[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"court-rotterdam":3},{"court":4,"decisions":10},{"id":5,"name":6,"country":7,"level":8,"jurisdiction":9},61,"Rotterdam","nl","first_instance","civil",[11,24,33,41,48,55,62,69,76,84,92,101,108,115,122,129,137,145,152,159],{"id":12,"ecli":13,"caseNumber":14,"courtId":5,"courtName":14,"decisionDate":15,"fullText":16,"language":7,"source":17,"sourceUrl":18,"summary":14,"slug":19,"metadata":20},"418","ECLI:NL:RBDHA:2026:18726","","2026-07-08T00:00:00.000Z","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Rotterdam\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL26.36068uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n\n [naam eiser] , eiser\n\nV-nummer: [V-nummer]\n\n(gemachtigde: mr. J.S. Dobosz),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, verweerder\n\n(gemachtigde: mr. C. van der Zijde).\n\nSamenvatting\n\n1. Deze uitspraak gaat over de maatregel van vreemdelingenbewaring die aan eiser is opgelegd. Deze maatregel is opgelegd op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser is het niet eens met die maatregel. Hij voert daartegen een beroepsgrond aan. Onder meer aan de hand van deze beroepsgrond beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van die maatregel en de vraag of aan eiser een schadevergoeding moet worden toegekend.\n\n1.1.. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep gegrond is. Het opleggen van de maatregel van vreemdelingenbewaring is onrechtmatig. De rechtbank kent daarom een schadevergoeding toe. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.\n\n1.2.. In deze uitspraak gebruikt de rechtbank de volgende afkortingen voor de wet- en regelgeving:\n\nAwb: Algemene wet bestuursrecht\n\nVw: Vreemdelingenwet 2000\n\nVb: Vreemdelingenbesluit 2000\n\nProcesverloop\n\n2. Met het bestreden besluit van 29 juni 2026 heeft verweerder aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.\n\n2.1.. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.\n\n2.2.. De rechtbank heeft het beroep op 7 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, K.A. Ozdzinska als tolk en de gemachtigde van verweerder.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\nToetsingskader\n\n3. Verweerder kan als het belang van de openbare orde of de nationale veiligheid dat vordert, de vreemdeling die geen rechtmatig verblijf heeft in vreemdelingenbewaring stellen.Verweerder stelt een vreemdeling slechts in vreemdelingenbewaring, voor zover geen minder dwingende maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast en de vreemdelingenbewaring blijft achterwege of wordt beëindigd, indien deze niet langer noodzakelijk is met het oog op het doel van de vreemdelingenbewaring.Deze vreemdeling kan in vreemdelingenbewaring worden gesteld op grond dat het belang van de openbare orde of nationale veiligheid zulks vordert, indien a) een onderduikrisico bestaat, of b) de vreemdeling de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert.De maatregel kan alleen worden opgelegd wegens het bestaan van een onderduikrisico, indien ten minste twee van de gronden, genoemd in artikel 5.6, tweede lid, van het Vb zich voordoen.\n\nGronden\n\n4. Eiser heeft de gronden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd niet bestreden. De gronden, die de ambtshalve toetsing van de rechtbank doorstaan, zijn tezamen voldoende om de maatregel van bewaring te kunnen dragen.\n\nRechtmatig verblijf\n\n5. Eiser heeft aangevoerd dat er sprake is van een rechtmatig verblijf van eiser in Nederland op grond van artikel 7 van de Richtlijn 2004\u002F38\u002FEG. Eiser is een maand voorafgaand aan de onderhavige zaak opgehouden op 3 juni 2026. Hij heeft ter onderbouwing het proces-verbaal van ophouding overgelegd. Op deze dag is onderzoek gedaan naar de arbeidssituatie van eiser. Gebleken is dat eiser arbeid verricht voor een Nederlands uitzendbureau en beschikte over een arbeidscontract. Eiser is vervolgens heengezonden wegens bestendig verblijf. Verweerder kon ten aanzien van de onderhavige maatregel van bewaring op 29 juni 2026 niet zonder meer terugvallen op het standpunt dat sprake is van voortgezet onrechtmatig verblijf. Dit is onverenigbaar met de bevinding op 3 juni 2026. De maatregel van bewaring is dan ook onvoldoende zorgvuldig voorbereid en onvoldoende gemotiveerd.\n\n5.1.. Verweerder heeft aan de maatregel ten grondslag gelegd dat eiser geen rechtmatig verblijf in Nederland heeft, nu zijn verblijfsrecht als Unieburger bij beschikking van 6 maart 2025 is beëindigd. De rechtbank stelt voorop dat de enkele omstandigheid dat het verblijfsrecht van een Unieburger eerder is beëindigd, niet zonder meer meebrengt dat deze op een later moment geen rechten meer aan het Unierecht kan ontlenen. Indien sprake is van gewijzigde feiten en omstandigheden dient verweerder de verblijfsrechtelijke positie van de betrokkene opnieuw te beoordelen alvorens tot het oordeel te komen dat hij geen rechtmatig verblijf heeft.\n\n5.2.. De rechtbank oordeelt als volgt. In de maatregel van bewaring is vermeld dat eiser heeft verklaard werkzaam te zijn voor een Nederlands uitzendbureau en dit ook heeft aangetoond, dat eiser werkzaam is in België waar hij ook wordt voorzien van woonruimte door de werkgever en dat hij in België mag verblijven. Naar het oordeel van de rechtbank vormen deze omstandigheden concrete aanwijzingen dat de feitelijke situatie van eiser sinds de beschikking van 6 maart 2025 is gewijzigd. Van verweerder mocht daarom worden verwacht dat hij kenbaar zou onderzoeken welke betekenis deze gewijzigde omstandigheden hebben voor de actuele verblijfsrechtelijke positie van eiser. Uit de maatregel van bewaring, het gehoor voorafgaand aan deze maatregel en de overige stukken in het dossier is niet gebleken dat een dergelijk onderzoek heeft plaatsgevonden. Daarbij betrekt de rechtbank dat uit het proces-verbaal van ophouding van eiser op 3 juni 2026 blijkt dat eiser is heengezonden, omdat sprake was van ‘mogelijk bestendig verblijf’. Uit het proces-verbaal van verhoor op die dag blijkt dat het werken voor een Nederlands uitzendbureau hier ook aan de orde is geweest. Vervolgens wordt nog geen maand later in de onderhavige maatregel van bewaring zonder kenbare motivering aangenomen dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft. Niet valt in te zien waarom verweerder er zonder nader onderzoek van uit heeft kunnen gaan dat eiser geen aan het Unierecht ontleend verblijfsrecht had. De motivering dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft, is onder deze omstandigheden onvoldoende draagkrachtig. Gelet hierop is de maatregel in strijd met artikel 3:2 en 3:46 van de Awb tot stand gekomen en is dan ook onrechtmatig. Deze beroepsgrond slaagt.\n\nConclusie en gevolgen\n\n6. Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is gegrond. Deze maatregel is vanaf het moment van het opleggen daarvan onrechtmatig. De rechtbank beveelt de opheffing van deze maatregel met ingang van vandaag.\n\n6.1.. Op grond van artikel 106 van de Vw kan de rechtbank indien zij de opheffing van de maatregel van vreemdelingenbewaring beveelt aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen. De rechtbank acht gronden aanwezig om een schadevergoeding toe te kennen voor 10 dagen onrechtmatige (tenuitvoerlegging van de) vreemdelingenbewaring ten bedrage van 0 x € 160,- (verblijf politiecel) en 10 x € 120,- (verblijf detentiecentrum) = € 1.200,-.\n\n6.2.. Eiser krijgt een vergoeding van zijn proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- omdat de gemachtigde van eiser geacht wordt beroep te hebben ingesteld en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep gegrond;\n\n- veroordeelt de Staat der Nederlanden tot het betalen van € 1.200,- aan schadevergoeding aan eiser, te betalen door de griffier en beveelt de tenuitvoerlegging van deze schadevergoeding;\n\n- beveelt de opheffing van de maatregel van vreemdelingenbewaring met ingang van vandaag;\n\n- veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiser.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. S.N. Abdoelkadir, rechter, in aanwezigheid van mr. M. Stehouwer, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.\n\n Het beroep tegen een maatregel van bewaring wordt ook aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding. Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 59c van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 5.5 van het Vb.\n\n Dit volgt uit artikel 5.6, eerste lid, van het Vb.","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18726","ecli-nl-rbdha-2026-18726",{"courtName":6,"legalDomain":21,"decisionType":22,"procedureType":23},"Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht","uitspraak","Uitspraak",{"id":25,"ecli":26,"caseNumber":14,"courtId":5,"courtName":14,"decisionDate":27,"fullText":28,"language":7,"source":17,"sourceUrl":29,"summary":14,"slug":30,"metadata":31},"1178","ECLI:NL:RBROT:2026:7873","2026-07-07T00:00:00.000Z","Rechtbank Rotterdam\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: ROT 25\u002F4181\n\nuitspraak van de enkelvoudige kamer van 7 juli 2026 in de zaak tussen\n\n [eiseres], te [plaats], eiseres,\n\n(gemachtigde: mr. A.P.M.A. Laeyendecker),\n\nen\n\nde minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur, voorheen de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder,\n\n(gemachtigde: mr. W.J.C. Goorden).\n\nSamenvatting\n\n1. Deze uitspraak gaat over een boete van € 1.500,- die verweerder met het besluit van 8 november 2024 aan eiseres heeft opgelegd voor een overtreding van de Wet dieren. Eiseres is het niet eens met deze boete. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van de boete.\n\n1.1.. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat verweerder de boete terecht heeft opgelegd. Eiseres krijgt dus geen gelijk en het beroep is ongegrond. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.\n\n1.2.. Onder 2. staat het procesverloop in deze zaak. Onder 3. staan de van belang zijnde feiten en omstandigheden die hebben geleid tot het bestreden besluit. De beoordeling door de rechtbank volgt vanaf 4.1. Aan het eind staat de beslissing van de rechtbank en de gevolgen daarvan. De wettelijke regels die van belang zijn voor deze zaak, staan in de bijlage bij deze uitspraak.\n\nProcesverloop\n\n2. Met het bestreden besluit van 11 april 2025 op het bezwaar van eiseres is verweerder bij het boetebesluit gebleven.\n\n2.1.. Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.\n\n2.2.. Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.\n\n2.3.. De rechtbank heeft het beroep op 10 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres en haar gemachtigde, de gemachtigde van verweerder en [naam], toezichthoudend dierenarts bij de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA).\n\nTotstandkoming van het bestreden besluit\n\n3.1.. \n\nVerweerder heeft zijn besluit gebaseerd op een rapport van bevindingen dat op 26 september 2024 is opgemaakt door een toezichthouder van de NVWA. De toezichthouder beschrijft in het rapport haar bevindingen nadat zij samen met een toezichthoudend dierenarts vanaf 15 juli 2024 een onderzoek heeft ingesteld naar aanleiding van een melding over eiseres die zou fokken met Shar-Pei’s met extreme uiterlijke kenmerken. In het rapport staat onder meer het volgende beschreven.\n\n3.1.1.. \n\nIn de I&R-databankzag de toezichthouder dat op het adres en de naam van eiseres sinds 16 september 2021 een UBNwas gevestigd met de productiedoelen: honden afleveren, honden fokken, honden verkoop en honden voorraad. Verder bleek uit deze databank dat er op naam van eiseres in de periode van 2014 tot 2021 veertien nesten zijn geboren en in de periode van 2021 tot 16 juli 2024 zes nesten zijn geboren. Op de website Dutch Dog Data heeft de toezichthouder de door de Raad van Beheer geregistreerde gegevens van stamboomhonden geraadpleegd en daaruit bleek dat eiseres van 2021 tot 16 juli 2024 vijf nesten met stamboom heeft gefokt en dat de kennel [kennelnaam] teruggaat tot 2005 met daarin 164 resultaten op individuele stamboeknummers.\n\nOok heeft de toezichthouder de website [website] van eiseres bekeken en gezien dat daarop teef [teef A] en reu [reu B] werden voorgesteld. Ook zag de toezichthouder op de website twee foto’s van pups met hechtingen rondom de oogleden.\n\nVerder heeft de toezichthouder het register van de Kamer van Koophandel geraadpleegd en daaruit bleek dat [kennelnaam] stond ingeschreven als eenmanszaak met eiseres als eigenaar en als bedrijfsactiviteit ‘Fokken en houden van overige dieren, Hondenkennel’.\n\nOp de website marktplaats.nl zag de toezichthouder een advertentie betreffende reu [reu B] staan, geplaatst door eiseres en met een verwijzing naar de website [website] Uit gegevens die Markplaats op vordering van de toezichthouder heeft verstrekt bleek de toezichthouder dat door eiseres in de periode van 20 oktober 2005 tot 16 juli 2024 in totaal 66 advertenties zijn geplaatst die zijn te relateren aan honden waarvan vier in de periode van 2021 tot 16 juli 2024.\n\nDe toezichthouder heeft tevens op 16 juli 2024 bij Dierenkliniek [naam] de patiëntenkaarten opgevraagd van de bij de kliniek bekende honden van eiseres, waaronder [teef A].\n\nOp 16 juli 2024 heeft de toezichthouder, samen met toezichthoudend dierenarts [naam] en een andere toezichthouder bij eiseres thuis een inspectie uitgevoerd. Daarbij zagen zij teef [teef A] en haar pup [naam]. Eiseres vertelde de toezichthouders dat zij recent een nestje van vier pups had gehad waarvan één pup is ingeslapen vanwege een vernauwde luchtpijp en dat bij één pup de huid boven de ogen was getackt. Ook zagen de toezichthouders in een bijgebouw in de tuin nog twee honden. Volgens de toezichthouder waren in dit bijgebouw drie dierenverblijven, zijnde hondenkennels, gerealiseerd. Tijdens de inspectie heeft de toezichthoudend dierenarts de honden veterinair beoordeeld en daarvan een veterinaire verklaring opgesteld.\n\n3.1.2.. \n\nIn de veterinaire verklaring van 25 juli 2024 schrijft de toezichthoudend dierenarts dat zij bij [teef A] een sterk snuivend ademgeluid hoorde waarbij zij zag dat bij iedere inademing de neus werd samengetrokken. Volgens de toezichthoudend dierenarts had [teef A] ernstig vernauwde neusgaten en gehoorgangen, was zij kalend over het gehele lichaam, had zij wondjes en korstjes en had de hond huidrimpels over het gehele lichaam met ontstekingen tussen de rimpels op de kop. Ook heeft de toezichthoudend dierenarts de patiëntenkaart van [teef A] van Dierenkliniek [naam] geraadpleegd en in de veterinaire verklaring schrijft zij wat haar daaruit bleek:\n\n“Op 5 maart 2020 werd er bij [teef A] op 10 maanden leeftijd een lytisch ulcus (cornea-aandoening) van het oog vastgesteld. Hierbij werden er zowel op het boven- alsonderooglid tackings geplaatst. Op 18 maart 2020 werd bij [teef A] trichiasis aanbeide oogleden vastgesteld. Bij trichiasis is er sprake van een afwijkende stand van de wimpers, waarbij deze richting de oogbol groeien en hier ernstige irritatie en beschadiging van het hoornvlies kunnen veroorzaken. Op 13 mei 2022 werd er beiderzijds een oorontsteking door een pseudomonas-infectie vastgesteld. Op 12 augustus 2022 staat genoteerd dat er bij een pup van [teef A] de ogen zijn getackt op 4 weken leeftijd. Ook op 5 juni 2023 werd een pseudomonas-infectie in de oren vastgesteld, waarbij staat genoteerd dat [teef A] zeer nauwe gehoorgangen heeft en dat het trommelvlies niet te beoordelen was. Op 12 juni 2024 werd bij een pup van [teef A] van 3 weken oud het rechteroog getackt vanwege entropion. Op 27 juni 2024 werd bij [teef A] diepe pyodermie met demodex-infectie vastgesteld.”\n\nOp basis van het onderzoek van de hond en de patiëntenkaart komt de toezichthoudend dierenarts in de veterinaire verklaring tot de volgende conclusie:\n\n“Bij [teef A] is door de eigen dierenarts trichiasis vastgesteld. Deze schadelijke aandoening van de oogleden kan erfelijk zijn en dus aan de nakomelingen worden doorgegeven. Daarnaast heeft [teef A] ernstig vernauwde neusgaten en een snuivend ademgeluid, wat duidt op een obstructie van de luchtweg. De gehoorgangen van [teef A] zijn zeer nauw en in haar patiëntendossier staat genoteerd dat zij al meermaals een ontsteking van de oren heeft gehad. Ook heeft [teef A] een overmaat van huidrimpels, waardoor er een verhoogd risico op huidproblemen is. Door de overmaat van huidrimpels kan ook de erfelijke aandoening entropion ontstaan. In het patiëntendossier van [teef A] staat dat dit bij meerdere van haar pups is vastgesteld. De ernst en de combinatie van deze schadelijke uiterlijke kenmerken maken [teef A] ongeschikt voor de fok.”\n\n3.2.. \n\nOp grond van het rapport van bevindingen heeft verweerder vastgesteld dat eiseres het volgende beboetbare feit heeft gepleegd: “Het is verboden te fokken met gezelschapsdieren op een wijze waarop het welzijn en de gezondheid van het ouderdier of de nakomelingen wordt benadeeld. Er werd niet zoveel mogelijk voorkomen dat uiterlijke kenmerken werden doorgegeven aan of konden ontstaan bij nakomelingen die schadelijke gevolgen hadden voor welzijn of gezondheid van de dieren. Uw hond [teef A] was niet geschikt om mee te fokken.”\n\nVolgens verweerder heeft eiseres daarmee een overtreding begaan van artikel 3.4, eerste lid en tweede lid, onder b, van het Besluit houders van dieren. Verweerder heeft eiseres daarvoor een boete opgelegd van € 1.500,-.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n4. Eiseres voert aan dat verweerder niet handelt conform eigen beleid. Zij verwijst daarbij naar een voorlichting die op 14 december 2024 door de NVWA is gegevenwaaruit blijkt dat bij overtredingen een waarschuwingsbrief wordt verstuurd. Eiseres heeft echter direct een boete en een last onder dwangsom ontvangen. Dit is niet juist, verweerder had moeten volstaan met een waarschuwing, aldus eiseres.\n\n4.1.. \n\nDe rechtbank stelt vast dat eiseres niet betwist dat zij de overtreding heeft begaan. Gelet op artikel 8.7 van de Wet dierenwas verweerder bevoegd om eiseres voor deze overtreding een boete op te leggen. Eiseres heeft verwezen naar presentatiemateriaal van een voorlichting die door een toezichthoudend dierenarts van de NVWA is gegeven, maar anders dan eiseres kan de rechtbank daaruit niet afleiden dat verweerder bij deze overtreding een waarschuwing geeft en nog geen boete oplegt. In de presentatie wordt een waarschuwing als een van de mogelijkheden genoemd. Ook wordt in de presentatie verwezen naar interventiebeleid van verweerder. In dit beleid staat hoe verweerder met zijn boetebevoegdheid omgaat. In dit geval is het Algemeen interventiebeleid NVWA 2024 en het Specifiek interventiebeleid NVWA Dierenwelzijnvan toepassing, zoals in het boetebesluit ook is beschreven. In de Bijlage bij dit interventiebeleid is per soort overtreding beschreven welke interventie daarop volgt. In deze bijlage wordt overtreding van artikel 3.4, tweede lid, van het Besluit houders van dieren aangemerkt als klasse middel of zwaar.Als sprake is van een (risico op) aantasting van het dierenwelzijn en de afwijking van de norm beperkt in ernst en incidenteel van aard is (klasse middel) wordt eerst een waarschuwing gegeven. Als sprake is van een (risico op) ernstige aantasting van het dierenwelzijn en de afwijking van de norm zwaar is en\u002Fof een meer structureel karakter heeft (klasse zwaar) wordt er direct een boete opgelegd.\n\n4.2.. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder op goede gronden de overtreding aangemerkt als klasse zwaar en daarvoor direct een boete opgelegd. Zoals uit het rapport van bevindingen volgt heeft [teef A] kenbare schadelijke kenmerken die zij aan nakomelingen kan doorgeven. Zo is bij haar trichiasis vastgesteld, een oogaandoening die erfelijk kan zijn, heeft de toezichthouder vastgesteld dat sprake was van een obstructie van de luchtwegen en heeft [teef A] een overmaat van huidrimpels waardoor de erfelijke aandoening entropion kan ontstaan. In de veterinaire verklaring bij het rapport van bevindingen staat dat entropion ontstaat doordat de ooglidrand vanwege overmatige huidrimpels naar binnen krult, waardoor de haartjes op de ooglidrand over het hoornvlies schuren van het oog. Ter zitting heeft de toezichthoudend dierenarts toegelicht dat entropion veel pijn veroorzaakt en tot onherstelbare schade aan het oog kan lijden. Bij twee pups uit verschillende nestjes van [teef A] is ook daadwerkelijk entropion vastgesteld waardoor zij een medische ingreep hebben moeten ondergaan (tacken, zijnde hechtingen rondom het oog om het ooglid op te tillen). Gelet op de ernst van de gevolgen die het fokken met [teef A] voor de gezondheid en het welzijn van nakomelingen kan hebben en nu eiseres tot twee keer toe met deze hond heeft gefokt – wat ook tot medische gevolgen bij twee pups heeft geleid – heeft verweerder terecht gesteld dat de overtreding een (risico op) ernstige aantasting van het dierenwelzijn betekende en een meer structureel karakter had. Verweerder heeft dan ook in overeenstemming met zijn interventiebeleid voor deze overtreding een boete opgelegd. De rechtbank ziet in de omstandigheden van het geval ook geen grond voor het oordeel dat verweerder in afwijking van zijn interventiebeleid een waarschuwing had moeten geven.\n\n4.3.. In de Bijlage bij de Regeling handhaving en overige zaken Wet dierenis de standaardboete voor deze overtreding vastgesteld op € 1.500,-. Dit is ook het bedrag dat verweerder aan eiseres heeft opgelegd. De rechtbank stelt vast dat eiseres geen gronden heeft gericht tegen de hoogte van de boete. Evenmin is de rechtbank gebleken van feiten of omstandigheden op grond waarvan de boete gematigd zou moeten worden.\n\nConclusie en gevolgen\n\n5. Het beroep is ongegrond.\n\n6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. S.M. Goossens, rechter, in aanwezigheid van mr. A.L. van der Duijn Schouten, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar op 7 juli 2026.\n\nde rechter is verhinderd\n\ndeze uitspraak te tekenen\n\ngriffier rechter\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het College van Beroep voor het bedrijfsleven waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.\n\nDigitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het College van Beroep voor het bedrijfsleven, Postbus 20021, 2500 EA ’s-Gravenhage.\n\nKan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het College van Beroep voor het bedrijfsleven vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.\n\nBIJLAGE: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving\n\nWet dierenArtikel 8.6, eerste lid, aanhef en onder a, onderdeel 1\n\nIn deze paragraaf wordt verstaan onder:\n\novertreding: gedraging die in strijd is met het bepaalde bij of krachtens:\n\n1°. de artikelen […]2.6, eerste, tweede en derde lid,[…];\n\novertreder: degene die de overtreding pleegt of mede pleegt.\n\nArtikel 8.7\n\nOnze Minister kan een overtreder een bestuurlijke boete opleggen.\n\nBesluit houders van dierenArtikel 3.4, eerste lid, en tweede lid, aanhef en onder b\n\nHet is verboden te fokken met gezelschapsdieren op een wijze waarop het welzijn en de gezondheid van het ouderdier of de nakomelingen wordt benadeeld.\n\nIn ieder geval wordt bij het fokken, bedoeld in het eerste lid, voor zover mogelijk voorkomen dat:\n\nb. uiterlijke kenmerken worden doorgegeven aan of kunnen ontstaan bij nakomelingen die schadelijke gevolgen hebben voor welzijn of gezondheid van de dieren;\n\nBesluit handhaving en overige zaken Wet dierenArtikel 2.2, eerste en onder b\n\n1. De hoogte van de bestuurlijke boete die Onze Minister aan een overtreder voor een overtreding kan opleggen wordt overeenkomstig de volgende boetecategorieën vastgesteld:\n\nb. categorie 2: € 1500;\n\nArtikel 2.4\n\nIndien een overtreding is begaan anders dan in de uitoefening van een beroep of bedrijf, wordt het voor die overtreding op grond van de artikelen 2.2 en 2.3 op te leggen boetebedrag gehalveerd.\n\nRegeling handhaving en overige zaken Wet dieren\n\nArtikel 1.2\n\nDe hoogte van de bestuurlijke boete, bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, van het besluit, wordt vastgesteld overeenkomstig de bedragen die horen bij de boetecategorieën die in de bijlage bij deze regeling voor desbetreffende overtredingen zijn vastgelegd.\n\nBijlage als bedoeld in artikel 1.2 van de Regeling handhaving en overige zaken Wet dieren\n\nBesluit houders van dieren Categorie\n\nArtikel 3.4 2\n\n Identificatie- en Registratiedatabank\n\n Uniek Bedrijfsnummer\n\n Het aanbrengen van hechtingen om het ooglid op te tillen\n\n Verweerder heeft in het besluit van 8 november 2024 tevens vastgesteld dat eiseres drie andere feiten heeft gepleegd, maar daarvoor geeft verweerder eiseres een schriftelijke waarschuwing.\n\n Presentatie ‘Richtlijnen en handhaving, stimulans voor bonafide professionele fokkers’\n\n Gelezen in samenhang met artikel 8.6, eerste lid, en artikel 2.6, tweede lid, Wet dieren\n\n IB03-SPEC 02, versie 8\n\n Regel 02R092300 en 02R092310\n\n Gelezen in samenhang met artikel 2.2, eerste lid, Besluit houders van dieren","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2026:7873","ecli-nl-rbrot-2026-7873",{"courtName":6,"legalDomain":32,"decisionType":22,"procedureType":23},"Bestuursrecht; Bestuursstrafrecht",{"id":34,"ecli":35,"caseNumber":14,"courtId":5,"courtName":14,"decisionDate":27,"fullText":36,"language":7,"source":17,"sourceUrl":37,"summary":14,"slug":38,"metadata":39},"1193","ECLI:NL:RBROT:2026:8030","Rechtbank Rotterdam\n\nMeervoudige kamer strafzaken\n\nParketnummer: 10-292536-25\n\nDatum uitspraak: 7 juli 2026\n\nDatum zitting: 23 juni 2026\n\nTegenspraak\n\nVerdachte:\n\n [verdachte] ,\n\ngeboren op [geboortedatum] 1990 in [geboorteplaats] ,\n\ningeschreven op het adres:\n\n [adres] [postcode] [woonplaats]\n\ngedetineerd in [naam P.I.] .\n\nAdvocaat van de verdachte: mr. M. Schmit\n\nOfficier van justitie: mr. K. Broere\n\nBenadeelde partijen: [benadeelde 1] , [benadeelde 2] , [benadeelde 3] , [benadeelde 4] , [benadeelde 5] , bijgestaan door advocaat mr. F.J.M. Hamers en [benadeelde 6] en [benadeelde 7] , bijgestaan door advocaat\n\nmr. S. Epema\n\nKern van het vonnis\n\nDe verdachte heeft op 1 november 2025 een vuurwapen in handen genomen, geladen en doorgeladen en dat vuurwapen is op enig moment afgegaan. Hierdoor is het slachtoffer [slachtoffer] in de borst geraakt en ten gevolge daarvan overleden. De verdachte wordt vrijgesproken van doodslag. De verdachte wordt veroordeeld voor dood door schuld (roekeloosheid) tot een gevangenisstraf van 3 jaar met aftrek van voorarrest. De vorderingen van de benadeelde partijen worden gedeeltelijk toegewezen.1. Tenlastelegging\n\nDe officier van justitie beschuldigt de verdachte ervan dat hij - samengevat - het slachtoffer opzettelijk van het leven heeft beroofd (primair) dan wel dat het aan zijn schuld te wijten is dat het slachtoffer [slachtoffer] een schotwond in de borst heeft opgelopen, als gevolg waarvan [slachtoffer] is overleden. Daarnaast wordt hij ervan beschuldigd dat hij een vuurwapen en munitie voorhanden heeft gehad.\n\nDe volledige tenlastelegging houdt in dat:\n\n1 primair\n\nhij op of omstreeks 1 november 2025 te Rotterdam, althans in Nederland, opzettelijk een ander, te weten [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, door met een vuurwapen een kogel af te vuren\u002Faf te schieten in de borst, althans het bovenlichaam, van die [slachtoffer] ;\n\nsubsidiair\n\nhij op of omstreeks 1 november 2025 te Rotterdam, althans in Nederland, roekeloos in elk geval zeer, althans aanmerkelijk onvoorzichtig en\u002Fof onoplettend heeft gehandeld, zulks terwijl hij zich samen met [slachtoffer] bevond in de keuken van zijn - verdachtes - woning, door: - een vuurwapen in zijn handen te nemen, - dit vuurwapen door te laden, - dit vuurwapen te richten en\u002Fof te houden in de richting van die [slachtoffer] en\u002Fof - vervolgens het vuurwapen af te laten gaan, waardoor het aan zijn schuld te wijten is dat die [slachtoffer] een schotwond in de borst, althans het bovenlichaam heeft bekomen, met als gevolg dat deze [slachtoffer] is overleden;\n\n2\n\nhij op of omstreeks 1 november 2025 te Rotterdam, althans in Nederland, - een wapen als bedoeld in art. 2 lid 1 van categorie II en\u002Fof III van de Wet wapens en munitie, te weten een vuurwapen van een tot op heden onbekend merk\u002Ftype\u002Fkaliber en\u002Fof - munitie in de zin van art. 1 onder 4º van de Wet wapens en munitie, te weten munitie als bedoeld in art. 2 lid 2 van die wet van de categorie II onder 1º en\u002Fof categorie III, te weten één of meer kogelpatr(o)on(en) van een tot op heden onbekend merk\u002Ftype\u002Fkaliber, voorhanden heeft gehad.2. Bewijs2.1.. \n\nVordering van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld voor de feiten 1 primair en 2.2.2.. \n\nConclusie van de verdediging\n\nDe verdediging heeft vrijspraak bepleit voor feit 1 primair, omdat het vereiste opzet op de dood van het slachtoffer ontbreekt. Ten aanzien van het onder 1 subsidiair tenlastegelegde heeft de verdediging bepleit dat vrijspraak moet volgen, omdat niet kan worden vastgesteld dat de verdachte de trekker heeft overgehaald. Het wapen kan zomaar zijn afgegaan en dan kan niet worden gesproken van enige verwijtbaarheid. In ieder geval kan de ten laste gelegde roekeloosheid niet worden bewezen. De verdediging heeft zich ten aanzien van feit 2 gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.2.3.. \n\nOordeel van de rechtbank\n\nVrijspraak feit 1 primair\n\nAnders dan de officier van justitie, is de rechtbank van oordeel dat niet bewezen is dat de verdachte het slachtoffer opzettelijk van het leven heeft beroofd. Op basis van het dossier en het verhandelde op de terechtzitting is niet vast te stellen dat de verdachte de trekker van het vuurwapen heeft overgehaald zodat niet kan worden bewezen dat de verdachte, zoals tenlastegelegd, met (voorwaardelijk) opzet een kogel heeft afgevuurd of afgeschoten. De verdachte wordt daarvan dus vrijgesproken.\n\nBewezenverklaring en bewijsmiddelen\n\nBewezen is dat de verdachte\n\n1. subsidiair\n\nop 1 november 2025 te Rotterdam roekeloos heeft gehandeld, zulks terwijl hij zich samen met [slachtoffer] bevond in de keuken van zijn - verdachtes - woning, door: - een vuurwapen in zijn handen te nemen, - dit vuurwapen door te laden, - dit vuurwapen te houden in de richting van die [slachtoffer] en\n\n- het vuurwapen af te laten gaan, waardoor het aan zijn schuld te wijten is dat die [slachtoffer] een schotwond in de borst heeft bekomen, met als gevolg dat deze [slachtoffer] is overleden;\n\n2\n\nhij op of omstreeks 1 november 2025 te Rotterdam - een wapen als bedoeld in art. 2 lid 1 van categorie II van de Wet wapens en munitie, te weten een vuurwapen van een tot op heden onbekend merk\u002Ftype\u002Fkaliber en\n\n- munitie in de zin van art. 1 onder 4º van de Wet wapens en munitie, te weten munitie als bedoeld in art. 2 lid 2 van die wet van de categorie III, te weten kogelpatronen van een tot op heden onbekend merk\u002Ftype\u002Fkaliber, voorhanden heeft gehad.\n\nDe bewezenverklaring is gebaseerd op de inhoud van de bewijsmiddelen. De verdachte heeft feit 2 bekend en er is geen vrijspraak bepleit. Daarom worden voor dit feit de bewijsmiddelen hieronder wel genoemd maar niet uitgeschreven.\n\nFeit 2\n\n1. Verklaring van de verdachte\n\n2. Deskundigenverslag\n\n3. Proces-verbaal van politie\n\nDe bewezenverklaring van feit 1 subsidiair is gebaseerd op de hieronder opgenomen inhoud van de bewijsmiddelen en de onderstaande bewijsmotivering.\n\nFeit 1 subsidiair\n\n1. Verklaring van de verdachte\n\nOp 1 november 2025 zat ik met drie personen waaronder [slachtoffer] in de keuken van mijn woning in Rotterdam. De keuken is een kleine ruimte met een tafel in het midden. Ik had veel sterke drank gedronken die avond en nacht. Ik heb het vuurwapen uit mijn kelderbox gepakt om stoer te doen. Ik zat een beetje te spelen met het vuurwapen. Ik heb het vuurwapen in mijn handen genomen en vastgehouden. Ik heb het magazijn, dat gevuld was met kogels, er meerdere keren in gedaan en er uit gehaald. Ik heb de slede naar achteren gehaald. Ik heb de anderen laten zien hoe je een vuurwapen doorlaadt. Op een gegeven moment ging het wapen af toen ik het vasthad. Het slachtoffer was toen ongeveer 2 meter van mij vandaan, de tafel zat ertussen.\n\nHet vuurwapen heb ik niet eerder in mijn handen gehad.\n\n2. Proces-verbaal van de politie, verklaring [naam 1]\n\nHet geweer ging van de oom naar de vader en weer terug. Ze deden alsof ze op elkaar aan het richten waren. Ze zeiden ik ga je schieten. [naam 2] en ik zeiden dat ze moesten stoppen. Toen hoorde ik een knal. Ik zag [naam 2] zijn vader zijn hoofd naar achteren vallen.