtbank\n\nDe verdachteheeft ter terechtzitting – zakelijk weergegeven – verklaard:\n\nHet is juist dat ik op 21 april 2025 in Venlo met een vuurwapen op [slachtoffer] heb geschoten. Het vuurwapen was geladen en was schietklaar.\n\nIn het proces-verbaal forensisch overlijdensonderzoek plaats delict [plaats delict] Venlostaat – zakelijk weergegeven – het volgende gerelateerd:\n\nOp 21 april 2025, omstreeks 18:20 uur, kwamen wij, naar aanleiding van een doodslag\u002Fmoord, voor een forensisch onderzoek aan op de locatie [plaats delict] Venlo. De plaats van het incident is gelegen voor de bedrijfspanden [adres 1] Bij de parkeervakken voor perceel [adres 1] te Venlo werden een huls en een patroon aangetroffen. De huls lag, gemeten vanaf de overledene, op een afstand van ongeveer 10 meter en de patroon op een afstand van ongeveer 12 meter. De huls ( [gegevens munitie] ) en de patroon ( [gegevens munitie] ) zijn verpakt in een koker en veiliggesteld.\n\nIn het proces-verbaal uitslag vergelijkend sporenonderzoekstaat – zakelijk weergegeven – het volgende gerelateerd:\n\nMunitie van plaats delict, [plaats delict] te Venlo\n\n [gegevens munitie]\n\n [gegevens munitie]\n\nIk zag dat de kogelpatroon [gegevens munitie] (plaats delict) was voorzien van de\n\nbodemstempel \"W-W 9mm Luger\". De kogel in de patroon was koperkleurig en het\n\nslaghoedje was zilverkleurig. De huls [gegevens munitie] was voorzien van bodemstempel\n\n\"MEN-85-5 9x19\". Het slaghoedje van de huls was roodkleurig.\n\nAlle onderzochte kogelpatronen zijn van de merken Winchester Western (W-W) en Sellier & Bellot (S&B). Alle onderzochte kogelpatronen hebben het kaliber 9 mm Luger. De aangetroffen huls heeft het kaliber 9x19 dat een synoniem is voor het kaliber 9 mm Luger. De huls is van de fabriek Metallwerk Eisenhutte (MEN), waarbij 85 staat voor het jaartal en 5 staat voor lotnummer.\n\nDe rechtbank komt tot een bewezenverklaring van het voorhanden hebben van een vuurwapen in de vorm van een pistool, van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, alsmede van munitie, van categorie III van voormelde wet. De verdachte heeft verklaard dat hij met een vuurwapen op [slachtoffer] heeft geschoten. Het vuurwapen is niet gevonden. Op de plaats delict zijn wel een huls en een patroon aangetroffen. De verdachte heeft verklaard dat hij het wapen in Belfeld in de Maas heeft gegooid. Uit het vergelijkend sporenonderzoek is komen vast te staan dat de huls en het kogelpatroon het kaliber 9mm Luger hebben. Op basis hiervan kan worden vastgesteld dat het daadwerkelijk gaat om een vuurwapen, omdat deze patronen alleen in een vuurwapen kunnen worden geplaatst en afgevuurd.\n\n3.3.2.. \n\nDe zaak met parketnummer 03.222572.24\n\nDe bewijsmiddelen t.a.v. feit 1 en 2\n\n [benadeelde partij]heeftaangiftegedaan en – zakelijk weergegeven – het volgende verklaard:\n\nIk ben werkzaam bij Redos, een woongroep van cliënten met psychische of\n\ngedragsproblematiek. De woongroep is gelegen op de [adres 2] te Venlo. Sinds ongeveer 10 maanden woont [verdachte] ook in een van de studio’s.\n\nBij [adres 2] is ons kantoor gelegen. Op 29 oktober 2023 was ik werkzaam op de groep zoals hierboven beschreven. Omstreeks 09.45 uur kwam mijn collega [getuige 5] binnen. [verdachte] had een bord met een wrap met kaas en een theeglas met melk voor zich op tafel staan. Het is gebruikelijk dat wij als begeleiding de overdracht doen zonder andere cliënten erbij. Daarom verwees ik [verdachte] naar zijn eigen studio om daar verder te gaan eten. Dit accepteerde [verdachte] echter niet. Ik ben tegenover [verdachte] aan tafel gaan zitten. De afstand tussen ons was maximaal 90-100cm. Ik zag dat [verdachte] uit zijn stoel opstond, zijn theeglas vast had in zijn rechterhand en met een soort lompe boerenslag het theeglas tegen de linkerkant van mijn hoofd, ter hoogte van mijn oor, met kracht kapot sloeg. Ik voelde daarbij meteen een flinke pijn aan mijn linkeroor en de zijkant van mijn hoofd. Ik voelde aan mijn linkeroor en zag dat ik bloedde. Ik zag dat [verdachte] een groot vleesmes vastpakte dat op het aanrecht lag. Ik zag dat [verdachte] dreigend met het mes op mij afkwam. Ik hoorde dat [verdachte] daarbij zei: \"Ik steek je neer. Moet ik je eraan rijgen.\" Ik voelde me toen nog meer in het nauw gedreven door [verdachte] . De afstand tussen [verdachte] en mij was ongeveer 1 meter op dat moment.\n\nIk ben naar de SEH van het VieCuri te Venlo gereden om mijn verwondingen te laten verzorgen. Bij de arts van het SEH begreep ik pas dat er glas in mijn oor zat. Dat is verwijderd en uiteindelijk is er een hechting in mijn oor gezet en hebben ze de andere schrammen geplakt. Ik was op dat moment echt bang en ik was er van overtuigd dat [verdachte] meende wat hij zei, dat hij mij zou gaan neersteken.\n\n [getuige 4]is door de politie alsgetuigegehoord. Hij heeft – zakelijk weergegeven – het volgende verklaard:\n\nIk ben zelf woonachtig bij Redos op het adres [adres 2] te Venlo. Op 29 oktober 2023 hoorde ik flink geschreeuw. Ik hoorde dat [verdachte] en [benadeelde partij] naar elkaar aan het schreeuwen waren. Ik zag dat er overal bloed lag, op de grond, op de muren en op de tafel. Ik zag dat er nog iemand van de begeleiding was, dat was [getuige 5] . Op enig moment hoorde ik dat [verdachte] weer begon te schreeuwen en in de richting van [getuige 5] en [benadeelde partij] stormde. Ik hoorde dat [verdachte] zei “Ik steek je dood\". Ik heb [benadeelde partij] uit de situatie gehaald en ik ben met [benadeelde partij] naar het ziekenhuis gegaan.\n\n [getuige 5]is door de politie alsgetuigegehoord. Hij heeft – zakelijk weergegeven – het volgende verklaard:\n\nIk werk ook als begeleider bij Redos, op de locatie [adres 2] te Venlo. Op 29 oktober 2023 rond 9:30 uur kwam ik aan in studio [adres 2] . Ik hoorde toen ik boven aan kwam meteen al dat mijn collega [benadeelde partij] en cliënt [verdachte] flink in discussie waren. Ik hoorde glasgerinkel. Ik liep hierop terug naar de gezamenlijke ruimte en zag overal bloed op de vloer, de tafel de muur, de rechterhand van [verdachte] en het linkeroor van [benadeelde partij] . Op enig moment werd [verdachte] weer heel erg boos. Ik zag dat [verdachte] meteen een groot vleesmes van het aanrecht afpakte, dit in de richting van [benadeelde partij] richtte en ik hoorde dat [verdachte] daarbij zei:\" Ik steek je dood\".\n\nBewijsoverweging feit 1\n\nOp basis van de bovenstaande bewijsmiddelen acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte [benadeelde partij] heeft bedreigd. Uit de aangifte van [benadeelde partij] blijkt dat de verdachte met een mes op [benadeelde partij] richtte en dat [benadeelde partij] vreesde voor zijn leven. De verdachte heeft daaraan de dreigende woorden, namelijk: “Ik steek je neer. Moet ik je eraan rijgen” en “Ik steek je dood”, althans woorden van gelijke strekking toegevoegd. Dit blijkt ook uit de getuigenverklaringen van [getuige 5] en [getuige 4] . Bij [benadeelde partij] kon de redelijke vrees ontstaan dat de verdachte hem iets wilde aandoen, dit temeer nu aan deze bedreiging de slag met het theeglas voorafging.\n\nBewijsoverweging feit 2\n\nUit de bewijsmiddelen volgt dat de verdachte op 29 oktober 2023 in Venlo met een theeglas tegen het hoofd van [benadeelde partij] heeft geslagen, dat daarbij het glas kapotgegaan is en dat [benadeelde partij] hierdoor letsel heeft opgelopen aan zijn oor.\n\nPoging zware mishandeling\n\nDe rechtbank ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld of het opzet van de verdachte ten aanzien van het onder feit 2 primair tenlastegelegde erop gericht was om aan [benadeelde partij] zwaar lichamelijk letsel toe te brengen.\n\nDe rechtbank is van oordeel dat op grond van de inhoud van het dossier niet kan worden vastgesteld dat de verdachte willens en wetens heeft getracht [benadeelde partij] zwaar lichamelijk letsel toe te brengen. De vraag is vervolgens of de verdachte voorwaardelijk opzet op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel heeft gehad. De rechtbank heeft vastgesteld dat de verdachte met een theeglas tegen het hoofd van de verdachte heeft geslagen en dat het theeglas vervolgens kapot is gesprongen. Hierbij is er glas in het oor van [benadeelde partij] terecht gekomen. Dit is zonder meer fors geweld. Aangever heeft verklaard dat het met kracht gebeurde. Het glas is ook kapot gegaan. Door aldus te handelen heeft de verdachte de aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel op de koop toe genomen.\n\n3.4. \n\nDe bewezenverklaring\n\nDe rechtbank acht bewezen dat de verdachte\n\nin de zaak met parketnummer 03.122499.25:\n\nfeit 1:\n\nop 21 april 2025 te Venlo [slachtoffer] opzettelijk van het leven heeft beroofd, door met een vuurwapen een kogel in het bovenlichaam van voornoemde [slachtoffer] te schieten ten gevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden;\n\nfeit 2:\n\nop 21 april 2025 te Venlo een wapen van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een vuurwapen in de vorm van een pistool, en (bijbehorende) munitie van categorie III, voorhanden heeft gehad;\n\nin de zaak met parketnummer 03.222572.24:\n\nfeit 1:\n\nop 29 oktober 2023 te Venlo [benadeelde partij] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en\u002Fof met zware mishandeling, door die [benadeelde partij] dreigend de woorden toe te voegen \"Ik steek je neer\" en\u002Fof \"Ik steek je dood\" en\u002Fof \"moet ik je eraan rijgen\", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking en door daarbij een mes te tonen en door met dit mes dreigend richting die [benadeelde partij] te lopen;\n\nfeit 2 primair:\n\nop 29 oktober 2023 te Venlo, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [benadeelde partij] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, een theeglas tegen het hoofd van die [benadeelde partij] kapot heeft geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.\n\nDe rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. De verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.\n\n4. De kwalificatie\n\nHet bewezenverklaarde levert de volgende strafbare feiten op:\n\nin de zaak met parketnummer 03.122499.25\n\nfeit 1:doodslag;\n\nfeit 2:handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III en handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie;\n\nin de zaak met parketnummer 03.222572.24:\n\nfeit 1:bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht en\u002Fof met zware mishandeling;\n\nfeit 2 primair:poging tot zware mishandeling.5. De strafbaarheid van het bewezenverklaarde5.1. Het standpunt van de verdediging\n\nin de zaak met parketnummer 03.122499.25\n\nDe verdediging stelt zich primair ten aanzien van de doodslag op het standpunt dat de verdachte dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging, omdat hem een beroep op noodweer toekomt. De verdachte werd continu door [getuige 3] bedreigd. [getuige 3] nam het initiatief om af te spreken. De verdachte wilde niet afspreken, maar hem werd eigenlijk geen keuze gelaten. De verdachte werd, aldus de verdediging, geconfronteerd met drie agressieve mannen die op hem af kwamen rennen. Twee mannen ( [getuige 3] en [slachtoffer] ) kwamen van de voorkant en een van opzij. De verdachte werd omsingeld en in het nauw gedreven. De verdachte zag dat [slachtoffer] hevig onder invloed was, dat [slachtoffer] een voorwerp vast had waarvan de verdachte dacht dat het een (vuur)wapen was en dat [slachtoffer] zijn hand omhoog bracht. Dit in combinatie met de eerder naar de verdachte gestuurde doodsbedreigingen en het feit dat er werd geroepen dat ze de verdachte zouden schieten, maakt dat er sprake was van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding. De verdachte heeft hierop gereageerd door eenmaal te schieten. Het schieten was gepast en geboden. Er was voor de verdachte geen reële en redelijke mogelijkheid om zich aan de dreigende aanranding te onttrekken.\n\nin de zaak met parketnummer 03.222572.24\n\nDe verdediging stelt zich ten aanzien van feit 2 primair op het standpunt dat de verdachte moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging, omdat hij zich kan beroepen op noodweer. De verdachte werd door [benadeelde partij] geslagen, waarop hij hem terugsloeg met de mok nog in zijn hand.5.2. Het standpunt van de officier van justitie\n\nin de zaak met parketnummer 03.122499.25\n\nDe officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte geen geslaagd beroep op noodweer toekomt. Er is geen sprake van verdediging. De verdachte heeft zelf de aanval gekozen. Hij is immers op [slachtoffer] afgelopen en heeft vrijwel direct een vuurwapen getrokken en daarmee in een vrijwel vloeiende beweging geschoten. Nu hij zelf de aanval kiest is er geen sprake van een onmiddellijke wederrechtelijke aanranding. Bovendien strandt een beroep op noodweer op de “eigen schuld”. De verdachte heeft immers de confrontatie gezocht of aanvaard waarbij hij een vuurwapen bij zich had. Daarnaast was het handelen van de verdachte niet proportioneel en subsidiair.\n\nin de zaak met parketnummer 03.222572.24\n\nDe officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat geen sprake was van een noodweersituatie. Het beroep op noodweer moet daarom worden verworpen.5.3. Het oordeel van de rechtbank\n\nin de zaak met parketnummer 03.122499.25\n\nDe rechtbank stelt op basis van het dossier en het verhandelde ter zitting het volgende vast. Er was sprake van een langlopend conflict tussen de verdachte en [getuige 3] over onder meer een ondeugdelijke wapen dat [getuige 3] aan de verdachte zou hebben verkocht. Beiden waren bevriend met getuige [getuige 6] , waarbij zij ook in elkaars vaarwater zaten. Ze kwamen elkaar tegen in een milieu waarover de verdachte weinig duidelijkheid wil geven. Op grond van het berichtenverkeer is duidelijk dat ze elkaar bleven opzoeken en uitdagen. Op 21 april 2025 hebben de verdachte en [getuige 3] telefonisch en via whatsapp contact gehad wat erin heeft geresulteerd dat zij hebben afgesproken bij de woning van de verdachte op de [plaats delict] in Venlo. Uit de inhoud van deze berichten leidt de rechtbank af dat [getuige 3] uit was op een confrontatie (Van de zijde van [getuige 3] kwam het bericht: “Wie je wil bellen van Venlo of Blerick, bel wie je wil. Opkankeren met jou, ik ben nu hier”)en dat de verdachte deze confrontatie niet uit de weg ging(“De achterdeur is open voor jullie”). Toen de verdachte samen met [medeverdachte] op de scooter via de [straat 1] de [plaats delict] inreed zag hij [getuige 3] en [slachtoffer] op de hoek bij de Voedselbank staan. De verdachte is toen samen met [medeverdachte] doorgereden naar de hoek van de parkeerplaats ( [plaats delict] , tussen Bureau Jeugdzorg en de apotheek [apotheek] ). De verdachte is dan in het bezit van zijn vuurwapen, dat geladen is, en dat zelfs doorgeladen en direct schietklaar is. Nadat [medeverdachte] enkele korte rondjes in de nabijheid van de verdachte heeft gereden, gebaart de verdachte dat hij weg moet rijden en vraagt hij [medeverdachte] , zo verklaart deze, om verderop te wachten op de verdachte. [medeverdachte] vertrekt dan in de richting van de kruising van de [straat 2] met de [straat 3] . De verdachte blijft, met zijn helm nog op, in de hoek op de stoep achter een boom staan. Vervolgens komen [getuige 3] en [slachtoffer] vanuit de richting van de Voedselbank in de richting van de verdachte lopen, waarbij [slachtoffer] voorop loopt met – op enig moment – een voorwerp in zijn rechterhand. Achteraf blijkt dit een mes te zijn. Op dat moment komt de verdachte achter de boom vandaan, zet een paar stappen in de richting van [slachtoffer] en [getuige 3] , pakt zijn vuurwapen, richt zijn arm(en) naar voren, komt tot stilstand, spreidt zijn benen en schiet op [slachtoffer] . [slachtoffer] maakt op het moment dat de verdachte schiet een opwaartse beweging met zijn rechterarm, loopt drie passen achteruit en valt op de grond waarbij het mes uit zijn rechterhand valt. De verdachte rent daarna weg in de richting van de kruising van de [straat 2] met de [straat 3] , waar [medeverdachte] kort daarvoor uit het zicht van de camera is verdwenen. De door de Forensische Opsporing gemeten afstand tussen de positie van de verdachte op het moment van schieten en de positie van [slachtoffer] bedroeg tussen de 12,25 en 15 meter. Niet exact duidelijk is of daarbij is uitgegaan van de plek waar het lichaam van [slachtoffer] is aangetroffen of de plek waarop [slachtoffer] zich bevond ten tijde van het schieten. Zelfs als van het eerste wordt uitgegaan en rekening houdende met de drie achterwaartse passen, bevond [slachtoffer] zich ten tijde van het schieten op ruime afstand van de verdachte. Tijdens al het vorenstaande is, afgezien van de scooterrijder [medeverdachte] en een verderop voorbijrijdende fietser, tot op het moment waarop de verdachte schiet op [slachtoffer] niemand anders op de beelden te zien dan de verdachte, [slachtoffer] en [getuige 3] .\n\nDe verdachte stelt dat hij heeft geschoten, omdat hij zich moest verdedigen.\n\nVoor een geslaagd beroep op noodweer als bedoeld in artikel 41 van het Wetboek van Strafrecht en de vaste jurisprudentie hierover dient allereerst aannemelijk te zijn dat er sprake is geweest van een noodweersituatie, dat wil zeggen: (een onmiddellijk dreigend gevaar voor) een ogenblikkelijke en wederrechtelijke aanranding waartegen vervolgens noodzakelijke verdediging geboden was.\n\n Gelet op het voorgaande is geen sprake geweest van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding van [slachtoffer] richting de verdachte. Vervolgens is de vraag of op dat moment sprake is geweest van een daartoe onmiddellijk dreigend gevaar. De rechtbank is van oordeel dat daarvan evenmin sprake is geweest. Weliswaar liepen [slachtoffer] en [getuige 3] op de verdachte af waarbij [slachtoffer] een mes in zijn rechterhand had, maar op het moment van schieten bevond [slachtoffer] zich nog op afstand van de verdachte. Daarbij komt dat uit de camerabeelden blijkt dat [slachtoffer] tijdens het lopen zijn arm omlaag hield, geen stekende beweging richting de verdachte heeft gemaakt en pas op het moment dat de verdachte schoot een opwaartse beweging met zijn rechterarm heeft gemaakt. Dat er een derde persoon vanuit de richting van de apotheek op de verdachte is afgekomen waardoor er a. sprake zou zijn van een onmiddellijk dreigend gevaar en er b. geen mogelijkheid zou bestaan om in die richting weg te rennen acht de rechtbank evenmin aannemelijk geworden. Dit vindt geen steun in de camerabeelden. De wel door getuigen [getuige 1] en [getuige 2] genoemde derde persoon, die dus niet op de camerabeelden te zien is, loopt volgens die verklaringen in dezelfde richting als – en in het bijzijn van – [getuige 3] en [slachtoffer] . De rechtbank acht evenmin aannemelijk geworden dat [slachtoffer] heeft geroepen dat ze op de verdachte zouden schieten. Dit vindt geen steun in het dossier. Integendeel. Getuige [getuige 2] verklaart juist dat [getuige 3] en de derde persoon – en niet [slachtoffer] – iets naar de verdachte riepen. Dit rijmt bovendien niet met de eerdere verklaring van de verdachte dat tegen hem zou zijn gezegd: “Als je wat hebt, schiet dan.” Het beroep op noodweer wordt dan ook verworpen.\n\nVoor zover er al sprake zou zijn geweest van een dreigend gevaar, zou het beroep op noodweer falen, omdat niet is voldaan aan de subsidiariteitseis. De verdachte had zich aan de aanranding kunnen en moeten onttrekken. De verdachte had de mogelijkheid om weg te gaan, nu de weg rechts van hem vrij was. Bovendien heeft de verdachte er klaarblijkelijk voor gekozen om niet te roepen dat hij zou schieten, niet te waarschuwen dat hij zou schieten, niet een waarschuwingsschot te lossen en ook niet te richten op een ander deel van het lichaam dan het bovenlichaam, wat stuk voor stuk toe te passen opties zouden kunnen zijn geweest om [slachtoffer] af te remmen of af te schrikken.\n\nin de zaak met parketnummer 03.222572.24\n\nDe rechtbank is van oordeel dat de feiten en omstandigheden die de verdediging aan het verweer ten grondslag heeft gelegd, niet aannemelijk zijn geworden. De stelling dat de verdachte eerst door [benadeelde partij] werd geslagen, waarop hij hem terugsloeg met het theeglas nog in zijn hand, vindt geen steun in ander (objectief) bewijsmateriaal. Het dossier bevat geen getuigenverklaringen of camerabeelden die het gestelde noodweerscenario bevestigen. Nu niet is gebleken van een noodweersituatie waartegen verdediging geboden was, verwerpt de rechtbank reeds hierom het beroep op noodweer.\n\nin beide zaken\n\nEr zijn ook overigens geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.\n\n6. De strafbaarheid van de verdachte6.1. Het standpunt van de verdediging\n\nin de zaak met parketnummer 03.122499.25\n\nDe verdediging stelt zich subsidiair ten aanzien van feit 1 op het standpunt dat de verdachte een beroep op putatief noodweer toekomt. Er is sprake geweest van een situatie waarin de verdachte in redelijkheid kon en mocht menen dat hij zich moest verdedigen, omdat hij zich verontschuldigbaar (het dreigende gevaar voor) een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding heeft ingebeeld, dan wel de aard van de dreiging verkeerd heeft beoordeeld. De verdachte dacht dat [slachtoffer] een vuurwapen bij zich droeg en dat mocht hij ook denken gelet op de eerder gestuurde berichten, hetgeen er geroepen werd en de voorkennis over bij [getuige 3] dat deze over vuurwapens beschikt. Mocht de rechtbank van mening zijn dat de verdachte in zijn verdediging te ver is gegaan, dan stelt de verdediging zich meer subsidiair op het standpunt dat die overschrijding van de proportionaliteit te wijten is aan een hevige gemoedsbeweging bij de verdachte. Daarmee komt aan de verdachte in elk geval een geslaagd beroep op (putatief) noodweerexces toe. De verdachte dient in alle gevallen te worden ontslagen van alle rechtsvervolging.\n\nin de zaak met parketnummer 03.222572.24\n\nDe verdediging stelt zich ten aanzien van feit 2 subsidiair op het standpunt dat de verdachte moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging, omdat hij zich kan beroepen op noodweerexces.6.2. Het standpunt van de officier van justitie\n\nin de zaak met parketnummer 03.122499.25\n\nDe officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte geen geslaagd beroep op putatief noodweer(exces) of noodweerexces toekomt, nu er geen sprake was van een noodweersituatie en van een hevige gemoedstoestand eveneens niets is gebleken.\n\nin de zaak met parketnummer 03.222572.24\n\nDe officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte geen geslaagd beroep op noodweerexces toekomt, nu niet gebleken is dat er sprake was van een noodweersituatie.6.3. Het oordeel van de rechtbank\n\nin de zaak met parketnummer 03.122499.25\n\nNoodweerexces\n\nZoals hiervoor onder 5.3 is overwogen, heeft naar het oordeel van de rechtbank geen noodweersituatie bestaan. In dat oordeel ligt tevens besloten dat de verdachte geen succesvol beroep op noodweerexces toekomt. Bovendien is de rechtbank niets gebleken van een hevige gemoedsbeweging. Op basis van het dossier ontstaat namelijk juist een beeld van de verdachte die met zijn helm op zijn hoofd ogenschijnlijk rustig op [getuige 3] en [slachtoffer] staat te wachten, bij hun nadering zelf kalm op hen afloopt, daarbij zonder aarzeling in een vloeiende beweging het doorgeladen en schietklare vuurwapen pakt, met dat wapen met zijn beide handen aanlegt en richt, zijn benen in een spreidstand positioneert en ten slotte schiet op een moment dat er door [slachtoffer] nog niet met het mes was bewogen. Daarna verdwijnt de verdachte met medeneming van zijn wapen in de richting waarvan hem bekend is dat [medeverdachte] er met zijn scooter op hem staat te wachten en gaat hij met zijn helm op achterop bij [medeverdachte] zitten. Nergens is sprake van paniek. De rechtbank verwerpt dan ook het beroep op noodweerexces.\n\nDe verdediging heeft ter aanvullende onderbouwing van het beroep op noodweerexces nog aangevoerd dat de scooterrijder [medeverdachte] heeft verklaard dat, toen de verdachte bij hem terugkwam, deze er geschrokken uitzag zoals hij hem nog niet eerder had gezien.\n\nNiets wijst er echter op dat deze door [medeverdachte] waargenomen gemoedstoestand ook voorafgaand aan en op het moment van schieten op [slachtoffer] bestond.\n\nPutatief noodweer(exces)\n\nVan putatief noodweer is sprake, wanneer een verdachte verschoonbaar dwaalt over het bestaan van een noodweersituatie. Aannemelijk dient te zijn dat er omstandigheden waren die de verdachte redelijkerwijze aanleiding konden geven te veronderstellen dat hij dreigde te worden aangevallen. De subjectieve ervaring van de verdachte is daarbij niet leidend.\n\nDe verdachte heeft verklaard dat hij dacht dat [slachtoffer] met een vuurwapen op hem afkwam. Dit rijmt evenwel niet met zijn eerdere verklaring en uitlatingen tegenover anderen dat [slachtoffer] hem met een mes wilde steken. De rechtbank verwijst in dit verband voorts naar rechtsoverweging 5.3. Zelfs als de verdachte daadwerkelijk in de veronderstelling verkeerde, hetgeen de rechtbank niet aannemelijk acht, dat [slachtoffer] een vuurwapen in zijn rechterhand had, mocht de verdachte redelijkerwijs niet menen dat hij zich moest verdedigen op de wijze zoals hij heeft gedaan. De verdachte had een ander middel kunnen aanwenden om [slachtoffer] te stoppen door bijvoorbeeld een waarschuwingsschot te lossen. Gelet op het voorgaande kan het beroep op putatief noodweer niet slagen.\n\nIn dit oordeel van de rechtbank ligt tevens besloten dat de verdachte geen beroep op putatief noodweerexces toekomt. De rechtbank verwerpt daarom ook het beroep op putatief noodweerexces.\n\nin de zaak met parketnummer 03.222572.24\n\nZoals hiervoor onder 5.3 is overwogen heeft naar het oordeel van de rechtbank geen noodweersituatie bestaan. In dat oordeel ligt tevens besloten dat de verdachte geen succesvol beroep op noodweerexces toekomt. De rechtbank verwerpt dan ook het beroep op noodweerexces.\n\nConclusie\n\nDe verdachte is strafbaar, omdat geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.\n\n7. De straf7.1. \n\nDe vordering van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft, gelet op hetgeen hij bewezen heeft geacht, gevorderd aan de verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van 13 jaren, met aftrek van het voorarrest. De officier van justitie weegt daarbij het strafblad, het meenemen van een vuurwapen en de locatie en het tijdstip van het schietincident in strafverzwarende zin mee.7.2. \n\nHet standpunt van de verdediging\n\nDe verdediging heeft bepleit om bij een strafoplegging rekening te houden met de bijzondere omstandigheden van het geval en de mate van geweld die vanuit de kant van [getuige 3] kwam en te volstaan met een gevangenisstraf voor de duur van hooguit 5 jaren.7.3. \n\nHet oordeel van de rechtbank\n\nBij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.\n\nDe verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan vier strafbare feiten. Het zwaartepunt van die feiten ligt uiteraard bij de doodslag op [slachtoffer] . De verdachte is op klaarlichte dag in een woonwijk nabij het centrum van Venlo bewust de confrontatie aangegaan en is met een doorgeladen vuurwapen naar de afgesproken locatie gegaan. Aanleiding voor deze confrontatie was een langlopend conflict tussen de verdachte en de schoonbroer van het slachtoffer, [getuige 3] . Toen [slachtoffer] en [getuige 3] op de verdachte af kwamen lopen heeft de verdachte doelgericht op [slachtoffer] geschoten, die als gevolg van een doorschot door de romp kansloos was en ter plaatse is overleden. De verdachte heeft zich hiermee schuldig gemaakt aan één van de ernstigste delicten uit het Wetboek van Strafrecht en heeft het slachtoffer diens meest fundamentele recht, het recht op leven, ontnomen. De verdachte is gevlucht en heeft zich schuilgehouden tot zijn arrestatie. Hij heeft bekend geschoten te hebben, maar dit uit zelfverdediging, hetgeen de vraag oproept in hoeverre hij verantwoordelijkheid neemt voor zijn handelen. Het behoeft geen betoog dat de verdachte met zijn handelen een onomkeerbaar verlies teweeg heeft gebracht en de nabestaanden van [slachtoffer] groot leed heeft aangedaan. Het leed van de nabestaanden blijkt ook uit de op de terechtzitting voorgelezen slachtofferverklaringen. Hierin weerklinkt het grote gemis en verdriet dat het handelen van de verdachte bij de naasten heeft teweeggebracht. De jonge dochters van het slachtoffer hebben indringend verwoord dat ze nooit meer voor advies of om gewoon te praten bij hun vader terecht zullen kunnen, waarmee de verdachte ook in hun leven iets kapot heeft gemaakt. Naast het leed en verdriet bij de nabestaanden heeft het handelen van de verdachte ook grote gevoelens van onveiligheid en onrust met zich gebracht voor de buurt en de samenleving als geheel. Met zijn handelswijze heeft de verdachte ook omstanders die hiervan ongewild getuige waren, schrik en angst aangejaagd.\n\nDe verdachte, toen 20 jaar, inmiddels 21 jaar, heeft [slachtoffer] , een vader van 50 jaar, doodgeschoten. De verdachte heeft zich daarmee tevens schuldig gemaakt aan het voorhanden hebben van een vuurwapen en munitie.\n\nIn strafverzwarende zin neemt de rechtbank voorts in overweging dat de verdachte andere jongere mannen in zijn spoor heeft meegenomen en hen daarmee heeft beschadigd; anderen hebben met aanhouding en detentie te maken gehad, gelet op hetgeen de verdachte teweeg heeft gebracht. Bovendien heeft de verdachte, blijkens de nadien beluisterde telefoongesprekken, anderen bewogen om de scooter of telefoons weg te gooien, waarmee hij hen verder betrok in mogelijk strafbaar handelen.\n\nVanaf het moment dat de verdachte verklaarde over de gebeurtenissen in de [plaats delict] , heeft hij zich erop beroepen dat [getuige 7] hem van rechts naderde waardoor hij niet kon vluchten, en dat [getuige 3] en [slachtoffer] met een mes op hem af kwamen gerend. Echter, op de camerabeelden is te zien dat ze liepen, ze renden niet. Naderhand heeft de verdachte verklaard dat hij niet zeker wist of [getuige 7] hem de vlucht belette. Mogelijk ging het toch om een onbekend iemand. Met zijn – wisselende – verklaringen heeft de verdachte wellicht getracht omstandigheden aan te voeren die zijn gedrag enigszins acceptabel maken. Dat is het echter op geen enkele manier.\n\nDe rechtbank weegt mee dat het feit zich op klaarlichte dag heeft afgespeeld in een woonwijk nabij het centrum van Venlo en dat de verdachte zich kennelijk niets heeft aangetrokken van dit gevaar voor derden.\n\nNaast de feiten van 21 april 2025 heeft de verdachte een bedreiging en een poging tot zware mishandeling van een begeleider gepleegd. Ook bij dit feit stelt de verdachte slechts te handelen als reactie op de actie van de ander. Dit is een miskenning van zijn onvermogen de situatie zonder geweld op te lossen. De rechtbank rekent dit alles de verdachte zwaar aan.\n\nDe rechtbank houdt er rekening mee dat het schietincident heeft plaatsgevonden vanwege een hoogoplopend conflict tussen de verdachte en [getuige 3] waarbij [getuige 3] evenzeer ernstige bedreigingen richting de verdachte heeft geuit en ook [getuige 3] de confrontatie heeft gezocht. Dit conflict is [getuige 3] zwager fataal geworden.\n\nTen aanzien van de persoon van de verdachte heeft de rechtbank acht geslagen op het strafblad van de verdachte van 2 juni 2026. Hieruit blijkt dat de verdachte eerder is veroordeeld voor een geweldsdelict. De rechtbank leidt ook daaruit af dat de verdachte geweld niet schuwt.\n\nDe rechtbank heeft tevens acht geslagen op de jeugdige leeftijd van de verdachte.\n\nDe rechtbank heeft kennisgenomen van het reclasseringsadvies van 19 juni 2026. Daaruit blijkt dat de verdachte al vanaf jonge leeftijd problemen ervaart en veroorzaakt. Hij is daarvoor in behandeling geweest en begeleid. De reclassering adviseert om het volwassenstrafrecht toe te passen en om nu een straf zonder bijzondere voorwaarden op te leggen. De verdachte heeft stellig aangegeven niet open te staan voor reclasserings(interventies) en bijzondere voorwaarden. De reclassering ziet gezien de houding van de verdachte en de beperkte openheid die hij heeft gegeven op de leefgebieden vooralsnog geen mogelijkheden om met interventies of toezicht de risico’s te beperken. De rechtbank neemt dit advies over.\n\nHoewel de rechtbank de door de officier van justitie aangehaalde strafverzwarende omstandigheden aldus deelt, komt zij desondanks tot een lagere strafoplegging dan geëist. Dit is er in gelegen dat de rechtbank de omstandigheden anders weegt in het bepalen van de hoogte van de straf en daarbij nadrukkelijk gewicht toekent aan de rol van [getuige 3] .\n\nAlles afwegende is de rechtbank van oordeel dat geen andere straf passend is dan een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van lange duur. De rechtbank heeft gekeken naar de straffen die doorgaans in vergelijkbare zaken voor doodslag worden opgelegd, te weten een gevangenisstraf tussen de acht en twaalf jaren. Uitgaande van die bandbreedte, de LOVS-oriëntatiepunten en met inachtneming van het bovenstaande acht de rechtbank een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van elf jaren met aftrek van het voorarrest geboden.\n\nTenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 van de Penitentiaire beginselenwet of tot het moment dat de regeling van voorwaardelijke invrijheidsstelling aan de orde is, als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering.\n\nGelet op de door de raadsman ten aanzien van de doodslag gevoerde verweren tot rechtvaardiging dan wel tot strafuitsluiting heeft hij opheffing van het bevel voorlopige hechtenis verzocht. Gelet op de verwerping van al die verweren en gelet op de door de rechtbank hierna te nemen beslissing zal de rechtbank het bevel voorlopige hechtenis niet opheffen.8. De benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel8.1. \n\nDe vordering van de benadeelde partij\n\nDe volgende benadeelde partijen hebben zich in het strafproces gevoegd en een vordering tot schadevergoeding ingediend:\n\nin de zaak met parketnummer 03.122499.25\n\n [nabestaande 1] , de partner van het slachtoffer, vordert een schadevergoeding van € 43.566,26 bestaande uit € 20.000,00 wegens affectieschade, € 20.000,00 wegens schokschade, € 2.900,01 wegens kosten lijkbezorging en € 666,25 wegens kosten behandeling (eigen risico);\n\n [dochter 1] , de minderjarige dochter van het slachtoffer, vertegenwoordigd door haar wettelijk vertegenwoordiger mevrouw [nabestaande 1] , vordert een schadevergoeding van € 22.700,00 bestaande uit € 20.000,00 wegens affectieschade en € 2.700,00 wegens gederfd levensonderhoud;\n\n [dochter 2] , de meerderjarige dochter van het slachtoffer, vordert een schadevergoeding van € 17.500,00 wegens affectieschade;\n\n [zoon] , de meerderjarige zoon van het slachtoffer, vordert een schadevergoeding van € 20.000,00 wegens affectieschade en € 17,80 wegens kosten uittreksel geboorteregister.\n\nAlle benadeelde partijen vorderen bovendien de wettelijke rente over de gevorderde bedragen en verzoeken de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.\n\nin de zaak met parketnummer 03.222572.24\n\nDe heer [benadeelde partij] heeft het schadevergoedingsverzoek-formulier ingediend, maar heeft geen bedrag aan schade gevorderd.8.2. Het standpunt van de officier van justitie\n\nin de zaak met parketnummer 03.122499.25\n\nDe officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de door de partner gevorderde affectieschade kan worden toegewezen tot een bedrag van € 17.500,00 en de overige door de partner gevorderde bedragen volledig kunnen worden toegewezen. Hij heeft zich verder op het standpunt gesteld dat de door [dochter 2] en [zoon] gevorderde affectieschade kan worden toegewezen tot € 15.000,00. De door [zoon] gevorderde kosten wegens opvragen van het uittreksel geboorteregister kunnen worden toegewezen. De vordering van [dochter 1] kan geheel worden toegewezen. De officier heeft ten aanzien van alle vorderingen gevorderd de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.\n\nin de zaak met parketnummer 03.222572.24\n\nDe officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij [benadeelde partij] in de vordering niet-ontvankelijk moet worden verklaard, nu de benadeelde partij geen bedrag aan schade heeft gevorderd.8.3. \n\nHet standpunt van de verdediging\n\nin de zaak met parketnummer 03.122499.25\n\nDe verdediging heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de benadeelde partijen niet-ontvankelijk moeten worden verklaard in de vorderingen, gelet op de door de verdediging bepleite vrijspraak dan wel ontslag van alle rechtsvervolging. Subsidiair stelt de verdediging zich op het standpunt dat de vorderingen dienen te worden gematigd wegens eigen schuld aan de zijde van het slachtoffer, [getuige 3] en de partner van het slachtoffer. Verder voert de verdediging verweer tegen de door de partner gevorderde schok- en affectieschade. De verdediging betwist voor wat betreft de schokschade de onverhoedse confrontatie, het geestelijk letsel en het causaal verband hiertussen. De verdediging betwist voorts dat de partner de levensgezel van het slachtoffer was en zij een duurzame gemeenschappelijke huishouding voerden. Bovendien kan vanwege de samenloop van schok- en affectieschade niet beide (onbeperkt)worden toegewezen. Tot slot betwist de verdediging de hoogte van de schok- en affectieschade. De verdediging voert ook verweer tegen de door [dochter 1] gevorderde kosten wegens gederfd levensonderhoud. Niet gebleken is dat het slachtoffer mede in haar levensonderhoud voorzag. De partner is op grond van artikel 1:392 BW verplicht om [dochter 1] in levenshoud te voorzien. Tot slot voert de verdediging verweer tegen de hoogte van de door [zoon] gevorderde affectieschade. De verdediging betwist dat de zoon thuiswonend is.8.4. \n\nHet oordeel van de rechtbank\n\nin de zaak met parketnummer 03.122499.25\n\nHet feit dat [slachtoffer] en [getuige 3] de confrontatie met de verdachte hebben opgezocht, is een omstandigheid die in beginsel zou kunnen leiden tot een causaliteitsverdeling. Het handelen van de verdachte staat naar het oordeel van de rechtbank echter niet in verhouding tot het handelen van [slachtoffer] en [getuige 3] . Van eigen schuld van de partner is in het geheel geen sprake. De verdachte is daarom volledig aansprakelijk voor de schade. De rechtbank zal hierna de schadevorderingen van de benadeelde partijen per post beoordelen. Affectieschade (partner en kinderen)Op grond van artikel 6:108 lid 3 BW kunnen nabestaanden affectieschade vorderen in het geval het overlijden van het slachtoffer het gevolg is van een gebeurtenis waarvoor een ander, in dit geval de verdachte, aansprakelijk is. De partner maakt aanspraak op vergoeding van affectieschade van € 20.000,00. Zij heeft gesteld dat zij de partner\u002Flevensgezel van [slachtoffer] is en dat zij tot zijn overlijden een duurzame gemeenschappelijke huishouding vormden (artikel 6:108 lid 4 onder b BW). Zij heeft in dat verband aangevoerd dat zij weliswaar formeel op een ander adres stonden ingeschreven, maar dat zij in de praktijk samenwoonden en op alle mogelijke manieren een gezamenlijke huishouding voerden. De verdediging heeft betwist dat er sprake is van een duurzame gemeenschappelijke huishouding. De rechtbank zal de partner niet in de gelegenheid stellen om dit nader te onderbouwen, omdat dat dat een onevenredige belasting van het strafproces vormt. Wel stelt de rechtbank vast dat de partner en [slachtoffer] al jarenlang een affectieve relatie hadden en samen een dochter - [nabestaande 2] - hebben. Daarmee staat de partner in zo’n nauwe persoonlijke betrekking tot [slachtoffer] dat haar een beroep toekomt op de zogenaamde hardheidsclausule (artikel 6:108 lid 4, aanhef en onder g BW). Gelet op het voorgaande zal de rechtbank overeenkomstig het Besluit vergoeding affectieschade een bedrag van € 17.500,00 aan de partner toewijzen en haar voor wat betreft het meer gevorderde niet ontvankelijk verklaren in haar vordering. Zij kan dit deel van de vordering aan de burgerlijke rechter voorleggen. De kinderen van [slachtoffer] behoren tot de vaste kring van personen die aanspraak kunnen maken op vergoeding van affectieschade (artikel 6:108 lid 4 aanhef en onder d BW). De rechtbank zal daarbij uitgaan van de bedragen zoals vermeld in het Besluit vergoeding affectieschade. [dochter 1] is minderjarig, zodat de rechtbank een bedrag van € 20.000,00 zal toewijzen. [dochter 2] is meerderjarig en uitwonend, zodat de rechtbank een bedrag van € 17.500,00 zal toewijzen. [zoon] is meerderjarig. De rechtbank zal een bedrag van € 17.500,00 toewijzen, omdat de zoon tegenover de gemotiveerde betwisting van de verdediging onvoldoende heeft onderbouwd dat hij thuiswonend is. Weliswaar staat vast dat de zoon stond ingeschreven op het adres van [slachtoffer] , maar onduidelijk is in hoeverre hij nog op dit adres woonde. [zoon] krijgt geen gelegenheid om het meerdere alsnog verder te onderbouwen, omdat dat leidt tot een te grote belasting van deze strafprocedure. De rechtbank zal [zoon] daarom voor wat betreft het meer gevorderde niet ontvankelijk verklaren in zijn vordering. Hij kan dit deel van de vordering aan de burgerlijke rechter voorleggen.Schokschade (partner)De rechtbank stelt voorop dat iemand die een ander (het primaire slachtoffer) door zijn onrechtmatige daad doodt of verwondt - afhankelijk van de omstandigheden waaronder die onrechtmatige daad en de confrontatie met die daad of de gevolgen daarvan, plaatsvinden - ook onrechtmatig kan handelen jegens degene (het secundaire slachtoffer) bij wie die confrontatie een hevige emotionele schok teweeg brengt. Het antwoord op de vraag óf jegens het secundaire slachtoffer onrechtmatig is gehandeld is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Gezichtspunten die daarbij een rol spelen zijn: - de aard, toedracht en gevolgen van de jegens het primaire slachtoffer gepleegde onrechtmatige daad; - de wijze waarop het secundaire slachtoffer wordt geconfronteerd met die onrechtmatige daad en de gevolgen daarvan; - en de aard en hechtheid van de relatie tussen het primaire en secundaire slachtoffer. Het recht op vergoeding van schokschade die is veroorzaakt door het onrechtmatig teweegbrengen van een hevige emotionele schok is beperkt tot schade die volgt uit geestelijk letsel. Het moet gaan om geestelijk letsel dat gelet op aard, duur en\u002Fof gevolgen ernstig en in voldoende mate objectiveerbaar is. Bij samenloop van affectie- en schokschade moet de rechter aan de hand van de omstandigheden van het geval naar billijkheid en schattenderwijs afwegen in hoeverre bij het bepalen van de hoogte van de vergoeding wegens schokschade rekening moet worden gehouden met de vergoeding wegens affectieschade.\n\nZoals hiervoor is overwogen is [slachtoffer] met één schot om het leven gekomen. De partner heeft gesteld dat de confrontatie tijdens de identificatie in het mortuarium een hevig emotionele schok bij haar teweeg heeft gebracht. De beelden die dit bij haar heeft opgeroepen zijn niet volledig te vergelijken met de feitelijke en directe waarneming van de gevolgen van misdrijven, maar zijn evenzeer emotioneel schokkend. Ook de berichten die de partner heeft ontvangen hebben tot gevolg gehad dat zij voortdurend is geconfronteerd met details. Dit geldt ook voor de periode daarna aangezien deze details in het strafrechtelijk onderzoek uitgebreid zijn behandeld en zij ook is geconfronteerd met de beelden. Uit de brief van de GZ-psycholoog van 2 april 2026 blijkt dat de partner hierdoor met traumaklachten (waaronder flashbacks) kampt, dat de diagnose PTSS is gesteld en dat zij hiervoor in behandeling is. Met de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat de partner in aanmerking komt voor vergoeding van schokschade. Een precieze afbakening tussen schokschade en affectieschade is doorgaans niet mogelijk. Dat geldt ook hier. Voor wat betreft de hoogte heeft de rechtbank gekeken naar bedragen die in vergelijkbare gevallen zijn toegekend. De rechtbank acht in redelijkheid en billijkheid, naast de toe te wijzen affectieschade, een bedrag van € 10.000, gelet op alle omstandigheden in deze zaak, passend en zal het meer gevorderde afwijzen.\n\nKosten lijkbezorging (partner)De rechtbank zal het door de partner gevorderde bedrag van € 2.900,01 wegens kosten lijkbezorging toewijzen, omdat deze kosten niet zijn betwist en voldoende zijn onderbouwd.\n\nZiektekosten (partner)De rechtbank zal het door de partner gevorderde bedrag van € 666,25 wegens kosten behandeling (eigen risico) toewijzen, omdat deze kosten niet zijn betwist en voldoende zijn onderbouwd.\n\nKosten levensonderhoud (dochter [dochter 1] )[dochter 1] heeft een bedrag van € 2.700,00 gevorderd voor (toekomstig) gederfd levensonderhoud, omdat haar vader niet meer in haar levensonderhoud kan voorzien. [dochter 1] heeft voor wat betreft de hoogte van het bedrag aansluiting gezocht bij de situatie waarin haar ouders zouden zijn gescheiden en [slachtoffer] kinderalimentatie had moeten betalen. [dochter 1] is daarbij uitgegaan van een periode van 54 maanden, te weten 21 april 2025 (datum overlijden) tot 22 oktober 2029 (datum waarop zij 18 jaar zal worden). [dochter 1] stelt zich primair op het standpunt dat een bedrag van € 50,00 per maand redelijk en billijk is. Subsidiair stelt zij zich op het standpunt dat uitgegaan dient te worden van een bedrag van € 25,00 per maand. Zij verwijst in dit verband naar het arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 10 juli 2025, ECLI:GHARL:2025:4282. De verdediging betwist deze post en stelt zich – onder verwijzing naar artikel 1:392 BW - op het standpunt dat het slachtoffer niet verplicht is levensonderhoud aan de dochter te verstrekken, omdat dit van de partner kan worden verkregen.\n\nOp grond van 6:108 lid 1 BW is de verdachte verplicht tot vergoeding van schade door het derven van levensonderhoud aan de minderjarige dochter van [slachtoffer] en wel tot ten minste het bedrag van het haar krachtens de wet verschuldigde levensonderhoud. Op grond van artikel 1:392 BW zijn ouders verplicht om in het levensonderhoud van hun kinderen te voorzien. De rechtbank heeft geen aanwijzingen om te veronderstellen dat [slachtoffer] tot zijn overlijden op geen enkele wijze heeft bijdragen aan de kosten van het levensonderhoud van [dochter 1] . Evenals [dochter 1] zoekt de rechtbank aansluiting bij de situatie waarin haar ouders zouden zijn gescheiden en [slachtoffer] kinderalimentatie had moeten betalen. Op grond van het rapport alimentatienormen 2026 bedraagt de minimumdraagkracht € 25,00 per maand, zodat de rechtbank - bij gebrek aan inkomensgegevens - daarvan zal uitgaan. Uitgaande van 54 maanden komt dit neer op € 1.350,00. Het meerdere is onvoldoende onderbouwd. [dochter 1] krijgt geen gelegenheid het meerdere alsnog verder te onderbouwen, omdat dat leidt tot een te grote belasting van deze strafprocedure. De rechtbank zal daarom [dochter 1] voor wat betreft het meer gevorderde niet ontvankelijk verklaren in haar vordering. Zij kan dit deel van de vordering aan de burgerlijke rechter voorleggen.\n\nKosten uittreksel geboorteregister (zoon [zoon] )De rechtbank zal het door [zoon] gevorderde bedrag van € 17,80 wegens kosten uittreksel geboorteregister toewijzen, omdat deze kosten niet zijn betwist en voldoende zijn onderbouwd.ConclusieDe rechtbank zal de vorderingen van de benadeelde partijen als volgt toewijzen: - de partner: € 31.066,26; - de dochter [dochter 1] : € 21.350,00; - de dochter [dochter 2] : € 17.500,00; - de zoon [zoon] : € 17.517,80.\n\nDe wettelijke rente over voormelde bedragen wordt eveneens toegewezen en wel met ingang van 21 april 2025 tot de dag van algehele voldoening.\n\nDaarnaast wordt de verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partijen hebben gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moeten maken.\n\nDe rechtbank zal, om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed, de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht en gijzeling opleggen. Gelet op de maximale duur van de gijzeling, zal het maximale totaal aantal dagen worden verdeeld over de vier vorderingen.\n\nOmdat [dochter 1] minderjarig is, bepaalt de rechtbank, zoals gevorderd, dat de schadevergoeding moet worden gestort op een ten behoeve van de benadeelde partij te openen rekening met een zogenoemde BEM-clausule (Belegging, Erfenis en andere gelden Minderjarigen). Een BEM-clausule is bedoeld ter bescherming van de belangen van de minderjarige. De minderjarige en haar wettelijke vertegenwoordiger kunnen – tot de minderjarige achttien jaar is – alleen met toestemming van de kantonrechter over het geld op de rekening beschikken.\n\nIn de zaak met parketnummer 03.222572.24\n\nDe vordering van de heer [benadeelde partij] voldoet niet aan de vereisten van artikel 51g van het Wetboek van Strafvordering, nu er geen schadebedragen zijn ingevuld. De rechtbank zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in de vordering. De vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.\n\nDaarnaast wordt de benadeelde partij veroordeeld in de kosten door verdachte ter verdediging tegen die vordering gemaakt, tot op heden begroot op nihil.\n\n9. De wettelijke voorschriften\n\nDe beslissing berust op de artikelen 36f, 45, 57, 60a, 285, 287 en 302 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 26 en 55, leden 1 en 3 van de Wet wapens en munitie.\n\n10. De beslissing\n\nDe rechtbank:\n\nBewezenverklaring\n\nverklaart het tenlastegelegde bewezen zoals hierboven onder 3.4is omschreven;\n\nspreekt de verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;\n\nStrafbaarheid\n\nverklaart dat het bewezenverklaarde de strafbare feiten oplevert zoals hierboven onder 4is omschreven;\n\nverklaart de verdachte strafbaar;\n\nStraf\n\nveroordeelt de verdachte tot een gevangenisstrafvoor de duur van11 (elf) jaren;\n\nbeveelt dat de tijd die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrestis doorgebracht, bij de uitvoering van deze gevangenisstrafin minderingzal worden gebracht;\n\nBenadeelde partijen en schadevergoedingsmaatregelen\n\nIn de zaak met parketnummer 03.122499.25\n\n [nabestaande 1]\n\nwijst ten aanzien van feit 1 de vordering van de benadeelde partij [nabestaande 1] gedeeltelijk toeen veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij van een bedrag van€ 31.066,26, bestaande uit € 3.566,26 materiële schade en € 27.500,00 immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 21 april 2025 tot aan de dag der algehele voldoening;\n\nveroordeelt de verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot heden begroot op nihil, en in de proceskosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken;\n\nbepaalt dat de benadeelde partij in de vordering voor het overige niet ontvankelijk is en de vordering in zoverre slechts bij de burgerlijk rechter kan aanbrengen;\n\nlegt aan de verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van [nabestaande 1] van een bedrag van € 31.066,26, bestaande uit € 3.566,26 materiële schade en € 27.500,00 immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 21 april 2025 tot aan de dag der algehele voldoening;\n\nbepaalt dat, indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt gijzelingkan worden toegepast voor de duur van 90 dagen, met dien verstande dat de gijzeling de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet opheft;\n\nbepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen;\n\n [nabestaande 2]\n\nwijst ten aanzien van feit 1 de vordering van de benadeelde partij [dochter 1] gedeeltelijk toeen veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij van een bedrag van€ 21.350,00, bestaande uit € 1.350,00 materiële schade en € 20.000,00 immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 21 april 2025 tot aan de dag der algehele voldoening;\n\nveroordeelt de verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot heden begroot op nihil, en in de proceskosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken;\n\nbepaalt dat de benadeelde partij in de vordering voor het overige niet ontvankelijk is en de vordering in zoverre slechts bij de burgerlijk rechter kan aanbrengen;\n\nbepaalt dat de als gevolg van deze uitspraak te betalen schadevergoeding moet worden gestort op een ten behoeve van de benadeelde partij te openen rekening met een BEM-clausule;\n\nlegt aan de verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van [dochter 1] van een bedrag van € 21.350,00, bestaande uit € 1.350,00 materiële schade en € 20.000,00 immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 21 april 2025 tot aan de dag der algehele voldoening;\n\nbepaalt dat, indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt gijzelingkan worden toegepast voor de duur van 90 dagen, met dien verstande dat de gijzeling de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet opheft;\n\nbepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen;\n\n [nabestaande 4]\n\nwijst ten aanzien van feit 1 de vordering van de benadeelde partij [dochter 2] toeen veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij van een bedrag van€ 17.500,00, bestaande uit immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 21 april 2025 tot aan de dag der algehele voldoening;\n\nveroordeelt de verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot heden begroot op nihil, en in de proceskosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken;\n\nlegt aan de verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van [dochter 2] van een bedrag van €17.500,00 immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 21 april 2025 tot aan de dag der algehele voldoening;\n\nbepaalt dat, indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt gijzelingkan worden toegepast voor de duur van 90 dagen, met dien verstande dat de gijzeling de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet opheft;\n\nbepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen;\n\n [nabestaande 3]\n\nwijst ten aanzien van feit 1 de vordering van de benadeelde partij [zoon] gedeeltelijk toeen veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij van een bedrag van€ 17.517,80, bestaande uit € 17,80 materiële schade en € 17.500,00 immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 21 april 2025 tot aan de dag der algehele voldoening;\n\nveroordeelt de verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot heden begroot op nihil, en in de proceskosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken;\n\nbepaalt dat de benadeelde partij in de vordering voor het overige niet ontvankelijk is en de vordering in zoverre slechts bij de burgerlijk rechter kan aanbrengen;\n\nlegt aan de verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van [zoon] van een bedrag van €17.517,80 bestaande uit € 17,80 materiële schade en € 17.500,00 immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 21 april 2025 tot aan de dag der algehele voldoening;\n\nbepaalt dat, indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt gijzelingkan worden toegepast voor de duur van 90 dagen, met dien verstande dat de gijzeling de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet opheft;\n\nbepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen;In de zaak met parketnummer 03.222572.24\n\nbepaalt dat de benadeelde partij niet-ontvankelijkis in de vordering tot schadevergoeding en de vordering slechts bij de burgerlijke rechtere rechter kan aanbrengen;\n\nveroordeelt de benadeelde partij in de proceskosten door verdachte ter verdediging tegen die vordering gemaakt, tot op heden begroot op nihil.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. M.J.H. van den Hombergh, voorzitter, mr. L.H.M. Geuns en mr. B. de Groot, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M.M.E. Adams, griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 7 juli 2026.\n\nBuiten staat\n\nMr. B. de Groot is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.\n\nBIJLAGE: De tenlastelegging (na wijziging)\n\nAan de verdachte is ten laste gelegd dat\n\nIn de zaak met parketnummer 03-122499-25:\n\nfeit 1:\n\nhij, op of omstreeks 21 april 2025 te Venlo, in de gemeente Venlo, althans in Nederland,\n\ntezamen en in vereniging met een of meer (onbekend gebleven) ander(en), althans alleen,\n\n [slachtoffer]\n\nopzettelijk, al dan niet\n\nmet voorbedachten rade\n\nvan het leven heeft beroofd, door met een vuurwapen een kogel in het (boven)lichaam van voornoemde [slachtoffer] te schieten ten gevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden;\n\nfeit 2:\n\nhij, op of omstreeks 21 april 2025 te Venlo, in de gemeente Venlo, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer ander(en), althans alleen,\n\neen wapen van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te\n\nweten een pistool, in elk geval zijnde een vuurwapen in de vorm van een geweer, revolver en\u002Fof pistool en\n\neen of meer (bijbehorende) munitie van categorie III,\n\nvoorhanden heeft gehad;\n\nIn de zaak met parketnummer 03-222572-24:\n\nfeit 1:\n\nhij op of omstreeks 29 oktober 2023 te Venlo\n\n [benadeelde partij] heeft bedreigd\n\nmet enig misdrijf tegen het leven gericht en\u002Fof met zware mishandeling,\n\ndoor die [benadeelde partij] dreigend de woorden toe te voegen \"Ik steek je neer\" en\u002Fof \"Ik steek je dood\" en\u002Fof \"moet ik je eraan rijgen\", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking en\u002Fof door daarbij een mes te tonen en\u002Fof door met dit mes (dreigend) richting die [benadeelde partij] te lopen;\n\nfeit 2 primair:\n\nhij op of omstreeks 29 oktober 2023 te Venlo\n\nter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om\n\naan [benadeelde partij]\n\nopzettelijk\n\nzwaar lichamelijk letsel toe te brengen\n\neen mok of theeglas tegen het hoofd van die [benadeelde partij] kapot heeft geslagen,\n\nterwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;\n\nfeit 2 subsidiair:\n\nhij op of omstreeks 29 oktober 2023 te Venlo\n\nter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om\n\naan [benadeelde partij]\n\nheeft mishandeld\n\ndoor die [benadeelde partij] , al dan niet met een voorwerp, tegen het hoofd te slaan.\n\n Waar hierna wordt verwezen naar paginanummers, wordt - tenzij anders vermeld - gedoeld op paginanummers uit het proces-verbaal van politie Eenheid Limburg, proces-verbaalnummer LB1R025042, onderzoek Quokka, gesloten d.d. 22 augustus 2025, doorgenummerd van pagina 1 tot en met pagina 1652.\n\n De verklaring van de verdachte, zoals afgelegd ter terechtzitting van 23 juni 2026.\n\n Het proces-verbaal van bevindingen, pagina. 270 en 277 tot en met 279.\n\n Het proces-verbaal forensisch overlijdensonderzoek plaats delict [plaats delict] Venlo, pagina 1031, 1033 en 1034.\n\n Het rapport forensisch pathologisch onderzoek naar aanleiding van mogelijk niet-natuurlijke aard van overlijden d.d. 9 mei 2025, pagina 1144, 1147 en 1148.\n\n Het proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte] d.d. 16 mei 2025, pagina 1516.\n\n Het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 2] d.d. 21 april 2025, pagina 120 en 121.\n\n De verklaring van de verdachte, zoals afgelegd ter terechtzitting van 23 juni 2026.\n\n Het proces-verbaal forensisch overlijdensonderzoek plaats delict [plaats delict] Venlo d.d. 1 juli 2025, pagina 1031 tot en met 1033.\n\n Het proces-verbaal uitslag vergelijkend sporenonderzoek d.d. 29 april 2025, pagina 1117 en 1118.\n\n Waar hierna wordt verwezen naar paginanummers, wordt - tenzij anders vermeld - gedoeld op paginanummers uit het proces-verbaal van politie Eenheid Limburg, proces-verbaalnummer PL2300-2023173127, gesloten d.d. 24 juni 2024, doorgenummerd van pagina 1 tot en met pagina 31.\n\n Het proces-verbaal aangifte van [benadeelde partij] d.d. 29 oktober 2023, pagina 2 tot en met 4.\n\n Het proces-verbaal van verhoor getuige van [getuige 4] d.d. 2 november 2023, pagina 18 en 19.\n\n Het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 5] d.d. 2 november 2023, pagina 21 en 22.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBLIM:2026:6579","ecli-nl-rblim-2026-6579",{"courtName":6,"legalDomain":31,"decisionType":22,"procedureType":23},{"id":55,"ecli":56,"caseNumber":14,"courtId":5,"courtName":14,"decisionDate":42,"fullText":57,"language":7,"source":17,"sourceUrl":58,"summary":14,"slug":59,"metadata":60},"1318","ECLI:NL:RBLIM:2026:6631","RECHTBANK LIMBURG\n\nZittingsplaats Roermond\n\nStrafrecht\n\nParketnummer : 03.109661.25\n\nTegenspraak, na aanhouding verschenen\n\nVonnis van de meervoudige kamer d.d. 7 juli 2026\n\nin de strafzaak tegen\n\n [verdachte] ,\n\ngeboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1987,\n\nthans gedetineerd in [verblijfplaats] .\n\nDe verdachte wordt bijgestaan door mr. N.C.M.L. Bloebaum, advocaat kantoorhoudende te Maastricht.\n\n1. Onderzoek van de zaak\n\nDe zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 23 juni 2026. De verdachte en zijn raadsvrouw zijn verschenen. De officier van justitie en de verdediging hebben hun standpunten kenbaar gemaakt.\n\nDe benadeelde partij [slachtoffer] is niet op zitting verschenen. Namens de benadeelde partij is op de zitting gehoord mr. S.L.T.A. Scheepers, advocaat kantoorhoudende te Venlo.\n\nNamens de benadeelde partij [naam cafetaria] is niemand op zitting verschenen.\n\nDe rechtbank heeft de vorderingen tot schadevergoeding behandeld.\n\n2. De tenlastelegging\n\nDe tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht. De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat de verdachte:\n\nFeit 1:op 8 april 2025 heeft geprobeerd om [slachtoffer] (al dan niet met voorbedachten rade) te doden dan wel (al dan niet met voorbedachten rade) heeft geprobeerd om hem zwaar te mishandelen.\n\nFeit 2:op 12 maart 2025 heeft geprobeerd om [slachtoffer] (al dan niet met voorbedachten rade) te doden dan wel (al dan niet met voorbedachten rade) heeft geprobeerd om hem zwaar te mishandelen.\n\nFeit 3:op 8 april 2025 een deur van [naam cafetaria] heeft vernield.\n\n3. De beoordeling van het bewijs3.1. \n\nHet standpunt van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het onder 1 primair tenlastegelegde als poging tot moord bewezen kan worden verklaard. De verdachte heeft bewust de aanmerkelijke kans op dodelijk letsel aanvaard door meermalen met kracht met een ijzeren staaf op het hoofd te slaan. Daarnaast is sprake van voorbedachte raad, nu de verdachte zich gedurende ongeveer een kwartier heeft kunnen beraden op zijn voorgenomen besluit, in die tijd rugdekking heeft geregeld en vervolgens bewapend op zoek is gegaan naar [slachtoffer] .\n\nTen aanzien van feit 2 heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat de verdachte van het primair tenlastegelegde moet worden vrijgesproken, omdat op basis van de camerabeelden niet kan worden vastgesteld dat de verdachte met een ijzeren staaf met kracht op het hoofd van [slachtoffer] heeft geslagen en het hoofdletsel van [slachtoffer] daarvan afkomstig moet zijn. Enkel kan worden vastgesteld dat de verdachte [slachtoffer] op zijn arm en schouder heeft geraakt met de ijzeren staaf. Daarmee was geen sprake van een aanmerkelijke kans op dodelijk letsel, maar wel op zwaar lichamelijk letsel. Deze heeft de verdachte ook bewust aanvaard, reden waarom het onder 2 subsidiair tenlastegelegde feit volgens de officier van justitie wel bewezen kan worden verklaard. Ook hier is sprake van voorbedachte raad, nu de verdachte voldoende tijd heeft gehad om zich te beraden op zijn voorgenomen besluit en vervolgens bewapend op pad is gegaan.\n\nTot slot heeft de officier van justitie gerekwireerd tot bewezenverklaring van het onder 3 tenlastegelegde feit.3.2. \n\nHet standpunt van de verdediging\n\nMet betrekking tot feit 1 heeft de verdediging zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank ten aanzien van de vraag of het handelen van de verdachte een poging tot doodslag oplevert. Van voorbedachte raad is echter geen sprake. De verdachte dient daarvan partieel te worden vrijgesproken omdat hij heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling. Daarbij heeft de raadsvrouw ook gewezen op de deskundigenrapportages waaruit onder meer volgt dat de bij de verdachte geconstateerde problematiek maakt dat hij impulsief handelt.\n\nMet betrekking tot het onder 2 primair en subsidiair tenlastegelegde feit heeft de verdediging verzocht de verdachte vrij te spreken. Niet kan worden vastgesteld dat de verdachte [slachtoffer] met de ijzeren staaf een klap op het hoofd heeft gegeven, nu dit niet is te zien op de camerabeelden en de arm waarin de verdachte de staaf vast heeft wel in beeld blijft. De verdachte herinnert zich dat [slachtoffer] tegen een kast of een deur is gevallen. Dat zou een mogelijke oorzaak kunnen zijn van de wond op het achterhoofd van [slachtoffer] . Er kan slechts worden vastgesteld dat de verdachte één klap heeft gegeven op de linkerarm of het linker schouderblad van [slachtoffer] . Een enkele klap op die plaats van het lichaam kan niet leiden tot een poging tot zware mishandeling of een poging tot doodslag. Subsidiair heeft de verdediging aangevoerd dat ook van voorbedachte raad geen sprake kan zijn.\n\nTen aanzien van feit 3 heeft de verdediging zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.\n\n3.3. Het oordeel van de rechtbank\n\nVrijspraakoverweging feit 2\n\nDe rechtbank stelt op basis van de camerabeelden vast dat de verdachte op 12 maart 2025 achter [slachtoffer] is aangerend met een ijzeren staaf en hem vervolgens met die staaf eenmaal heeft geslagen op zijn rug\u002Fschouder, waarna [slachtoffer] een winkel binnenrent.\n\nVervolgens is de verdachte met de ijzeren staaf in de rechterhand in de deuropening van de winkel blijven staan. Met de officier van justitie en de raadsvrouw heeft de rechtbank ter zitting op grond van de camerabeelden waargenomen dat de verdachte gedurende de tijd dat hij in de deuropening heeft gestaan geen slaande beweging heeft gemaakt. De rechtbank merkt daarbij op dat als de verdachte op dat moment [slachtoffer] geslagen zou hebben die slaande beweging deels zichtbaar zou moeten zijn geweest op de camerabeelden, omdat de verdachte de staaf in zijn rechterhand had en de rechterschouder en\u002Fof arm nagenoeg steeds in beeld is geweest. De zeer korte tijd waarin dit niet het geval is, is zo kort dat de slaande beweging op het hoofd, waarover [slachtoffer] heeft verklaard, niet in die tijd heeft kunnen plaatsvinden, mede gelet op de houding van het bovenlichaam van de verdachte dat steeds in beeld blijft.\n\nOp een gegeven moment is te zien dat de verdachte wegloopt uit de deuropening. Even later komt [slachtoffer] naar buiten. Op dat moment is een bloedende hoofdwond aan de achterzijde van zijn hoofd zichtbaar.\n\n [slachtoffer] heeft tot driemaal toe verklaard dat hij vlak na de slag tegen de rug\u002Fschouder ook op het hoofd is geslagen met de ijzeren staaf door de verdachte, dat dat pijn deed en bloedde en dat hij daar de hoofdwond aan heeft overgehouden. Op grond van voorgaande vaststellingen omtrent de camerabeelden komt de rechtbank tot de conclusie dat het tijdstip waarop de verdachte volgens [slachtoffer] op zijn hoofd heeft geslagen niet kan kloppen. Daar komt bij dat [slachtoffer] tijdens zijn verklaringen niet heeft verklaard dat hij op enig ander moment op het hoofd zou zijn geraakt.\n\nAlhoewel duidelijk is dat [slachtoffer] een bloedende hoofdwond heeft opgelopen, valt niet met voldoende mate van zekerheid vast te stellen dat dit het gevolg is geweest van het handelen van de verdachte. Op de camerabeelden is immers ook te zien hoe [slachtoffer] tegen een deur aanloopt als hij de winkel invlucht. De winkelmedewerker die daar destijds aan het werk was heeft ook niet verklaard dat [slachtoffer] bij het binnengaan of gedurende de tijd die hij heeft doorgebracht in de winkel met de ijzeren staaf op het hoofd is geslagen. Dit terwijl wel is verklaard over het lopen tegen de deur. Gezien al het voorgaande zal de rechtbank de verdachte vrijspreken van het primair tenlastegelegde.\n\nTen aanzien van de subsidiair tenlastegelegde poging tot zware mishandeling overweegt de rechtbank dat de verdachte heeft verklaard dat het niet zijn bedoeling was om [slachtoffer] zwaar te mishandelen en dat evenmin kan worden geoordeeld dat naar de uiterlijke verschijningsvorm sprake is van vol opzet. Een enkele slag met een ijzeren staaf op de rug\u002Fschouder levert naar het oordeel van de rechtbank ook geen aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel op, waardoor er geen sprake is van voorwaardelijk opzet. Nu het opzet op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel ontbreekt, dient de verdachte ook van het subsidiair tenlastegelegde vrijgesproken te worden.\n\nGezien het voorgaande zal de rechtbank de verdachte integraal vrijspreken van feit 2.\n\nBewijsmiddelen ten aanzien van feit 1\n\nDe rechtbank zal volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig het bepaalde in artikel 359, derde lid tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering (Sv), nu de verdachte het bewezenverklaarde duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend en door of namens hem geen vrijspraak is bepleit.\n\nDe rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte meerdere malen met een ijzeren staaf op\u002Ftegen het hoofd van [slachtoffer] heeft geslagen, op grond van:\n\nde bekennende verklaring van de verdachte, zoals afgelegd ter terechtzitting van 23 juni 2026;\n\nde aangifte van [slachtoffer] van 8 april 2025;\n\n- de beschrijving van de camerabeelden door verbalisant [verbalisant 1] van 9 april 2025;\n\n- de bevindingen van verbalisanten [verbalisant 2] en [verbalisant 3] tijdens de aanhouding van de verdachte op 8 april 2025.\n\nOverwegingen van de rechtbank ten aanzien van feit 1\n\nDe rechtbank dient de vraag te beantwoorden hoe het handelen van de verdachte juridisch moet worden gekwalificeerd.\n\nOpzet op de dood\n\nDe rechtbank dient allereerst te beoordelen of de verdachte met zijn gedragingen het opzet heeft gehad op de dood van [slachtoffer] . Er is sprake van ‘vol opzet’ indien willens en wetens wordt gehandeld, dat wil zeggen indien een bepaald gevolg – in dit geval de dood van [slachtoffer] – wordt beoogd. Uit de camerabeelden blijkt dat de verdachte, met in zijn rechterhand een langwerpig, grijs voorwerp, naar de toegangsdeur van de cafetaria rent waar [slachtoffer] zich bevindt en naar binnen rent naar die [slachtoffer] toe, hem vastpakt en meerdere keren met kracht met een ijzeren voorwerp richting [slachtoffer] slaat, waaronder meermalen met kracht op zijn hoofd. Bij een van die slagen heeft de verdachte het ijzeren voorwerp met beide handen vast, terwijl hij dit tot boven zijn schouders heeft geheven om vervolgens met kracht te slaan tegen het hoofd van [slachtoffer] . Als [slachtoffer] daarna op de grond belandt, gaat de verdachte boven hem staan en blijft op eenzelfde wijze doorgaan met het slaan van [slachtoffer] . De uiterlijke verschijningsvorm van dit handelen kan niet anders worden uitgelegd als zijnde gericht op de dood van [slachtoffer] . Daar komt bij dat uit de verklaring van [slachtoffer] blijkt dat de verdachte tijdens het slaan tegen hem heeft gezegd dat hij hem dood gaat maken. Tijdens zijn aanhouding heeft de verdachte bovendien tegenover de politieambtenaren verklaard dat het de eigen schuld van [slachtoffer] was, dat hij het niet erg vond om hiervoor te gaan zitten en dat hij hem liever dood had geslagen. Gelet op deze feiten en omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat de verdachte vol opzet heeft gehad op de dood van [slachtoffer] .\n\nPartiële vrijspraak voorbedachte raad\n\nDe vraag waarvoor de rechtbank zich vervolgens gesteld ziet, is of de verdachte voorafgaand aan het slaan met de ijzeren staaf voldoende tijd en gelegenheid heeft gehad voor beraad en bezinning. Deze vraag beantwoordt de rechtbank ontkennend. De rechtbank stelt voorop dat voor een bewezenverklaring van het bestanddeel ‘voorbedachte raad’ moet komen vast te staan dat de verdachte zich gedurende enige tijd heeft kunnen beraden op het te nemen of genomen besluit en hij niet heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, zodat hij de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven. Bij de vraag of sprake is van voorbedachte raad gaat het bij uitstek om een weging en waardering van de omstandigheden van het concrete geval, waarbij het gewicht moet worden bepaald van de aanwijzingen die voor of tegen het bewezen verklaren van voorbedachte raad pleiten. De enkele vaststelling dat de verdachte voldoende tijd had om zich te beraden op het te nemen of genomen besluit vormt weliswaar een belangrijke objectieve aanwijzing, maar is op zichzelf onvoldoende om te concluderen dat er sprake is van voorbedachte raad en hoeft de rechtbank er bovendien niet van te weerhouden aan contra-indicaties een zwaarder gewicht toe te kennen.\n\nDe verdachte heeft ter zitting verklaard dat hij het besluit om [slachtoffer] met de ijzeren staaf te slaan heeft genomen op het moment dat hij bij de cafetaria arriveerde en uit de auto stapte. De ijzeren staaf zou volgens de verdachte al op de achterbank van de auto hebben gelegen. Uit het dossier blijkt niet dat de verdachte eerder dan dat moment het plan zou moeten hebben opgevat om [slachtoffer] op zijn hoofd te slaan met het ijzeren voorwerp. Dat de rest van het gereedschap door de politie is aangetroffen in de kofferbak van het voertuig van de verdachte, maakt naar het oordeel van de rechtbank immers niet dat het ijzeren voorwerp daarom niet op de achterbank had kunnen liggen zoals door de verdachte is verklaard. Zodoende kan niet worden vastgesteld dat het besluit van de verdachte om [slachtoffer] met een ijzeren staaf op zijn hoofd te slaan zo ver voor het feit is genomen dat de verdachte voldoende tijd heeft gehad om na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn handelen en zich daarvan rekenschap te geven. De rechtbank is bovendien van oordeel dat het dossier meer aanknopingspunten bevat dat de verdachte heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling. Zijn handelen is kennelijk getriggerd door het telefoontje dat hij van [verbalisant 1] ontving, waarna hij geëmotioneerd in de auto is gestapt en een al bij hem aanwezig familielid met hem mee is gegaan.\n\nGelet op deze feiten en omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat de besluitvorming en de uitvoering in een zodanig korte tijdspanne hebben plaatsgevonden dat niet kan worden bewezen dat de verdachte met voorbedachte raad heeft gehandeld. De verdachte wordt daarom partieel vrijgesproken van het bestanddeel ‘met voorbedachte raad’.\n\nConclusie\n\nGelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat er voldoende wettig en overtuigend bewijs is dat de verdachte zich op 8 april 2025 schuldig heeft gemaakt aan een poging tot doodslag. Van het meer of anders ten laste gelegde zal de verdachte worden vrijgesproken.\n\nBewijsmiddelen ten aanzien van feit 3\n\nDe rechtbank zal volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig het bepaalde in artikel 359, derde lid tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering (Sv), nu de verdachte het tenlastegelegde duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend en door of namens hem geen vrijspraak is bepleit.\n\nDe rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan vernieling van een (tussen)deur van [naam cafetaria] , op grond van:\n\nde bekennende verklaring van de verdachte, zoals afgelegd ter terechtzitting van 23 juni 2026;\n\nde aangifte van [aangever] van 8 april 2025;\n\n- de beschrijving van de camerabeelden door verbalisant [verbalisant 1] van 9 april 2025.3.4. \n\nDe bewezenverklaring\n\nDe rechtbank acht bewezen dat de verdachte\n\nT.a.v. feit 1 primair:\n\nop 8 april 2025 te Venlo ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer] opzettelijk van het leven te beroven, die [slachtoffer] meermalen (met kracht) met een (ijzeren) staaf, op\u002Ftegen het hoofd heeft geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;\n\nT.a.v. feit 3:\n\nop 8 april 2025 te Venlo opzettelijk en wederrechtelijk een (tussen)deur die aan [naam cafetaria] toebehoorde, heeft vernield.\n\nDe rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. De verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.\n\n4. De strafbaarheid van het bewezenverklaarde\n\nHet bewezenverklaarde levert de volgende strafbare feiten op:\n\nT.a.v. feit 1 primair:\n\npoging tot doodslag\n\nT.a.v. feit 3:\n\nopzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen\n\nEr zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.\n\n5. De strafbaarheid van de verdachte\n\n [naam psycholoog] , GZ-psycholoog, heeft over de geestvermogens van de verdachte op 2 juli 2025 een rapport uitgebracht. In de rapportage komt – zakelijk weergegeven – het volgende naar voren.\n\nEr is bij betrokkene sprake van ADHD en een antisociale en borderline persoonlijkheidsstoornis met narcistische trekken. Hiervan was sprake ten tijde van het tenlastegelegde. Betrokkene ging impulsief op het slachtoffer af. Hoewel dit op het eerste gezicht vooral berekenend en antisociaal aandoet, is hierin juist ook de (emotionele) impulsiviteit passend bij de borderline problematiek herkenbaar waarin hij zich niet liet remmen, gedreven werd door woede vanuit angst om iemand voor wie hij zich verantwoordelijk voelt en de walging (devaluatie) jegens iemand die niet voldoet aan zijn standaarden. Dit werd ook gezien in de klappen. Betrokkene sloeg agressief en dacht niet meer na. Hij sloeg tegen het hoofd, ook toen de man al lag en voelde zich vooral woedend. Hij verklaart in dezen overigens ook duidelijk dat “het” niet allemaal bewust is geweest en dat hij niet geloofd had dat het zo ernstig was als gesteld werd, als hij de beelden ervan niet had gezien. Er zijn naast antisociale, ook narcistische elementen herkenbaar in het feit dat hij het zelf ging regelen en niet de politie inschakelde. Betrokkene voelde in zijn recht te staan, begreep eigenlijk niet dat hij als dader en niet als held ontvangen werd bij justitie hoewel hij realiteitszin genoeg had deze afwijzing voor te zijn. De onderliggende ADHD die voortdurende onrust in hem teweegbrengt, dreef hem tot snelle actie. Gezien de relatie tussen de gediagnosticeerde problematiek en het hem ten laste gelegde en het feit dat met name de borderline dynamiek er debet aan geweest is dat hij zijn eigen handelen volstrekt onvoldoende onder controle kon houden, wordt geadviseerd het hem slechts in verminderde mate toe te rekenen.\n\n [naam psychiater] , psychiater, heeft over de geestvermogens van de verdachte op 24 november 2025 een rapport uitgebracht. In de rapportage komt – zakelijk weergegeven – het volgende naar voren.\n\nBij betrokkene is sprake van ADHD, een persoonlijkheidsstoornis met antisociale en borderline trekken, stoornis in het gebruik van cocaïne en partner-relatieproblemen. ADHD en de gestelde persoonlijkheidspathologie zijn altijd aanwezig. Ten tijde van het plegen van het tenlastegelegde waren er op de voorgrond staande stoornissen in de emotie- en agressieregulatie en impulsiviteit en schoten de copingsvaardigheden van betrokkene tekort. De partnerrelatie was de belangrijkste trigger in deze. Het advies is om betrokkene de beide tenlastegelegde feiten, mits deze bewezen worden\n\ngeacht, verminderd toe te rekenen. Allereerst speelt daar zijn ADHD een belangrijke rol in, gezien dit zijn handelen duidelijk impulsiever heeft gemaakt en betrokkene zijn gedrag hierdoor minder kan controleren. Deze impulsiviteit vanuit zijn ADHD heeft ook zijn disfunctionele gedrag voortkomende uit zijn persoonlijkheidspathologie duidelijk aangejaagd. Betrokkene is fors getriggerd geraakt, doordat zijn belangrijkste naasten, namelijk Nathalie en zijn zoontje, in zijn ervaring belaagd en vernederd werden door het slachtoffer. De borderlinepathologie van betrokkene zorgt ervoor dat grenzen tussen zelf en de ander vervagen en daardoor worden zeker de belangrijkste naasten als partners, ouders en kinderen beleefd als ware het betrokkene zelf. De beledigingen en bedreigingen van het slachtoffer aan zijn vriendin en zoontje zullen door betrokkene dan ook als gericht op hemzelf zijn ervaren. Dit zal voor betrokkene ten diepste beangstigend zijn geweest en deze ernstige emotionele ontregeling heeft een trigger voor impulsiviteit\n\nen verlies van zelfcontrole gevormd. Desalniettemin heeft betrokkene in een aantal stappen weldegelijk gerichte keuzes gemaakt vanuit een instrumenteel motief. Dat motief was over een langere termijn afgewogen en betrof dat het slachtoffer moest worden afgestopt en vergelding moest plaatsvinden. Als er niet werd ingegrepen door politie\u002Fjustitie, dan betekende dat voor betrokkene dat hij voor eigen rechter moest spelen. In die keuzes heeft betrokkene weldegelijk handelings- en wilsvrijheid genoten: hij had immers ook die dag weg kunnen blijven en naar het bos kunnen gaan, zoals hij eerder had gedaan. Of hij had het aanbod van zijn vriend kunnen volgen om afleiding te zoeken, maar “die dag was de emmer vol”. Betrokkene was in staat het ongeoorloofde van zijn handelen in te zien, maar keurde dit desondanks goed.\n\nDe rechtbank verenigt zich met de adviezen en de conclusies van de deskundigen over de toerekeningsvatbaarheid, neemt deze over en maakt deze tot de hare. De rechtbank is daarom van oordeel dat het bewezenverklaarde in verminderde mate aan de verdachte kan worden toegerekend. Nu er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid geheel uitsluiten acht de rechtbank de verdachte strafbaar.\n\n6. De straf en de maatregel6.1. \n\nDe vordering van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft gevorderd aan de verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van 5 jaren met aftrek van voorarrest. Zij heeft daarbij rekening gehouden met de aard en ernst van het feit, de justitiële documentatie van de verdachte en de rapporten van de psycholoog en de psychiater waaruit blijkt dat de feiten in verminderde mate kunnen worden toegerekend. Daarnaast heeft de officier van justitie gevorderd aan de verdachte een terbeschikkingstelling met voorwaarden op te leggen. Uit de rapporten van de psycholoog en de psychiater blijkt dat sprake is van een hoog recidiverisico en dat het van belang is dat de verdachte wordt behandeld. De algemene veiligheid van personen of goederen eist dat de verdachte ter beschikking wordt gesteld en dit is ook de meest passende maatregel. De officier van justitie ziet geen meerwaarde in een gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbenemende maatregel op grond van artikel 38z Sr. Tot slot heeft de officier van justitie verzocht om de voorlopige hechtenis te schorsen met ingang van het moment dat het voorarrest gelijk is aan het onvoorwaardelijk strafdeel.6.2. \n\nHet standpunt van de verdediging\n\nDe raadsvrouw van de verdachte heeft zich op het standpunt gesteld dat bij de strafbepaling rekening moet worden gehouden met de aanleiding van het conflict en de meewerkende houding van de verdachte. Daarnaast heeft de verdachte er zelf voor gekozen om hulp te zoeken binnen de p.i. en kunnen de feiten in verminderde mate worden toegerekend aan de verdachte. De raadsvrouw heeft twee strafvoorstellen gedaan. Het eerste voorstel houdt in dat aan de verdachte een tbs-maatregel met voorwaarden en een gevangenisstraf van 2 jaren wordt opgelegd. De verdachte is gemotiveerd om snel met behandeling te beginnen. Het tweede voorstel is om aan de verdachte een gevangenisstraf van 4 jaren waarvan 2 jaren voorwaardelijk op te leggen. Aan het voorwaardelijk strafdeel zouden dan bijzondere voorwaarden moeten worden gekoppeld. De raadsvrouw benadrukt tot slot dat er rekening mee moet worden gehouden dat het opleggen van een tbs-maatregel een ultimum remedium is.6.3. \n\nHet oordeel van de rechtbank\n\nBij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.\n\nDe verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan poging tot doodslag door meerdere malen hard met een ijzeren staaf op het hoofd van [slachtoffer] te slaan. Daarnaast heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan vernieling van een deur. Door zijn handelen heeft de verdachte op ernstige wijze inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van [slachtoffer] . Het gaat om potentieel levensbedreigend geweld. Dit heeft niet alleen ingrijpende gevolgen voor het slachtoffer, maar de verdachte heeft door zijn handelen, in een friettent waar ook andere mensen aanwezig waren, bijgedragen aan gevoelens van onveiligheid in de samenleving. Wat [slachtoffer] ook gedaan of gezegd zou hebben tegen de ex-partner van de verdachte, dat rechtvaardigt niet deze afranseling waarbij [slachtoffer] zoals gezegd zomaar het leven had kunnen laten. De rechtbank rekent het de verdachte dan ook zwaar aan dat hij voor eigen rechter heeft gespeeld. Daarbij geldt dat het enkel aan toeval en niet aan terughoudendheid van de verdachte is te danken dat het slachtoffer niet is overleden.\n\nTen aanzien van de persoon van de verdachte heeft de rechtbank acht geslagen op de inhoud van het hem betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie van 3 juni 2026, waaruit onder meer blijkt dat hij op 29 februari 2024 is veroordeeld voor een vernieling.\n\nDe straf\n\nBij de strafoplegging ligt het accent niet verwonderlijk op de bewezenverklaarde poging tot doodslag van [slachtoffer] . De rechtbank is, evenals de officier van justitie, van oordeel dat, gelet op de ernst van dit feit, niet kan worden volstaan met een andere straf dan een forse onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Zoals eerder gezegd zal de rechtbank de feiten aan de verdachte in verminderde mate toerekenen.\n\nAlles afwegend acht de rechtbank oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 42 maanden, met aftrek van het voorarrest, passend en geboden. Deze straf is lager dan door de officier van justitie geëist omdat de rechtbank tot een andere bewezenverklaring komt. Een lagere gevangenisstraf, zoals door de raadsvrouw is bepleit indien deze gevangenisstraf gepaard zou gaan met de oplegging van een tbs-maatregel, doet onvoldoende recht aan de ernst van de feiten. De verdachte zal tijdens de gevangenisstraf in een penitentiaire inrichting verblijven, totdat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend.\n\nDe maatregel\n\nUit de rapportages van de psychiater en de psycholoog volgt dat bij de verdachte sprake is van meerdere psychische stoornissen die een belangrijke rol hebben gespeeld bij het begaan van de bewezenverklaarde feiten. Beide deskundigen schatten het recidiverisico als hoog in. Zij wijzen daarbij onder meer op de uitgebreide justitiële voorgeschiedenis van de verdachte, waarbij sprake is van uiteenlopende typen slachtoffers, de invloed van een pro-crimineel netwerk, een beperkt arbeidsverleden, verslavingsproblematiek, een hoge mate van impulsiviteit en gebrekkige copingvaardigheden ten aanzien van emotieregulatie.\n\nDe psycholoog adviseert behandeling binnen een voorwaardelijk strafkader, waarbij de verdachte een behandeltraject volgt bij een forensische polikliniek. De psychiater acht een behandeling binnen een voorwaardelijk kader ook mogelijk, maar adviseert een terbeschikkingstelling met voorwaarden. Hij vindt van belang dat wordt voorkomen dat de verdachte onbehandeld terugkeert in de maatschappij indien hij op enig moment besluit niet langer mee te werken aan de behandeling of de gestelde voorwaarden. In dat geval kan een tbs met voorwaarden worden omgezet in een tbs met dwangverpleging, zodat de noodzakelijke behandeling ter vermindering van het recidiverisico kan worden voortgezet. Uit het reclasseringsrapport en het verhandelde ter zitting blijkt dat de verdachte bereid is mee te werken aan een tbs met voorwaarden. De reclassering adviseert hierover voorzichtig positief en heeft ter zitting vermeld dat reeds een indicatiestelling voor een langdurige klinische behandeling is geregeld.\n\nDe rechtbank neemt het advies van de psychiater en de reclassering over en is van oordeel dat, naast voornoemde onvoorwaardelijke gevangenisstraf, aan de verdachte de maatregel van terbeschikkingstelling met voorwaarden moet worden opgelegd. Gelet op de ernst van de feiten, de bij de verdachte aanwezige stoornissen en het hoge recidiverisico acht de rechtbank het onverantwoord om het risico te lopen dat de verdachte zonder behandeling in de maatschappij terugkeert. Hoewel de rechtbank het positief acht dat de verdachte zich thans bereid toont aan behandeling mee te werken, dient ermee rekening te worden gehouden dat hij zich op dit moment bevindt in de gestructureerde omgeving van de penitentiaire inrichting. Niet kan worden uitgesloten dat zijn motivatie onder minder beschermde omstandigheden en met toename van prikkels van buitenaf onder druk kan komen te staan.\n\nDe rechtbank stelt vast dat is voldaan aan de wettelijke voorwaarden voor oplegging van de maatregel. De bewezenverklaarde poging tot doodslag betreft een misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaar of meer is gesteld als bedoeld in artikel 37a, eerste lid, onder 2, van het Wetboek van Strafrecht. Ten tijde van het begaan van het feit bestond bij de verdachte een ziekelijke stoornis dan wel gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens en de veiligheid van anderen en de algemene veiligheid van personen, eist het opleggen van de maatregel. Aan de maatregel zullen de hierna te noemen, door de reclassering geadviseerde, voorwaarden worden verbonden.\n\nDe rechtbank overweegt daarbij dat de maatregel wordt opgelegd ter zake van poging tot doodslag. Dat is een misdrijf dat is gericht tegen, dan wel gevaar veroorzaakt voor, de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen in de zin van artikel 38e Sr. Dit brengt mee dat de duur van de terbeschikkingstelling niet is gemaximeerd tot vier jaren indien deze op enig moment wordt omgezet naar een tbs-maatregel met verpleging van overheidswege.\n\nGelet op het psychiatrisch toestandsbeeld van de verdachte, de ernst van het bewezenverklaarde feit onder 1 en het hoge recidiverisico ziet de rechtbank aanleiding de tbs met voorwaarden op grond van artikel 38, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht dadelijk uitvoerbaar te verklaren. Gezien de duur van de daarnaast opgelegde onvoorwaardelijke gevangenisstraf ziet de rechtbank geen aanleiding om, anders dan door de officier van justitie verzocht, de voorlopige hechtenis te schorsen vanaf het moment dat de straf gelijk wordt aan de duur van het voorarrest en onder gelijkluidende voorwaarden als de tbs-maatregel. Dit moment ligt immers dusdanig ver in de toekomst dat het te ver gaat om daarover reeds nu een beslissing te nemen.\n\nGedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel\n\nDe reclassering heeft geadviseerd om aan de verdachte een gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel (GVM) als bedoeld in artikel 38z van het Wetboek van Strafrecht op te leggen, zodat ook na afloop van de terbeschikkingstelling gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende voorwaarden kunnen worden toegepast. De rechtbank begrijpt dat het adviseren van een GVM onderdeel uitmaakt van de standaardwerkwijze van de reclassering. Desgevraagd heeft de deskundige ter zitting niet nader kunnen concretiseren welke toegevoegde waarde deze maatregel in dit geval heeft, buiten de aanwezigheid van een mogelijk forensisch kader na afloop van de maatregel. De rechtbank stelt vast dat door oplegging van deze maatregel de verdachte uiteindelijk gedurende lange tijd fors in zijn vrijheden kan worden beperkt. De enkele notie dat er zodoende altijd een vangnet mogelijk is vindt de rechtbank onder deze omstandigheden, waarin er verder geen concrete toegevoegde waarde van de maatregel zelf benoemd kon worden, onvoldoende. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding om de maatregel als bedoeld in artikel 38z van het Wetboek van Strafrecht op te leggen.\n\n7. De benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel7.1. \n\nDe vordering van de benadeelde partijen\n\nVordering benadeelde partij [slachtoffer] (feit 1 en 2)\n\nDe benadeelde partij vordert schadevergoeding tot een bedrag van 14.000,00 euro ter zake van de feiten 1 en 2. Deze vordering bestaat uit immateriële schade. Er is bij de benadeelde partij onder meer sprake van hersenletsel, een breuk aan de middelvinger, een breuk in de neus, littekens in het aangezicht en een breuk in het sleutelbeen. De benadeelde heeft verzocht om vermeerdering van het toe te wijzen bedrag met de wettelijke rente en om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.\n\nVordering benadeelde partij [naam cafetaria] (feit 3)\n\nDe benadeelde partij vordert schadevergoeding tot een bedrag van 1.830,00 euro ter zake van feit 3. Deze vordering ziet op de kosten die de benadeelde partij heeft moeten maken voor een nieuwe deur. De benadeelde heeft verzocht om vermeerdering van het toe te wijzen bedrag met de wettelijke rente en om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.7.2. \n\nHet standpunt van de officier van justitie\n\nMet betrekking tot de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk moet worden verklaard, omdat de vordering te moeilijk is om te beoordelen. De vordering is op meerdere punten onvoldoende onderbouwd en bij de beoordeling moet worden betrokken of er sprake is van eigen schuld van de benadeelde partij.\n\nMet betrekking tot de vordering van de benadeelde partij [naam cafetaria] heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat de vordering moet worden toegewezen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Hoewel er geen offerte is bijgevoegd, heeft de verdachte zich bereid verklaard om de schade te betalen. De gijzeling kan in dit geval worden vastgesteld op één dag.7.3. \n\nHet standpunt van de verdediging\n\nMet betrekking tot de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij primair niet-ontvankelijk moet worden verklaard, omdat de vordering te onduidelijk is en daardoor een onevenredige belasting voor het strafproces vormt. Subsidiair heeft de raadsvrouw verzocht om alleen een bedrag toe te wijzen voor de breuk in de neus, de vordering sterk te matigen en rekening te houden met een mate van eigen schuld.