\n\n3. Proces-verbaal van politie\n\nDe medewerkers van de ambulancedienst zagen op 1 november 2025 te Rotterdam dat het slachtoffer een gat in zijn lichaam had ter hoogte van zijn linkerborst. Ik hoorde een van de ambulancemedewerkers zeggen dat het een schotwond was. Ik zag een gat in zijn rug.\n\n4. Deskundigenverslag\n\nBij forensisch pathologisch onderzoek op het lichaam van [slachtoffer] wordt het overlijden zonder meer verklaard door één doorschot door de borstkas.\n\nBewijsmotivering\n\nDe vraag die mede gelet op het gevoerde verweer moet worden beantwoord is of het handelen van de verdachte kan worden aangemerkt als - kort gezegd - roekeloos of (zeer) aanmerkelijk onvoorzichtig of onoplettend, waardoor het aan zijn schuld te wijten is dat\n\n [slachtoffer] als gevolg van dat handelen is overleden. Onder roekeloosheid als zwaarste schuldvorm moet worden verstaan een buitengewoon onvoorzichtige gedraging van de verdachte waardoor een zeer ernstig gevaar in het leven is geroepen, terwijl de verdachte zich daarvan bewust was, althans had moeten zijn.\n\nDe verdachte heeft verklaard dat de dood van [slachtoffer] een ongeluk is geweest. Hoewel voor de rechtbank met voldoende zekerheid vaststaat dat de verdachte nooit heeft gewild dat het wapen zou afgaan en het slachtoffer zou komen te overlijden, zijn de fatale gevolgen wel aan zijn schuld te wijten.\n\nDoor zijn handelen heeft de verdachte de voorwaarden geschapen voor het laten afgaan van het vuurwapen. De verdachte heeft bewust meerdere handelingen verricht met een vuurwapen, zoals het met kogels gevulde magazijn erin doen en het vuurwapen door te laden. Het slachtoffer is door een uit het vuurwapen verschoten kogel in de borstkas geraakt, wat maakt dat de verdachte het wapen in de richting van het slachtoffer heeft gehouden. Dit heeft hij gedaan in een relatief kleine keuken waarin zich drie anderen personen bevonden, terwijl hij sterk onder invloed was van alcohol. De verdachte had het wapen nooit eerder in handen gehad, wat maakt dat hij de werking van dit vuurwapen niet kende. De rechtbank is van oordeel dat de verdachte door zo te handelen zich buitengewoon onvoorzichtig heeft gedragen waardoor een zeer ernstig gevaar in het leven is geroepen en de verdachte had zich daarvan bewust moeten zijn. De verdachte had het risico van zijn handelen in behoren te zien en hij had anders moeten en kunnen handelen. Anders dan de verdediging heeft betoogd, is de rechtbank van oordeel dat dit gedrag als de zwaarste vorm van onvoorzichtig en gevaarzoekend gedrag is aan te merken en daarmee als schuld in de zin van roekeloosheid. Feit 1 subsidiair is daarmee bewezen.3. Kwalificatie en strafbaarheid3.1.. \n\nKwalificatie\n\nDe bewezen feiten leveren de volgende strafbare feiten op:\n\n1. subsidiair\n\naan zijn schuld de dood van een ander te wijten zijn, terwijl de schuld bestaat in roekeloosheid;\n\nde eendaadse samenloop van\n\n2.\n\nhandelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie II;\n\nen\n\nhandelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie.\n\n3.2.. \n\nStrafbaarheid van de feiten en van de verdachte\n\nDe feiten en de verdachte zijn strafbaar.4. Straf4.1.. \n\nEis van de officier van justitie\n\nDe verdachte moet voor de feiten worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 10 jaar met aftrek van het voorarrest.4.2.. \n\nStandpunt van de verdediging\n\nDe verdediging heeft verzocht de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte in strafverminderende zin te laten meewegen.4.3.. Oordeel van de rechtbank4.3.1.. \n\nErnst en omstandigheden van de feiten\n\nDe verdachte heeft nadat hij veel sterke drank had gedronken, in een kleine ruimte met een door hem doorgeladen vuurwapen gespeeld in het bijzijn van zijn zwager (het latere slachtoffer), diens 18-jarige zoon (neef van de verdachte) en diens 17-jarige vriend. Als gevolg van dit roekeloze gedrag is het wapen afgegaan en is een kogel in de borst van het slachtoffer terecht gekomen, waardoor het slachtoffer is overleden. Het is daarmee aan de schuld van de verdachte te wijten dat het slachtoffer op deze tragische wijze zijn leven is ontnomen.\n\nOp de zitting hebben de vrouw van het slachtoffer, de ouders en de neef van het slachtoffer verteld hoeveel verdriet en onherstelbaar leed de onverwachte dood van het slachtoffer bij hen, zijn kinderen en andere familie en vrienden heeft veroorzaakt. De nabestaanden voelen de pijn van het verlies van het slachtoffer dagelijks.\n\nDe verdachte heeft daarnaast een vuurwapen met munitie voorhanden gehad. Deze zaak laat zien dat het bezit van een vuurwapen gemakkelijk leidt tot het gebruik ervan. Alleen al daarom moet tegen vuurwapenbezit streng worden opgetreden. De vrouw van het slachtoffer (tevens zus van de verdachte) heeft in haar verklaring op zitting het gevaar van vuurwapens treffend verwoord. Zij heeft opgeroepen uit de buurt te blijven van wapens, geen wapens voor anderen te bewaren en wapens niet vast te pakken uit nieuwsgierigheid, omdat één moment van onoplettendheid of één verkeerde keuze levens voorgoed kan verwoesten.4.3.2.. \n\nPersoon en persoonlijke omstandigheden\n\nStrafblad\n\nUit het strafblad (uittreksel justitiële documentatie) van 26 maart 2026 blijkt dat de verdachte niet eerder onherroepelijk is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten.\n\nRapport van deskundige\n\nIn het rapport van psycholoog drs. T. ’t Hoen van 26 maart 2026 staat het volgende. Bij de verdachte is sprake van een lichte stoornis in het gebruik van alcohol waarvan ook sprake was tijdens de ten laste legde feiten. Het advies is om de feiten volledig toe te rekenen aan de verdachte, omdat bij de verdachte mag worden aangenomen dat hij zich voldoende bewust is van de invloed die alcohol op hem heeft.4.3.3.. \n\nOplegging straf\n\nGelet op de aard en ernst van de strafbare feiten is een onvoorwaardelijke gevangenisstraf noodzakelijk. Het opleggen van een ander soort straf is niet passend. Bij het bepalen van die strafsoort en de duur daarvan houdt de rechtbank rekening met straffen die in soortgelijke zaken zijn opgelegd. De rechtbank zal aan de verdachte een lagere straf opleggen dan geëist, omdat de rechtbank niet uitgaat van doodslag zoals de officier van justitie. De maximale gevangenisstraf voor dood door schuld door roekeloos handelen, is vier jaar. De rechtbank houdt rekening met de impact die deze zaak op de verdachte heeft; hij zal moeten leven met het besef dat het slachtoffer, die zijn zwager was en iemand die de verdachte als een broer beschouwde, door zijn handelen is overleden. Ook weegt de rechtbank mee dat de verdachte spijt heeft en oog voor het verdriet en het leed dat door zijn handelen bij de nabestaanden is veroorzaakt. Alles afwegend wordt een gevangenisstraf van drie jaren opgelegd.\n\nDe gevangenisstraf zal worden tenuitvoergelegd binnen de penitentiaire inrichting, totdat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend.5. Vordering van de benadeelde partijen5.1.. \n\nDe vorderingen\n\nIn dit strafproces hebben zeven nabestaanden, te weten de partner, de vier kinderen, de vader en de moeder van het slachtoffer immateriële schadevergoeding van de verdachte gevorderd voor feit 1. Al deze partijen hebben verzocht om de toegekende bedragen te vermeerderen met de wettelijke rente en om de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De rechtbank heeft de vorderingen samengevat in het hieronder opgenomen overzicht.\n\nBenadeelde partij\n\nImmateriële schade\n\nTotaal\n\n [benadeelde 1]\n\n€ 20.000\u002F€ 17.500 (affectieschade)\n\n€ 20.000\u002F€ 17.500\n\n [benadeelde 2]\n\n€ 20.000\u002F€ 17.500 (affectieschade) +\n\n€ 40.000 (schokschade)\n\n€60.000\u002F€ 57.500\n\n [benadeelde 3]\n\n€ 20.000\u002F€ 17.500 (affectieschade) +\n\n€ 30.000 (aantasting in de persoon ‘op andere wijze’)\n\n€50.000\u002F€ 47.500\n\n [benadeelde 4]\n\n€ 20.000\u002F€ 17.500 (affectieschade)\n\n€ 20.000\u002F€ 17.500\n\n [benadeelde 5]\n\n€ 20.000\u002F€ 17.500 (affectieschade)\n\n€ 20.000\u002F€ 17.500\n\n [benadeelde 6]\n\n€ 17.500 (affectieschade)\n\n€ 17.500\n\n [benadeelde 7]\n\n€ 17.500 (affectieschade) + € 20.000 (schokschade)\n\n€ 37.5005.2.. \n\nStandpunt van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie is van oordeel dat de vorderingen kunnen worden toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Ten aanzien van de hoogte van de bedragen heeft zij zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.5.3.. \n\nStandpunt van de verdediging\n\nDe benadeelde partijen moeten primair niet-ontvankelijk verklaard worden in de vorderingen gelet op de bepleite vrijspraak. Subsidiair voert de verdediging geen verweer tegen de vorderingen.5.4.. Oordeel van de rechtbank5.4.1.. Algemene uitgangspunten\n\nAffectieschade\n\nAffectieschade is de immateriële schade die bestaat uit het verdriet en de pijn die is veroorzaakt doordat een persoon waarmee men een affectieve band heeft, overlijdt. In artikel 6:108 lid 4 BW staat een opsomming van personen die hiervoor in aanmerking komen. Indien een persoon niet onder één van deze categorieën valt, kan een beroep worden gedaan op de zogenoemde hardheidsclausule van artikel 6:108 lid 4 aanhef en onder g BW waarin de mogelijkheid tot het toekennen van affectieschade is geopend voor een andere persoon die ten tijde van de gebeurtenis in een zodanige nauwe persoonlijke relatie tot de overledene staat, dat uit de eisen van redelijkheid en billijkheid voortvloeit dat deze persoon voor de toepassing van artikel 6:108 lid 3 BW als naaste wordt aangemerkt.\n\nSchokschade\n\nIemand die een ander door zijn onrechtmatige daad doodt of verwondt kan - afhankelijk van de omstandigheden waaronder die onrechtmatige daad en de confrontatie met die daad of de gevolgen daarvan plaatsvinden - ook onrechtmatig handelen jegens degene bij wie die confrontatie een hevige emotionele schok teweegbrengt. Dit wordt schokschade genoemd.\n\nGezichtspunten die hierbij een rol spelen zijn:\n\nde aard, toedracht en gevolgen van de jegens het primaire slachtoffer gepleegde onrechtmatige daad;\n\nde wijze waarop het secundaire slachtoffer wordt geconfronteerd met de jegens het primaire slachtoffer gepleegde onrechtmatige daad en de gevolgen daarvan;\n\nde aard en hechtheid van de relatie tussen het primaire en secundaire slachtoffer.\n\nAan de hand van (onder meer) deze gezichtspunten dient de rechtbank van geval tot geval te beoordelen of sprake is van onrechtmatigheid en daarmee of de nabestaanden in aanmerking komen voor vergoeding van schokschade. Het recht op vergoeding van schokschade is beperkt tot de schade die volgt uit geestelijk letsel.\n\nAantasting in de persoon ‘op andere wijze’\n\nVan aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ is in ieder geval sprake als bij de benadeelde partij geestelijk letsel is vastgesteld, dan wel indien de aard en de ernst van de normschending meebrengen dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat van een dergelijke aantasting zonder meer kan worden uitgegaan. Buiten die (uitzonderlijke) situaties zal de benadeelde partij de aantasting in persoon met concrete gegevens moeten onderbouwen.5.4.2.. \n\nBeoordeling van de vorderingen\n\nHieronder zal de rechtbank de vorderingen achtereenvolgens bespreken.\n\n [benadeelde 1]\n\nDe benadeelde partij is de levensgezel van de overledene. Vast is komen te staan dat zij met de overledene ruim twintig jaar een affectieve relatie had en dat zij samen duurzaam een gemeenschappelijke huishouding voerden. Zij hadden op papier beiden een eigen woning, maar leefden met elkaar en hun kinderen als gezin samen. De gevorderde affectieschade zal conform artikel 6:108 BW, gelezen in samenhang met artikel 1 van het Besluit vergoeding affectieschade, worden toegewezen tot een bedrag van € 20.000,-.\n\n [benadeelde 2]\n\nAffectieschade\n\nDe benadeelde partij is de (meerderjarige) thuiswonende zoon van de overledene. De gevorderde affectieschade zal conform artikel 6:108 BW, gelezen in samenhang met artikel 1 van het Besluit vergoeding affectieschade, worden toegewezen tot een bedrag van\n\n€ 20.000,-.\n\nSchokschade\n\nVast is komen te staan dat er tussen de benadeelde (zoon van het slachtoffer) en het slachtoffer een nauwe relatie bestond. De benadeelde was bij het slachtoffer toen hij door de kogel in zijn borst werd geraakt. De benadeelde heeft geprobeerd het slachtoffer te reanimeren, maar het slachtoffer is in zijn bijzijn overleden. Het recht op vergoeding van schokschade is beperkt tot de schade die het gevolg is van geestelijk letsel dat in voldoende mate is geobjectiveerd. Onvoldoende is onderbouwd dat van dergelijk letsel sprake is. De benadeelde partij zal voor dit gedeelte niet-ontvankelijk worden verklaard.\n\n [benadeelde 3]\n\nAffectieschade\n\nDe benadeelde partij is de minderjarige dochter van de overledene. De gevorderde affectieschade zal conform artikel 6:108 BW, gelezen in samenhang met artikel 1 van het Besluit vergoeding affectieschade, worden toegewezen tot een bedrag van € 20.000,-.\n\nAantasting in de persoon ‘op andere wijze’\n\nDe benadeelde partij heeft een vergoeding gevorderd voor schade door aantasting in de persoon op andere wijze, bestaande uit het verlies van een vaderfiguur, wat een ernstige inbreuk op haar zelfvertrouwen en ontwikkeling oplevert.\n\nIn het vonnis van 21 maart 2024heeft de rechtbank Rotterdam met verwijzing naar de totstandkoming van de wettelijke systematiek van derdenschade, overwogen dat de afzonderlijke kwalificatie van aantasting in de persoon op andere wijze wegens het verlies van een ouder als grond voor toekenning van vergoeding van immateriële schade niet voor toewijzing in aanmerking komt. Om als derde boven op de regeling van de affectieschade aanspraak te kunnen maken op een hogere vergoeding van immateriële schade, dient sprake te zijn van een zelfstandige grondslag voor aansprakelijkheid. Dat daarvan sprake is, kan zonder nadere concrete onderbouwing, die ontbreekt, niet worden aangenomen. De benadeelde partij zal voor dit gedeelte niet-ontvankelijk worden verklaard.\n\n [benadeelde 4] en [benadeelde 5]\n\nDe benadeelde partijen zijn de kinderen van de levensgezel van de overledene. Zij hebben een andere biologische vader dan de overledene. Vast is komen te staan dat het slachtoffer duurzaam in gezinsverband voor de benadeelde partijen heeft gezorgd vanaf dat zij één jaar oud waren. De gevorderde affectieschade zal conform artikel 6:108 BW, gelezen in samenhang met artikel 1 van het Besluit vergoeding affectieschade, worden toegewezen voor een bedrag van € 20.000,-.\n\n [benadeelde 6]\n\nDe benadeelde partij is de vader van de overledene. De gevorderde affectieschade zal conform artikel 6:108 BW, gelezen in samenhang met artikel 1 van het Besluit vergoeding\n\naffectieschade, worden toegewezen tot een bedrag van € 17.500,-, nu het slachtoffer niet bij\n\nhem inwoonde.\n\n [benadeelde 7]\n\nAffectieschade\n\nDe benadeelde partij is de moeder van de overledene. De gevorderde affectieschade zal conform artikel 6:108 BW, gelezen in samenhang met artikel 1 van het Besluit vergoeding\n\naffectieschade, worden toegewezen tot een bedrag van € 17.500,-, nu het slachtoffer niet bij\n\nhaar inwoonde.\n\nSchokschade\n\nVast is komen te staan dat er tussen de benadeelde partij, de moeder van het slachtoffer, en het slachtoffer een nauwe relatie bestond. Zij stelt dat zij bij de uitvaartverzorger is geconfronteerd met de verwondingen aan het lichaam van haar zoon en de gevolgen van het pathologisch onderzoek. Ook stelt zij dat zij vlak nadat zij had vernomen dat haar zoon was overleden via de media informatie vernam over wat zou zijn voorgevallen. De rechtbank begrijpt dat het op deze wijze verliezen van een kind onbegrijpelijk is en kan leiden tot geestelijk letsel. De rechtbank moet echter vaststellen dat de vordering op dit punt onvoldoende is onderbouwd, anders dan de voorlopige diagnose door een psycholoog dat sprake is van een rouwstoornis, depressieve klachten en trauma-gerelateerde klachten. Niet kan worden vastgesteld dat sprake is van een in de psychiatrie erkend ziektebeeld, voortvloeiend uit een hevige emotionele schok door de directe confrontatie met de ernstige gevolgen van het strafbare feit. De rechtbank is van oordeel dat de behandeling van dit onderdeel nadere bewijslevering vraagt en daarmee een onevenredige belasting van het strafgeding zou opleveren. De benadeelde partij zal voor dit gedeelte niet-ontvankelijk worden verklaard.\n\n5.4.3.. \n\nConclusie\n\nDe verdachte moet de benadeelde partijen een schadevergoeding betalen zoals hieronder vermeld. De schadevergoedingen zullen vermeerderd worden met de wettelijke rente vanaf 1 november 2025. Daarnaast wordt oplegging van de maatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht passend en geboden geacht. De gijzeling wordt, rekening houdend met artikel 36f, vijfde lid van het Wetboek van Strafrecht, bepaald op 364 dagen. Het aantal dagen gijzeling per vordering zal naar evenredigheid worden vastgesteld.\n\nBenadeelde partij\n\nToegewezen immateriële schade\n\nTotaal\n\n [benadeelde 1]\n\n€ 20.000\n\n€ 20.000\n\n [benadeelde 2]\n\n€ 20.000\n\n€ 20.000\n\n [benadeelde 3]\n\n€ 20.000\n\n€ 20.000\n\n [benadeelde 4]\n\n€ 20.000\n\n€ 20.000\n\n [benadeelde 5]\n\n€ 20.000\n\n€ 20.000\n\n [benadeelde 6]\n\n€ 17.500\n\n€ 17.500\n\n [benadeelde 7]\n\n€ 17.500\n\n€ 17.500\n\n€ 135.0006. Wettelijke voorschriften\n\nDe oplegging van deze straf is gebaseerd op de artikelen 36f, 55, 57 en 307 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie.7. Beslissingen\n\nDe rechtbank:\n\nVrijspraak\n\nverklaart niet bewezen dat de verdachte het feit 1 primair heeft gepleegd en spreekt de verdachte daarvan vrij;\n\nBewezenverklaring\n\nverklaart bewezen dat de verdachte de feiten 1 subsidiair en 2, zoals in hoofdstuk 2 is omschreven, heeft gepleegd;\n\nKwalificatie en strafbaarheid\n\nstelt vast dat het bewezenverklaarde oplevert de in hoofdstuk 3 vermelde strafbare feiten;\n\nverklaart de verdachte strafbaar;\n\nStraf\n\nveroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf van 3 jaren;\n\nbeveelt dat de tijd die door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, in mindering wordt gebracht op de gevangenisstraf, voor zover deze tijd niet al op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;\n\nVorderingen benadeelde partijen\n\n [benadeelde 1]\n\nveroordeelt de verdachte aan de benadeelde partij [benadeelde 1] (feit 1), te betalen een bedrag van € 20.000,-, als vergoeding van immateriële schade, en de wettelijke rente hierover vanaf 1 november 2025 tot de dag van volledige betaling;\n\nveroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte proceskosten, tot op vandaag begroot op € 0 en in de nog te maken kosten voor de tenuitvoerlegging van dit vonnis;\n\nlegt aan de verdachte voor feit 1 de maatregel tot schadevergoedingop, wat inhoudt dat de verdachte de verplichting heeft om ten behoeve van de benadeelde partij [benadeelde 1] aan de staat€ 20.000,-te betalen, en de wettelijke rente vanaf 1 november 2025 tot aan de dag van de gehele betaling. Bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt,gijzelingkan worden toegepast voor de duur van maximaal54 dagen. De toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op;\n\n [benadeelde 2]\n\nveroordeelt de verdachte aan de benadeelde partij [benadeelde 2] (feit 1), te betalen een bedrag van € 20.000,-, als vergoeding van immateriële schade, en de wettelijke rente hierover vanaf 1 november 2025 tot de dag van volledige betaling;\n\nverklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in het resterende deel van de vordering (feit 1); bepaalt dat dit deel van de vordering kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;\n\nveroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte proceskosten, tot op vandaag begroot op € 0 en in de nog te maken kosten voor de tenuitvoerlegging van dit vonnis;\n\nlegt aan de verdachte voor feit 1 de maatregel tot schadevergoedingop, wat inhoudt dat de verdachte de verplichting heeft om ten behoeve van de benadeelde partij [benadeelde 2] aan de staat€ 20.000,-te betalen, en de wettelijke rente vanaf 1 november 2025 tot aan de dag van de gehele betaling. Bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt,gijzelingkan worden toegepast voor de duur van maximaal54 dagen. De toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op;\n\n [benadeelde 3]\n\nveroordeelt de verdachte aan de benadeelde partij [benadeelde 3] (feit 1), te betalen een bedrag van € 20.000,-, als vergoeding van immateriële schade, en de wettelijke rente hierover vanaf 1 november 2025 tot de dag van volledige betaling;\n\nverklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in het resterende deel van de vordering (feit 1); bepaalt dat dit deel van de vordering kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;\n\nveroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte proceskosten, tot op vandaag begroot op € 0 en in de nog te maken kosten voor de tenuitvoerlegging van dit vonnis;\n\nlegt aan de verdachte voor feit 1 de maatregel tot schadevergoedingop, wat inhoudt dat de verdachte de verplichting heeft om ten behoeve van de benadeelde partij [benadeelde 3] aan de staat€ 20.000,-te betalen, en de wettelijke rente vanaf 1 november 2025 tot aan de dag van de gehele betaling. Bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt,gijzelingkan worden toegepast voor de duur van maximaal54 dagen. De toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op;\n\n [benadeelde 4]\n\nveroordeelt de verdachte aan de benadeelde partij [benadeelde 4] (feit 1), te betalen een bedrag van € 20.000,-, als vergoeding van immateriële schade, en de wettelijke rente hierover vanaf 1 november 2025 tot de dag van volledige betaling;\n\nveroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte proceskosten, tot op vandaag begroot op € 0 en in de nog te maken kosten voor de tenuitvoerlegging van dit vonnis;\n\nlegt aan de verdachte voor feit 1 de maatregel tot schadevergoedingop, wat inhoudt dat de verdachte de verplichting heeft om ten behoeve van de benadeelde partij [benadeelde 4] aan de staat€ 20.000,-te betalen, en de wettelijke rente vanaf 1 november 2025 tot aan de dag van de gehele betaling. Bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt,gijzelingkan worden toegepast voor de duur van maximaal54 dagen. De toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op;\n\n [benadeelde 5]\n\nveroordeelt de verdachte aan de benadeelde partij [benadeelde 5] (feit 1), te betalen een bedrag van € 20.000,-, als vergoeding van immateriële schade, en de wettelijke rente hierover vanaf 1 november 2025 tot de dag van volledige betaling;\n\nveroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte proceskosten, tot op vandaag begroot op € 0 en in de nog te maken kosten voor de tenuitvoerlegging van dit vonnis;\n\nlegt aan de verdachte voor feit 1 de maatregel tot schadevergoedingop, wat inhoudt dat de verdachte de verplichting heeft om ten behoeve van de benadeelde partij [benadeelde 5] aan de staat€ 20.000,-te betalen, en de wettelijke rente vanaf 1 november 2025 tot aan de dag van de gehele betaling. Bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt,gijzelingkan worden toegepast voor de duur van maximaal54 dagen. De toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op;\n\n [benadeelde 6]\n\nveroordeelt de verdachte aan de benadeelde partij [benadeelde 6] (feit 1), te betalen een bedrag van € 17.500,-, als vergoeding van immateriële schade, en de wettelijke rente hierover vanaf 1 november 2025 tot de dag van volledige betaling;\n\nveroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte proceskosten, tot op vandaag begroot op € 0 en in de nog te maken kosten voor de tenuitvoerlegging van dit vonnis;\n\nlegt aan de verdachte voor feit 1 de maatregel tot schadevergoedingop, wat inhoudt dat de verdachte de verplichting heeft om ten behoeve van de benadeelde partij [benadeelde 6] aan de staat€ 17.500,-te betalen, en de wettelijke rente vanaf 1 november 2025 tot aan de dag van de gehele betaling. Bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt,gijzelingkan worden toegepast voor de duur van maximaal47 dagen. De toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op;\n\n [benadeelde 7]\n\nveroordeelt de verdachte aan de benadeelde partij [benadeelde 7] (feit 1), te betalen een bedrag van € 17.500,-, als vergoeding van immateriële schade, en de wettelijke rente hierover vanaf 1 november 2025 tot de dag van volledige betaling;\n\nverklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in het resterende deel van de vordering (feit 1); bepaalt dat dit deel van de vordering kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;\n\nveroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte proceskosten, tot op vandaag begroot op € 0 en in de nog te maken kosten voor de tenuitvoerlegging van dit vonnis;\n\nlegt aan de verdachte voor feit 1 de maatregel tot schadevergoedingop, wat inhoudt dat de verdachte de verplichting heeft om ten behoeve van de benadeelde partij [benadeelde 7] aan de staat€ 17.500,-te betalen, en de wettelijke rente vanaf 1 november 2025 tot aan de dag van de gehele betaling. Bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt,gijzelingkan worden toegepast voor de duur van maximaal47 dagen. De toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.8. Samenstelling rechtbank en ondertekening\n\nDit vonnis is gewezen door:\n\nmr. C. Sikkel, voorzitter,\n\nen mrs. W.J. de Veld en M.C. Spoormaker, rechters,\n\nin tegenwoordigheid van mr. J. Knook, griffier,\n\nen uitgesproken op de openbare zitting van deze rechtbank op 7 juli 2026.\n\nMr. Spoormaker is niet in de gelegenheid dit vonnis te ondertekenen.\n\n Verklaard tijdens de zitting van 23 juni 2026.\n\n Rapport van het Nederlands Forensisch Instituut, pagina 209 e.v. van onderzoek [naam onderzoek] .\n\n Pagina 98 e.v. van het proces-verbaalnummer [nummer proces-verbaal 1] van onderzoek [naam onderzoek] .\n\n Verklaard tijdens de zitting van 23 juni 2026.\n\n pagina 53 e.v. van het proces-verbaalnummer [nummer proces-verbaal 2] van onderzoek [naam onderzoek] .\n\n Pagina 15 e.v. van het proces-verbaalnummer [nummer proces-verbaal 3] van onderzoek [naam onderzoek] .\n\n Rapport van het Nederlands Forensisch Instituut, pagina 46 e.v. van onderzoek [naam onderzoek] .\n\n HR 15 oktober 2024, ECLI:NL:HR:2024:1405.\n\nECLI:NL:RBROT:2024:2282.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2026:8030","ecli-nl-rbrot-2026-8030",{"courtName":6,"legalDomain":40,"decisionType":22,"procedureType":23},"Strafrecht",{"id":42,"ecli":43,"caseNumber":14,"courtId":5,"courtName":14,"decisionDate":27,"fullText":44,"language":7,"source":17,"sourceUrl":45,"summary":14,"slug":46,"metadata":47},"1188","ECLI:NL:RBROT:2026:7973","Rechtbank RotterdamZittingsplaats Dordrecht\n\nMeervoudige kamer strafzaken\n\nParketnummer: 10-051220-26\n\nDatum uitspraak: 7 juli 2026\n\nDatum zitting: 23 juni 2026\n\nTegenspraak\n\nVerdachte:\n\n [verdachte],\n\ngeboren op [geboortedatum] 1948 in [geboorteplaats]\n\ningeschreven op het adres [adres], [postcode] [plaatsnaam],\n\ngedetineerd in [naam P.I.].\n\nAdvocaat van de verdachte: mr. R.G. van der Laan\n\nOfficier van justitie: mr. P.J. Wijnands\n\nBenadeelde partij: [benadeelde partij]\n\nAdvocaat van de benadeelde partij: mr. J.J. van Horen\n\nKern van het vonnis\n\nDe verdachte heeft over een periode van ruim anderhalf jaar kinderporno verspreid, aangeboden, verworven en in zijn bezit gehad. De rechtbank legt een gevangenisstraf op voor de duur van 12 maanden, waarvan 4 maanden voorwaardelijk met daaraan gekoppeld een proeftijd van drie jaar en als bijzondere voorwaarden een meldplicht, ambulante behandeling en vermijding van digitale omgevingen die betrekking hebben op seksueel kindermisbruik. De bijzondere voorwaarden zijn dadelijk uitvoerbaar.1. Tenlastelegging\n\nDe officier van justitie beschuldigt de verdachte ervan dat hij – samengevat – in de periode van 20 januari 2023 tot en met 23 oktober 2025 kinderporno in zijn bezit heeft gehad en heeft verspreid. Daarnaast beschuldigt zij de verdachte ervan ontuchtige handelingen te hebben gepleegd met een (meerderjarig) persoon in de periode van 1 januari 2005 tot en met 31 december 2016.\n\nDe volledige tenlastelegging (hierna beschuldiging) houdt in dat:\n\n1\n\nhij in of omstreeks de periode van 20 januari 2023 tot en met 23 oktober 2025 te\n\n [plaatsnaam], in elk geval in Nederland,\n\nmeermalen, althans eenmaal,\n\neen of meer afbeeldingen en\u002Fof - gegevensdragers, te weten USB-sticks en\u002Fof\n\nmobiele telefoons en\u002Fof een harde schijf en\u002Fof een laptop, bevattende afbeeldingen\n\nvan een seksuele gedraging, waarbij iemand die kennelijk de leeftijd van achttien\n\njaar nog niet had bereikt was betrokken en\u002Fof schijnbaar was betrokken\n\nheeft\n\nverspreid en\u002Fof\n\naangeboden en\u002Fof\n\nverworven en\u002Fof\n\nin bezit heeft gehad en\u002Fof\n\nzich door middel van een geautomatiseerd werk of met gebruikmaking van een\n\ncommunicatiedienst de toegang daartoe heeft verschaft,\n\nen\u002Fof\n\neen of meer visuele weergaven van seksuele aard en\u002Fof met onmiskenbaar seksuele\n\nstrekking\n\nwaarbij een persoon die kennelijk de leeftijd van achttien jaren nog niet had bereikt,\n\nwas betrokken of schijnbaar was betrokken\n\nheeft\n\nverspreid en\u002Fof\n\naangeboden en\u002Fof\n\nverworven en\u002Fof\n\nin bezit heeft gehad en\u002Fof\n\nzich daartoe de toegang heeft verschaft,\n\nte weten afbeeldingen en\u002Fof gegevensdragers, te weten USB-sticks en\u002Fof mobiele\n\ntelefoons en\u002Fof een harde schijf en\u002Fof een laptop,\n\nbevattende afbeeldingen,\n\nwaarop te zien is dat:\n\ndie persoon oraal, vaginaal en\u002Fof anaal wordt gepenetreerd met een penis\n\nen\u002Fof\n\neen ander persoon oraal en\u002Fof anaal wordt gepenetreerd met een penis en\u002Fof\n\nvoorwerp door die persoon\n\nen\u002Fof\n\nhet eigen lichaam vaginaal en\u002Fof anaal wordt gepenetreerd met een vinger\u002Fhand\n\nen\u002Fof voorwerp door die persoon\n\n(afbeeldingsnummers 1 tot en met 14)\n\nen\u002Fof\n\nde geslachtsdelen van die persoon met een penis en\u002Fof vinger\u002Fhand worden\n\naangeraakt\n\nen\u002Fof\n\nde geslachtsdelen van een ander kind\u002Fpersoon met een vinger\u002Fhand en\u002Fof\n\nmond\u002Ftong worden aangeraakt door die persoon\n\nen\u002Fof\n\ndie persoon de eigen geslachtsdelen met een vinger\u002Fhand aanraakt\n\n(afbeeldingsnummers 15 tot en met 20)\n\nen\u002Fof\n\ndie persoon poserend of in een pose is afgebeeld, waarbij\n\n- die persoon geheel of gedeeltelijk naakt is en\u002Fof\n\n- die persoon zich in opeenvolgende afbeeldingen\u002Ffilmfragmenten van zijn\u002Fhaar\n\nkleding ontdoet en\u002Fof\n\n- door het camerastandpunt en\u002Fof de (onnatuurlijke) pose en\u002Fof de wijze\n\nvan kleden van die persoon en\u002Fof de uitsnede van de foto’s\u002Ffilms\n\nnadrukkelijk het geslachtsdeel, de borsten en\u002Fof billen van die persoon in beeld\n\nworden gebracht\n\n(afbeeldingsnummers 19, 22 tot en met 25)\n\nen\u002Fof\n\n- dat bij\u002Fop het gezicht en\u002Fof het lichaam van die persoon wordt gemasturbeerd\n\nen\u002Fof\n\n- bij\u002Fop het gezicht en\u002Fof het lichaam van die persoon sperma wordt gespoten en\u002Fof\n\nzichtbaar wordt gemaakt\n\n(afbeeldingsnummer 21)\n\nterwijl van het begaan van dit feit een beroep of gewoonte werd gemaakt;\n\n2\n\nhij in of omstreeks 1 januari 2005 tot en met 31 december 2016 te Zwijndrecht en\u002Fof\n\n [plaatsnaam], in elk geval in Nederland,\n\nmeermalen, althans eenmaal,\n\ndoor geweld of andere feitelijkheden en\u002Fof bedreiging met geweld of andere\n\nfeitelijkheden [slachtoffer] heeft gedwongen tot het plegen en\u002Fof dulden van een of\n\nmeer ontuchtige handelingen,\n\nbestaande uit het (onverhoeds) betasten van de penis van die [slachtoffer] en\u002Fof het\n\naanraken van de lippen en\u002Fof het gezicht van die [slachtoffer]\n\nen bestaande dat geweld of die andere feitelijkheden en\u002Fof die bedreiging met\n\ngeweld of die andere feitelijkheden uit\n\n- het onverhoeds uitvoeren van die ontuchtige handelingen en\u002Fof\n\n- het voorbijgaan aan zijn (verbale en\u002Fof non-verbale) protesten en\u002Fof\n\n- het feit dat hij, verdachte, wetenschap had van de psychische problematiek van\n\ndie [slachtoffer] en\u002Fof de kwetsbaarheid van die [slachtoffer] en\u002Fof\n\n- het benadrukken dat de relatie tussen hem, verdachte, en die [slachtoffer] geheim moest\n\nblijven en\u002Fof\n\n- het (regelmatig) geven van cadeau’s, althans een of meer goederen, en\u002Fof geld aan\n\ndie [slachtoffer] en\u002Fof\n\n- het misbruik maken van het uit feitelijke verhoudingen en\u002Fof uit omstandigheden\n\nvoortvloeiend overwicht, te weten het (voormalig) burgemeesterschap van\n\nverdachte en\u002Fof\n\n- het (aanzienlijke) leeftijdsverschil tussen hem, verdachte, en die [slachtoffer].2. Bewijs \u002F Vrijspraak2.1.. \n\nVordering van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte moet worden veroordeeld voor de ten laste gelegde feiten. Het standpunt van de officier van justitie zal, voor zover van belang, bij de beoordeling van het bewijs worden besproken.2.2.. \n\nConclusie van de verdediging\n\nDe verdediging heeft integrale vrijspraak bepleit voor feit 2. De verdediging heeft zich ten aanzien van feit 1 gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. Het standpunt van de verdediging zal, voor zover van belang, bij de beoordeling van het bewijs worden besproken.2.3.. Oordeel van de rechtbank2.3.1.. \n\nBewezenverklaring en bewijsmiddelen\n\nBewezen is dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het onder feit 1 ten laste gelegde. De volledige bewezenverklaring is vermeld in paragraaf 2.3.2.