\n\nMet betrekking tot de vordering van de benadeelde partij [naam cafetaria] heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat de vordering kan worden toegewezen, ondanks dat de vordering niet is onderbouwd en niet voldoet aan de formele eisen omdat de handtekening ontbreekt. De verdachte is immers bereid om de schade te betalen.7.4. \n\nHet oordeel van de rechtbank\n\nVordering benadeelde partij [slachtoffer] (feit 1)\n\nVergoeding van immateriële schade is op grond van artikel 6:106, aanhef en onder b, van het Burgerlijk Wetboek onder meer mogelijk indien de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen. In dit geval staat vast dat de benadeelde partij als gevolg van het door de verdachte gepleegde strafbare feit lichamelijk letsel heeft opgelopen, te weten breuken van de neus en middelvinger en licht traumatisch hersenletsel. Gelet op de aard en ernst van het letsel, de pijn die daarvan het gevolg is geweest en de onderbouwing daarvan aan de hand van foto’s en medische informatie, acht de rechtbank een vergoeding van immateriële schade van € 5.000,00 billijk. De rechtbank wijst de vordering van de benadeelde partij tot dat bedrag toe. De rechtbank is van oordeel dat de vordering voor het overige onvoldoende onderbouwd is. De rechtbank verklaart de benadeelde partij in het overige gedeelte van de vordering dan ook niet-ontvankelijk. De rechtbank ziet verder aanleiding om de schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht op te leggen, met het bijbehorende aantal dagen gijzeling.\n\nVordering benadeelde partij [naam cafetaria] (feit 3)\n\nDe rechtbank is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 3 bewezenverklaarde feit rechtstreeks schade heeft geleden tot het bedrag zoals gevorderd. De vordering is door de verdediging niet weersproken. Nu de vordering de rechtbank ook niet onredelijk voorkomt en de verdachte zich bereid heeft verklaard de schade te vergoeden, acht de rechtbank de vordering toewijsbaar. De rechtbank ziet verder aanleiding om de schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht op te leggen.\n\nEr zal maar één dag gijzeling worden toegepast, gelet op de gebreken die aan de vordering kleven en de overeenstemming ter zitting over de duur van de toe te passen gijzeling.\n\n8. Het beslag\n\nNu de verdachte zal worden vrijgesproken van feit 2 dient het inbeslaggenomen goed – te weten een ijzeren pijp\u002Fstaaf – teruggegeven te worden aan de verdachte.\n\n9. De wettelijke voorschriften\n\nDe beslissing berust op de artikelen 36f, 38, 38a, 45, 57, 287 en 350 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.\n\n10. De beslissing\n\nDe rechtbank:\n\nVrijspraak\n\n- spreektde verdachtevrijvan feit 2;\n\nBewezenverklaring\n\nverklaart het tenlastegelegde bewezenzoals hierboven onder 3.4 is omschreven;\n\nspreekt de verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;\n\nStrafbaarheid\n\nverklaart dat het bewezenverklaarde de strafbare feitenoplevert zoals hierboven onder 4 is omschreven;\n\nverklaart de verdachte strafbaar;\n\nStraf\n\nveroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf van 42 maanden;\n\nbeveelt dat de tijd die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van deze gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;\n\nMaatregel\n\ngelast dat de verdachte ter beschikkingwordtgesteld met voorwaardenten aanzien van feit 1 primair;\n\nstelt ter bescherming van de veiligheid van anderen de volgende voorwaarden:\n\n1. Geen strafbaar feit plegen\n\nVeroordeelde maakt zich niet schuldig aan een strafbaar feit.\n\n2. Meewerken aan reclasseringstoezicht\n\nVeroordeelde werkt mee aan het reclasseringstoezicht. Deze medewerking houdt onder andere in:\n\n- Veroordeelde meldt zich op afspraken bij de reclassering. De reclassering bepaalt hoe vaak dat nodig is;\n\n- Veroordeelde laat een of meer vingerafdrukken nemen en laat een geldig identiteitsbewijs zien. Dit is nodig om de identiteit van veroordeelde vast te stellen;\n\n- Veroordeelde houdt zich aan de aanwijzingen van de reclassering. De reclassering kan aanwijzingen geven die nodig zijn voor de uitvoering van het toezicht of om veroordeelde te helpen bij het naleven van de voorwaarden;\n\n- Veroordeelde helpt de reclassering aan een actuele foto waarop zijn gezicht herkenbaar is. Deze foto is nodig voor opsporing bij ongeoorloofde afwezigheid;\n\n- Veroordeelde werkt mee aan huisbezoeken;\n\n- Veroordeelde geeft de reclassering inzicht in de voortgang van begeleiding en\u002Fof behandeling door andere instellingen of hulpverleners;\n\n- Veroordeelde vestigt zich niet op een ander adres zonder toestemming van de reclassering;\n\n- Veroordeelde werkt mee aan het uitwisselen van informatie met personen en instanties die contact hebben met veroordeelde, als dat van belang is voor het toezicht.\n\n3. Meewerken aan time-out\n\nAls de reclassering dat nodig vindt en veroordeelde daarmee instemt, kan veroordeelde voor een time-out worden opgenomen in een Forensisch Psychiatrisch Centrum (FPC) of andere instelling (FPK \u002F FPA). Deze time-out duurt totdat de reclassering of veroordeelde deze beëindigt, maar maximaal zeven weken, met de mogelijkheid van verlenging met nog eens maximaal zeven weken, tot maximaal veertien weken per jaar.\n\n4. Niet naar het buitenland\n\nVeroordeelde gaat niet naar het buitenland of het Caribisch deel van het Koninkrijk der Nederlanden, zonder toestemming van de reclassering.\n\n5. Opneming in een zorginstelling\n\nVeroordeelde laat zich opnemen in en behandelen door een forensisch psychiatrische kliniek (FPK) of een soortgelijke zorginstelling, te bepalen door de voor plaatsing verantwoordelijke instantie (NIFP-IFZ \u002F DIZ). De opname start zo spoedig mogelijk en zodra de plaatsing mogelijk is. De zorginstelling bepaalt de wijze van behandeling. De behandeling is gericht op de agressieproblematiek, de ADHD, de persoonlijkheidsstoornis en de verslavingsproblematiek. Gelet op de problematiek kan onderdeel van de behandeling zijn dat veroordeelde voorgeschreven medicatie zal gebruiken. Veroordeelde houdt zich aan de huisregels en aanwijzingen van de zorginstelling en de behandelaren. Als de reclassering een overgang naar ambulante zorg of verblijf in een instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang nodig vindt, werkt veroordeelde mee aan de indicatiestelling en plaatsing.\n\n6. Ambulante behandeling\n\nVeroordeelde laat zich na afronding van de klinische behandeling behandelen door een forensische polikliniek of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de behandeling nodig vindt. De zorgverlener bepaalt de wijze van behandeling. De behandeling is gericht op de psychische en verslavingsproblematiek, en de agressiebeheersing, schuldenproblematiek. Gelet op de problematiek kan onderdeel van de behandeling zijn dat veroordeelde voorgeschreven medicatie zal gebruiken.\n\n7. Verblijf in begeleid wonen of maatschappelijke opvang\n\nVeroordeelde verblijft in een begeleid wonen of maatschappelijke opvang, te bepalen door de reclassering, indien en zolang de reclassering nodig acht. Het verblijf start na de klinische behandeling. Veroordeelde houdt zich aan de huisregels en het dagprogramma dat de instelling in overleg met de reclassering opstelt.\n\n8. Verbod verdovende middelen\n\nVeroordeelde gebruikt geen verdovende middelen genoemd in lijst I (harddrugs), en lijst II (softdrugs) en geen middelen die vallen onder een stofgroep genoemd in lijst IA in de Opiumwet gebruikt, tenzij de reclassering toestemming heeft gegeven voor het gebruik. Veroordeelde moet meewerken aan controles. Dit kunnen zijn urineonderzoek\u002Fademonderzoek. De reclassering bepaalt hoe vaak en met welk controlemiddel wordt gecontroleerd.\n\n9. Alcoholverbod\n\nVeroordeelde gebruikt geen alcohol, tenzij de reclassering toestemming heeft gegeven voor het gebruik. Veroordeelde moet meewerken aan controles. Dit kunnen zijn urineonderzoek\u002Fademonderzoek. De reclassering bepaalt hoe vaak en met welk controlemiddel wordt gecontroleerd.\n\n10. Contactverbod\n\nVeroordeelde zoekt of heeft op geen enkele wijze - direct of indirect - contact met [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum] .\n\n11. Dagbesteding\n\nVeroordeelde spant zich in voor het vinden en behouden van betaald werk, onbetaald werk en\u002Fof vrijetijdsbesteding, met een vaste structuur. De dagbesteding draagt bij aan het voorkomen van delictgedrag.\n\n12. Aflossing schulden\n\nVeroordeelde werkt mee aan het aflossen van zijn schulden en het treffen van afbetalingsregelingen, ook als dit inhoudt meewerken aan schuldhulpverlening in het kader van de Wet Schuldsanering Natuurlijke Personen. Veroordeelde geeft de reclassering inzicht in zijn financiën en schulden.\n\nToezicht\n\n- geeft opdracht aan de reclassering om toezichtte houden op de naleving van de voorwaarden en de ter beschikking gestelde ten behoeve daarvan te begeleiden;\n\nDadelijke uitvoerbaarheid\n\n- beveelt dat de terbeschikkingstelling met voorwaarden, alsmede het door de reclassering uit te oefenen toezicht, dadelijk uitvoerbaarzijn;\n\nBenadeelde partij [slachtoffer] en schadevergoedingsmaatregel t.a.v. feit 1\n\nwijstde vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partijgedeeltelijk toeen veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij, [slachtoffer] , van een bedrag van5.000,00 euro, bestaande uit immateriële schade;\n\nbepaalt dat de vergoeding van immateriële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rentevanaf 8 april 2025 tot aan de dag der algehele voldoening;\n\nveroordeelt verdachte tevens in de proceskostendoor de benadeelde partij gemaakt, tot heden begroot opnihil, en in de proceskosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken;\n\nbepaalt dat de benadeelde partij in de vordering voor het overige niet-ontvankelijkis en de vordering in zoverre slechts bij de burgerlijk rechter kan aanbrengen;\n\nlegt aan verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staatten behoeve van [slachtoffer] van een bedrag van5.000,00 euro;\n\nbepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt gijzelingkan worden toegepast voor de duur van50 dagen. De toepassing van deze gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op;\n\nbepaalt dat de vergoeding van materiële en immateriële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rentevanaf 8 april 2025 tot aan de dag der algehele voldoening;\n\nbepaalt dat verdachte van zijn schadevergoedingsplicht jegens de benadeelde is bevrijd voorzover hij heeft voldaan aan een van de hem opgelegde verplichtingen tot vergoeding van deze schade;\n\nBenadeelde partij [naam cafetaria] en schadevergoedingsmaatregel t.a.v. feit 3\n\nwijstde vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partijtoeen veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij, [naam cafetaria] , van een bedrag van1.830,50 euro, bestaande uit materiële schade;\n\nbepaalt dat de vergoeding van materiële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rentevanaf 8 april 2025 tot aan de dag der algehele voldoening;\n\nveroordeelt verdachte tevens in de proceskostendoor de benadeelde partij gemaakt, tot heden begroot opnihil, en in de proceskosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken;\n\nlegt aan verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staatten behoeve van [naam cafetaria] van een bedrag van1.830,50 euro;\n\nbepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt gijzelingkan worden toegepast voor de duur van1 dag. De toepassing van deze gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op;\n\nbepaalt dat de vergoeding van materiële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rentevanaf 8 april 2025 tot aan de dag der algehele voldoening;\n\nbepaalt dat verdachte van zijn schadevergoedingsplicht jegens de benadeelde is bevrijd voorzover hij heeft voldaan aan een van de hem opgelegde verplichtingen tot vergoeding van deze schade;Beslag\n\n- gelast de teruggave vanhet volgende inbeslaggenomen goed aan de rechthebbende:\n\n1. STK pijp (G1786919).\n\nDit vonnis is gewezen door mr. L. Bastiaans, voorzitter, mr. K. Mestrom en mr. Y.R.S. Piekhaar, rechters, in tegenwoordigheid van mr. B.H.G. Staals, griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 7 juli 2026.\n\nMr. Y.R.S. Piekhaar is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.\n\nBIJLAGE I: De tenlastelegging\n\nAan de verdachte is ten laste gelegd dat\n\nT.a.v. feit 1 primair:\n\nhij, op of omstreeks 8 april 2025 te Venlo ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer] opzettelijk en al dan niet met voorbedachten rade van het leven te beroven, die [slachtoffer] meermalen, althans éénmaal (met kracht) met een (ijzeren) staaf en\u002Fof moersleutel, althans (telkens) met enig (hard) voorwerp, op\u002Ftegen het hoofd, in elk geval het lichaam heeft geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;\n\nT.a.v. feit 2 primair:\n\nhij, op of omstreeks 12 maart 2025 te Venlo ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer] opzettelijk en al dan niet met voorbedachten rade van het leven te beroven, die [slachtoffer] meermalen, althans éénmaal (met kracht) met een (ijzeren) staaf, althans (telkens) met enig (hard) voorwerp, op\u002Ftegen het hoofd, in elk geval het lichaam heeft geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;\n\nT.a.v. feit 2 subsidiair:\n\nhij, op of omstreeks 12 maart 2025 te Venlo ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer] opzettelijk en al dan niet met voorbedachten rade, zwaar lichamelijk letel toe te brengen, die [slachtoffer] meermalen, althans éénmaal (met kracht) met een (ijzeren) staaf, althans (telkens) met enig (hard) voorwerp, op\u002Ftegen het hoofd, in elk geval het lichaam heeft geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;\n\nT.a.v. feit 3:\n\nhij, op of omstreeks 8 april 2025 te Venlo\n\nopzettelijk en wederrechtelijk een (tussen)deur, in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan [naam cafetaria] en\u002Fof [aangever] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt en\u002Fof weggemaakt.\n\n Waar hierna wordt verwezen naar paginanummers, wordt - tenzij anders vermeld - gedoeld op paginanummers uit het proces-verbaal van politie Eenheid Limburg, proces-verbaalnummer OL2300-2025056739, gesloten d.d. 27 mei 2025, doorgenummerd van pagina 1 tot en met pagina 215.\n\n Proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer] van 8 april 2025, pg. 13-15.\n\n Proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 1] van 9 april 2025, pg. 102-115.\n\n Proces-verbaal van aanhouding verdachte van 8 april 2025, pg. 184-186.\n\n Proces-verbaal van aangifte van [aangever] van 8 april 2025, pg. 55-57.\n\n Proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 1] van 9 april 2025, pg. 102-115.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBLIM:2026:6631","ecli-nl-rblim-2026-6631",{"courtName":6,"legalDomain":31,"decisionType":22,"procedureType":23},{"id":62,"ecli":63,"caseNumber":14,"courtId":5,"courtName":14,"decisionDate":64,"fullText":65,"language":7,"source":17,"sourceUrl":66,"summary":14,"slug":67,"metadata":68},"1556","ECLI:NL:RBDHA:2026:18516","2026-07-06T00:00:00.000Z","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Roermond\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: AWB 26\u002F2838\n uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n [eiseres],\n\ngeboren op [geboortedatum] 1981, Colombiaanse nationaliteit,\n\nV-nummer: [V-nummer],\n\neiseres,\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, verweerder,\n\n(gemachtigde: mr. E. de Bonth).\n\nProcesverloop\n\nVerweerder heeft op 13 januari 2026 een terugkeerbesluit vastgesteld waarin Colombia als land van terugkeer is aangemerkt en een termijn van 28 dagen voor vrijwillig vertrek is bepaald. Op 16 februari 2026 heeft verweerder een inreisverbod met een duur van 2 jaar uitgevaardigd.\n\nEiseres heeft beroep ingesteld tegen het inreisverbod van 16 februari 2026. Tevens heeft zij de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening als bedoeld in artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht te treffen. Dit verzoek is geregistreerd onder zaaknummer Awb 26\u002F3260.\n\nVerweerder heeft schriftelijk verweer gevoerd.\n\nDe rechtbank heeft partijen laten weten dat zij een zitting niet nodig vindt en gevraagd of partijen het daarmee eens zijn. Verweerder heeft uitdrukkelijk toestemming verleend om uitspraak te doen zonder het beroep op zitting te behandelen. Omdat eiseres niet om een zitting heeft gevraagd, heeft de rechtbank het onderzoek gesloten en de zaak niet behandeld op een zitting.\n\nOverwegingen\n\n1. Verweerder heeft op 13 januari 2026 bij een uitreiscontrole op luchthaven Schiphol vastgesteld dat eiseres de vrije termijn met 828 dagen heeft overschreden. Verweerder heeft hierin aanleiding gezien om een terugkeerbesluit vast te stellen en een voornemen tot een inreisverbod uit te brengen met de mededeling dat eiseres na terugkeer in Colombia haar zienswijze mag geven en vervolgens mogelijk een besluit tot het opleggen van een inreisverbod zal ontvangen.\n\n2. Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het inreisverbod. Zij heeft onder meer aangevoerd dat zij sinds juni 2023 in Spanje heeft verbleven overeenkomstig Spaanse regelgeving en zich in Spanje heeft verloofd met een Zweedse onderdaan. Eiseres had voor haar terugkeer naar Spanje reeds een verblijfsvergunning in Spanje aangevraagd, maar gelet op de duur van de procedure, hebben eiseres en haar verloofde besloten om een verblijfsvergunning voor eiseres in Zweden aan te vragen. Om aan alle voorwaarden hiervoor te voldoen is eiseres, via luchthaven Schiphol, teruggekeerd naar haar land van herkomst en heeft zij, samen met haar Zweedse verloofde, op 19 januari 2026 een gehoor gehad met de Zweedse autoriteiten op de Zweedse ambassade in Bogotá. Eiseres heeft gesteld dat de regelgeving complex is en dat zij altijd de regelgeving waarvan zij weet had, in Spanje heeft gevolgd. Eiseres heeft gedetailleerd en onderbouwd aangegeven dat zij voldeed aan de voorwaarden voor de ‘Spaanse amnestieregeling’ en vindt dat zij daardoor niet formeel ‘irregulier’ was. Ten tijde van het indienen van de beroepsgronden op 19 februari 2026, hebben eiseres en haar verloofde 13 maanden een relatie. De verloofde van eiseres heeft een schriftelijke verklaring overgelegd en waarin hij heeft aangegeven dat eiseres en hij gezamenlijk waren ingeschreven in Spanje maar dat hij inmiddels duurzaam is gevestigd in Zweden, het land waarvan hij een onderdaan is, en dat hij een stabiel en toereikend inkomen heeft. In deze verklaring is ook vermeld dat hij mede-eigenaar is van een onderneming waarin onder meer een restaurant en ‘bed and breakfast’ worden geëxploiteerd. Indien de Zweedse autoriteiten een verblijfsvergunning aan eiseres verlenen, zal zij binnen deze onderneming werkzaamheden gaan verrichten. Eiseres vindt dat een inreisverbod met een duur van 24 maanden zeer ingrijpend en onevenredig is. Eiseres verzoekt de rechtbank in aanmerking te nemen dat zij actief heeft geprobeerd overeenkomstig de regelgeving te handelen door Spanje te verlaten en de aanvraagprocedure via de Zweedse ambassade te volgen en zo heeft geprobeerd om haar situatie te regulariseren.\n\n3. Verweerder heeft zich in zijn verweerschrift op het standpunt gesteld dat terecht aan eiseres een inreisverbod is opgelegd omdat zij op 11 juli 2023 Spanje is ingereisd en de vrije termijn met 828 dagen heeft overschreden, wat is geconstateerd bij de uitreis op luchthaven Schiphol. Verweerder vindt het opleggen van het inreisverbod niet onredelijk of onevenredig omdat dit een sanctie op langdurig illegaal verblijf is en zij gedurende de looptijd van het inreisverbod in haar land van herkomst of elders invulling kan geven aan haar relatie met haar Zweedse partner. Als het inreisverbod de enige belemmering is die aan het verlenen van een verblijfsvergunning door de Zweedse autoriteiten in de weg staat, kunnen de Zweedse autoriteiten de IND hiervan in kennis stellen en dan zal verweerder, conform zijn geldende beleid, de signalering in SIS wissen en ambtshalve nagaan of het inreisverbod moet worden opgeheven.\n\n4. De rechtbank overweegt allereerst dat verweerder op 13 januari 2026 terecht heeft vastgesteld dat sprake is geweest van illegaal verblijf. Dit blijkt namelijk uit de door verweerder overgelegde stukken waaronder een kopie paspoort met een inreisstempel en uit het ontbreken van stukken waaruit blijkt dat eiseres op enig moment na deze inreis in het bezit is geweest van een verblijfsvergunning of andere toestemming voor verblijf in een van de lidstaten. Dat eiseres stelt en meent dat zij overeenkomstig de regels heeft gehandeld, laat onverlet dat zij niet heeft onderbouwd dat zij rechtmatig in Spanje heeft verbleven. Dit betekent dat verweerder in beginsel verplicht was om een terugkeerbesluit te nemen. Verweerder heeft ook terecht vastgesteld dat eiseres de vrije termijn met 828 dagen heeft overschreden. Ook dit blijkt uit de door verweerder overgelegde stukken die door eiseres niet zijn betwist. Gelet op het beleid dat verweerder voert is verweerder gehouden om in deze situatie een inreisverbod uit te vaardigen. De rechtbank overweegt dat beleid waarbij een inreisverbod wordt gehanteerd als sanctie voor illegaal verblijf niet onverenigbaar met het Unierecht is. De rechtbank stelt in aanvulling hierop vast dat eiseres een zeer aanzienlijke periode illegaal in de Unie heeft verbleven. De rechtbank zal evenwel het beroep gegrond verklaren en motiveert dit als volgt.\n\n5. Eiseres heeft geen beroep tegen het terugkeerbesluit ingesteld. De rechtbank is bekend met de Afdelingsjurisprudentie over de omvang van het geding en dat de rechtbank daarom alleen de rechtmatigheid van het besluit waartegen beroep is ingesteld mag controleren. De rechtbank overweegt dat in deze specifieke procedure aanleiding bestaat om die jurisprudentie niet onverkort en niet strikt van toepassing te achten omdat het terugkeerbesluit de grondslag is voor het uitvaardigen van het inreisverbod en deze besluiten dus naar hun aard met elkaar verweven zijn. Ook zonder de rechtmatigheid van een terugkeerbesluit ten gronde te beoordelen moet namelijk wel worden nagegaan of sprake is van een terugkeerbesluit dat ten grondslag kan liggen aan het in deze procedure te beoordelen inreisverbod.\n\n6. Verweerder is, zoals hiervoor overwogen, in beginsel verplicht om een terugkeerbesluit vast te stellen als sprake is van illegaal verblijf. Uit het dossier blijkt niet dat eiseres illegaal in Nederlandheeft verbleven. Eiseres is de Unie in 2023 via Spanje ingereisd en is (kennelijk) vanwege een tussenlanding op luchthaven Schiphol bij de uitreis op 13 januari 2026 bevraagd door de KMar. Eiseres heeft zich, gelet op deze feiten, enkel in de transitruimte bevonden en is nimmer toegelaten geweest tot Nederland. Ook in dat geval is verweerder gehouden om na te gaan of de in artikel 5 van richtlijn 2008\u002F115 genoemde belangen en\u002Fof het beginsel van non-refoulement aan de vaststelling van een terugkeerbesluit en aan de uitvaardiging van een inreisverbod in de weg staan. Het formulier dat is genaamd ‘Gehoor terugkeerbesluit’ volstaat niet om dit onderzoek te verrichten. Op het formulier dat in het dossier is gevoegd, is vermeld ‘voornemenprocedure Spaans’, maar dit voornemen heeft betrekking op het voornemen om een inreisverbod uit te vaardigen. Er wordt immers niet eerst een voornemen uitgebracht alvorens een ‘kaal terugkeerbesluit’ vast te stellen. Er is geen Spaanstalig document getiteld ‘gehoor terugkeerbesluit’ in het dossier gevoegd en in de stukken is niet vermeld dat eiseres is gehoord met behulp van een tolk in de Spaanse taal of een andere taal die zij voldoende beheerst. Tevens is weliswaar vermeld dat het terugkeerbesluit en het voornemen tot opleggen van een inreisverbod aan eiseres zijn uitgereikt, maar ook bij de dagtekening en ondertekening van de uitreiking is niet vermeld dat de uitreiking is geschied met tussenkomst van een tolk of in een taal die eiseres in voldoende mate beheerst. De rechtbank kan dus niet vaststellen dat eiseres heeft begrepen wat er in dat formulier staat.\n\n7. In het document dat is getiteld ‘gehoor terugkeerbesluit’ is voorts enkel toegelicht dat een terugkeerbesluit het opleggen van een terugkeerverplichting behelst. Niet is vermeld dat een terugkeerbesluit de grondslag kan vormen voor een inreisverbod en dat het overschrijden van de visumvrije termijn dergelijke gevolgen heeft. De vragen waar eiseres ‘ja’ of ‘nee’ op kan antwoorden volstaan ook niet om als een dergelijke toelichting te kunnen worden beschouwd.\n\n8. De rechtbank stelt vast dat een informatiefolder over een terugkeerbesluit ontbreekt. Eiseres is niet daadwerkelijk gehoord over het uit te vaardigen inreisverbod, maar heeft bij uitreis een voornemen ontvangen met een folder en de mededeling dat zij een zienswijze kan geven als ze is teruggekeerd. Uit het aankruisen van de standaardvragen in het formulier ‘gehoor terugkeerbesluit’ kan geen andere conclusie volgen dan dat eiseres niet heeft begrepen wat een terugkeerbesluit is. Aan eiseres had dit moeten worden uitgelegd zodat zij ook haar zienswijze daarop had kunnen geven. Eiseres had moeten worden uitgelegd dat het terugkeerbesluit weliswaar door haar vertrek uit de Unie wordt uitgevoerd, maar dat dit terugkeerbesluit tevens een vereiste is om een inreisverbod uit te kunnen vaardigen. Indien eiseres dit zou hebben doorgrond, had zij met een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid op de vierde vraag ‘Zijn er voor u overige nog andere redenen en\u002Fof bijzondere omstandigheden waarom zou moeten worden afgezien van het opleggen van een terugkeerbesluit?’ bevestigend geantwoord. De omstandigheden die zij in beroep heeft aangevoerd tegen het inreisverbod zijn namelijk ook relevant voor de beoordeling of een terugkeerbesluit kan worden vastgesteld. Dat eiseres is opgekomen tegen het inreisverbod, betekent niet dat zij heeft begrepen wat de vaststelling van een terugkeerbesluit betekent, wat de rechtsgevolgen hiervan zijn, dat zij hier zelfstandig argumenten tegen kan aandragen en dat zij het recht had om beroep in te stellen tegen het terugkeerbesluit en daartoe, volgens vaste Afdelingsjurisprudentie, ook gehouden zou zijn om een rechtmatigheidscontrole van het terugkeerbesluit door de rechtbank te verkrijgen.\n\n9. Verweerder heeft door op deze wijze, zonder uitleg te verschaffen en zonder eiseres te bevragen over de in artikel 5 van richtlijn 2008\u002F115 genoemde belangen en\u002Fof het beginsel van non-refoulement, en zonder in het terugkeerbesluit hier op in te gaan niet alleen een terugkeerbesluit vastgesteld dat de rechtbank zou vernietigen als eiseres daartegen beroep zou hebben ingesteld. Verweerder heeft door aldus te handelen ook het inreisverbod onzorgvuldig voorbereid en onvoldoende draagkrachtig gemotiveerd. Het zorgvuldig voorbereiden van een inreisverbod is mééromvattend dan aan eiseres bij haar uitreis zonder deugdelijke uitleg een terugkeerbesluit mee te geven en na een schriftelijk gehoor met een beperkt aantal standaardvragen een voornemen tot een zienswijze mee te geven en af te wachten of er een zienswijze komt. Eiseres heeft dit als zodanig niet aangevoerd, maar artikel 5 van richtlijn 2008\u002F115 bevat verplichtingen voor verweerder en voor de rechtbank, die de rechtbank nopen om ook zo nodig ambtshalve na te gaan of sprake is van beletselen om een terugkeerbesluit en\u002Fof inreisverbod op te leggen. De rechtbank realiseert zich dat de Afdeling, anders dan bij bewaring, geen bevoegdheid tot het verrichten van een ambtshalve rechtmatigheidsbeoordeling van een terugkeerbesluit aanneemt, maar de rechtbank kan zich hier niet in vinden. Weliswaar is elke maatregel van bewaring een zeer ernstige inbreuk op het recht op vrijheid en is dit meermalen uitdrukkelijk benoemd door het Hof. Het vaststellen van een terugkeerbesluit en daarmee het opleggen van een terugkeerverplichting kan echter ook gevolgen hebben voor grondrechten die door het Handvest worden gegarandeerd. De rechtbank beoordeelt in de onderhavige procedure overigens niet de rechtmatigheid van het terugkeerbesluit dat reeds is uitgevoerd, maar beoordeelt of ‘er een terugkeerbesluit is dat als grondslag kan dienen van het inreisverbod’ en doet dat ambtshalve omdat eiseres het grondrecht op een effectief rechtsmiddel als bedoeld in artikel 47 van het Handvest heeft.\n\n10. In het document ‘gehoor terugkeerbesluit’ is voorts het navolgende vermeld:\n\n(…)\n\nIndien u één van de bovenstaande vragen met “JA” heeft beantwoord kunt u nader worden gehoord tenzij u nadrukkelijk aangeeft daar geen belang aan te hechten. De tijdsduur van het gehoor bedraagt ongeveer 30 minuten. Mocht u hierdoor uw terugvlucht missen, dan komt dit voor eigen rekening en risico.\n\n(…)\n\n11. Daargelaten dat het terugkeerbesluit zodanig onzorgvuldig tot stand is gekomen dat dit niet als grondslag van het inreisverbod kan dienen, overweegt de rechtbank dat deze standaard-mededeling op het document ‘gehoor terugkeerbesluit’ onzorgvuldig is. De autoriteiten kiezen ervoor om derdelanders zoals eiseres, die nimmer in Nederland heeft verbleven, bij haar uitreis als het ware op de vliegtuigtrappen een terugkeerbesluit op te leggen in de wetenschap dat dit uitsluitend geschiedt om een inreisverbod uit te kunnen vaardigen. Het is namelijk weinig zinvol om een terugkeerbesluit op te leggen aan een derdelander die de Unie verlaat en daardoor reeds aan zijn terugkeerverplichting voldoet nog voordat dat de inkt van het terugkeerbesluit is opgedroogd. Dit betekent dat verweerder zorgvuldig moet handelen en de vreemdeling daadwerkelijk moet horen en uitleg moet geven over de gevolgen van het vaststellen van het terugkeerbesluit en dan ook daadwerkelijk de gelegenheid moet bieden om zijn zienswijze naar voren te brengen. Door derdelanders op deze wijze bij de uitreis te controleren en nog een terugkeerbesluit in de hand te drukken met de mededeling dat een nader gehoor wel kan plaatsvinden, maar de kans groot is dat de vlucht dan wordt gemist, veronachtzaamt verweerder zijn verplichtingen en geeft hij zich onvoldoende rekenschap van de belangen van, in dit geval, eiseres. Dat deze werkwijze onzorgvuldig is, geldt temeer nu verweerder het uitvaardigen van een inreisverbod als sanctie voor illegaal verblijf beschouwt. Het opleggen van een sanctie vereist zorgvuldig handelen van de autoriteiten.\n\n12. Verweerder heeft onvoldoende invulling gegeven aan zijn verplichtingen die volgen uit artikel 5 van richtlijn 2008\u002F115 en daardoor het inreisverbod onzorgvuldig voorbereid. De rechtbank overweegt dat een verdere beoordeling van de inhoudelijke argumenten niet nodig is omdat reeds gelet op het bovenstaande moet worden geconcludeerd dat het inreisverbod moet worden vernietigd. Dit betekent ook dat verweerder het inreisverbod uit het SIS moet verwijderen. Verweerder weet dat eiseres op 13 januari 2026 vanuit luchthaven Schiphol de Unie heeft verlaten en dat het terugkeerbesluit dus is geëffectueerd. Voor zover verweerder dit nog niet uit eigen beweging heeft gedaan, zal verweerder alsnog het terugkeerbesluit ook uit het SIS moeten verwijderen. De rechtbank merkt hierbij uitdrukkelijk op dat de rechtbank het terugkeerbesluit niet vernietigt omdat eiseres, hoewel dat gelet op de werkwijze van verweerder bij de uitreiscontrole nauwelijks verwijtbaar te noemen is, geen beroep heeft ingesteld tegen het terugkeerbesluit. De rechtbank overweegt tevens dat indien het inreisverbod wel zorgvuldig zou zijn voorbereid en de rechtbank de gronden inhoudelijk zou moeten beoordelen, de rechtbank wellicht tot de conclusie zou zijn gekomen dat het beroep ongegrond zou moeten worden verklaard. Verweerder heeft namelijk terecht aangevoerd dat een aantal stellingen van eiseres niet is onderbouwd en dat uit de beroepsgronden niet blijkt dat het familieleven niet buiten de Unie kan worden uitgeoefend totdat het inreisverbod zou zijn uitgewerkt. Verweerder heeft eiseres ook terecht gewezen op de omstandigheid dat de Zweedse autoriteiten zich tot verweerder kunnen wenden indien uitsluitend het door verweerder uitgevaardigde inreisverbod aan de verlening van een verblijfsvergunning in de weg staat.\n\n13. Het beroep is gelet op al het voorgaande gegrond. Van proceskosten die wegens verleende rechtsbijstand voor vergoeding in aanmerking komen is niet gebleken. De rechtbank spreekt daarom geen proceskostenvergoeding uit.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep gegrond;\n\n- vernietigt het op 16 februari 2026 uitgevaardigde inreisverbod;\n\n- bepaalt dat verweerder het op 16 februari 2026 uitgevaardigde inreisverbod uit het SIS verwijdert.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. S. van Lokven, rechter, in aanwezigheid van mr. E.M.J. Clermonts, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar op 3 juli 2026.\n\ngriffier\n\nrechter\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.\n\n Artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18516","ecli-nl-rbdha-2026-18516",{"courtName":6,"legalDomain":69,"decisionType":22,"procedureType":23},"Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht",{"id":71,"ecli":72,"caseNumber":14,"courtId":5,"courtName":14,"decisionDate":64,"fullText":73,"language":7,"source":17,"sourceUrl":74,"summary":14,"slug":75,"metadata":76},"1634","ECLI:NL:RBLIM:2026:6525","RECHTBANK LIMBURG\n\nZittingsplaats Roermond\n\nStrafrecht\n\nParketnummer : 03.176268.24\n\nTegenspraak (gemachtigde raadsman)\n\nTussenbeslissing van de rechtbank Limburg, meervoudige kamer voor strafzaken\n\nin de strafzaak tegen\n\n [verdachte] ,\n\ngeboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum 1] 1970,\n\nwonende te [adres 1] ,\n\nDe verdachte wordt bijgestaan door mr. M.M. Kuyp, advocaat kantoorhoudende te Laren.\n\n1. Procedure\n\nDeze tussenbeslissing is gegeven naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 24 juni 2026. Voorafgaand aan die terechtzitting heeft de verdediging bij schrijven van 12 juni 2026 onderzoekswensen ingediend. Op de regiezitting zijn de onderzoekswensen toegelicht en heeft de officier van justitie haar standpunt met betrekking tot de verzoeken kenbaar gemaakt. Van de zitting van 24 juni 2026 is een afzonderlijk proces-verbaal opgemaakt.\n\nDe rechtbank heeft op basis van de schriftelijke verzoeken en hetgeen tijdens de regiezitting naar voren is gebracht, vastgesteld welke concrete verzoeken op dit moment ter beoordeling voorliggen en zal deze hierna inhoudelijk bespreken.\n\nDe rechtbank zal deze beslissingen schriftelijk mededelen en verspreiden en er zal geen extra ingelaste terechtzitting zijn. Zowel de officier van justitie als de verdediging hebben hiermee ingestemd.\n\n2. De onderzoekswensen\n\nDe door de verdediging onder 3 in haar schrijven geformuleerde onderzoekswens inzake sepotbeslissingen is, zoals ter terechtzitting bleek, komen te vervallen. De rechtbank zal daarover dus geen beslissing nemen.\n\nDe verdediging heeft verzocht als getuigen te horen:\n\n [naam 1] , president bij het gerechtshof Den Haag, domicilie te [adres 2] ;\n\n [naam 2] , plaatsvervangend president bij het gerechtshof Den Haag, domicilie te [adres 2] .\n\n4. [naam 3] , raadsheer, [geboortedatum 2] , domicilie te [adres 2] ;\n\n5. [naam 4] , advocaat-generaal, [geboortedatum 3] , domicilie te [adres 2] ;\n\n6. [naam 5] , advocaat-generaal, geboortedatum onbekend, domicilie te [adres 2] ;\n\n7. [naam 6] , raadsheer en lid van het MT, [geboortedatum 4] , domicilie te [adres 3] ;\n\n8. [naam 7] , raadsheer en lid van het MT, [geboortedatum 5] , domicilie te [adres 4] ;\n\n9. [naam 8] , griffier, [geboortedatum 6] , domicilie te [adres 2] ;\n\n10. [naam 9] , griffier, [geboortedatum 7] , domicilie te [adres 2] ;\n\n11. [naam 10] , advocaat-generaal, [geboortedatum 8] , domicilie te [adres 2] ;\n\n12. [naam 11] , advocaat-generaal, [geboortedatum 9] , domicilie te [adres 2] ;\n\n13. [naam 12] , raadsheer, [geboortedatum 10] , domicilie te [adres 2] ;\n\n14. [naam 13] , raadsheer, geboortedatum onbekend, domicilie te [adres 2] ;\n\n15. [naam 14] , raadsheer, geboortedatum onbekend, domicilie te [adres 2] ;\n\n16. [naam 15] , hoofd juridische ondersteuning, [geboortedatum 11] , domicilie te [adres 2] ;\n\n17. [naam 16] , adviseur bedrijfsvoering, [geboortedatum 12] , [adres 5] ;\n\n18. [naam 17] , managementassistent, geboortedatum en adresgegevens onbekend;\n\n19. [naam 18] , geboortedatum en adresgegevens onbekend, destijds medewerker Hof Den Haag;\n\n20. [naam 19] , geboortedatum en adresgegevens onbekend, destijds medewerker Hof Den Haag;\n\n21. [naam 20] , griffier, geboortedatum onbekend, domicilie te [adres 2] .\n\nDe OvJ is van mening dat de rechtbank alle getuigenverzoeken dient af te wijzen. Zij heeft daarbij acht geslagen op de reden (voor het ontbreken) van het ondervragingsrecht, het gewicht van de reeds afgelegde of eventueel nog af te leggen verklaringen en de aanwezigheid van compenserende factoren.\n\nDe OvJ komt tot de conclusie dat de getuigen die al zijn gehoord allen geloofwaardige en betrouwbare verklaringen hebben afgelegd die bovendien steun vinden in het dossier. Dat geldt eveneens voor de schriftelijke verklaring ingediend bij de rijksrecherche door getuige 8. De OvJ acht al deze verklaringen afdoende en ziet geen reden waarom de verdediging in de gelegenheid dient te worden gesteld deze te toetsen.\n\nWat betreft de getuigen onder 8, 13, 15, 16, 18, 9 en 21 stelt zij zich bovendien op het standpunt dat er sprake is van een te verwijderd verband met hetgeen de verdachte is ten laste gelegd. De mailwisseling van 16 augustus 2022 en rolzittingen van 10 augustus 2022 en oktober 2023 zien niet op de tenlastelegging en zijn daarom niet relevant voor de beoordeling ervan.\n\nDe rechtbank acht het van belang dat duidelijk wordt wat de werkwijze rondom het opmaken van de bestreden NO-arresten exact was, hoe deze werkwijze zich in de tijd heeft ontwikkeld, en wie wanneer en hoe van deze werkwijze op de hoogte was\u002Fwaren. De rechtbank acht het om die reden relevant om alle getuigen te horen die met de bestreden werkwijze in aanraking kwamen. Zij acht de verklaringen van de opgegeven getuigen 1 en 2 relevant in het kader van de beantwoording van de vragen ex artikel 348 en 350 van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv). Dat betekent dat de rechtbank, gelet op het verdedigingsbelang, het verzoek tot het horen van de getuigen genoemd onder 1, 2, en 4 tot en met 21 toewijst.\n\nTen aanzien van de getuige onder 14 ( [naam 13] ) wenst de rechtbank ambtshalve tevens het proces-verbaal van verhoor van [naam 13] te ontvangen, zoals dat in het kader van de artikel 12 Sv-procedure is afgenomen. De rechtbank zal de officier van justitie daartoe opdracht geven.\n\nOverige verzoeken\n\nDe verdediging verzoekt voorts om:\n\n22. kennisname middels kopie van alle documenten\u002Fbestanden die het Gerechtshof Den Haag op basis van de vordering ex art. 126nd lid 1 Sv met documentcode [nummer 1] (pg. 378 van het procesdossier) heeft verstrekt. Tevens verzoekt de verdediging om kennisname middels kopie van een document met documentcode [nummer 2] dat deel uitmaakt van het personeelsdossier van de verdachte, maar overeenkomstig de geheimhoudersprocedure buiten het onderzoek is gelaten. De verdediging wenst mogelijk daarna op grond van het relevantiecriterium een verzoek tot voegen van bepaalde documenten\u002Fbestanden te doen;\n\n23. de zittingslijsten (documentnummer [nummer 3] ) van de rolzitting van 18 april 2023 en verzoekt opdracht aan de Rijksrecherche te geven om na te gaan welke griffier de betreffende rolzitting heeft bijgewoond en de arresten heeft opgemaakt, alsook om daarvan door de Rijksrecherche proces-verbaal te laten opmaken;\n\n24. inzage te krijgen in de gehele inhoud van de mailbox van de verdachte bij het Gerechtshof Den Haag in de tenlastegelegde periode, teneinde te kunnen achterhalen of, en zo ja wanneer, de verdachte omstreeks 5 oktober 2022 een e-mail heeft verzonden aan [naam 6] en [naam 7] , en daarop een reactie heeft ontvangen van [naam 6] . De verdediging verzoekt daartoe om:\n\na. de gehele inhoud van de volledige mailbox (ontvangen\u002Fverstuurd\u002F\n\nverwijderd\u002Fconcept\u002Fprullenbak) van de verdachte te verstrekken, althans digitale toegang te verkrijgen, inclusief de verwijderde items, ongeacht of deze op een lokale server (van het hof) stonden of op een externe server, over de gehele tenlastegelegde periode,\n\nb. op basis van de inhoud van de mailboxen van [naam 6] en [naam 7] proces-verbaal te laten opmaken met daarin een overzicht van alle door de verdachte aan [naam 6] en\u002Fof [naam 7] verzonden e-mails met een opgave van het onderwerp van de mail, alsmede een overzicht van alle door de verdachte ontvangen e-mails van [naam 6] en\u002Fof [naam 7] voorzien van het onderwerp van de mail in de gehele tenlastegelegde periode, althans in de periode van 1 tot en met 10 oktober 2022,\n\nc. de volledige metadata van de mailboxen, inclusief eventuele unallocated clusters van de mailboxen van de verdachte, en de [naam 6] en [naam 7] in de gehele tenlastegelegde periode, althans in de periode van 1 tot en met 10 oktober 2022.\n\nDe officier van justitie verzet zich niet tegen toewijzing van onderzoekswens 22 en onderzoekswens 24 onder a. De officier van justitie heeft zich echter wel verzet tegen toewijzing van onderzoekswens 23, omdat de zitting van 18 april 2023 buiten de reikwijdte valt van de tenlastelegging. Zij verzet zich eveneens tegen toewijzing van de onderzoekswensen 24 onder b en c, omdat uit het procesdossier voldoende blijkt dat er door de Rijksrecherche uitputtend is gezocht naar het vermeende e-mailbericht dat de verdachte naar eigen zeggen op 5 oktober 2022 zou hebben verzonden.\n\nGelet op het verdedigingsbelang wijst de rechtbank, het verzoek toe tot het ter beschikking stellen van een kopie van alle documenten\u002Fbestanden en het geheimhoudersstuk (zoals geformuleerd onder onderzoekswens 22).\n\nTen aanzien van onderzoekswens 23 is de rechtbank van oordeel dat de verzochte bevindingen niet relevant zijn voor enige in het kader van de artikelen 348 en 350 Sv te nemen beslissing in de zaak van de verdachte, aangezien de rolzitting van 18 april 2023 niet is genoemd in de tenlastelegging en daarmee nadrukkelijk buiten de reikwijdte van de tenlastelegging valt, zodat dit verzoek dient te worden afgewezen.\n\nDe rechtbank wijst, gelet op het verdedigingsbelang, toe het verzoek, zoals geformuleerd onder onderzoekswens 24 a, b en c, met dien verstande dat de te verstrekken data uitsluitend zien op de periode van 1 oktober 2022 tot en met 10 oktober 2022. Ten aanzien van onderzoekswens 24 onder c bepaalt de rechtbank dat de te verstrekken metadata uit de mailboxen van [naam 6] en [naam 7] zich zal beperken tot de communicatie tussen beide raadsheren met de verdachte. De rechtbank is van oordeel dat de bevindingen uit deze onderzoeken relevant kunnen zijn voor enige in het kader van de artikelen 348 en 350 Sv te nemen beslissing in de zaak van de verdachte.\n\nAanvullend verzoek\n\nDe verdediging heeft ter terechtzitting aanvullend verzocht om de officier van justitie op te dragen om proces-verbaal te laten opmaken, waaruit blijk:\n\nop welk moment de verdachte is geregistreerd als verdachte;\n\nop wiens\u002Fwier verzoek dat is gebeurd;\n\nof en zo ja in overleg met wie deze beslissing is genomen.\n\nDe officier van justitie heeft zich niet tegen deze aanvullende onderzoekswens verzet.\n\nGelet op het verdedigingsbelang wijst de rechtbank dit verzoek toe.\n\nVerwijzing rechter-commissaris\n\nDe rechtbank verwijst de zaak naar de rechter-commissaris voor het horen van de getuigen 4 tot en met 6 en de getuigen 9 tot en met 21 (16 getuigen in totaal). De rechtbank verzoekt de rechter-commissaris al datgene te doen wat hem of haar in het belang van het onderzoek geraden voorkomt.\n\nHoren getuigen ter terechtzitting\n\nDe getuigen 1 ( [naam 1] ) en 2 ( [naam 2] ) – bestuursleden van het gerechtshof - en 7 ( [naam 6] ) en 8 ( [naam 7] ) – (destijds) MT-leden van de het gerechtshof - zal de rechtbank als getuigen horen tijdens het onderzoek ter terechtzitting, nadat alle overige 16 getuigen bij de rechter-commissaris zijn gehoord.\n\n3. De beslissingen\n\nDe rechtbank:\n\n- stelt de stukken in handen van derechter-commissarisbelast met de behandeling van strafzaken in deze rechtbank, nu het horen van de navolgende getuigen door de rechter-commissaris noodzakelijk blijkt:\n\no [naam 3], raadsheer, [geboortedatum 2] , domicilie te [adres 2] ;\n\no [naam 4], advocaat-generaal, [geboortedatum 3] , domicilie te [adres 2] ;\n\no [naam 5], advocaat-generaal, geboortedatum onbekend, domicilie te [adres 2] ;\n\no [naam 8], griffier, [geboortedatum 6] , domicilie te [adres 2] ;\n\no [naam 9], griffier, [geboortedatum 7] , domicilie te [adres 2] ;\n\no [naam 10], advocaat-generaal, [geboortedatum 8] , domicilie te [adres 2] ;\n\no [naam 11], advocaat-generaal, [geboortedatum 9] , domicilie te [adres 2] ;\n\no [naam 12], raadsheer, [geboortedatum 10] , domicilie te [adres 2] ;\n\no [naam 13], raadsheer, geboortedatum onbekend, domicilie te [adres 2] ;\n\no [naam 14], raadsheer, geboortedatum onbekend, domicilie te [adres 2] ;\n\no [naam 15], hoofd juridische ondersteuning, [geboortedatum 11] , domicilie te [adres 2] ;\n\no [naam 16], adviseur bedrijfsvoering, [geboortedatum 12] , [adres 5] ;\n\no [naam 17], managementassistent, geboortedatum en adresgegevens onbekend;\n\no [naam 18], geboortedatum en adresgegevens onbekend, destijds medewerker Hof Den Haag;\n\no [naam 19], geboortedatum en adresgegevens onbekend, destijds medewerker Hof Den Haag;\n\no [naam 20], griffier, geboortedatum onbekend, domicilie te [adres 2] .\n\n- verzoekt de rechter-commissaris voorts al datgene te doen wat hem of haar in het belang van het onderzoek geraden voorkomt;\n\n- geeft de officier van justitieopdrachttot:\n\n- het toevoegen aan het procesdossier van het proces-verbaal van verhoor van\n\n [naam 13] zoals dat in het kader van de artikel 12 Sv-procedure is afgenomen;\n\n- het verstrekken aan de verdediging van een kopie van alle documenten\u002Fbestanden die door het Gerechtshof Den Haag op basis van de vordering ex art. 126nd lid 1 Sv met documentcode [nummer 1] (pg. 378 van het procesdossier) zijn verstrekt;\n\n- het verstrekken aan de verdediging van een kopie van een document met documentcode [nummer 2] dat deel uitmaakt van het personeelsdossier van de verdachte, maar overeenkomstig de geheimhoudersprocedure buiten het onderzoek is gelaten;\n\n- het verstrekken aan de verdediging van de gehele inhoud van de volledige mailbox (ontvangen\u002Fverstuurd\u002Fverwijderd\u002Fconcept\u002Fprullenbak) van de verdachte, althans daartoe digitale toegang te verschaffen, inclusief de verwijderde items, ongeacht of deze op een lokale server (van het hof) stonden of op een externe server, over de periode van 1 oktober 2022 tot en met 10 oktober 2022;\n\n- het toevoegen aan het procesdossier van aanvullend proces-verbaal door de Rijksrecherche op basis van de inhoud van de mailboxen van [naam 6] en [naam 7] , met daarin een overzicht van alle door de verdachte aan [naam 6] en\u002Fof [naam 7] verzonden e-mails met een opgave van het onderwerp van de mail, alsmede een overzicht van alle door de verdachte ontvangen e-mails van [naam 6] en\u002Fof [naam 7] voorzien van het onderwerp van de mail in de periode van 1 tot en met 10 oktober 2022;\n\n- het verstrekken aan de verdediging van de volledige metadata van de mailboxen, inclusief eventuele unallocated clusters, van de mailboxen van de verdachte, [naam 6] en [naam 7] in de periode van 1 tot en met 10 oktober 2022;\n\n- het laten opmaken van aanvullend proces-verbaal, waaruit blijk:\n\n- op welk moment de verdachte is geregistreerd als verdachte;\n\n- op wiens\u002Fwier verzoek dat is gebeurd;\n\n- of en zo ja in overleg met wie deze beslissing is genomen;\n\n- beveelt de oproeping van de navolgende getuigen:\n\no [naam 6], raadsheer en lid van het MT, [geboortedatum 4] , domicilie te [adres 3] ;\n\no [naam 7], raadsheer en lid van het MT, [geboortedatum 5] , domicilie te [adres 4] ;\n\no [naam 1], president bij het gerechtshof Den Haag, domicilie te [adres 2] ;\n\no [naam 2], plaatsvervangend president bij het gerechtshof Den Haag, domicilie te [adres 2] .\n\ntegen de datum en het tijdstip waarop het onderzoek ter terechtzitting wordt hervat.\n\nDeze beslissing is op 6 juli 2026 genomen door mr. M.J.A.G. van Baal, voorzitter,\n\nmr. L. Feuth en mr. I.T.H.L. van den Bergh, rechters, in het bijzijn van mr. I.K. Bakker, griffier.\n\nBuiten staat\n\nmr. L. Feuth is buiten staat deze tussenbeslissing mede te ondertekenen.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBLIM:2026:6525","ecli-nl-rblim-2026-6525",{"courtName":6,"legalDomain":31,"decisionType":22,"procedureType":23},{"id":78,"ecli":79,"caseNumber":14,"courtId":5,"courtName":14,"decisionDate":64,"fullText":80,"language":7,"source":17,"sourceUrl":81,"summary":14,"slug":82,"metadata":83},"1706","ECLI:NL:RBDHA:2026:18556","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Roermond\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL22.11571\n Uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n [eiseres],\n\ngeboren op [geboortedatum] 1979 in Marokko,\n\nV-nummer [V-nummer],\n\neiseres,\n\n(gemachtigde: mr. P. Kramer-Ograjensek),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie,\n\nvoorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder,\n\n(gemachtigden: mr. R.J.M.F.P. Wouters en mr. S.H.J. Muijlkens).\n\nProcesverloop\n\nEiseres heeft op 13 november 2020 een aanvraag ingediend om een EU\u002FEER-document te verkrijgen als bewijs van een afgeleid verblijfsrecht op grond van artikel 20 VWEU voor verblijf bij haar minderjarige zoon, die de Nederlandse nationaliteit heeft en in Nederland woont.\n\nVerweerder heeft deze aanvraag op 11 november 2021 afgewezen en op 20 juni 2022 het bezwaar van eiseres tegen deze afwijzing kennelijk ongegrond verklaard.\n\nEiseres heeft tegen dit besluit van 20 juni 2022 beroep ingesteld bij de rechtbank en ook een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend (zaaknummer NL22.11572).\n\nVerweerder heeft 5 oktober 2023 een aanvullend besluit genomen.\n\nDe rechtbank heeft het beroep tegen het besluit van 20 juni 2022 en tegen het aanvullende besluit van 5 oktober 2023 en het verzoek om een voorlopige voorziening op 7 februari 2024 op zitting behandeld.\n\nDe rechtbank heeft op 26 februari 2024 een tussenuitspraak gedaan en twee prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie (Hof) gesteld (ECLI:NL:RBDHA:2024:2300).\n\nDe voorzieningenrechter van deze rechtbank en zittingsplaats heeft in haar uitspraak van 26 februari 2024 het verzoek om een voorlopige voorziening toegewezen (ECLI:NL:RBLIM:2024:850, niet gepubliceerd).\n\nHet Hof heeft op 4 juni 2026 het arrest Safi gewezen en de prejudiciële vragen van de rechtbank beantwoord (ECLI:EU:C:2026:442).\n\nDe rechtbank heeft het onderzoek ter zitting voortgezet op 16 juni 2026 en op 17 juni 2026 een tussenuitspraak gedaan (ECLI:NL:RBDHA:2026:16288).\n\nGemachtigde van eiseres heeft bij brief van 22 juni 2026 stukken overlegd om aan de tussenuitspraak te voldoen.\n\nVerweerder heeft bij brief van 26 juni 2026 medegedeeld op welke wijze uitvoering is gegeven aan de tussenuitspraak en heeft daarbij aangegeven dat op korte termijn zal worden beslist of een inwilligend besluit kan worden genomen.\n\nBij besluit van 30 juni 2026 heeft verweerder het besluit van 4 oktober 2023 (rechtbank: 5 oktober 2023, dossierstuk 35) ingetrokken en het bezwaar van 8 december 2021 gegrond verklaard. In dit besluit is tevens medegedeeld dat eiseres een document als bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de Vreemdelingenwet, waaruit het rechtmatig verblijf als gemeenschapsonderdaan blijkt, zal krijgen en dat de ingangsdatum van het verblijfsrecht van eiseres is vastgesteld op 6 januari 2015. Verweerder heeft in dit besluit aangeboden om een bedrag van € 1.665,- voor de bezwaarprocedure te vergoeden.\n\nIn de brief van 30 juni heeft verweerder medegedeeld dat een inwilligend besluit is genomen en dat voor de proceskosten in beroep een aanbod tot vergoeding van € 6.538,- is gedaan.\n\nDe rechtbank heeft op 2 juli 2026 aan eiseres gevraagd om te reageren op het inwilligende besluit en de aangeboden proceskostenvergoeding.\n\nEiseres heeft op 2 juli 2026 medegedeeld in te stemmen met het inwilligende besluit en daarom het beroep te zullen intrekken maar zij heeft de rechtbank wel verzocht om een uitspraak over de proceskosten te doen omdat zij zich niet kan vinden in de hoogte van de aangeboden vergoeding.\n\nDe rechtbank heeft het onderzoek gesloten op 2 juli 2026.\n\nOverwegingen\n\n1. De rechtbank heeft in haar tussenuitspraak van 17 juni 2026 uiteengezet op welke wijze de rechtbank in de onderhavige procedure toepassing geeft aan het arrest Safi. Partijen hebben voldaan aan de tussenuitspraak. Verweerder heeft (uit eigen beweging) eiseres nader gehoord en verweerder heeft de liaisonambtenaar in Spanje verzocht om onderzoek te doen naar het verblijfsrecht van eiseres in Spanje en de mogelijkheden voor de Nederlandse echtgenoot van eiseres en hun Nederlandse zoon om bij eiseres in Spanje te verblijven. De onderzoeksbevindingen van de liaisonambtenaar zijn op 26 juni 2026 in het dossier gevoegd. De gemachtigde van eiseres heeft op 22 juni 2026 een brief van de huisarts van 17 juni 2026, een brief van de gemeente Sittard Geleen van 17 juni 2026, een brief van de school van de zoon van eiseres van 18 juni 2026 en een ontwikkelingsplan van de zoon van eiseres van 22 augustus 2025 overgelegd.\n\n2. Het nader onderzoek van verweerder heeft tot de inwilliging van de aanvraag van eiseres van 13 november 2020 geleid. Partijen zijn het eens over de ingangsdatum van het verblijfsrecht van eiseres, welke ingangsdatum is vastgesteld op 6 januari 2015, de geboortedatum van de Nederlandse zoon van eiseres. De uitspraak van de rechtbank heeft daarom alleen nog betrekking op de hoogte van de proceskosten die verweerder voor de procedure in beroep moet vergoeden. De rechtbank bepaalt conform het Besluit proceskosten bestuursrecht de hoogte van de proceskosten als volgt.\n\n3. Voor vergoeding van de proceskosten in beroep komen de volgende handelingen in aanmerking:\n\nInstellen beroep 1 punt\n\nGronden na aanvullend besluit 0,5 punt\n\nzitting rechtbank, 7 februari 2024 1 punt\n\nschriftelijke opmerkingen bij Hof 2 punten\n\npleitzitting Hof, 25 maart 2025 2 punten\n\nnadere zitting rechtbank, 16 juni 2026 1 punt\n\nnadere hoorzitting van 23 juni 2026 0,5 punt\n\ntotaal 8 punten\n\nDe rechtbank merkt hierbij op dat verweerder in de brief van 30 juni 2026 een vergoeding voor de hoorzitting van 23 juni 2026 bij het aanbod van de kosten voor de bezwaarprocedure heeft betrokken. Dit zijn evenwel kosten die zijn gemaakt in beroep omdat de hoorzitting heeft plaatsgevonden om uitvoering te geven aan het arrest Safi. De rechtbank betrekt het bijwonen van deze hoorzitting dus bij de proceskostenveroordeling die wordt uitgesproken in de onderhavige beroepsprocedure.\n\nDe rechtbank kent, in afwijking van het standpunt van verweerder en zoals in elke verwijzingsprocedure, aan elk punt een wegingsfactor van 1,5 toe zoals bedoeld in Bijlage onder C1. omdat de rechtbank een prejudiciële procedure aanmerkt als “zwaar”.\n\nVerweerder heeft zich onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 31 augustus 2023 (ECLI:NL:RVS:2023:3341) op het standpunt gesteld dat de reis- en verblijfkosten die zijn gemaakt in verband met het verschijnen ter zitting bij het Hof niet vergoed hoeven te worden omdat deze kosten die een rechtsbijstandverlener maakt, zouden zijn verdisconteerd in de forfaitaire vergoeding, die op grond van de bijlage bij het Besluit proceskosten bestuursrecht is berekend. De rechtbank ziet dit anders omdat deze kosten gelet op artikel 1 onder d, en artikel 2, eerste lid onder d, van het Besluit proceskosten bestuursrecht, gelezen in samenhang met (het niet bij Besluit van 4 december 2025 tot wijziging van het Besluit tarieven in strafzaken 2003 gewijzigde) artikel 11, eerste lid, onderdeel d, van het Besluit tarieven in strafzaken 2003, voor vergoeding in aanmerking komen.\n\nDe gemachtigde van eiseres heeft de reis- en verblijfskosten gespecificeerd en met bijlagen onderbouwd. Verweerder heeft de hoogte van deze kosten op zichzelf niet betwist. De rechtbank betrekt alleen de kosten van de gemachtigde die eiseres in de onderhavige procedure bijstaat bij de proceskostenveroordeling en merkt hierbij op dat niet nader is aangegeven waarom vertegenwoordiging door meer dan één persoon noodzakelijk was. Dit betreft een bedrag van € 365,- voor verblijf en een bedrag van € 123,20 (440 kilometer X 0,28) bij wijze van kilometervergoeding, totaal € 488,20.\n\nVerweerder heeft verder aangegeven het griffierecht van € 184,- te willen voldoen. Eiseres heeft zich op het standpunt gesteld dat ook voor het indienen van het verzoek om een voorlopige voorziening griffierecht is geheven en verweerder dit ook zal moeten voldoen. De rechtbank overweegt dat eiseres op 18 juli 2022 het griffierecht voor het verzoek om een voorlopige voorziening heeft voldaan. In de uitspraak van de voorzieningenrechter van 26 februari 2024 is de vergoeding hiervan -ten onrechte- niet betrokken bij de proceskostenveroordeling, zodat de rechtbank verweerder alsnog zal opdragen om het griffierecht daarvoor te betalen. Verweerder dient dus een bedrag van € 386,- te voldoen vanwege het door eiseres betaalde griffierecht.\n\nEiseres stelt zich tot slot op het standpunt dat eiseres een eigen bijdrage van € 156,- heeft moeten voldoen en dat dit bedrag moet worden betrokken bij de proceskostenvergoeding. De rechtbank volgt dit niet. Uit artikel 32 van het Besluit vergoedingen rechtsbijstand 2000 en de bijbehorende kenniswijzer volgt dat de advocaat van een proceskostenvergoeding de door zijn cliënt gemaakte kosten, dus de eigen bijdrage, betaalt.\n\nDe rechtbank zal de proceskosten als volgt samenstellen:\n\n-proceshandelingen: 8 x € 907,- x 1,5 € 10.884,00\n\n-reis- en verblijfkosten € 488,20\n\n-griffierecht € 386,-\n\nTotaal € 11.758,20\n\n4. Beslist wordt als volgt.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van\n\n € 11.758,20.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. S. van Lokven, rechter, in aanwezigheid van\n\nmr. E.M.J. Clermonts, griffier.\n\nDe uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: 6 juli 2026.\n\nRechtsmiddel\n\nTegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18556","ecli-nl-rbdha-2026-18556",{"courtName":6,"legalDomain":69,"decisionType":22,"procedureType":23},{"id":85,"ecli":86,"caseNumber":14,"courtId":5,"courtName":14,"decisionDate":87,"fullText":88,"language":7,"source":17,"sourceUrl":89,"summary":14,"slug":90,"metadata":91},"1801","ECLI:NL:RBLIM:2026:6417","2026-07-03T00:00:00.000Z","RECHTBANK LIMBURG\n\nZittingsplaats Roermond\n\nStrafrecht\n\nParketnummer : 03.288300.25\n\nTegenspraak\n\nVonnis van de meervoudige kamer d.d. 3 juli 2026\n\nin de strafzaak tegen\n\n [verdachte] ,\n\ngeboren te [geboortegegevens] 2006,\n\nwonende te [adres] .\n\nDe verdachte wordt bijgestaan door mr. T.J.N. Hameleers, advocaat kantoorhoudende te Roermond.\n\n1. Onderzoek van de zaak\n\nDe zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 19 juni 2026. De verdachte en zijn raadsman zijn verschenen. De officier van justitie en de verdediging hebben hun standpunten kenbaar gemaakt.\n\n2. De tenlastelegging\n\nDe tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.\n\nDe verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat de verdachte op 7 september 2024 in Koningsbosch als bestuurder van een motorrijtuig (primair) een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft veroorzaakt, waarbij [slachtoffer 1] werd gedood en [slachtoffer 2] zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen, dan wel (subsidiair) zich zodanig heeft gedragen dat hij gevaar op de weg heeft veroorzaakt.\n\n3. De beoordeling van het bewijs3.1. \n\nHet standpunt van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie acht het primair tenlastegelegde bewezen. De verdachte heeft in een onoverzichtelijke bocht aanmerkelijk onvoorzichtig gehandeld en zodoende een ongeval veroorzaakt, door niet voldoende rechts te houden, zijn voertuig niet onder controle te houden en zijn snelheid niet dusdanig te verlagen dat hij tijdig tot stilstand kon komen. De verdachte reed midden op een smalle weg richting een onoverzichtelijke bocht en wist dit ook. Hij heeft zijn snelheid en positie hier niet op aangepast en heeft onvoldoende geanticipeerd op de omstandigheden op de weg ter plaatse. Hoewel zijn zicht op eventuele tegenliggers was belemmerd, heeft hij de bocht min of meer afgesneden. Als gevolg van de aanrijding heeft slachtoffer [slachtoffer 2] zwaar lichamelijk letsel opgelopen en is slachtoffer [slachtoffer 1] overleden.3.2. \n\nHet standpunt van de verdediging\n\nDe raadsman heeft vrijspraak bepleit van het primair tenlastegelegde, omdat de verdachte geen schuld had in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 (hierna: WVW). Er was geen sprake van grove of aanmerkelijke onvoorzichtigheid. De verdachte werd plotseling geconfronteerd met fietsers die in het midden van de weg fietsten en hem op snelheid naderden. Hij zag zich genoodzaakt om op de rem te gaan om een ongeval te vermijden, waardoor het voertuig van de verdachte onbedoeld in een slip terechtkwam. De raadsman heeft onder meer aangevoerd dat de stuurbeweging\u002F-correctie kan worden toegeschreven aan het proberen een ongeval te vermijden. Op basis van het dossier is onduidelijk wat de positie en snelheid van de fietsers was op het moment voor de botsing. Bovendien heeft de zonsituatie een rol gespeeld, althans het effect van de zon kan niet worden uitgesloten.\n\nDe raadsman heeft eveneens vrijspraak bepleit van het subsidiair tenlastegelegde, omdat geen sprake was van evident gevaarzettend gedrag. De verdachte heeft immers gas losgelaten in de bocht, zag de fietsers later door de zon, heeft geremd en is in een slip geraakt. Dit is juist het handelen wat van een bestuurder mag worden verwacht. Er is geen sprake van een (duidelijke) verkeersfout, maar juist van een reddingspoging.3.3. Het oordeel van de rechtbank\n\nVrijspraak van het primair en subsidiair tenlastegelegde\n\nOp 7 september 2024, omstreeks 13:44 uur, vond op de [straatnaam 1] in Koningsbosch een verkeersongeval plaats. De verdachte reed in een motorrijtuig (de Jiayuan Eidola, een elektrische ‘microcar’ met een topsnelheid van 78 km\u002Fh) en de slachtoffers reden in tegengestelde richting op (elektrische) fietsen. Toen zij elkaar passeerden, kwamen de fietsen van de slachtoffers met de voorzijde van het motorrijtuig van de verdachte in botsing. Als gevolg van het ongeval is slachtoffer [slachtoffer 1] ter plaatse overleden en heeft slachtoffer [slachtoffer 2] zwaar lichamelijk letsel opgelopen. Het motorrijtuig van de verdachte kwam vervolgens in botsing met een boom, alwaar hij ook tot stilstand kwam.\n\nDe [straatnaam 1] heeft voorbij het kruispunt met de [straatnaam 2] een recht en vlak wegverloop. Ongeveer 50 meter voorbij dit kruispunt is een bocht naar links gelegen in het wegverloop. Op de foto’s, weergegeven in het proces-verbaal FO verkeer, is te zien dat dit een flauwe bocht betreft. De plaats van het ongeval was gelegen in het einde van deze bocht. Ter hoogte van de plaats van het ongeval is de rijbaan van de [straatnaam 1] niet verdeeld in rijstroken en bestemd voor verkeer uit tegengestelde rijrichtingen. Er is geen wegbelijning op het wegdek aangebracht. De rijbaan heeft een breedte van ongeveer 4,3 meter. De ter plaatse geldende maximumsnelheid bedraagt 60 kilometer per uur.\n\nIn deze zaak staan de wegposities van zowel de verdachte als de slachtoffers voorafgaand aan de botsing ter discussie. De officier van justitie en de raadsman trekken daarover verschillende conclusies op basis van dezelfde gegevens. In dit onderzoek is geen bewijsmateriaal gevonden van de ruimere periode die voorafging aan de botsing. Er zijn geen camerabeelden, geen getuigenverklaringen en geen voertuigdata. Alleen de verdachte heeft iets verklaard over wat hij zag en deed. Het slachtoffer [slachtoffer 2] heeft geen herinnering aan het ongeval. Het rapport van de VerkeersOngevallenAnalyse (VOA) vertelt slechts het verhaal van de laatste fractie van een seconde voor de botsing.\n\nOp de rijbaan werd in de bocht naar links in het wegverloop, op ongeveer 24 meter voor de boom waartegen de verdachte met zijn motorrijtuig tot stilstand kwam, en op ongeveer 3,3 meter van de linker rijbaankant, op de rechter weghelft een bandenspoor aangetroffen, zijnde een slipspoor. Dit spoor betrof het eerste aangetroffen spoor op het wegdek (hierna: spoor 1, overeenkomend met de spoornummering in het proces-verbaal op p. 82 e.v.). Het motorrijtuig had tijdens het aftekenen van voornoemd slipspoor gereden met een indicatieve snelheid gelegen tussen ongeveer 53 km\u002Fh en 61 km\u002Fh. Op de rijbaan, op ongeveer 12,8 meter voorbij het punt van de eerste aftekening van spoor 1, werd in\u002Fop de linker weghelft een krassporenbeeld met in het verlengde daarvan een vierde bandenspoor aangetroffen, zijnde een wringspoor (hierna: spoor 4). Ongeveer in het midden van de linker weghelft, gezien vanuit de rijrichting van de verdachte en ter hoogte van het aangetroffen wringspoor (spoor 4), kwam het motorrijtuig van de verdachte met de voorzijde rechts in botsing met de voorzijde van de zwarte fiets waarop slachtoffer [slachtoffer 1] zich bevond. Daarna kwam het motorrijtuig met de voorzijde links in botsing met de voorzijde van de blauwe fiets waarop slachtoffer [slachtoffer 2] zich bevond. De afstand tussen spoor 1, zijnde het eerste slipspoor, en spoor 4, waar het motorrijtuig van de verdachte en de fietsers met elkaar in botsing zijn gekomen, betrof ongeveer 12,8 meter. Gelet op de vastgestelde indicatieve snelheid van het motorrijtuig heeft het motorrijtuig die afstand in minder dan een seconde afgelegd.\n\nDe officier van de justitie en de raadsman interpreteren de gegevens over spoor 1 allebei op hun eigen manier. De officier van justitie stelt dat dit spoor is gezet door de rechter achterband en concludeert daaruit dat de verdachte de bocht afsneed. De raadsman stelt dat dit spoor is gezet door de linker achterband en concludeert daaruit dat de verdachte voldoende rechts reed. De rechtbank volgt de officier van justitie wel in zijn stelling, maar niet in zijn conclusie. De deskundige rapporteert dat dit spoor is gezet door de rechter achterband en motiveert navolgbaar waarop die conclusie is gebaseerd (p. 106). De rechtbank is het niet eens met de raadsman dat de foto’s en de tekeningen van dit spoor tot een andere conclusie dwingen. De rechtbank stelt daarom vast dat spoor 1 is gezet door de rechter achterband. Het rapport vermeldt dat dit spoor op ongeveer 3,3 meter van de linker berm is gezet, maar beschrijft niet op welk punt in dit spoor deze afstand is gemeten: de linker zijkant, het midden of de rechter zijkant. De rechtbank gaat daarom in het voordeel van de verdachte uit van de linker zijkant als meetpunt. Omdat één weghelft 2,15 meter breed is, ligt dat punt op 1,15 meter rechts van het midden. Uit het dossier blijkt dat de auto 1,29 meter breed is (p. 113) en de banden 14,5 cm breed zijn (p. 100). Bij het begin van de slip was de linkerkant van de auto dus 1,145 meter links van het meetpunt van spoor 1. Hieruit concludeert de rechtbank dat de verdachte op dat moment nog (net) volledig op zijn eigen weghelft reed.\n\nZijn indicatieve snelheid was toen tussen 53 km\u002Fh en 61 km\u002Fh en dus op of onder de ter plaatse toegestane maximumsnelheid. Naar het oordeel van de rechtbank is de bocht naar links niet zodanig onoverzichtelijk dat de verdachte zijn snelheid hierop had moeten aanpassen. Daarnaast is de rijbaan breed genoeg. De rijbaan heeft immers een breedte van ongeveer 4,3 meter en het motorrijtuig van de verdachte had een breedte van 1,29 meter waardoor de verdachte en de fietsers elkaar, ieder rijdend op hun eigen weghelft, hadden moeten kunnen passeren.\n\nDe verdachte is met zijn motorrijtuig desondanks kennelijk vanwege het remmen of een stuurbeweging in een slip geraakt, waardoor hij op de linker weghelft terecht is gekomen en in botsing gekomen met de aldaar fietsende slachtoffers. Over de aanleiding voor deze slip geeft het dossier geen informatie, behalve de verklaring van de verdachte. De verdachte heeft daarover verklaard dat hij schrok van de fietsers, die onverwacht breed fietsten, en daarom remde waardoor hij in een slip terecht kwam.\n\nHet VOA-rapport beschrijft dat slachtoffer [slachtoffer 1] op het moment van de botsing ongeveer midden op zijn eigen weghelft reed en dat slachtoffer [slachtoffer 2] op het moment van de botsing ‘een schuinstand naar rechts’ had en ‘mogelijk nog uitgeweken’ was richting de berm. Deze conclusies passen naar het oordeel van de rechtbank even goed in het scenario van de verdachte als in het scenario van de officier van justitie. De deskundige rapporteert immers niet waar de fietsers reden op het moment van de blik, de schrik en de slip.\n\nNiet kan dus worden vastgesteld wie waar reed en hoe werd gereden in de momenten voorafgaand aan de laatste seconde. De verdachte reed ten tijde van het ontstaan van het eerste slipspoor niet onvoldoende rechts, niet te hard, hij was niet onder invloed van middelen en er zijn rond het tijdstip van het ongeval geen gebruikershandelingen in de data van de telefoon van de verdachte aangetroffen. Ook is niet gebleken dat de verdachte anderszins was afgeleid van het verkeer.\n\nDe rechtbank is – al het voorgaande overwegende – van oordeel dat onder de gegeven omstandigheden niet kan worden vastgesteld dat sprake is van een verkeersfout. Aldus kan ook niet worden vastgesteld dat de verdachte aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend heeft gehandeld, in die zin dat sprake is van schuld als bedoeld in artikel 6 WVW, of dat sprake is van een zekere mate van concreet gevaarzettend gedrag dat inbreuk maakt op de veiligheid van de weg in de zin van artikel 5 WVW. De rechtbank zal de verdachte dan ook om die reden vrijspreken van het primair en subsidiair tenlastegelegde.\n\nDe rechtbank hecht eraan te benadrukken dat het verdriet van de nabestaanden door het overlijden van hun echtgenoot en vader en de ernst van het opgelopen letsel van slachtoffer [slachtoffer 2] onvoorstelbaar groot moet zijn. De rechtbank betreurt dit ten zeerste. Voor zover uit dit onderzoek blijkt, was het echter een noodlottig ongeval en geen strafbaar feit.\n\n4. De beslissing\n\nDe rechtbank:\n\nVrijspraak\n\n- spreekt de verdachte vrij van het primair en subsidiair tenlastegelegde.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. N.P.J. van de Pasch, voorzitter, mr. I.T.H.L. van de Bergh en mr. J. van Berchum, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M.C.G. Taranto, griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 3 juli 2026.\n\nBuiten staat\n\nMr. J. van Berchum is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.\n\nBIJLAGE I: De tenlastelegging\n\nAan de verdachte is ten laste gelegd dat\n\nhij op of omstreeks 7 september 2024 te Koningsbosch, gemeente Echt-Susteren als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig, daarmede rijdende over de weg, [straatnaam 1] , zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en\u002Fof onoplettend rijgedrag, te weten, dat verdachte:\n\n- op voornoemde weg heeft gereden waarbij hij zijn voertuig niet voldoende rechts heeft gehouden en\u002Fof voornoemd voertuig niet tijdig tot stilstand heeft gebracht binnen de afstand waarover hij de weg kon overzien en waarover deze vrij was en\u002Fof zijn voertuig onvoldoende onder controle heeft gehouden, waardoor hij geheel of gedeeltelijk op de voor het tegemoetkomend verkeer bestemde rijstrook, in aanrijding is gekomen met twee zich op die rijstrook bevindende fietsers, waardoor een ander, te weten [slachtoffer 1] werd gedood en\u002Fof een ander, te weten [slachtoffer 2] zwaar lichamelijk letsel of zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan;\n\nsubsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:\n\nhij op of omstreeks 7 september 2024 te Koningsbosch, gemeente Echt-Susteren als bestuurder van een voertuig (motorrijtuig), daarmee rijdende op de weg, [straatnaam 1] ,\n\n- op voornoemde weg heeft gereden waarbij hij zijn voertuig niet voldoende rechts heeft gehouden en\u002Fof voornoemd voertuig niet tijdig tot stilstand heeft gebracht binnen de afstand waarover hij de weg kon overzien en waarover deze vrij was en\u002Fof zijn voertuig onvoldoende onder controle heeft gehouden, waardoor hij geheel of gedeeltelijk op de voor het tegemoetkomend verkeer bestemde rijstrook, in aanrijding is gekomen met twee zich op die rijstrook bevindende fietsers,, door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en\u002Fof het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBLIM:2026:6417","ecli-nl-rblim-2026-6417",{"courtName":6,"legalDomain":31,"decisionType":22,"procedureType":23},{"id":93,"ecli":94,"caseNumber":14,"courtId":5,"courtName":14,"decisionDate":95,"fullText":96,"language":7,"source":17,"sourceUrl":97,"summary":14,"slug":98,"metadata":99},"1521","ECLI:NL:RBLIM:2026:6522","2026-07-02T00:00:00.000Z","RECHTBANKLIMBURG\n\nCiviel recht\n\nKantonrechter\n\nZittingsplaats Roermond\n\nZaaknummer \u002F rekestnummer: 12258659 \\ HA VERZ 26-3\n\nBeschikking van 2 juli 2026\n\nin de zaak van\n\nJULIAN MAESEN,\n\nte Venlo,\n\nhierna te noemen: Julian,\n\nverzoekende partij.\n\nDe kantonrechter merkt als belanghebbenden aan: [moeder],\n\nen\n\n [vader],\n\nbeiden wonende te [plaatsnaam] ,\n\nhierna gezamenlijk te noemen: de ouders.\n\n1. De procedure\n\n1.1.. Het verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- het verzoekschrift\n\n- de mondelinge behandeling van 1 juli 2026.\n\n1.2.. De beschikking is bepaald op vandaag.\n\n2. De feiten\n\n2.1.. Julian is geboren op 10 april 2009 te Venlo. Op dit moment is hij 17 jaar oud. De ouders oefenen gezamenlijk het gezag uit over Julian.\n\n2.2.. De vennootschap onder firma JTecom, een onderneming in detailhandel (via internet) in kleding en kledingaccessoires, is sinds 1 juni 2026 opgericht en geregistreerd in het Handelsregister van de Kamer van Koophandel onder nummer 42067555.\n\n3. Het verzoek\n\n3.1.. Julian heeft de kantonrechter verzocht om verkrijging van een handlichting als bedoeld in artikel 1:235 van het Burgerlijk Wetboek (BW). Het verzoek is mede ondertekend door de wettelijke vertegenwoordigers van Julian, de ouders.\n\n4. De beoordeling\n\n4.1.. Op verzoek van een minderjarige kan op grond van artikel 1:235 lid 1 BW een handlichting door de kantonrechter worden verleend. Handlichting betekent dat aan een minderjarige bepaalde bevoegdheden van een meerderjarige worden toegekend. Een verzoek tot handlichting kan worden ingediend wanneer de minderjarige de leeftijd van zestien jaar heeft bereikt. Bij de beoordeling van het verzoek moet de kantonrechter zich laten leiden door het belang van de minderjarige en beoordelen of de gevraagde handlichting verantwoord is. Op grond van het tweede lid van artikel 1:235 BW wordt de handlichting niet verleend tegen de wil van de ouders die het gezag over de minderjarige uitoefenen.\n\n4.2.. De kantonrechter heeft vastgesteld dat Julian 17 jaar is, dat de ouders met zijn verzoek instemmen en dat zij als de handlichting wordt verleend toezicht zullen uitoefenen op de manier waarop Julian hieraan uitoefening geeft.\n\n4.3.. De kantonrechter is van oordeel dat Julian goed heeft uitgelegd waarom hij de handlichting nodig heeft. Julian heeft samen met een meerderjarige vennoot, [vennoot] , een vennootschap onder firma (VOF) opgericht. Om deze VOF verder op te richten \u002Fvoort te zetten, het openen en beheren van een zakelijke bankrekening, het verrichten van betalingen ten behoeve van de VOF en het aangaan van overeenkomsten die noodzakelijk zijn voor de bedrijfsvoering van de VOF is handlichting nodig.\n\n4.4.. Gelet op de inhoud van het verzoekschrift en de tijdens de mondelinge behandeling gegeven toelichting, is de kantonrechter van oordeel dat de verlening van handlichting in het belang is van Julian en dat dit verantwoord is. Het verzoek zal daarom worden toegewezen op de manier zoals hierna onder het kopje “De beslissing” is vermeld.\n\n4.5.. In artikel 1:237 lid 1 BW is bepaald dat een beschikking waarbij handlichting is verleend, bekend moet worden gemaakt in de Staatscourant. De bedoeling van de wetgever is daarbij geweest dat op die manier zoveel mogelijk personen kennis kunnen nemen van de handlichting. Daarnaast zal de beschikking (niet geanonimiseerd) door de griffier worden gepubliceerd op de internetpagina www.rechtspraak.nl, zodat de inhoud daarvan ook via die weg kenbaar is. Julian moet er rekening mee houden dat de verleende handlichting niet eerder geldt dan wanneer de publicatie in de Staatscourant een feit is.\n\n4.6.. Op grond van artikel 36 Handelsregisterbesluit 2008 dienen gegevens met betrekking tot de handlichting, te worden ingeschreven in het handelsregister van de Kamer van Koophandel. Dit betekent dat de datum waarop de handlichting is verkregen en de bevoegdheden die daarbij zijn toegekend aan Julian moeten worden ingeschreven. Bij de opgave ter inschrijving wordt de datum van uitgave en het nummer van de Staatscourant overgelegd waarin de rechterlijke beschikking inzake de handlichting is openbaar gemaakt, of een authentiek afschrift van de beschikking met vermelding van de dagtekening en het nummer van die Staatscourant. Julian moet hier zelf voor zorgen.\n\n4.7.. \n\nDe kantonrechter wijst voor de goede orde en volledigheidshalve nog op het bepaalde in het derde lid van artikel 1:235 BW, waarin is bepaald dat Julian door de verleende handlichting niet bekwaam wordt tot het beschikken over registergoederen, effecten of door hypotheek gedekte vorderingen.\n\n5. De beslissing\n\nDe kantonrechter\n\n5.1.. verleent aan Julian handlichting tot het zelfstandig uitoefenen van de onderneming VOF JTecom en aldus de rechtshandelingen te verrichten die nodig zijn om samen met [vennoot] de onderneming uit te oefenen (zoals het aangaan van de VOF), en waaronder het openen en beheren van een zakelijke bankrekening, het verrichten van betalingen ten behoeve van de onderneming, het aangaan van overeenkomsten die noodzakelijk zijn voor de bedrijfsvoering van de VOF,\n\n5.2.. bepaalt dat de publicatie van deze beschikking tot handlichting in de Staatscourant en (niet geanonimiseerd) op www.rechtspraak.nl dient te worden gepubliceerd en dat de griffier hiervoor zorg dient te dragen,\n\n5.3.. verstaat dat Julian zal zorgen voor inschrijving van de gegevens met betrekking tot de handlichting in het handelsregister van de Kamer van Koophandel.\n\nDeze beschikking is gegeven door mr. A.H.M.J.F. Piëtte en in het openbaar uitgesproken op 2 juli 2026.\n\n FK","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBLIM:2026:6522","ecli-nl-rblim-2026-6522",{"courtName":6,"legalDomain":100,"decisionType":22,"procedureType":23},"Civiel recht",{"id":102,"ecli":103,"caseNumber":14,"courtId":5,"courtName":14,"decisionDate":104,"fullText":105,"language":7,"source":17,"sourceUrl":106,"summary":14,"slug":107,"metadata":108},"663","ECLI:NL:GHSHE:2026:1754","2026-06-26T00:00:00.000Z","Parketnummer : 20-001527-25\n\nUitspraak : 26 juni 2026\n\nTEGENSPRAAKArrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof's-Hertogenbosch\n\ngewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, van 2 juni 2025, in de strafzaak met parketnummer\n\n03-324688-24 tegen:\n\n [verdachte] ,\n\ngeboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1961,\n\nwonende te [adres 1] .\n\nHoger beroep\n\nBij vonnis waarvan beroep heeft de politierechter de verdachte ter zake van ‘poging tot zware mishandeling’ (feit 1 primair) en ’mishandeling’ (feit 2) veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 120 uren, subsidiair 60 dagen hechtenis, en een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 1 maand met een proeftijd van 2 jaren.\n\nNamens de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.\n\nOnderzoek van de zaak\n\nDit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.\n\nHet hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.\n\nDe advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal bevestigen met aanvulling van gronden en met uitzondering van de opgelegde straf en, in zoverre opnieuw rechtdoende, de verdachte zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 maanden, waarvan 2 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.\n\nDe verdediging heeft vrijspraak bepleit van het onder feit 1 primair en feit 2 tenlastegelegde. Daarnaast is een strafmaatverweer gevoerd.\n\nVonnis waarvan beroep\n\nHet beroepen vonnis zal worden vernietigd, reeds omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de politierechter.\n\nTenlastelegging\n\nAan de verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg - tenlastegelegd dat:\n\n1. primair hij op of omstreeks 12 oktober 2024 te Blitterswijck, gemeente Venray, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer 1] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, haar:\n\n- heeft geknepen in het lichaam en\u002Fof vervolgens;\n\n- heeft geduwd en\u002Fof vervolgens;\n\n- meermalen heeft geslagen in haar gezicht en\u002Fof vervolgens;\n\n- aan haar haren heeft getrokken en\u002Fof vervolgens;\n\n- hardhandig bij haar keel heeft vastgepakt en\u002Fof haar keel heeft dicht geknepen en\u002Fof vervolgens;\n\n- meermalen heeft geschopt terwijl zij op de grond lag,\n\nterwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;\n\n1. subsidiair hij op of omstreeks 12 oktober 2024 te Blitterswijck, gemeente Venray, zijn levensgezel, [slachtoffer 1] , heeft mishandeld door haar te knijpen en\u002Fof te duwen en\u002Fof meermalen te slaan en\u002Fof aan haar haren te trekken en\u002Fof hardhandig bij haar keel vast te pakken en\u002Fof vervolgens haar keel dicht te knijpen en\u002Fof haar meermalen te schoppen;\n\n2. hij op of omstreeks 12 oktober 2024 te Blitterswijck, gemeente Venray, [slachtoffer 2] heeft mishandeld door hem hardhandig aan zijn baard te trekken en\u002Fof haren uit zijn baard te trekken en\u002Fof te slaan.\n\nDe in de tenlastelegging voorkomende taal- en\u002Fof schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.\n\nVrijspraak van het onder feit 1 primair tenlastegelegde\n\nHet hof heeft uit het onderzoek ter terechtzitting niet door de inhoud van wettige bewijsmiddelen de overtuiging bekomen dat de verdachte het onder feit 1 primair tenlastegelegde heeft begaan, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.\n\nHet hof overweegt dienaangaande als volgt.\n\nOp basis van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting kan het hof genoegzaam vaststellen dat de verdachte forse geweldshandelingen heeft verricht tegen slachtoffer [slachtoffer 1] . Zoals hierna zal worden overwogen, is het hof van oordeel dat de verdachte het slachtoffer heeft geknepen, geduwd, geslagen, geschopt, aan haar haren heeft getrokken, bij haar keel heeft vastgepakt en haar keel heeft dichtgeknepen. Het hof is evenwel, met de verdediging, van oordeel dat daarmee nog niet is komen vast te staan dat de verdachte (voorwaardelijk) opzet heeft gehad op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel. Op basis van het dossier en hetgeen ter zitting naar voren is gekomen kan het hof onvoldoende vaststellen of het handelen van de verdachte in de gegeven omstandigheden van dien aard was dat de kans aanmerkelijk was dat het slachtoffer zwaar lichamelijk letsel zou oplopen zoals is bedoeld in artikel 302 van het Wetboek van Strafrecht. Het hof zal de verdachte daarom van het onder feit 1 primair tenlastegelegde vrijspreken.\n\nBewezenverklaring\n\nHet hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder feit 1 subsidiair en feit 2 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:\n\n1. subsidiair hij op 12 oktober 2024 te Blitterswijck, gemeente Venray, zijn levensgezel, [slachtoffer 1] , heeft mishandeld door haar te knijpen en te duwen en meermalen te slaan en aan haar haren te trekken en hardhandig bij haar keel vast te pakken en vervolgens haar keel dicht te knijpen en haar meermalen te schoppen;\n\n2. hij op 12 oktober 2024 te Blitterswijck, gemeente Venray, [slachtoffer 2] heeft mishandeld door hem hardhandig aan zijn baard te trekken en haren uit zijn baard te trekken en te slaan.\n\nHet hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.\n\nBewijsmiddelen\n\nIn de hiernavolgende bewijsmiddelen wordt – tenzij anders vermeld – telkens verwezen naar dossierpagina’s van het eindproces-verbaal van de politie Eenheid Limburg met zaakregistratienummer PL2300-2024167001, gesloten d.d. 26 februari 2025 door verbalisant [verbalisant] , digitaal doorgenummerde pagina's 1 tot en met 136, nader te noemen: het dossier.\n\nAlle te noemen processen-verbaal zijn in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde verbalisanten. Alle verklaringen zijn, voor zover nodig, zakelijk weergegeven.\n\n1. Het proces-verbaal van aangifte d.d. 13 oktober 2024 (pg. 26-28 van het dossier), voor zover inhoudende als verklaring van aangeefster [slachtoffer 1]:\n\nPlaats delict: [adres 2] , binnen de gemeente Venray.\n\n [verdachte] en ik hebben sinds begin 2024 een relatie met elkaar. Op 12 oktober 2024, omstreeks 15.00 uur, waren wij op de camping op voorgenoemde locatie. Er werd vanuit de camping voor chalethouders en seizoenbewoners een afsluitend feest georganiseerd. Het feest eindigde rond 21.00 uur. Rond dit tijdstip zijn wij, [verdachte] en ik, ook naar ons chalet gelopen. Ik weet dat [verdachte] minimaal deze middag 20 glazen bier op had van 0.25 liter. Op een gegeven moment viel hij op het asfalt. Ik zag dat hij toen bleef liggen. Ik zag dat hij een hoofdwond had. De beheerder heeft hierop de ambulance met spoed gebeld aangezien hij stil op de grond bleef liggen. Ik merkte dat hij opstandig werd toen hij weer bij bewustzijn kwam.\n\nWij kwamen aan bij het chalet waar wij sliepen. Hij deed de lamellen naar beneden toen hij bij het raam stond. Ik zei tegen hem dat hij dat niet moest doen want de hulpdiensten zouden komen om naar zijn hoofdwond te kijken. Hierop werd hij boos en greep mij met zijn hand tegen mijn rechterborst. Hier kneep hij hard en duwde mij weg.\n\nIk draaide mij om en ik zag dat [verdachte] met zijn hand mij een klap in het gezicht gaf. Door deze klap viel ik op de grond. Ik probeerde op te staan maar [verdachte] trok aan mijn haren. [verdachte] trok aan mijn haren zodat ik weer op de grond zou belanden. Dit was hem ook gelukt. Hij trok mij toen in de richting van de badkamer. Ik lag op de grond in de badkamer. Ik merkte dat hij mij begon te wurgen. Hij greep mijn keel dicht en ik merkte dat hij hier veel kracht bij zette. Hij kneep mijn strottenhoofd dicht. Toen ik op de grond lag, schopte [verdachte] mij ook zeker twee keer met zijn voet.\n\n2. Een geschrift, te weten een letselrapportage forensische geneeskunde van GGD Limburg d.d. 14 oktober 2024 (pg. 70-80 van het dossier), voor zover inhoudende als relaas van forensisch arts [naam arts]:\n\nNaam: [slachtoffer 1]\n\nDatum letselonderzoek: 14-10-2024\n\nDatum incident: 12-10-2024\n\nLetsel(s) Lichaamsdeel: hoofd Beschrijving: aangezicht: linkerwang tot de mond: meerdere (ongeveer 7) oppervlakkige schrammen in lengte variërend van circa 5 mm tot ca 20mm lengte en\n\nca 2-3mm breed die ongeveer richting linker mondhelft wijzen vanuit verschillende richtingen Gemelde toedracht bij het letsel: slagen in het gezicht , poging(en) tot verwurging, aan de haren over de grond gesleept worden Past gemelde toedracht bij letsel: goed\n\nLichaamsdeel: hoofd Beschrijving: aangezicht: kneuzing boven de rechter wenkbrauw lopend tot in de wenkbrauw; kneuzing met wondje onderlip rechts Gemelde toedracht bij het letsel: slagen in het gezicht, stompen, schoppen, over de grond slepen aan de hoofdharen Past gemelde toedracht bij letsel: goed\n\nLichaamsdeel: hals Beschrijving: roodverkleuring van de hals voorzijde, rond en op het strottenhoofd Gemelde toedracht bij het letsel: poging(en) tot verwurging Past gemelde toedracht bij letsel: goed\n\nLichaamsdeel: hoofd Beschrijving: vlekkige roodheid hoofdhuid boven achter, niet meer actief bloedende\n\nverwonding behaarde hoofdhuid Gemelde toedracht bij het letsel: aan de haren over de grond gesleept, slagen op de behaarde hoofdhuid Past gemelde toedracht bij letsel: goed\n\nLichaamsdeel: rechterarm Beschrijving: meerdere kleinere diffuse bloeduitstortingen van wisselende grootte\n\nen lengte, van duimgroot tot vingerlang, met name bovenarm en schouder Gemelde toedracht bij het letsel: vastgrijpen, knijpen, slagen, stompen Past gemelde toedracht bij letsel: goed\n\nLichaamsdeel: rug Beschrijving: midden op de rug ongeveer ter hoogte van de eerste lendenwervel\n\nbevindt een diffuse ovaalvormige bloeduitstorting van ca 5cm lang en ca 3 cm breed diagonaal ongeveer van rechtsboven naar linksonder lopend Gemelde toedracht bij het letsel: slagen, stompen en schoppen Past gemelde toedracht bij letsel: goed\n\nLichaamsdeel: heup Beschrijving: forse bloeduitstortingen op beide heupen ter hoogte het bovenste\n\nbotuitsteeksel van de bovenbenen (trochanter major femur) alsook enkele diffusere bloeduitstortingen Gemelde toedracht bij het letsel: slagen, stompen, schoppen, tegen de grond gooien, over de grond slepen aan de haren Past gemelde toedracht bij letsel: goed\n\nLichaamsdeel: rechterbeen Beschrijving: rechterkuit onder de knie een diffuse bloeduitstorting in een\n\nzogenaamde takkenbos-ader (besenreiser)\n\nGemelde toedracht bij het letsel: slagen, stompen, schoppen, tegen de grond gooien Past gemelde toedracht bij letsel: mogelijk\n\nLichaamsdeel: borst Beschrijving: bloeduitstortingen c.q. kneuzingen van de rechterborst met enkele\n\nongeveer vingertop grote hematomen in het linker (mediane) bovenkwadrant van de borst en een groter diffuus van vrijwel het gehele linker (mediane) onderkwadrant overgaand naar het rechter (laterale) onderkwadrant\n\nGemelde toedracht bij het letsel: zeer hard met hand gegrepen en geknepen in met name de rechterborst, slagen en stompen Past gemelde toedracht bij letsel: goed\n\n3. Het proces-verbaal van verhoor slachtoffer d.d. 30 oktober 2024 (pg. 93-98 van het dossier), voor zover inhoudende als weergave van het verhoor van slachtoffer [slachtoffer 2]:\n\nV: Vraag verbalisant\n\nA: Antwoord slachtoffer\n\nV: Kan je mij vertellen wat er precies heeft plaatsgevonden op 12 oktober 2024?\n\nA: Om 21.15 uur ongeveer kregen mijn collega en ik een melding, we werden verzocht om naar een man te gaan die kortstondig zijn bewustzijn verloren had nadat hij gevallen\n\nwas op zijn hoofd, mogelijk vanwege dronkenschap. Wij reden naar de camping waar dit voorval zou hebben plaatsgevonden (het hof begrijpt: de camping [camping] , gelegen op [adres 2] , binnen de gemeente Venray). We werden door een medewerkster van de camping naar het chalet gebracht. Ik zag dat de man om wie het ging in de slaapkamer stond. Ik pakte de man bij zijn elleboog en wilde hem begeleiden naar de ambulance. Ik hoorde dat hij zei dat hij niet mee wilde en voelde dat hij zich afweerde. Terwijl de man nog op bed zat, zag ik dat mijn collega in de ruimte naast de slaapkamer was. Ik zag dat mijn collega mij aankeek en ik hoorde dat zij zei dat ze een tweede ambulance en politie ter plaatse wilde hebben. Ik hoorde dat mijn collega iets in de trant van: 'huiselijk geweld of mishandeling' zei. Ergens tussendoor hoorde ik van een persoon in de chalet dat de man die wij wilden onderzoeken ' [verdachte] ' (het hof begrijpt hierna telkens: de verdachte [verdachte]) heette. Toen ik mijn portofoon pakte en bij de meldkamer een tweede ambulance en een politie-eenheid ter plaatse vroeg, vroeg de meldkamer waarom. Ik gaf via de portofoon antwoord en denk, dat weet ik niet meer zeker, dat ik zei dat er mogelijk sprake was van mishandeling. Nadat ik het woord mishandeling uitsprak, voelde ik, voordat ik het wist, dat ik bij mijn baard werd gegrepen. [verdachte] trok zich aan mijn baard omhoog. Terwijl [verdachte] mijn baard vasthad zag ik dat [verdachte] met zijn andere arm uithaalde in de richting van mijn gezicht. Ik zag dat [verdachte] mij met een gebalde vuist sloeg. Ik voelde een hele harde klap tegen mijn linker kaak. Ik wilde [verdachte] terug naar de grond duwen en hem op de grond houden, maar op dat moment voelde ik dat [verdachte] mijn portofoon uit mijn rechterhand sloeg. Ik voelde dat [verdachte] heel hard tegen mijn rechterhand sloeg en voelde een enorme pijnscheut door mijn hand.\n\nV: Wat voor fysiek letsel hield jij over aan de mishandeling?\n\nA: Allereerst trok de man mijn baard er grotendeels af.\n\n4. Het proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 14 oktober 2024 (pg. 104-106 van het dossier), voor zover inhoudende als verklaring van getuige [getuige]:\n\nOp 12 oktober 2024 was ik werkzaam als ambulanceverpleegkundige. Ik zat\n\ndeze dienst samen met [slachtoffer 2] (het hof begrijpt hierna telkens: aangever [slachtoffer 2]) op de ambulance. Wij ontvingen een melding dat er een man op zijn achterhoofd was gevallen. De melding betrof op camping [camping] , gelegen op [adres 2] . (…) Wij stonden voor het huisje waar de man binnen zou zijn. Ik hoorde dat deze man [verdachte] (het hof begrijpt hierna telkens: de verdachte [verdachte]) heette. (…) Ik zag dat de vriendin van [verdachte] overal bloed had zitten, op haar vest, handen en gezicht. Ik liep met de vriendin van [verdachte] naar de woonkamer om haar verwondingen beter te kunnen beoordelen. [verdachte] en [slachtoffer 2] waren op dat moment op de slaapkamer. (…) Hierna rende ik naar de slaapkamer waar [verdachte] op zijn rug lag in de slaapkamer. Ik zag dat er een grote pluk baardhaar van [slachtoffer 2] op de borst van [verdachte] lag. Ik zag dat de portofoon van [slachtoffer 2] op de grond lag.