\n\nDe bewezenverklaring van feit 1 is gebaseerd op de inhoud van de bewijsmiddelen. De verdachte heeft feit 1 bekend en er is geen vrijspraak bepleit. Daarom worden voor dit feit de bewijsmiddelen hieronder wel genoemd maar niet uitgeschreven.\n\n1. Verklaring van de verdachte\n\n2. Proces-verbaal van de politie, beschrijving kinderpornografisch materiaal aanwezig op inbeslaggenomen gegevensdragers\n\n3. Proces-verbaal van de politie, duiden pleegperiode2.3.2.. \n\nVolledige bewezenverklaring\n\nBewezen is dat:\n\nFeit 1\n\nhij in de periode van 20 januari 2023 tot en met 23 oktober 2025 te [plaatsnaam],\n\nmeermalen,\n\n(in de periode van 20 januari 2023 tot en met 30 juni 2024, artikel 240b Wetboek van\n\nStrafrecht)\n\nmeer afbeeldingen en een gegevensdrager, te weten een mobiele telefoon, bevattende afbeeldingen van een seksuele gedraging, waarbij iemand die kennelijk de leeftijd van achttien jaar nog niet had bereikt was betrokken of schijnbaar was betrokken\n\nheeft verspreid en\u002Fof aangeboden en\u002Fof in bezit heeft gehad en\u002Fof zich door middel van een geautomatiseerd werk of met gebruikmaking van een communicatiedienst de toegang daartoe heeft verschaft,\n\nen\n\n(in de periode van 1 juli 2024 tot en met 23 oktober 2025 artikel 252 Wetboek van\n\nStrafrecht)\n\nmeer visuele weergaven van seksuele aard en met onmiskenbaar seksuele strekking waarbij een persoon die kennelijk de leeftijd van achttien jaren nog niet had bereikt, was betrokken of schijnbaar was betrokken heeft verspreid en\u002Fof aangeboden en\u002Fof verworven en in bezit heeft gehad en zich daartoe de toegang heeft verschaft, te weten afbeeldingen en gegevensdragers, te weten USB-sticks en mobiele telefoons en een harde schijf en een laptop, bevattende afbeeldingen, waarop te zien is dat:\n\ndie persoon oraal, vaginaal en anaal wordt gepenetreerd met een penis\n\nen\n\neen ander persoon oraal en anaal wordt gepenetreerd met een penis en voorwerp door die persoon\n\nen\n\nhet eigen lichaam vaginaal en anaal wordt gepenetreerd met een vinger\u002Fhand en voorwerp door die persoon\n\n(afbeeldingsnummers 1 tot en met 14)\n\nen\n\nde geslachtsdelen van die persoon met een penis en vinger\u002Fhand worden aangeraakt\n\nen\n\nde geslachtsdelen van een ander kind\u002Fpersoon met een vinger\u002Fhand en mond\u002Ftong worden aangeraakt door die persoon\n\nen\n\ndie persoon de eigen geslachtsdelen met een vinger\u002Fhand aanraakt\n\n(afbeeldingsnummers 15 tot en met 20)\n\nen\n\ndie persoon poserend of in een pose is afgebeeld, waarbij\n\n- die persoon geheel of gedeeltelijk naakt is en\n\n- die persoon zich in opeenvolgende afbeeldingen\u002Ffilmfragmenten van zijn\u002Fhaar\n\nkleding ontdoet en\n\n- door het camerastandpunt en de (onnatuurlijke) pose en de wijze van kleden van die persoon en de uitsnede van de foto’s\u002Ffilms nadrukkelijk het geslachtsdeel, de borsten en billen van die persoon in beeld worden gebracht\n\n(afbeeldingsnummers 19, 22 tot en met 25)\n\nen\n\n- dat bij het gezicht en het lichaam van die persoon wordt gemasturbeerd\n\nen\n\n- op het gezicht en het lichaam van die persoon sperma wordt gespoten en zichtbaar wordt gemaakt\n\n(afbeeldingsnummer 21)\n\nterwijl van het begaan van dit feit een gewoonte werd gemaakt;\n\n2.3.3.. \n\nVrijspraak\n\nHet onder 2 ten laste gelegde is niet bewezen. De verdachte wordt daarvan dus vrijgesproken.\n\nVooraf\n\nZedenstrafzaken worden vaak gekenmerkt door het feit dat er slechts twee personen aanwezig zijn geweest bij de (veronderstelde) handelingen: het veronderstelde slachtoffer en de veronderstelde dader. Ook hier is er geen getuige die de ten laste gelegde ontuchtige handelingen heeft waargenomen. In dit geval wordt de waarheidsvinding verder bemoeilijkt door het gegeven dat de vermeende gebeurtenissen zouden hebben plaatsgevonden over een tijdspanne van ruim tien jaar, waarbij het laatste incident tien jaar geleden zou hebben plaatsgevonden.\n\nBewijsminimum\n\nOp grond van artikel 342, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering kan het bewijs dat de verdachte een ten laste gelegd feit heeft begaan, door de rechter niet uitsluitend worden aangenomen op basis van de verklaring van één getuige, oftewel in dit geval enkel op grond van de verklaring van aangever. Van belang is dat deze bepaling betrekking heeft op de bewezenverklaring als geheel. Niet vereist is dat elk aspect van de bewezenverklaring door meer dan één bewijsmiddel wordt ondersteund.\n\nNiet is vereist dat het zedendelict als zodanig bevestiging vindt in ander bewijsmateriaal. Het is voor het bewijs afdoende wanneer de verklaring van het slachtoffer op onderdelen voldoende steun vindt in andere bewijsmiddelen, afkomstig van een andere bron dan degene die de belastende verklaring heeft afgelegd.\n\nVerklaringen van aangever\n\nAangever heeft verklaard dat hij de verdachte ergens tussen 2004 en 2006 heeft leren kennen toen hij ongeveer vierentwintig of vijfentwintig was. Aangever was in die periode kwetsbaar. Hij werd namelijk in 2006 en 2007 opgenomen in een kliniek, waarna hij afgekeurd is voor werk. De ten laste gelegde gebeurtenissen zouden volgens aangever vanaf 2005 zijn gestart. De verdachte zou aangever op meerdere momenten hebben aangeraakt op een manier die aangever niet fijn vond. Zo zou de verdachte aangever heel vaak hebben aangeraakt aan zijn gezicht, waaronder bij zijn mond, lippen en wang. Ook zou de verdachte aangever één keer aan zijn geslachtsdeel hebben geraakt. Aangever zou de verdachte steeds hebben afgeweerd en hebben aangegeven dat hij de aanrakingen niet fijn vond, maar de verdachte zou telkens geen gehoor hebben gegeven aan de bezwaren van aangever.\n\nDe verdachte heeft vanaf zijn eerste politieverhoor stellig ontkend dat hij het geslachtsdeel van aangever heeft aangeraakt. De verdachte heeft verklaard dat, als hij het gezicht en de lippen van aangever heeft aangeraakt, deze aanrakingen niet in een seksuele context hebben plaatsgevonden. De verdachte heeft verklaard dat hij een soort begeleider en vaderfiguur was voor aangever en dat de aanrakingen binnen die context moeten worden bezien.\n\nNu de verklaringen van aangever en de verdachte haaks op elkaar staan voor wat betreft het plaatsvinden van aanrakingen, dan wel de ontuchtige context waarin dat zou zijn gebeurd, is voor een eventuele bewezenverklaring van belang dat de verklaring van aangever steun vindt in ander objectief bewijsmateriaal.\n\nVerklaringen van de ouders van aangever\n\nDe moeder van aangever heeft bij de politie verklaard dat de aangever zich soms heel boos uitliet over de verdachte. Ze noemt daarbij als voorbeeld dat aangever eens een boek en een beeldje die hij van de verdachte had gekregen in de tuin had gesmeten en daarbij had gezegd dat hij de verdachte wel wilde killen. Zij heeft aan aangever gevraagd wat er is gebeurd met de verdachte. Aangever zou toen hebben geantwoord. “Ja, vieze handen”. Ze stelde vervolgens de vraag of de verdachte hem had aangerand. Aangever heeft toen als antwoord gegeven dat zijn hoofd ermee vol zat.\n\nOok de vader van aangever heeft bij de politie een verklaring afgelegd. Hij verklaarde dat aangever wel heeft gedeeld dat er iets zou zijn gebeurd, maar aangever zou toen niet hebben gezegd wat precies.\n\nUit de verklaringen van de ouders van aangever wordt duidelijk dat aangever (een lange tijd) met vele tegenslagen en moeilijkheden heeft geworsteld in zijn leven. Over de tenlastegelegde gebeurtenissen bieden de verklaringen van de ouders echter onvoldoende duidelijkheid. Wat er precies met aangever heeft plaatsgevonden, is voor zijn ouders nooit duidelijk geworden. De verklaringen van de ouders bevatten daardoor te weinig concrete details of eigen waarnemingen, die vervolgens steun kunnen bieden aan de verklaringen van aangever.\n\nNu het dossier verder geen ander bewijsmateriaal bevat dat steun biedt aan de verklaring van aangever, komt de rechtbank tot de conclusie dat de onder feit 2 tenlastegelegde aanranding niet kan worden bewezen, omdat er met het aanwezige bewijsmateriaal niet wordt voldaan aan het wettelijk bewijsminimum. Ten aanzien van handelingen die op zichzelf door de verdachte worden erkend (het aanraken van het hoofd van aangever) kan de rechtbank niet zonder twijfel vaststellen dat die een ontuchtig karakter hebben gehad.\n\nDe rechtbank spreekt de verdachte daarom vrij van dit feit.3. Kwalificatie en strafbaarheid\n\nKwalificatie\n\nHet bewezen feit levert het volgende strafbare feit op:\n\nFeit 1\n\nin de periode van 20 januari 2023 tot en met 30 juni 2024:\n\neen afbeelding en gegevensdrager bevattende een afbeelding van een seksuele gedraging, waarbij iemand die kennelijk de leeftijd van achttien jaar nog niet heeft bereikt, is betrokken of schijnbaar is betrokken, verspreiden, aanbieden, verwerven en in bezit hebben, meermalen gepleegd, terwijl van het plegen van dit misdrijf een gewoonte wordt gemaakt;\n\nin de periode van 1 juli 2024 tot en met 23 oktober 2025:\n\neen visuele weergave van seksuele aard of met een onmiskenbaar seksuele strekking, waarbij een persoon die kennelijk de leeftijd van achttien jaren nog niet heeft bereikt, is betrokken, verspreiden, aanbieden, verwerven en in bezit hebben, meermalen gepleegd, terwijl van het begaan van het feit een gewoonte wordt gemaakt.\n\n3.1.. \n\nStrafbaarheid van het feit en van de verdachte\n\nHet feit en de verdachte zijn strafbaar.4. Straf4.1.. \n\nEis van de officier van justitie\n\nDe verdachte moet (voor beide feiten) worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twaalf maanden, waarvan vier maanden voorwaardelijk met daaraan verbonden een proeftijd van drie jaar en de bijzondere voorwaarden die door de reclassering worden geadviseerd, waaronder een contactverbod met minderjarigen. De bijzondere voorwaarden moeten dadelijk uitvoerbaar worden verklaard en de reclassering moet toezicht houden op de naleving van deze voorwaarden.4.2.. \n\nStandpunt van de verdediging\n\nDe verdediging stelt zich op het standpunt dat, gezien de aard en de ernst van de feiten, de leeftijd van de verdachte, de impact van de publiciteit van de zaak op de verdachte, en de justitiële documentatie van de verdachte, de tijd die de verdachte in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht reeds volstaat. De verdediging verzoekt de rechtbank om, indien zij daar aanleiding toe ziet, de voorlopige hechtenis zo spoedig mogelijk op te heffen.4.3.. Oordeel van de rechtbank4.3.1.. \n\nErnst en omstandigheden van de feiten\n\nDe verdachte heeft een gewoonte gemaakt van het verspreiden, aanbieden, verwerven en bezitten van kinderporno, een zeer ernstig strafbaar feit. Op de inbeslaggenomen gegevensdragers van de verdachte zijn in totaal 1.036 visuele weergaven, waaronder 632 foto’s en 404 video’s, aangetroffen waarop te zien is dat seksuele handelingen met, soms zeer jonge, kinderen worden verricht. De verdachte heeft ter zitting verklaard dat hij vanwege zijn leeftijd steeds minder seksueel opgewonden raakte en dat hij daardoor op zoek is gegaan naar erotische prikkels. In zijn zoektocht naar nieuwe prikkels is verdachte kennelijk beland in de verwerpelijke wereld van kinderporno. Voor de verdachte lag de focus enkel op de bevrediging van zijn eigen seksuele behoeftes. Hij heeft in dat kader beelden bekeken, bewaard en doorgestuurd. Het is een feit van algemene bekendheid dat de kinderen bij de vervaardiging van kinderpornografische afbeeldingen veelvuldig seksueel worden misbruikt en geëxploiteerd. Kinderen die seksuele handelingen moeten verrichten of moeten ondergaan ten behoeve van de kinderporno-industrie kunnen aanzienlijke psychische schade oplopen die ook vele jaren later nog diepe sporen nalaat. Door de verspreiding van het beeldmateriaal wordt de schade voor de afgebeelde jeugdigen nog vergroot. Beelden zijn niet eenvoudig te verwijderen van het internet en blijven daar vaak nog jarenlang circuleren, waardoor de slachtoffers ook jaren nadat het misbruik heeft plaatsgevonden, daarmee kunnen worden geconfronteerd. Daarnaast heeft verdachte in een chat met een contact genaamd ‘[naam 1]’ actief gefantaseerd over de wijze waarop bij name genoemde jonge kinderen misbruikt konden worden. De teksten die daarbij door verdachte zijn geuit, zijn bijzonder schokkend te noemen. Door handelingen zoals die door de verdachte zijn gepleegd wordt de vraag naar kinderporno en daarmee het misbruik van kinderen in stand gehouden. Daarbij komt dat de verdachte de kinderporno niet enkel voor zichzelf heeft bewaard, maar op meerdere momenten heeft doorgestuurd en daarmee verder heeft verspreid. De verdachte heeft daarmee een actieve bijdrage geleverd aan de instandhouding van deze illegale markt.4.3.2.. \n\nPersoon en persoonlijke omstandigheden\n\nDe verdachte heeft ter zitting weliswaar iets meer inzicht gegeven in zijn seksuele beleving dan voorheen, maar hij nam voor zijn handelen onvoldoende verantwoordelijkheid. Hij beriep zich meerdere keren op zijn onkunde op digitaal gebied, gaf geen verklaring voor het aantreffen van een grote hoeveelheid bestanden op meerdere gegevensdragers en schoof het merendeel van de verantwoordelijkheid af op de voor de rechtbank onbekend gebleven persoon met de Snapchat-gebruikersnaam ‘[naam 1]’. De rechtbank heeft daardoor niet het volle vertrouwen verkregen dat de verdachte zichzelf in de toekomst in bedwang kan houden.4.3.3.. \n\nStrafblad\n\nUit het strafblad (uittreksel justitiële documentatie) van 23 april 2026 blijkt dat de verdachte niet eerder onherroepelijk is veroordeeld voor strafbare feiten.\n\nHet strafblad van de verdachte leidt dus niet tot een hogere straf.4.3.4.. \n\nRapporten van deskundigen en de reclassering\n\nIn het rapport van psycholoog [naam 2] van 19 mei 2026 staat het volgende.\n\nDe verdachte heeft over de onderwerpen seksualiteit en het ten laste gelegde nauwelijks met onderzoekers in gesprek willen gaan. De indruk bestaat dat hij niet het achterste van zijn tong wil laten zien. De verdachte lijkt zich te verschuilen achter naïviteit en onwetendheid. Er is geen sprake van een psychische stoornis, verstandelijke handicap en\u002Fof psychogeriatrische aandoening. Omdat er geen zicht is gekomen op de seksualiteitsbeleving van de verdachte en het ten laste gelegde nauwelijks besproken heeft kunnen worden, is het niet mogelijk om een uitspraak te kunnen doen over het recidiverisico. Er zijn wel veel beschermende factoren aanwezig. Ondanks dat er geen stoornis is vast te stellen, maar ook niet geheel uit te sluiten, en er geen recidiverisico kan worden bepaald, komen uit het strafdossier de nodige zorgen naar voren. Het is van belang dat na veroordeling een nadere delictanalyse wordt uitgevoerd, die mogelijk, na het los kunnen laten van de procespositie, beter bewerkt kan worden. Het is van belang dat de seksuele belevingen en gedragingen van betrokkene nader onderzocht en geduid worden. Het is van belang dat seksuele thema’s bespreekbaar worden gemaakt en dat er meer openheid komt. Genoemde behandeling kan worden gerealiseerd bij een forensische polikliniek als De Waag of een soortgelijke instelling. Naast het bewerken van het delictscenario en seksualiteit, is nader onderzoek aangewezen naar een parafiele stoornis en er dient aandacht te zijn voor cognitieve achteruitgang, waarbij zo nodig nader neuropsychologisch onderzoek kan worden ingezet. De behandeling kan bij een bewezenverklaring worden opgelegd in het kader van een bijzondere voorwaarde bij een voorwaardelijk strafdeel met daaraan gekoppeld een reclasseringstoezicht.\n\nIn het rapport van Reclassering Nederland van 12 juni 2026 staat het volgende.\n\nUit het diagnostisch onderzoek door een gedragsdeskundige is naar voren gekomen dat een stoornis niet kan worden vastgesteld, maar ook niet geheel kan worden uitgesloten. Ook kan er geen recidiverisico worden bepaald. Wel wordt geconstateerd dat uit het strafdossier de nodige zorgen naar voren komen, waardoor het van belang wordt geacht dat er nadere delictsanalyse wordt uitgevoerd en dat seksuele belevingen en gedragingen worden onderzocht. De reclassering adviseert daarom ook een voorwaardelijk strafdeel met bijzondere voorwaarden, waaronder een ambulante behandeling bij een forensische polikliniek gespecialiseerd in seksueel delictgedrag. Verder worden als bijzondere voorwaarden geadviseerd een meldplicht bij de reclassering, een contactverbod, het vermijden van digitale omgevingen met seksueel kindermisbruik en een verbod op bepaalde werkzaamheden.\n\n4.3.5.. Oplegging straf\n\nStraf\n\nGelet op de ernst van het strafbare feit is een gevangenisstraf noodzakelijk. Het opleggen van een ander soort straf is niet passend. Bij het bepalen van die strafsoort en de duur daarvan houdt de rechtbank rekening met straffen die in soortgelijke zaken zijn opgelegd. Hierbij is ook rekening gehouden met de LOVS oriëntatiepunten. Deze oriëntatiepunten zijn binnen de rechtspraak ontwikkeld om in vergelijkbare zaken zoveel mogelijk gelijk te straffen en vormen een vertrekpunt bij het bepalen van de straf. In strafverminderende zin is in aanmerking genomen dat de verdachte een first offender is en op gevorderde leeftijd is.\n\nDe officier van justitie heeft haar eis gebaseerd op bewezenverklaring van beide feiten. Hoewel de rechtbank slechts tot bewezenverklaring van één feit komt, zal zij niettemin de door de officier van justitie geëiste straf opleggen. Een lagere straf doet onvoldoende recht aan de ernst van het bewezenverklaarde feit, de proceshouding van de verdachte en de gevaarzetting die daarvan uitgaat.\n\nDit betekent concreet dat een gevangenisstraf van twaalf maanden wordt opgelegd. Van deze gevangenisstraf worden vier maanden voorwaardelijk opgelegd, omdat de rechtbank het van belang acht dat de verdachte in de toekomst de nodige behandelingen volgt en meewerkt aan nadere diagnostisch onderzoek, zodat daarmee een eventueel risico op herhaling kan worden beperkt.\n\nHet onvoorwaardelijk deel van deze straf is langer dan verdachte in voorarrest heeft doorgebracht. Bovendien zijn de bezwaren en gronden die tot het bevel voorlopige hechtenis hebben geleid nog aanwezig. Er is dus geen aanleiding om de voorlopige hechtenis thans op te heffen.\n\nHet voorwaardelijk deel van de straf heeft ook als doel te voorkomen dat de verdachte in de toekomst opnieuw een strafbaar feit pleegt.\n\nDe rechtbank verbindt aan de voorwaardelijke straf enkele bijzondere voorwaarden die door de reclassering zijn geadviseerd. De bijzondere voorwaarden zijn noodzakelijk om de kans op herhaling van het plegen van nieuwe strafbare feiten te verkleinen.\n\nDe bijzondere voorwaarden zijn: een meldplicht bij de reclassering, ambulante behandeling en vermijding van digitale omgevingen met betrekking tot seksueel kindermisbruik. De rechtbank ziet geen aanleiding om een contactverbod ten aanzien van direct aanwijsbare slachtoffers, een verbod op bepaalde werkzaamheden of het vermijden van contact met minderjarigen als bijzondere voorwaarde op te leggen. Het is de rechtbank immers niet gebleken dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan kindermisbruik, in welk geval dergelijke voorwaarden wel aangewezen zouden zijn.\n\nGelet op het reclasseringsrapport moet er ernstig rekening mee worden gehouden dat de verdachte opnieuw een misdrijf zal plegen dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen. Daarom is het belangrijk dat de bijzondere voorwaarden meteen gelden, ook als de verdachte in hoger beroep gaat. De rechtbank verklaart de bijzondere voorwaarden om die reden dadelijk uitvoerbaar.\n\nDe gevangenisstraf zal worden tenuitvoergelegd binnen de penitentiaire inrichting, totdat de verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma.5. Wettelijke voorschriften\n\nDe oplegging van deze straf is gebaseerd op de artikelen 14a, 14b, 14c, 240b (oud) en 252 van het Wetboek van Strafrecht.6. Beslissingen\n\nDe rechtbank:\n\nVrijspraak\n\nverklaart niet bewezen dat de verdachte feit 2 heeft gepleegd en spreekt de verdachte daarvan vrij;\n\nBewezenverklaring\n\nverklaart bewezen dat de verdachte feit 1, zoals in hoofdstuk 2 is omschreven, heeft gepleegd;\n\nKwalificatie en strafbaarheid\n\nstelt vast dat het bewezenverklaarde oplevert het in hoofdstuk 3 vermelde strafbare feit;\n\nverklaart de verdachte strafbaar;\n\nStraf\n\nGevangenisstraf\n\nveroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf van 12 (twaalf) maanden;\n\nbeveelt dat de tijd die door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, in mindering wordt gebracht op de gevangenisstraf, voor zover deze tijd niet al op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;\n\nVoorwaardelijk strafdeel\n\nbepaalt dat 4 (vier) maandenniet ten uitvoer zullen worden gelegd, tenzij de rechter later anders beslist;\n\nverbindt hieraan een proeftijd, die wordt gesteld op 3 (drie) jaar, waarbij tot tenuitvoerlegging van het voorwaardelijke gedeelte van de straf kan worden beslist als de verdachte een van de onderstaande voorwaarden niet naleeft;\n\nstelt als algemene voorwaarde dat:\n\n- de verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet aan een strafbaar feit schuldig maakt;\n\nstelt als bijzondere voorwaarden dat:\n\n1. de verdachte zich gedurende de proeftijd meldt op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken zijn. Voor de eerste afspraak meldt de verdachte zich binnen 5 (vijf) dagen nadat de proeftijd is ingegaan bij Reclassering Nederland. De reclassering zal contact met de verdachte opnemen voor de eerste afspraak;\n\n2. de verdachte zich gedurende de proeftijd laat behandelen door De Waag of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de behandeling nodig vindt. De zorgverlener bepaalt de wijze van behandeling. De behandeling is gericht op psychische problematiek en seksueel grensoverschrijdend gedrag. Gelet op de problematiek kan onderdeel van de behandeling zijn dat de verdachte voorgeschreven medicatie zal gebruiken;\n\n3. de verdachte gedurende de proeftijd:\n\na. digitale omgevingen vermijdt waarin hij in aanraking kan komen met kinderpornografisch materiaal;\n\nb. digitale omgevingen vermijdt waarin over seksuele handelingen met minderjarigen wordt gecommuniceerd;\n\nc. geen gebruik maakt van virtuele machines, versleutelprogramma’s (zoals Bitlocker, Veracrypt) of applicaties die helpen de identiteit te verbergen (zoals een VPN), tenzij de reclassering toestemming heeft gegeven voor het gebruik (zoals voor werk of voor bankzaken);\n\nd. inzicht geeft in de wijze waarop hij de omgevingen genoemd onder a en b zal vermijden en bespreekt hoe dit verlopen is voor het verstreken deel van de proeftijd.\n\nHet toezicht op de naleving van de onderdelen a. tot en met c. beperkt zich tot geautomatiseerde controles van digitale apparaten (zoals computers, smart devices, USB-sticks, SD-kaarten, externe harde schijven) waarop bestanden kunnen worden opgeslagen en\u002Fof waarmee internet kan worden benaderd en die de verdachte in gebruik heeft. De verdachte werkt mee aan deze controles tijdens (on)aangekondigde huisbezoeken en verschaft toegang tot alle aanwezige digitale apparaten die de verdachte in gebruik heeft. Hieronder wordt begrepen het verstrekken van wachtwoorden, codes of andere wijzen van ontgrendeling of ontsluiting zoals vingerafdrukken, die nodig zijn voor toegang. Op verzoek past de verdachte de instellingen zodanig aan dat controle mogelijk is. De wijzigingen mogen niet leiden tot definitieve wijzigingen aan het apparaat en worden aan het einde van de controle weer teruggezet. De controles worden uitgevoerd door de reclassering. Indien en voor zover noodzakelijk mag de reclassering voor ondersteuning op technisch en digitaal gebied een specialist, niet zijnde een opsporingsambtenaar meenemen. De controles mogen gedurende de proeftijd maximaal (circa) 6 (zes) keer worden uitgevoerd, waarbij de persoonlijke levenssfeer van de verdachte zoveel mogelijk wordt geëerbiedigd. De controles strekken er in het bijzonder niet toe een min of meer volledig beeld te krijgen van het persoonlijke leven van de verdachte;\n\ngeeft opdracht aan de reclassering om toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden. Hierbij gelden als voorwaarden dat de verdachte:\n\nmeewerkt aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een geldig identiteitsbewijs ter inzage aanbiedt om de identiteit vast te stellen;\n\nmeewerkt aan reclasseringstoezicht, waaronder het meewerken aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt;\n\nbeveelt dat de genoemde bijzondere voorwaarden en het aan genoemde reclasseringsinstelling opgedragen toezicht dadelijk uitvoerbaar zijn.\n\n7. Samenstelling rechtbank en ondertekening\n\nDit vonnis is gewezen door:\n\nmr. A.M.H. Geerars, voorzitter,\n\nen mrs. J.L. Luiten en R.P.W. van de Meerakker, rechters,\n\nin tegenwoordigheid van mr. S.E. Jacobino, griffier,\n\nen uitgesproken op de openbare zitting van deze rechtbank op 7 juli 2026.\n\nDe griffier is niet in de gelegenheid dit vonnis te ondertekenen.\n\nDe exacte vindplaatsen van de bewijsmiddelen zijn genoemd in de bijbehorende voetnoot. Als wordt verwezen naar paginanummers, wordt - tenzij anders vermeld - gedoeld op paginanummers uit het zaaksdossier met nummer [nummer].\n\n Afgelegd tijdens de zitting van 23 juni 2026.\n\n Pagina’s 31-51\n\nPagina’s 58-60.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2026:7973","ecli-nl-rbrot-2026-7973",{"courtName":6,"legalDomain":40,"decisionType":22,"procedureType":23},{"id":49,"ecli":50,"caseNumber":14,"courtId":5,"courtName":14,"decisionDate":27,"fullText":51,"language":7,"source":17,"sourceUrl":52,"summary":14,"slug":53,"metadata":54},"1224","ECLI:NL:RBROT:2026:8069","Rechtbank Rotterdam\n\nMeervoudige kamer strafzaken\n\nParketnummer: 10\u002F043912-23\n\nDatum uitspraak: 7 juli 2026\n\nDatum zitting: 23 juni 2026\n\nTegenspraak\n\nVerdachte:\n\n [verdachte] ,\n\ngeboren op [geboortedatum] 1988 in [geboorteplaats] ,\n\ningeschreven op het adres [adres] , [postcode] te [woonplaats] .\n\nAdvocaat van de verdachte: mr. S.D. Polat\n\nOfficier van justitie: mr. T. Lucas\n\nKern van het vonnis\n\nDe verdachte wordt vrijgesproken van het medeplegen van valsheid in geschrift, het medeplegen van witwassen en meineed. Hij wordt veroordeeld voor het medeplegen van het aanwezig hebben van 11,51 gram cocaïne. Aan de verdachte wordt een taakstraf opgelegd van 30 uren met aftrek van voorarrest. Bij de strafoplegging is rekening gehouden met de overschrijding van de redelijke termijn en artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht. Het geldbedrag dat bij de verdachte in beslag is genomen zal aan hem worden teruggegeven.1. Tenlastelegging\n\nDe volledige tenlastelegging (hierna beschuldiging) houdt in dat\n\n1\n\nhij in of omstreeks de periode van 14 januari 2022 tot en met 18 januari 2022 te Amersfoort, althans in Nederland,\n\ntezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, meermalen, althans eenmaal,\n\nopzettelijk\n\nheeft geteeld en\u002Fof bereid en\u002Fof bewerkt en\u002Fof verwerkt en\u002Fof verkocht en\u002Fof afgeleverd en\u002Fof verstrekt en\u002Fof vervoerd,\n\nin elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad,\n\nongeveer 11,51 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal\n\nbevattende cocaïne,\n\nzijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.\n\n2\n\nHij in of omstreeks de periode van 18 januari 2022 tot en met 28 februari 2024 te Leusden en\u002Fof Rotterdam, althans in Nederland,\n\n(van) een Rolex horloge, althans een voorwerp- de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats, de vervreemding en\u002Fof de verplaatsing heeft\n\nverborgen en\u002Fof heeft verhuld, dan wel\n\n- heeft verborgen en\u002Fof heeft verhuld wie de rechthebbende(n) op dat \u002Fdie\n\nvoorwerp(en) was\u002Fwaren,\n\nen\u002Fof\n\n- heeft verborgen en\u002Fof heeft verhuld wie dat\u002Fdie voorwerp(en) voorhanden had(den)\n\n- heeft verworven, voorhanden heeft gehad, heeft overgedragen, heeft omgezet,\n\nen\u002Fof\n\n- gebruik heeft gemaakt\n\nterwijl hij wist, althans redelijkerwijs moest vermoeden, dat dat voorwerp - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf.\n\n3\n\nHij in of omstreeks de periode 18 januari 2022 tot en met 28 februari 2024 te\n\nRotterdam, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,\n\nmeermalen althans eenmaal\n\nopzettelijk gebruik heeft gemaakt van een vals en\u002Fof vervalst geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen, te weten\n\neen (afschrift van) een factuur met datum 11 februari 2021 van [horlogewinkel] met\n\nfactuurnummer [factuurnummer]\n\nals ware het echt en onvervalst, door\n\ndeze aan de politie over te leggen, althans te doen overleggen.\n\n4\n\nHij op of omstreeks 20 december 2023 te Rotterdam, althans in Nederland,\n\nin een geval waarin een wettelijk voorschrift een verklaring onder ede vorderde\n\nen\u002Fof daaraan rechtsgevolgen verbond, te weten\n\nter terechtzitting van de rechtbank Rotterdam op 20 december 2023 (zaaknr.\u002Frolnr. C\u002F10\u002F652291 \u002F HA ZA 23-129) als getuige gehoord zijnde in een civielrechtelijke procedure tegen [medeverdachte] , althans enige rechter,\n\nmondeling, persoonlijk, opzettelijk een valse verklaring onder ede heeft afgelegd, te weten – zakelijk weergegeven – dat hij begin 2021 aanwezig was bij de verkoop van een Rolex horloge, door [naam 1] aan [medeverdachte] .2. Bewijs feit 1 \u002F vrijspraak feiten 2 tot en met 42.1.. \n\nVordering van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte moet worden veroordeeld voor alle feiten.2.2.. \n\nConclusie van de verdediging\n\nDe verdediging heeft vrijspraak bepleit voor alle feiten.2.3.. Oordeel van de rechtbank\n\nFeit 12.3.1.. \n\nBewezenverklaring en bewijsmiddelen\n\nBewezen is dat de verdachte feit 1 heeft gepleegd. De volledige bewezenverklaring is vermeld in paragraaf 2.3.3.\n\nDe bewezenverklaring van het feit 1 is gebaseerd op de opgenomen inhoud van de bewijsmiddelenen de onderstaande bewijsmotivering.\n\n1. Proces-verbaal van de politie\n\nOp 18 januari 2022 waren wij, verbalisanten, belast met algemene surveillance op en rond autosnelweg A28.\n\nOmstreeks 16.45 uur stonden wij geparkeerd in een parkeervak bij de foodcourt. Wij zagen dat een voertuig, van het merk Mercedes, voorzien van het kenteken [kentekennummer 1] , de foodcourt op reed. Wij zagen dat er zich in het voertuig een persoon bevond. Dit bleek later de verdachte: [verdachte] te zijn. (..)\n\nWij zagen dat de genoemde Mercedes naast een Fiat Punto, voorzien van het kenteken, [kentekennummer 2] geparkeerd stond. Nadat wij nog geen minuut later in onze binnen spiegel keken, zagen wij dat er inmiddels een andere man als bijrijder in de Mercedes zat. Deze bijrijder bleek later [naam 2] te zijn. Wij zagen dat [naam 2] uit de Mercedes stapte. Wij zagen dat [naam 2] vervolgens in de naast gelegen genoemde Fiat Punto stapte.\n\n(..) Op grond van artikel 160 van de Wegenverkeerswet 1994 gaven wij een stopteken, aan de bestuurder van de Fiat Punto. Hieraan werd door de bestuurder voldaan.\n\n(..) Hierop verklaarde [naam 2] uit zichzelf dat hij zojuist 17 ponypacks met cocaïne had gekocht van de bestuurder van de Mercedes. Wij zagen dat [naam 2] een klein zakje uit zijn zak haalde. Later bleken daar 17 zogenoemde ponypacks in te zitten.\n\n2. Proces-verbaal van de politie\n\n(..)Op 18 augustus 2022 is [verdachte] staande gehouden.\n\n(..) Ik heb vervolgens genoemde Mercedes doorzocht. Ik trof enkele getekende aantekeningen welke over bedragen gingen.