\n\n5. Een geschrift, te weten een geneeskundige verklaring d.d. 1 november 2024\n\n(pg. 101-103 van het dossier), voor zover inhoudende als relaas van [naam huisarts] (huisartsenpraktijk Maasoever):\n\nMedische informatie betreffende:\n\n [slachtoffer 2] . Uitwendig waargenomen letsel: Baard gehalveerd Drukpijn jukbeen Datum waarop werd onderzocht: 13 oktober 2024 en 1 november 2024. Overige van belang zijnde informatie: - Pijn re hand.\n\n6. Het proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 13 oktober 2024 (pg. 114-119 van het dossier), voor zover inhoudende als verklaring van de verdachte [verdachte]:\n\nV: Vraag verbalisant\n\nA: Antwoord verdachte\n\nV: Met wie heb je een relatie op dit moment?\n\nA: Met [slachtoffer 1] (het hof begrijpt: aangeefster [slachtoffer 1]).\n\nV: [verdachte] , gisteravond (het hof begrijpt: 12 oktober 2024) ben jij door de collega's aangehouden op verdenking van twee mishandelingen.\n\n V: Klopt het dat je haar hebt geslagen? A: Ja, geslagen.\n\n V: Volgens de verklaring van de ambulancebroeder (het hof begrijpt: aangever [slachtoffer 2] )heb jij hem, terwijl hij jou wilde helpen, bij zijn baard gepakt en hier met kracht aan getrokken. Zo hard dat jij zelfs een stuk van zijn baard af hebt getrokken. Tevens heb je de ambulancebroeder met een vuist in het gezicht geslagen. Vertel eens waarom jij dit deed? A: Omdat ik niet mee wilde.\n\n7. Het proces-verbaal van de terechtzitting van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, d.d. 2 juni 2025, voor zover inhoudende als verklaring van de verdachte [verdachte]:\n\nHet klopt dat ik [slachtoffer 1] geslagen heb. En het klopt dat ik [slachtoffer 2]\n\naan de baard heb getrokken en daarbij enkele haren uit de baard heb getrokken.\n\nBewijsoverwegingen\n\nI. De beslissing dat het bewezenverklaarde door de verdachte is begaan, berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen in onderlinge samenhang beschouwd.\n\nII. Elk bewijsmiddel wordt - ook in zijn onderdelen - slechts gebruikt tot bewijs van dat bewezenverklaarde feit, of die bewezenverklaarde feiten, waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.\n\nIII. De verdediging heeft ter terechtzitting in hoger beroep vrijspraak van het onder feit 2 tenlastegelegde bepleit omdat de verdachte gehandeld zou hebben uit noodweer. Daartoe is in de kern aangevoerd dat er sprake was van een ogenblikkelijke en wederrechtelijke aanranding van het lijf van de verdachte. De ambulancemedewerker, aangever [slachtoffer 2] , wilde immers herhaaldelijk medische zorg aan de verdachte verlenen, terwijl de verdachte dat niet wilde. Verdediging daartegen was gerechtvaardigd en er is daarbij voldaan aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit. Voor zover het hof van oordeel zou zijn dat de grenzen van de proportionaliteit zijn overschreden, doet de verdediging subsidiair een beroep op noodweerexces.\n\nHet hof overweegt dienaangaande als volgt.\n\nVoor een geslaagd beroep op noodweer dient in de eerste plaats sprake te zijn van een noodweersituatie, te weten een ogenblikkelijke en wederrechtelijke aanranding van eigen of eens anders lijf, eerbaarheid of goed waartegen verdediging noodzakelijk en geboden is.\n\nHet hof gaat uit van de volgende, aan wettige bewijsmiddelen ontleende, feiten en omstandigheden. Op 12 oktober 2024 hadden de verdachte en zijn partner [slachtoffer 1] een feest op de camping. De verdachte had een grote hoeveelheid alcohol genuttigd. Op de weg terug naar hun chalet is de verdachte gevallen, waarna hij op de grond bleef liggen en een hoofdwond had. Daarom is de ambulance voor de verdachte gebeld. De verdachte is vervolgens met zijn partner teruggegaan naar hun chalet. Aldaar heeft hij zijn partner mishandeld. De ambulancemedewerkers, waaronder aangever [slachtoffer 2] , kwamen vervolgens ter plaatse. Aangever trachtte de verwondingen van de verdachte te controleren en wilde hem begeleiden naar de ambulance. De verdachte wilde niet mee en weerde zich af. Aangever vernam vervolgens dat de partner van de verdachte mogelijk door de verdachte mishandeld zou zijn. Mede daardoor besloot aangever extra hulpdiensten op te roepen. Op dat moment pakte de verdachte de baard van aangever vast en sloeg hem in het gezicht. Ook heeft hij een pluk baardhaar uit de baard van aangever getrokken en zijn portofoon uit zijn hand geslagen.\n\nNaar het oordeel van het hof kunnen voornoemde gedragingen van aangever niet worden aangemerkt als een ogenblikkelijke en wederrechtelijke aanranding van verdachte zijn lijf, eerbaarheid of goed. Het is de plicht van aangever, als ambulancemedewerker, om hulpbehoevenden te helpen. Aangever had een melding gekregen van een man, later zijnde de verdachte, met een flinke hoofdwond die kortstondig zijn bewustzijn had verloren. Uit het dossier volgt dat de verdachte een aanmerkelijke verwonding aan zijn hoofd had (en geen schaafwondje, zoals de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep heeft verklaard). Zijn partner [slachtoffer 1] en overige getuigen hebben immers verklaard dat de verdachte een behoorlijke hoofdwond had, buiten bewustzijn was en dat er bloed rondom het hoofd van de verdachte lag. De verdachte was aldus hulpbehoevend, hetgeen de gedragingen van aangever, verricht om de verwonding van de verdachte te controleren, rechtvaardigt. Het hof neemt daarbij voorts in aanmerking dat in het substantief ‘aanranding’ besloten ligt dat tegen de wil van de getroffene wordt gehandeld. Naar het oordeel van het hof heeft aangever niet tegen de wil van de verdachte gehandeld, nu de verdachte op dat moment redelijkerwijs niet in staat mocht worden geacht om zijn wil adequaat te uiten. Uit het dossier, waaronder het rapport van Maasstad Ziekenhuis, en het verhandelde ter terechtzitting blijkt dat de verdachte een grote hoeveelheid alcohol genuttigd had. Hij was onvast ter been, zwalkte, is ten val gekomen en was verbaal en fysiek agressief. De ambulancemedewerkers troffen hem aan in zijn onderbroek en T-shirt en zagen dat hij moeite had om op zijn eigen benen te staan. Het hof is daardoor van oordeel dat de verdachte niet in staat was de ernst van zijn verwonding in te schatten, hetgeen te meer rechtvaardigt dat aangever, als ambulancemedewerker, de verwonding van de verdachte diende te controleren. Al het voorgaande in acht nemend, is het hof van oordeel dat de gedragingen van aangever niet aan te merken waren als een ogenblikkelijke en wederrechtelijke aanranding van verdachte zijn lijf, eerbaarheid of goed. Hetgeen door de verdediging voor het overige is aangevoerd met betrekking tot artikel 11 van de Grondwet, nog daargelaten het zogenoemde toetsingsverbod, alsmede de artikelen 7:448 en verder van het Burgerlijk Wetboek, maakt het oordeel van het hof in het licht van het hiervoor overwogene niet anders.\n\nConcluderend is het hof van oordeel dat er geen sprake was van, kortweg, een noodweersituatie, waardoor de verdachte reeds daarom geen succesvol beroep op noodweer en, in het verlengde hiervan, ook geen succesvol beroep op noodweerexces toekomt.\n\nHet hof verwerpt derhalve het tot vrijspraak strekkende verweer van de verdediging in al zijn onderdelen.\n\nStrafbaarheid van het bewezenverklaarde\n\nHet onder 1 subsidiair bewezenverklaarde wordt als volgt gekwalificeerd:\n\nmishandeling, begaan tegen zijn levensgezel.\n\nHet onder 2 bewezenverklaarde wordt als volgt gekwalificeerd:\n\nmishandeling.\n\nEr zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten. De feiten zijn strafbaar.\n\nStrafbaarheid van de verdachte\n\nEr zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezenverklaarde.\n\nOp te leggen sanctie\n\nDe verdediging heeft het hof ter terechtzitting in hoger beroep verzocht om aan de verdachte een taakstraf op te leggen, eventueel in combinatie met een geldboete.\n\nHet hof heeft bij het bepalen van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.\n\nHet hof heeft in het bijzonder het navolgende in aanmerking genomen.\n\nTen laste van de verdachte is bewezenverklaard dat hij zich op 12 oktober 2024 schuldig heeft gemaakt aan twee mishandelingen. De verdachte was samen met zijn partner [slachtoffer 1] op een feest. Op de terugweg is hij gevallen waardoor hij kortstondig buiten bewustzijn raakte en een forse hoofdwond opliep. Zijn partner probeerde hem te helpen, maar bij terugkomst in hun chalet heeft de verdachte haar mishandeld. Hoewel het hof niet tot een bewezenverklaring van een poging tot zware mishandeling is gekomen, betreft het wel een mishandeling van zeer ernstige aard die zich nabij de grens van zware mishandeling bevindt. Uit de gebezigde bewijsmiddelen volgt immers dat de verdachte een pluraliteit aan geweldshandelingen heeft verricht, waarbij slachtoffer [slachtoffer 1] ook een veelheid aan letsels heeft opgelopen. Met het plegen van deze mishandeling heeft de verdachte op ingrijpende wijze inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van zijn eigen partner, die nota bene doende was met de behartiging van het welzijn van de verdachte op het moment dat hij aanleiding zag om jegens haar geweld uit te oefenen. Voorts heeft zijn handelen bij haar gevoelens van angst en onveiligheid teweeggebracht, terwijl juist in een relatie en in de huiselijke sfeer eenieder zich veilig behoort te voelen.\n\nNa de mishandeling van zijn partner [slachtoffer 1] , is de verdachte naar zijn slaapkamer gegaan alwaar ambulancemedewerker [slachtoffer 2] ter plaatse kwam om de hoofdwond van de verdachte te controleren. Hoewel [slachtoffer 2] daar aanwezig was om de verdachte te helpen, heeft de verdachte [slachtoffer 2] mishandeld door hem te slaan en aan zijn baard te trekken. Door te handelen als bewezenverklaard heeft de verdachte niet alleen pijn en letsel veroorzaakt bij [slachtoffer 2] , maar heeft hij zich ook schuldig gemaakt aan volstrekt onacceptabel geweld tegen hulpverleners. Het hof rekent het de verdachte met name aan dat zijn agressieve gedragingen gericht waren jegens de mensen die het beste met hem voor hadden, te weten zijn partner en de ambulancemedewerker. Het hof weegt dit in strafverzwarende zin bij de strafoplegging mee.\n\nDe verdachte heeft voorts geen verantwoordelijkheid genomen voor zijn wandaden. Ook dit weegt het hof in strafverzwarende zin mee.\n\nTen aanzien van de persoon van de verdachte heeft het hof acht geslagen op de inhoud van het hem betreffende uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 29 mei 2026.\n\nVerder heeft het hof rekening gehouden met de overige persoonlijke omstandigheden van de verdachte, voor zover daarvan uit het dossier en ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken. Ten overstaan van het hof heeft de verdediging naar voren gebracht dat de verdachte veel van onderhavig incident heeft geleerd. Hij is minder gaan drinken en heeft zijn leven weer op orde. Hij en zijn partner [slachtoffer 1] hebben het incident achter zich gelaten en zijn weer samen. Voorts heeft hij een eigen installatiebedrijf met zijn zoon. Een gevangenisstraf zou een negatief effect hebben op het bedrijf van de verdachte, aldus de verdediging.\n\nHet hof heeft tevens kennisgenomen van het reclasseringsrapport van 14 mei 2025. In voornoemd rapport heeft de reclassering te kennen gegeven dat het recidiverisico als laag wordt ingeschat. De reclassering adviseert een straf zonder bijzondere voorwaarden op te leggen, omdat er geen sprake is van een delictpatroon en er ook geen aanwijzingen zijn voor geweld binnen de relatie.\n\nNaar het oordeel van het hof kan gelet op de ernst van de bewezenverklaarde geweldsfeiten, bijeengenomen, in de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in het op deze delicten gestelde wettelijk strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd, niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming voor de hierna te melden duur met zich brengt. Voor oplegging van een taakstraf, zoals de politierechter heeft gedaan en is verzocht door de verdediging, ziet het hof in het licht van de ernst van de bewezenverklaarde feiten geen ruimte.\n\nAlles afwegende acht het hof oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 8 weken waarvan 6 weken voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren, passend en geboden. Het hof komt daarmee tot oplegging van een lichtere straf dan door de advocaat-generaal is gevorderd. Hoewel het hof van oordeel is dat de ernst van de feiten de door de\n\nadvocaat-generaal gevorderde straf op zich rechtvaardigen, houdt het hof ten voordele van de verdachte in meerdere mate dan de advocaat-generaal rekening met zijn persoonlijke omstandigheden en de gevolgen van een langdurige gevangenisstraf voor zijn bedrijf. Bovendien is het hof van oordeel dat met oplegging van deze gedeeltelijk voorwaardelijke gevangenisstraf de ernst van het bewezenverklaarde voldoende tot uitdrukking wordt gebracht en de strafoplegging dienstbaar wordt gemaakt aan het voorkomen van nieuwe strafbare feiten.\n\nToepasselijke wettelijke voorschriften\n\nDe beslissing is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 57, 63, 300 en 304 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van het wijzen van dit arrest rechtens gelden.\n\nBESLISSING\n\nHet hof:\n\nvernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:\n\nverklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 1 primair tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;\n\nverklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 subsidiair en 2 tenlastegelegde heeft begaan;\n\nverklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;\n\nverklaart het onder 1 subsidiair en 2 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar;\n\nveroordeelt de verdachte tot een gevangenisstrafvoor de duur van8 (acht) weken;\n\nbepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 6 (zes) weken, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van3 (drie) jarenaan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.\n\nAldus gewezen door:\n\nmr. A.C. van Campen, voorzitter,\n\nmr. S.V. Pelsser en mr. T. van de Woestijne, raadsheren,\n\nin tegenwoordigheid van mr. N.H.P. van der Linde, griffier,\n\nen op 26 juni 2026 ter openbare terechtzitting uitgesproken.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2026:1754","ecli-nl-ghshe-2026-1754",{"courtName":6,"legalDomain":31,"decisionType":22,"procedureType":23},{"id":110,"ecli":111,"caseNumber":14,"courtId":5,"courtName":14,"decisionDate":112,"fullText":113,"language":7,"source":17,"sourceUrl":114,"summary":14,"slug":115,"metadata":116},"1062","ECLI:NL:RBDHA:2026:16421","2026-06-18T00:00:00.000Z","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Roermond\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL25.51713 T\n tussenuitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n [eiser],\n\ngeboren [geboortedatum] 1991, Oekraïense nationaliteit, eiser,\n\nV-nummer: [V-nummer]\n\n(gemachtigde: mr. R.H.T. van Boxmeer),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, verweerder,\n\n(gemachtigde: mr. S.H.J. Muijlkens).\n\nProcesverloop\n\nBij besluit van 21 oktober 2025 heeft verweerder de (opvolgende) asielaanvraag van eiser afgewezen als kennelijk ongegrond op grond van artikel 31 juncto artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder g, van de Vw 2000. In dit besluit is overwogen dat het op 24 februari 2020 vastgestelde terugkeerbesluit, waarin Oekraïne is aangemerkt als land van terugkeer, en het op diezelfde dag uitgevaardigde inreisverbod nog geldig zijn.\n\nEiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld en een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend (zaaknummer NL25.51714).\n\nNadat de eerder op 7 april 2026 geplande zitting door de rechtbank op 1 april 2026 wegens onvoorziene omstandigheden is aangehouden, is partijen met de brief van 8 juni 2026 bericht dat de zitting is bepaald op 16 juni 2026.\n\nVerweerder heeft bij brief van 12 juni 2026 medegedeeld dat het besluit van 21 oktober 2025 is ingetrokken.\n\nDe rechtbank heeft eiser op 15 juni 2026 om 09:59 uur verzocht om te reageren op het bericht van verweerder van 12 juni 2026.\n\nEiser heeft op 15 juni 2026 om 10:51 uur verzocht om het beroep om te zetten naar een beroep niet tijdig beslissen en een termijn van zes weken voor het nemen van een nieuw besluit te bepalen onder verbeurte van een dwangsom. Daarnaast heeft hij de rechtbank verzocht een proceskostenveroordeling uit te spreken. Eiser heeft zijn verzoek om een voorlopige voorziening op 15 juni 2026 ingetrokken.\n\nDe rechtbank heeft op 15 juni 2026 om 14:11 uur een bericht voor partijen in het dossier geplaatst en daarin medegedeeld dat de op 16 juni 2026 geplande zitting doorgaat en zowel de intrekking van het bestreden besluit, als het verzoek van eiser ter zitting zal worden besproken en afhankelijk van de reden voor de intrekking, de rechtbank zal onderzoeken\n\nof in de zaak regie kan worden gevoerd met het oog op finale geschilbeslechting.\n\nDe rechtbank heeft het beroep op 16 juni 2026 op zitting behandeld. Eiser en zijn gemachtigde zijn niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Na de behandeling van de zaak heeft de rechtbank het onderzoek ter zitting gesloten.\n\nOp 17 juni 2026 heeft de rechtbank partijen bericht dat het onderzoek wordt heropend en dat de rechtbank een tussenuitspraak zal doen.\n\nOverwegingen\n\n1. Eiser, die de Oekraïense nationaliteit heeft, heeft op 11 februari 2020 een asielaanvraag ingediend. De afwijzing van deze aanvraag staat in rechte vast gelet op de uitspraak van de Afdeling van 28 december 2020.\n\n2. Eiser heeft op 17 februari 2023 een opvolgende asielaanvraag ingediend. Verweerder heeft in het relaas van eiser drie zogenoemde ‘asielmotieven’ geduid:\n\n-identiteit en nationaliteit;\n\n-eiser wil niet in militaire dienst;\n\n-de algemene situatie in Oekraïne.\n\nVerweerder acht alle asielmotieven geloofwaardig, maar heeft in zijn besluit van 21 oktober 2025 beslist dat aan eiser geen internationale bescherming hoeft te worden verleend.\n\n3. Eiser stelt zich op het standpunt dat aan hem de vluchtelingenstatus, dan wel een subsidiaire beschermingsstatus moet worden verleend. Eiser heeft in beroep actuele informatie overgelegd over de algemene veiligheidssituatie in Oekraïne, en met name over mobilisatie en de gevolgen van dienstweigering. Eiser heeft tevens een ‘SUA Q&A’, gedateerd op 20 november 2025 en geldig tot en met 22 mei 2026, overgelegd waarin de vraag of ‘er sprake kan zijn van 15c als er geen landgebonden beleid is’ wordt beantwoord.\n\n4. De rechtbank overweegt allereerst dat eiser niet valt onder de werkingssfeer van de Richtlijn Tijdelijke Bescherming, zodat verweerder een besluit moet nemen op het (opvolgende) verzoek om internationale bescherming.\n\n5. Eiser heeft zijn opvolgende asielaanvraag op 17 februari 2023 ingediend. Door pas op 21 oktober 2025 op deze aanvraag te beslissen, heeft verweerder de maximaal toegestane beslistermijn fors overschreden.\n\n6. Op 4 september 2023heeft de toenmalige Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een brief naar de Tweede Kamer gestuurd waarin onder meer het navolgende is vermeld:\n\n“(…)\n\nOp 28 februari 2022 is uw Kamer geïnformeerd over uw besluit een besluit- en vertrekmoratorium in te stellen voor asielzoekers met de Oekraïense nationaliteit voor de duur van een half jaar. Dit besluit- en vertrekmoratorium stond los van de inwerkingstelling van de Richtlijn Tijdelijke Bescherming (RTB) op 4 maart 2022 en was in de praktijk alleen van toepassing op personen met Oekraïense nationaliteit die niet onder de richtlijn vallen. Het besluitmoratorium is nadien nog twee keer met een halfjaar verlengd en liep af op 28 augustus 2023. In mijn brief van 16 maart 2023 heb ik aangegeven dat het na 4 maart 2023 niet meer mogelijk was het vertrekmoratorium te verlengen.\n\n(…)\n\nDe situatie met betrekking tot Oekraïne is nog niet wezenlijk veranderd. Tegelijkertijd schrijft de Procedurerichtlijn voor dat de behandelingsprocedure ook tijdens een besluitmoratorium binnen 21 maanden na de indiening van het verzoek moet worden afgerond. Ik verwacht dat het aantal zaken waarin deze termijn wordt bereikt vanaf november 2023 zal gaan oplopen. In deze zaken zal dan een beslissing moeten worden genomen en een besluitmoratorium zal in de praktijk dus geen effect meer hebben.\n\nInmiddels zijn er in toenemende mate (openbare) bronnen beschikbaar gekomen die een beschrijving geven van de situatie in Oekraïne. Ik ben voornemens om die informatie te verzamelen en op basis daarvan een landenbeleid te formuleren voor Oekraïners die niet vallen onder de RTB.\n\nDit landenbeleid zal worden toegepast met ingang van 28 november 2023, dus precies 21 maanden nadat het besluitmoratorium voor de eerste keer werd ingesteld. Over de inhoud van dit landenbeleid zal ik uw Kamer vanzelfsprekend informeren. (…) Op basis van het voorgaande heb ik besloten het besluitmoratorium nog eenmaal met drie maanden te verlengen, tot 28 november 2023.\n\n(…)”.\n\n7. De rechtbank heeft niet kunnen vaststellen dat de minister de Tweede Kamer nadien nog in deze context over de situatie in Oekraïne heeft bericht. Verweerder heeft desgevraagd ter zitting aangegeven niet over andere informatie te beschikken.\n\n8. De rechtbank heeft verweerder ter zitting gevraagd waarom op 12 juni 2026 is overgegaan tot het intrekken van het bestreden besluit dat op 21 oktober 2025 is genomen omdat de mededeling over de intrekking niet is toegelicht. Verweerder heeft daarop aangegeven dat aanleiding bestaat om opnieuw te beoordelen of sprake is van een zogenoemde ‘15c-situatie’ en dat deze beoordeling pas kan worden verricht als er landgebonden beleid is vastgesteld. Verweerder heeft verder toegelicht dat verwacht wordt dat dit landgebonden beleid binnen enkele weken wordt vastgesteld en dat niet bekend is of op korte termijn een algemeen en\u002Fof thematisch ambtsbericht wordt uitgebracht.\n\n9. De rechtbank overweegt dat het zonder enige toelichting intrekken van een besluit kort voor de zitting waar de rechtmatigheid van dat besluit en het daartegen gerichte beroep worden behandeld om meerdere redenen storend is. Verweerder kan het bovendien niet zijn ontgaan dat deze rechtbank en zittingsplaats recent meermalen heeft geoordeeld dat ongemotiveerde intrekkingsbesluiten die kort voor de zitting worden genomen, worden gekwalificeerd als het misbruik maken van bevoegdheid en deze intrekkingsbesluiten daarom pleegt te vernietigen als de beroepen in die procedures worden gehandhaafd.\n\n10. De rechtbank overweegt voorts dat het zonder meer intrekken van het besluit zonder een nieuw besluit te nemen of mede te delen wanneer dit zal gebeuren, misplaatst is omdat verweerder wéétdat de beslistermijn ruimschoots is verstreken enwéétdat hij moet beslissen op de asielaanvraag van eiser. Door eenvoudigweg niet te beslissen of door eenvoudigweg eerder genomen besluiten in te trekken en daardoor een rechterlijke controle van zijn besluit te vermijden, handelt verweerder in strijd met zijn -Unierechtelijke en nationaalrechtelijke- verplichtingen. Verweerder is niet bevoegd om een nieuw besluitmoratorium in te stellen, maar meent kennelijk door feitelijk niet te beslissen deze verplichtingen voor zich uit te kunnen schuiven. De rechtbank overweegt in aanvulling hierop dat deze handelwijze onbehoorlijk is jegens eiser die recht heeft op een tijdige en deugdelijke beoordeling van zijn asielaanvraag. Dat eiser een opvolgende asielaanvraag heeft ingediend, betekent niet dat voor verweerder een andere beslistermijn of minder verstrekkende verplichtingen gelden.\n\n11. Eiser heeft verzocht om zijn beroep tegen het ingetrokken bestreden besluit aan te merken als een zogenoemd ‘beroep niet tijdig’ en verweerder onder verbeurte van een dwangsom een termijn van zes weken te geven om alsnog op zijn asielaanvraag van 17 februari 2023 te beslissen.\n\n12. De rechtbank ziet aanleiding om in deze procedure niet over te gaan tot het bepalen van de door eiser voorgestelde beslistermijn voor verweerder met toekenning van een dwangsom indien niet wordt voldaan aan de opdracht om binnen deze termijn opnieuw te beslissen op de asielaanvraag van eiser. Verweerder heeft het besluit ingetrokken zonder aan te geven wanneer opnieuw op de asielaanvraag wordt beslist en verweerder kan thans ook niet aangeven wanneer landgebonden beleid voor Oekraïne wordt vastgesteld. De rechtbank sluit niet uit dat verweerder niet zal voldoen aan een opdracht van de rechtbank om binnen een bepaalde termijn opnieuw te beslissen en het verbeuren van dwangsommen voor lief zal nemen. De praktijk leert dat het bepalen van een dwangsom om besluiten te nemen in asielprocedures bepaald niet leidt tot snellere beslissingen en in veel gevallen zelfs niet leidt tot besluitvorming, terwijl de rechtszoekende geen enkel ander middel heeft om besluitvorming af te dwingen.\n\n13. De rechtbank is gelet op artikel 47 van het Handvest verplicht om een doeltreffende voorziening in rechte te bieden en zal daarom overgaan tot een andere wijze van geschilbeslechting.\n\n14. De rechtbank overweegt dat het relaas van eiser integraal geloofwaardig is geacht. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding om de procedure aan te houden in afwachting van het arrest van het Hof dat zal worden gewezen naar aanleiding van de prejudiciële vragen die deze rechtbank en zittingsplaats op 7 januari 2025 heeft gesteld over -kort gezegd- de geloofwaardigheidsbeoordeling ((ECLI:NL:RBDHA:2025:136, C-7\u002F25 en ECLI:NL:RBDHA:2025:139, C-8\u002F25). De rechtbank overweegt voorts dat geen aanleiding bestaat om verweerder op te dragen om eiser aanvullend te horen.\n\n15. De rechtbank zal het intrekkingsbesluit in deze procedure niet vernietigen, maar verweerder opdragen om opnieuw te beslissen op de asielaanvraag die eiser op 17 februari 2023 heeft ingediend. De rechtbank bepaalt hiervoor een termijn van vier weken gelet op de reeds ontstane overschrijding van de beslistermijn en gelet op de omstandigheid dat niet gebleken is van enige noodzaak om eiser voorafgaand aan het nemen van dat besluit aanvullend te horen. Ook indien binnen vier weken geen landgebonden beleid Oekraïne is vastgesteld, acht de rechtbank verweerder zeer wel in staat om te beoordelen of het geloofwaardig geachte relaas noopt tot het verlenen van internationale bescherming en een mogelijk afwijzend besluit draagkrachtig te motiveren. De rechtbank merkt hierbij op dat er voldoende (openbare) bronnen beschikbaar zijn die een beschrijving geven van de situatie in Oekraïne en wijst in dit verband op de door eiser in beroep overgelegde stukken. Eiser zal in de gelegenheid worden gesteld om beroepsgronden aan te voeren tegen het nieuw te nemen besluit en de rechtbank zal daarvoor na bekendmaking van het nieuw te nemen besluit een termijn bepalen.\n\n16. De rechtbank deelt partijen mee dat indien verweerder binnen de door de rechtbank bepaalde termijn van vier weken geen beslissing neemt op de asielaanvraag, de rechtbank voornemens is om zelf te voorzien door te beoordelen of aan eiser internationale bescherming moet worden verleend. In voorkomend geval zal de rechtbank daarover een bindende uitspraak doen zoals bedoeld in de arresten van het Hof van 4 juni 2026 in de zaken C-198\u002F25 (Quotal, ECLI:EU:C:2026:447) en C-440\u002F25 (Ebilum, ECLI:EU:C:2026:448). In die arresten heeft het Hof (onder meer) het navolgende voor recht verklaard:\n\n(…)\n\nArtikel 46, lid 3, van richtlijn 2013\u002F32\u002FEU van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende gemeenschappelijke procedures voor de toekenning en intrekking\n\nvan de internationale bescherming, gelezen in het licht van artikel 47 van het Handvest van\n\nde grondrechten van de Europese Unie, moet aldus worden uitgelegd dat ten eerste die bepaling een rechter in eerste aanleg bij wie beroep is ingesteld tegen een beslissing tot afwijzing van een verzoek om internationale bescherming de bevoegdheid verleent om een bindende uitspraak te doen over de geloofwaardigheid van het ter staving van dat verzoek overgelegde relaas, over de aannemelijkheid van de vrees voor vervolging van de verzoeker of het reële risico voor hem op ernstige schade bij terugkeer naar zijn land van herkomst, alsmede over de gegrondheid van dat verzoek, rekening houdend met alle elementen die in de beroepsprocedure naar voren zijn gebracht, en ten tweede de lidstaten deze bevoegdheid niet mogen beperken.\n\n(…)\n\n17. De rechtbank wijst in dit verband op artikel 67, derde lid, van Verordening 2024\u002F1348, dat een op dit punt vergelijkbare bepaling kent over het recht op een doeltreffende voorziening in rechte, zodat de bovengenoemde arresten ook betekenis hebben voor rechterlijke uitspraken vanaf 12 juni 2026.\n\n18. De rechtbank houdt iedere verdere beslissing aan.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- draagt verweerder op binnen vier weken na bekendmaking van deze uitspraak een beslissing te nemen op de asielaanvraag die eiser op 17 februari 2023 heeft ingediend;\n\n- houdt iedere verdere beslissing aan.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. S. van Lokven, rechter, in aanwezigheid van mr. E.M.J. Clermonts, griffier.\n\nDe uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: 18 juni 2026.\n\nRechtsmiddel\n\nTegen deze tussenuitspraak staat nog geen hoger beroep open. Tegen deze tussenuitspraak kan hoger beroep worden ingesteld tegelijkertijd met hoger beroep tegen de (eventuele) einduitspraak in deze zaak.\n\n Tweede Kamer, vergaderjaar 2022-2023, 19 637, nr. 3163, 36045 Vreemdelingenbeleid Situatie in Oekraïne.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:16421","ecli-nl-rbdha-2026-16421",{"courtName":6,"legalDomain":69,"decisionType":22,"procedureType":23},{"id":118,"ecli":119,"caseNumber":14,"courtId":5,"courtName":14,"decisionDate":112,"fullText":120,"language":7,"source":17,"sourceUrl":121,"summary":14,"slug":122,"metadata":123},"828","ECLI:NL:RBLIM:2026:5745","RECHTBANKLIMBURG\n\nCiviel recht\n\nKantonrechter\n\nZittingsplaats Roermond\n\nZaaknummer \u002F rekestnummer: 12109816 \\ OV VERZ 26-9\n\nBeschikking van 18 juni 2026\n\nin de zaak van\n\n [de man],\n\nte [plaats 1] ,\n\nverzoekende partij, verwerende partij voor wat betreft het tegenverzoek,\n\nhierna te noemen: de man,\n\ngemachtigde: mr. J.I.L. Laumans,\n\ntegen\n\n [de vrouw],\n\nte [plaats 1] ,\n\nverwerende partij, verzoekende partij voor wat betreft het tegenverzoek,\n\nhierna te noemen: de vrouw,\n\ngemachtigde: mr. A.M.A. Kok-Verheijde.\n\n1. Waar gaat deze zaak over\n\nPartijen hebben een relatie gehad die in juli 2025 is beëindigd. Sindsdien verblijft de vrouw met uitsluiting van de man in hun gezamenlijk woning, gelegen aan [adres] te [plaats 1] (hierna de woning). Partijen hebben samen een minderjarig kind, waarover zij gezamenlijk het ouderlijk gezag hebben. Beide partijen willen dat de kantonrechter een beheersregeling vaststelt in die zin dat wordt bepaald wie in de woning mag verblijven totdat die is verdeeld.\n\n2. De procedure\n\n2.1.. Het verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- het verzoekschrift met productie 1 tot en met 8\n\n- het verweerschrift met producties 1 tot en met 10\n\n- de akte van de man met productie 9\n\n- de producties 10 en 11 van de man\n\n- de mondelinge behandeling van 21 mei 2026, waarbij de man spreekaantekeningen heeft overgelegd.\n\n2.2.. De beschikking is bepaald op vandaag.\n\n3. De feiten\n\n3.1.. Partijen hebben een affectieve relatie gehad, hebben samengewoond en hebben een kind van 4 jaar waarover zij gezamenlijk het gezag hebben. Zij hebben de afspraken over hun samenleving op 12 oktober 2018 vastgelegd in een notariële samenlevingsovereenkomst. De samenleving tussen partijen is beëindigd in juli 2025. Vanaf die tijd heeft de man de woning van partijen verlaten, waarna hij bij zijn ouders is gaan wonen. Partijen zijn beiden eigenaar van de woning, ieder voor de helft. Partijen verschillen van mening over de vraag wie de meeste aanspraak heeft om de woning te bewonen.\n\n3.2.. De waarde van de woning is op 2 september 2025 getaxeerd door [bedrijf] B.V. op € 400.000,00. De WOZ-waarde per 1 januari 2025 bedraagt € 441.000,00. De vrouw betaalt gebruikerslasten en de man betaalt alle eigenaarslasten en de hypotheek.\n\n4. Het geschil\n\n4.1.. De man verzoekt de kantonrechter te bepalen dat hij in redelijkheid de meeste aanspraken heeft om de woning te blijven bewonen en te bepalen dat de vrouw de woning binnen vier weken dient te verlaten op straffe van een dwangsom.4.2.. De vrouw wil de woning niet overnemen, maar verzet zich tegen toewijzing van het verzoek en heeft als tegenverzoek de kantonrechter gevraagd te bepalen dat zij in redelijkheid de meeste aanspraken heeft om de woning te blijven bewonen.\n\n5. De beoordeling\n\nDe bevoegdheid van de kantonrechter5.1.. \n\nIn artikel 12 van de samenlevingsovereenkomst staat dat na het einde van de samenleving beide partijen het recht hebben nog gedurende drie maanden te wonen in hun woning. In onderling overleg zal worden uitgemaakt wie daarna in redelijkheid de meeste aansprakelijk heeft om de woning te blijven bewonen. Als het partijen niet lukt om hierover afspraken te maken, kan de kantonrechter worden gevraagd een beslissing te nemen.\n\nVerder bepaalt artikel 3:168 BW dat deelgenoten het genot, gebruik en beheer van gemeenschappelijke goederen (zoals een woning) bij overeenkomst kunnen regelen en voor zover een overeenkomst ontbreekt dat de kantonrechter op verzoek van een van partijen een regeling kan treffen. Daarbij houdt de kantonrechter rekening met zowel de belangen van partijen als met het algemeen belang. De kantonrechter is daarom bevoegd een beslissing te nemen over het verzochte.\n\nEen belangenafweging5.2.. Hoewel de verzoeken van partijen anders zijn geformuleerd begrijpt de kantonrechter dat beide partijen het uitsluitend gebruik van de woning willen hebben in afwachting van hetzij toedeling aan de man, hetzij verkoop aan een derde. Partijen hebben dit desgevraagd tijdens de zitting bevestigd.\n\n5.3.. Het geschil tussen partijen spitst zich daarom toe op de vraag wie van partijen daarbij het meeste belang heeft. De kantonrechter is van oordeel dat de man het uitsluitend gebruik van de woning moet krijgen maar slechts voor de duur van zes maanden. De kantonrechter zal hierna uitleggen waarom zij tot deze beslissing is gekomen.\n\n5.3.1.. De kantonrechter stelt vast dat de vrouw weliswaar in de woning verblijft, maar de eigenaarslasten en de hypotheek daarvan niet kan betalen. De man betaalt dit. De vrouw wil de woning ook niet toebedeeld krijgen. De man wil dat wel en zegt dat hij dat ook kan financieren, uitgaande van de getaxeerde waarde van € 400.000,00. Hij zegt dat hij daarvoor naar een hypotheekadviseur is geweest.\n\n5.3.2.. \n\nDe man voert ter onderbouwing van zijn belang om in de woning te mogen wonen in afwachting van de verdeling van de woning het volgende aan.\n\nDe man wil niet langer bij zijn ouders verblijven omdat dit hen belast en omdat hij wil voorkomen dat de irritaties tussen hem en zijn ouders oplopen. Hij stelt dat ook de vrouw niet wil dat de man bij zijn ouders woont zodat hun kind daar niet hoeft te verblijven. Dat was voor haar al eerder reden om de omgangsregeling met het kind tijdelijk stop te zetten. Verder stelt dat man dat hij voor de verdeling geen andere woning kan kopen of huren, omdat hij alle lasten van de gemeenschappelijke woning draagt. Het ligt volgens de man voor de hand dat hij het gebruiksrecht van de woning krijgt omdat hij alle lasten draagt en de woning toegedeeld wil krijgen, terwijl de vrouw dat niet wil.\n\n5.3.3.. De vrouw stelt dat het in het belang van het kind is dat zij in de woning blijft totdat de woning is verdeeld, omdat zij het meest voor het kind zorgt en het haar niet zal lukken andere woonruimte te vinden, waardoor zij met het kind op straat komt te staan. Ze geeft aan dat zij bij Wonen Limburg staat ingeschreven, maar dat er een hele lange wachtlijst is. Verder stelt ze dat zij geen urgentiestatus krijgt als zij de woning moet verlaten, omdat zij nog een koopwoning in mede-eigendom heeft. Zij wil zo snel mogelijk de woning verdelen ofwel door toedeling van haar aandeel aan de man ofwel door verkoop aan een derde zodat zij een eigen woning kan kopen. In dat kader merkt de vrouw nog op dat de woning meer waard is dan € 400.000,00, dat zij niet gehouden is aan de taxatie van 2 september 2025 en dat moet worden gekeken naar de waarde van de woning op het moment van verdelen. De vrouw stelt dat de man niet heeft aangetoond dat hij financieel in staat is haar aandeel in de woning over te nemen.\n\n5.3.4.. De kantonrechter stelt voorop dat de woning uiteindelijk verdeeld moet worden en dat de woning hoe dan ook niet aan de vrouw wordt toebedeeld omdat zij dat niet wil en niet gefinancierd krijgt. De vrouw zal de woning daarom hoe dan ook op enig moment moeten verlaten. Hierdoor ligt het voor de hand het gebruiksrecht van de woning in afwachting van de verdeling aan de man toe te kennen. Dit lig verder ook voor de hand omdat de man de eigenaarslasten en de hypotheek van de woning betaalt. Het belang van het kind wordt niet geschaad als de man het gebruiksrecht krijgt, want het kind verblijft ongeveer de helft van de tijd bij de man en de helft van de tijd bij de vrouw. In dat kader is relevant dat de voorzieningenrechter bij vonnis van 19 december 2025 een zorgregeling heeft vastgesteld, inhoudende dat het kind een groot deel van de week bij zijn vader verblijft (namelijk wekelijks van woensdagochtend schooltijd (9:00 uur) tot vrijdagochtend (9:00 uur) en wekelijks zaterdagmiddag 12:00 uur tot zondagmiddag 12:00 uur. De vrouw voert nog aan dat de ouders van de man (met wie zij geen goede verhouding heeft) een groot deel van de zorg voor het kind gedurende die tijd op zich nemen omdat de man werkt en het kind ook naar een kinderdagverblijf\u002Fschool gaat (sinds 2 mei 2026). De man brengt daartegenin dat hij de tijd na zijn werk wel degelijk zelf de zorg voor het kind op zich neemt. Hoe dan ook leidt dit argument er niet toe dat de vrouw het uitsluitend gebruik van de woning moet krijgen. Uiteraard moet er tijdens het werk kinderopvang zijn en dat betekent niet dat iemand niet voor zijn kind zorgt. De vrouw heeft verder nog gesteld dat zij geen vervangende woonruimte heeft en op straat komt te staan, maar de man heeft gesteld dat zij naar een tante in [plaats 2] zou kunnen gaan of woonruimte zou kunnen regelen via haar werkgever en daar heeft de vrouw niet voldoende onderbouwd op gereageerd. Bovendien geldt ook hier weer dat zij de woning hoe dan ook op enig moment moet verlaten.\n\n5.4.. De kantonrechter ziet wel aanleiding om het uitsluitend gebruik van de woning slechts voor de duur van zes maanden aan de man toe te kennen gelet op het belang van de vrouw dat er spoedig een definitieve verdeling van de woning volgt. Zonder die verdeling heeft zij geen financiële ruimte om zelf een woonruimte te kopen. Bovendien hebben partijen op zitting aangegeven dat een regeling over alle andere vermogensbestanddelen ook in het verschiet ligt zodra de woning definitief is verdeeld.\n\n5.5.. De gevorderde dwangsom zal worden gematigd, zoals hierna opgenomen in de beslissing.\n\n6. De beslissing\n\nDe kantonrechter\n\n6.1.. bepaalt dat de man in redelijkheid de meeste aanspraken heeft om de woning aan [adres] te [plaats 1] te blijven bewonen, gedurende zes maanden vanaf het moment dat de vrouw deze woning heeft verlaten,\n\n6.2.. bepaalt dat de vrouw de onder 6.1. genoemde woning binnen vier weken na deze beschikking dient te verlaten en niet meer mag betreden, onder verbeurte van een dwangsom van € 250,00 voor iedere dag of gedeelte hiervan dat de vrouw hiertoe in gebreke blijft met een maximum van € 10.000,00,\n\n6.3.. verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad,\n\n6.4.. wijst af het door de man of vrouw anders of meer verzochte.\n\nDeze beschikking is gegeven door mr. Koster-van der Linden en in het openbaar uitgesproken op 18 juni 2026","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBLIM:2026:5745","ecli-nl-rblim-2026-5745",{"courtName":6,"legalDomain":124,"decisionType":22,"procedureType":23},"Civiel recht; Goederenrecht",{"id":126,"ecli":127,"caseNumber":14,"courtId":5,"courtName":14,"decisionDate":128,"fullText":129,"language":7,"source":17,"sourceUrl":130,"summary":14,"slug":131,"metadata":132},"479","ECLI:NL:RBLIM:2026:5820","2026-06-17T00:00:00.000Z","RECHTBANKLIMBURG\n\nCiviel recht\n\nKantonrechter\n\nZittingsplaats Roermond\n\nZaaknummer: 12191805 \\ CV EXPL 26-1957\n\nVonnis in kort geding van 17 juni 2026\n\nin de zaak van\n\n [werknemer],\n\nte [plaats 1] ,\n\neisende partij,\n\nhierna te noemen: [werknemer] ,\n\ngemachtigde: mr. E.G.W. Hendriks,\n\ntegen\n\nDE BESLOTEN VENNOOTSCHAP MET BEPERKTE AANSPRAKELIJKHEID [werkgever] B.V.,\n\nte [plaats 2] ,\n\ngedaagde partij,\n\nhierna te noemen: [werkgever] ,\n\ngemachtigde: mr. F.M.C. van Helmond.\n\n1. De procedure\n\n1.1.. Het verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- de dagvaarding\n\n- de conclusie van antwoord\n\n- het e-mailbericht van 1 juni 2026 van mr. Hendriks met nadere producties - de mondelinge behandeling van 2 juni 2026 - de pleitnota van de gemachtigde van [werknemer] .\n\n2. De feiten\n\n2.1.. \n [werknemer] is met ingang van 23 september 2024 bij [werkgever] in dienst getreden voor de duur van twaalf maanden. De laatste arbeidsovereenkomst is aangegaan met ingang van 23 september 2025 voor de duur van twaalf maanden. [werknemer] vervult de functie van beroepsmatige verkeersregelaar voor minimaal 24 uur per week, tegen een uurloon van € 15,00 bruto, vermeerderd met 8% vakantiegeld (productie 1 van [werknemer] ).\n\n2.2.. \n [werknemer] heeft zich op 18 december 2025 ziekgemeld vanwege psychische klachten. Op 19 december 2025 heeft er een fysiek gesprek plaatsgevonden tussen [werknemer] en [werkgever] . Op 31 december 2025 en 2 januari 2026 heeft er een telefonisch gesprek tussen partijen plaatsgevonden.\n\n2.3.. Op 2 januari 2026 heeft [werknemer] zich voor de tweede keer ziekgemeld.\n\n2.4.. \n\nOp 6 januari 2026 is [werknemer] op het spreekuur bij [bedrijfsarts 1] geweest (productie 6 van [werknemer] ). De bedrijfsarts adviseert onder meer als volgt:\n\n“Betrokkene is tijdelijk is uitgevallen voor haar eigen werkzaamheden.\n\nGeadviseerd wordt over twee weken een koffiemoment in te plannen met de werkgever.\n\nHierna wordt geadviseerd om invulling en structuur te geven aan de week d.m.v. laagdrempelig arbeidstherapeutisch werk. Start dan met 3 dagdelen van maximaal 4 uur\n\nin werk zonder tijdsdruk, zonder klantcontact, zonder deadlines, zonder hoge verantwoording.”\n\n2.5.. Op 9 januari 2026 heeft [werknemer] een second opinion aangevraagd.\n\n2.6.. \n\nOp 20 januari 2026 heeft er een koffiemoment tussen partijen plaatsgevonden.\n\nOp 26 januari 2026 heeft er een aansluitend telefonisch overleg plaatsgevonden tussen partijen.\n\nNaar aanleiding van dit gesprek heeft [werkgever] op 26 januari 2026 een e-mailbericht gestuurd aan [werknemer] , waarin zij schrijft dat partijen gezamenlijk hebben besloten om het advies van de bedrijfsarts iets te wijzigen en hier een eigen invulling aan te geven; “Wij hebben gezamenlijk besloten om te starten met kortere diensten van maximaal 5 uur per week, waarbij jij omstreeks de 12 uur, gelijk aan het advies van de arboarts zal gaan werken in jouw eigen functie als beroepsmatig verkeersregelaar.” (productie 8 van [werknemer] ).\n\n2.7.. \n\n [werknemer] heeft naar aanleiding van voornoemd e-mailbericht van [werkgever] per e-mailbericht van 26 januari 2026 als volgt gereageerd:\n\n“Hallo, dit klopt. Hopelijk gaat het me lukken. En ga ik niet alsnog te snel. Maar ik ga me best doen.” (productie 8 van [werknemer] ).\n\n2.8.. De heer [casemanager] , casemanager van de Arbodienst, heeft bij e-mailbericht van 26 januari 2026 onder meer geschreven dat het mogelijk is om af te wijken van het advies van de bedrijfsarts, als de werknemer aangeeft hiermee akkoord te gaan (productie 5 van [werkgever] ).\n\n2.9.. \n\nBij e-mailbericht van 28 januari 2026 heeft [werknemer] zich opnieuw ziekgemeld. [werknemer] geeft hierin onder meer het volgende aan:\n\n“Ik ben vandaag weer bij de huisarts geweest. (..) Ik zit op moment thuis. Met burn-out en depressie. Hierdoor kan ik toch niet starten volgende week met werken. Dit omdat mijn gezondheid me voorgaat. Verder om de stress te verminderen wens ik ook dat het contact verder verloopt via de mail.\n\nDit omdat ik veel te makkelijk beinvloedbaar ben en me daardoor veel te makkelijk laat ompraten en toch weer de druk voel om ja te zeggen en daar wil ik vanaf. (..)”\n\n(productie 9 van [werknemer] ).\n\n2.10.. \n\nBij e-mailbericht van 29 januari 2026 heeft [werkgever] aangegeven het salaris met ingang van die week tijdelijk stop te zetten (productie 9 van [werknemer] ).\n\nDit is nogmaals bevestigd bij brief van de gemachtigde van [werkgever] van 29 januari 2026. In de brief staat onder meer het volgende opgenomen:\n\n“ (..) U heeft zelf aangegeven graag naar buiten te willen. Uw werkgever heeft hier in mee gedacht en met akkoord van de bedrijfsarts zou u kunnen starten met buitenwerk.\n\nEvenwel heeft u nu aangegeven pas vanaf media maart te willen starten met deze vervangende werkzaamheden, omdat u eerst uw (nieuwe) honden zou willen trainen. U weigert daarmee überhaupt werkzaamheden uit te voeren. (..).\n\nDoor zonder deugdelijke grond na te laten de u aangeboden passende werkzaamheden te verrichten, belemmert en vertraagt u uw re-integratie.\n\nDe werkgever ziet zich dan ook genoodzaakt (..) met onmiddellijke ingang de doorbetaling van het loon te stoppen tot het moment waarop u aan al uw re-integratieverplichtingen voldoet. Alvorens uw werkgever daartoe overgaat, ontvangt u een waarschuwing.\n\n(..). Ik verzoek en voor zover nodig sommeer ik u om u op 2 februari 2026 om 07.30 uur te melden conform de planning voor het verrichten van de overeengekomen werkzaamheden. (..).(productie 10 van [werknemer] ).\n\n2.11.. Bij brief van de gemachtigde van [werkgever] van 2 februari 2026 is aan [werknemer] de loonbetalingen per direct stopgezet (productie 6 van [werkgever] ).\n\n2.12.. \n [werknemer] heeft op 12 februari 2026 een deskundigenoordeel aangevraagd bij het UWV over de vraag of zij aan haar re-integratieverplichtingen heeft voldaan (productie 8 van [werkgever] ).\n\n2.13.. Bij brief van 14 februari 2026 heeft de gemachtigde van [werknemer] gereageerd op de brief van de gemachtigde van [werkgever] van 29 januari 2026 (productie 11 van [werknemer] ).\n\n2.14.. \n\nOp 6 maart 2026 is [werknemer] door [bedrijfsarts 2] beoordeeld in het kader van de door [werknemer] aangevraagde second opinion. De second opinion arts schrijft onder meer het volgende:\n\n“Ik ben het eens met het advies d.d. 6-1-2026 van de POB’er\u002FBedrijfsarts (..).\n\nOp grond van hetgeen mevrouw mij vertelt bood de werkgever haar vervolgens haar eigen (niet passende) werk aan. Logischerwijs is zij daarin niet hervat.” (productie 12 van [werknemer] ).\n\n2.15.. Het UWV heeft op 25 maart 2026 een deskundigenrapport uitgebracht. De conclusie van de deskundige luidt: “De client is per geschildatum niet geschikt te achten voor het uitvoeren van de bedongen arbeid. Zie de beschouwing” (productie 13 van [werknemer] ).\n\n2.16.. \n\nOp 13 mei 2026 is [werknemer] op het spreekuur van [bedrijfsarts 3] geweest.\n\nDe bedrijfsarts schrijft onder meer het volgende:\n\n“Beperkingen: Er is geen verandering opgetreden in de reeds eerder beschreven beperkingen.\n\nMogelijkheden in eigen werkzaamheden\u002FMogelijkheden in vervangende werkzaamheden: ik vraag medische informatie op bij de behandelaar om een beter beeld te krijgen. Verder re-integratieadvies zal hierna vorm gegeven worden.”\n\n2.17.. \n\n [werkgever] heeft een onderzoeksbureau (bedrijfsrecherche) ingeschakeld, omdat zij vermoedens had dat [werknemer] elders werkzaamheden verrichte.\n\n [werknemer] is op 20 mei, 21 mei en 26 mei 2026 door het onderzoeksbureau geobserveerd. Het verslag van het onderzoeksbureau van 27 mei 2026 is als productie 10 door [werkgever] overgelegd.\n\n3. Het geschil\n\n3.1.. \n [werknemer] vordert - samengevat - de veroordeling van [werkgever] tot betaling van:\n\n1. het achterstallige salaris over de maanden februari en maart 2026 (de kantonrechter begrijpt uit de stellingen van [werknemer] dat waar in het petitum onder 1 is opgenomen\n\n‘de maanden en februari 2026’ hiermee de maanden februari en maart 2026 wordt bedoeld) ad € 4.844,66 bruto per maand te vermeerderen met de wettelijke rente en de wettelijke verhoging, te voldoen binnen twee dagen na 17 juni 2026, op straffe van een dwangsom van € 500,00 per dag,\n\n2. het maandelijkse loon ad € 2.422,33 bruto vanaf april 2026, te vermeerderen met de wettelijke rente en de wettelijke verhoging, met afgifte van de betreffende salarisspecificaties, op straffe van een dwangsom van € 500,00 per dag,\n\n3. het loon over de maand september 2025, december 2025 en januari 2026 aan te vullen tot een bruto maandloon van € 2.422,33 bruto, te vermeerderen met de wettelijke rente en de wettelijke verhoging, met afgifte van de betreffende salarisspecificaties, op straffe van een dwangsom van € 500,00 per dag,\n\n4. de kosten van het deskundigenoordeel van het UWV ad € 100,00, te vermeerderen met de wettelijke rente,\n\n5. de kosten van de procedure.\n\n3.2.. \n [werkgever] voert verweer. [werkgever] concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [werknemer] , dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [werknemer] , met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [werknemer] in de kosten van deze procedure.\n\n3.3.. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.\n\n4. De beoordeling\n\nSpoedeisend belang\n\n4.1.. Het gaat hier om een in kort geding gevorderde voorlopige voorziening. Voor toewijzing is nodig dat [werknemer] daarbij een spoedeisend belang heeft. De kantonrechter is van oordeel dat het spoedeisende belang ten aanzien van de vorderingen in de aard van die vorderingen ligt besloten. De gestelde spoedeisendheid van deze vordering is door [werknemer] bovendien voldoende aannemelijk gemaakt en door [werkgever] niet weersproken. [werknemer] is daarom ontvankelijk in haar vordering.\n\nUitgangspunt inhoudelijke beoordeling in kort geding\n\n4.2.. \n\nBij de beoordeling van de vordering van [werknemer] neemt de kantonrechter tot uitgangspunt dat deze vorderingen alleen toewijsbaar zijn in het geval zij voldoende aannemelijk maakt dat deze in een bodemprocedure een zodanige kans van slagen hebben, dat vooruitlopend daarop toewijzing van de voorlopige voorziening gerechtvaardigd is.\n\nAls uitgangspunt geldt hiernaast dat in deze procedure geen plaats is voor bewijslevering.\n\nDe beoordeling in dit kort geding is dan ook niet meer dan een voorlopig oordeel over het geschil tussen partijen.\n\nLoonstop\n\n4.3.. \n\nOp grond van artikel 7:629 lid 1 BW is een werkgever gehouden om bij ziekte van een werknemer het loon door te betalen, tenzij zich een van de in lid 3 genoemde uitzonde-ringsgronden voordoet. Volgens [werkgever] is hier sprake van. Op het moment van de loonstop was er sprake van weigering van passende arbeid c.q. onvoldoende medewerking aan re-integratie in de zin van artikel 7:629 lid 3 BW (sub c), aldus [werkgever] .\n\nDe kern van het geschil tussen partijen is dan ook de vraag of door [werkgever] terecht een loonstop is opgelegd vanaf februari 2026. De kantonrechter zal, gezien de stellingen van partijen over en weer, de loonstop hierna over een aantal periodes verdelen en beoordelen.\n\nPeriode 2 februari 2026 (aanvang loonstop) tot 6 maart 2026\n\n4.4.. \n [werkgever] erkent dat [werknemer] zich op 28 januari 2026 (weer) ziek heeft gemeld. [werkgever] voert aan dat deze ziekmelding op gespannen voet staat met de kort daarvoor tussen partijen gemaakte afspraken over gefaseerde hervatting in de eigen werkzaamheden. Omdat [werknemer] zich niet aan de afspraak hield heeft ze op 2 februari 2026 de doorbetaling van het loon gestopt.\n\n4.5.. \n\nUit het verslag van de bedrijfsarts van 6 januari 2026 volgt dat aan [werknemer] laagdrempelig arbeidstherapeutisch werk wordt geadviseerd van drie dagdelen van maximaal 4 uur per dag zonder tijdsdruk, zonder klantcontact, zonder deadlines, zonder hoge verantwoording.\n\nVolgens [werkgever] hebben partijen hiervan afgeweken en hebben zij op 26 januari 2026 gezamenlijk besloten dat [werknemer] weer zal gaan werken in haar eigen functie als verkeersregelaar. Dat dit was toegestaan blijkt volgens [werkgever] uit de bevestiging in het e-mailbericht van 26 januari 2026 van de heer [casemanager] , casemanager van de Arbodienst.\n\n [werkgever] stelt zich op het standpunt dat [werknemer] zelf had aangegeven dat zij weer buitenwerkzaamheden (lees; haar eigen werkzaamheden) wilde gaan doen, maar volgens [werknemer] is dat niet juist. Volgens [werknemer] had [werkgever] op haar vraag of er aangepast werk aanwezig was, ontkennend geantwoord. Ze was vervolgens niet in staat om goed voor haarzelf op te komen en is daarom akkoord gegaan met werken in haar eigen functie.\n\n4.6.. \n\nDe kantonrechter is van oordeel dat, nu [werknemer] zich op 28 januari 2026 opnieuw ziek had gemeld, het op de weg van [werkgever] had gelegen om ook opnieuw de bedrijfsarts in te schakelen.\n\nHierbij kan in het midden blijven wat partijen wel of niet met elkaar hadden afgesproken op 20 januari 2026 en 26 januari 2026 naar aanleiding van het advies van de bedrijfsarts van 6 januari 2026.\n\nUit de ziekmelding van 28 januari 2026 had [werkgever] kunnen afleiden dat [werknemer] zich op het standpunt stelde dat zij zich ( [werknemer] spreekt over een burn-out en depressie) niet aan de gemaakte afspraken kon houden. Het is niet aan de werkgever om te beoordelen of dit juist is. Bovendien ziet het e-mailbericht van de heer [casemanager] van 26 januari 2026 niet op een medische beoordeling over de mogelijkheid tot het verrichten van de eigen werkzaamheden door [werknemer] , maar wordt uitsluitend aangegeven dat het mogelijk is om af te wijken van het advies van de bedrijfsarts, als de werknemer hiermee akkoord gaat.\n\n4.7.. \n\n [werkgever] stelt verder dat zij aan [werknemer] (al dan niet op een later moment) ook vervangende arbeidstherapeutische werkzaamheden heeft aangeboden, doch dat [werknemer] daar geen gebruik van heeft gemaakt, waardoor [werknemer] zich heeft onttrokken van haar re-integratieverplichtingen. Dit standpunt kan eveneens niet slagen.\n\nUit de overgelegde correspondentie (productie 11 van [werknemer] ) volgt slechts een algemeen aanbod om deze werkzaamheden te komen verrichten, zonder nadere toelichting wat deze werkzaamheden concreet inhouden en hoe het opbouwschema er in dat geval uit zou zien, een en ander conform het advies van de bedrijfsarts. Een algemeen aanbod van [werkgever] is in ieder geval onvoldoende. Het is aan de werkgever om deze werkzaamheden aan de werknemer concreet aan te bieden.\n\nBovendien heeft [werknemer] in haar e-mailbericht van 28 januari 2026 aangegeven dat zij niet kon starten met werken, waaruit [werkgever] had kunnen afleiden dat zij ook geen vervangende werkzaamheden kon verrichten.\n\n4.8.. Nu [werknemer] eerst op 6 maart 2026 (in het kader van een second opinion) door een bedrijfsarts is gezien, is de loonstop onterecht opgelegd en dient het salaris over deze periode door [werkgever] te worden doorbetaald.\n\n4.9.. Daarnaast geldt voor deze periode eveneens de beoordeling in overwegingen 4.10 en verder, met betrekking tot het deskundigenoordeel.\n\nPeriode 6 maart 2026 tot 25 maart 2026\n\n4.10.. De bedrijfsarts heeft op 6 maart 2026 in het kader van de second opinion geoordeeld dat hij zich aansluit bij het eerdere advies van de bedrijfsarts van 6 januari 2026 en dat het logisch is dat [werknemer] niet haar eigen werkzaamheden heeft hervat. Vervolgens heeft het UWV een deskundigenrapport opgemaakt op 25 maart 2026. Het UWV komt tot de conclusie dat [werknemer] per geschildatum, dat wil zeggen met ingang van de in de vraagstelling opgenomen periode vanaf 18 december 2025 tot aan de datum van het deskundigenrapport op 25 maart 2026, niet geschikt te achten is voor het uitvoeren van de bedongen arbeid.\n\n4.11.. \n\n [werkgever] stelt zich op het standpunt dat het rapport van het UWV is gebaseerd op een door [werknemer] onjuist geschetste feitencomplex met betrekking tot de gemaakte re-integratieafspraken, haar instemming met een gefaseerde hervatting in de eigen werkzaamheden en de uitkomsten over de second opinion.\n\nDe kantonrechter volgt [werkgever] hierin niet. In de sociaal-medische beoordeling van [werknemer] heeft de deskundige onder meer het volgende verklaard:\n\n“Op het moment is de situatie als volgt.\n\nOp basis van de gegevens uit de anamnese, dagverhaal, onderzoek psyche, observatie tijdens spreekuur en de beschikbare dossiergegevens is het consistent en plausibel dat cliënt momenteel lijdt aan een ernstige psychische stoornis (..).\n\nIn het kader van de aanvraag deskundigenoordeel het volgende: cliënt kan, in deze toestand, echt niet werken. De vraagstelling van werknemer was dat of zij genoeg heeft gedaan om weer aan het werk te gaan. Wat mij betreft is het antwoord ‘ja’. Bovenstaande zal worden overlegd met de bedrijfsarts waarna het definitieve oordeel volgt. Wat betreft de concrete vraagstelling van de arbeidsdeskundige kan ik kort zijn. Er is sprake van geen benutbare mogelijkheden (..)\n\nConclusie\n\nDe cliënt is per geschildatum niet geschikt te achten voor het uitvoeren van de bedongen arbeid.”.\n\n4.12.. \n\nVoor zover [werkgever] zich op het standpunt stelt dat de deskundige bij zijn onderzoek geen informatie bij haar heeft opgehaald, geldt dat de focus op de medische situatie van de werknemer ligt en de werkgever geen medische partij is.\n\nDe deskundige heeft in dit geval de belastbaarheid beoordeeld op basis van eigen onderzoek en daarnaast op basis van de verkregen gegevens van de second opinion arts. De deskundige heeft getracht informatie op te halen van de primaire [bedrijfsarts 2] , maar uit het rapport blijkt dat dit niet is gelukt.\n\nDe kantonrechter ziet, in het kader van dit kort geding, geen redenen om te twijfelen aan de inhoud van het deskundigenoordeel van het UWV.\n\n4.13.. Het voorgaande betekent dat [werknemer] een geldige reden had om niet mee te werken aan haar re-integratie, haar geen concrete passende arbeid is aangeboden en in het geval hier wel sprake van is geweest, er sprake is geweest van een deugdelijke grond om deze te weigeren. Dat betekent dat de loonstop over deze periode onterecht is opgelegd en het salaris door [werkgever] alsnog dient te worden betaald.\n\nPeriode vanaf 25 maart 2026\n\n4.14.. \n\n [werknemer] is op 13 mei 2026 gezien op het spreekuur van [bedrijfsarts 3] . De bedrijfsarts heeft aangegeven dat er geen verandering is opgetreden in de al eerder beschreven beperkingen. Ten aanzien van de mogelijkheden in eigen werkzaamheden danwel vervangende werkzaamheden heeft de bedrijfsarts aangegeven medische informatie op te vragen bij de behandelaar om een beter beeld te krijgen en dat verdere re-integratie-advies hierna vorm zal worden gegeven.\n\nDat betekent dat, nu de bedrijfsarts op 13 mei 2026 geen uitspraak heeft kunnen doen over het hervatten van de eigen danwel vervangende werkzaamheden, de bevindingen uit het deskundigenrapport het uitgangspunt blijft totdat [werknemer] opnieuw bij het spreekuur van de bedrijfsarts is geweest.\n\n4.15.. \n\n [werkgever] stelt zich op het standpunt dat uit het rechercheonderzoek van Recherche Bureau Zuid volgt dat [werknemer] tijdens haar ziekteverzuim in mei 2026 feitelijk werkzaamheden heeft verricht bij een autopoetsbedrijf. Volgens [werkgever] komt dit niet overeen met het standpunt van [werknemer] dat zij volledig arbeidsonge-geschikt is en geen enkele re-integratie kan verrichten.\n\n [werknemer] heeft tijdens de zitting op vraag van de kantonrechter waarom zij deze werkzaamheden heeft verricht en waarom zij dit niet vooraf bij [werkgever] had gemeld, geantwoord dat zij niet wist dat het een verplichting was om dit aan haar werkgever te melden en dat haar door de bedrijfsarts was geadviseerd om zich niet in huis op te sluiten.\n\nVolgen [werknemer] had een kennis van haar moeder haar aangeboden om als afleiding te komen helpen bij de autowasserette. Dat heeft zij drie keer gedurende een aantal uren gedaan. [werknemer] heeft hier geen salaris voor ontvangen. Dit alles is niet door [werkgever] betwist.\n\nDe kantonrechter is van oordeel dat het verstandiger was geweest als [werknemer] eerst toestemming aan [werkgever] had gevraagd, maar dat onder de geschetste omstandigheden niet blijkt dat [werknemer] nevenwerkzaamheden tijdens ziekte heeft verricht, die zodanig zijn geweest dat deze een loonstop rechtvaardigen.\n\nConclusie\n\n4.16.. Op grond van de voorgaande overwegingen is de conclusie gerechtvaardigd dat de loonstop onterecht is opgelegd en het salaris vanaf de loonstop moet worden betaald.\n\nHoogte van het brutosalaris\n\n4.17.. Partijen verschillen verder van mening over de hoogte van het bruto maandsalaris van [werknemer] . [werknemer] beroept zich op het rechtsvermoeden van artikel 7:610b BW. Volgens [werknemer] is er sprake van een hogere arbeidsomvang per maand dan het in de arbeidsovereenkomst vastgestelde minimum van 24 uur (104 uur per maand), uitgaande van de gewerkte uren in de drie maanden (september, oktober en november 2025) voorafgaande aan haar ziekmelding op 18 december 2025. Daarom heeft zij vanaf september 2025 recht op een brutosalaris van € 2.422,33 bruto per maand, exclusief vakantiegeld en emolumenten, aldus [werknemer] .\n\n4.18.. Volgens [werkgever] vormen de maanden september tot en met november 2025 geen representatieve afspiegeling van de gemiddelde arbeidsomvang, omdat dit de piekperiodes betreft binnen haar bedrijfsvoering. [werkgever] heeft een urenoverzicht van de door [werknemer] gewerkte uren in 2024 en 2025 en een uitdraai van het maandelijks planningsysteem overgelegd, waaruit dit volgens haar blijkt (productie 15 en 16).\n\n4.19.. \n\nDe kantonrechter is van oordeel dat [werkgever] het vermoeden, dat de gemiddelde arbeidsomvang die na berekening, uitgaande van een salaris van € 2.422,33 bruto per maand, 161,49 uren per maand zou bedragen, heeft weerlegd. Uit de met stukken onderbouwde stellingen van [werkgever] volgt voldoende dat de arbeid zich in pieken en dalen aandient en dat de periode van drie maanden voorafgaande aan de ziekmelding daarom geen representatieve arbeidsperiode is voor de berekening van de gemiddelde arbeidsomvang per maand.\n\n In het overzicht van [werkgever] is te zien dat de maanden oktober en november in 2024 en in 2025 (maar ook maart en april 2025) veel meer uren is gewerkt dan in de overige maanden van het jaar. Dit is niet weersproken door [werknemer] .\n\n4.20.. \n\n [werkgever] stelt verder dat, als de piekmaanden november en december buiten beschouwing worden gelaten, berekend over het jaar 2025 er sprake is van een gemiddelde arbeidsomvang van 104 uren per maand.\n\nDe kantonrechter is van oordeel dat dit standpunt niet kan slagen.\n\nUitgaande van een representatieve arbeidsperiode die ziet op het gehele jaar 2025 dienen alle gewerkte maanden in de berekening te worden meegenomen, met uitzondering van de maand december 2025, omdat [werknemer] vanaf 18 december 2025 wegens ziekte niet heeft kunnen werken. Dat betekent dat, uitgaande van het totaal aantal feitelijk gewerkte uren over de periode januari tot en met november 2025, zijnde 1.333,25, de gemiddelde arbeidsomvang 121,20 uren per maand bedraagt. Het daarbij behorende salaris per maand bedraagt € 1.818,00 bruto per maand, exclusief vakantiegeld. Van dit bedrag zal dan ook worden uitgegaan.\n\nSalaris vanaf februari 2026\n\n4.21.. Nu [werkgever] vanaf februari 2026 geen salaris meer aan [werknemer] heeft betaald, wordt zij veroordeeld om binnen twee dagen na betekening van het vonnis aan [werknemer] het salaris van € 1.818,00 bruto per maand te betalen, vanaf februari 2026 tot aan de datum van het vonnis, te vermeerderen met de wettelijke rente over de respectievelijk verschuldigde bedragen vanaf de datum van opeisbaarheid daarvan tot aan de dag van volledige betaling.\n\n4.22.. \n\nHet salaris vanaf 17 juni 2026 wordt afgewezen, omdat dit niet door [werknemer] is onderbouwd. Het spoedeisend belang hiervan is eveneens niet gebleken.\n\nBovendien is onduidelijk of het loon vanaf heden ook daadwerkelijk verschuldigd wordt.\n\n4.23.. De kantonrechter ziet redenen om de gevorderde wettelijke verhoging te matigen naar 25%. [werkgever] is er vanwege de geschetste omstandigheden vanuit gegaan dat zij niet gehouden was om het loon te betalen en dat zij op terechte gronden een loonstop had opgelegd. Er is geen sprake van een situatie waarbij de werkgever over de gehele periode het loon tegen beter weten in niet aan de werknemer heeft betaald. Dit is een omstandigheid die matiging rechtvaardigt.\n\nAanvulling salaris over de maanden september 2025, december 2025 en januari 2026\n\n4.24.. \n\n [werknemer] stelt zich op het standpunt dat [werkgever] gehouden is het loon over september 2025, december 2025 en januari 2026 te corrigeren tot een bedrag van € 2.422,33. Nu eerder is vastgesteld dat uitgegaan moet worden van een salaris van\n\n€ 1.818,00 bruto per maand, zal de vordering tot aanvulling van het salaris over de maanden september 2025 en januari 2026 worden toegewezen tot een bedrag van € 1.818,00 bruto per maand.\n\n4.25.. \n\nTen aanzien van de maand december 2025 heeft [werkgever] zich onweersproken op het standpunt gesteld dat op grond van de arbeidsovereenkomst bij ziekte twee wachtdagen wordt aangehouden.\n\nDe kantonrechter zal de vordering tot aanvulling van het salaris over de maand december 2025 dan ook toewijzen, zoals in de beslissing vermeld.\n\n4.26.. \n\nDe wettelijke rente wordt toegewezen over de respectievelijk verschuldigde bedragen vanaf de datum van opeisbaarheid daarvan tot aan de dag van volledige betaling.\n\nDe wettelijke verhoging wordt in dit geval eveneens gematigd tot 25%.\n\nAfgifte salarisspecificaties en dwangsom\n\n4.27.. De gevorderde afgifte van de salarisspecificaties is toewijsbaar. De gevorderde dwangsom wordt afgewezen. [werknemer] heeft niet onderbouwd op grond waarvan zij deze vordert. Bovendien heeft zij de stelling van [werkgever] , dat zij vrijwillig aan een veroordeling tot het verstrekken van salarisspecificaties zal voldoen, niet weersproken.\n\nKosten deskundigenoordeel\n\n4.28.. \n\n [werknemer] stelt dat zij € 100,00 aan kosten heeft moeten maken voor het aanvragen van een deskundigenoordeel. [werkgever] betwist de gevorderde kosten verschuldigd te zijn. Het feit dat een deskundigenoordeel in kort geding niet verplicht is betekent niet dat een deskundigenoordeel niet van belang kan zijn voor de beoordeling in kort geding, zoals ook nu is gebleken. [werknemer] heeft het deskundigenoordeel aangevraagd omdat [werkgever] over was gegaan tot een salarisstop. Nu de kantonrechter, in het kader van dit kort geding heeft geoordeeld dat de loonstop onterecht is geweest, dient [werkgever] de kosten van het deskundigenoordeel te vergoeden.\n\nDe vordering is toewijsbaar, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van dagvaarding tot aan de dag van volledige betaling.\n\nProceskosten\n\n4.29.. \n [werkgever] is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. Omdat [werknemer] heeft geprocedeerd op basis van een toevoeging, zal [werkgever] niet worden veroordeeld tot betaling van de explootkosten en betekeningskosten.4.30.. De proceskosten van [werknemer] worden begroot op:\n\n- griffierecht\n\n€\n\n93,00\n\n- salaris gemachtigde\n\n€\n\n865,00\n\n- nakosten\n\n€\n\n144,00\n\nTotaal\n\n€\n\n1.102,00\n\n5. De beslissing\n\nDe kantonrechter\n\n5.1.. veroordeelt [werkgever] om aan [werknemer] binnen twee dagen na betekening van het vonnis het salaris van € 1.818,00 bruto per maand te betalen, vanaf februari 2026 tot 17 juni 2026, te vermeerderen met de wettelijke rente over de respectievelijk verschuldigde bedragen vanaf de datum van opeisbaarheid daarvan tot aan de dag van volledige betaling en de wettelijke verhoging van 25%,\n\n5.2.. veroordeelt [werkgever] om het salaris over de maanden september 2025, december 2025 en januari 2026 aan te vullen tot € 1.818,00 bruto per maand, waarbij over de maand december 2025 over de eerste twee ziektedagen geen loon verschuldigd is, te vermeerderen met de wettelijke rente over de respectievelijk verschuldigde bedragen vanaf de datum van opeisbaarheid daarvan tot aan de dag van volledige betaling en de wettelijke verhoging van 25%,\n\n5.3.. veroordeelt [werkgever] tot afgifte van de op overweging 5.1. en 5.2. van toepassing zijnde salarisspecificaties,\n\n5.4.. veroordeelt [werkgever] tot betaling van € 100,00 aan kosten deskundigenoordeel, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van dagvaarding tot aan de dag van volledige betaling,\n\n5.5.. veroordeelt [werkgever] in de proceskosten van € 1.102,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe,\n\n5.6.. verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,\n\n5.7.. wijst het meer of anders gevorderde af.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. Piëtte en in het openbaar uitgesproken op\n\n17 juni 2026.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBLIM:2026:5820","ecli-nl-rblim-2026-5820",{"courtName":6,"legalDomain":133,"decisionType":22,"procedureType":23},"Civiel recht; Arbeidsrecht",{"id":135,"ecli":136,"caseNumber":14,"courtId":5,"courtName":14,"decisionDate":128,"fullText":137,"language":7,"source":17,"sourceUrl":138,"summary":14,"slug":139,"metadata":140},"473","ECLI:NL:RBLIM:2026:4453","RECHTBANK Limburg\n\nCiviel recht\n\nZittingsplaats Roermond\n\nZaaknummer: C\u002F03\u002F346740 \u002F HA ZA 25-467\n\nVonnis van 17 juni 2026\n\nin de zaak van\n\n [de man],\n\nte [plaats 1] (België),\n\neisende partij in conventie, tevens verwerende partij in reconventie,\n\nhierna te noemen: [de man] ,\n\nadvocaat: mr. R.M.J.K.M. Teeuwen,\n\ntegen\n\n [de vrouw],\n\nte [plaats 2] ,\n\ngedaagde partij in conventie, tevens eisende partij in reconventie,\n\nhierna te noemen: [de vrouw] ,\n\nadvocaat: mr. R.A.J. van der Leeuw.\n\n1. De procedure\n\n1.1.. Het verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- de dagvaarding van 21 oktober 2025,\n\n- de conclusie van antwoord, tevens eis in reconventie, - de conclusie van antwoord in reconventie,\n\n- de mondelinge behandeling van 16 april 2026 en de tijdens de mondelinge behandeling\n\novergelegde spreekaantekeningen van [de vrouw] en de door [de man] overgelegde uitspraak van het gerechtshof Den Haag.\n\n1.2.. Ten slotte is vonnis bepaald.\n\n2. De feiten\n\n2.1.. Partijen hebben gedurende een periode van vier jaren een affectieve relatie met elkaar gehad. De relatie is in november 2024 geëindigd. Zij zijn niet gehuwd (geweest) en\u002Fof geregistreerd partners van elkaar (geweest) en hebben ook geen samenlevingsovereenkomst met elkaar gesloten.\n\n2.2.. Op 5 oktober 2020 zijn partijen gezamenlijk eigenaar geworden van de woning aan [adres] (hierna: de woning). De woning is aangekocht voor een bedrag van € 195.000,-. Voor de aanschaf van de woning hebben partijen een hypothecaire geldlening afgesloten bij NIBC Bank. Op 25 november 2024 bedroeg deze hypothecaire geldlening € 174.164,82.\n\n3. Het geschil\n\nIn conventie\n\n3.1.. \n [de man] vordert - samengevat - dat de rechtbank, uitvoerbaar bij voorraad:\n\nTen aanzien van de overeenkomst d.d. 16 november 2024:\n\nvoor recht verklaart dat deze:\n\nI. Primair: nietig is op grond van art. 3:40 lid 2 BW, althans dat de daarin opgenomen bepalingen zoals onder punt 26 en 27 van de dagvaarding zijn opgenomen nietig zijn, zodat de overeenkomst als geheel geen rechtsgevolg kan hebben, althans dat de overeenkomst op grond van art. 3:40 lid 2 BW vernietigd dient te worden nu de overeenkomst naar haar strekking in strijd is met de wet;\n\nII. Subsidiair: bij schrijven d.d. 28 maart 2025 buitengerechtelijk is vernietigd op grond van art. 3:44 lid 4 BW (misbruik van omstandigheden), althans deze te vernietigen op grond van art. 3:44 lid 4 BW;\n\nIII. Meer subsidiair: bij schrijven d.d. 28 maart 2025 buitengerechtelijk is vernietigd op grond van art. 6:228 BW (dwaling), althans deze te vernietigen op grond van art. 6:228 BW;\n\nIV. Nog meer subsidiair: nietig is, althans buiten toepassing blijft wegens strijd met de redelijkheid en billijkheid op grond van art. 6:248 BW en daaraan aldus geen rechtsgevolgen kunnen worden ontleend;\n\nUiterst subsidiair\n\nV. de overeenkomst d.d. 16 november 2024 op grond van art. 67:74 [de rechtbank begrijpt: 6:74] jo. 6:265 BW ontbindt wegens wanprestatie;\n\nIn alle gevallen:\n\nVI. [de vrouw] op straffe van een dwangsom veroordeelt haar medewerking te verlenen aan het geven van de opdracht aan [makelaar 1] , althans een door de rechtbank aan te wijzen makelaar\u002Ftaxateur, om tot taxatie van de woning over te gaan op grond van art. 3:178 jo 3:300 BW, waaronder begrepen de verplichting om haar handtekening te zetten onder de benodigde stukken binnen 7 dagen na vonnis, waarbij de kosten van de taxatie voor haar rekening komen nu de woning aan haar toegedeeld zal worden;\n\nalthansvoor het geval [de vrouw] ondanks de dwangsom weigerachtig blijft haar medewerking aan de taxatie te verlenen, bepaalt dat het vonnis in de plaats treedt van de vereiste wilsverklaring\u002Fhandtekening van [de vrouw] voor het verstrekken van de opdracht aan de taxateur, waarbij uitdrukkelijk wordt bepaald dat de kosten van de taxatie voor rekening van [de vrouw] zullen komen op grond van art. 3:300 BW;\n\nVII. De verdeling van de woning gelast op grond van art 3:178 jo 3:300 BW, waarbij de woning aan [de vrouw] wordt toegedeeld tegen betaling van de helft van de getaxeerde waarde aan [de man] , met inbegrip van de op deze woning rustende hypotheek bij NIBC onder ontslag van de hoofdelijke aansprakelijkheid van [de man] ter zake de aan de woning verbonden hypotheekschuld, binnen 3 maanden na het in dezen te wijzen vonnis, waarbij zij binnen 4 weken na kennisneming van de taxatiewaarde ondubbelzinnig schriftelijk aan [de man] te kennen dient te geven of zij de woning voor de taxatiewaarde over zal nemen, zonder enig financieringsvoorbehoud en waarbij de (notariële) kosten van de overname van de woning door [de vrouw] volledig ten laste van [de vrouw] zullen komen,\n\nalthans, bij gebreke van toedeling aan [de vrouw] omdat [de rechtbank begrijpt: zij] binnen de gestelde termijn van 4 weken na kennisneming van de getaxeerde waarde schriftelijk heeft aangegeven de woning niet over te nemen, beveelt dat de woning aan een derde wordt verkocht en binnen 14 dagen na de schriftelijke mededeling van [de vrouw] dat zij de woning niet over zal nemen, te koop wordt aangeboden via een gecertificeerd makelaar (lid van NVM of VBO), met verdeling van de opbrengst bij helfte tussen partijen, waarbij [de vrouw] op straffe van een dwangsom wordt veroordeeld haar medewerking te verlenen aan het geven van de opdracht aan deze makelaar, waaronder begrepen de verplichting om haar handtekening te zetten onder de benodigde stukken, waarbij de kosten van de verkoop tussen partijen bij helfte worden gedeeld,\n\nalthansvoor het geval [de vrouw] ondanks de genoemde dwangsom weigerachtig blijft haar medewerking aan het verkooptraject te verlenen, bepaalt dat dit vonnis in de plaats treedt van de vereiste wilsverklaring\u002Fhandtekening van [de vrouw] voor het verstrekken van de opdracht aan de makelaar met een verdeling van de kosten van de verkoop bij helfte tussen partijen op grond van art. 3:300 BW;\n\nVIII. De verdeling van de (voormalig) gemeenschappelijke bankrekening bij de Rabobank met kenmerk [rekeningnummer 1] gelast op grond van art 3:166 jo. 3:178 jo. 3:300 BW met verdeling van het saldo per 16 november 2024 bij helfte tussen partijen en [de vrouw] op straffe van een dwangsom veroordeelt tot betaling van het aandeel van [de man] aan hem alsmede haar medewerking te verlenen aan het verstrekken van het saldo d.d. 16 november 2024, binnen 14 dagen na het in deze te wijzen vonnis,\n\nalthansbepaalt dat, voor het geval [de vrouw] ondanks de genoemde dwangsom weigerachtig blijft het saldo op de peildatum prijs te geven, bepaalt dat dit vonnis in de plaats treedt van de vereiste wilsverklaring\u002Fhandtekening van [de vrouw] voor het verkrijgen van het banksaldo op grond van art. 3:300 BW;\n\nIX. De verdeling van de auto merk Ford Focus met [kenteken 1] gelast op grond van art 3:178 BW, waarbij de auto aan [de vrouw] wordt toegedeeld tegen betaling van de helft van de waarde, zijnde € 3.750,- aan [de man] binnen 14 dagen na vonnis, althans een dusdanig bedrag dat de rechtbank geraden acht;\n\nX. [de vrouw] veroordeelt in de reële kosten van deze procedure, alsmede de nakosten en buitengerechtelijke kosten ad € 1.175,-, te vermeerderen met de wettelijke rente, althans, [de vrouw] te veroordeelt in de kosten van deze procedure overeenkomstig het liquidatietarief, alsmede de nakosten, buitengerechtelijke kosten ad € 1.175,- en wettelijke rente.\n\nIn reconventie\n\n3.2.. \n [de vrouw] vordert dat de kantonrechter [begrepen wordt: de rechtbank] bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad [nummering aangebracht door de rechtbank]:\n\nverklaart voor recht dat aan [de vrouw] het gebruiksrecht van de woning toekomt uiterlijk tot de woning aan haar wordt toegescheiden, dan wel de eigendom van de woning is geleverd aan de koper;\n\nverklaart voor recht dat de overeenkomst van 16 november 2024 rechtsgeldig is overeengekomen en [de man] gehouden is tot nakoming daarvan;\n\n [de man] veroordeelt tot nakoming van de overeenkomst en de wijze van verdeling van de gemeenschap dienovereenkomstig als volgt vast stelt:\n\nAan [de vrouw] wordt toegedeeld:\n\nde auto merk Ford, type Focus met [kenteken 1] , zonder nadere verrekening;\n\nde woning tegen de openstaande hypotheeksom, althans tegen de WOZ-waarde onder de voorwaarde dat:\n\n- [de vrouw] in staat is om uiterlijk vóór 16 november 2029, althans binnen drie maanden na de datum vonnis de overname van het aandeel van [de man] in de woning te financieren en dat [de man] zal kunnen worden ontslagen uit de hoofdelijke aansprakelijkheid uit hoofde van de hypothecaire geldlening;\n\n- dat de overwaarde volledig aan [de vrouw] toekomt;\n\n- dat de kosten van het notariële transport voor rekening van [de vrouw] komen, in het geval de woning aan haar wordt toegedeeld.\n\nIn het geval [de vrouw] niet uiterlijk 16 november 2029, althans niet binnen drie maanden na datum van het vonnis in staat is de overname van de woning te financieren bepaalt:\n\n- dat de woning uiterlijk op 16 november 2029, althans onverwijld nadat drie maanden zijn verstreken na vonnis, te koop wordt gezet bij [makelaar 2] te [plaats 2] ;\n\n- dat beide partijen bevoegd zijn namens hen beiden de opdracht aan de makelaar te verstrekken;\n\n- dat partijen in overleg met de makelaar de verkoopovereenkomst zullen aangaan met degene die de hoogste prijs biedt, indien en voor zover die prijs volgens beide partijen, gezien de onroerend goed markt ter plaatse en de kwaliteit van de woning de beste mogelijke prijs is. In het geval partijen het niet eens kunnen worden over de vraag of een aanbod de beste mogelijke prijs is, dan zal de makelaar die naar beste weten en kunnen bindend bepalen;\n\n- dat [de man] verplicht is zijn medewerking te verlenen aan het tekenen van de koopovereenkomst en aan het notariële transport van de woning aan de koper;\n\n- dat iedere partij gehouden is om de helft van de kosten van de makelaar en de overige kosten terzake de verkoop en levering van de woning te dragen;\n\n- dat de hypotheekschuld zal worden afgelost uit de verkoopopbrengst van de woning;\n\n- dat de netto-verkoopopbrengst aan [de vrouw] toekomt.\n\nIn alle gevallen te bepalen dat [de man] gehouden is aan de verkoop en de daaropvolgende overdracht en notariële levering zijn medewerking te verlenen aan alle daartoe benodigde handelingen en dat indien [de man] die medewerking niet op eerste verzoek van [de vrouw] verleent, het vonnis in de plaats treedt van de toestemming, medewerking, wilsverklaring en \u002Fof handtekening van\n\n [de man] .\n\n4. [de man] te veroordelen in de kosten van deze procedure.\n\nIn conventie en in reconventie\n\n3.3.. Partijen voeren over en weer verweer.\n\n3.4.. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.\n\n4. De beoordeling\n\n4.1.. Gezien de samenhang tussen de vorderingen in conventie en de vorderingen in reconventie zal de rechtbank de vorderingen gezamenlijk beoordelen.\n\nRechtsmacht en toepasselijk recht4.2.. \n [de man] woont in België; [de vrouw] in Nederland. De zaak heeft daarmee een internationale component. De rechtbank moet daarom ambtshalve beoordelen of zij bevoegd is om van het geschil kennis te nemen en welk recht van toepassing is op het geschil.\n\n4.2.1.. Omdat sprake is van een handelszaak is in deze zaak van toepassing de Herschikte EEX-Vo.Omdat de gedaagde partij in conventie ( [de vrouw] ) in Nederland woont en er geen gerecht is dat op grond van de verordeningexclusief bevoegd is, komt de rechtbank ten aanzien van de vordering in conventie rechtsmacht toe.Nu de reconventionele vorderingen voortspruiten uit hetzelfde rechtsfeit waarop de conventionele vordering is gegrond, heeft de Nederlandse rechter ook ten aanzien van die vorderingen rechtsmacht.Dit betekent dat de rechtbank bevoegd is om kennis te nemen van het geschil.\n\n4.2.2.. Ten aanzien van het toepasselijke recht overweegt de rechtbank als volgt. [de man] baseert de vorderingen op vernietiging c.q. nietigheid van de op 16 november 2024 tussen partijen geslotenovereenkomst en vordert verdeling op basis van de wet. De vorderingen in reconventie zijn gebaseerd op contractuele verbintenissen uit hoofde van de tussen partijen gesloten overeenkomst. Op de niet op de overeenkomst gebaseerde vorderingen is de Rome-II verordening van toepassing.Daaruit volgt(eventueel in samenhang met artikel 10:159 BW) dat op die vorderingen Nederlands recht van toepassing is. Voor wat betreft de verdeling van de woning volgt dat uit artikel 10:127 BW. Op de vorderingen die zijn gebaseerd op contractuele verbintenissen (uit hoofde van de tussen partijen gesloten overeenkomst) is van toepassing de Rome-I Verordening.Daaruit volgt dat ook op die vorderingen Nederlands recht van toepassing is.\n\nDe overeenkomst van 16 november 20244.3.. Niet in geschil is dat [de vrouw] op 16 november 2024 een door haar in de Nederlandse taal opgemaakte, handgeschreven overeenkomst aan [de man] heeft voorgelegd en dat [de man] die overeenkomst die dag heeft ondertekend (hierna: de overeenkomst). Hierin is opgenomen dat partijen “in verband met het beindigen [sic] van hun relatie de volgende zaken zijn overeengekomen”. Samengevat worden vervolgens de volgende afspraken genoemd [nummering aangebracht door de rechtbank]:\n\n [de man] verlaat eind november 2024 definitief de woning;\n\n [de vrouw] zal samen met haar kinderen in de woning blijven;\n\n [de man] blijft voor onbepaalde tijd medeverantwoordelijk voor de door bij partijen bij NIBC afgenomen hypotheek;\n\n [de man] wordt per direct vrijgesteld van zijn verplichtingen t.o.v. de woning en lening, [de vrouw] neemt deze verplichtingen op zich;\n\n [de man] doet afstand van al zijn rechten t.o.v. de woning en de lening;\n\n [de man] doet afstand van zijn rechten op een af-\u002Fuitkoopsom en van zijn deel bij verkoop van de woning en van zijn deel van de woning bij het overlijden van [de vrouw] ;\n\nBij het overlijden van [de vrouw] zal haar deel van de woning en het deel van [de man] worden overgedragen aan de drie kinderen van [de vrouw] ;\n\nBij het overlijden van [de man] zal zijn deel overgedragen worden aan [de vrouw] ;\n\n [de vrouw] zal € 4000,- en een auto van het merk Audi (TT) met het [kenteken 2] aan [de man] geven;\n\n [de man] neemt zijn eigen bezittingen mee uit de woning, de overige spullen blijven achter bij [de vrouw] ;\n\nVerder zijn partijen elkaar niets verschuldigd.\n\n4.4.. Naar het oordeel van de rechtbank hebben partijen in de overeenkomst kennelijk getracht overeenstemming over de verdeling in de zin van artikel 3:182 BW te bereiken. In die overeenkomst heeft [de man] verklaard afstand te doen “van al zijn rechten ten opzichte van de woning en de lening” en van “een af-\u002Fuitkoopsom” en “zijn deel bij verkoop van de woning”. Van een overeenstemming over de verdeling als bedoeld in voornoemd artikel is evenwel slechts sprake indien partijen het niet alleen eens zijn geworden over de feitelijke verdeling maar ook over de financiële consequenties daarvan.Daarvoor is naar het oordeel van de rechtbank in dit geval in ieder geval vereist dat bij partijen bekend was wat de waarde was van de woning, zodat partijen duidelijk was waarvan afstand werd gedaan door [de man] . Uit de overeenkomst volgt niet dat partijen zich bewust waren wat de financiële consequenties van de overeenkomst en bijvoorbeeld bekend waren met de (over)waarde van de woning. Ter zitting is door [de man] ook bevestigd dat hij ten tijde van het sluiten van de overeenkomst niet bekend was met de waarde van de woning. De rechtbank is derhalve van oordeel dat tussen partijen niet een rechtsgeldige verdeling in de zin van artikel 3:182 BW tot stand is gekomen.\n\n4.5.. Voor wat betreft het deel van de overeenkomst waarin partijen hebben beschikt over hun uiterste wil geldt het volgende. Ten aanzien van de bepaling waarin is opgenomen dat bij het overlijden van [de man] [de vrouw] zijn deel van de woning zal ontvangen (h.), geldt dat partijen het erover eens zijn dat deze bepaling nietig is. Voor wat betreft de bepaling uit de overeenkomst waarin is bepaald dat bij het overlijden van [de vrouw] [de man] afstand doet van zijn rechten op een af-\u002Fuitkoopsom en van zijn deel bij verkoop van de woning en van zijn deel van de woning (f.) en dat bij het overlijden van [de vrouw] haar deel van de woning en het deel van [de man] zal worden overgedragen aan de drie kinderen van [de vrouw] (g.), geldt het volgende. De rechtbank begrijpt een en ander aldus dat [de man] zijn deel van de woning zal overdragen aan de kinderen van [de vrouw] onder de opschortende voorwaarde dat [de vrouw] overlijdt en de ontbindende voorwaarde dat [de man] op dat moment nog in leven is. De kinderen zijn evenwel geen partij bij de overeenkomst. Er is derhalve sprake van een derdenbeding in de zin van artikel 6:253 BW. Dat het derdenbeding de kinderen heeft bereikt en\u002Fof dat zij het hebben aanvaard is niet door [de vrouw] gesteld en ook overigens niet gebleken. Nu uit de overeenkomst niet volgt dat partijen het recht om het beding te herroepen hebben uitgesloten (en de situatie van lid 4 dus niet aan de orde is), kan het beding op grond van het bepaalde in artikel 6:253 lid 2 BW door degene die het heeft gemaakt tot de aanvaarding worden herroepen. [de man] was dus bevoegd het derdenbeding te herroepen middels een verklaring gericht tot [de vrouw] of de kinderen. De rechtbank merkt in ieder geval de brief van 28 maart 2025 van [de man] aan [de vrouw] (productie 6 bij dagvaarding) waarbij de buitengerechtelijke vernietiging van de overeenkomst wordt ingeroepen aan als een herroeping van het derdenbeding. Dit leidt tot de conclusie dat de door [de vrouw] op de overeenkomst gebaseerde vorderingen moeten worden afgewezen. Gelet op het voorgaande ziet de rechtbank geen aanleiding om nader in te gaan op de gestelde nietigheid of vernietigbaarheid van de overeenkomst. De door [de man] ter zake gevorderde verklaringen voor recht zullen worden afgewezen.\n\n4.6.. Uit het bovenstaande volgt dat niet kan worden aangenomen dat sprake is van overeenstemming over de verdeling van de woning. Voor zover [de vrouw] bedoeld heeft zich subsidiair te beroepen op uitsluiting van de bevoegdheid om verdeling te vorderen voor onbepaalde tijd overweegt de rechtbank als volgt. In artikel 3:178 lid 1 BW is voor zover hier van belang bepaald dat ieder der deelgenoten te allen tijde verdeling van een gemeenschappelijk goed kan vorderen. In lid 5 is bepaald dat zij die bevoegd zijn verdeling te vorderen hun bevoegdheid daartoe een of meer malen bij overeenkomst kunnen uitsluiten, maar telkens voor ten hoogste vijf jaren. [de vrouw] heeft gesteld dat partijen uitsluiting van de verdeling voor onbepaalde tijd zijn overeengekomen door af te spreken dat [de man] , ‘ondanks zijn vertrek, voor onbepaalde tijd stilzwijgend samen met mevr. [de vrouw] deze hypotheek aanhouden, zodat mw. [de vrouw] de mogelijkheid heeft in deze woning te blijven’. Nu dat in strijd is met een dwingende wetsbepaling is [de vrouw] van mening dat een redelijke wetstoepassing meebrengt dat de afspraak tussen partijen om de verdeling uit te sluiten geldt voor vijf jaar. [de man] bestrijdt dit. [de man] stelt dat de afspraken de strekking hadden om [de vrouw] en haar kinderen tijdelijk in de woning te laten wonen. Volgens [de man] is het nimmer de zijn bedoeling geweest dat [de vrouw] (op grond van deze afspraken) in de woning zou blijven, terwijl [de man] hieraan tot in lengte der dagen verbonden zou blijven. De rechtbank overweegt dat [de vrouw] dit in feite ook erkent, zij stelt immers dat sprake was van een gebruiksrecht tot de woning zou worden verkocht of tot het moment dat zij de bestaande hypothecaire lening zou kunnen overnemen. De rechtbank trekt hieruit de conclusie dat partijen met de gemaakte afspraken nimmer beoogd hebben de bevoegdheid tot het vorderen van verdeling (voor vijf jaar) uit te sluiten als bedoeld in artikel 3:178 lid 5 BW.\n\n4.7.. Nu geen verdeling tot stand is gekomen en de bevoegdheid verdeling te vorderen ook niet is uitgesloten zal de rechtbank de (wijze van) verdeling vaststellen. Tussen partijen staat vast dat ten aanzien van onderstaande zaken sprake is van een eenvoudige gemeenschap in de zin van artikel 3:166 BW:\n\nde woning;\n\nde gemeenschappelijke bankrekeningen\n\nDe woning4.8.. Partijen zijn het erover eens dat de woning in beginsel kan worden toegedeeld aan [de vrouw] . Naar het oordeel van de rechtbank moet de woning derhalve eerst worden getaxeerd. [de vrouw] heeft geen bezwaar gemaakt tegen de door [de man] voorgestelde taxateur, [makelaar 1] . De rechtbank zal de door [de man] ter zake van de taxatie van de woning en toedeling van de woning aan [de vrouw] ingestelde vorderingen toewijzen zoals in het dictum is bepaald. Omdat een dwangsom naar het oordeel van de rechtbank geldt als voldoende prikkel tot nakoming wordt de vordering van [de man] die ertoe strekt het vonnis in de plaats te laten treden afgewezen. Dit geldt voor alle vorderingen van [de man] waaraan zowel een dwangsom als een indeplaatstreding van het vonnis is gevorderd. De gevorderde dwangsom (€ 500,- per dag, met een maximum van € 25.000,-) zal worden toegewezen.\n\n4.9.. De rechtbank zal bepalen dat [de vrouw] binnen vier weken nadat de taxatiewaarde bekend is, schriftelijk aan [de man] kenbaar zal dienen te maken of zij de woning voor die waarde aan haar toebedeeld wenst te zien. Voor het geval [de vrouw] dit wenst, zal de rechtbank bepalen dat die toedeling c.q. levering binnen drie maanden nadat de taxatiewaarde bekend is geworden, zijn beslag zal moeten krijgen; [de vrouw] dient dan de volledige hypotheekschuld op zich te nemen (zo nodig met ontslag van [de man] uit de hoofdelijke aansprakelijkheid) en dient dan de helft van de overwaarde aan [de man] te vergoeden. Beide partijen hebben gesteld dat zij uit hun eigen vermogen geïnvesteerd hebben in (verbouwing van) de woning, maar geen van beide partijen heeft dat onderbouwd en geen van partijen heeft daar een rechtsgevolg aan verbonden, zodat dit geen gevolgen heeft voor de verdeling van de overwaarde die derhalve bij helfte dient te geschieden. De rechtbank ziet geen aanleiding om dit vonnis in het geval dat de woning aan [de vrouw] wordt toebedeeld ex artikel 3:300 BW in de plaats te laten treden van de medewerking van [de man] aan de notariële levering aan [de vrouw] .\n\n4.10.. \n\nIndien [de vrouw] afziet van toedeling van de woning aan haar tegen de taxatiewaarde, of binnen drie maanden nadat de taxatiewaarde bekend is geworden toedeling c.q. levering aan haar niet heeft plaatsgevonden, zal de woning verkocht moeten worden aan een derde zoals door beide partijen gevorderd en zoals -met aanpassingen-toegewezen zoals in het dictum weergegeven. Daarbij zal de rechtbank bepalen dat partijen een verkoopopdracht zullen geven aan de door [de vrouw] genoemde makelaar ( [makelaar 2] te [plaats 2] ), waartegen door [de man] geen inhoudelijk verweer is gevoerd. [de man] vordert dat de verkoop ter hand wordt genomen door een gecertificeerd makelaar. Nu [makelaar 2] een NVM-makelaar is wordt aan die wens tegemoetgekomen. Indien [makelaar 2] de opdracht weigert zullen partijen in onderling overleg een andere makelaar moeten benaderen. De rechtbank ziet aanleiding om aan de noodzakelijke medewerking aan de verkoop voor beide partijen een dwangsom te verbinden.\n\nHet nu reeds veroordelen van [de man] tot het meewerken aan verkoop en notariële levering aan een derde is naar het oordeel van de rechtbank prematuur. Er zal vooreerst duidelijk moeten worden of [de vrouw] de woning wenst en kan overnemen dan wel deze moet worden verkocht aan een derde. Dit deel van de vordering in reconventie wordt afgewezen.\n\nNu door geen van beide partijen een ander standpunt is ingenomen dient de overwaarde na verkoop bij helfte te worden verdeeld.\n\nBankrekeningen4.11.. Tussen partijen is niet in geschil dat er ten tijde van de verbreking van de samenwoning sprake was van een tweetal gezamenlijke bankrekeningen met een gezamenlijk banksaldo. Deze vertoonden op 16 november 2024 de volgende saldi:\n\n [rekeningnummer 1] (Rabo Totaalrekening) ad € 103,30 en\n\n [rekeningnummer 2] (Rabo SpaarRekening) ad € 5.000,-.\n\n4.12.. De bankrekeningen staan inmiddels op naam van [de vrouw] . Aangezien [de vrouw] lopende de procedure inzage heeft verschaft in de saldi op voornoemde rekeningen, hoeft de vordering van [de man] strekkende tot inzage ter zake geen bespreking meer.\n\n4.13.. De rechtbank is van oordeel dat de saldi op datum 16 november 2024 bij helfte moeten worden verdeeld. [de vrouw] dient [de man] in dat kader een bedrag van € 2.551,65 te betalen. De daarop door [de man] toegespitste vordering kan worden toegewezen. De gevorderde dwangsom wordt afgewezen omdat geen dwangsom kan worden verbonden aan een veroordeling tot betaling van een geldsom.