\n\nIk heb vervolgens een transportfouillering uitgevoerd bij verdachte [verdachte] . Hierna trof ik in de linker broekzak van verdachte een gebundeld contant geldbedrag aan van totaal 2775 Euro. Dit bedrag bestond uit diverse biljetten van 5 en 50 euro.\n\n3. Verklaring van de medeverdachte [naam 2]\n\nV: Wie was de man waarbij jij in de Mercedes bent gestapt?\n\nA: Dat is [naam 3] .\n\nV: Hoeveel geld had u afgegeven aan [naam 3] ?\n\nA: Dat weet ik niet precies, maar ik dacht ongeveer 3000 euro. Bij benadering dan.\n\nV: Wanneer heeft u die 17 cachetjes gekregen?\n\nA: Vrijdag\n\nV: Hoe hebben jullie een afspraak gemaakt, McDonalds Amersfoort?\n\nA: Telegram.\n\nO: Je hebt aan een collega van de politie de code van de telefoon gegeven die je bij je had. Hierin zijn chatberichten aangetroffen vanaf 17 januari 2022 vanaf 13.06 uur.\n\nV: Wat kun je verklaren over deze chatberichten en dan bedoel ik de berichten die van belang zijn betreffende hetgeen jij wordt verdacht?\n\nA: Het ging in ieder geval over het ophalen van deze cocaïne en het wegbrengen en collecteren. Waar het heen moest etc. Ik had alleen met [naam 3] contact via Telegram.\n\n4. Verklaring van de medeverdachte [naam 2]\n\n0: In het voertuig van uw medeverdachte zijn briefjes aangetroffen, verbalisant toont 4 foto's bijgevoegd als fotobijlage 1. Herkent u deze briefjes?\n\nA: Ja.\n\nV: Wat kan u vertellen over deze briefjes, wat betekenen ze of kunnen we lezen op deze briefjes?\n\nA: Nou ja.\n\nFoto 1, van fotobijlage 1:\n\naanvang 34, betreft dan aanvang 34 ponypacks.\n\nEinde 12, betreft wat er over is na 1 dag.\n\n3 zijn er dan weggegeven zonder te betalen. Of later terug te betalen. 1 was met korting voor 40 euro. Dan bleven er 18 over. Die zijn verkocht voor 50 euro per stuk waardoor je uit komt op 940 euro.\n\nV: Heeft u deze briefjes geschreven en overhandigd aan \" [naam 3] \"?\n\nA: Ja.\n\nV: De persoon bij wie u in de auto, een Mercedes-Benz, bent gestapt op 18 januari 2022 op de parkeerplaats bij de McDonalds te Amersfoort, waarna u bent uitgestapt en bent weggereden betreft deze persoon in de Mercedes Benz deze \" [naam 3] \"?\n\nA: Ja.\n\n5. Proces-verbaal van de politie\n\nOp 20 januari 2022 was ik, belast met het testen, wegen en bemonsteren van de vermoedelijk verdovende middelen aangetroffen bij verdachte [naam 2] op 18 januari 2022.\n\nIk zag dat er 17 ponypacks in beslag waren genomen onder goednummer [beslagnummer] .\n\n6. Proces-verbaal van de politie\n\nDe aangeboden partij verdovende middelen bestond uit:\n\nGoednummer: [beslagnummer]\n\nSIN: AAQA1727NL\n\nRelatie met SIN: AAQW1827NL\n\nAantal: 17\n\nOmschrijving: wikkels met wit poeder\n\nBijzonderheden: 17 ponypacks met opschrift van pinguïn en smart seal de luxe\n\nGewicht netto: 11,51 gram\n\nRuybal: positief op cocaïne\n\n7. Deskundigenverslag\n\nKenmerk\n\nOmschrijving FO\n\nConclusie\n\nAAQW1827NL\n\nPoeder, wit, uit 11,51 gram; aantal 3 bemonsteringen in onderzoek\n\nBevat cocaïne\n\n8. Proces-verbaal van de politie\n\nOp 20 januari 2022 heb ik, [naam 4] , de navolgende zaken bekeken:\n\n- Verhoor van verdachte [naam 2] ,\n\n- Chatgesprek op Telegram, op de telefoon behorende bij [naam 2] ,\n\n- Bevindingen van verbalisanten ter plaatse McDonalds Amersfoort,\n\n- Telefoon behorende bij [naam 2]\n\nIn de telefoon wordt bevestigd dat verdachte [naam 2] met ene \" [naam 3] \" communiceert via de\n\ndienst Telegram.\n\nOp 18 januari 2022 hebben deze [naam 3] en verdachte [naam 2] een gesprek.\n\n [naam 3] 06:04: Goedemorgen als je de enveloppen meeneemt dan ik je op de terugweg rond\n\n16:00 meeten ergens kalm an\n\nBij1 09:51: Isg\n\n [naam 3] 14:55: Geef je ff een gil als je vertrokken bent\n\n [naam 3] 15:27: Maat je hebt bestelling 17:05 Comschate\n\nWaar zie ik je tussendoor en Hoelaat kan je waar zijn\n\n(..)\n\n [naam 3] 15:47: Beter als je naar Mcdonald's huis ter heide rijdt\n\nNu is dat nog op je heenweg\n\nJe rijdt daar toch langs\n\n [naam 2] 15:47: Red ik nooit\n\nAank 16:30\n\nRed ik colm niet\n\n [naam 3] 15:49 Oke ik kom Amersfoort\n\nJooo\n\n [naam 2] : 1620\n\nZorg dat je er bent\n\n [naam 2] 16:22 Ik ben er\n\nWaar rij je\n\n [naam 3] 16:22 Onderweg\n\nHaal maar broodje voor jezelf\n\neerder rijd afspreken\n\nNiet 45 min van te voren tot zo\n\n [naam 2] 16:23: Als ik nu vertrek ben ik pas om 17:06 in colm\n\njij schreef rond 16 uur\n\nMaatje\n\n [naam 3] 16:23: Het is jou schuld\n\nNiet\n\nDus don't worry\n\n [naam 2] 16:23: Ik doe mijn best\n\nIn deze chat is te zien dat [naam 3] en verdachte [naam 2] afspreken op de parkeerplaats bij de McDonalds te Amersfoort op 18 januari 2022. Deze [naam 3] geeft aan er niet om 16.00\n\nuur te kunnen zijn maar rond 16.30 uur. Gezien de bevindingen van de collega's bij de McDonalds Amersfoort kan worden aangenomen dat deze \" [naam 3] \" verdachte [verdachte] is.\n\nTevens blijkt uit de telefoon van verdachte [naam 2] dat er zeker vanaf 14 januari dagelijks meermaals contact is tussen deze \" [naam 3] \" en verdachte [naam 2] . Tevens hebben verbalisanten onderzoek gedaan in het voertuig van verdachte [verdachte] . Daarop werden onder andere een viertal briefjes aangetroffen zoals deze ook is verstuurd tussen verdachte [naam 2] en verdachte [verdachte] via de app Telegram.\n\nDit betreft exact hetzelfde briefje als is gestuurd tussen Verdachte [naam 2] en \" [naam 3] \" via de Telegram app.\n\nZondag 16\u002F1\u002F22\n\nAanvang: 23\n\nEinde: 12\n\n-------------------\n\n11 x 50 = 550\n\nRetour P ---- 50\n\nCash 6002.3.2.. \n\nBewijsmotivering\n\nDe verdediging heeft aangevoerd dat op basis van het dossier niet kan worden vastgesteld dat de verdachte ‘ [naam 3] ’ is. De rechtbank verwerpt dit verweer. [naam 2] heeft verklaard dat hij de drugs heeft ontvangen van de man in de Mercedes die hij kent als ‘ [naam 3] ’ en waar hij contact mee heeft via Telegram. Deze verklaring wordt gestaafd door de bevindingen van de politie. Zij zien een ontmoeting tussen [naam 2] en de verdachte en uit het onderzoek naar de telefoon van de [naam 2] volgt dat hij met ‘ [naam 3] ’ afspreekt rond het tijdstip op de locatie waar door de politie een ontmoeting wordt gezien tussen de verdachte en [naam 2] . Bovendien heeft [naam 2] verklaard dat de getekende aantekeningen die in de auto van de verdachte zijn aangetroffen hem bekend voorkomen, omdat hij deze briefjes aan ‘ [naam 3] ’ heeft gegeven en komt de inhoud van de briefjes ook terug in het gesprek tussen [naam 2] en ‘ [naam 3] ’ op Telegram. Op basis van deze bevindingen gaat de rechtbank ervan uit dat [naam 2] de cocaïne heeft gekregen van de verdachte.\n\nGelet op het voorgaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte in de ten laste gelegde periode samen met de medeverdachte 11,51 gram cocaïne aanwezig heeft gehad. Ten aanzien van het ten laste gelegde verstrekken en verhandelen van de cocaïne bevat het dossier onvoldoende bewijs.2.3.3.. Volledige bewezenverklaring\n\nBewezen is dat:\n\n1\n\nhij in of omstreeksde periode van 14 januari 2022 tot en met 18 januari 2022 te Amersfoort, althans in Nederland,\n\ntezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, meermalen, althanseenmaal,\n\nopzettelijk\n\nheeft geteeld en\u002Fof bereid en\u002Fof bewerkt en\u002Fof verwerkt en\u002Fof verkocht en\u002Fof afgeleverd en\u002Fof verstrekt en\u002Fof vervoerd,\n\nin elk geval opzettelijkaanwezig heeft gehad,\n\nongeveer11,51 gram,in elk geval een hoeveelheid van een materiaal\n\nbevattendecocaïne,\n\nzijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.\n\n2.3.4.. Vrijspraak feiten 2 tot en met 4\n\nFeit 2 (Witwassen)\n\nVaststaande feiten\n\nBij de aanhouding op 18 januari 2022 voor bovengenoemd feit droeg de verdachte een Rolex-horloge. De verdachte heeft bij zijn staandehouding verklaard dat het horloge van zijn moeder is (medeverdachte [medeverdachte] ). Uit onderzoek volgt dat het betreffende Rolex-horloge een marktwaarde heeft van tussen de € 71.000,- en € 95.000,-. Uit bevraging van de Infodesk Crimineel & Onverklaarbaar Vermogen (ICOV) bleek niet dat de verdachte over zodanig legaal inkomen of vermogen beschikte dat die een dergelijke uitgave zouden kunnen verklaren.\n\nBeoordelingskader\n\nDe rechtbank stelt voorop dat voor een bewezenverklaring van het in de delictsomschrijving van artikel 420bis, eerste lid onder a en b van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) opgenomen bestanddeel \"afkomstig uit enig misdrijf\", niet is vereist dat uit de bewijsmiddelen moet kunnen worden afgeleid dat het desbetreffende voorwerp afkomstig is uit een nauwkeurig aangeduid misdrijf. Wel is voor een veroordeling ter zake van witwassen vereist dat vaststaat dat het voorwerp afkomstig is uit enig misdrijf. Dat een voorwerp \"afkomstig is uit enig misdrijf\" kan, als op grond van de beschikbare bewijsmiddelen geen rechtstreeks verband valt te leggen met een bepaald misdrijf, niettemin bewezen worden geacht als het op grond van de vastgestelde feiten en omstandigheden niet anders kan zijn dan dat het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is.\n\nAls door het Openbaar Ministerie feiten en omstandigheden zijn aangedragen die een vermoeden rechtvaardigen dat het niet anders kan zijn dan dat het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is, mag van de verdachte worden verlangd dat hij een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring geeft dat het voorwerp niet van misdrijf afkomstig is. De omstandigheid dat deze verklaring van de verdachte mag worden verlangd, houdt niet in dat het aan de verdachte is om aannemelijk te maken dat het voorwerp niet van misdrijf afkomstig is.\n\nAls de verdachte zo'n verklaring heeft gegeven, ligt het op weg van het Openbaar Ministerie nader onderzoek te doen naar die verklaring. Mede op basis van de resultaten van dat onderzoek zal moeten worden beoordeeld of ondanks de verklaring van de verdachte het witwassen bewezen kan worden op de grond dat het niet anders kan zijn dan dat het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is. Wanneer na dit onderzoek een legale herkomst met voldoende mate van zekerheid kan worden uitgesloten, staat vast dat het voorwerp een criminele herkomst heeft.\n\nBeoordeling\n\nHet gegeven dat de verdachte werd verdacht van het medeplegen dan wel aanwezig hebben van cocaïne tezamen met de resultaten van de ICOV-bevraging met betrekking tot de verdachte en medeverdachte [medeverdachte] bieden zonder meer grondslag voor een vermoeden van witwassen. Daar staat tegenover dat de verklaring van de verdachte dat het horloge van zijn moeder is, wordt ondersteund door de verklaring van zijn moeder, tevens medeverdachte, [medeverdachte] . Zij heeft verklaard dat zij in aanwezigheid van de verdachte het horloge heeft gekocht bij [horlogewinkel] voor € 36.500,-, waarbij zij een ander horloge heeft ingeruild en een bedrag van € 19.500,- contant heeft bijbetaald. Daarnaast heeft zij verklaard dat zij dit horloge heeft kunnen kopen van het geld (de overwaarde) dat zij na verkoop van een woning op haar rekening gestort heeft gekregen. Ter onderbouwing van deze verklaring heeft zij (schermopnames van) bankafschriften verstrekt waaruit volgens haar zou moeten volgen dat zij een groot bedrag heeft ontvangen van de notaris en in een korte periode meermaals contante bedragen heeft opgenomen. Ook heeft zij de onder feit 3 ten laste gelegde factuur verstrekt van de aankoop van genoemde Rolex bij [horlogewinkel] .\n\nDeze verklaring is naar oordeel van de rechtbank concreet en verifieerbaar en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijk.\n\nHet Openbaar Ministerie heeft vervolgens aanvullend onderzoek verricht naar de verklaring van de medeverdachte.\n\nUit het onderzoek volgt dat de medeverdachte € 115.438,27 op haar bankrekening gestort heeft gekregen na verkoop van haar woning en zij daarna in een korte periode meerdere keren grote bedragen contant van haar bankrekening heeft opgenomen.\n\nDaarnaast is nader onderzoek verricht door de eigenaar van [horlogewinkel] , de heer [naam 1] , als getuige te horen. [naam 1] heeft tegenover de politie verklaard dat hij de door de medeverdachte aangeleverde factuur niet heeft opgesteld, dat hij de medeverdachte niet kent, dat de handtekening op de factuur niet van hem is en dat hij maar één horloge heeft verkocht van het type dat bij de verdachte is aangetroffen en dat dat aan een man was. [naam 1] is ook gehoord als getuige in een civielrechtelijke procedure die de medeverdachte is gestart bij de rechtbank om het horloge terug te krijgen. [naam 1] heeft toen verklaard dat hij twee horloges van dat type heeft verkocht, waarvan hij er één heeft verkocht aan een zekere [naam 5] . Na zijn verhoor bij de politie heeft [naam 1] een factuur met hetzelfde factuurnummer overgelegd aan de politie. Die factuur verschilt op meerdere punten van de door de verdachte overgelegde factuur.\n\nVerder onderzoek heeft het Openbaar Ministerie niet verricht.\n\nDe rechtbank is van oordeel dat de verklaring van [naam 1] , met name bezien zijn tweede, op sommige punten tegenstrijdige, verklaring in de civiele procedure, aanknopingspunten biedt voor nader onderzoek. Zo had de administratie van [naam 1] kunnen worden onderzocht of de heer [naam 5] worden gehoord. Dat is echter niet gebeurd. Het dossier bevat ook geen objectieve gegevens die de verklaring van [naam 1] ondersteunen, noch gegevens waaruit volgt dat de door de medeverdachte gegeven verklaring onmogelijk of onjuist is anders dan de verklaring van [naam 1] . Daarmee resteert in essentie de verklaring van de medeverdachte tegenover de verklaring van [naam 1] .\n\nGelet op het bovenstaande heeft het Openbaar Ministerie naar oordeel van de rechtbank onvoldoende onderzoek verricht naar de verklaring van de verdachte. Dat betekent dat niet met voldoende zekerheid kan worden uitgesloten dat het horloge een legale herkomst heeft, waardoor niet kan worden bewezen dat het horloge afkomstig is uit enig misdrijf. Dat betekent dat niet is bewezen dat de verdachte samen met de medeverdachte het ten laste gelegde horloge heeft witgewassen, zodat hij daarvan moet worden vrijgesproken.\n\nFeit 3 (valsheid in geschrift)\n\nTen aanzien van de ten laste gelegde valsheid in geschrift overweegt de rechtbank als volgt. Het verrichte onderzoek heeft niet uitgewezen dat de inhoud van de factuur onjuist is. De door de medeverdachte gegeven uitleg is weliswaar niet bevestigd, maar evenmin voldoende weerlegd. De rechtbank is van oordeel dat nader onderzoek, dat hiervoor duidelijkheid had kunnen verschaffen, ontbreekt.\n\nOnder deze omstandigheden kan niet wettig en overtuigend worden bewezen dat de factuur vals of vervalst is. De verdachte zal daarom ook van dit feit worden vrijgesproken.\n\nFeit 4 (meineed)\n\nTen aanzien van de onder feit 4 ten laste gelegde meineed overweegt de rechtbank dat niet kan worden vastgesteld dat de verdachte tijdens de civielrechtelijke procedure omtrent de teruggave van het Rolex-horloge aan de medeverdachte onder ede onjuist heeft verklaard over zijn aanwezigheid bij de aankoop van het horloge.\n\nZoals hiervoor reeds is overwogen, bevat het dossier onvoldoende objectieve aanknopingspunten om de verklaring van de verdachte als onwaar aan te merken. Nu aldus niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat de verdachte opzettelijk in strijd met de waarheid heeft verklaard, volgt vrijspraak.3. Kwalificatie en strafbaarheid3.1.. \n\nKwalificatie\n\nHet bewezen feit levert het volgende strafbare feit op:\n\nFeit 1\n\nMedeplegen van het opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod\n\n3.2.. \n\nStrafbaarheid van het feit en van de verdachte\n\nHet feit en de verdachte zijn strafbaar.4. Straf4.1.. \n\nEis van de officier van justitie\n\nDe verdachte moet voor alle feiten worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden met aftrek van voorarrest.4.2.. \n\nStandpunt van de verdediging\n\nDe verdediging heeft geen strafmaatverweer gevoerd.4.3.. Oordeel van de rechtbank4.3.1.. \n\nErnst en omstandigheden van het feit\n\nDe verdachte heeft zich samen met een ander schuldig gemaakt aan het aanwezig hebben van 11,51 gram cocaïne. Het is algemeen bekend dat drugs ontwrichtend werken in levens van veel mensen en daarmee ontwrichtend zijn voor de samenleving. Ook is veel criminaliteit verbonden aan drugs.4.3.2.. \n\nPersoon en persoonlijke omstandigheden\n\nStrafblad\n\nUit het strafblad (uittreksel justitiële documentatie) van 1 juni 2026 blijkt dat de verdachte niet eerder onherroepelijk is veroordeeld voor een soortgelijk strafbaar feit en volgt verder dat artikel 63 Sr van toepassing is.4.3.3.. \n\nRedelijke termijn\n\nDe verdachte moet binnen een redelijke termijn worden berecht. De redelijke termijn is in dit geval gestart op 19 januari 2022, omdat de verdachte toen in verzekering is gesteld. Tot aan dit vonnis is een periode van ruim vier jaar verstreken. Omdat er geen sprake is van bijzondere omstandigheden, is de redelijke termijn in deze zaak twee jaar. Dat betekent dat de redelijke termijn is geschonden. De rechtbank zal hier rekening mee houden bij de strafoplegging.4.3.4.. \n\nOplegging straf\n\nGelet op de ernst van het strafbare feit is een taakstraf passend. Bij het bepalen van de duur van de taakstraf houdt de rechtbank ook rekening met straffen die doorgaans bij het voorhanden hebben van dergelijke hoeveelheden verdovende middelen worden opgelegd en die hun weerslag hebben gevonden in de oriëntatiepunten voor de strafoplegging van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS). In het geval van het voorhanden hebben van de bewezenverklaarde hoeveelheid cocaïne wordt een taakstraf voor de duur van 80 uren als oriëntatiepunt genoemd. Omdat artikel 63 Sr van toepassing is en er sprake is van overschrijding van de redelijke termijn, ziet de rechtbank aanleiding om een lagere straf op te leggen.\n\nAlles afwegende acht de rechtbank een taakstraf voor de duur van 30 uren met aftrek van voorarrest passend en geboden.5. In beslag genomen voorwerpen5.1.. \n\nStandpunt van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft gevorderd dat het geldbedrag van € 2.775,- dat in beslag is genomen verbeurd moet worden verklaard.5.2.. \n\nStandpunt van de verdediging\n\nDe verdediging heeft gelet op het pleidooi tot vrijspraak bepleit dat het geldbedrag dient te worden teruggeven aan de verdachte.5.3.. \n\nOordeel van de rechtbank\n\nOp grond van artikel 33a, eerste lid, onder a, Sr zijn vatbaar voor verbeurdverklaring onder meer voorwerpen die geheel of grotendeels door middel van of uit de baten van het strafbare feit zijn verkregen.Ten laste van de verdachte wordt bewezenverklaard het medeplegen van het aanwezig hebben van een hoeveelheid harddrugs. Het in beslag genomen geldbedrag van € 2.775,- kan niet door middel van of uit de baten van dit strafbare feit zijn verkregen. Om die reden zal dit geldbedrag worden teruggegeven aan de verdachte.6. Wettelijke voorschriften\n\nDe oplegging van deze straf is gebaseerd op de artikelen 9, 22c en 22d van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet.7. Beslissingen\n\nDe rechtbank:\n\nVrijspraak\n\nverklaart niet bewezen dat de verdachte de feiten 2, 3 en 4 heeft gepleegd en spreekt de verdachte daarvan vrij;\n\nBewezenverklaring\n\nverklaart bewezen dat de verdachte feit 1, zoals in hoofdstuk 2 is omschreven, heeft gepleegd;\n\nKwalificatie en strafbaarheid\n\nstelt vast dat het bewezenverklaarde oplevert het in hoofdstuk 3 vermelde strafbare feit;\n\nverklaart de verdachte strafbaar;\n\nStraf\n\nTaakstraf\n\nveroordeelt de verdachte tot een taakstraf van 30 uur, waarbij de reclassering bepaalt uit welke werkzaamheden deze taakstraf zal bestaan;\n\nbeveelt dat de tijd die door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering is doorgebracht, in mindering wordt gebracht op de taakstraf volgens de maatstaf van twee uur per dag, zodat 24 uur taakstrafmoet worden verricht;\n\nbeveelt dat, voor het geval de verdachte de taakstraf niet (goed) verricht, vervangende hechteniszal worden toegepast voor de duur van 12 dagen;\n\nIn beslag genomen voorwerpen\n\n-gelast de teruggave aan de verdachte van een geldbedrag van € 2.775,-.8. Samenstelling rechtbank en ondertekening\n\nDit vonnis is gewezen door:\n\nmr. R.H. Kroon, voorzitter,\n\nen mrs. J.C. Tijink en Y. Peters, rechters,\n\nin tegenwoordigheid van mr. L.R. van Zaanen, griffier,\n\nen uitgesproken op de openbare zitting van deze rechtbank op 7 juli 2026.\n\n De exacte vindplaatsen van de bewijsmiddelen zijn genoemd in de bijbehorende voetnoot. Als wordt verwezen naar paginanummers, wordt - tenzij anders vermeld - gedoeld op paginanummers uit het zaaksdossier met nummer [dossiernummer] .\n\n Proces-verbaal van bevindingen, pagina’s 1 tot en met 3\n\n Proces-verbaal van bevindingen, pagina’s 24 tot en met 26\n\n Proces-verbaal verhoor verdachte, pagina’s 69 tot en met 75.\n\n Proces-verbaal verhoor verdachte, pagina’s 76 tot en met 80.\n\n Proces-verbaal van bevindingen, pagina’s 52 tot en met 58.\n\n Proces-verbaal van onderzoek verdovende middelen, pagina’s 94 tot en met 96.\n\n Rapport van het Nederlands Forensisch Instituut, pagina 97.\n\n Proces-verbaal van bevindingen, pagina’s 64 tot en met 69.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2026:8069","ecli-nl-rbrot-2026-8069",{"courtName":6,"legalDomain":40,"decisionType":22,"procedureType":23},{"id":56,"ecli":57,"caseNumber":14,"courtId":5,"courtName":14,"decisionDate":27,"fullText":58,"language":7,"source":17,"sourceUrl":59,"summary":14,"slug":60,"metadata":61},"1225","ECLI:NL:RBROT:2026:8068","Rechtbank Rotterdam\n\nMeervoudige kamer strafzaken\n\nParketnummer: 10.007837.23\n\nDatum uitspraak: 7 juli 2026\n\nDatum zitting: 23 juni 2026\n\nTegenspraak\n\nVerdachte:\n\n [verdachte] ,\n\ngeboren op [geboortedatum] 1971 in [geboorteplaats] ( [geboorteland] ),\n\ningeschreven op het adres [adres] [postcode] [woonplaats] .\n\nAdvocaat van de verdachte: mr. F.T. Sakrak\n\nOfficier van justitie: mr. T. Lucas\n\nKern van het vonnis\n\nDe verdachte wordt vrijgesproken van het medeplegen van valsheid in geschrift en het medeplegen van witwassen.1. Tenlastelegging\n\nDe volledige tenlastelegging (hierna beschuldiging) houdt in dat\n\n1\n\nZij in of omstreeks de periode 18 januari 2022 tot en met 28 februari 2024 te Rotterdam, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of\n\nanderen, althans alleen,\n\nmeermalen althans eenmaal\n\nopzettelijk gebruik heeft gemaakt van een vals en\u002Fof vervalst geschrift dat bestemd\n\nwas om tot bewijs van enig feit te dienen, te weten\n\neen (afschrift van) een factuur met datum 11 februari 2021 van [naam horlogewinkel] met\n\nfactuurnummer [factuurnummer]\n\nals ware het echt en onvervalst, door\n\ndeze bij de rechtbank Rotterdam en\u002Fof de rechtbank Midden-Nederland, in een raadkamerprocedure en\u002Fof kort geding en\u002Fof bodemprocedure, in te dienen en\u002Fof in te zenden en\u002Fof in te brengen en\u002Fof over te leggen en\u002Fof te gebruiken althans te doen indienen en of inzenden en\u002Fof inbrengen en\u002Fof overleggen en\u002Fof gebruiken.\n\n2\n\nZij in of omstreeks de periode van 18 januari 2022 tot en met 28 februari 2024 te\n\nLeusden en\u002Fof Rotterdam, althans in Nederland,\n\ntezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, meermalen, althans eenmaal,\n\n(van) een Rolex horloge, althans een voorwerp\n\n- de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats, de vervreemding en\u002Fof de\n\nverplaatsing heeft\n\nverborgen en\u002Fof heeft verhuld, dan wel\n\n- heeft verborgen en\u002Fof heeft verhuld wie de rechthebbende(n) op dat \u002Fdie voorwerp(en) was\u002Fwaren,\n\nen\u002Fof\n\n- heeft verborgen en\u002Fof heeft verhuld wie dat\u002Fdie voorwerp(en) voorhanden had(den)\n\n- heeft verworven, voorhanden heeft gehad, heeft overgedragen, heeft omgezet,\n\nen\u002Fof\n\n- gebruik heeft gemaakt\n\nterwijl zij wist, althans redelijkerwijs moest vermoeden, dat dat voorwerp - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf.2. Vrijspraak2.1.. \n\nVordering van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte moet worden veroordeeld voor feit 1 en feit 2.2.2.. \n\nConclusie van de verdediging\n\nDe verdediging heeft vrijspraak bepleit van beide feiten.2.3.. \n\nOordeel van de rechtbank\n\nVaststaande feiten\n\nOp 18 januari 2022 zagen verbalisanten een verdachte situatie waarbij een man in een Mercedes stapte die op naam staat van de medeverdachte [medeverdachte] . De man bleef even zitten in de Mercedes en is vervolgens in zijn eigen auto gestapt en weggereden. Omdat de auto waar deze man instapte en in wegreed, geregistreerd stond op naam van iemand die antecedenten had op het gebied van overtredingen van de Opiumwet, hebben de verbalisanten besloten om beide auto’s staande te houden. Als bij de man in de andere auto 17 ponypacks met cocaïne worden aangetroffen, verklaart hij dat hij deze drugs verhandelde in opdracht van de bestuurder van de Mercedes. Naar aanleiding van deze bevindingen is de Mercedes staande gehouden. De bestuurder is de medeverdachte [medeverdachte] . In zijn jaszak wordt een geldbedrag van € 2.775,- aangetroffen en om zijn pols draagt hij een Rolex-horloge. Hij heeft bij zijn staandehouding verklaard dat het horloge van zijn moeder (de verdachte) is. Uit onderzoek volgt dat het Rolex-horloge een marktwaarde heeft tussen de\n\n€ 71.000,- en € 95.000,-. Uit bevraging van de Infodesk Crimineel & Onverklaarbaar Vermogen (ICOV) bleek niet dat de verdachte over zodanig legaal inkomen of vermogen beschikte dat die een dergelijke uitgave zouden kunnen verklaren.\n\nBeoordelingskader\n\nDe rechtbank stelt voorop dat voor een bewezenverklaring van het in de delictsomschrijving van artikel 420bis, eerste lid onder a en b van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) opgenomen bestanddeel \"afkomstig uit enig misdrijf\", niet is vereist dat uit de bewijsmiddelen moet kunnen worden afgeleid dat het desbetreffende voorwerp afkomstig is uit een nauwkeurig aangeduid misdrijf. Wel is voor een veroordeling ter zake van witwassen vereist dat vaststaat dat het voorwerp afkomstig is uit enig misdrijf.\n\nDat een voorwerp \"afkomstig is uit enig misdrijf\" kan, als op grond van de beschikbare bewijsmiddelen geen rechtstreeks verband valt te leggen met een bepaald misdrijf, niettemin bewezen worden geacht als het op grond van de vastgestelde feiten en omstandigheden niet anders kan zijn dan dat het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is.\n\nAls door het Openbaar Ministerie feiten en omstandigheden zijn aangedragen die een vermoeden rechtvaardigen dat het niet anders kan zijn dan dat het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is, mag van de verdachte worden verlangd dat deze een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring geeft dat het voorwerp niet van misdrijf afkomstig is. De omstandigheid dat deze verklaring van de verdachte mag worden verlangd, houdt niet in dat het aan de verdachte is om aannemelijk te maken dat het voorwerp niet van misdrijf afkomstig is.\n\nAls de verdachte zo'n verklaring heeft gegeven, ligt het op weg van het Openbaar Ministerie nader onderzoek te doen naar die verklaring. Mede op basis van de resultaten van dat onderzoek zal moeten worden beoordeeld of, ondanks de verklaring van de verdachte, het witwassen bewezen kan worden op de grond dat het niet anders kan zijn dan dat het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is. Wanneer na dit onderzoek een legale herkomst met voldoende mate van zekerheid kan worden uitgesloten, staat vast dat het voorwerp een criminele herkomst heeft.\n\nBeoordeling\n\nDe hierboven onder vaststaande feiten weergegeven bevindingen en de resultaten van de iCOV-bevraging met betrekking tot de verdachte en medeverdachte [medeverdachte] bieden zonder meer grondslag voor een vermoeden van witwassen.\n\nDaar staat tegenover dat de verdachte heeft verklaard dat zij in aanwezigheid van de medeverdachte [medeverdachte] het horloge heeft gekocht bij [naam horlogewinkel] voor € 36.500,-, waarbij zij een ander horloge heeft ingeruild en een bedrag van € 19.500,- contant heeft bijbetaald. Daarnaast heeft zij verklaard dat zij dit horloge heeft kunnen kopen van het geld (de overwaarde) dat zij na verkoop van een woning op haar rekening gestort heeft gekregen. Ter onderbouwing van deze verklaring heeft zij (schermopnames van) bankafschriften verstrekt waaruit volgens haar zou moeten volgen dat zij een groot bedrag heeft ontvangen van de notaris en in een korte periode meermaals contante bedragen heeft opgenomen. Ook heeft zij de onder feit 2 ten laste gelegde factuur verstrekt van de aankoop van genoemde Rolex bij [naam horlogewinkel] .\n\nDeze verklaring is naar oordeel van de rechtbank concreet en verifieerbaar en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijk.\n\nHet Openbaar Ministerie heeft vervolgens aanvullend onderzoek verricht naar de verklaring van de verdachte. Uit dit onderzoek volgt dat de verdachte € 115.438,27 op haar bankrekening gestort heeft gekregen na verkoop van haar woning en zij daarna in een korte periode meerdere keren grote bedragen contant van haar bankrekening heeft opgenomen.\n\nDaarnaast is nader onderzoek verricht door de eigenaar van [naam horlogewinkel] , de heer [naam 1] , als getuige te horen. [naam 1] heeft tegenover de politie verklaard dat hij de door de verdachte aangeleverde factuur niet heeft opgesteld, dat hij de verdachte niet kent, dat de handtekening op de factuur niet van hem is en dat hij maar één horloge heeft verkocht van het type dat bij de medeverdachte [medeverdachte] is aangetroffen en dat dat aan een man was. [naam 1] is ook gehoord als getuige in een procedure die de verdachte is gestart bij de rechtbank om het horloge terug te krijgen. [naam 1] heeft toen onder meer verklaard dat hij twee horloges van dat type heeft verkocht, waarvan hij er één heeft verkocht aan een zekere [naam 2] . Na zijn verhoor bij de politie heeft [naam 1] een factuur met hetzelfde factuurnummer overgelegd aan de politie. Die factuur verschilt op meerdere punten van de door de verdachte overgelegde factuur.\n\nVerder onderzoek heeft het Openbaar Ministerie niet verricht.\n\nDe rechtbank is van oordeel dat de verklaring van [naam 1] , met name bezien zijn tweede, op sommige punten tegenstrijdige, verklaring in de civiele procedure, aanknopingspunten biedt voor nader onderzoek. Zo had de administratie van [naam 1] kunnen worden onderzocht of de heer [naam 2] worden gehoord. Dat is echter niet gebeurd. Het dossier bevat ook geen verdere objectieve gegevens die de verklaring van [naam 1] ondersteunen, noch gegevens waaruit volgt dat de door de verdachte gegeven verklaring onmogelijk of onjuist is anders dan de verklaring van [naam 1] . Daarmee resteert in essentie de verklaring van de verdachte tegenover de verklaring van [naam 1] .\n\nGelet op het bovenstaande heeft het Openbaar Ministerie naar oordeel van de rechtbank onvoldoende onderzoek verricht naar de verklaring van de verdachte. Dat betekent dat niet met voldoende zekerheid kan worden uitgesloten dat het horloge een legale herkomst heeft, waardoor niet kan worden bewezen dat het horloge afkomstig is uit enig misdrijf. Dat betekent dat niet is bewezen dat de verdachte het horloge heeft witgewassen, zodat zij daarvan moet worden vrijgesproken.\n\nValsheid in geschrift\n\nTen aanzien van de ten laste gelegde valsheid in geschrifte overweegt de rechtbank als volgt. Het verrichte onderzoek heeft niet uitgewezen dat de inhoud van de factuur onjuist is. De door de verdachte gegeven uitleg is weliswaar niet bevestigd, maar evenmin voldoende weerlegd. De rechtbank is van oordeel dat nader onderzoek, dat hiervoor duidelijkheid had kunnen verschaffen, ontbreekt.\n\nOnder deze omstandigheden kan niet wettig en overtuigend worden bewezen dat de factuur vals of vervalst is. De verdachte zal daarom ook van dit feit worden vrijgesproken.3. Beslissing\n\nDe rechtbank:\n\nVrijspraak\n\nverklaart niet bewezen dat de verdachte de feiten heeft gepleegd en spreekt de verdachte daarvan vrij.4. Samenstelling rechtbank en ondertekening\n\nDit vonnis is gewezen door:\n\nmr. R.H. Kroon, voorzitter,\n\nen mrs. J.C. Tijink en Y. Peters, rechters,\n\nin tegenwoordigheid van mr. L.R. van Zaanen, griffier,\n\nen uitgesproken op de openbare zitting van deze rechtbank op 7 juli 2026.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2026:8068","ecli-nl-rbrot-2026-8068",{"courtName":6,"legalDomain":40,"decisionType":22,"procedureType":23},{"id":63,"ecli":64,"caseNumber":14,"courtId":5,"courtName":14,"decisionDate":27,"fullText":65,"language":7,"source":17,"sourceUrl":66,"summary":14,"slug":67,"metadata":68},"1227","ECLI:NL:RBROT:2026:8071","Rechtbank Rotterdam\n\nMeervoudige kamer strafzaken\n\nParketnummer: 10\u002F009948-25\n\nDatum uitspraak: 7 juli 2026\n\nDatum zitting: 23 juni 2026\n\nTegenspraak\n\nVerdachte:\n\n [verdachte] ,\n\ngeboren op [geboortedatum] 1965 in [geboorteplaats] ,\n\ningeschreven op het adres: [adres 1] , [postcode] te [woonplaats] .\n\nAdvocaat van de verdachte: mr. N. Hendriksen\n\nOfficier van justitie: mr. W.L. van Prooijen\n\nKern van het vonnis\n\nDe verdachte wordt veroordeeld voor het medeplegen van het verrichten van voorbereidingshandelingen voor de invoer van cocaïne. De rechtbank legt een gevangenisstraf op voor de duur van 12 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk.1. Tenlastelegging\n\nDe volledige tenlastelegging (hierna beschuldiging) houdt in dat:\n\nhij op of omstreeks 20 december 2022 te Rotterdam (Maasvlakte)\n\ntezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen\n\nom een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet,\n\nvoor te bereiden en\u002Fof te bevorderen,\n\nte weten\n\n- het opzettelijk binnen en\u002Fof buiten het grondgebied van Nederland brengen,\n\n- het opzettelijk telen, bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken en\u002Fof vervoeren, en\u002Fof\n\n- het opzettelijk vervaardigen\n\nvan 70,05 kilogram cocaïne, in elk geval een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van de Opiumwet\n\n- een ander heeft getracht te bewegen om dat feit te plegen, te doen plegen, mede te plegen en\u002Fof uit te lokken, om daarbij behulpzaam te zijn en\u002Fof om daartoe gelegenheid, middelen en\u002Fof inlichtingen te verschaffen,\n\n- zich en\u002Fof een ander gelegenheid, middelen en\u002Fof inlichtingen tot het plegen van dat feit heeft getracht te verschaffen,\n\n- voorwerpen, vervoermiddelen, stoffen, gelden en\u002Fof andere betaalmiddelen voorhanden heeft gehad, waarvan hij, verdachte en\u002Fof zijn\u002Fhaar mededaders, wist(en) of ernstige reden had(den) om te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van dat feit, door\n\n-de container van het haventerrein op te halen en\u002Fof\n\n-zich te begeven naar een loods te [plaats] en\u002Fof\n\n-in voornoemde loods de container heeft laten openen en\u002Fof betreden en\u002Fof\n\ndoorzoeken, teneinde\n\nde achterwand van de container te verwijderen om de aanwezigheid van de cocaïne te controleren en\u002Fof die cocaïne uit die zeecontainer te (laten) verwijderen.2. Bewijs2.1.. \n\nVordering van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte moet worden veroordeeld voor het feit.2.2.. \n\nConclusie van de verdediging\n\nDe verdediging heeft vrijspraak bepleit voor het feit. Het standpunt van de verdediging zal, voor zover van belang, bij de beoordeling van het bewijs worden besproken.2.3.. Oordeel van de rechtbank2.3.1.. \n\nBewezenverklaring en bewijsmiddelen\n\nBewezen is dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van het verrichten van voorbereidingshandelingen voor de invoer van cocaïne. De volledige bewezenverklaring is vermeld in paragraaf 2.3.3.\n\nDe bewezenverklaring van het feit is gebaseerd op de hieronder opgenomen inhoud van de bewijsmiddelenen de onderstaande bewijsmotivering.\n\n1. Proces-verbaal van de politie\n\nOp 19 december 2022 kwam container [containernummer] in de haven van Rotterdam aan met het containerschip [naam schip] . De container was geladen met druiven, afkomstig uit Peru en de ontvanger was het bedrijf [naam bedrijf 1] . te Ridderkerk. Na aankomst in de haven van Rotterdam werd de container gecontroleerd door de douane en tijdens deze controle werden er in de achterwand van deze container 70 pakketten (70.05 kilogram) cocaïne aangetroffen. Nadat de verdovende middelen waren verwijderd, werd de container weer teruggeplaatst op de ECT Delta Terminal.\n\nTevens bleek dat de container op 20 december 2022 omstreeks 08.03 uur was uitgehaald door chauffeur [verdachte] met gebruikmaking van zijn truck gekentekend [kentekennummer 1] , namens het transportbedrijf [naam bedrijf 2] . De container was na het uithalen vervoerd naar het bedrijf [naam bedrijf 3] . te Hoek van Holland. Uit de gegevens van het douanesysteem AFIS bleek dat de container diezelfde dag ook leeg was ingeleverd om 13.45 uur.\n\n2. Proces-verbaal van de politie\n\nOp 19 december 2022 werd ik gebeld door de wachtcommandant van Douanekantoor Rotterdam Haven. Hij vertelde mij dat door speurhondengeleiders van Douane Rotterdam Haven, in een container, vermoedelijk verdovende middelen waren aangetroffen.\n\nTer plaatse aangekomen op wees een speurhondengeleider mij een container aan voorzien van een uniek nummer [containernummer]\n\nIk zag dat de lading was gelost. Wij hebben vervolgens een gedeelte van het kopschot verwijderd en zagen daarachter in de luchtkanalen een onbekende hoeveelheid pakketten vermoedelijk verdovende middelen zitten. Vervolgens heb ik de 70 pakketten vermoedelijk verdovende middelen in beslag genomen op grond van de Opiumwet.\n\nBerekening netto gewicht\n\nNetto gewicht van 1 pakket = 7005,5 \u002F 7 = 1000,78 gram\n\nNetto gewicht 70 pakketten = 1000,78 gram x 70 pakketten= 70.05 kilogram\n\nVervolgens maakte ik ter begeleiding van de 7 gripzakjes inhoudende circa 3 gram witte poederachtige substantie een aanvraagformulier ten behoeve van de analyse door Douanelaboratorium. Hierna werden alle gripzakjes aangeboden bij het Douanelaboratorium. D0115954NL, D0115953NL, D0115952NL, D0115951NL, D0115950NL, D0115949NL, D0115948NL.\n\n3. Deskundigenverslag\n\nOp 03-01-2023 ontving ik een verzegelde plastic zak met daarin:\n\nD011954NL) een plastic zakje met wit, korrelig materiaal\n\nD011953NL) een plastic zakje met wit, korrelig materiaal\n\nD011952NL) een plastic zakje met wit, korrelig materiaal\n\nD011951NL) een plastic zakje met wit. korrelig materiaal\n\nD011950NL) een plastic zakje met wit, korrelig materiaal\n\nD011949NL) een plastic zakje met wit, korrelig materiaal\n\nD011948NL) een plastic zakje met wit, korrelig materiaal\n\nHet materiaal werd onderzocht. Hierbij werd vastgesteld dat het materiaal van alle bovenvermelde SIN-nummers cocaïne bevatte. Deze substantie is vermeld op lijst I, behorende bij de Opiumwet.\n\n4. Proces-verbaal van de politie\n\nOp 13 juni 2023 werd in het kader van onderzoek 03Farao een doorzoeking gedaan in de woning van verdachte [medeverdachte] . Bij deze doorzoeking werd een Apple iPhone 7 in beslag genomen.\n\nIn dit proces-verbaal worden specifiek twee video's beschreven die zijn aangetroffen in de iPhone 7.\n\nDe twee video's zijn op 11 april 2023 door het telefoonnummer [gsm-nummer 1] met naam \" [naam 1] \" (geïdentificeerd als zijnde [medeverdachte] ) via Signal verstuurd\n\nBeschrijving videodeel 1\n\nIk zie vervolgens dat de vrachtwagen met de container achterwaarts verder het terrein op komt rijden. Ik zie tegelijkertijd linksboven in beeld een man aan komen lopen richting de ingang van de loods (NNman1).\n\nIk zie dat de vrachtwagen dichter naar de ingang van de loods rijdt. Ik zie nu op de container het containernummer [containernummer] en [kenmerk] staan. Ik zie dat de oplegger voorzien is van kenteken [kentekennummer 2] .\n\nIk zie dat de camera weer beweegt naar de achterzijde van de vrachtwagen. Ik zie aan de linkerzijde (bestuurderszijde) van de vrachtwagen een man in beeld komen (NNman2). Omdat hij van de bestuurderszijde van de vrachtwagen aan komt lopen vermoed ik dat hij de chauffeur van vrachtwagen is.\n\nIk zie dat NNman2 verder de loods in loopt. Vervolgens zie ik een andere man (NNman3) in beeld komen. Deze persoon draagt zwarte handschoenen en een zwarte bivakmuts over het hoofd. Ik zie dat NNman2 de man met de bivakmuts (NNman3) een hand geeft.\n\nIk zie dat NNman3 naar de container loopt en de vergrendeling van de container vast pakt. Ik zie dat tegelijkertijd NNman2 een andere persoon met zwarte handschoen en zwarte mouw (NNpersoon4) een boks geeft.\n\nIk zie dat NNman3 de vergrendeling van de container los maakt en de rechterdeur van de container opent.\n\nIk zie dat NNman3 richting de houten kast rechts in de loods loopt. Ik zie op deze kast een opengeklapte zwarte laptop en daarnaast een lichtblauwe weegschaal staan.\n\nIk zie dat NNman2 de container in kijkt. Ik zie vervolgens dat de inhoud van de container nog even gefilmd wordt. Ik zie dat de container geen lading in de laadruimte bevat.\n\nBeschrijving video deel 2\n\nIk zie dat Nnman3 naar de open container loopt. Ik zie dat hij een rood doosje, een schroefboormachine en nog wat gereedschap bij zich heeft en dit in de container zet. Ik zie dat hij via het keukentrapje in de container klimt.\n\nIk zie dat degene die aan het filmen is ook naar de container verplaatst, in de container komt en vervolgens de binnenzijde van de container filmt. Ik zie dat het containernummer [containernummer] , welke ook in de binnenzijde van de container staat, gefilmd wordt.\n\nIk zie dat NNman3 de schroefboormachine tegen de achterwand houdt.\n\nIk zie dat het NNman3 lukt om de schroef uit de achterwand te schroeven. Ik zie hem de schroef op de grond leggen en vervolgens met de schroefboormachine naar een andere schroef in de achterwand van de container gaan. Vervolgens wordt de video beëindigd.\n\nLocatie\n\nDoor mij is de locatie op de [adres 2] in [plaats] bekeken op Google maps \u002F streetview. Ik zag dat de omgeving van deze locatie overeenkwam met het bedrijventerrein wat zichtbaar is op de video. Hieruit maak ik op dat de video's zijn gemaakt in de loods van het bedrijf op de [adres 2] in [plaats] . Deze loods ligt op circa 24 kilometer afstand ten zuiden van de Rotterdamse haven.\n\nVrachtwagen\n\nIn de video wordt de container vervoerd met een vrachtwagen oplegger met het kenteken [kentekennummer 2] . Uit de politiesystemen blijkt dat dit kenteken sinds 01-09-2020 op naam staat van rechtspersoon [naam verhuurbedrijf] De gevolmachtigde van [naam verhuurbedrijf] is [verdachte] ( [geboortedatum] -1965).\n\nDoor mij is de rijbewijsfoto van [verdachte] bekeken. Ik zag hierbij zeer sterke gelijkenissen met NNman2 welke zichtbaar is in de video. Ik zie overeenkomsten in het donkere haar (op de video wordt het haar wat langer gedragen), de oren, wenkbrauwen, neus mond en kin\u002Fonderkin. Op basis van bovenstaande identificeer ik NNman2 als zijnde [verdachte] .\n\nDoor mij is in de iPhone 7 van [medeverdachte] gezocht op de roepnaam \" [naam 2] \" om te onderzoeken of hij mogelijk contact heeft gehad met [verdachte] . Ik zag in de contactenlijst van het toestel twee maal de naam [naam 2] staa:\n\n [naam 3] - [gsm-nummer 2]\n\n [naam 4] - + [gsm-nummer 3]\n\nMij is ambtshalve bekend dat met \"Tp\" transport bedoeld wordt. Dit sluit dus aan bij NNman2 die de chauffeur van de vrachtwagen met container lijkt te zijn. Het telefoonnummer [gsm-nummer 2] komt in de politiesystemen voor en is gekoppeld aan [verdachte] . Ik zag dat er op 10 april 2023 20 24 uur verzonden werden) door [accountnaam 1] ( [medeverdachte] ) het WhatsApp bericht \"Hey maat kan je op onze vriend reageren .!” gestuurd werd naar [accountnaam 2] .\n\n5. Verhoor van de verdachte\n\n0: Zoals reeds eerder in het vorige verhoor werd aangegeven was container [containernummer] beladen met druiven en moest deze in opdracht van [naam bedrijf 1] gelost worden bij [naam bedrijf 3] te Hoek van Holland en na lossing leeg weer ingeleverd worden op de Maasvlakte. U bent echter met deze lege container naar een loods gelegen aan de [adres 2] te [plaats] gereden.\n\n0: Wij tonen de verdachte drie snapshots uit de getoonde filmpjes en hebben deze snapshots genummerd en als bijlage bij dit proces-verbaal gevoegd. 2408201255.D01, D02 en D03.\n\nV: Bent u dat op dat beeld?\n\nA: Ja dat ben ik.\n\nV: Waar kent u deze personen van?\n\nA: Ik heb ze in de loods gezien.\n\nV: Waarom moest de persoon met de bivakmuts de container openen, de container in klimmen en boren\u002Fschroeven in de achterwand van deze container?\n\nV: Vond je dat niet vreemd?\n\nA: Tuurlijk is dat vreemd, maar er zat niks achter die wand, ik heb gezien dat de achterwand werd los gemaakt.\n\n2.3.2.. \n\nBewijsmotivering\n\nStandpunt verdediging\n\nHet kan niet worden bewezen dat de verdachte opzet had, ook niet in voorwaardelijke zin, op het plegen van voorbereidingshandelingen voor de invoer van cocaïne. Met de verklaring van de verdachte bij de politie dient behoedzaam te worden omgegaan, omdat hem is gevraagd naar gebeurtenissen eind 2023 terwijl de zaak zich afspeelde eind 2022.\n\nVaststaande feiten\n\nOp 19 december 2022 is een container met containernummer [containernummer] (hierna: de container) in de haven van Rotterdam binnengekomen die afkomstig was uit Peru. De container is gecontroleerd en na het losschroeven van de achterwand werden 70 pakketten aangetroffen. Uit onderzoek door het NFI is gebleken dat deze pakketten in totaal 70,05 kilogram cocaïne bevatten. Nadat de pakketten waren verwijderd, werd de container weer teruggeplaatst op de ECT Delta Terminal. De verdachte heeft de container vervolgens op 20 december 2022 opgehaald met behulp van zijn vrachtwagen. In een in een ander strafrechtelijk onderzoek in beslag genomen video is de truck met de container te zien terwijl deze een loods in [plaats] binnenrijdt. Ook de verdachte komt in beeld terwijl hij een hand geeft aan een persoon die een bivakmuts draagt. Deze persoon schroeft vervolgens de achterwand van de container los. Verder bevindt het telefoonnummer van de verdachte zich in de telefoon van diegene bij wie de video is aangetroffen.\n\nVerklaring verdachte\n\nDe verdachte heeft tijdens zijn politieverhoren verklaard dat hij inderdaad in de loods aanwezig is geweest, dat hij de container heeft vervoerd en naar de loods heeft gebracht, dat hij te zien is op de video, dat hij het wel vreemd vond dat in de loods door iemand met een bivakmuts over zijn gezicht de achterwand van de container werd opengeschroefd, maar dat hij dit alles onder bedreiging had gedaan. Ter terechtzitting heeft hij zijn verklaring deels gewijzigd in die zin dat hij niet onder bedreiging met de container naar de loods was gegaan en dat er niets uit de container zou worden gehaald maar dat hij de container daar in het kader van zijn reguliere werkzaamheden moest laten controleren. Hij heeft aangevoerd dat hem tijdens de verhoren ten onrechte het jaartal 2023 is voorgehouden, waardoor hij dacht dat de vragen betrekking hadden op een incident uit 2023. Daardoor zou hij gebeurtenissen met elkaar hebben verward.\n\nDe rechtbank acht deze verklaring op de terechtzitting niet geloofwaardig. Indien de verdachte daadwerkelijk in de veronderstelling verkeerde dat hem vragen werden gesteld over een andere gebeurtenis, had het op zijn weg gelegen dit reeds tijdens zijn tweede verhoor, dat ongeveer twee weken na het eerste verhoor plaatsvond, naar voren te brengen. Dat heeft hij niet gedaan. Daarbij betrekt de rechtbank tevens dat de verdachte heeft verklaard slechts eenmaal in [plaats] te zijn geweest en slechts eenmaal te zijn benaderd. Dat maakt zijn beroep op een vergissing ten aanzien van de gebeurtenissen des te minder geloofwaardig.\n\nDe rechtbank gaat daarom uit van de verklaring van de verdachte bij de politie, met dien verstande dat niet is gebleken van enige dwang of dreiging jegens de verdachte zoals de verdachte in eerste instantie heeft gesteld. De video toont dat de verdachte zich direct na aankomst in de loods begeeft naar de aanwezige personen, hun begroet door ze een hand dan wel een boks te geven en vervolgens aanwezig blijft terwijl de achterwand van de container wordt losgeschroefd. Deze gedragingen zijn naar het oordeel van de rechtbank niet verenigbaar met de aanvankelijke stelling van de verdachte dat er sprake was van dwang of dreiging.\n\nTer zitting heeft de verdachte gezegd dat hij niet wist dat zich verdovende middelen in de vrachtwagen bevonden. Ook deze verklaring acht de rechtbank niet geloofwaardig. Alleen al niet omdat degene die in het bijzijn van de verdachte in de container de achterwand openschroefde een bivakmuts droeg, hetgeen duidt op illegale activiteiten. Daarnaast neemt de rechtbank in aanmerking dat het een feit van algemene bekendheid is dat personen die betrokken zijn bij het vervoer van een zeer waardevolle illegale lading, zoals een grote hoeveelheid cocaïne, het transport daarvan in de regel niet overlaten aan een willekeurige of onwetende derde.\n\nOordeel rechtbank\n\nGelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de verdachte wetenschap had van het criminele karakter van het transport en nauw en bewust heeft meegewerkt aan het vervoer van de container naar een andere locatie dan het officiële afleveradres met als doel daar cocaïne uit te halen. Door als chauffeur het transport naar de loods in [plaats] te verzorgen, heeft hij een wezenlijke en significante bijdrage geleverd aan de voorbereidingshandelingen gericht op de invoer van cocaïne.\n\nDe rechtbank acht daarom wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het in vereniging verrichten van voorbereidingshandelingen voor de invoer van cocaïne.2.3.3.. Volledige bewezenverklaring\n\nBewezen is dat:\n\nhij op of omstreeks 20 december 2022 te Rotterdam (Maasvlakte)\n\ntezamen en in vereniging met een of meeranderen,althans alleen\n\nom een feit, bedoeld in het vierde ofvijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet,\n\nvoor te bereiden en\u002Fof te bevorderen,\n\nte weten\n\n- het opzettelijk binnen en\u002Fof buitenhet grondgebied van Nederland brengen,\n\n- het opzettelijk telen, bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken en\u002Fof vervoeren, en\u002Fof\n\n- het opzettelijk vervaardigen\n\nvan 70,05 kilogram cocaïne, in elk geval een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van de Opiumwet\n\n- een ander heeft getracht te bewegen om dat feit te plegen, te doen plegen, mede te plegen en\u002Fof uit te lokken, om daarbij behulpzaam te zijn en\u002Fof om daartoe gelegenheid, middelen en\u002Fof inlichtingen te verschaffen,\n\n- zich en\u002Fof een ander gelegenheid enmiddelenen\u002Fof inlichtingentot het plegen van dat feit heeft getracht te verschaffen,\n\n- voorwerpen,eenvervoermiddelen, stoffen, gelden en\u002Fof andere betaalmiddelenvoorhanden heeft gehad, waarvan hij, verdachte en\u002Fofzijn\u002Fhaarmededaders, wist(en) of ernstige reden had(den) om te vermoedendatzijhetbestemdwarenwastot het plegen van dat feit, door\n\n-de container van het haventerrein op te halen en\u002Fof\n\n-zich te begeven naar een loods te [plaats] en\u002Fof\n\n-in voornoemde loods de container heeft laten openen en\u002Fof betreden en\u002Fof\n\ndoorzoeken, teneinde\n\nde achterwand van de container te verwijderen om de aanwezigheid van de cocaïne te controleren en\u002Fof die cocaïne uit die zeecontainer te (laten) verwijderen.3. Kwalificatie en strafbaarheid3.1.. \n\nKwalificatie\n\nHet bewezen feit levert het volgende strafbare feit op:\n\nmedeplegen van om een feit, bedoeld in het vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden of te bevorderen, een ander gelegenheid en middelen tot het plegen van dat feit trachten te verschaffen en een vervoermiddel voorhanden hebben, waarvan hij weet dat het bestemd is tot het plegen van dat feit\n\n3.2.. \n\nStrafbaarheid van het feit en van de verdachte\n\nHet feit en de verdachte zijn strafbaar.4. Straf4.1.. \n\nEis van de officier van justitie\n\nDe verdachte moet worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, met daaraan verbonden een proeftijd voor de duur van 3 jaren.4.2.. \n\nStandpunt van de verdediging\n\nDe verdediging heeft geen strafmaatverweer gevoerd.4.3.. Oordeel van de rechtbank4.3.1.. \n\nErnst en omstandigheden van het feit\n\nDe verdachte is als chauffeur betrokken geweest bij voorbereidingshandelingen met betrekking tot cocaïne. Hij heeft een container opgehaald en naar een andere locatie gebracht voordat hij de container bij het officiële afleveradres afleverde, zodat op de tussenlocatie de cocaïne uit de container kon worden gehaald. Het is\n\nalgemeen bekend dat (hard)drugs schadelijk zijn en daarmee een ernstige bedreiging\n\nvormen voor de volksgezondheid. Daarnaast is het een feit van algemene bekendheid dat een aanmerkelijk deel van de criminaliteit waarmee de maatschappij te maken heeft, direct of indirect haar oorsprong vindt in het gebruik van drugs. De verdachte heeft bij het plegen\n\nvan de feiten kennelijk alleen oog gehad voor zichzelf en zich laten leiden door zijn eigen financiële gewin, zonder zich te bekommeren om de gezondheidsrisico’s voor anderen of de\n\nnadelige gevolgen van de mogelijk daarmee gepaard gaande criminaliteit.4.3.2.. \n\nPersoon en persoonlijke omstandigheden\n\nStrafblad\n\nUit het strafblad (uittreksel justitiële documentatie) van 1 juni 2026 blijkt dat de verdachte in de afgelopen vijf jaar niet eerder onherroepelijk is veroordeeld voor een soortgelijk strafbaar feit. Verder volgt uit het strafblad van de verdachte dat artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht van toepassing is.4.3.3.. \n\nOplegging straf\n\nGelet op de ernst van het strafbare feit is een gevangenisstraf de enige passende straf. Bij het bepalen van die strafsoort en de duur daarvan houdt de rechtbank rekening met straffen die in soortgelijke zaken zijn opgelegd. Hierbij is ook rekening gehouden met de LOVS-oriëntatiepunten. Deze oriëntatiepunten zijn binnen de rechtspraak ontwikkeld om in vergelijkbare zaken zoveel mogelijk gelijk te straffen en vormen een vertrekpunt bij het bepalen van de straf.\n\nGelet op het voorgaande wordt een gevangenisstraf van twaalf maanden opgelegd, waarvan zes maanden voorwaardelijk. Het voorwaardelijk strafdeel heeft ook als doel te voorkomen dat de verdachte in de toekomst opnieuw een strafbaar feit pleegt.\n\nDe gevangenisstraf zal worden tenuitvoergelegd binnen de penitentiaire inrichting, totdat de verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma.5. Wettelijke voorschriften\n\nDe oplegging van deze straf is gebaseerd op de artikelen 14a, 14b, 14c, 47 en 63 van het Wetboek van Strafrecht en het artikel 10a van de Opiumwet.6. Beslissingen\n\nDe rechtbank:\n\nBewezenverklaring\n\nverklaart bewezen dat de verdachte het feit, zoals in hoofdstuk 2 is omschreven, heeft gepleegd;\n\nKwalificatie en strafbaarheid\n\nstelt vast dat het bewezenverklaarde oplevert het in hoofdstuk 3 vermelde strafbare feit;\n\nverklaart de verdachte strafbaar;\n\nStraf\n\nGevangenisstraf\n\nveroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf van 12 maanden;\n\nVoorwaardelijk strafdeel\n\nbepaalt dat 6 maanden van deze gevangenisstrafniet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders beslist;\n\nverbindt hieraan een proeftijd, die wordt gesteld op 3 jaar, waarbij tot tenuitvoerlegging van het voorwaardelijke gedeelte van de straf kan worden beslist als de verdachte de onderstaande voorwaarde niet naleeft;\n\nstelt als algemene voorwaarde dat:\n\n- de verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet aan een strafbaar feit schuldig maakt.7. Samenstelling rechtbank en ondertekening\n\nDit vonnis is gewezen door:\n\nmr. R.H. Kroon, voorzitter,\n\nen mrs. J.C. Tijink en Y. Peters, rechters,\n\nin tegenwoordigheid van mr. L.R. van Zaanen, griffier,\n\nen uitgesproken op de openbare zitting van deze rechtbank op 7 juli 2026.\n\nMr. J.C. Tijink is niet in de gelegenheid dit vonnis te ondertekenen.\n\n De exacte vindplaatsen van de bewijsmiddelen zijn genoemd in de bijbehorende voetnoot. Als wordt verwezen naar paginanummers, wordt - tenzij anders vermeld - gedoeld op paginanummers uit het zaaksdossier met nummer [dossiernummer] .\n\n Proces-verbaal van bevindingen, pagina’s 28 tot en met 29.\n\n Proces-verbaal van bevindingen, pagina’s 36 tot en met 42.\n\n Rapport van het Nederlands Forensisch Instituut met kenmerk [kenmerknummer] , pagina 53.\n\n Proces-verbaal van bevindingen, pagina’s 1 tot en met 27.\n\n Proces-verbaal verhoor verdachte op 13 september 2024, pagina’s 68 tot en met 72.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2026:8071","ecli-nl-rbrot-2026-8071",{"courtName":6,"legalDomain":40,"decisionType":22,"procedureType":23},{"id":70,"ecli":71,"caseNumber":14,"courtId":5,"courtName":14,"decisionDate":27,"fullText":72,"language":7,"source":17,"sourceUrl":73,"summary":14,"slug":74,"metadata":75},"1221","ECLI:NL:RBROT:2026:8067","Rechtbank Rotterdam\n\nMeervoudige kamer strafzaken\n\nParketnummers: 10\u002F073695-26, 10\u002F008304-26 en 10\u002F353396-25 (gevoegd ter terechtzitting)\n\nParketnummers vordering tenuitvoerlegging (TUL): 10\u002F329152-22 en 10\u002F201224-24\n\nDatum uitspraak: 7 juli 2026\n\nDatum zitting: 23 juni 2026\n\nTegenspraak\n\nVerdachte:\n\n [verdachte] ,\n\ngeboren op [geboortedatum 1] 2005 in [geboorteplaats 1] ( [geboorteland] ),\n\ningeschreven op het adres [adres 1] , [postcode] te [woonplaats] ,\n\ngedetineerd in de penitentiaire inrichting [naam P.I.] , [detentieafdeling] .\n\nAdvocaat van de verdachte: mr. M.R. de Kok\n\nOfficier van justitie: mr. R.J.E. Planken\n\nBenadeelde partij: [benadeelde]\n\nKern van het vonnis\n\nDe verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan meerdere vermogensdelicten, vernieling en het overtreden van een gedragsaanwijzing. Omdat de vernieling niet aan de verdachte is toe te rekenen, wordt hij ten aanzien daarvan ontslagen van alle rechtsvervolging. De overige feiten worden de verdachte in verminderde mate toegerekend. Aan de verdachte wordt een gevangenisstraf opgelegd van 9 maanden, waarvan 3 maanden voorwaardelijk, met aftrek van voorarrest. Aan het voorwaardelijk strafdeel worden bijzondere voorwaarden verbonden. De vorderingen tot tenuitvoerlegging worden afgewezen.1. Tenlastelegging\n\nDe volledige tenlastelegging (hierna beschuldiging) houdt in dat:\n\nParketnummer 10\u002F073695-26\n\n1\n\nhij op of omstreeks 9 maart 2026 te Rotterdam, althans in Nederland,\n\n50 euro, althans een geldbedrag, in elk geval enig goed, dat\u002Fdie geheel of ten dele\n\naan [slachtoffer 1] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen\n\nmet het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen\n\nwelke diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en\u002Fof gevolgd van geweld en\u002Fof\n\nbedreiging met geweld tegen die [slachtoffer 1] ,\n\ngepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en\u002Fof gemakkelijk te\n\nmaken, en\u002Fof om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf hetzij de vlucht\n\nmogelijk te maken hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door voornoemd\n\ngeldbedrag onverhoeds uit de hand van die [slachtoffer 1] en\u002Fof gleuf van de\n\npinautomaat te grissen en\u002Fof weg te pakken en\u002Fof zich te verzetten tegen die [slachtoffer 1] en\u002Fof zich los te rukken.\n\n2\n\nhij op of omstreeks 9 maart 2026 te Rotterdam, althans in Nederland,\n\n150 euro, althans een geldbedrag bestaande uit meerdere bankbiljetten, in elk geval\n\nenig goed, dat\u002Fdie geheel of ten dele aan de Albert Heijn (vestiging [adres 2] , Rotterdam), in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft\n\nweggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen\n\nwelke diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en\u002Fof gevolgd van geweld en\u002Fof\n\nbedreiging met geweld tegen [slachtoffer 2] ,\n\ngepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en\u002Fof gemakkelijk te\n\nmaken, en\u002Fof om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf hetzij de vlucht\n\nmogelijk te maken hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door\n\n- onverhoeds in de kassalade van de kassa waaraan die [slachtoffer 2] op dat moment werkzaam was te graaien, en\u002Fof\n\n- vervolgens voormeld geldbedrag uit die kassa te grissen en\u002Fof rukken.\n\n3\n\nhij op of omstreeks 10 maart 2026 te Rotterdam, althans in Nederland,\n\n100 euro, althans een geldbedrag, in elk geval enig goed, dat\u002Fdie geheel of ten dele\n\naan [slachtoffer 3] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n)heeft weggenomen met het\n\noogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen\n\nwelke diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en\u002Fof gevolgd van geweld en\u002Fof\n\nbedreiging met geweld tegen die [slachtoffer 3] ,\n\ngepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en\u002Fof gemakkelijk te\n\nmaken, en\u002Fof om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf hetzij de vlucht\n\nmogelijk te maken hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door voornoemd\n\ngeldbedrag onverhoeds uit de hand van die [slachtoffer 3] te grissen en\u002Fof trekken\n\nParketnummer 10\u002F353396-26\n\nhij op of omstreeks 29 december 2025 te Rotterdam,\n\nopzettelijk en wederrechtelijk\n\neen of meerdere ruiten, in elk geval enig goed, dat\u002Fdie geheel of ten dele aan een\n\nander, te weten aan [slachtoffer 4] en\u002Fof Woningstichting Woonstad Rotterdam,\n\ntoebehoorde\n\nheeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt en\u002Fof weggemaakt.\n\nParketnummer 10\u002F008304-25\n\nhij op of omstreeks 8 januari 2026 te Rotterdam\n\nopzettelijk\n\nheeft gehandeld in strijd met een gedragsaanwijzing gegeven krachtens artikel\n\n509hh, eerste lid, onderdeel b van het Wetboek van Strafvordering, te weten de\n\ngedragsaanwijzing d.d. 30 december 2025, gegeven door de officier van justitie te\n\nRotterdam\n\ndoor kort weergegeven inhoudende dat hij, verdachte:\n\n- zich niet zal ophouden in\u002Fop\u002Frond de Josephstraat 52 te Rotterdam en\n\n- zich zal onthouden van contact met [slachtoffer 4] , geboren [geboortedatum 2] 2002, [naam 1] , geboren op [geboortedatum 3] 2012,\n\n [naam 2] , geboren [geboortedatum 4] 2019,\n\n [naam 3] , geboren [geboortedatum 5] 1974,\n\n [naam 4] , geboren [geboortedatum 6] 2008,\n\ndoor zich op te houden in\u002Fop\u002Frond de [adres 3] en\u002Fof contact op te nemen\n\nmet die [naam 4] .2. Bewijs2.1.. \n\nVordering van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte moet worden veroordeeld voor alle feiten. Ten aanzien van feit 2 onder parketnummer 10\u002F073695-26 heeft zij vrijspraak gevorderd voor het bestanddeel geweld.2.2.. \n\nConclusie van de verdediging\n\nDe verdediging heeft zich ten aanzien van feit 1 onder parketnummer 10\u002F073695-26 en de feiten onder parketnummers 10\u002F008304-26 en 10\u002F353396-25 gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. Ten aanzien van feit 2 en feit 3 onder parketnummer 10\u002F073695-26 heeft de verdediging aangevoerd dat het bestanddeel geweld niet kan worden bewezen en daarvoor vrijspraak bepleit.\n\n2.3.. Oordeel van de rechtbank2.3.1.. \n\nBewezenverklaring en bewijsmiddelen\n\nDe volledige bewezenverklaring is vermeld in paragraaf 2.3.3.\n\nDe bewezenverklaring is gebaseerd op de inhoud van de bewijsmiddelen. De verdachte heeft de feiten onder parketnummers 10\u002F008304-26 en 10\u002F353396-25 bekend en er is geen vrijspraak bepleit. Daarom worden voor deze feiten de bewijsmiddelen hieronder wel genoemd maar niet uitgeschreven. Ook ten aanzien van feit 2 onder parketnummer 10\u002F073695-26 wordt volstaan met een opsomming van de bewijsmiddelen.\n\nParketnummer 10\u002F073695-26\n\nFeit 2\n\nDe bekennende verklaring van de verdachte op de terechtzitting van 23 juni 2026;\n\nHet proces-verbaal van aangifte nummer [nummer proces-verbaal 1] (pagina’s 40 en 41 van het zaaksdossier), inhoudende als verklaring van de aangever [naam 5] ;\n\nHet proces-verbaal van politie nummer [nummer proces-verbaal 2] (pagina’s 1 en 2 van het aanvullend proces-verbaal behorende bij het zaaksdossier), inhoudende als relaas van de verbalisant [naam 6] .\n\nParketnummer 10\u002F008304-26\n\nDe bekennende verklaring van de verdachte op de terechtzitting van 23 juni 2026;\n\nHet proces-verbaal van politie nummer [nummer proces-verbaal 3] , (pagina’s 9 en 10 van het zaaksdossier), inhoudende als relaas van de verbalisanten [naam 7] en [naam 8] of één van hen;\n\nEen ander geschrift, te weten een gedragsaanwijzing in de zaak met parketnummer 10\u002F353396-25.\n\nParketnummer 10\u002F353396-25\n\nDe bekennende verklaring van de verdachte op de terechtzitting van 23 juni 2026;\n\nHet proces-verbaal van aangifte nummer [nummer proces-verbaal 4] , (pagina’s 7 en 8 van het zaaksdossier), inhoudende als verklaring van de aangeefster [slachtoffer 4] .\n\nDe bewezenverklaring van feit 1 en feit 3 onder parketnummer 10\u002F073695-26 is gebaseerd op de hieronder opgenomen inhoud van de bewijsmiddelenen de onderstaande bewijsmotivering.\n\nFeit 1\n\n1. Verklaring van de verdachte\n\nOp 9 maart 2026 was ik bij de Geldmaat in Rotterdam. Ik heb toen 50 euro gepakt uit de gleuf van een geldautomaat terwijl dat geld van iemand anders was.