\n\nFord Focus4.14.. Tot slot debatteren partijen over de Ford Focus met [kenteken 1] (hierna: de auto). [de man] stelt dat de auto gezamenlijk eigendom is en dat deze verdeeld moet worden. [de vrouw] stelt zich op het standpunt dat de auto haar eigendom is. De rechtbank overweegt dat niet in geschil is dat [de vrouw] de auto heeft gekocht, dat het kenteken op haar naam is gesteld en dat zij degene was die gebruik maakte van de auto. De rechtbank is van oordeel dat de auto niet verdeeld hoeft te worden omdat deze eigendom van [de vrouw] is, althans niet is gebleken dat deze gezamenlijk eigendom is. Het enkele feit dat de auto mogelijk voor een deel is voldaan uit van [de man] afkomstige middelen kan eventueel leiden tot een vorderingsrecht (waarop geen beroep is gedaan), maar is onvoldoende om aan te nemen dat sprake is van gezamenlijk eigendom van de auto. Ook het feit dat [de man] de opbrengst van de Audi, die zijn eigendom was, wel heeft gedeeld met [de vrouw] kan er niet toe leiden dat de Ford Focus als gezamenlijk eigendom moet worden aangemerkt.\n\nGebruiksrecht woning4.15.. \n [de vrouw] vordert voor het overige nog om voor recht te verklaren dat aan [de vrouw] het gebruiksrecht van de woning toekomt uiterlijk tot de woning aan haar wordt toegescheiden, dan wel de eigendom van de woning is geleverd aan de koper. Deze vordering wordt toegewezen zoals in het dictum is bepaald.\n\nProceskosten4.16.. De rechtbank zal de proceskosten tussen partijen zowel in conventie als in reconventie compenseren in die zin dat iedere partij haar eigen kosten draagt. De rechtbank ziet geen aanleiding om in dit geval af te wijken van het gebruik dat proceskosten in geval van ex-partners worden gecompenseerd.\n\n5. De beslissing\n\nDe rechtbank:\n\nin conventie en in reconventie\n\nten aanzien van de woning\n\n5.1.. veroordeelt [de vrouw] om binnen 7 dagen na betekening van dit vonnis haar medewerking te verlenen aan het geven van de opdracht aan [makelaar 1] te [plaats 2] om tot taxatie van de woning over te gaan, waaronder begrepen de verplichting om haar handtekening te zetten onder de benodigde stukken,\n\n5.2.. veroordeelt [de vrouw] tot betaling van een dwangsom van € 500,-, voor iedere dag of gedeelte van een dag dat zij niet aan het in 5.1 genoemde voldoet, tot een maximum van € 25.000,- is bereikt,\n\n5.3.. bepaalt dat de kosten van de in 5.1 genoemde taxatie voor rekening van [de vrouw] komen nu de woning aan haar toegedeeld zal worden,\n\n5.4.. bepaalt dat [de vrouw] binnen vier weken nadat de taxatiewaarde bekend is, schriftelijk aan [de man] kenbaar dient te maken of zij de woning voor die waarde aan zich toebedeeld wenst te zien, in welk geval de toedeling c.q. levering binnen drie maanden na bekendmaking van de taxatiewaarde dient te geschieden tegen:\n\novername van de volledige hypotheekschulden (en eventuele daaruit ontstane betalingsachterstanden) door [de vrouw] ,\n\nvergoeding door [de vrouw] aan [de man] van de helft van de overwaarde,\n\nbetaling van de (notariële) kosten verbonden aan de overname van de woning door [de vrouw] .\n\n5.5.. bepaalt dat indien [de vrouw] de woning tegen de taxatiewaarde toebedeeld wenst te zien en is voldaan aan de in 5.4. genoemde voorwaarden [de man] gehouden is zijn medewerking te verlenen aan de notariële levering aan [de vrouw] en alle daartoe benodigde handelingen te verrichten,\n\n5.6.. bepaalt, in het geval dat [de vrouw] afziet van toedeling, dan wel in het geval dat binnen drie maanden nadat de taxatiewaarde bekend is geworden toedeling c.q. levering van de woning aan [de vrouw] niet heeft plaatsgevonden, de woning aan een derde moet worden verkocht en door [makelaar 2] te [plaats 2] (voor zover deze laatste daarmee instemt) in de verkoop gebracht zal worden, waarbij ieder der partijen voor de helft gerechtigd is tot de netto verkoopopbrengst. Indien [makelaar 2] de verkoopopdracht weigert dienen partijen zich tot een andere in onderling overleg te bepalen makelaar te wenden,\n\n5.7.. bepaalt, in het geval de woning ingevolge het bepaalde onder 5.6 aan een derde wordt verkocht:\n\ndat beide partijen hun medewerking dienen te verlenen aan het geven van de opdracht aan voornoemde makelaar dan wel de in onderling overleg bepaalde makelaar, waaronder begrepen de verplichting om hun handtekeningen te zetten onder de benodigde stukken en veroordeelt partijen over en weer tot betaling van een dwangsom van € 500,-, voor iedere dag of gedeelte van een dag dat zij hier niet aan voldoen, tot een maximum van € 25.000,- is bereikt,\n\ndat partijen in overleg met de makelaar de verkoopovereenkomst zullen aangaan met degene die de hoogste prijs biedt, indien en voor zover partijen het erover eens zijn dat die prijs de best mogelijke prijs is. In het geval partijen het niet eens kunnen worden over de vraag of een aanbod de best mogelijke prijs is, dan zullen zij zich conformeren aan het advies van de makelaar, op straffe van een dwangsom van € 500,-, voor iedere dag of gedeelte van een dag dat zij hier niet aan voldoen, tot een maximum van € 25.000,- is bereikt,\n\ndat ieder van partijen gehouden is om de helft van de kosten van de makelaar en de overige kosten ter zake de verkoop en levering van de woning te dragen,\n\nten aanzien van de bankrekeningen5.8.. bepaalt onder verwijzing naar r.o. 4.13 dat [de vrouw] aan [de man] uit hoofde van verdeling van de voormalig gemeenschappelijke bankrekeningen met rekeningnummers: [rekeningnummer 1] (Rabo Totaalrekening) en [rekeningnummer 2] (Rabo SpaarRekening) een bedrag van € 2.551,65 moet betalen en veroordeelt [de vrouw] tot betaling daarvan aan [de man] ,\n\nvoor het overige5.9.. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,\n\n5.10.. verklaart voor recht dat aan [de vrouw] het gebruiksrecht van de woning toekomt uiterlijk tot de woning aan haar wordt toebedeeld, dan wel de eigendom van de woning is overgedragen aan een derde,\n\n5.11.. wijst het meer of anders gevorderde af,\n\n5.12.. compenseert de proceskosten in die zin dat iedere partij de eigen proceskosten draagt.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. Roeffen en in het openbaar uitgesproken op 17 juni 2026.\n\n van 19 juni 2018, ECLI:NL:GHDHA:2018:1638\n\n Verordening (EU) nr. 2015\u002F2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken van de Raad van 12 december 2012 (herschikking), (Brussel Ibis), artikel 1 EEX-Vo II\n\n artikel 24 EEX-Vo II\n\n op grond van artikel 4 van de EEX-Vo II\n\n artikel 8 lid 3 EEX-Vo II\n\n Verordening (EG) nr. 864\u002F2007 van het Europees Parlement en de Raad van 11 juli 2007 betreffende het recht dat van toepassing is op niet-contractuele verbintenissen\n\n artikel 10 lid 2 Rome II-Vo\n\n Verordening (EG) nr. 593\u002F2008 van het Europees Parlement en de Raad van 17 juni 2008 inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst\n\n artikel 4 lid 4 Rome I-Vo\n\n HR 08-02-2013, ECLI:NL:HR:2013:BY4279 met noot L.C.A. Verstappen en zie ook: Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 4 juni 2024, ECLI:NL:GHSHE:2024:1853","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBLIM:2026:4453","ecli-nl-rblim-2026-4453",{"courtName":6,"legalDomain":141,"decisionType":22,"procedureType":23},"Civiel recht; Verbintenissenrecht",{"id":143,"ecli":144,"caseNumber":14,"courtId":5,"courtName":14,"decisionDate":128,"fullText":145,"language":7,"source":17,"sourceUrl":146,"summary":14,"slug":147,"metadata":148},"476","ECLI:NL:RBLIM:2026:5577","RECHTBANK Limburg\n\nCiviel recht\n\nZittingsplaats Roermond\n\nZaaknummer: C\u002F03\u002F345605 \u002F HA ZA 25-414\n\nVonnis van 17 juni 2026\n\nin de zaak van\n\n1. [verkoper 1] ,\n\nte [plaats] , 2. [verkoper 2],\n\nte [plaats] ,\n\neisende partijen,\n\nhierna samen te noemen: [verkopers] ,\n\nadvocaat: mr. S.C.W. van Wijk,\n\ntegen\n\n [koper],\n\nte [plaats] ,\n\ngedaagde partij,\n\nhierna te noemen: [koper] ,\n\nadvocaat: mr. Th.J.H.M. Linssen en mr. F. Alberts.\n\n1. Inleiding1.1.. \n [verkopers] heeft een woning met grond gekocht van [koper] . Daarna bleek de grond vervuild met glas en asbest en bleek dat het dak vernieuwd moest worden. [verkopers] wil dat de koopovereenkomst alsnog wordt nagekomen doordat er wordt gesaneerd, dan wel dat de schade die zij hierdoor lijdt wordt vergoed.\n\n2. De procedure\n\n2.1.. Het verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- de dagvaarding met producties 1 tot en met 34,\n\n- de akte overlegging producties 35 tot en met 38 alsmede vermeerdering eis, - de conclusie van antwoord met productie 1,\n\n- akte in het geding brengen producties 39 tot en met 41 van [verkopers] ,\n\n- akte indienen aanvullende producties 2 en 3 van [koper]\n\n- de mondelinge behandeling van 9 april 2026, waarbij door beide partijen spreekaantekeningen zijn overlegd.\n\n2.2.. Ten slotte is vonnis bepaald.\n\n3. De feiten\n\n3.1.. Bij koopovereenkomst van 12 september 2022 heeft [verkopers] van [koper] een woning met grond aan [adres] gekocht. Op het perceel vond in het verleden glastuinbouw plaats door de inmiddels overleden echtgenoot van [koper] . Na staking van de tuinderij zijn de kassen gesloopt. Later is de woning met grond aan [verkopers] verkocht.\n\n3.2.. Op 24 april 2023 is de woning met grond aan [verkopers] geleverd. Bij mail van 12 juni 2023 heeft [verkopers] zich tot de verkoopmakelaar van [koper] gewend en gemeld dat op en in de grond van het perceel glas is aangetroffen. Bij brief van 4 juli 2024 heeft [verkopers] [koper] aansprakelijk gesteld voor alle geleden en nog te lijden schade, omdat de grond door het glas niet veilig als agrarische grond kan worden gebruikt. Op 31 juli 2024 heeft [koper] aan [verkopers] verzocht om haar stelling te onderbouwen met bewijsmiddelen.\n\n3.3.. \n [verkopers] heeft daarop een deskundige ingeschakeld, Arnicon B.V. (verder te noemen: Arnicon). Deze deskundige heeft een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd en daarover een rapport opgesteld van 10 oktober 2024 (verder te noemen: het eerste deskundigenrapport). Vervolgens heeft deze deskundige een aanvullend onderzoek verricht en daarover een rapport uitgebracht van 17 januari 2025 (verder te noemen: het tweede deskundigenrapport). Uit de rapportages blijkt dat het perceel is vervuild met glas, schadelijke stoffen, zware metalen en asbest.\n\n3.4.. \n [verkopers] heeft de rapportages gedeeld met [koper] en haar bij mails van 21 februari 2025 en 14 mei 2025 gesommeerd een aanvang te maken met het (laten) saneren van de bodemverontreiniging ten aanzien van het glas en het asbest. [koper] heeft aangegeven geen gehoor te geven aan deze sommaties en aansprakelijkheid afgewezen bij brief van 21 mei 2025.\n\n4. Het geschil\n\n4.1.. \n\n [verkopers] vordert na vermeerdering van eis – kort samengevat- dat de rechtbank:\n\nI. ten aanzien van de bodemverontreiniging met glas:\n\n- primair [koper] veroordeelt om de koopovereenkomst na te komen, hetgeen inhoudt dat [koper] de saneringswerkzaamheden voor het glas binnen een bepaalde termijn aanvangt en uitvoert en er vervolgens een verklaring van het bevoegd gezag komt dat de sanering correct is uitgevoerd,\n\n- subsidiair [koper] veroordeelt tot het betalen van een voorschot van\n\n€ 205.102,50 op de schade en haar veroordeelt tot vergoeding van de verdere schade, nader op te maken bij staat,\n\n- meer subsidiair verklaart voor recht dat de tussen partijen gesloten overeenkomst onder invloed van dwaling tot stand is gekomen en de gevolgen van de koopovereenkomst wijzigt door de koopprijs te verlagen met een bedrag gelijk aan sanering van het glas.\n\nII. ten aanzien van de bodemverontreiniging met asbest:\n\n- primair [koper] veroordeelt om de koopovereenkomst na te komen, hetgeen inhoudt dat [koper] de saneringswerkzaamheden voor het asbest binnen een bepaalde termijn aanvangt en uitvoert en er vervolgens een verklaring van het bevoegd gezag komt dat de sanering correct is uitgevoerd,\n\n- subsidiair [koper] veroordeelt tot het betalen van een voorschot van\n\n€ 190.160,52 op de schade en haar veroordeelt tot vergoeding van de verdere schade, nader op te maken bij staat,\n\n- meer subsidiair verklaart voor recht dat de tussen partijen gesloten overeenkomst onder invloed van dwaling tot stand is gekomen en de gevolgen van de koopovereenkomst wijzigt door de koopprijs te verlagen met een bedrag gelijk aan sanering van het asbest.\n\nIII. ten aanzien van het dak:\n\n- primair [koper] veroordeelt om een schadevergoeding van € 99.671,05 te betalen aan [verkopers] ,\n\n- subsidiair de gevolgen van koopovereenkomst wijzigt door de koopprijs te verlagen met het bedrag van € 99.671,05,\n\nIV. [koper] veroordeelt om een voorschot van € 135.000 op de gevolgschade te betalen en haar veroordeelt tot vergoeding van de verdere gevolgschade, nader op te maken bij staat,\n\nV. [koper] veroordeelt om € 33.154,00 aan deskundigenkosten te betalen aan [verkopers] ,\n\nVI. [koper] veroordeelt om € 5.944,54 aan buitengerechtelijke kosten aan [verkopers] te betalen,\n\nVII. [koper] veroordeelt om € 4.603,81 aan beslagkosten te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente,\n\nVIII. [koper] veroordeelt in de proceskosten, de nakosten daarbij inbegrepen.\n\n4.2.. \n [verkopers] legt aan haar vorderingen, kort samengevat, het volgende ten grondslag. [verkopers] heeft de woning met grond gekocht in de veronderstelling dat zij een woning met grond kocht geschikt voor normaal gebruik als woonruimte met agrarische bestemming. [verkopers] wil in de woning wonen, mini-zeboes houden en fokken, andere dieren houden en wil chalets plaatsen om een B&B te beginnen. Volgens [verkopers] houdt een woonruimte met agrarische bestemming in dat het perceel naar gangbaar spraakgebruik gebruikt moet kunnen worden voor akkerbouw of het houden van dieren. [verkopers] werd na de levering van de woning met grond echter geconfronteerd met de volgende verborgen gebreken:\n\nverontreiniging van de grond met glas;\n\nverontreiniging van de grond met asbest; en\n\nslechte staat van het dak.\n\nNu het perceel vervuild blijkt te zijn met glas en asbest, is het niet mogelijk om het perceel te gebruiken voor akkerbouw of het houden van dieren. Voorts stelt [verkopers] dat de woning niet geschikt is (geweest) voor normaal gebruik als gevolg van de omvangrijke gebreken aan het dak. Door de diverse gebreken is [koper] tekortgeschoten in de nakoming van de koopovereenkomst. De uiteindelijke saneringskosten van glas en asbest, en de schade voor het mislopen inkomsten B&B zijn mogelijk hoger dan de al gevorderde bedragen, vandaar dat [verkopers] een voorschot op de schade vraagt met verwijzing naar de schadestaatprocedure voor het geval blijkt dat de schade en kosten hoger uitvallen dan het reeds gevorderde bedrag.\n\n4.3.. \n [koper] betwist het bestaan van de gebreken niet, maar voert verschillende verweren die - heel kort samengevat- op het volgende neer komen:\n\ner is geen sprake van wanprestatie ten aanzien van het glas en asbest omdat dit het normale gebruik van de woning en de grond niet in de wegstaat;\n\n [koper] heeft geen mededelingsplicht geschonden, wat [koper] wist heeft [koper] ook medegedeeld;\n\n [verkopers] heeft niet voldaan aan haar onderzoeksplicht;\n\nIn de koopovereenkomst staat een exoneratieclausule waardoor de aanwezigheid van asbest voor rekening en risico van [verkopers] komt;\n\n [verkopers] heeft te laat geklaagd ten aanzien van het dak door pas in de dagvaarding van september 2025 melding te maken van de gebreken hieraan, terwijl het dak twee jaar eerder al is hersteld;\n\nIn de koopovereenkomst staat een ouderdomsclausule waardoor de gebreken in het dak voor rekening en risico van [verkopers] komen;\n\n [verkopers] heeft niet onderzocht of met minder ingrijpende saneringsmaatregelen kan worden volstaan.\n\n4.4.. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.\n\n5. De beoordeling\n\nWat zegt de koopovereenkomst?\n\n5.1.. In artikel 6.1 van de koopovereenkomst zijn partijen overeengekomen dat [verkopers] alle gebreken, zowel de zichtbare als niet zichtbare aanvaardt. Dit artikel luidt:6.1.. \n\n De onroerende zaak zal aan koper in eigendom worden overgedragen in de staat waarin deze zich bij het tot stand komen van deze koopovereenkomst bevindt, derhalve met alle daarbij behorende rechten en aanspraken, heersende erfdienstbaarheden en kwalitatieve rechten, zichtbare en onzichtbare gebreken en vrij van hypotheken, beslagen en inschrijvingen daarvan. Koper aanvaardt deze staat en daarmee ook de op de onroerende zaak rustende publiekrechtelijke beperkingen voor zover dat geen 'bijzondere lasten' zijn.\n\nDit betekent dat de zichtbare en onzichtbare gebreken die er al waren ten tijde van de koopovereenkomst voor rekening en risico van [verkopers] zijn.\n\n5.2.. \n\nIn artikel 6.3 van de koopovereenkomst heeft [koper] gegarandeerd dat de woning en de grond geen gebreken hebben die aan normaal gebruik als woonruimte met agrarische bestemming in de weg staan.\n\nIn het artikel staat namelijk het volgende:6.3.. \n\n De onroerende zaak zal bij de eigendomsoverdracht de feitelijke eigenschappen bezitten die nodig zijn voor een normaal gebruik als:woonruimte met agrarische bestemming. (zie bijlage ruimtelijke plannen\u002F bestemmingsplan.)\n\nIndien de feitelijke levering eerder plaatsvindt, zal de onroerende zaak op dat moment de eigenschappen bezitten die voor een normaal gebruik nodig zijn.\n\nVerkoper staat niet in voor andere eigenschappen dan die voor een normaal gebruik nodig zijn. Gebreken die het normale gebruik belemmeren en die aan koper bekend of kenbaar zijn op het moment van het tot stand komen van deze koopovereenkomst komen voor rekening en risico van koper.\n\n5.3.. In artikel 6.4.3 van de koopovereenkomst is een zogenaamde exoneratieclausule ten aanzien van asbest opgenomen. In dit artikel staat:6.4.3.. \n\nAan verkoper is niet bekend of\u002FAan koper is bekend dat in de onroerende zaak asbest is verwerkt.\n\nIn de onroerende zaak kunnen asbesthoudende stoffen\u002Fmaterialen aanwezig zijn. Indien deze worden verwijderd dienen door koper maatregelen en voorzieningen te worden getroffen die de wetgeving voorschrijft. Koper verklaart met deze wetgeving bekend te zijn en aanvaardt alle aansprakelijkheid en gevolgen die uit de aanwezigheid van asbest en\u002Fof de verwijdering van asbest uit de onroerende zaak kan voortvloeien.\n\nIn afwijking van artikel 6.3. van deze koopakte en artikel 7:17 lid 1 en 2 BW komt het geheel of ten dele ontbreken van één of meer eigenschappen van de onroerende zaak voor normaal en bijzonder gebruik en het eventueel anderszins niet-beantwoorden van de zaak aan de overeenkomst als gevolg van de aanwezigheid van enig asbest in welke samenstelling en\u002Fof op welke plaats dan ook voor rekening en risico van koper.\n\nDit houdt in dat in de woning en de grond asbesthoudende stoffen\u002Fmaterialen aanwezig kunnen zijn en dat dit voor rekening en risico van [verkopers] komt. Bij aanwezigheid van asbest kan zij er geen beroep op doen dat de woning en de grond niet beantwoordt aan de overeenkomst en kan zij ook geen beroep doen op de garantiebepaling van artikel 6.3. waarin is opgenomen dat de onroerende zaak geschikt is voor normaal gebruik als woning met een agrarische bestemming.\n\nDe aanwezigheid van glas en asbest\n\n5.4.. \n [koper] heeft de aanwezigheid van glas en asbest zoals die omschreven is in de deskundigenrapporten niet betwist, waarmee die aanwezigheid is komen vast te staan.\n\nNormaal gebruik als woonruimte met agrarische bestemming\n\n5.5.. In artikel 6.3 van koopovereenkomst staat dat de woning met de grond bij levering de eigenschappen zal bezitten die nodig zijn voor het normale gebruik als woonruimte met agrarische bestemming. Voor de interpretatie van ‘normaal gebruik’ moet volgens de Hoge Raad worden gekeken naar wat hieronder naar gangbaar spraakgebruik wordt verstaan ten aanzien van de grond en de zich daarop bevindende bebouwing.Volgens [verkopers] houdt een woonruimte met agrarische bestemming naar gangbaar spraakgebruik in dat de woning met de grond geschikt is voor akkerbouw of het houden van dieren. De rechtbank is het hiermee eens en gaat er daarom vanuit dat de garantie ziet op de geschiktheid van de grond voor akkerbouw of het houden van dieren.\n\nTussenconclusie\n\n5.6.. De artikelen 6.1 en 6.3 in de koopovereenkomst samen maken dat gebreken die nietin de weg staan aan het normale gebruik als woonruimte met agrarische bestemming voor rekening en risico van [verkopers] komen en gebreken dieweldaaraan in de weg staan voor rekening en risico van [koper] komen. Het normale gebruik als woonruimte met agrarische bestemming houdt in dat de grond gebruikt moet kunnen worden voor akkerbouw en veehouderij. Uitzondering daarop vormt de eventuele aanwezigheid van asbesthoudende stoffen\u002Fmaterialen: de gevolgen van de aanwezigheid van asbesthoudende stoffen\u002Fmaterialen zijn voor [verkopers] . Als de woning niet kan worden gebruikt als woning en\u002Fof de grond niet kan worden gebruikt voor akkerbouw of veehouderij door de aanwezigheid van asbest, kan [verkopers] [koper] dus niet hierop aanspreken en moet zij de gevolgen daarvan zelf dragen. In het recht geldt het algemene rechtsbeginsel afspraak is afspraak (pacta sunt servanda) zodat zowel [verkopers] als [koper] aan deze afspraken vast zitten. De afspraken zijn gemaakt met het oog op de juridische vraag of er sprake is van wanprestatie als er na levering van de woning gebreken blijken te zijn.\n\n5.7.. De rechtbank bespreekt de verschillende gestelde gebreken (glas, asbest en dak) afzonderlijk.\n\nTen aanzien van het glas pleegt [koper] wanprestatie\n\nHet perceel is niet geschikt voor normaal gebruik\n\n5.8.. \n [verkopers] stelt dat het perceel, gelet op de aanwezigheid van glas zoals omschreven in de deskundigenrapportages, niet gebruikt kan worden voor het houden van dieren of akkerbouw. [verkopers] onderbouwt dit door de beide deskundigenrapporten.\n\n5.9.. \n\nIn het eerste deskundigenrapport is in de conclusie (paragraaf 4.2) opgenomen:\n\nTijdens de uitvoering van de onderzoeken is zowel op het maaiveld als in de grond glas aangetroffen. De oppervlakte waarover glas op het maaiveld is aangetroffen wordt ingeschat op ca. 3.850 m2. In het gebied ten zuiden van de woonboerderij langs de weg, opp. ca. 1.350 m2, is daarbij sprake van ‘veel glas’. De oppervlakte waarover glas tot 50 cm in de grond is aangetroffen betreft tenminste 12.380 m2, te weten het gebied waar de kassen hebben gestaan.\n\nEr is dus zowel glas in het maaiveld als in de grond aangetroffen.\n\n5.10.. \n\nIn het eerste deskundigenrapport is in de conclusie (paragraaf 4.3) opgenomen:\n\nZolang op het maaiveld glas aanwezig is, zouden grazende dieren zich daaraan kunnen verwonden.\n\nDe grazende dieren kunnen zich dus aan het glas in het maaiveld verwonden.\n\n5.11.. \n\nIn het tweede deskundigenrapport is in de conclusie (paragraaf 5.2) opgenomen:\n\nOp basis van de uitgezeefde hoeveelheden glas wordt geschat dat er in totaal zo’n 84 ton glas in de bodem aanwezig is. Het in de bodem aangetoonde glas betreft een aantasting van de kwaliteit van de bodem, welke zeer waarschijnlijk door de sloophandelingen in 2018-2019 is ontstaan. Op basis van de zorgplicht in de voormalige Wet bodembescherming en de algemene zorgplicht in de huidige Omgevingswet dient de aantasting zoveel als mogelijk ongedaan te worden gemaakt.\n\nHet gaat dus om zo’n 84 ton glas wat een aantasting van de bodem is. Volgens het rapport dient, op basis van de Wet bodembescherming en de Omgevingswet, de aantasting ongedaan te worden gemaakt.\n\nVerweer [koper] t.a.v. normaal gebruik slaagt niet\n\n5.12.. \n [koper] voert verweer en stelt dat de geconstateerde aanwezigheid van glas op 50 centimeter onder het maaiveld het beoogde gebruik voor het houden van mini-zeboes niet in de weg staat. Mini-zeboes zijn grazers en geen gravers, aldus [koper] .\n\n5.13.. Dit verweer slaagt niet. De rechtbank oordeelt dat de woning met grond niet de feitelijke eigenschappen bezit die voor het normale gebruik als woonruimte met agrarische bestemming vereist zijn. Door het aangetroffen glas is de grond niet voor dit normale gebruik geschikt. Uit het eerste deskundigenrapport blijkt dat dieren zich kunnen verwonden aan het glas in het maaiveld en dat de kwaliteit van de bodem is aangetast door het glas in de bodem. Het gaat om een enorme hoeveelheid glas, maar liefst 84 ton, die volgens het tweede deskundigenrapport over een groot oppervlakte verspreid ligt. Dit maakt dat de grond ongeschikt is voor het houden van dieren en voor akkerbouw. In haar verweer gaat [koper] voorbij aan het deskundigenrapport waaruit blijkt dat grazende dieren zich aan het glas kunnen verwonden. Bovendien is de rechtbank van oordeel dat het beoogde gebruikvan [verkopers] (het houden van mini-zeboes) irrelevant is. Relevant is hetgegarandeerde normale gebruikin de koopovereenkomst, namelijk: het gebruik als woonruimte met agrarische bestemming (veehouderij en akkerbouw). Beide zijn niet mogelijk door de verontreiniging met glas.\n\nVerweer [koper] t.a.v. onderzoeksplicht [verkopers] slaagt niet\n\n5.14.. Volgens [koper] had [verkopers] zelf onderzoek moeten doen naar de bodemverontreiniging met glas en door dit niet te doen heeft [verkopers] haar onderzoeksplicht geschonden. Dit verweer faalt. Omdat het normale gebruik als woning met een agrarische bestemming is gegarandeerd, hoefde [verkopers] niet zelf te onderzoeken of de grond wel geschikt was voor agrarische doeleinden.\n\nTussenconclusie\n\n5.15.. \n [koper] heeft niet geleverd wat zij heeft gegarandeerd, namelijk een onroerende zaak met de feitelijke eigenschappen die geschikt zijn voor normaal gebruik als woonruimte met agrarische bestemming. De woning met grond is dus non-conform en [koper] is tekortgeschoten in de nakoming van de overeenkomst. [verkopers] is op grond van deze tekortkoming gerechtigd nakoming of schadevergoeding te vorderen.\n\nToewijzing schadevergoeding in plaats van nakoming\n\n5.16.. De primaire vordering van [verkopers] houdt in dat zij nakoming vordert in de vorm van sanering. Tijdens de mondeling behandeling is aan [koper] voorgehouden dat haar primaire vordering vanwege de wijze van formulering bij toewijzing op praktische problemen stuit. Voor sanering is [koper] afhankelijk van een derde partij en het bevoegd gezag dat een sanering moet goedkeuren. Daarbij heeft [verkopers] aan deze nakoming termijnen verbonden te weten het binnen één maand na betekening van het vonnis starten met de sanering en het binnen twee maanden na de start voltooien van de sanering danwel andere door de rechtbank in goede justitie te bepalen termijnen. De rechtbank heeft echter geen handvaten gekregen om in alle redelijkheid realistische termijnen vast te stellen. Dit klemt omdat onduidelijk is op welke termijn een saneerder aan de slag zou kunnen gaan en hoeveel tijd een sanering in beslag zou nemen. De praktisch moeilijke uitvoerbaarheid van het primair gevorderde, leidt ertoe dat de rechtbank het primair gevorderde afwijst.\n\n5.17.. \n [verkopers] vordert subsidiair een voorschot van € 205.102,50 op de schade die zij lijdt door de verontreiniging met glas, met verwijzing naar de schadestaatprocedure voor het geval dat blijkt dat de schade hoger uitvalt dan het voorschot. [verkopers] stelt ter onderbouwing dat de schade die zij lijdt, bestaat uit de saneringskosten die zij voor het glas moet maken. Zij heeft de noodzaak van de sanering en de hoogte van het voorschot voldoende onderbouwd met de kostenraming daarvan door de deskundige.\n\n5.18.. \n [koper] heeft de hoogte van de saneringskosten betwist. [koper] voert aan dat niet onderzocht is of met minder ingrijpende saneringsmaatregelen kan worden volstaan. Ter zitting heeft [koper] toegelicht dat zij hiermee bedoelt dat een minder vergaande sanering wellicht ook voldoende zou kunnen zijn. [koper] kon hier echter geen concrete uitwerking van geven ter zitting en heeft dit op geen enkele wijze nader onderbouwd. De rechtbank is dan ook van oordeel dat dit verweer van [koper] onvoldoende is onderbouwd.\n\n5.19.. De rechtbank wijst het voorschot op de saneringskosten toe voor het bedrag zoals door [verkopers] gevorderd, te weten € 205.102,50. De rechtbank wijst ook de wettelijke rente hierover toe vanaf 8 maart 2025. Op 21 februari 2025 heeft [verkopers] namelijk per brief [koper] op de hoogte gesteld van het deskundigenrapport en gevorderd dat [verkopers] binnen 14 dagen een aanvang maakt met het saneren van de bodemverontreiniging. Dat is niet gebeurd. Het verzuim is daarom per 8 maart 2025 ingetreden.\n\n5.20.. \n\nDe rechtbank wijst ook de vordering toe tot verwijzing naar de schadestaatprocedure voor het geval blijkt dat de saneringskosten hoger uitvallen dan het voorschot. Er zijn namelijk aanwijzingen dat de kosten hoger zullen uitvallen om de volgende reden.\n\nIn het deskundigenrapport zijn de saneringskosten voor het glas begroot op € 205.102,50. Hierbij is opgenomen dat deze raming enkel een inschatting betreft van de te verwachten kosten en is uitgegaan van een ‘best-case scenario’ waarin een aantal omstandigheden gunstig uitvallen. Naast deze begroting van de schade in het deskundigenrapport heeft [verkopers] tevens een offerte van GMI Bodemmanagement in het geding gebracht waarin de kosten van de sanering van glas en asbest tezamen op € 721.000 worden begroot. De offerte maakt het niet mogelijk om de kosten van de glassanering separaat te berekenen. Wel is duidelijk dat dit een fors hoger bedrag is dan het bedrag waarop de sanering voor glas en asbest bij elkaar in het deskundigenrapport van Arnicon worden geraamd. Daarin worden de kosten van de asbestsanering namelijk geschat op € 190.160,52. Omdat de kostenraming van GMI Bodemmanagement ruim 3 ton hoger uitvalt dan de kostenraming van Arnicon, is het dus zeer wel mogelijk dat in werkelijkheid de kosten hoger gaan uitvallen dan het voorschot. Tegelijkertijd is het voor de rechtbank niet mogelijk om de saneringskosten te begroten op basis van de offerte van GMI Bodemmanagement omdat daarin de kosten van de glassanering niet van de kosten van de asbestsanering kunnen worden gescheiden. Dit maakt verwijzing naar de schadestaatprocedure noodzakelijk.\n\nTen aanzien van het asbest pleegt [koper] geen wanprestatie\n\n5.21.. \n\n [verkopers] stelt dat de asbestverontreiniging, zoals omschreven in het tweede deskundigenrapport, een normaal gebruik als woonruimte met agrarische bestemming in de weg staat. Zij onderbouwt dit met het tweede deskundigenrapport waarin in de conclusie (paragraaf 5.2) is opgenomen:\n\nUit de onderzoeksresultaten wordt geconcludeerd, dat er sprake is van bodemverontreiniging met asbest bij de stallen en langs het erf. De hoeveelheid tot boven de interventiewaarde met asbest verontreinigde grond wordt op basis van de beschikbare gegevens geschat op 375 m3 of 650 ton.\n\nNaar schatting zit er dus 650 ton asbest in de grond. Zolang de grond met asbest besmet is, kan de grond niet worden gebruikt voor akkerbouw, terwijl [koper] dit gebruik wel heeft gegarandeerd, aldus [verkopers] . Volgens [verkopers] kan [koper] geen beroep doen op de exoneratieclausule omdat deze niet zover strekt dat de aansprakelijkheid voor asbest op het hele perceel is uitgesloten. Partijen hebben met deze exoneratieclausule alleen bedoeld de aansprakelijkheid vanwege aanwezigheid van asbest in of om woning en onder de bestrating uit te sluiten, aldus [verkopers] . [verkopers] stelt tevens dat [koper] geen beroep op de exoneratieclausule toekomt nu zij haar mededelingsplicht ten aanzien van asbest heeft geschonden.\n\n5.22.. \n [koper] voert hiertegen verweer. [koper] stelt dat het door de exoneratieclausule niet mogelijk is om de schade ten aanzien van het asbest op [koper] te verhalen. Daarbij stelt zij dat de aanwezigheid van het ondergrondse asbest het beoogde gebruik van het perceel niet in de weg staat. De mini-zeboes kunnen hier gewoon grazen. [koper] betwist daarnaast dat zij haar mededelingsplicht heeft geschonden. [koper] was niet op de hoogte van de oorzaak en\u002Fof omvang van de gebreken, waaronder het asbest.\n\nExoneratiebeding asbest is van toepassing op de gehele onroerende zaak5.23.. De rechtbank oordeelt dat [koper] ten aanzien van het asbest rechtsgeldig een beroep kan doen op de exoneratieclausule, waardoor zij niet is tekortgeschoten in de nakoming van de overeenkomst. Het ligt op de weg van [verkopers] om haar stelling nader te onderbouwen dat partijen de bedoeling hadden dat de exoneratieclausule alleen van toepassing was op het asbest in en om de woning en onder de bestrating, in tegenstelling tot de woordelijke tekst uit de overeenkomst die zich niet hiertoe beperkt. [verkopers] heeft echter geen dan wel onvoldoende feiten of omstandigheden gesteld, waaruit blijkt dat zij ervan uit mocht gaan dat het exoneratiebeding alleen van toepassing was op het asbest in de grond en de bestrating. Daarmee slaagt het verweer van [koper] dat het asbest in de grond onder de exoneratieclausule valt.\n\nMededelingsplicht grijpt niet in op een mogelijk beroep op exonoratie5.24.. De stelling van [verkopers] dat [koper] geen beroep op de exoneratieclausule toekomt omdat zij haar mededelingsplicht ten aanzien van het asbest heeft geschonden, gaat niet op. [koper] heeft ten aanzien van het asbest haar mededelingsplicht niet geschonden; wat zij wist, heeft zij gemeld. [koper] stelt namelijk dat zij gemeld heeft dat er op het perceel glastuinbouw heeft plaatsgevonden en dat deze glastuinderij gesloopt is. [verkopers] betwist niet dat [koper] dit gemeld heeft. Beide partijen waren dus op de hoogte van de voormalige glastuinderij en de sloop daarvan. Beide partijen stellen daarnaast dat het algemeen bekend is dat er een groot risico bestaat op het gebruik van asbest in kassen die stammen uit de jaren ‘70 van de vorige eeuw. De mededelingsplicht heeft alleen betrekking op gebreken waarvan de verkoper weet of vermoedt dat de koper ze niet kent. Omdat beide partijen stellen dat het algemeen bekend is dat er een groot risico bestaat op het gebruik van asbest in de gesloopte kassen, valt dit niet onder de mededelingsplicht van [koper] .\n\nTussenconclusie\n\n5.25.. Uit bovenstaande volgt dat de aanwezigheid van het asbest de woning en de grond niet non-conform maakt vanwege de exoneratieclausule en dat [verkopers] ten aanzien van de aanwezigheid van het asbest geen rechtsgeldig beroep kan doen op de garantiebepaling dat de woning en de grond geschikt is voor normaal gebruik als woning met een agrarische bestemming. Vordering II van [verkopers] die gebaseerd is op de aanwezigheid van asbest in de grond wordt dan ook afgewezen in alle varianten (primair, subsidiair en meer subsidiair).\n\nTen aanzien van het dak: [verkopers] heeft te laat geklaagd\n\n5.26.. \n [verkopers] stelt dat het dak in erbarmelijke staat was waardoor zij onverwijld de opdracht heeft moeten geven het dak te vervangen, zonder [koper] eerst in gebreke te stellen. Als gevolg van de omvangrijke gebreken aan het dak, is de woning niet geschikt (geweest) voor normaal gebruik. [koper] wijst op de klachtplicht: [verkopers] heeft de woning in 2023 geleverd gekregen en in het najaar van 2023 was het dak reeds gerepareerd. Pas bij de dagvaarding, in september 2025, heeft [verkopers] melding gemaakt van dit gebrek. Hierdoor heeft [verkopers] volgens [koper] te laat geklaagd, waardoor zij zich niet meer op non-conformiteit van het dak kan beroepen.\n\nWat is de klachtplicht?\n\n5.27.. De wet stelt dat een koper binnen korte tijd na het ontdekken van een gebrek de verkoper moet informeren. Doet de koper dit niet, kan hij zich niet meer op non-conformiteit beroepen, wat leidt tot verval van zijn rechten. Dit wordt de klachtplicht genoemd en is vastgelegd in artikel 7:23 Burgerlijk Wetboek (verder te noemen: BW). De vraag of op tijd is geklaagd moet worden beantwoord aan de hand van alle relevante omstandigheden, er geldt dus geen vaste termijn.\n\n5.28.. De rechtbank oordeelt dat [verkopers] te laat geklaagd heeft. [verkopers] heeft het gebrek in 2023 ontdekt en hersteld. Pas ruim 2 jaar nadat het gebrek is ontdekt, heeft [verkopers] het gebrek aan [koper] medegedeeld. Naar het oordeel van de rechtbank is dit te laat. Als gevolg daarvan kan [verkopers] er geen beroep meer doen dat het dak van de woning niet aan de overeenkomst beantwoordt. Vordering III van [verkopers] ten aanzien van het dak wordt daarom afgewezen (zowel primair als subsidiair).\n\nTussenconclusie\n\n5.29.. Uit bovenstaande volgt dat het beroep op wanprestatie ten aanzien van het dak niet slaagt omdat [verkopers] te laat heeft geklaagd.\n\nGevolgschade – Immateriële schade\n\n5.30.. \n [verkopers] vordert vergoeding van immateriële schade op grond van artikel 6:106 sub b BW. Volgens dit artikel heeft de benadeelde recht op immateriële schadevergoeding als de benadeelde lichamelijk letsel heeft opgelopen, in zijn eer of goede naam is geschaad of op andere wijze in zijn persoon is aangetast. [verkopers] beroept zich op deze laatste categorie, aantasting van haar persoon op andere wijze.\n\n5.31.. De rechtbank stelt voorop dat de wetgever de lat voor toekenning van immateriële schade hoog heeft willen leggen. De rechter dient terughoudend te zijn en degene die zich beroept op ‘aantasting van zijn persoon op andere wijze’ dient dit met concrete gegevens te onderbouwen.Uitgangspunt bij ‘aantasting van de persoon op andere wijze’ is dat sprake moet zijn van geestelijk letsel wat naar objectieve maatstaven kan worden vastgesteld, zoals een psychiatrische ziekte.Daarvan is in deze zaak geen sprake.\n\n5.32.. \n [verkopers] stelt dagelijks het weiland te moeten inspecteren om te zorgen dat haar dieren en kinderen zich niet verwonden aan het glas. Deze situatie duurt al twee jaar en het einde is nog niet in zicht, aldus [verkopers] . Hoewel de rechtbank begrijpt dat sprake is van een situatie die voor [verkopers] veel zorgen met zich meebrengt, is dit niet voldoende voor het toekennen van een immateriële schadevergoeding.\n\n5.33.. Het vorenstaande leidt tot het oordeel van de rechtbank dat de gevorderde immateriële schadevergoeding wordt afgewezen.\n\nGevolgschade – Misgelopen inkomsten\n\n5.34.. \n [verkopers] stelt dat zij inkomsten misloopt als gevolg van het niet kunnen realiseren van (vakantie)huisjes op haar perceel door de verontreiniging van de grond met glas en asbest. Omdat [koper] alleen kan worden aangesproken op de aanwezigheid van het glas, zoals hiervoor overwogen, zal het asbest hier verder buiten beschouwing worden gelaten.\n\n5.35.. Alleen schade die in verband staat met de gebeurtenis waarop de aansprakelijkheid van de schuldenaar berust, komt voor vergoeding in aanmerking. Deze schade moet, als gevolg van de gebeurtenis, aan de schuldenaar worden toegerekend. Dit is vastgelegd in artikel 6:98 BW.\n\n5.36.. \n [verkopers] heeft voldoende onderbouwd dat zij voornemens was om op het perceel een B&B te starten. Zo heeft [verkopers] dit voornemen reeds kenbaar gemaakt bij het uitbrengen van het bod op de woning op 16 augustus 2022. Alvorens gestart kan worden met het realiseren van de (vakantie)huisjes op het perceel, dient de grond niet verontreinigd te zijn. De rechtbank acht het dan ook aannemelijk dat het niet mogelijk is om te starten met een B&B wanneer de grond 84 ton glas bevat. Hierdoor is sprake van schade, namelijk het mislopen van inkomsten, die in verband staat met de gebeurtenis waarop de aansprakelijkheid van de schuldenaar berust, namelijk de aanwezigheid van het glas.\n\n5.37.. De rechtbank oordeelt dan ook dat het causale verband tussen de schade (de gederfde inkomsten) en de verontreinigde grond met glas voldoende bewezen is. [verkopers] heeft de hoogte van de schade, naar oordeel van de rechtbank, niet voldoende onderbouwd. De onderbouwing van de schade betreft een globale berekening waarbij sprake zou zijn van 4 huisjes met een gemiddelde bezetting van 50% en een tarief van € 100,00 per nacht. Een nadere onderbouwing ontbreekt, bijvoorbeeld van het gegeven dat [verkopers] voornemens zou zijn om vier huisjes te bouwen, het soort B&B dat gebouwd zou worden, een onderbouwing van de aanname van een bezetting van 50% of een onderbouwing van het tarief in vergelijking met soortgelijke B&B’s in de omgeving. Het is voor de rechtbank niet mogelijk om een begroting van de schadevergoeding te maken. De rechtbank verwijst [verkopers] voor de omvang van deze schade dan ook naar de schadestaatprocedure.\n\nNevenvorderingen\n\nDeskundigenkosten\n\n5.38.. \n [verkopers] vordert als vergoeding van de buitengerechtelijke kosten in de zin van artikel 6:96 lid 2 sub b BW de kosten van de door haar ingeschakelde deskundige Arnicon, vermeerderd met de wettelijke rente. Op basis van artikel 6:96 lid 2 sub b BW komen redelijke kosten die zijn gemaakt om schade en aansprakelijkheid vast te stellen, voor vergoeding in aanmerking. Hieronder vallen deskundigenkosten.\n\n5.39.. Arnicon heeft twee deskundigenrapporten opgesteld. Het eerste deskundigenrapport betreft een verkennend bodemonderzoek. Doel van dit onderzoek was met relatief geringe onderzoeksinspanning de algemene bodemkwaliteit vaststellen. [verkopers] heeft de kosten van het eerste deskundigenrapport voldaan op basis van twee facturen die door [verkopers] zijn overlegd. Uit deze facturen volgt dat de totale kosten voor het eerste deskundigenrapport € 9.559,00 inclusief btw zijn. Het tweede deskundigenrapport betreft een aanvullend onderzoek naar de bodemverontreiniging om de omvang van de verontreiniging verder vast te stellen. De kosten voor het tweede deskundigenrapport zijn voldaan op basis van twee facturen die [verkopers] heeft overlegd, hieruit volgt dat de kosten voor het tweede deskundigenonderzoek € 23.595,00 inclusief btw zijn. De totale deskundigenkosten voor het eerste en het tweede deskundigenrapport bedragen totaal € 33.154,00.\n\n5.40.. De rechtbank oordeelt dat beide deskundigenrapporten nodig zijn geweest om de schade en aansprakelijkheid van [koper] ten aanzien van het glas vast te stellen. Dit leidt ertoe dat de deskundigenkosten toewijsbaar zijn. De rechtbank wijst ook de wettelijke rente hierover toe vanaf 8 maart 2025. Op 21 februari 2025 heeft [verkopers] namelijk per brief [koper] op de hoogte gesteld van het deskundigenrapport en gevorderd dat [verkopers] binnen 14 dagen een aanvang maakt met het saneren van de bodemverontreiniging. Dat is niet gebeurd. Het verzuim is daarom per 8 maart 2025 ingetreden.\n\nBuitengerechtelijke incassokosten5.41.. \n [verkopers] vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De vordering tot vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten. Aangezien een deel van de gevorderde hoofdsom wordt afgewezen, worden de gevorderde buitengerechtelijke kosten toegewezen tot het wettelijk tarief dat hoort bij het aan hoofdsom toegewezen bedrag. Er wordt daarom een bedrag van € 2.966,28 toegewezen.\n\nBeslagkosten5.42.. Met betrekking tot de gevorderde vergoeding van de beslagkosten overweegt de rechtbank als volgt. Als uitgangspunt geldt dat de kosten van het beslag van de beslagene kunnen worden teruggevorderd, tenzij het beslag nietig, onnodig of onrechtmatig was (art. 706 Rv). Het is aan de beslagene om de nietigheid, het onnodige of de onrechtmatigheid van het beslag aan te tonen. Ten aanzien van het beslag heeft [koper] geen verweer gevoerd. Dit betekent dat ook de vordering tot vergoeding van de beslagkosten zal worden toegewezen.\n\n5.43.. De beslagkosten worden als volgt begroot:\n\n- griffierecht conservatoir beslag\n\n€\n\n0,00\n\n- beslag tot levering onroerende zaak\n\n€\n\n260,36\n\n- derdenbeslag\n\n€\n\n299,93\n\n- leges kadaster inschrijving\n\n€\n\n79,00\n\n- overbetekening beslagene\n\n103,67\n\n- informatiekosten\n\n13,05\n\n- overheidsheffing\n\n14,80\n\n- geliquideerd salaris (1 punt, tarief VII)\n\n2.885,00\n\nTotaal\n\n€\n\n3.655,81\n\nHet griffierecht is op nihil gesteld omdat dit al volledig is geheven in de bodemprocedure. Het geliquideerd salaris is gebaseerd op het toegewezen bedrag.\n\nProceskosten5.44.. Hoewel een deel van haar vorderingen is afgewezen, heeft [verkopers] deze procedure moeten starten om schadevergoeding te verkrijgen. [koper] moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [verkopers] worden op basis van het toegewezen bedrag begroot op:\n\n- kosten van de dagvaarding\n\n€\n\n144,47\n\n- griffierecht\n\n€\n\n2.723,00\n\n- salaris advocaat\n\n€\n\n5.770,00\n\n(2 punten × € 2.885,00)\n\n- nakosten\n\n€\n\n189,00\n\n(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)\n\nTotaal\n\n€\n\n8.826,47\n\n5.45.. De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.\n\n6. De beslissing\n\nDe rechtbank\n\n6.1.. veroordeelt [koper] om € 205.102,50 aan [verkopers] te betalen als voorschot op de schade ten aanzien van het glas in de grond, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 8 maart 2025 tot aan de dag van de algehele voldoening,\n\n6.2.. veroordeelt [koper] tot vergoeding aan [verkopers] van de nog door [verkopers] geleden en te lijden schade ten aanzien van het glas in de grond, deze schade nader op te maken bij staat,\n\n6.3.. \n\nveroordeelt [koper] om aan [verkopers] te betalen een bedrag van\n\n€ 33.154,00 aan deskundigenkosten, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 8 maart 2025 tot aan de dag van algehele voldoening,\n\n6.4.. \n\nveroordeelt [koper] om aan [verkopers] te betalen een bedrag van\n\n€ 2.966,28 aan buitengerechtelijke kosten, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW, vanaf de dag van dagvaarding, tot de dag van volledige betaling,\n\n6.5.. \n\nveroordeelt [koper] in de beslagkosten, tot op heden vastgesteld op\n\n€ 3.655,81, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over dit bedrag met ingang van de vijftiende dag na deze uitspraak tot de dag van volledige betaling,\n\n6.6.. veroordeelt [koper] in de proceskosten van € 8.826,47, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [koper] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,\n\n6.7.. veroordeelt [koper] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,\n\n6.8.. verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,\n\n6.9.. wijst het meer of anders gevorderde af.\n\nDit vonnis is gewezen door mr.drs. Van Duin en in het openbaar uitgesproken op 17 juni 2026.