\n\n2. Proces-verbaal van de politie\n\nOp 9 maart 2026, omstreeks 08:30 uur bevond ik mij op het Binnenwegplein 6A te Rotterdam. Ik liep bij de Geldmaat naar binnen. Ik stond bij de pinautomaat en ik wilde 100 euro contant storten op mijn bankrekening. Ik voelde en zag ineens achter mij een man. Ik zag dat de man zijn hand bij de gleuf van de pinautomaat hield, om mijn contante geld te pakken. Ik draaide mij om en ik pakte de man bij zijn jas vast. De man probeerde naar de uitgang te lopen. Dit is de man uiteindelijk gelukt. De man heeft uiteindelijk 50 euro contant bij zich kunnen houden.\n\n3. Proces-verbaal van de politie\n\nOp 9 maart 2026, omstreeks 08.29 uur, vond er bij de Geldmaat Binnenwegplein in Rotterdam een diefstal plaats. Van de diefstal zijn camerabeelden aanwezig van Geldmaat Binnenwegplein in Rotterdam. De camerabeelden voor de diefstal op 9 maart 2026 betreffen camerabeelden op de datum van 9 maart 2026 tussen de tijdstippen 08.15 uur en 08.45 uur.\n\nBestandnaam stream 3:\n\n(..)\n\n08.30: Ik zie dat de persoon zijn zwarte rugtas op zijn borst draagt en naar de vrouw bij de geldautomaat kijkt. Ik zie dat de persoon naast haar gaat staan bij de geldautomaat. Ik zie dat de persoon veel om zich heen kijkt. Ik zie dat de persoon een snelle beweging naar de vrouw maakt bij de geldautomaat. Ik zie dat de man naar het geld grijpt uit de geldautomaat waar de vrouw bij staat. Ik zie dat de vrouw de persoon tegen wil houden. Ik zie dat de persoon zich verzet en zich losrukt en vervolgens de Geldmaat Binnenwegplein in Rotterdam uitrent. Ik zie dat de vrouw verbaasd om zich heen kijkt en vervolgens weer verder achter de persoon loopt die weggerend is.\n\nFeit 3\n\n1. Verklaring van de verdachte\n\nOp 10 maart 2026 was ik bij de Geldmaat in Rotterdam. Ik heb toen 100 euro gepakt uit de handen van een mevrouw die daar net geld had gepind.\n\n2. Proces-verbaal van de politie\n\nOp 10 maart 2026 omstreeks 09:45 uur, stond ik binnen bij de geldautomaat welke is gevestigd op het Binnenwegplein 6A Rotterdam. Ik had mijn bankpas in de automaat gestopt. Ik voerde mijn pincode in en drukte op 100 euro en koos voor twee biljetten van 50 euro. Ik zag dat er twee biljetten van 50 euro uit de automaat kwam. Ik haalde de biljetten eruit en begon de biljetten te vouwen. Terwijl ik aan het vouwen was met mijn beide handen draaide ik mij om richting de uitgang omdat ik naar buiten wilde lopen. Ik zag opeens dat de twee biljetten welke ik net had gevouwen uit mijn handen werd getrokken. Ik tilde mijn hoofd op en ik zag dat er een jongen tegenover mij stond. Ik zag dat de dader zich omdraaide en naar buiten rende.\n\n3. Proces-verbaal van de politie\n\nOp 10 maart 2026, om 09.44 uur, vond er een diefstal met geweld plaats bij de Geldmaat op het Binnenwegplein. Van de diefstal met geweld zijn camerabeelden aanwezig.\n\nIk, verbalisant, zag op stream 4 het volgende: Ik zag dat er een vrouw de ruimte inliep. Ik zag dat zij door de ingang liep om 09.43 uur in de richting van de automaten.\n\nIk, verbalisant, herkende haar door het signalement uit de aangifte als: [slachtoffer 3] , geboren op [geboortedatum 7] -1980 te [geboorteplaats 2] .\n\nIk zag dat er een man de ruimte inliep. Ik zag dat hij door de ingang liep om 09.44 uur in de richting van de automaten.\n\n Ik, verbalisant, herkende deze man onmiddellijk als zijnde aangehouden verdachte: [verdachte] , geboren op [verdachte] -2005 te [geboorteplaats 1] .\n\nIk zag [slachtoffer 3] om 09.43 uur in beeld komen. Ik zag dat [slachtoffer 3] vanaf de ingang naar een automaat liep. Ik zag dat ze een pas in de automaat stopte. Ik zag om 09.44 dat [voornaam verdachte] vanaf de ingang naar binnen liep. Ik zag dat [slachtoffer 3] met haar rechterhand iets uit de automaat pakte. Ik zag dat [voornaam verdachte] linksachter op ongeveer een meter afstand van [slachtoffer 3] ging staan. Ik zag dat [slachtoffer 3] iets uit de automaat pakte dat leek op biljetten en deze met beide handen vastpakte. Ik zag dat [voornaam verdachte] zich verplaatste en rechtsachter op ongeveer een meter afstand van [slachtoffer 3] ging staan en tegelijk nog steeds constant naar [slachtoffer 3] keek. Ik zag dat [slachtoffer 3] zich rechtsom wegdraaide van de automaat. Ik zag dat [voornaam verdachte] met veel kracht met 2 handen iets uit [slachtoffer 3] haar handen pakte. Ik zag dat hierdoor [slachtoffer 3] een stukje werd meegetrokken. Ik zag dat [voornaam verdachte] zich met de biljetten in zijn hand omdraaide en wegrende naar de uitgang. Ik zag dat [slachtoffer 3] achter [voornaam verdachte] aanrende.2.3.2.. \n\nBewijsmotivering\n\nDe rechtbank is gelet op de inhoud van de hierboven opgenomen bewijsmiddelen van oordeel dat de verdachte bij feit 1 en feit 3 ook geweld heeft gebruikt bij de diefstal. In geval van feit 1 bestond het geweld uit het weggrissen van het geld en het zich lostrekken uit de greep van de aangeefster. In geval van feit 3 bestond het geweld uit het (met kracht) trekken van het geld uit de handen van de aangeefster waardoor deze een stukje werd meegetrokken. Met de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat de verdachte moet worden vrijgesproken van het gebruiken van geweld bij het plegen van feit 2.2.3.3.. Volledige bewezenverklaring\n\nBewezen is dat:\n\nParketnummer 10\u002F073695-26\n\n1\n\nhij op of omstreeks9 maart 2026 te Rotterdam,althans in Nederland,\n\n50 euro, althans een geldbedrag, in elk geval enig goed, dat\u002Fdiegeheel of ten dele\n\naan [slachtoffer 1] , in elk geval aan een andertoebehoorde(n)heeft weggenomen\n\nmet het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen\n\nwelke diefstal werd voorafgegaan,vergezeld en\u002Fofgevolgd van gewelden\u002Fof\n\nbedreiging met geweldtegen die [slachtoffer 1] ,\n\ngepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en\u002Fofgemakkelijk te\n\nmaken, en\u002Fofom, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf hetzij de vlucht\n\nmogelijk te maken hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door voornoemd\n\ngeldbedrag onverhoeds uit de hand van die [slachtoffer 1] en\u002Fofgleuf van de\n\npinautomaat te grissen en\u002Fofweg te pakken en\u002Fofzich te verzetten tegen die [slachtoffer 1] en\u002Fofzich los te rukken.\n\n2\n\nhij op of omstreeks9 maart 2026 te Rotterdam,althans in Nederland,\n\n150 euro, althans een geldbedrag bestaande uit meerdere bankbiljetten, in elk geval\n\nenig goed, dat\u002Fdiegeheel of ten deleaan de Albert Heijn (vestiging\n\n [adres 2] , Rotterdam), in elk geval aan een ander toebehoorde(n)heeft\n\nweggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen\n\nwelke diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en\u002Fof gevolgd van geweld en\u002Fof\n\nbedreiging met geweld tegen [slachtoffer 2] ,\n\ngepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en\u002Fof gemakkelijk te\n\nmaken, en\u002Fof om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf hetzij de vlucht\n\nmogelijk te maken hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door\n\n- onverhoeds in de kassalade van de kassa waaraan die [slachtoffer 2] op dat moment werkzaam was te graaien, en\u002Fof\n\n- vervolgens voormeld geldbedrag uit die kassa te grissen en\u002Fof rukken.\n\n3\n\nhij op of omstreeks10 maart 2026 te Rotterdam,althans in Nederland,\n\n100 euro, althans een geldbedrag, in elk geval enig goed, dat\u002Fdiegeheel of ten dele\n\naan [slachtoffer 3] , in elk geval aan een andertoebehoorde(n)heeft weggenomen met het\n\noogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen\n\nwelke diefstal werd voorafgegaan,vergezelden\u002Fof gevolgdvan gewelden\u002Fof\n\nbedreiging met geweld tegen die [slachtoffer 3] ,\n\ngepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en\u002Fofgemakkelijk te maken,en\u002Fof om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren,door voornoemd geldbedrag onverhoeds uit de hand van die [slachtoffer 3] tegrissen en\u002Foftrekken\n\nParketnummer 10\u002F353396-26\n\nhij op of omstreeks29 december 2025 te Rotterdam,\n\nopzettelijk en wederrechtelijk\n\neen ofmeerdere ruiten,in elk geval enig goed, dat\u002Fdie geheel of ten dele aan een\n\nander, te weten aan [slachtoffer 4] en\u002Fof Woningstichting Woonstad Rotterdam, toebehoorden\n\nheeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt en\u002Fof weggemaakt.\n\nParketnummer 10\u002F008304-25\n\nhij op of omstreeks8 januari 2026 te Rotterdam\n\nopzettelijk\n\nheeft gehandeld in strijd met een gedragsaanwijzing gegeven krachtens artikel 509hh, eerste lid, onderdeel b van het Wetboek van Strafvordering, te weten de gedragsaanwijzing d.d. 30 december 2025, gegeven door de officier van justitie te Rotterdam\n\ndoorkort weergegeven inhoudende dat hij, verdachte:\n\n- zich niet zal ophouden in\u002Fop\u002Frond de Josephstraat 52 te Rotterdam en\n\n- zich zal onthouden van contact met [slachtoffer 4] , geboren [geboortedatum 1] 2002, [naam 1] , geboren op [geboortedatum 3] 2012,\n\n [naam 2] , geboren [geboortedatum 4] 2019,\n\n [naam 3] , geboren [geboortedatum 5] 1974,\n\n [naam 4] , geboren [geboortedatum 1] 2008,\n\ndoor zich op te houden in\u002Fop\u002Frond de [adres 3] en\u002Fofcontact op te nemen\n\nmet die [naam 4] .3. Kwalificatie en strafbaarheid3.1.. \n\nKwalificatie\n\nDe bewezen feiten leveren de volgende strafbare feiten op:\n\nParketnummer 10\u002F073695-26\n\n1. diefstal, vergezeld en gevolgd van geweld, gepleegd tegen personen met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken en om, bij betrapping op heter daad, aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren;\n\n2. diefstal;\n\n3. diefstal, vergezeld van geweld, gepleegd tegen personen met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken;\n\nParketnummer 10\u002F353396-26\n\nopzettelijk handelen in strijd met een gedragsaanwijzing, gegeven krachtens artikel 509hh, eerste lid, onderdeel b, van het Wetboek van Strafvordering;\n\nParketnummer 10\u002F008304-25\n\nopzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen.\n\n3.2.. \n\nStrafbaarheid van de feiten\n\nDe feiten zijn strafbaar.3.3.. \n\nStrafbaarheid van de verdachte\n\nDe verdachte is onderzocht door psychiater [naam 9] . Uit zijn rapport van 15 mei 2026 volgt dat bij de verdachte sprake is van een psychotische stoornis met gehoorhallucinaties en achtervolgingswaandenkbeelden, een stoornis in het gebruik van cannabis en zwakbegaafdheid dan wel een licht verstandelijke beperking. Ten tijde van de feiten waren deze stoornissen aanwezig. Ten aanzien van de vernieling (parketnummer 10\u002F008304-25) overweegt de psychiater dat de verdachte door waandenkbeelden ervan overtuigd was dat zijn zussen en moeder werden aangevallen en dat de verdachte hen wilde beschermen door de ruiten in te gooien. De psychiater adviseert daarom dit feit bij een bewezenverklaring in het geheel niet aan de verdachte toe te rekenen. Met betrekking tot de overige feiten kan aan de ene kant een materieel motief in overweging worden genomen en anderzijds de floride psychotische ziekteverschijnselen van de verdachte, met affectieve en cognitieve beperkingen, ook van zijn vermogen tot oordeel en kritiek. De psychiater adviseert bij een bewezenverklaring deze feiten in verminderde mate toe te rekenen aan de verdachte.\n\nDe rechtbank verenigt zich met bovenstaande conclusies van de psychiater en neemt deze over. De vernieling kan daarom niet aan de verdachte worden toegerekend. Dat betekent dat de verdachte voor dat feit niet strafbaar is en dat hij daarvoor zal worden ontslagen van alle rechtsvervolging. Ten aanzien van de overige feiten is de rechtbank van oordeel dat deze feiten in verminderde mate aan de verdachte kunnen worden toegerekend. De verdachte is echter wel strafbaar, omdat geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid volledig uitsluiten. De rechtbank zal bij de strafoplegging rekening houden met de verminderde mate van toerekenbaarheid.4. Straf4.1.. \n\nEis van de officier van justitie\n\nDe verdachte moet voor de feiten worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren en daaraan verbonden de bijzondere voorwaarden als geadviseerd door de reclassering.4.2.. \n\nStandpunt van de verdediging\n\nDe verdediging heeft bepleit dat het jeugdstrafrecht moet worden toegepast. De verdediging is van mening dat de verdachte al langer in voorarrest heeft gezeten dan de straf die moet worden opgelegd, maar de verdediging vindt het belangrijker dat de verdachte niet op straat wordt gezet zonder hulp.4.3.. Oordeel van de rechtbank4.3.1.. \n\nErnst en omstandigheden van de feiten\n\nDe verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een reeks strafbare feiten. Ten eerste heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan het overtreden van een gedragsaanwijzing die de verdachte was opgelegd. Daarmee heeft de verdachte inbreuk gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van de personen ten aanzien van wie het contact- en locatieverbod was opgelegd. Daarnaast heeft de verdachte zich in twee dagen tijd schuldig gemaakt aan drie vermogensdelicten, te weten twee diefstallen met geweld en een winkeldiefstal. Dergelijke diefstallen zorgen voor gevoelens van angst en onrust bij de slachtoffers en in de samenleving. Met zijn handelen heeft de verdachte laten zien dat hij de lichamelijke integriteit en het eigendom van anderen niet respecteert.4.3.2.. \n\nPersoon en persoonlijke omstandigheden\n\nStrafblad\n\nUit het strafblad (uittreksel justitiële documentatie) van 1 juni 2026 blijkt dat de verdachte eerder is veroordeeld voor onder meer een vermogensdelict.\n\nPro Justitia rapport en reclasseringsadvies\n\nUit het rapport van de psychiater dat hiervoor is besproken volgt dat bij de verdachte sprake is van meerdere stoornissen. De psychiater acht het van belang dat de verdachte hiervoor wordt behandeld. De verdachte dient aanvankelijk klinisch te worden behandeld in een Forensisch Psychiatrische Kliniek (hierna: FPK) voor zijn psychotische stoornis. Aansluitend dient resocialisatie plaats te vinden via beschermd of begeleid wonen en ambulante nazorg onder toezicht van de reclassering. Dit dient vormgegeven te worden in het kader van bijzondere voorwaarden bij een voorwaardelijk strafdeel naast de eerder afgegeven zorgmachtiging.\n\nUit het reclasseringsadvies van Leger des Heils van 15 juni 2026 volgt dat de reclassering op vrijwel alle leefgebieden van de verdachte problemen ziet. De psychische problematiek van de verdachte is het meest prominent aanwezig en behoeft direct behandeling in een klinische vorm. Het vanaf januari 2025 lopende toezicht bij de reclassering heeft niet geleid tot verbetering van de situatie van de verdachte. De opname die in de afgegeven zorgmachtiging is opgenomen, wordt als niet toereikend geacht. Tevens wordt de verdachte bij elke instelling waar hij is aangemeld afgewezen, omdat zij niet de passende hulp kunnen bieden bij de aanwezige problematiek. Een klinische opname wordt als enige haalbare mogelijkheid gezien. Vanwege de reeds lopende zorgmachtiging kan de FPK waar de verdachte is aangemeld hem op dit moment niet opnemen. Zij hebben de verdachte op een wachtlijst geplaatst. Daarna kunnen zij de verdachte wel opnemen in de kliniek. Derhalve acht de reclassering het van belang dat de verdachte in detentie zal verblijven tot de zorgmachtiging is afgelopen. De zorgmachtiging loopt tot 2 september 2026. De reclassering adviseert het volwassenstrafrecht toe te passen en om bij een veroordeling een (deels) voorwaardelijke straf met bijzondere voorwaarden op te leggen.4.3.3.. Oplegging straf\n\nDe verdediging heeft bepleit dat het jeugdstrafrecht dient te worden toegepast. De rechtbank ziet gelet op de persoon van de verdachte en de uitgebrachte rapportages hiertoe geen aanleiding.\n\nGelet op de ernst van de strafbare feiten en het strafblad van de verdachte is een gevangenisstraf noodzakelijk. Het opleggen van een ander soort straf is niet passend. Bij het\n\nbepalen van die strafsoort en de duur daarvan houdt de rechtbank rekening met straffen die\n\nin soortgelijke zaken zijn opgelegd, het strafblad van de verdachte en het gegeven dat de feiten hem in verminderde mate kunnen worden toegerekend. Ook is rekening gehouden met de LOVS-oriëntatiepunten. Deze oriëntatiepunten zijn binnen de rechtspraak ontwikkeld om in vergelijkbare zaken zoveel mogelijk gelijk te straffen en vormen een vertrekpunt bij het bepalen van de straf. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de eis van de officier van justitie aan de hoge kant is. Aan de verdachte wordt daarom een gevangenisstraf van 9 maanden, met aftrek van voorarrest,\n\nwaarvan 3 maanden voorwaardelijk, opgelegd. De rechtbank verbindt aan de\n\nvoorwaardelijke straf een proeftijd van 2 jaren en de bijzondere voorwaarden die de\n\nreclassering heeft geadviseerd. De voorwaardelijke straf en bijzondere voorwaarden zijn\n\nbedoeld om de kans op herhaling van het plegen van nieuwe strafbare feiten te verkleinen.5. In beslag genomen voorwerpen5.1.. \n\nStandpunt van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft gevorderd dat het geldbedrag van € 100,- dat in beslag is genomen in de zaak met parketnummer 10\u002F073695-26 aan de rechthebbende moet worden teruggegeven.5.2.. \n\nStandpunt van de verdediging\n\nDe verdediging heeft geen standpunt ingenomen ten aanzien van het beslag.5.3.. Oordeel van de rechtbank5.3.1.. \n\nTeruggave\n\nDe rechtbank beslist tot de teruggave van het in beslag genomen geldbedrag van € 100,- aan degene die redelijkerwijs als rechthebbende kan worden aangemerkt, namelijk [slachtoffer 3] .6. Vordering van de benadeelde partij6.1.. \n\nVordering [benadeelde]\n\n heeft als benadeelde partij voor feit 3 onder parketnummer 10\u002F073695-26 € 100,- als vergoeding voor materiële schade gevorderd, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.6.2.. \n\nOordeel van de rechtbank\n\nUit hetgeen hiervoor onder hoofdstuk 5 is overwogen, volgt dat het in beslag genomen geldbedrag van € 100,- aan de benadeelde partij zal worden teruggeven. Daarmee is er niet langer sprake van de door artikel 361 Wetboek van Strafvordering vereiste rechtstreekse schade, zodat de benadeelde partij niet-ontvankelijk zal worden verklaard in de vordering.\n\n6.3.. \n\nProceskosten\n\nDe rechtbank veroordeelt de benadeelde partij in de proceskosten die de verdachte heeft gemaakt bij de verdediging van de vordering, omdat de benadeelde partij niet-ontvankelijk wordt verklaard in haar vordering. Deze kosten worden tot vandaag begroot op € 0.7. Vordering tot tenuitvoerlegging7.1.. \n\nVordering\n\nParketnummer 10\u002F329152-22\n\nDe officier van justitie heeft voorafgaand aan de zitting een vordering ingediend tot tenuitvoerlegging van de aan de verdachte voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf van 77 dagen, omdat de verdachte zich niet heeft gehouden aan de algemene voorwaarde dat hij zich niet opnieuw schuldig zal maken aan strafbare feiten.\n\nParketnummer 10\u002F201224-24\n\nDe officier van justitie heeft voorafgaand aan de zitting een vordering ingediend tot tenuitvoerlegging van de aan de verdachte voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf van 13 dagen, omdat de verdachte zich niet heeft gehouden aan de bijzondere voorwaarden dat de verdachte mee zou werken aan een behandelverplichting en zich zou inzetten voor het vinden en behouden van betaald werk, onbetaald wek en\u002Fof vrijetijdsbesteding.7.2.. \n\nStandpunt van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft zich tijdens de zitting op het standpunt gesteld dat de vorderingen moeten worden afgewezen en dat de in de zaken met parketnummers 10\u002F329152-22 en 10\u002F201224-24 gesteldevoorwaarden moeten worden gewijzigd naar de voorwaarden die in dit vonnis worden opgelegd.7.3.. \n\nStandpunt van de verdediging\n\nDe verdediging heeft bepleit dat de vorderingen moeten worden afgewezen.7.4.. \n\nOordeel van de rechtbank\n\nDe nu bewezen feiten zijn tijdens de proeftijd gepleegd en door het plegen van de feiten heeft de verdachte zich niet gehouden aan de onder parketnummer 10\u002F329152-22 gestelde voorwaarde geen strafbare feiten te plegen. Blijkens het advies van 4 november 2025 van de reclassering heeft de verdachte zich onvoldoende gehouden aan meerdere bijzondere voorwaarden die hem waren opgelegd.\n\nDe rechtbank ziet toch af van de tenuitvoerlegging, omdat zij dit niet opportuun acht gezien de op te leggen straf en het daarnaast in het belang van de verdachte is dat hij zo snel mogelijk behandeling ondergaat. De vorderingen worden dus afgewezen. Wel zullen de voorwaarden worden gewijzigd, omdat in dit vonnis ook voorwaarden aan de verdachte worden opgelegd en het in het belang van de verdachte is dat de voorwaarden die zijn verbonden aan de drie vonnissen gelijkluidend zijn.\n\nDe voorwaarden opgelegd in de vonnissen van 15 oktober 2024 en 26 oktober 2023 worden gewijzigd, namelijk zoals hieronder omschreven bij het in dit vonnis voorwaardelijk opgelegde strafdeel.8. Wettelijke voorschriften\n\nDe oplegging van deze straf is gebaseerd op de artikelen 14a, 14b, 14c, 57, 184a, 310 en 312 van het Wetboek van Strafrecht.9. Beslissingen\n\nDe rechtbank:\n\nBewezenverklaring\n\nverklaart bewezen dat de verdachte de feiten onder parketnummers 10\u002F073695-26, 10\u002F008304-26 en 10\u002F353396-25, zoals in hoofdstuk 2 is omschreven, heeft gepleegd;\n\nKwalificatie en strafbaarheid\n\nstelt vast dat het bewezenverklaarde oplevert de in hoofdstuk 3 vermelde strafbare feiten;\n\nverklaart de verdachte voor het bewezenverklaarde feit onder parketnummer 10\u002F353396-25 niet strafbaar en ontslaat de verdachte voor dat feit van alle rechtsvervolging;\n\nverklaart de verdachte ten aanzien van de andere strafbare feiten strafbaar;\n\nStraf\n\nGevangenisstraf\n\nveroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf van 9 maanden;\n\nVoorwaardelijk strafdeel\n\nbepaalt dat 3 maanden van deze gevangenisstrafniet ten uitvoer zullen worden gelegd, tenzij de rechter later anders beslist;\n\nverbindt hieraan een proeftijd, die wordt gesteld op 2 jaar,waarbij tot tenuitvoerlegging van het voorwaardelijke gedeelte van de straf kan worden beslist als de verdachte een van de onderstaande voorwaarden niet naleeft;\n\nstelt als algemene voorwaarde dat:\n\n- de verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet aan een strafbaar feit schuldig maakt;\n\nstelt als bijzondere voorwaarden dat:\n\nde verdachte zich gedurende de proeftijd meldt op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken zijn;\n\nde verdachte zich tijdens de proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt, laat opnemen in en behandelen door De Woenselse Poort of een soortgelijke Forensische zorginstelling, te bepalen door de voor plaatsing verantwoordelijke instantie. De opname start zo spoedig mogelijk nadat de proeftijd is gestart en zodra de plaatsing mogelijk is. De zorginstelling bepaalt de wijze van behandeling. De behandeling is gericht op behandeling van de psychotische stoornis, de stoornis in het gebruik van cannabis, ondersteuning ten aanzien van zwakbegaafdheid en in het herstellen van de relatie met zijn ouders en zus. Gelet op de problematiek kan onderdeel van de behandeling zijn dat de verdachte voorgeschreven medicatie zal gebruiken. De verdachte houdt zich aan de huisregels en aanwijzingen van de zorginstelling en de behandelaren. Als de reclassering een overgang naar ambulante zorg of verblijf in een instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang nodig vindt, werkt de verdachte mee aan de indicatiestelling en plaatsing;\n\nde verdachte zich aansluitend aan de klinische opname, gedurende de proeftijd laat behandelen door een nader door de reclassering te bepalen zorgverlener, zolang de reclassering de behandeling nodig vindt. De behandeling start aansluitend op de klinische opname. De zorgverlener bepaalt de wijze van behandeling. De behandeling is gericht op psychische problematiek, verslavingsproblematiek en ondersteuning op praktische leefgebieden. Gelet op de problematiek kan onderdeel van de behandeling zijn dat de verdachte voorgeschreven medicatie zal gebruiken;\n\nde verdachte aansluitend op de klinische opname, gedurende de proeftijd of zoveel korter als de reclassering dat nodig vindt, verblijft in een nader door de reclassering te bepalen instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang. Het verblijf start aansluitend op de klinische opname. De verdachte houdt zich aan de huisregels en het dagprogramma dat de instelling in overleg met de reclassering opstelt;\n\nde verdachte gedurende de proeftijd geen verdovende middelen genoemd in lijst I (harddrugs), lijst II (softdrugs) en geen middelen die vallen onder een stofgroep genoemd in lijst IA in de Opiumwet gebruikt, tenzij de reclassering toestemming heeft gegeven voor het gebruik. De verdachte moet gedurende de proeftijd meewerken aan controles. Dit kunnen zijn urineonderzoek\u002Fademonderzoek\u002Fspeekseltest. De reclassering bepaalt hoe vaak en met welk controlemiddel wordt gecontroleerd;\n\nde verdachte gedurende de proeftijd geen alcohol gebruikt, tenzij de reclassering toestemming heeft gegeven voor het gebruik. De verdachte moet gedurende de proeftijd meewerken aan controles. Dit kunnen zijn urineonderzoek\u002Fademonderzoek\u002Fspeekseltest. De reclassering bepaalt hoe vaak en met welk controlemiddel wordt gecontroleerd;\n\nde verdachte spant zich na de klinische opname in voor het vinden en behouden van betaald werk, onbetaald werk en\u002Fof vrijetijdsbesteding, met een vaste structuur. De dagbesteding draagt bij aan het voorkomen van delictgedrag;\n\ngeeft opdracht aan de reclassering om toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden. Hierbij gelden als voorwaarden dat de verdachte:\n\nmeewerkt aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een geldig identiteitsbewijs ter inzage aanbiedt om de identiteit vast te stellen;\n\nmeewerkt aan reclasseringstoezicht, waaronder het meewerken aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt;\n\nIn beslag genomen voorwerpen\n\n- beveelt de teruggave van een geldbedrag van € 100,- aan de rechthebbende;\n\nTenuitvoerlegging voorwaardelijke straffen (parketnummers10\u002F329152-22 en 10\u002F201224-24)\n\nwijst af de gevorderde tenuitvoerlegging van de in de vonnissen van 15 oktober 2024 en 26 oktober 2023 aan de verdachte opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraffen;\n\nwijzigt de voorwaarden verbonden aan deze vonnissen, als volgt, namelijk zoals hierboven omschreven bij het in dit vonnis voorwaardelijk opgelegde strafdeel;\n\nVordering benadeelde partij\n\nverklaart de benadeelde partij [benadeelde] niet-ontvankelijk in de vordering (feit 3 onder parketnummer 10\u002F073695-26);\n\nveroordeelt de benadeelde partij in de kosten die de verdachte heeft gemaakt voor de verdediging tegen de vordering, en begroot deze kosten op € 0.\n\n10. Samenstelling rechtbank en ondertekening\n\nDit vonnis is gewezen door:\n\nmr. R.H. Kroon, voorzitter,\n\nen mrs. J.C. Tijink en Y. Peters, rechters,\n\nin tegenwoordigheid van mr. L.R. van Zaanen, griffier,\n\nen uitgesproken op de openbare zitting van deze rechtbank op 7 juli 2026.\n\nMr. J.C. Tijink is niet in de gelegenheid dit vonnis te ondertekenen.\n\n De exacte vindplaatsen van de bewijsmiddelen zijn genoemd in de bijbehorende voetnoot. Als wordt verwezen naar paginanummers, wordt - tenzij anders vermeld - gedoeld op paginanummers uit het zaaksdossier met nummer [dossiernummer]\n\n Verklaard tijdens de zitting van 23 juni 2026.\n\n Proces-verbaal aangifte door [slachtoffer 1] van 9 maart 2026, pagina’s 9 tot en met 12.\n\n Proces-verbaal van bevindingen, pagina’s 34 tot en met 36.\n\n Verklaard tijdens de zitting van 23 juni 2026.\n\n Proces-verbaal aangifte van 10 maart 2026, pagina’s 16 tot en met 18.\n\n Proces-verbaal van bevindingen, pagina’s 29 tot en met 31.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2026:8067","ecli-nl-rbrot-2026-8067",{"courtName":6,"legalDomain":40,"decisionType":22,"procedureType":23},{"id":77,"ecli":78,"caseNumber":14,"courtId":5,"courtName":14,"decisionDate":79,"fullText":80,"language":7,"source":17,"sourceUrl":81,"summary":14,"slug":82,"metadata":83},"1628","ECLI:NL:RBROT:2026:7942","2026-07-06T00:00:00.000Z","Rechtbank Rotterdam\n\nMeervoudige kamer strafzaken\n\nParketnummer: 10.229131.25\n\nDatum uitspraak: 6 juli 2026\n\nDatum zitting: 22 juni 2026\n\nTegenspraak\n\nVerdachte:\n\n [verdachte] ,\n\ngeboren op [geboortedag] 2006 in [geboorteplaats] (O),\n\ningeschreven op het adres [adres 1] , [postcode] [woonplaats] ,\n\ngedetineerd in de penitentiaire inrichting (PI) [naam P.I.] .\n\nAdvocaat van de verdachte: mr. J-H.L.C.M. Kuijpers\n\nOfficier van justitie: mr. H.J. du Croix\n\nBenadeelde partijen:\n\n [benadeelde 1] , [benadeelde 2] en [benadeelde 3] , bijgestaan door mr. N. Amine\n\n [benadeelde 4] , bijgestaan door mr. J.F.I. Sahebdien\n\n [benadeelde 5] , bijgestaan door mr. J.F.I. Sahebdien, waarnemend voor mr. Y.N. Teke-Bozkurt\n\nKern van het vonnis\n\nDe rechtbank veroordeelt de verdachte voor het samen met een ander opzettelijk uitlokken van een gewapende overval op een juwelier, het opzettelijk uitlokken van een woningoverval en het proberen opzettelijk uit te lokken van een woningoverval. De rechtbank legt hem een gevangenisstraf op van vier jaar en wijst de schadeclaims van de slachtoffers (gedeeltelijk) toe.1. Tenlastelegging\n\nKort samengevat en voor zover van belang beschuldigt de officier van justitie de verdachte van een viertal strafbare feiten, te weten:\n\n1) het in de periode van 25 juni tot en met 8 juli 2025 (samen met anderen) uitlokken van een overval op een juwelier op 8 juli 2025 (medeplegen van diefstal met geweld in vereniging);\n\n2 en 3) het in de periode van 16 juni tot en met 4 juli 2025 uitlokken van een overval op een woning op 4 juli 2025 (medeplegen van afpersing in vereniging (feit 2) en medeplegen van diefstal met geweld in vereniging (feit 3));\n\n4) een poging tot het uitlokken van een diefstal met geweld (feit 4).\n\nDe volledige tenlastelegging is opgenomen in bijlage 1 bij dit vonnis.\n\n2. Bewijs2.1.. \n\nVordering van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld voor de (primaire) feiten.2.2.. \n\nConclusie van de verdediging\n\nDe raadsman van de verdachte heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte geen opzet heeft gehad op gebruik van geweld. Dat geldt zowel voor de woningoverval als bedoeld onder de feiten 2 en 3 in de tenlastelegging als voor de overval op de juwelier als bedoeld onder feit 1 in de tenlastelegging. De verdachte heeft dat opzet ontkend en het blijkt niet uit de bewijsmiddelen. Er is geen bewijs dat er afspraken zijn gemaakt over het gebruik van geweld. Het inslaan van de ruiten bij de juwelier levert braak op, geen geweld. “In de rechtspraak wordt met enige regelmaat vrijgesproken van betrokkenheid bij een diefstal met geweld, indien uit de bewijsmiddelen niet kan worden afgeleid dat de verdachte wetenschap had van het voorgenomen geweld of het gebruik van wapens door de uitvoerders”, aldus de raadsman onder verwijzing naar twee arresten van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.\n\nMet betrekking tot feit 4 heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat sprake is van vormverzuimen. Voor de doorzoeking in de hotelkamer geldt dat het dossier te weinig concrete en specifieke informatie bevat om te kunnen spreken van een redelijk vermoeden van aanwezigheid van wapens en munitie. Daarnaast ontbreekt in het dossier een schriftelijke machtiging van de rechter-commissaris voor het verrichten van onderzoek in de telefoon van de verdachte. Deze vormverzuimen dienen te leiden tot bewijsuitsluiting. Indien de rechtbank van oordeel is dat er geen sprake kan zijn van bewijsuitsluiting, stelt de raadsman zich op het standpunt dat de verdachte vrijgesproken dient te worden van de geweldscomponent. In de chatberichten wordt namelijk niet gesproken over het toepassen van geweld en de verdachte heeft daarop geen opzet gehad.2.3.. Oordeel van de rechtbank2.3.1.. \n\nBewezenverklaring en bewijsmiddelen\n\nBewezen is dat de verdachte twee keer (waarvan één keer samen met een ander) een diefstal met geweld in vereniging heeft uitgelokt (feiten 1 primair en 3 primair), een afpersing in vereniging heeft uitgelokt (feit 2) en heeft geprobeerd een diefstal met geweld uit te lokken (feit 4). De volledige bewezenverklaring is vermeld in paragraaf 2.3.3.\n\nDe bewezenverklaring van de feiten is gebaseerd op de in bijlage 2 opgenomen inhoud van de bewijsmiddelenen de onderstaande bewijsmotivering.2.3.2.. \n\nBewijsmotivering\n\nEr is sprake van uitlokking als de uitlokker de uitvoerder met de in artikel 47, eerste lid, aanhef en sub 2, van het Wetboek van Strafrecht genoemde middelen opzettelijk aanzet tot het plegen van een specifiek strafbaar feit en dit feit ook daadwerkelijk wordt gepleegd althans een poging of strafbare voorbereiding daartoe wordt ondernomen.Dit opzet dient in beginsel alle delictsbestanddelen te omvatten. Dat betekent echter niet dat de uitvoering precies moet gaan zoals de uitlokker heeft bedacht, als de uitlokker daar al een concreet idee over heeft. Dat de uitvoering anders is geweest dan de verdachte voor ogen heeft gestaan, hoeft niet af te doen aan het opzettelijk karakter van het uitlokken (HR 19 mei 1987, NJ 1988, 424). Zo heeft degene die uitlokt tot beroving in beginsel ook opzet op het daarvoor gebruikte geweld (HR 10 februari 1970, NJ 1970, 269).\n\nDe verdachte heeft verklaard dat hij informatie had over een kluis en over waardevolle spullen in de woning aan de [adres 2] in Berkel en Rodenrijs. Ook verklaarde hij dat hij in de ten laste gelegde periode deze informatie met anderen, waaronder de medeverdachte [medeverdachte 1] , had gedeeld. De verdachte zegt bij de eerste ontmoeting met de medeverdachte [medeverdachte 2] te hebben gesproken over de planning van de overval in Berkel en Rodenrijs. Ter zitting heeft de verdachte beaamd dat een overval meestal niet vriendelijk gebeurt. [medeverdachte 1] heeft volgens de verdachte alles verder geregeld en [medeverdachte 1] vertelde aan hem alles wat hij deed.\n\nWelke afspraken voorafgaand aan de overval op de woning precies zijn gemaakt, is onduidelijk. Anders dan de officier van justitie heeft gesteld kan, nu in de feiten 2 en 3 geen medeplegen van uitlokking is ten laste gelegd, niet worden bewezen dat de verdachte de overval op de woning heeft uitgelokt door datum en tijd door te geven waarop de overval moest plaatsvinden, door tegen de uitvoerders te zeggen wat zij moesten doen, de taken te verdelen en de verdeling van de buit te bepalen. Deze uitspraken heeft de verdachte wel gedaan in een chatgesprek op 24 juni 2025 (zaaksdossier [dossiernaam 1] , p. 207). Maar de personen die daar als uitvoerder worden aangesproken, hebben uiteindelijk de overval niet uitgevoerd. Uiteindelijk heeft de medeverdachte [medeverdachte 1] twee anderen geregeld om de overval uit te voeren en de datum bepaald (zaaksdossier [dossiernaam 1] , p. 406, [medeverdachte 1] : “ik heb 2 soldiers” en “morgenochtend gaat gebeuren, ik neem het ff over”, op 3 juli 2025).\n\nDat niet met zoveel woorden is ten laste gelegd dat de verdachte het feit heeft uitgelokt door het adres van de woning door te geven doet er niet aan af, dat de rechtbank dit gegeven wel meeweegt bij het bewijs van uitlokking. Niet alle uitlokkingsmiddelen behoeven immers met zoveel worden in de tenlastelegging te worden opgenomen.\n\nHoewel uit de uitgewisselde berichten van de verdachte niet is gebleken dat over toepassing van geweld werd gesproken, staat wel vast dat de verdachte zijn mededaders heeft uitgelokt tot het medeplegen van de diefstal dan wel afpersing zoals onder 2 en onder 3 is ten laste gelegd. Het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch heeft op 23 november 2002 overwogen dat een verdachte door het uitlokken van het medeplegen van diefstal bewust de aanmerkelijke kans aanvaardt dat het binnendringen van een woning met meerdere personen om de hennep weg te nemen, kan leiden tot het aanwenden van geweld jegens de bewoner van de woning, waarvan de verdachte bovendien wist dat hij in zijn woning aanwezig was (ECLI:NL:GHSHE:2022:4007). Het hof verklaarde uitlokking van diefstal in vereniging met geweld bewezen. De Hoge Raad heeft het tegen dit arrest gerichte cassatieberoep – waarbij het middel zich onder meer tegen het bewijs van dubbel opzet richtte – zonder motivering verworpen (HR 18 februari 2025, ECLI:NL:HR:2025:303).\n\nEen en ander leidt tot het oordeel dat de verdachte door het uitlokken van diefstal van sieraden uit (een kluis in) een woning terwijl hij moet hebben geweten dat een bewoner thuis was – hoe zouden de daders anders naar binnen gaan en zich toegang verschaffen tot de kluis zoals de bedoeling was – bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat het binnendringen in de woning zou leiden tot geweld tegen een of meer bewoners. Daaraan doen niet af de arresten van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarnaar de raadsman heeft gewezen, alleen al omdat deze niet gaan over uitlokking maar over medeplegen en medeplichtigheid.\n\nWel zal de rechtbank vrijspreken van de onder 2 en 3 ten laste gelegde uitlokking van diefstal met geweld en afpersing, voor zover het betrekking heeft op een vuurwapen. Het bewijs van het opzet op geweld dat voortvloeit uit de opzettelijke uitlokking van diefstal met geweld en afpersing gaat naar het oordeel van de rechtbank in dit geval niet zo ver, dat daaronder ook het opzet op wapengeweld kan worden gerekend.\n\nDie gedeeltelijke vrijspraak strekt zich overigens niet uit tot de tenlastelegging onder 1. De woning als bedoeld in de tenlastelegging onder 2 en 3 is overvallen op 4 juli 2025 en de juwelier als bedoeld in de tenlastelegging onder 1 is overvallen op 8 juli 2025. De verdachte heeft op de zitting gezegd dat hij van de overval op de woning op 4 juli 2025 kennis heeft genomen uit het nieuws. Hoewel niet bekend is van welk nieuwsbericht of nieuwsberichten de verdachte heeft kennisgenomen of wanneer hij dat heeft gedaan, kan het niet anders of hij heeft dat kort na de overval op de woning gedaan, terwijl die berichten minst genomen moeten hebben gemeld dat het om een gewapende overval is gegaan. Zo is in de telefoon van de medeverdachte [medeverdachte 2] een zoekslag [naam locatie]gevonden die heeft geleid naar een nieuwsbericht getiteld ‘Bewoners bedreigd met vuurwapen bij woningoverval [naam locatie] in Berkel en Rodenrijs’ (zaaksdossier [dossiernaam 1] , p. 116). En in de telefoon van de verdachte zelf werd een nieuwsbericht gevonden over de overval op de juwelier op 8 juli 2025 van de website politie.nl met als titel:vier mannen aangehouden op verdenking van gewapende overval op juwelier te Rotterdam(zaaksdossier [dossiernaam 1] , p. 403), wat laat zien dat de verdachte naar nieuws over de overval zoekt.Dit laat naar het oordeel van de rechtbank voldoende zien dat de nieuwsberichten over de woningoverval op 4 juli 2025 die de verdachte naar eigen zeggen heeft bekeken moeten hebben vermeld dat er sprake is geweest van een gewapende overval. Dat brengt mee dat de verdachte bij het aanzetten tot de overval op de juwelier op 8 juli 2025, die in elk geval door een deel van dezelfde daders zou worden uitgevoerd, ook willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat opnieuw een (vuur)wapen zou worden gebruikt.\n\nDe rechtbank verwerpt het verweer van de raadsman met betrekking tot het tenlastegelegde onder 4, dat sprake zou zijn van een tweetal vormverzuimen. De verdachte werd verdacht van betrokkenheid bij twee gewapende overvallen. Dit gegeven was voldoende aanleiding voor een doorzoeking als bedoeld in artikel 49 van de Wet wapens en munitie van de hotelkamer waarin hij werd aangehouden. De officier van justitie heeft met betrekking tot de inbeslagname van de telefoon en het onderzoek in de telefoon ter zitting het bevel en de beslissing van de rechter-commissaris verstrekt op dit punt (Landeck). Dit maakt dat het standpunt hiermee voldoende onderbouwd is weersproken.\n\n2.3.3.. Volledige bewezenverklaring\n\nBewezen is dat:\n\n1\n\nprimair[medeverdachte 3] en [medeverdachte 4] en [medeverdachte 2] en [medeverdachte 5] op 8 juli 2025te Rotterdam, tezamen en in vereniging diverse sieraden en\u002Fof displays, die geheel of ten dele aan Juwelier [naam juwelier] en\u002Fof [slachtoffer 1] , toebehoorde(n)hebbenweggenomen met het oogmerk omdiezich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl deze diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en\u002Fof gevolgd van geweld en\u002Fof bedreiging met geweld tegen [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] en omstanders, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door - met behulp van hamers de glazen voordeur eneenraam van het pand\u002Fde juwelier in te slaan en - een vuurwapen op omstanders te richten, en - gekleed in gezichtsbedekkende kleding het pand te betreden, en - de glazen toonbank met behulp vaneenhamer, in te slaan, en - (vervolgens) tassen te vullen met displays en sieraden\n\nwelk strafbaar feit hij, verdachte, in de periode van 25 juni 2025 tot en met 8 juli 2025 te Goor, althans in Nederland en\u002Fof Belgiëtezamen en in vereniging met een of meer anderen, opzettelijk heeft uitgelokt door misbruik van gezag, bedreiging en het verschaffen van inlichtingen, te weten door, - (via Signalberichten) die [medeverdachte 2] opdracht te geven om een vluchtauto te regelen en om samen met anderen de overval te plegen en\n\n- de locatie van de overval en de datum\u002Fhettijdstip van de overval door te geven, en - (via Signalberichten) die [medeverdachte 2] opdracht te geven om mokers en\u002Fof handschoenen aan te schaffen en\u002Fof geld te geven voor die aanschaf en\u002Fof een foto te sturen aan die [medeverdachte 2] van de moker die die [medeverdachte 2] moest halen, en - (via Signalberichten) die [medeverdachte 2] opdracht te geven om mededader(s) op te halen - en daarbij adressen te delen- en\u002Fof af te zetten in Rotterdam en - die [medeverdachte 2] te zeggen dat hij klaar moest staan;\n\n2 [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] en [medeverdachte 6] en [medeverdachte 7] en (een) onbekend gebleven perso(o)n(en) op 4 juli 2025 te Berkel en Rodenrijs, gemeente Lansingerland tezamen en in vereniging, met het oogmerk om zich en\u002Fof een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en\u002Fof bedreiging met geweld [slachtoffer 3] hebben gedwongen tot de afgifte van meerdere armbanden en eenketting die aan die [slachtoffer 3] toebehoorden door - de voordeur van de woning van die [slachtoffer 3] open te duwen en (vervolgens) naar binnen te gaan, gehuld in gezichtsbedekkende kleding, en - die [slachtoffer 3] bij de keel vast te pakken, en - (vervolgens) “money, money” te roepen naar die [slachtoffer 3] en tegen haar kinderen te zeggen dat zij, [slachtoffer 3] , geld dan wel waardevolle spullen moest afgeven,\n\nwelk strafbaar feit hij, verdachte, in de periode van 16 juni 2025 tot en met 4 juli 2025 te Goor, althans in Nederland en\u002Fof België, opzettelijk heeft uitgelokt door beloften en doormisbruik van gezag en het verschaffen van inlichtingen, te weten door - (via Signalberichten) [medeverdachte 1] opdracht te geven om een chauffeur te zoeken voor de overval en aan die [medeverdachte 1] te vragen wie de chauffeur is, en - (via Signalberichten) de uitvoerders te laten weten dat er een aanzienlijk geldbedrag in de woning ligt;\n\n3\n\nprimair[medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] en [medeverdachte 6] en [medeverdachte 7] en (een) onbekend gebleven perso(o)n(en) op 4 juli 2025 te Berkel en Rodenrijs, gemeente Lansingerland tezamen en in vereniging, meerdere armbanden eneenketting en meerdere horloges en meerdere telefoons die geheel aan [slachtoffer 3] toebehoorden hebben weggenomen met het oogmerk omdiezich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl deze diefstal werd voorafgegaanenvergezeld van geweld en\u002Fof bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer 3] en\u002Fof haar kinderen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door - de voordeur van de woning van die [slachtoffer 3] open te duwen en (vervolgens) naar binnen te gaan, gehuld in gezichtsbedekkende kleding, en - die [slachtoffer 3] bij de keel vast te pakken, en - (vervolgens) “money, money” te roepen naar die [slachtoffer 3] en tegen haar kinderen te zeggen dat zij, [slachtoffer 3] , geld dan wel waardevolle spullen moest afgeven, en - (vervolgens) die [slachtoffer 3] en haar kinderen te instrueren om tussen mededadersin naar boven te lopen, en - (vervolgens) armbanden eneenketting en horloges uit de (lades in de) slaapkamers te pakken,\n\nwelk strafbaar feit hij, verdachte, in de periode van 16 juni 2025 tot en met 4 juli 2025 te Goor, althans in Nederland en\u002Fof België, opzettelijk heeft uitgelokt door beloften en doormisbruik van gezag en het verschaffen van inlichtingen, te weten door - (via Signalberichten) [medeverdachte 1] opdracht te geven om een chauffeur te zoeken voor de overval en aan die [medeverdachte 1] te vragen wie de chauffeur is en - (via Signalberichten) de uitvoerders te laten weten dat er een aanzienlijk geldbedrag in de woning ligt;\n\n 4 hij in de periode van9 september 2025 tot en met 13 september 2025 te Goor, althans in Nederland en\u002Fof België, heeft gepoogd om een ander, te weten een onbekend gebleven persoon onder de Signalnaam ' [accountnaam] ' door beloften endoor het verschaffen van inlichtingen te bewegen om een misdrijf, te weten het medeplegen van een diefstal met geweld in een woning, artikel 312 jo. artikel 47 Wetboek van Strafrecht, op 15 september 2025 te Berkel en Rodenrijs, waarbij de uitlokkingsmiddelen bestaan uit: - het via Signal benaderen van Signal-gebruiker ' [accountnaam] ', met de tip dat een aanzienlijk geldbedrag voorhanden is in (een kluis in) een woning in Berkel en Rodenrijs (van een Syrisch gezin dat drie juwelierszaken heeft), en - (via Signal) tegen die ' [accountnaam] ' te zeggen dat hij, verdachte, hiervoor \"spelers nodig\" heeft, en - (vervolgens, via Signal) tegen die ' [accountnaam] ' te zeggen hoe de taken voor de te plegen overval worden verdeeld\u002Fverdeeld zijn en\u002Fof dat de buit eerlijk zal worden verdeeld en\u002Fof dat de uitvoerders de buit op een plek zonder camera's moeten achterlaten, en - (via Signal) met die ' [accountnaam] ' een datum\u002Ftijdstip van de te plegen overval af te spreken, en - (via Signal) aan die ' [accountnaam] ' een filmpje te sturen van een kluis en\u002Fof daarbij te zeggen dat er een aanzienlijk geldbedrag in moet liggen, en - (via Signal) met die ' [accountnaam] ' af te spreken dat de overval \"aankomende maandag\" zal plaatsvinden.3. Kwalificatie en strafbaarheid3.1.. \n\nKwalificatie\n\nDe bewezen feiten leveren de volgende strafbare feiten op:\n\n1\n\nprimair\n\nhet medeplegen van uitlokking van diefstal, voorafgegaan, vergezeld en gevolgd van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden, gemakkelijk te maken en bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf en andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen\n\nDe eendaadse samenloop van\n\n2\n\nuitlokking van afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen\n\nen van\n\n3\n\nprimair\n\nuitlokking van diefstal, voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken en bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf en andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen\n\n4\n\npoging tot uitlokking van diefstal, voorafgegaan, vergezeld en gevolgd van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden, gemakkelijk te maken en bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf en andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren\n\n3.2.. \n\nStrafbaarheid van de feiten en van de verdachte\n\nDe feiten en de verdachte zijn strafbaar.4. Straf4.1.. \n\nEis van de officier van justitie\n\nDe verdachte moet voor de feiten worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van zeven jaar met aftrek van het voorarrest.4.2.. \n\nStandpunt van de verdediging\n\nVolstaan kan worden met een gevangenisstraf gelijk aan het voorarrest, eventueel in combinatie met een voorwaardelijk deel ten behoeve van bijzondere voorwaarden.4.3.. Oordeel van de rechtbank4.3.1.. \n\nErnst en omstandigheden van de feiten\n\nDe verdachte heeft als amper 18-jarige jongen tweemaal een gewelddadige overval uitgelokt waarbij waardevolle spullen door diefstal met geweld dan wel door afpersing met geweld, zijn weggenomen. [slachtoffer 3] en haar twee jonge kinderen zijn op klaarlichte dag overvallen in hun eigen woning in Berkel en Rodenrijs. De uitvoerende daders hebben haar met een vuurwapen gedwongen haar sieraden af te doen en sieraden en telefoons weggenomen uit de woning. De door de verdachte uitgevoerde uitlokkingshandelingen bestonden uit: het inlichten van de uitvoerders over de buit in de woning en de uitvoerders een groot geldbedrag in het vooruitzicht stellen. De verdachte heeft ter zitting verklaard dat hij na de woningoverval de buit samen met medeverdachte [medeverdachte 1] heeft opgehaald.\n\nEnkele dagen later is [slachtoffer 1] op klaarlichte dag overvallen in haar juwelierszaak in Rotterdam waar zij op dat moment aanwezig was met haar vriendin [slachtoffer 2] . De uitvoerende daders hebben met geweld de deur opengebroken en vervolgens de juwelierszaak vrijwel volledig vernield om zo sieraden weg te kunnen nemen. Een van de daders had een vuurwapen en heeft daarmee ook gericht op omstanders. De door de verdachte uitgevoerde uitlokkingshandelingen bestonden uit: het opdrachtgeven aan een medeverdachte om een vluchtauto te regelen, handschoenen en mokers te kopen en de uitvoerders op te halen, het adres delen en tegen de medeverdachte zeggen dat hij klaar moest staan. Ook bij deze overval heeft de verdachte na afloop de buit opgehaald.\n\nVervolgens heeft de verdachte enkele maanden later gepoogd opnieuw een overval uit te lokken in de woning van [slachtoffer 3] door aan een derde via Signal informatie te verstrekken over een mogelijke buit.\n\nHet behoeft geen betoog dat de door de verdachte uitgelokte delicten voor de slachtoffers zeer traumatische en angstaanjagende ervaringen zijn geweest. Algemene ervaringsregels leren dan ook dat slachtoffers van delicten zoals bewezenverklaard nog lange tijd de psychische gevolgen daarvan ondervinden. De ter terechtzitting voorgedragen slachtofferverklaringen van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] laten dat ook zien, net als de beschrijvingen van hoe het met [slachtoffer 3] en haar kinderen gaat. Daarnaast maken dergelijke feiten een ernstige inbreuk op de rechtsorde en nemen de gevoelens van angst en onveiligheid in de samenleving hierdoor toe.\n\nDe verdachte heeft op zitting verklaard dat hij spijt heeft van de gepleegde delicten. De rechtbank hoopt dat de verdachte daadwerkelijk inziet dat het plegen van dit soort delicten de slachtoffers veel schade berokkent.4.3.2.. \n\nPersoon en persoonlijke omstandigheden\n\nStrafblad\n\nUit het strafblad (uittreksel justitiële documentatie) van 5 mei 2026 blijkt dat de verdachte weliswaar eerder onherroepelijk is veroordeeld voor een vermogensdelict, maar dat dit gaat om een feit dat is gepleegd voor de feiten waarvoor hij nu terechtstaat en dat daarna tot een vonnis heeft geleid. Het strafblad van de verdachte leidt dus niet tot een hogere straf en de rechtbank houdt daarmee op grond van artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht rekening bij de strafoplegging.\n\nRapport van de reclassering\n\nIn het rapport van Reclassering Nederland van 8 juni 2026 staat het volgende.\n\nDe reclassering beschouwt de verdachte als een deels bekennende verdachte. Het aandeel in het geheel dat hij erkent is significant minder dan wat hem wordt verweten. In de delictplegingen had hij een financiële motivatie en was hij louter gericht op eigen financieel gewin, zonder daarbij stil te staan bij mogelijke gevolgen voor slachtoffers. De verdachte komt vanaf veertien jarige leeftijd met justitie in aanraking. Daarbij is sprake van verschillende typen delictgedrag, wat over het algemeen een ongunstige voorspeller is voor recidive. Delictgerelateerde risicofactoren zijn gelegen het psychosociaal functioneren, houding, financiën en het sociaal netwerk. Algemene risicofactoren betreffen de wisselende huisvestingssituatie voorafgaand aan de arrestatie. Beschermende factoren zijn het contact met zijn moeder en de mogelijkheid tot huisvesting bij haar in Goor. In hoeverre dagbesteding behoort tot een risicofactor of een beschermende factor kunnen wij op dit moment niet beoordelen. In het contact met de reclassering stelt de verdachte zich coöperatief en vriendelijk op. Hij zegt zijn medewerking aan een toezicht met bijzondere voorwaarden toe. Het risico op recidive wordt ingeschat als hoog.\n\nGeadviseerd wordt om een (deels) voorwaardelijke straf op te leggen met de volgende bijzondere voorwaarden; een meldplicht bij reclassering, ambulante behandeling, een contactverbod met de medeverdachten en de slachtoffers en het vinden van dagbesteding.4.3.3.. Oplegging straf\n\nStraf\n\nGelet op de ernst van de strafbare feiten is een gevangenisstraf noodzakelijk. Het opleggen van een ander soort straf is niet passend. Bij het bepalen van die strafsoort en de duur daarvan houdt de rechtbank rekening met straffen die in soortgelijke zaken zijn opgelegd. Hierbij is ook gekeken naar de LOVS-oriëntatiepunten. Voor dit soort strafbare feiten worden in beginsel lange gevangenisstraffen opgelegd. Cumulerend zou dit kunnen leiden tot een gevangenisstraf van zes of zeven jaar. De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of een dergelijke lange gevangenisstraf passend is in de onderhavige zaak. De verdachte was ten tijde van de feiten volwassen, maar nog zeer jong. Op de terechtzitting heeft hij meerdere keren zijn oprechte excuses gemaakt en heeft hij verklaard dat hij zich realiseert - nu hij langere tijd in detentie heeft verbleven - hoe fout zijn daden zijn geweest. Hij heeft de rechtbank laten weten dat hij definitief wil afrekenen met zijn criminele verleden en een ander pad wil bewandelen in zijn leven. De raadsman heeft verzocht om een lagere gevangenisstraf op te leggen, omdat ‘dit zieltje misschien nog niet verloren is. De rechtbank sluit zich daarbij, kijkend naar de houding van de verdachte op de terechtzitting, aan en spreekt de hoop en verwachting uit dat de verdachte zijn leven daadwerkelijk een positieve wending zal geven. Gelet hierop zal de rechtbank een gevangenisstraf van vier jaar opleggen.\n\n De gevangenisstraf zal worden tenuitvoergelegd binnen de penitentiaire inrichting totdat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend.5. Vorderingen van de benadeelde partijen5.1.. \n\nVorderingen\n\n [benadeelde 1]\n\n heeft als benadeelde partij voor de feiten 2 en 3 € 11.247,21 als vergoeding voor materiële schade en € 9.000,- als vergoeding voor immateriële schade gevorderd, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De verdachte moet hoofdelijk worden veroordeeld tot vergoeding van deze schade.\n\n [benadeelde 2]\n\n heeft als benadeelde partij voor de feiten 2 en 3 € 9.000,- als vergoeding voor immateriële schade gevorderd, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De verdachte moet hoofdelijk worden veroordeeld tot vergoeding van deze schade.\n\n [benadeelde 3]\n\n heeft als benadeelde partij voor de feiten 2 en 3 € 9.000,- als vergoeding voor immateriële schade gevorderd, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De verdachte moet hoofdelijk worden veroordeeld tot vergoeding van deze schade.\n\n [benadeelde 4]\n\n heeft als benadeelde partij voor feit 1 € 1.250,- als vergoeding voor immateriële schade gevorderd, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De verdachte moet hoofdelijk worden veroordeeld tot vergoeding van deze schade.\n\n [benadeelde 5]\n\n heeft als benadeelde partij voor feit 1 € 83.950,60 als vergoeding voor materiële schade en € 2.000,- als vergoeding voor immateriële schade gevorderd, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De verdachte moet hoofdelijk worden veroordeeld tot vergoeding van deze schade.5.2.. \n\nStandpunt van de officier van justitie\n\nDe vorderingen van de benadeelde partijen kunnen geheel worden toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De verdachte moet hoofdelijk worden veroordeeld tot vergoeding van de schade.5.3.. \n\nStandpunt van de verdediging\n\nDe immateriële schadevergoedingsvorderingen van de benadeelde partijen moeten niet-ontvankelijk verklaard worden dan wel sterk gematigd worden, omdat het geweldsaspect niet bewezen kan worden en de mentale gevolgen voor de benadeelden vooral verband houden met het gepleegde geweld.\n\nDe waarde van de weggenomen goederen uit de juwelierswinkel van [benadeelde 5] bedroeg slechts € 2.000,-.5.4.. Oordeel van de rechtbank5.4.1.. \n\n [benadeelde 1]\n\nDe rechtbank stelt vast dat de benadeelde partij rechtstreeks materiële schade heeft geleden als gevolg van de onder 2 en 3 gepleegde strafbare feiten. De verdediging heeft de vordering niet betwist. De gevorderde schadevergoeding komt de rechtbank niet onrechtmatig of ongegrond voor. De vordering wordt daarom toegewezen. Dit betekent dat de verdachte € 11.247,21 als vergoeding van materiële schade aan de benadeelde partij moet betalen.\n\nDe benadeelde partij heeft als gevolg van de strafbare feiten onder 2 en 3 rechtstreeks immateriële schade geleden. De verdediging heeft de vordering niet betwist. De benadeelde partij is op andere wijze in haar persoon aangetast. Uit de onderbouwing blijkt dat zij angst- en paniekklachten heeft ontwikkeld en door de huisarts is aangemeld bij een GGZ in verband met PTSS. Die schade wordt naar billijkheid begroot op € 9.000,-. Hierbij is in het bijzonder rekening gehouden met de aard van de aansprakelijkheid en de ernst van het aan de verdachte te maken verwijt. De vordering wordt toegewezen.5.4.2.. \n\n [benadeelde 2]\n\nDe rechtbank stelt vast dat de benadeelde partij als gevolg van de strafbare feiten onder 2 en 3 rechtstreeks immateriële schade heeft geleden. De verdediging heeft de vordering niet betwist. De benadeelde partij is op andere wijze in haar persoon aangetast. Uit de onderbouwing blijkt dat zij angst- en paniekklachten heeft ontwikkeld en herbelevingen heeft. Zij is doorverwezen naar een instantie die haar psychologische hulp zal aanbieden. Die schade wordt naar billijkheid begroot op € 9.000,-. Hierbij is in het bijzonder rekening gehouden met de aard van de aansprakelijkheid en de ernst van het aan de verdachte te maken verwijt. De vordering wordt toegewezen.5.4.3.. \n\n [benadeelde 3]\n\nDe rechtbank stelt vast dat de benadeelde partij als gevolg van de strafbare feiten onder 2 en 3 rechtstreeks immateriële schade heeft geleden. De verdediging heeft de vordering niet betwist. De benadeelde partij is op andere wijze in zijn persoon aangetast. Uit de onderbouwing blijkt dat hij ernstige mentale problemen heeft sinds het misdrijf. Die schade wordt naar billijkheid begroot op € 9.000,-. Hierbij is in het bijzonder rekening gehouden met de aard van de aansprakelijkheid en de ernst van het aan de verdachte te maken verwijt. De vordering wordt toegewezen.5.4.4.. \n\n [benadeelde 4]\n\nDe rechtbank stelt vast dat de benadeelde partij als gevolg van het strafbare feit onder 1 rechtstreeks immateriële schade heeft geleden. De verdediging heeft de vordering niet betwist. De benadeelde partij is op andere wijze in haar persoon aangetast. Uit de onderbouwing blijkt dat zij na de overval kampt met ernstige psychische klachten, waaronder angstgevoelens en herbelevingen. Die schade wordt naar billijkheid begroot op € 1.250,-. Hierbij is in het bijzonder rekening gehouden met de aard van de aansprakelijkheid en de ernst van het aan de verdachte te maken verwijt. De vordering wordt toegewezen.5.4.5.. \n\n [benadeelde 5]\n\nDe rechtbank stelt vast dat de benadeelde partij rechtstreeks materiële schade heeft geleden als gevolg van het onder 1 gepleegde strafbare feit. De verdachte heeft de vordering betwist en gemotiveerd gesteld dat er enkel € 2.000,- aan sieraden is weggenomen. De rechtbank is van oordeel dat de materiële schade voor zover deze ziet op het ‘huurdersbelang’ voldoende is onderbouwd. De benadeelde partij heeft onbetwist gesteld dat zij de btw niet meer kan verrekenen, zodat het schadebedrag inclusief 21% btw toegewezen wordt. Dat is een bedrag van in totaal € 10.527,-. Het overige deel van de vordering tot materiële schadevergoeding (de sieraden en de inventaris) is boven het bedrag van € 2.000,- niet eenvoudig te beoordelen. Dit deel is onderbouwd met een expertiserapport, aangevuld met kasboeken en facturen. Echter roepen deze stukken vragen op over de gemaakte schadeberekening. Daarvoor is nadere bewijslevering nodig, wat zou betekenen dat de strafzaak zou moeten worden aangehouden. Dat zou in dit stadium van de procedure een onevenredige belasting van het strafproces opleveren. Aangezien de verdachte heeft erkend dat het schadebedrag van de weggenomen sieraden (ten minste) € 2.000,- is, wijst de rechtbank een bedrag van € 12.527,- toe (= € 10.527,- plus € 2.000,-). Voor het meer gevorderde wordt de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard. Dit deel van de vordering kan bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.\n\nDe benadeelde partij heeft als gevolg van het strafbare feit onder 1 rechtstreeks immateriële schade geleden. De verdediging heeft de vordering op dit punt niet betwist. De benadeelde partij is op andere wijze in haar persoon aangetast. Uit de onderbouwing blijkt dat zij sinds de overval kampt met ernstige psychische klachten, bestaande uit slaapklachten, angstgevoelens en herbelevingen. Die schade wordt naar billijkheid begroot op € 2.000,-. Hierbij is in het bijzonder rekening gehouden met de aard van de aansprakelijkheid en de ernst van het aan de verdachte te maken verwijt. De vordering wordt op dit punt toegewezen.5.4.6.. \n\nHoofdelijke veroordeling, wettelijke rente, proceskosten en de schadevergoedingsmaatregel\n\nDe verdachte heeft de strafbare feiten waarvoor de schadevergoeding wordt toegekend samen met mededaders gepleegd. Zij zijn daarom allen hoofdelijk aansprakelijk voor deze schadevergoeding. Als de mededaders de schadevergoeding (voor een deel) hebben betaald, hoeft de verdachte (dat deel) niet meer aan de benadeelde partij te betalen.\n\nDe benadeelde partij heeft gevorderd de schadevergoeding te vermeerderen met de wettelijke rente. De rechtbank wijst voor de benadeelde partijen [benadeelde 1] , [benadeelde 2] en [benadeelde 3] de wettelijke rente toe vanaf 4 juli 2025. De rechtbank wijst voor de benadeelde partijen [benadeelde 4] en [benadeelde 5] de wettelijke rente toe vanaf 8 juli 2025.\n\nDe rechtbank veroordeelt de verdachte in de proceskosten die de benadeelde partijen hebben gemaakt en die zij bij de tenuitvoerlegging nog zullen maken, omdat de vordering van de benadeelde partijen (grotendeels) wordt toegewezen. Deze kosten worden tot vandaag begroot op € 0,-.