\n\n HR 23 december 2005, ECLI:NL:HR:2005:AU2414\n\n HR 15 maart 2019, ECLI:NL:HR:2019:376 (https:\u002F\u002Fwww.inview.nl\u002Fdocument\u002Fid4a0e135bfeb14c8787c596c0742af279),NJ 2019\u002F162 (https:\u002F\u002Fwww.inview.nl\u002Fdocument\u002Fidfeab1399df654be6b14ebba91fa4725b)(EBI)\n\n HR 9 mei 2003, NJ 2005\u002F168 (https:\u002F\u002Fwww.inview.nl\u002Fdocument\u002Fid157620030509c01246hrnj2005168dosred)(B\u002FNoord Brabant); HR 19 december 2003,NJ 2004\u002F348 (https:\u002F\u002Fwww.inview.nl\u002Fdocument\u002Fid157620031219c02165hrnj2004348dosred)(J\u002FStaat) en HR 15 maart 2019,ECLI:NL:HR:2019:376 (https:\u002F\u002Fwww.inview.nl\u002Fdocument\u002Fid4a0e135bfeb14c8787c596c0742af279),NJ 2019\u002F162 (https:\u002F\u002Fwww.inview.nl\u002Fdocument\u002Fidfeab1399df654be6b14ebba91fa4725b)(EBI)","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBLIM:2026:5577","ecli-nl-rblim-2026-5577",{"courtName":6,"legalDomain":100,"decisionType":22,"procedureType":23},{"id":150,"ecli":151,"caseNumber":14,"courtId":5,"courtName":14,"decisionDate":152,"fullText":153,"language":7,"source":17,"sourceUrl":154,"summary":14,"slug":155,"metadata":156},"1219","ECLI:NL:RBLIM:2026:5256","2026-06-15T00:00:00.000Z","RECHTBANK LIMBURG\n\nCiviel recht\n\nKantonrechter\n\nZittingsplaats Roermond\n\nZaaknummer \u002F rekestnummer: 11833539 \\ OV VERZ 25-37\n\nBeschikking van 15 juni 2026\n\nin de zaak van\n\n [verzoekende partij],\n\nte [plaats 1] ,\n\nverzoekende partij,\n\nhierna te noemen: [verzoekende partij] ,\n\nprocederend in persoon,\n\ntegen\n\nVERENIGING VAN EIGENAARS [verwerende partij],\n\nte [plaats 2] ,\n\nverwerende partij,\n\nhierna te noemen: de VvE,\n\ngemachtigde: mr. B.A.L.H. Robijns.\n\nTevens worden ex artikel 5:130 BW als belanghebbenden aangemerkt de hierna te noemen appartementseigenaren\u002Fstemgerechtigden:\n\n1. [belanghebbende 1] BV\n\n [adres 1]\n\n2. [belanghebbende 2]\n\n [adres 2]\n\n3. [belanghebbende 3]\n\n [adres 3]\n\n4. [belanghebbende 4]\n\n [adres 4]\n\n5. [belanghebbende 5]\n\n [adres 5]\n\n6. [belanghebbende 6] BV\n\n [adres 6]\n\n7. [belanghebbende 7]\n\n [adres 7]\n\n8. [belanghebbende 8]\n\n [adres 8]\n\n9. [belanghebbende 9]\n\n [adres 9]\n\n10. [belanghebbende 10]\n\n [adres 10]\n\n11. [belanghebbende 11]\n\n [adres 11]\n\n12. [belanghebbende 12]\n\n [adres 12]\n\n13. [belanghebbende 13]\n\n [adres 13]\n\n14. [belanghebbende 14]\n\n [adres 14]\n\n15. [belanghebbende 15]\n\n [adres 15]\n\n16. [belanghebbende 16]\n\n [adres 16]\n\n17. [belanghebbende 17]\n\n [adres 17]\n\n18. [belanghebbende 18]\n\n [adres 18]\n\n19. [belanghebbende 19]\n\n [adres 19]\n\n20. [belanghebbende 20]\n\n [adres 20]\n\n21. [belanghebbende 21]\n\n [adres 21]\n\n22. [belanghebbende 22]\n\n [adres 22]\n\n23. [belanghebbende 23]\n\n [adres 23]\n\n24. [belanghebbende 24]\n\n [adres 24]\n\n25. [belanghebbende 25]\n\n [adres 25]\n\n26. [belanghebbende 26]\n\n [adres 26]\n\n27. [belanghebbende 27]\n\n [adres 27]\n\n28. [belanghebbende 28]\n\n [adres 28]\n\n29. De erven van mw. [belanghebbende 29]\n\n [adres 29]\n\n30. [belanghebbende 30]\n\n [adres 30]\n\n31. [belanghebbende 31]\n\n [adres 31]\n\n32. [belanghebbende 32]\n\n [adres 32]\n\n33. [belanghebbende 33]\n\n [adres 33]\n\n34. [belanghebbende 34]\n\n [adres 34]\n\n35. [belanghebbende 35] BV\n\n [adres 35]\n\n36. [belanghebbende 36]\n\n [adres 36]\n\n37. [belanghebbende 37]\n\n [adres 37]\n\n38. [belanghebbende 38]\n\n [adres 38]\n\n39. Stichting [belanghebbende 39]\n\n [adres 39]\n\nhierna samen te noemen: de belanghebbenden.\n\n1. De procedure\n\n1.1.. Het verloop van de procedure blijkt uit:\n\nhet verzoekschrift van [verzoekende partij] van 8 augustus 2025\n\nhet aanvullend verzoekschrift met bijlagen A t\u002Fm G alsmede een toelichting op het verzoek tot vernietiging met bijlagen 1 t\u002Fm 15 van [verzoekende partij] van 24 oktober 2025\n\nhet bericht van [belanghebbende 20] , door de kantonrechter ontvangen op 1 december 2025\n\nhet bericht van [belanghebbende 16] , door de kantonrechter ontvangen op 5 december 2025\n\nhet bericht van [belanghebbende 13] , door de kantonrechter ontvangen op 8 december 2025\n\nhet bericht van [belanghebbende 37] , door de kantonrechter ontvangen op 8 december 2025\n\nhet bericht van [belanghebbende 2] , door de kantonrechter ontvangen op 8 december 2025\n\nhet verweerschrift van de VvE, door de kantonrechter ontvangen op 8 december 2025\n\nde mondelinge behandeling van 15 december 2025\n\nhet bericht van de VvE met een aangepaste adressenlijst, door de kantonrechter ontvangen op 29 januari 2026\n\nhet bericht van Stichting Bewaring Dutch Residential XVI, door de kantonrechter ontvangen op 12 maart 2026\n\nhet bericht van [belanghebbende 10] , door de kantonrechter ontvangen op 28 april 2026\n\nde mondelinge behandeling van 18 mei 2026.\n\n1.2.. De uitspraak van de beschikking is bepaald op vandaag.\n\n2. De feiten\n\n2.1.. Bij akte van splitsing van 29 januari 1985 is het appartementencomplex [verwerende partij] gesplitst in 142 appartementsrechten, recht gevende op het uitsluitend gebruik van – kort gezegd – winkelruimte, woonruimte, een kantoor, bergingen of parkeerplaatsen. Met de splitsingsakte is ook de VvE opgericht. In de splitsingsakte is het modelreglement bij splitsing in appartementsrechten van 22 november 1983 van toepassing verklaard, met wijzingen en aanvullingen zoals in de splitsingsakte is bepaald.\n\n2.2.. Op 29 september 2006 is de splitsingsakte gewijzigd, in die zin dat het totaal aantal parkeerplaatsen is uitgebreid en de ligging van een aantal parkeerplaatsen is gewijzigd. Daarnaast is bepaald dat een boekjaar loopt van 1 juli van ieder jaar tot en met 30 juni van het daaropvolgend jaar.\n\n2.3.. \n [verzoekende partij] is eigenaar van de appartementsrechten met nummer [nummer 1] (woning), [nummer 2] (berging) en [nummer 3] (parkeerplaats), die deel uitmaken van het onderhavige appartementencomplex.\n\n2.4.. De bestuurder\u002Fbeheerder van de VvE is MVGM Vastgoedmanagement BV (hierna: MVGM).\n\n2.5.. Tijdens de algemene ledenvergadering (ALV) van 9 december 2024 heeft de VvE een begroting vastgesteld van € 181.720,-, met als ingangsdatum 1 juli 2025.\n\n2.6.. Op 11 juni 2025 heeft wederom een ledenvergadering plaatsgevonden, waarin is voorgesteld om de eerder vastgestelde begroting te verhogen. Tijdens die ALV waren 2.433 van de 6.506 stemmen (37,4%) aanwezig of vertegenwoordigd, hetgeen onvoldoende is om rechtsgeldige en gekwalificeerde besluiten te kunnen nemen. De geagendeerde onderwerpen zijn wel besproken door de aanwezigen.\n\n2.7.. Vervolgens is op 11 juli 2025 een tweede ALV (een machtigingsvergadering) gelast. Daarbij waren 1.947 van de 6.506 (29,93%) stemmen aanwezig of vertegenwoordigd. Tijdens die vergadering zijn dezelfde agendapunten besproken als in de ledenvergadering van de maand daarvoor.\n\n2.8.. In de notulen van de vergadering van 11 juli 2025 is – samengevat en voor zover in deze procedure van belang – het volgende opgenomen. MVGM heeft een aantal problemen in achterstallig onderhoud en de daarmee gepaard gaande kosten gesignaleerd. MVGM heeft twee opties voor een meerjarenonderhoudsplan (MJOP) voorgesteld, namelijk (1) regulier onderhoud volgens het MJOP rekening houdende met de huidige situatie en (2) MJOP waarin al het onderhoud dat niet direct te maken heeft met veiligheid of de instandhouding van de VvE wordt doorgeschoven naar jaren met minder gepland onderhoud. Verder is toegelicht dat de VvE geen lening kan verkrijgen voor het uit te voeren onderhoud, omdat er sprake is van een te grote debiteurenachterstand binnen de VvE. Vervolgens is de begroting besproken. Met een meerderheid van stemmen (stemmen voor: 1.551, stemmen tegen: 396) heeft de ALV besloten de begroting 2025-2026 vast te stellen op een bedrag van € 264.672,00, ingaande per 1 juli 2025. Tot slot is in de notulen opgenomen dat de aanwezige leden vinden dat de kritische punten richting MVGM beter genotuleerd hadden moeten worden.\n\n2.9.. In de besluitenlijst bij de notulen van de vergadering van 11 juli 2025 is verder opgenomen dat de ALV akkoord gaat met de (her)benoeming van MVGM als bestuurder, onder de voorwaarde dat de VvE het verbetertraject (waaronder MJOP-optie 2 en spaarplan) volgt. MVGM heeft in reactie daarop aangegeven dat indien hier wezenlijk van wordt afgeweken zonder gedragen besluit, MVGM de bestuursfunctie zal neerleggen.\n\n3. Het verzoek en het verweer\n\n3.1.. Het verzoek van [verzoekende partij] strekt – samengevat – tot vernietiging van het besluit van de VvE tot verhoging van de maandelijkse servicebijdragen met 54,4% per 1 juli 2025. [verzoekende partij] verzoekt de kantonrechter om te bepalen dat de VvE gehouden is een nieuwe ledenvergadering bijeen te roepen waarin dit onderwerp op een transparante en zorgvuldige wijze opnieuw, in combinatie met een afgerond verduurzamingstraject, wordt besproken en in stemming wordt gebracht, waarbij de inbreng van de leden volledig moet worden vastgelegd in de notulen. Tot slot verzoekt [verzoekende partij] om de VvE in de proceskosten te veroordelen.\n\n3.2.. Aan het verzoek heeft [verzoekende partij] ten grondslag gelegd dat besluitvorming niet op een zorgvuldige en transparante wijze heeft kunnen plaatsvinden. [verzoekende partij] voert daartoe het volgende aan:\n\nTijdens de ALV op 9 december 2024 is al een rechtsgeldig besluit genomen over de begroting, zodat het besluit van 11 juli 2025 afwijkt van het Modelreglement waarin is bepaald dat slechts tijdens één vergadering per jaar over de begroting wordt beslist.\n\nDe verhoging leidt tot een forse lastenstijging van gemiddeld 54% van de leden.\n\nMVGM heeft druk uitgeoefend tijdens de vergadering door te dreigen haar bestuursfunctie neer te leggen indien de verhoogde begroting niet wordt aangenomen.\n\nOndanks het aan MVGM toegekende incassomandaat heeft MVGM twee jaar lang niet adequaat de bijdragen geïnd.\n\nDe onmogelijkheid om externe financiering aan te trekken is het gevolg van nalatig debiteurenbeheer van MVGM, niet van externe omstandigheden.\n\nDaarnaast wijst [verzoekende partij] erop dat MVGM tijdens de vergadering van 11 juni 2025 en de machtigingsvergadering van 11 juli 2025, in haar hoedanigheid van beheerder en bestuurder, druk heeft uitgeoefend op de ALV door te dreigen de bestuursfunctie neer te leggen indien de verhoogde begroting niet zou worden aangenomen. Daarmee is het besluit volgens [verzoekende partij] tot stand gekomen onder druk en zonder vrije, zorgvuldige besluitvorming.\n\n3.3.. De VvE voert verweer. De VvE stelt zich op het standpunt dat de notulen van de vergaderingen een zakelijke en correcte weergave van de besproken onderwerpen bevatten. Tijdens de vergaderingen is gesproken over de financiële positie, de staat van onderhoud, het meerjarenonderhoudsplan (MJOP), de noodzakelijke reserveringen en de begroting. De vergadering heeft overeenkomstig artikel 4 lid 4 van het Modelreglement 1983 de begroting en de bijdragen vastgesteld. De meerderheid stemde vóór, zodat het besluit rechtsgeldig tot stand is gekomen.\n\n3.4.. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.\n\n4. De beoordeling\n\nOntvankelijkheid\n\n4.1.. Op grond van artikel 5:130 lid 2 BW moet het verzoek tot vernietiging van een besluit van een orgaan van de vereniging van eigenaars worden gedaan binnen een maand na de dag waarop de verzoeker van het besluit heeft kennis genomen of heeft kunnen kennis nemen.\n\n4.2.. De kantonrechter stelt vast dat het verzoekschrift op 8 augustus 2025 bij de kantonrechter is ingediend en de verzoeken betrekking hebben op besluiten genomen op 11 juli 2025. Het verzoek is zodoende tijdig, binnen een maand na de genomen besluiten, ingediend. [verzoekende partij] is ontvankelijk in zijn verzoek.\n\nInhoudelijke beoordeling\n\n4.3.. De kantonrechter stelt voorop dat vernietiging van een besluit van de VvE kan worden uitgesproken indien:\n\nhet besluit in strijd is met de statutaire bepalingen (waaronder de bepalingen van de splitsingsakte en de daarvan deel uitmakende reglementen) die het tot stand komen van besluiten regelen; voor het overige leidt strijd met de statuten blijkens artikel 2:14 BW tot nietigheid van het besluit;\n\nhet besluit is genomen in strijd met de redelijkheid en billijkheid die de VvE en degenen die krachtens de wet en statuten bij haar organisatie zijn betrokken, jegens elkander in acht moeten nemen bij hun gedragingen (art. 5:130 BW jo art. 2:15 BW jo art. 2:8 BW).\n\nOproeping eigenaren\n\n4.4.. In tegenstelling tot hetgeen [verzoekende partij] betoogt is in artikel 5 lid 1 van het Modelreglement niet bepaald dat maximaal één keer per jaar een besluit over de begroting kan worden genomen. Daarin is bepaald dat in ieder geval eens per jaar een begroting wordt vastgesteld door de ALV, maar hierin is niet opgenomen dat de begroting tussentijds niet kan worden bijgesteld indien dit nodig wordt geacht. Een dergelijk besluit tot het bijstellen van de begroting kan door de ALV worden genomen, mits aan alle vereisten is voldaan voor het rechtsgeldig nemen van besluiten.\n\n4.5.. Door [verzoekende partij] is aangevoerd dat het besluit niet voldoet aan de wettelijke en statutaire bepalingen die het tot stand komen van besluiten regelt. Meer specifiek heeft [verzoekende partij] zich op het standpunt gesteld dat tijdens de vergadering geen besluitvorming kon plaatsvinden, omdat niet is gebleken dat alle eigenaren op de juiste wijze zijn opgeroepen. [verzoekende partij] verwijst in dat kader naar de mondelinge behandeling van 15 december 2025, waarbij de kantonrechter heeft medegedeeld dat de adressenlijst niet actueel was en sommige oproepingsbrieven die door de kantonrechter zijn verstuurd, de eigenaren niet hebben bereikt. Naar aanleiding daarvan heeft de VvE een geactualiseerde adressenlijst opgesteld en aangeleverd. [verzoekende partij] heeft betoogd dat nu de adressenlijst niet juist was, niet duidelijk is of de eigenaren allemaal op de juiste wijze zijn opgeroepen.\n\n4.6.. De kantonrechter overweegt als volgt. Weliswaar klopten niet alle adressen op de oorspronkelijke lijst, maar dat leidt nog niet tot de conclusie dat de door de VvE verstuurde oproepingsbrieven voor de ALV de eigenaren niet hebben bereikt. Daarvoor is bepalend dat [verzoekende partij] en Vaessen tijdens de mondelinge behandeling hebben aangegeven dat de VvE alle eigenaren steeds per e-mail hebben opgeroepen, behoudens voor zover de betreffende eigenaar geen gebruik maakte van e-mail. Niet gesteld noch gebleken is dat de emailberichten niet zouden zijn aangekomen. Daarnaast heeft de kantonrechter alle eigenaren op basis van de nieuwe adressenlijst opgeroepen. Er hebben zich bij de kantonrechter geen eigenaren gemeld, die niet juist zouden zijn opgeroepen door de VvE of eigenaren die niet op de hoogte zouden zijn van de vergaderingen. [verzoekende partij] heeft zijn geuite vermoeden, dat niet alle eigenaren juist zouden zijn opgeroepen door de VvE, niet nader onderbouwd. [verzoekende partij] heeft ook niet aangevoerd welke eigenaren niet (juist) zouden zijn opgeroepen en wat dit volgens hem zou betekenen voor de stemverhoudingen of het quorum. De kantonrechter gaat dan ook voorbij aan de stelling dat tijdens de vergadering geen besluitvorming had mogen plaatsvinden.\n\nNotulen\n\n4.7.. \n [verzoekende partij] stelt dat de notulen van de vergadering van 11 juni 2025 een onjuiste en volledige weergave bevatten van hetgeen tijdens die vergadering is besproken. Volgens [verzoekende partij] hebben de eigenaren tijdens de machtigingsvergadering van 11 juli 2025 grotendeels via volmacht gestemd zonder dat zij de volledige en juiste informatie tot hun beschikking hadden van de vergadering van 11 juni 2025. Hierdoor konden de eigenaren de gevolgen van hun stem niet overzien en zijn zij misleid in hun besluitvorming.\n\n4.8.. De kantonrechter overweegt dat de notulen alleen een zakelijke weergave van hetgeen is besproken hoeven te bevatten en dat niet alles woordelijk hoeft te worden weergegeven. De notulen vermelden in ieder geval over welke onderwerpen gestemd zal worden en de perikelen rondom het MJOP, de verhoging van de bijdragen en het niet kunnen verkrijgen van een lening. Ook is aangekondigd dat MVGM haar bestuursfunctie zal neerleggen indien er geen nieuw MJOP wordt vastgesteld. [verzoekende partij] heeft onvoldoende gemotiveerd gesteld welke specifieke informatie ontbreekt, waardoor eigenaren op een verkeerd been zouden zijn gezet. De kantonrechter geeft MVGM wel mee dat wanneer zij afspraken maakt over het op voorhand verstrekken van concept notulen, zij zich ook aan die afspraken hoort te houden. Echter, het niet nakomen van die afspraak maakt nog niet dat de notulen onjuist zijn. [verzoekende partij] heeft in dat kader slechts in algemene bewoordingen aangegeven dat de kritiek van enkele eigenaren op het functioneren van MVGM onvoldoende blijkt uit de notulen. Dat is onvoldoende om van een onjuiste vaststelling van de notulen uit te gaan. Het verzoek tot vernietiging van dit besluit is daarom op deze grond niet toewijsbaar.\n\nRedelijkheid en billijkheid\n\n4.9.. Dit brengt de kantonrechter tot de beoordeling van de stelling dat het genomen besluit in strijd zou zijn met de redelijkheid en billijkheid. De kantonrechter is bevoegd een genomen besluit vol te toetsen, maar in de jurisprudentie en literatuur wordt over het algemeen aangenomen dat de kantonrechter zich bij het uitvoeren van die toets terughoudend dient op te stellen. De reden daarvoor is onder andere gelegen in het feit dat het besluit afkomstig is van de algemene ledenvergadering, het hoogste orgaan van de vereniging. Het past de rechter niet om een dergelijk democratisch genomen besluit te wegen op een goudschaaltje. Daarbij komt dat de toets gelegen is in de vraag of het besluit in strijd is met de redelijkheid en billijkheid. Dat is een hoge drempel. Het gaat er niet om of wellicht een beter besluit denkbaar is, maar of sprake is van een onredelijk of onbillijk besluit.\n\n4.10.. \n\nHet gaat in dezen om het besluit van de VvE tot verhoging van de maandelijkse servicebijdragen met 54,4% per 1 juli 2025. De kantonrechter overweegt daarover als volgt. Op grond van artikel 5:126 lid 1 BW dient de vereniging een reservefonds in stand te houden ter bestrijding van andere dan de gewone jaarlijkse kosten. Met de invoering van de Wet verbetering functioneren vereniging van eigenaars van 29 mei 2017, die is verwerkt in artikel 5:126 lid 2 BW, is deze verplichting geconcretiseerd. Zo is in deze bepaling opgenomen dat de jaarlijkse reservering van het reservefonds ten minste 0,5 procent bedraagt van de herbouwwaarde van het gebouw of:\n\n“(…) ten minste het bedrag (bedraagt) dat is vastgesteld door de vergadering van eigenaars ter uitvoering van een door de vergadering van eigenaars vastgesteld onderhoudsplan van ten hoogste vijf jaren oud (…) dat betrekking heeft op een periode van tien jaar en waarin de benodigde onderhouds- en herstelwerkzaamheden alsmede de geplande vernieuwingen zijn opgenomen daaronder mede begrepen een berekening van de aan die werkzaamheden en vernieuwingen verbonden kosten en een gelijkmatige toerekening van die kosten aan de onderscheiden jaren.”\n\n4.11.. De VvE heeft gemotiveerd dat het besluit tot verhoging van de periodieke bijdrage is gebaseerd op de begroting. De begroting vloeit op haar beurt voort uit de verplichting van de VvE om een reservefonds in stand te houden, waarmee de meerjarige onderhoudskosten kunnen worden bestreden. Verder heeft de VvE aangevoerd dat in het verleden onvoldoende middelen zijn gereserveerd om de onderhoudskosten te kunnen dragen, zodat een verhoging van de bijdragen noodzakelijk was. MVGM heeft toegelicht dat door verschillende claims wegens onder andere putcorrosie de reserves van de VvE flink waren gedaald, zodat de VvE niet (meer) beschikte over voldoende reserves in geval van calamiteiten. De VvE heeft benadrukt dat dit ook tijdens de vergadering is besproken.\n\n4.12.. Naar het oordeel van de kantonrechter blijkt uit de notulen van de afgelopen jaren dat MVGM als beheerder regelmatig heeft gewezen op achterstallig onderhoud en dat de VvE er steeds voor heeft gekozen om die onderhoudsverplichting en de daarmee gepaard gaande kosten op de lange baan te schuiven. Dat een kostenverhoging op enig moment onvermijdelijk wordt, ligt dan voor de hand. Het had weliswaar op de weg van MVGM gelegen om dit punt tijdens de begrotingsvaststelling in december 2024 aan de orde te stellen, maar dat maakt niet dat het verhogen van de begroting in 2025 in strijd is met de redelijkheid en billijkheid.\n\n4.13.. De kantonrechter heeft begrip voor de stelling van [verzoekende partij] en andere belanghebbenden dat zij zich voor het blok gezet voelden toen MVGM heeft medegedeeld niet langer de beheerder te willen zijn als de eigenaren niet zouden instemmen met een verhoging van de bijdrage. Echter, de kantonrechter heeft ook begrip voor de situatie van MVGM, die niet langer verantwoordelijk wilde zijn voor een VvE waarbinnen noodzakelijke onderhoudsverplichtingen steeds werden uitgesteld. Het risico van alsmaar uitgesteld onderhoud, mogelijkerwijs resulterend in grotere calamiteiten, wilde MVGM niet dragen. MVGM heeft daarom, mede in het belang van alle eigenaren, de noodzaak duidelijk gemaakt van het verhogen van de bijdrage en het uitvoeren van het achterstallig onderhoud.\n\n4.14.. Dat het besluit leidt tot een forse lastenstijging voor de eigenaren is een gevolg van het jarenlang uitstellen van (reserveren voor) onderhoud. Dit punt op zichzelf maakt nog niet dat het besluit in strijd is met de redelijkheid en billijkheid.\n\nVerzaken zorgplicht\n\n4.15.. Tot slot heeft [verzoekende partij] aangevoerd dat MVGM haar zorgplicht heeft geschonden, door geen adequaat debiteurenbeleid te voeren, haar incassomandaat niet te gebruiken en zodoende ervoor te hebben gezorgd dat de VvE niet in aanmerking komt voor een externe lening. [verzoekende partij] heeft daarbij zelf al aangegeven dat deze kritiek op MVGM geen grond is voor vernietiging van het genomen besluit, maar dat dit eerder maakt dat men in een situatie terecht is gekomen waar men moet ingrijpen, met name met het oog op het debiteurensaldo.\n\n4.16.. De kantonrechter overweegt dat deze kritiek op MVGM inderdaad geen grond is voor vernietiging van het genomen besluit rondom de verhoging van de bijdrage. Het verzoek van [verzoekende partij] tot vernietiging van het besluit tot verhoging van de bijdrage zal dan ook worden afgewezen. In het verlengde daarvan zal ook het verzoek om te bepalen dat een nieuwe vergadering moet worden gehouden over dit onderwerp worden afgewezen.\n\nProceskosten\n\n4.17.. Gelet op de rechtsverhouding tussen partijen en de aard van het geschil, ziet de kantonrechter aanleiding de proceskosten tussen hen te compenseren op de in de beslissing vermelde wijze.\n\n5. De beslissing\n\nDe kantonrechter\n\n5.1.. wijst de verzoeken af,\n\n5.2.. compenseert de proceskosten in die zin, dat iedere partij de eigen kosten draagt.\n\nDeze beschikking is gegeven door mr. Piëtte en in het openbaar uitgesproken op 15 juni 2026.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBLIM:2026:5256","ecli-nl-rblim-2026-5256",{"courtName":6,"legalDomain":100,"decisionType":22,"procedureType":23},{"id":158,"ecli":159,"caseNumber":14,"courtId":5,"courtName":14,"decisionDate":160,"fullText":161,"language":7,"source":17,"sourceUrl":162,"summary":14,"slug":163,"metadata":164},"1671","ECLI:NL:RBLIM:2026:5628","2026-06-10T00:00:00.000Z","RECHTBANKLIMBURG\n\nCiviel recht\n\nKantonrechter\n\nZittingsplaats Roermond\n\nZaaknummer: 12062668 \\ CV EXPL 26-137\n\nVonnis van 10 juni 2026\n\nin de zaak van\n\nSTICHTING WONEN LIMBURG,\n\nstatutair gevestigd te Roermond,\n\neisende partij,\n\nhierna te noemen: Wonen Limburg,\n\ngemachtigde: Hafkamp Groenewegen Gerechtsdeurwaarders,\n\ntegen\n\n [huurder],\n\nwonende te [plaats],\n\ngedaagde partij,\n\nhierna te noemen: [huurder],\n\nprocederend in persoon.\n\n1. De procedure\n\n1.1.. \n\nHet verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- de dagvaarding, - de schriftelijke weergave van het mondelinge antwoord, - de brief van 23 februari 2026 waarin is medegedeeld dat een mondelinge behandeling is\n\nbepaald.\n\n1.2.. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 1 april 2026. Bij die gelegenheid heeft de kantonrechter de behandeling van de zaak aangehouden. De mondelinge behandeling is voortgezet op 17 april 2026.\n\n1.3.. Ten slotte is vonnis bepaald.\n\n2. De feiten\n\n2.1.. Wonen Limburg verhuurt met ingang van 31 juli 2023 aan [huurder] de studio, inclusief alle bijbehorende onroerende aanhorigheden en inclusief het medegebruik van de om het complex eventueel gelegen bijbehorende groenstroken en tuinen en eventuele gemeenschappelijke ruimten, staande en gelegen te [adres] (hierna: het gehuurde). De huurprijs inclusief servicekosten bedraagt op dit moment € 465,51 per maand en is bij vooruitbetaling verschuldigd.\n\n2.2.. Op de huurovereenkomst zijn de algemene huurvoorwaarden woonruimte Stichting Wonen Limburg en Wonen Limburg Accent van 1 januari 2020 van toepassing.\n\n2.3.. \n [huurder] heeft een betalingsachterstand laten ontstaan. Wonen Limburg heeft [huurder] aangemaand op 8 december 2025 om aan zijn betalingsverplichtingen te voldoen. Tot op heden heeft [huurder] daar niet aan voldaan en is de huurachterstand verder opgelopen.\n\n2.4.. Wonen Limburg heeft [huurder] schriftelijk gewezen op de mogelijkheid van schuldhulpverlening bij betalingsachterstanden. Wonen Limburg heeft [huurder] daarna bij de gemeente aangemeld in het kader van vroegsignalering.\n\n3. Het geschil\n\n3.1.. Wonen Limburg vordert - samengevat - dat de kantonrechter bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:\n\nde huurovereenkomst ontbindt,\n\n [huurder] veroordeelt tot ontruiming van het gehuurde,\n\n [huurder] veroordeelt tot betaling van € 2.314,37, waarin een bedrag van € 76,79 aan wettelijke rente is begrepen en een bedrag van € 272,23 aan incassokosten, te vermeerderen met de wettelijke rente over de hoofdsom van € 1.965,35 vanaf 5 januari 2026 tot aan de dag van volledige betaling,\n\n [huurder] met ingang van 1 februari 2026 veroordeelt tot betaling van € 465,51 per maand aan huur c.q. gebruiksvergoeding voor iedere maand of gedeelte daarvan dat [huurder] in gebreke blijft met ontruiming van het gehuurde zulks onder voorbehoud van de eventuele (wettelijk) toegestane huurverhogingen,\n\n [huurder] veroordeelt in de proceskosten.\n\n3.2.. Wonen Limburg legt aan haar ontbindings- en ontruimingsvordering ten grondslag dat [huurder] tekort is geschoten in de nakoming van de op hem op grond van de huurovereenkomst rustende verbintenis, door niet aan zijn betalingsverplichting uit de huurovereenkomst te voldoen. De huurachterstand rechtvaardigt volgens Wonen Limburg de ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van het gehuurde. Daarnaast moet [huurder] de achterstand en de huur dan wel gebruiksvergoeding betalen totdat het gehuurde is ontruimd, aldus Wonen Limburg.\n\n3.3.. \n [huurder] erkent de huurachterstand, maar voert verweer tegen de ontbindings- en ontruimingsvordering. Hij voert aan dat de huurachterstand niet is ontstaan door betalingsonwil. Hij is op jonge leeftijd (18 jaar) op straat gezet door zijn moeder en moest alles alleen doen. Hij had geen hulp bij het regelen van zijn financiën. Inmiddels heeft hij hulp gezocht voor zijn financiën omdat hij ook andere schulden heeft. [huurder] wil graag in de woning blijven wonen. Hij heeft nu ook werk en wil de lopende huur betalen.\n\n3.4.. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.\n\n4. De beoordeling\n\nOntbinding van de huurovereenkomst\n\n4.1.. Wonen Limburg vordert ontbinding van de huurovereenkomst die ziet op de door [huurder] gehuurde woonruimte.\n\n4.2.. Artikel 6:265 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) bepaalt dat iedere tekortkoming van een partij in de nakoming van de op hem op grond van een overeenkomst rustende verbintenissen, aan de wederpartij de bevoegdheid geeft de overeenkomst geheel of gedeeltelijk te ontbinden, tenzij de tekortkoming gezien haar bijzondere aard of geringe betekenis deze ontbinding met haar gevolgen niet rechtvaardigt.\n\n4.3.. Het voorgaande, dat wil zeggen de hoofdregel en de tenzij-bepaling, brengt samen de materiële rechtsregel tot uitdrukking dat slechts een tekortkoming van voldoende gewicht recht geeft op (gehele of gedeeltelijke) ontbinding van de overeenkomst. Ten aanzien van de stelplicht en bewijslast brengen de hoofdregel en tenzij-bepaling in de systematiek van het BW mee dat de schuldeiser, hier Wonen Limburg, moet stellen en zo nodig moet bewijzen dat sprake is van een tekortkoming aan de zijde van de schuldenaar, hier [huurder], (en in voorkomend geval dat voldaan is aan de eis van artikel 6:265 lid 2 BW dat de schuldenaar in verzuim is). Het is aan de schuldenaar, aldus [huurder], om de omstandigheden te stellen en zo nodig te bewijzen die zien op toepassing van de tenzij-bepaling.\n\n4.4.. Bij beantwoording van de vraag of ontbinding van de huurovereenkomst al dan niet gerechtvaardigd is, kunnen alle omstandigheden van het geval van belang zijn, waaronder het concrete belang van de huurder bij het voortduren van de huurovereenkomst. Bij een huurovereenkomst met betrekking tot woonruimte geldt in dit verband dat het gewicht van de tekortkoming moet worden afgezet tegen het woonbelang van de huurder (Hoge Raad 28 september 2018, ECLI:NL:HR:2018:1810).\n\n4.5.. Het staat vast, want [huurder] heeft dat erkend, dat er op het moment van dagvaarden een betalingsachterstand was van vijf maanden. Ook staat vast dat die achterstand daarna alleen maar verder is opgelopen. [huurder] heeft namelijk erkend dat hij ook na het uitbrengen van de dagvaarding geen huur meer heeft betaald en dat hij ook niet heeft afgelost op de achterstand. Dat betekent dat sprake is van een tekortkoming die in beginsel de ontbinding van de huurovereenkomst en de gevolgen daarvan rechtvaardigt.\n\n4.6.. Al hetgeen [huurder] heeft aangevoerd en waarmee hij, zoals de kantonrechter begrijpt, een beroep doet op de tenzij-bepaling van artikel 6:265 BW, kan niet leiden tot het oordeel dat de tekortkoming in dit geval de ontbinding van de huurovereenkomst met haar gevolgen niet rechtvaardigt. Dit wordt niet anders als de kantonrechter rekening houdt met het belang dat [huurder] heeft om in de woning te kunnen blijven wonen. Daarvoor is het volgende redengevend.\n\n4.7.. Ten tijde van het uitbrengen van de dagvaarding was sprake van een betalingsachterstand van vijf maanden. Het gaat dan weliswaar om een achterstand die niet alleen ziet op de kale huur, maar hoe dan ook is sprake van een flinke achterstand in de betaling van de huur. Ten tijde van de eerste mondelinge behandeling is gebleken dat deze achterstand verder is opgelopen. Tijdens de eerste mondelinge behandeling op 1 april 2026 heeft [huurder] evenwel verklaard dat hij openstaat voor hulpverlening in de vorm van budgetbeheer, dat hij inmiddels hulpverlening had ingeschakeld en dat hij inmiddels een baan had met een inkomen waarmee hij zowel de achterstand zou kunnen aflossen als de lopende huur zou kunnen betalen.\n\n4.8.. De kantonrechter heeft hierin, met goedvinden van Wonen Limburg, aanleiding gezien de mondelinge behandeling aan te houden en een nieuwe mondelinge behandeling te plannen waarbij [huurder] samen met zijn hulpverlener aanwezig zou zijn. De kantonrechter heeft dit gedaan om [huurder] de kans te geven om samen met zijn hulpverlener inzicht te geven in zijn financiële positie, waaronder zijn inkomen, en toe te lichten op welke manier [huurder] wil zorgen voor de aflossing van de huurachterstand en de lopende huur. Bij de voortzetting van de mondelinge behandeling op 17 april 2026 is [huurder] echter alleen verschenen. Hij heeft verklaard dat de hulpverlening via [hulpverlening] niet op gang is gekomen en dat hij ook geen andere hulpverlening heeft ingeschakeld. Daarnaast is het [huurder] niet gelukt inzage te geven in zijn financiële positie, waaronder zijn inkomen. Wel heeft [huurder] verklaard dat hij meer schulden heeft en dat deze in totaal om en nabij € 18.000,00 bedragen. Verder is, hoewel dat tijdens de mondelinge behandeling op 1 april 2026 wel was afgesproken, gebleken dat [huurder] de huur over de maand april niet heeft betaald.\n\n4.9.. De kantonrechter concludeert dan ook dat er geen concreet aanknopingspunt is op basis waarvan kan worden aangenomen dat [huurder] de lopende huur voortaan tijdig zal gaan voldoen en dat hij de huurachterstand binnen afzienbare tijd zal aflossen. Hier komt bij dat Wonen Limburg heeft gesteld, en [huurder] heeft dat erkend, dat dit niet de eerste keer is dat sprake is van een aanzienlijke huurachterstand. Wonen Limburg heeft in dit verband onweersproken gesteld dat al betrekkelijk kort na de totstandkoming van de huurovereenkomst een huurachterstand is ontstaan en dat [huurder] de betalingsregeling die in verband daarmee is getroffen niet is nagekomen. Gelet op dit alles weegt het belang van Wonen Limburg bij ontbinding van de huurovereenkomst zwaarder dan het belang van [huurder] om in het gehuurde te kunnen blijven wonen. De kantonrechter zal de vordering tot ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van het gehuurde daarom toewijzen.\n\n4.10.. Wonen Limburg heeft tijdens de mondelinge behandeling op 17 april 2026 toegezegd een toewijzend vonnis niet ten uitvoer te leggen als met [huurder] alsnog een laatste-kans overeenkomst kan worden gesloten. Wonen Limburg heeft daarbij als voorwaarde gesteld dat deze overeenkomst binnen twee weken na de mondelinge behandeling van 17 april 2026 dient te zijn gesloten. Onderdeel van die overeenkomst is dat [huurder] instemt met een verzoek tot onderbewindstelling van de goederen die aan hem (zullen) toebehoren, met benoeming van J&J Bewindvoering tot bewindvoerder. [huurder] heeft tijdens de mondelinge behandeling toegezegd hieraan zijn medewerking te zullen verlenen. De kantonrechter gaat er daarom van uit dat Wonen Limburg, mits [huurder] doet wat hij heeft toegezegd, niet tot tenuitvoerlegging van dit vonnis zal overgaan.\n\nDe huurachterstand\n\n4.11.. Wonen Limburg vordert daarnaast veroordeling van [huurder] tot betaling van de huurachterstand inclusief servicekosten, welke ten tijde van dagvaarding in hoofdsom € 1.965,35 bedroeg. Nu [huurder] het bestaan van deze huurachterstand heeft erkend, zal de kantonrechter het gevorderde bedrag aan huurachterstand toewijzen.\n\nHuur c.q. gebruikersvergoeding\n\n4.12.. Wonen Limburg vordert verder dat [huurder] wordt veroordeeld tot betaling van € 465,51 per maand als huur c.q. gebruiksvergoeding en vergoeding voor de servicekosten vanaf 1 februari 2026.\n\n4.13.. De vordering ziet op de door [huurder] verschuldigde huurprijs voor het gehuurde vanaf 1 februari 2026 tot aan de datum van de ontbinding (aldus de datum van dit vonnis) en op een door [huurder] verschuldigde gebruikersvergoeding over de periode vanaf de ontbinding van de huurovereenkomst. De vordering is toewijsbaar, met dien verstande dat deze wordt toegewezen tot het moment van ontruiming en met uitzondering van het gedeelte van de vordering dat ziet op eventuele huurverhogingen. Wonen Limburg heeft ten aanzien van dit onderdeel van de vordering niet aan haar stelplicht voldaan.\n\nDe wettelijke rente en incassokosten\n\n4.14.. Wonen Limburg vordert ten slotte dat [huurder] wordt veroordeeld tot betaling van € 76,79 aan wettelijke rente over de vervallen termijnen tot en met 5 januari 2026 en tot betaling van de wettelijke rente over de huurachterstand van € 1.965,35, tot aan de dag van volledige betaling. Daarnaast vordert zij dat [huurder] wordt veroordeeld tot betaling van € 272,23 als vergoeding voor gemaakte buitengerechtelijke incassokosten.\n\n4.15.. Wonen Limburg is een professionele verhuurder en [huurder] is een consument. Op grond van de Europese richtlijn oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten (EU richtlijn 1993\u002F13) moet de kantonrechter ambtshalve toetsen of de huurovereenkomst en\u002Fof de op die overeenkomst toepasselijke algemene voorwaarden bedingen bevatten die voor [huurder] als consument huurder oneerlijk in de zin van die Richtlijn, zijn. De kantonrechter stelt vast dat de algemene voorwaarden van Wonen Limburg die op de huurovereenkomst die ziet op de woning van toepassing zijn, in artikel 6.2. een beding bevatten op grond waarvan Wonen Limburg aanspraak kan maken op wettelijke rente bij niet tijdige betaling. Daarnaast bevatten de algemene voorwaarden in artikel 13.2 een beding op grond waarvan Wonen Limburg aanspraak kan maken op betaling van incassokosten.\n\n4.16.. Een beding wordt als oneerlijk beschouwd als het, in strijd met de goede trouw, het evenwicht tussen de uit de overeenkomst voortvloeiende rechten en verplichtingen van de partijen ten nadele van de consument aanzienlijk verstoort. Een op een oneerlijk beding gegronde vordering is niet toewijsbaar. Evenmin kan dan nog aanspraak worden gemaakt op vergoeding op basis van de wettelijke regeling (HvJ EU van 27 januari 2021, ECLI:EU:C:2021:68).\n\n4.17.. De kantonrechter heeft Wonen Limburg ter gelegenheid van de mondelinge behandeling in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over de vraag of de bedingen al dan niet eerlijk zijn en over het voornemen om het beding te vernietigen in het geval het niet eerlijk wordt bevonden. Wonen Limburg heeft bij die gelegenheid verklaard dat zij zich refereert aan het oordeel van de kantonrechter.\n\n4.18.. De kantonrechter is van oordeel dat het rentebeding eerlijk is. Het beding komt namelijk overeen met de wettelijke regeling. Dat betekent dat over de hoofdsom tot en met 5 januari 2026 berekende rente zal worden toegewezen. Het staat immers vast dat [huurder] in verzuim verkeert en hij heeft de juistheid van het berekende bedrag aan rente niet bestreden. Daarnaast zal de wettelijke rente worden toegewezen over € 1.965,35 vanaf 6 januari 2026.\n\n4.19.. De gevorderde incassokosten worden afgewezen. Dat beding is wel oneerlijk in de zin van de Richtlijn. In het beding staat dat minimaal € 40,00 aan incassokosten is verschuldigd bij niet tijdige betaling. Het beding is dus in strijd met de wettelijke regeling, want deze voorziet erin dat eerst nog de kans wordt gegeven om de hoofdsom zonder bijkomende kosten te betalen. Niet gesteld of gebleken is dat andere afspraken zijn gemaakt die tegenwicht bieden aan het nadeel dat [huurder] op dit punt lijdt. De kantonrechter zal het beding daarom vernietigen. Dit brengt mee dat de vordering die strekt tot vergoeding van incassokosten niet toewijsbaar is.\n\nProceskosten\n\n4.20.. \n [huurder] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van Wonen Limburg worden begroot op:\n\n- kosten van de dagvaarding\n\n€\n\n153,02\n\n- griffierecht\n\n€\n\n397,00\n\n- salaris gemachtigde\n\n€\n\n651,00\n\n(3 punten × € 217,00)\n\n- nakosten\n\n€\n\n108,50\n\n(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)\n\nTotaal\n\n€\n\n1.309,52\n\n5. De beslissing\n\nDe kantonrechter:\n\n5.1.. ontbindt de tussen partijen bestaande huurovereenkomst met betrekking tot het gehuurde staande en gelegen te [adres],\n\n5.2.. veroordeelt [huurder] om binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis het gehuurde te ontruimen met alle daarin aanwezige personen en zaken, tenzij deze zaken van Wonen Limburg zijn, en de sleutels af te geven aan Wonen Limburg,\n\n5.3.. veroordeelt [huurder] om aan Wonen Limburg te betalen een bedrag van € 2.042,14 te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over € 1.965,35 vanaf 6 januari 2026 tot aan de dag van volledige betaling,\n\n5.4.. veroordeelt [huurder] om aan Wonen Limburg te betalen een bedrag van € 465,51 per maand ter zake de huur (tot vandaag) dan wel gebruiksvergoeding (vanaf vandaag) voor het gehuurde, vanaf 1 februari 2026 tot aan de datum van ontruiming,\n\n5.5.. veroordeelt [huurder] in de proceskosten van € 1.309,52, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [huurder] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,\n\n5.6.. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,5.7.. wijst het meer of anders gevorderde af.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. Lafghani en in het openbaar uitgesproken op 10 juni 2026.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBLIM:2026:5628","ecli-nl-rblim-2026-5628",{"courtName":6,"legalDomain":141,"decisionType":22,"procedureType":23},{"id":166,"ecli":167,"caseNumber":14,"courtId":5,"courtName":14,"decisionDate":160,"fullText":168,"language":7,"source":17,"sourceUrl":169,"summary":14,"slug":170,"metadata":171},"1673","ECLI:NL:RBLIM:2026:5627","RECHTBANKLIMBURG\n\nCiviel recht\n\nKantonrechter\n\nZittingsplaats Roermond\n\nZaaknummer: 11930140 \\ CV EXPL 25-4478\n\nVonnis van 10 juni 2026\n\nin de zaak van\n\nde vereniging [V.v.E.],\n\nstatutair gevestigd te [plaats] ,\n\neisende partij,\n\nhierna te noemen: de VvE,\n\ngemachtigde: [gemachtigde] ,\n\ntegen\n\nde besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid CASA B.V.,\n\nstatutair gevestigd te Roermond,\n\ngedaagde partij,\n\nhierna te noemen: Casa,\n\ngemachtigde: mr. T.G.M. Scheers.\n\n1. De procedure\n\n1.1.. \n\nHet verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- het tussenvonnis van 18 maart 2026, - de akte van Casa met producties, - de antwoordakte van de VvE tevens houdende wijziging van eis met één productie.\n\n1.2.. Ten slotte is vonnis bepaald.\n\n2. De verdere beoordeling\n\nHet tussenvonnis van 18 maart 2026\n\n2.1.. De kantonrechter heeft Casa bij tussenvonnis van 18 maart 2026 in de gelegenheid gesteld haar stelling dat zij de voorschotten over de maanden november en december 2025 en januari 2026 heeft betaald, te bewijzen.\n\nDe akten naar aanleiding van het tussenvonnis\n\n2.2.. Casa heeft vervolgens de volgende producties overgelegd:\n\nproductie C-004: betalingsbewijs factuur november 2025 ( [factuurnummer 1] ) d.d. 09-02-2026;\n\nproductie C-005: factuur december 2025 ( [factuurnummer 2] ) en betalingsbewijs d.d. 09-02-2026;\n\nproductie C-006: factuur januari 2026 ( [factuurnummer 3] ) en betalingsbewijs d.d. 09-02-2026.\n\n2.3.. De VvE erkent dat het voorschot over de maand januari 2026 is betaald. Zij blijft echter erbij dat de voorschotten over november en december 2025 niet zijn betaald. De VvE heeft hiernaast haar vordering opnieuw vermeerderd, omdat volgens haar de voorschotbijdragen over de maanden maart, april en mei 2026 wederom onbetaald zijn gebleven door Casa. Zij vordert thans veroordeling van Casa tot betaling van een hoofdsom van € 6.207,36 en handhaaft daarnaast de bij dagvaarding gevorderde buitengerechtelijke incassokosten.\n\nDe tweede vermeerdering van eis en de incassokosten\n\n2.4.. Zolang de rechter nog geen eindvonnis heeft gewezen, is de eiser bevoegd zijn eis of de gronden daarvan te wijzigen (artikel 130 Rv). De gedaagde is bevoegd hiertegen bezwaar te maken, op grond dat de verandering of vermeerdering in strijd is met de eisen van een goede procesorde. De rechter kan op dezelfde grond ook ambtshalve een verandering of vermeerdering van eis buiten beschouwing laten.\n\n2.5.. Casa heeft geen bezwaar gemaakt tegen de wijziging van eis. De kantonrechter zal de wijziging van eis evenwel buiten beschouwing laten, omdat deze in strijd is met de eisen van een goede procesorde. In deze zaak heeft de VvE bij conclusie van repliek voor de eerste keer haar eis gewijzigd. De tweede eiswijziging ligt in het verlengde van de eerste eiswijziging. Het lijkt erop dat de VvE telkens in het geval gaandeweg de procedure betalingstermijnen verstrijken, haar eis vermeerdert. In het geval de kantonrechter dat toe staat, komt deze procedure nooit tot een einde. Casa moet in het kader van hoor en wederhoor immers telkens in de gelegenheid worden gesteld op de eisvermeerdering te reageren, waarna mogelijk weer nieuwe betalingstermijnen verstrijken en weer een eisvermeerdering wordt ingesteld, waarop Casa weer moet kunnen reageren. Deze wijze van procederen is in strijd met de eisen van een goede procesorde. Het ligt op de weg van de VvE als eisende partij om haar vordering zo te formuleren dat in het geval tijdens de procedure opnieuw betalingstermijnen verstrijken, Casa kan worden veroordeeld tot betaling van de opeisbaar geworden bedragen. Dit heeft de VvE niet gedaan. Dit komt voor haar rekening en risico.\n\n2.6.. Over de gevorderde incassokosten heeft de kantonrechter bij tussenvonnis al een bindende eindbeslissing genomen, inhoudend dat dit onderdeel van de vordering wordt afgewezen. De kantonrechter ziet in de stelling van de VvE dat zij haar vordering ten aanzien van de incassokosten handhaaft, geen aanleiding om van dit oordeel terug te komen.\n\nDe bij antwoordakte in het geding gebrachte productie\n\n2.7.. De VvE heeft bij antwoordakte nog een productie in het geding gebracht. De kantonrechter laat deze bij de beoordeling buiten beschouwing aangezien Casa daarop niet heeft kunnen reageren.\n\nDe voorschotten over november en december 2025 en januari 2026\n\n2.8.. Allereerst stelt de kantonrechter vast dat de VvE erkent dat de voorschotbijdrage over de maand januari 2026 is voldaan. Dat brengt mee dat de vordering van de VvE ook op dit punt wordt afgewezen.\n\n2.9.. Voor zover de vordering ertoe strekt dat Casa wordt veroordeeld tot betaling van de voorschotten over de maanden november en december 2025, ligt deze eveneens voor afwijzing gereed. Hiervoor is het volgende redengevend. Casa heeft als productie C-004 en C-005 gegevens in het geding gebracht. Deze heeft zij evenals de productie die ziet op de erkende betaling van het voorschot over de maand januari 2026, aangeduid als ‘betalingsbewijzen’. Hierop is telkens (op een verschillend tijdstip) een afboeking zichtbaar op 9 februari 2026, de datum waarop ook de erkende betaling over de maand januari 2026 is verricht. Het afgeboekte bedrag is gelijk aan verschuldigde voorschot van € 775,92 en de VvE is als begunstigde partij vermeld. Daar komt bij dat het op deze stukken vermelde bankrekeningnummer overeenkomt met het door de VvE op haar facturen vermelde rekeningnummer bij de Rabobank. Daarmee heeft Casa afdoende bewezen dat (ook) deze bedragen aan de VvE zijn voldaan.\n\nProceskosten\n\n2.10.. Op grond van artikel 12 van de Wet griffierechten burgerlijke zaken (Wgbz) wordt het griffierecht verhoogd tot het griffierecht dat verschuldigd zou zijn geweest indien de vermeerderde eis reeds in de dagvaarding was opgenomen. Het verschuldigde griffierecht bedraagt daarom thans € 559,00. Nu de VvE bij het aanbrengen van de dagvaarding reeds een bedrag van € 514,00 aan griffierecht heeft voldaan, wordt het griffierecht verhoogd met € 45,00, welk bedrag de VvE alsnog dient te voldoen.\n\n2.11.. De VvE is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van Casa worden begroot op:\n\n- salaris gemachtigde\n\n€\n\n720,00\n\n(2 punten × € 360,00)\n\n- nakosten\n\n€\n\n144,00\n\n(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)\n\nTotaal\n\n€\n\n864,00\n\n2.11.1.. Gelet op de inhoud van de akte van Casa ziet de kantonrechter geen aanleiding daarvoor een 0,5 salarispunt toe te kennen.\n\n2.12.. De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen op de manier zoals vermeld in de beslissing.\n\n3. De beslissing\n\nDe kantonrechter:\n\n3.1.. wijst de vordering af,\n\n3.2.. veroordeelt de VvE in de proceskosten van € 864,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als de VvE niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,\n\n3.3.. veroordeelt de VvE tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,\n\n3.4.. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,\n\n3.5.. wijst het meer of anders gevorderde af.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. Lafghani en in het openbaar uitgesproken op 10 juni 2026.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBLIM:2026:5627","ecli-nl-rblim-2026-5627",{"courtName":6,"legalDomain":141,"decisionType":22,"procedureType":23}]