\n\nDe rechtbank legt de schadevergoedingsmaatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht op. Dit betekent dat de verdachte de schadevergoeding aan de Staat moet betalen en de Staat het bedrag uitkeert aan de benadeelde partij. Als dwangmiddel kan gijzeling worden toegepast. De toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.6. Wettelijke voorschriften\n\nDe oplegging van deze straf is gebaseerd op de artikelen 36f, 45, 46a, 47, 55, 57, 63, 312 en 317 van het Wetboek van Strafrecht.7. Beslissingen\n\nDe rechtbank:\n\nBewezenverklaring\n\nverklaart bewezen dat de verdachte de feiten, zoals in hoofdstuk 2 is omschreven, heeft gepleegd en spreekt hem van het overige vrij;\n\nKwalificatie en strafbaarheid\n\nstelt vast dat het bewezenverklaarde oplevert de in hoofdstuk 3 vermelde strafbare feiten;\n\nverklaart de verdachte strafbaar;\n\nStraf\n\nGevangenisstraf\n\nveroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf van 4 (vier) jaar;\n\nbeveelt dat de tijd die de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, in mindering wordt gebracht op de gevangenisstraf, voor zover deze tijd niet al op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;\n\nVorderingen benadeelde partijen\n\n [benadeelde 1]\n\nveroordeelt de verdachte hoofdelijk met zijn mededaders, aan de benadeelde partij [benadeelde 1] (feiten 2 en 3), te betalen een bedrag van € 20.247,21 bestaande uit € 11.247,21 als vergoeding van materiële schade en € 9.000,- als vergoeding van immateriële schade, en de wettelijke rente hierover vanaf 4 juli 2025 tot de dag van volledige betaling. Als en voor zover er al door (een) andere mededader(s) (deels) is betaald, wordt de verdachte (in zoverre) van die betalingsverplichting bevrijd;\n\nlegt aan de verdachte voor de feiten 2 en 3 de maatregel tot schadevergoedingop, wat inhoudt dat de verdachte de verplichting heeft om ten behoeve van de benadeelde partij [benadeelde 1] aan de staat€ 20.247,21te betalen, en de wettelijke rente vanaf 4 juli 2025 tot aan de dag van de gehele betaling. Bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt,gijzelingkan worden toegepast voor de duur van maximaal125 dagen. De toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op;\n\n [benadeelde 2]\n\nveroordeelt de verdachte hoofdelijk met zijn mededaders, aan de benadeelde partij [benadeelde 2] (feiten 2 en 3), te betalen een bedrag van € 9.000,-, als vergoeding van immateriële schade, en de wettelijke rente hierover vanaf 4 juli 2025 tot de dag van volledige betaling. Als en voor zover er al door (een) andere mededader(s) (deels) is betaald, wordt de verdachte (in zoverre) van die betalingsverplichting bevrijd;\n\nlegt aan de verdachte voor de feiten 2 en 3 de maatregel tot schadevergoedingop, wat inhoudt dat de verdachte de verplichting heeft om ten behoeve van de benadeelde partij [benadeelde 2] aan de staat€ 9.000,-te betalen, en de wettelijke rente vanaf 4 juli 2025 tot aan de dag van de gehele betaling. Bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt,gijzelingkan worden toegepast voor de duur van maximaal70 dagen. De toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op;\n\n [benadeelde 3]\n\nveroordeelt de verdachte hoofdelijk met zijn mededaders, aan de benadeelde partij [benadeelde 3] (feiten 2 en 3), te betalen een bedrag van € 9.000,-, als vergoeding van immateriële schade, en de wettelijke rente hierover vanaf 4 juli 2025 tot de dag van volledige betaling. Als en voor zover er al door (een) andere mededader(s) (deels) is betaald, wordt de verdachte (in zoverre) van die betalingsverplichting bevrijd;\n\nlegt aan de verdachte voor de feiten 2 en 3 de maatregel tot schadevergoedingop, wat inhoudt dat de verdachte de verplichting heeft om ten behoeve van de benadeelde partij [benadeelde 3] aan de staat€ 9.000,-te betalen, en de wettelijke rente vanaf 4 juli 2025 tot aan de dag van de gehele betaling. Bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt,gijzelingkan worden toegepast voor de duur van maximaal70 dagen. De toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op;\n\n [benadeelde 4]\n\nveroordeelt de verdachte hoofdelijk met zijn mededaders, aan de benadeelde partij [benadeelde 4] (feit 1), te betalen een bedrag van € 1.250,-, als vergoeding van immateriële schade, en de wettelijke rente hierover vanaf 8 juli 2025 tot de dag van volledige betaling. Als en voor zover er al door (een) andere mededader(s) (deels) is betaald, wordt de verdachte (in zoverre) van die betalingsverplichting bevrijd;\n\nlegt aan de verdachte voor feit 1 de maatregel tot schadevergoedingop, wat inhoudt dat de verdachte de verplichting heeft om ten behoeve van de benadeelde partij [benadeelde 4] aan de staat€ 1.250,-te betalen, en de wettelijke rente vanaf 8 juli 2025 tot aan de dag van de gehele betaling. Bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt,gijzelingkan worden toegepast voor de duur van maximaal12 dagen. De toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op;\n\n [benadeelde 5]\n\nveroordeelt de verdachte hoofdelijk met zijn mededaders, aan de benadeelde partij [benadeelde 5] (feit 1), te betalen een bedrag van € 14.527,- bestaande uit € 12.527,- als vergoeding van materiële schade en € 2.000,- als vergoeding van immateriële schade, en de wettelijke rente hierover vanaf 8 juli 2025 tot de dag van volledige betaling. Als en voor zover er al door (een) andere mededader(s) (deels) is betaald, wordt de verdachte (in zoverre) van die betalingsverplichting bevrijd;\n\nverklaart de benadeelde partij [benadeelde 5] niet-ontvankelijk in het resterende deel van de vordering; bepaalt dat dit deel van de vordering kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;\n\nlegt aan de verdachte voor feit 1 de maatregel tot schadevergoedingop, wat inhoudt dat de verdachte de verplichting heeft om ten behoeve van de benadeelde partij [benadeelde 5] aan de staat€ 14.527te betalen, en de wettelijke rente vanaf 8 juli 2025 tot aan de dag van de gehele betaling. Bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt,gijzelingkan worden toegepast voor de duur van maximaal97 dagen. De toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op;\n\nproceskosten\n\nveroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partijen gemaakte proceskosten, tot op vandaag begroot op € 0,- en in de nog te maken kosten voor de tenuitvoerlegging van dit vonnis;\n\nbepaalt dat de verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij en\u002Fof zijn mededaders de schade aan de benadeelde partij of aan de staat hebben vergoed.\n\n8. Samenstelling rechtbank en ondertekening\n\nDit vonnis is gewezen door:\n\nmr. J.L.M. Boek, voorzitter,\n\nen mrs. L. den Teuling en F. van Laanen, rechters,\n\nin tegenwoordigheid van mr. H. Tchang, griffier,\n\nen uitgesproken op de openbare zitting van deze rechtbank op 6 juli 2026.\n\nMr. F. van Laanen is niet in de gelegenheid dit vonnis te ondertekenen.\n\nUitspraken van gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 12 januari 2023, ECLI:NL:GHARL:2023:245 en van 4 april 2023, ECLI:NL:GHARL:2023:2849.\n\nDe exacte vindplaatsen van de bewijsmiddelen zijn genoemd in de bijbehorende voetnoot. Als wordt verwezen naar paginanummers, wordt - tenzij anders vermeld - gedoeld op paginanummers uit het zaaksdossiers [dossiernaam 1] en [dossiernaam 2] .\n\n Uit Tekst & Commentaar Sr, aantekening 11 bij artikel 46a Sr zou kunnen worden afgeleid dat volgens de auteurs uitlokking niet strafbaar is als de uitvoering in de voorbereidingsfase is blijven steken. Uit het wettelijk stelsel dient te worden afgeleid dat dit alleen het geval is, indien die voorbereiding niet strafbaar is en dat is het geval bij uitlokking tot een misdrijf waarop een gevangenisstraf is gesteld van minder dan acht jaar, zie artikel 46 Sr.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2026:7942","ecli-nl-rbrot-2026-7942",{"courtName":6,"legalDomain":40,"decisionType":22,"procedureType":23},{"id":85,"ecli":86,"caseNumber":14,"courtId":5,"courtName":14,"decisionDate":87,"fullText":88,"language":7,"source":17,"sourceUrl":89,"summary":14,"slug":90,"metadata":91},"1762","ECLI:NL:RBROT:2026:7700","2026-07-03T00:00:00.000Z","RECHTBANK ROTTERDAM\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummers: ROT 24\u002F11226 en ROT 24\u002F11960\n uitspraak van de enkelvoudige kamer van 3 juli 2026 in de zaken tussen\n [eiseres], uit [plaats], eiseres\n\n(gemachtigde: mr. F.Th.M. Peters),\n\nen\n\nde minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur, verweerder\n\n(gemachtigde: mr. D.J. van der Bij).\n\nSamenvatting\n\n1. Deze uitspraak gaat over twee bestuurlijke boetes van elk € 2.500,- die verweerder met de besluiten van 10 mei 2024 (ROT 24\u002F11226) en 16 augustus 2024 (ROT 24\u002F11960) aan eiseres heeft opgelegd voor een overtreding van de Wet dieren. Eiseres is het niet eens met deze boetes en voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van de boetes.\n\n1.1.. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat verweerder de boetes ten onrechte heeft opgelegd. Eiseres krijgt dus gelijk en de beroepen zijn gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\n1.2.. Onder 2. staat het procesverloop in deze zaken. Onder 3. staan de van belang zijnde feiten en omstandigheden die hebben geleid tot de bestreden besluiten. De beoordeling door de rechtbank volgt vanaf 4. Aan het eind staan de beslissing van de rechtbank en de gevolgen daarvan. De wettelijke regels en beleidsregels die van belang zijn voor deze zaak, staan in de bijlage bij deze uitspraak.\n\nProcesverloop\n\n2. Met de bestreden besluiten van 5 november 2024 en 28 november 2024 op de bezwaren van eiseres is verweerder bij de boetebesluiten gebleven.\n\n2.1.. \n\nEiseres heeft beroep ingesteld tegen de bestreden besluiten onder kenmerk ROT 24\u002F11226, respectievelijk ROT 24\u002F11960.\n\n2.2.. Verweerder heeft op de beroepen gereageerd met een verweerschrift.\n\n2.3.. De rechtbank heeft de beroepen op 10 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiseres, de gemachtigde van verweerder en [naam], toezichthouder bij de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA).\n\n2.4.. Ter zitting heeft de rechtbank het onderzoek geschorst en verweerder de gelegenheid gegeven de keuze voor de grondslag van de boetes toe te lichten. Dit heeft verweerder bij brief van 18 februari 2026 gedaan. Bij brief van 3 april 2026 heeft eiseres daarop gereageerd. Nadat geen van de partijen te kennen heeft gegeven op een nadere zitting te willen worden gehoord, heeft de rechtbank op 22 mei 2026 het onderzoek in beide zaken gesloten.\n\nTotstandkoming van het besluit\n\n3.1.. \n\nVerweerder heeft zijn besluit in ROT 24\u002F11226 gebaseerd op een rapport van bevindingen van 19 februari 2024, opgemaakt door een toezichthouder van de NVWA. In het rapport staat over de bevindingen van de toezichthouder tijdens regulier toezicht bij eiseres onder meer het volgende:\n\n“Datum en tijdstip van de bevinding: 15 februari 2024 omstreeks 12.55 uur.[…]\n\nTijdens mijn inspectie bevond ik mij in de darmwasserij bij [eiseres] in deze darmwasserij is het bedrijf [bedrijf B] werkzaam. In deze ruimte worden darmpakketten gesplitst in bruikbare onderdelen. Bij binnenkomst van de darmwasserij ben ik richting koelcel 2 gelopen. Daar staan de producten gereed voor verzending.\n\nIn de koelcel zag ik na het openen van een recipiënt met varkensscheilvet (Ruffle fat), dat er bovenop een stuk lag met nog darmen eraan met vezelachtige partikels en de groen\u002Fbruine kleur, door mij herkend als fecale bezoedeling (zie foto 1). Dit materiaal had als categorie 2 dierlijke bijproducten aangemerkt moeten worden. Op de recipiënt zat een sticker met daarop de slachtdatum, product omschrijving en het erkenningsnummer 28 (zie foto 2). Doordat het erkenningsnummer [erkenningsnummer] op het recipiënt was aangebracht is het geschikt verklaard voor humane consumptie. Op mijn aanwijzen is het materiaal als categorie 2 dierlijke bijproducten afgevoerd. Hieruit bleek mij dat de dierlijke bijproducten niet identificeerbaar waren en tijdens het verzamelen niet gescheiden en identificeerbaar bleven, terwijl dat wel vereist was.”\n\n3.2.. \n\nVerweerder heeft zijn besluit in ROT 24\u002F11960 gebaseerd op een rapport van bevindingen dat op 6 mei 2024 is opgemaakt door een toezichthouder van de NVWA. In dit rapport schrijft de toezichthouder over zijn bevindingen tijdens regulier toezicht bij eiseres onder meer het volgende:\n\n“Datum en tijdstip van de bevinding: 1 mei 2024 omstreeks 13:00 uur.[…]\n\nTijdens mijn inspectie bevond ik mij in de darmwasserij bij [eiseres] in deze darmwasserij is het bedrijf [bedrijf B] werkzaam. In deze ruimte worden darmpakketten gesplitst in bruikbare onderdelen. Bij binnenkomst van de darmwasserij ben ik richting de koelcel gelopen. Daar staan de producten gereed voor verzending.\n\nIn de koelcel zag ik een recipiënt staan met varkens netvet (net fat) (zie foto 1, 2, 3 en 4). Ik zag dat er op de recipiënt een sticker was aangebracht met daarop de slachtdatum, product omschrijving en het erkenningsnummer 28 (zie foto 1). Doordat het bedrijf [erkenningsnummer] op het label heeft staan is het product geschikt verklaard voor humane consumptie. Ik zag geen andere stickers die categorisering voor dierlijke bijproducten suggereerden. Ik zag dat het netvet (net fat) zichtbaar was verontreinigd met een bruin\u002Fgroene verontreiniging en vezelachtige partikels, door mij herkend als fecale bezoedeling (zie foto 2, 3 en 4). Fecale bezoedeling behoort als categorie 2 (destructie) aangemerkt te worden en als zodanig verzameld te worden.\n\nIk zag in dezelfde ruimte na het openen van een recipiënt met varkens scheilvet (Ruffle fat), dat het varkens scheilvet zichtbaar was verontreinigd met een groen\u002Fbruine verontreiniging met vezelachtige partikels door mij herkend als fecale bezoedeling (zie foto 6, 7, 8 en 9). Dit materiaal had als categorie 2 (destructie) aangemerkt moeten worden. Op de recipiënt zat een sticker met daarop de slachtdatum, product omschrijving en het erkenningsnummer [erkenningsnummer] (zie foto 5). Doordat het erkenningsnummer [erkenningsnummer] op het recipiënt was aangebracht is het geschikt verklaard voor humane consumptie. Op mijn aanwijzen is het materiaal als categorie 2 (destructie) afgevoerd.\n\nHieruit bleek mij dat de dierlijke bijproducten niet identificeerbaar waren en tijdens het verzamelen niet gescheiden en identificeerbaar bleven, terwijl dat wel vereist was.”\n\n3.3.. \n\nOp grond van de rapporten van bevindingen heeft verweerder vastgesteld dat eiseres het volgende beboetbare feit heeft gepleegd:\n\n“De exploitant zag er niet op toe dat dierlijke bijproducten voldeden aan de eisen inzake identificatie van bijlage VIII, van Verordening 142\u002F2011. De exploitant heeft niet alle nodige maatregelen getroffen om ervoor te zorgen dat dierlijke bijproducten tijdens het verzamelen op de plaats van oorsprong gescheiden en identificeerbaar blijven.”\n\nVolgens verweerder heeft eiseres daarmee een overtreding begaan van artikel 6.2, eerste lid, van de Wet dieren, in verbinding met artikel 3.3, eerste lid, onder b, van de Regeling dierlijke producten, en met artikel 17, eerste lid, en Bijlage VIII, Hoofdstuk II, punt 1, aanhef en onder a, van Verordening 142\u002F2011, gelet op artikel 21, eerste lid, van Verordening 1069\u002F2009.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n4.1.. Eiseres voert aan dat het gaat om bezoedeld ruffle fat en netvet, voor humane consumptie bestemde en goedgekeurde halffabricaten die zijn gewonnen in de darmwasserij. Het betreffen levensmiddelen en daarop is Verordening 852\u002F2004van toepassing. Verordening 142\u002F2011 is pas van toepassing nadat een product uit de humane voedselketen is gehaald en wordt aangemerkt als een bijproduct. Dit zou voor het ruffle fat en netvet pas gelden nadat het op basis van HACCP-protocollen zou zijn afgewaardeerd naar categorie 3 of categorie 2 materiaal, maar dat stadium was hier nog niet bereikt. Het ruffle fat en netvet heeft namelijk nog verdere bewerking nodig bij een ander bedrijf ([bedrijf B]) en daar vindt een inslagcontrole plaats. Verder vindt eiseres dat zij niet als overtreder kan worden aangemerkt omdat de darmwasserij door [bedrijf B] wordt gebruikt. Daarnaast voert eiseres aan dat sprake is van bijzondere omstandigheden op grond waarvan de boete moet worden gematigd. De halffabricaten leiden vanuit de slachterij namelijk nimmer naar een eindgebruiker en de goederen worden bij ontvangst door [bedrijf B] (wederom) onderworpen aan een HACCP-controle. Voorts is van belang dat het ruffle fat en netvet bij eindgebruik altijd gedurende langere tijd tot hoge temperaturen wordt verhit of gefrituurd, zodat de risico’s of gevaar voor de volksgezondheid afwezig zijn. Eiseres doet daarbij een beroep op artikel 3.2 van het Besluit handhaving en overige zaken Wet dieren.\n\n4.2.. Verweerder stelt zich op het standpunt dat de boetes op de juiste grondslag zijn opgelegd. Er was sprake van fecale bezoedeling op weefsel in recipiënten met andere varkensscheilvetten en netvetten en dat verspreidt zich over de gehele recipiënt. Het is niet meer weg te snijden, zoals een fecale bezoedeling bij een karkas dat wel is. Dit maakt dat de gehele recipiënten niet meer geschikt waren voor humane consumptie en direct als categorie 2 materiaal aangemerkt hadden moeten worden. Dit heeft eiseres nagelaten en daarom heeft verweerder een boete opgelegd voor overtreding van Verordening 142\u002F2011 en niet voor overtreding van Verordening 852\u002F2004. Verder vindt verweerder dat eiseres terecht als overtreder is aangemerkt omdat de recipiënten waren voorzien van het EG-nummer van eiseres. Ten slotte stelt verweerder dat de overtredingen een ernstig gevaar voor de volksgezondheid kunnen opleveren en ziet daarom geen reden voor matiging van de boetes.\n\nHeeft verweerder bewezen dat eiseres de overtreding heeft begaan?\n\n5.1.. De rechtbank stelt vast dat eiseres niet betwist dat zich in recipiënten in de koeling bezoedelde varkensscheilvetten (ruffle fat) en netvetten bevonden die waren goedgekeurd voor humane consumptie. Verweerder verwijt eiseres dat zij daarmee artikel 17, eerste lid, aanhef en onder a, en Bijlage VIII, Hoofdstuk II, punt 1, aanhef en onder a, van Verordening 142\u002F2011 heeft overtreden. Hierin staat – kort gezegd – dat exploitanten ervoor moeten zorgen dat dierlijke bijproducten identificeerbaar zijn en tijdens het verzamelen op de plaats van oorsprong van de dierlijke bijproducten alsook tijdens het vervoer gescheiden en identificeerbaar blijven.\n\n5.2.. Onder meer is in geschil of Verordening 142\u002F2011 in deze situaties en op de momenten van de constateringen van de toezichthouders op de recipiënten met bezoedelde vetten van toepassing was. Uit de titel van deze verordening volgt dat deze dient ter uitvoering van Verordening 1069\u002F2009 en ziet op niet voor menselijke consumptie bestemde dierlijke bijproducten en afgeleide producten. In Verordening 1069\u002F2009 worden dierlijke bijproducten ingedeeld in drie categorieën, gebaseerd op het risico voor de volks- en diergezondheid. Categorie 1 materiaal heeft het hoogste risico (bijvoorbeeld een kadaver van een koe besmet met BSE) en categorie 3 materiaal heeft het laagste risico (bijvoorbeeld veren of bepaalde etensresten). In beide verordeningen staan voorschriften over onder meer de hantering en de wijze van verzameling van dierlijke bijproducten, de traceerbaarheid ervan bij vervoer en de toegestane verwerkingsmethoden per soort dierlijk bijproduct. Op grond van artikel 3 van Verordening 1069\u002F2009 gaat het bij dierlijke bijproducten om producten die niet voor menselijke consumptie bestemd zijn.\n\n5.3.. Volgens eiseres was in deze zaak op het varkensscheilvet en netvet Verordening 852\u002F2004 van toepassing en die verordening ziet op levensmiddelen. In Verordening 178\u002F2002wordt onder een levensmiddel verstaan: alle stoffen en producten, verwerkt, gedeeltelijk verwerkt of onverwerkt, die bestemd zijn om door de mens te worden geconsumeerd of waarvan redelijkerwijs kan worden verwacht dat zij door de mens worden geconsumeerd.\n\n5.4.. De rechtbank stelt vast dat het varkensscheilvet en netvet in de recipiënten door eiseres bestemd waren voor humane consumptie. De toezichthouder heeft gezien dat vetten in de recipiënten bezoedeld waren met fecaliën. Volgens verweerder betekent de aanwezigheid van die bezoedeling dat de vetten direct als dierlijke bijproducten moeten worden gekwalificeerd, maar dit volgt de rechtbank niet. Het varkensscheilvet en netvet is door eiseres namelijk steeds bestemd geweest voor humane consumptie en een fecale bezoedeling op deze producten maakt dit niet direct anders. Verweerder wijst erop dat bezoedeld varkensscheilvet en netvet niet meer geschikt is voor humane consumptie, wat ook navolgbaar is, maar dit maakt nog niet dat vetten of gehele recipiënten daarom ook direct als dierlijke bijproducten moeten worden gekwalificeerd. Voor dierlijke bijproducten is immers vereist dat ze niet (langer) bestemdzijn voor humane consumptie. Eiseres heeft gewezen op HACCP-controles die worden verricht. Als bij zo’n controle een bezoedeling wordt ontdekt, worden de vetten zo nodig afgewaardeerd. Op dat moment bestemt de exploitant de vetten niet langer voor humane consumptie en worden de vetten aangemerkt als dierlijke bijproducten. Dit punt was ten tijde van de constateringen door de toezichthouders (nog) niet bereikt. Op dat moment waren de vetten nog bestemd voor humane consumptie en dus aan te merken als levensmiddel, waarop niet Verordening 142\u002F2011 maar Verordening 852\u002F2004 van toepassing is.\n\n5.5.. In het bestreden besluit in ROT 24\u002F11960 stelt verweerder zich op het standpunt dat eiseres ookniet heeft voldaan aan punt 3 van hoofdstuk IX van Bijlage II, van Verordening 852\u002F2004. Dit voorschrift is naar het oordeel van de rechtbank in deze zaken wel van toepassing. Op grond van dit voorschrift moeten namelijk levensmiddelen worden beschermd tegen elke vorm van verontreiniging waardoor de levensmiddelen ongeschikt kunnen worden voor menselijke consumptie. Door de aanwezigheid van fecale bezoedeling op de levensmiddelen varkensscheilvet en netvet is daar niet aan voldaan. Verweerder heeft de boetes evenwel niet opgelegd voor overtreding van dit voorschrift. Overigens kan de rechtbank – los van het voorgaande – verweerder evenmin volgen in zijn betoog dat zowel een overtreding van Verordening 142\u002F2011 als van Verordening 852\u002F2004 aan de boete ten grondslag had kunnen worden gelegd, omdat eerstgenoemde verordening ziet op dierlijke bijproducten en laatstgenoemde verordening ziet op levensmiddelen. Een product kan niet op hetzelfde moment zowel een dierlijk bijproduct als een levensmiddel zijn. Een product is immers wel of niet bestemd voor humane consumptie.\n\n5.6.. De rechtbank concludeert dat verweerder in beide zaken ten onrechte heeft vastgesteld dat artikel 17, eerste lid, en Bijlage VIII, Hoofdstuk II, punt 1, aanhef en onder a, van Verordening 142\u002F2011, gelet op artikel 21, eerste lid, van Verordening 1069\u002F2009 is overtreden. De boetes zijn dus ten onrechte opgelegd. Gelet op dit oordeel behoeven de overige gronden van eiseres over overtrederschap en matiging van de boete geen bespreking meer.\n\nRedelijke termijn\n\n6. De rechtbank beoordeelt ambtshalveof de redelijke termijn, bedoeld in artikel 6 van het EVRM, is overschreden. Dit is bij punitieve sancties het geval als, behoudens bijzondere omstandigheden, de rechtbank niet binnen twee jaar nadat deze termijn is aangevangen uitspraak doet. De redelijke termijn is aangevangen met het uitbrengen van de voornemens.\n\n6.1.. In ROT 24\u002F11226 is het voornemen uitgebracht op 4 april 2024. Op het moment van deze uitspraak is de redelijke termijn in dit beroep met ruim drie maanden overschreden. Nu de boete vervalt en eiseres niet heeft verzocht om vergoeding van immateriële schade vanwege overschrijding van de redelijke termijn, volstaat de rechtbank met de constatering dat de redelijke termijn in ROT 24\u002F11226 is overschreden.\n\n6.2.. In ROT 24\u002F11960 is het voornemen uitgebracht op 10 juli 2024 en is de redelijke termijn op het moment van deze uitspraak niet overschreden.\n\nConclusie en gevolgen\n\n7. De beroepen zijn gegrond omdat verweerder niet bevoegd was de boetes op te leggen. De rechtbank vernietigt daarom de bestreden besluiten. De rechtbank voorziet zelf in de zaak en herroept de primaire besluiten. Dit betekent dat de boetes vervallen.\n\n8. Omdat de beroepen gegrond zijn moet verweerder het griffierecht aan eiseres vergoeden. Dit bedraagt € 371,- per beroep, dus in totaal € 742,-. Ook krijgt eiseres een vergoeding van haar proceskosten. Deze vergoeding wordt met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) vastgesteld. De rechtbank merkt beide zaken in de beroepsfase aan als samenhangende zaken als bedoeld in artikel 3 van het Bpb, omdat de beroepen gelijktijdig op zitting zijn behandeld en de werkzaamheden van de gemachtigde in beide beroepen nagenoeg identiek zijn geweest. In de bezwaarfase was hiervan geen sprake. Dit betekent dat de zaken voor de bepaling van de hoogte van de te vergoeden kosten voor rechtsbijstand in de beroepsfase als één zaak en in de bezwaarfase als twee zaken worden beschouwd. In bezwaar heeft elke proceshandeling een waarde van € 666,-. In beroep heeft elke proceshandeling een waarde van € 934,-. De gemachtigde heeft in beide zaken een bezwaarschrift ingediend, de hoorzitting bijgewoond, een beroepschrift ingediend en aan de zitting van de rechtbank deelgenomen. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 4.532,-.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\nverklaart de beroepen gegrond;\n\nvernietigt de bestreden besluiten van 5 november 2024 en 28 november 2024;\n\nherroept de primaire besluiten;\n\nbepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde besluiten;\n\nbepaalt dat verweerder het griffierecht van in totaal € 742,- aan eiseres moet vergoeden;\n\nveroordeelt verweerder tot betaling van € 4.532,- aan proceskosten van eiseres.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. S.M. Goossens, rechter, in aanwezigheid van mr. A.L. van der Duijn Schouten, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 3 juli 2026.\n\ngriffier\n\nrechter\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het College van Beroep voor het bedrijfsleven waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.\n\nDigitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het College van Beroep voor het bedrijfsleven, Postbus 20021, 2500 EA ’s-Gravenhage.\n\nKan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het College van Beroep voor het bedrijfsleven vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.\n\nBIJLAGE: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving\n\nVerordening 142\u002F2011\n\nArtikel 17, eerste lid, aanhef en onder a\n\nExploitanten zien erop toe dat dierlijke bijproducten en afgeleide producten:\n\na) voldoen aan de eisen inzake verzameling, vervoer en identificatie van bijlage VIII, hoofdstukken I en II.\n\nBijlage VIII, Hoofdstuk II, punt 1, aanhef en onder a,\n\n1. Alle nodige maatregelen moeten worden getroffen om ervoor te zorgen dat:\n\na) zendingen dierlijke bijproducten en afgeleide producten identificeerbaar zijn en tijdens het verzamelen op de plaats van oorsprong van de dierlijke bijproducten alsook tijdens het vervoer gescheiden en identificeerbaar blijven.\n\nVerordening 1069\u002F2009\n\nArtikel 3, aanhef en eerste lid\n\nIn deze verordening worden verstaan onder:\n\n„dierlijke bijproducten”: dode dieren of delen van dieren, producten van dierlijke oorsprong of andere producten die uit dieren zijn verkregen en die niet voor menselijke consumptie bestemd zijn, met inbegrip van oöcyten, embryo’s en sperma;\n\nArtikel 21, eerste lid\n\nExploitanten verzamelen, identificeren en vervoeren dierlijke bijproducten onverwijld onder voorwaarden ter voorkoming van risico's voor de volksgezondheid en de diergezondheid.\n\nVerordening 178\u002F2002\n\nArtikel 2\n\nIn deze verordening wordt verstaan onder \"levensmiddel\" (of \"voedingsmiddel\"): alle stoffen en producten, verwerkt, gedeeltelijk verwerkt of onverwerkt, die bestemd zijn om door de mens te worden geconsumeerd of waarvan redelijkerwijs kan worden verwacht dat zij door de mens worden geconsumeerd. […]\n\nVerordening 852\u002F2004\n\nBijlage II, hoofdstuk IX, punt 3\n\nIn alle stadia van de productie, verwerking en distributie moeten levensmiddelen worden beschermd tegen elke vorm van verontreiniging waardoor de levensmiddelen ongeschikt kunnen worden voor menselijke consumptie, schadelijk worden voor de gezondheid, dan wel op een zodanige wijze kunnen worden verontreinigd dat zij redelijkerwijze niet meer in die staat kunnen worden geconsumeerd.\n\nWet dieren\n\nArtikel 6.2, eerste lid\n\nHet is verboden in strijd te handelen met bij of krachtens algemene maatregel van bestuur of bij ministeriële regeling aangewezen voorschriften van EU-verordeningen betreffende onderwerpen waarop deze wet van toepassing is.\n\nArtikel 8.7\n\nOnze Minister kan een overtreder een bestuurlijke boete opleggen.\n\n Verordening (EU) nr. 142\u002F2011 van de Commissie van 25 februari 2011 tot uitvoering van Verordening (EG) nr. 1069\u002F2009 van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van gezondheidsvoorschriften inzake niet voor menselijke consumptie bestemde dierlijke bijproducten en afgeleide producten en tot uitvoering van Richtlijn 97\u002F78\u002FEG van de Raad wat betreft bepaalde monsters en producten die vrijgesteld zijn van veterinaire controles aan de grens krachtens die richtlijn.\n\n Verordening (EG) nr. 1069\u002F2009 van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 tot vaststelling van gezondheidsvoorschriften inzake niet voor menselijke consumptie bestemde dierlijke bijproducten en afgeleide producten en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1774\u002F2002.\n\n Verordening (EG) nr. 852\u002F2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004\n\ninzake levensmiddelenhygiëne\n\n Verordening (EG) nr. 178\u002F2002 van het Europees Parlement en de Raad van 28 januari 2002 tot vaststelling van de algemene beginselen en voorschriften van de levensmiddelenwetgeving, tot oprichting van een Europese Autoriteit voor voedselveiligheid en tot vaststelling van procedures voor voedselveiligheidsaangelegenheden. Op grond van artikel 2, tweede lid, van Verordening 852\u002F2004 zijn die definities van Verordening 178\u002F2002 eveneens van toepassing.\n\n Gelet op ECLI:NL:CBB:2025:7 en ECLI:NL:RVS:2024:4761\n\n Zie bijv. ECLI:NL:HR:2023:1337 en ECLI:NL:HR:2024:1422","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2026:7700","ecli-nl-rbrot-2026-7700",{"courtName":6,"legalDomain":32,"decisionType":22,"procedureType":23},{"id":93,"ecli":94,"caseNumber":14,"courtId":5,"courtName":14,"decisionDate":95,"fullText":96,"language":7,"source":17,"sourceUrl":97,"summary":14,"slug":98,"metadata":99},"448","ECLI:NL:RBROT:2026:8191","2026-06-30T00:00:00.000Z","RECHTBANK ROTTERDAM\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: ROT 25\u002F1810\n uitspraak van de enkelvoudige kamer van 30 juni 2026 in de zaak tussen\n [eiseres] , uit [woonplaats] , eiseres\n\n(gemachtigde: mr. S.C. Scheermeijer),\n\nen\n\nDienst Toeslagen\n\n(gemachtigde: [gemachtigde] ).\n\nSamenvatting\n\n1. De Dienst Toeslagen heeft de aanvraag van eiseres om compensatie voor de jaren 2012 en 2013 op grond van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht) afgewezen. Naar het oordeel van de rechtbank is de compensatie voor de periode van 1 januari 2012 tot\n\n5 oktober 2012 ten onrechte afgewezen. Het beroep is daarom gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel is gekomen en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nProcesverloop\n\n2. Met besluiten van 19 september 2022 (UHT-DC-I A en UHT-DH5 A) heeft de Dienst Toeslagen de aanvraag van eiseres om compensatie op grond van de Wht voor de jaren 2012 en 2013 afgewezen.\n\n2.1.. Met een besluit van 22 september 2022 (UHT-DC I) is aan eiseres een compensatiebedrag van € 74.729,- toegekend voor de jaren 2008, 2009 en 2011.\n\n2.2.. Met een besluit van 22 september 2022 (UHT-O OGS B) is aan eiseres een tegemoetkoming opzet\u002Fgrove schuld (O\u002FGS) van € 12.702,- toegekend voor de jaren 2012 en 2013.\n\n2.3.. Met het bestreden besluit van 27 januari 2025 heeft de Dienst Toeslagen het bezwaar van eiseres tegen het besluit van 22 september 2022 (UHT-DC I) gegrond verklaard en het compensatiebedrag vastgesteld op € 77.209,- en de bezwaren van eiseres tegen de overige besluiten ongegrond verklaard.\n\n2.4.. \n\nEiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De Dienst Toeslagen heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. Eiseres heeft met brieven van\n\n10 maart 2026 en 24 maart 2026 aanvullende beroepsgronden ingediend.\n\n2.5.. De rechtbank heeft het beroep op 7 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, mr. J. van den Ende, kantoorgenoot van de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van de Dienst Toeslagen.\n\nTotstandkoming van het bestreden besluit\n\n3. Eiseres heeft een aanvraag gedaan om compensatie op grond van de Wht. Met het besluit van 19 september 2022 heeft de Dienst Toeslagen de aanvraag afgewezen voor het toeslagjaar 2012. Volgens de Dienst Toeslagen is in het jaar 2012 vooringenomen gehandeld, omdat er geen rappelbrief is verzonden aan eiseres na een verzoek om informatie, maar bestaat geen recht op compensatie, omdat sprake is van een ernstige onregelmatigheid. Niet zou zijn gebleken dat opvang is genoten en de toeslagpartner van eiseres zou niet voldoen aan de vereisten van artikel 1.6, derde lid, van de Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen (Wko), zoals geldend op 1 januari 2012. Met het bestreden besluit is de Dienst Toeslagen daarbij gebleven.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n4. Eiseres betoogt dat de Dienst Toeslagen ten onrechte geen compensatie heeft toegekend voor het toeslagjaar 2012. Eiseres heeft in dat jaar wel kinderopvang afgenomen en voldeed aan de voorwaarden voor toekenning van kinderopvangtoeslag. Dat uit de kinderopvanginstelling (KOI)-viewerniet blijkt dat sprake was van kinderopvang, is onvoldoende voor de conclusie dat evident geen recht op kinderopvangtoeslag bestond. Eiseres is op 5 oktober 2012 getrouwd met [persoon A] . Hij is ten onrechte aangemerkt als toeslagpartner voor heel 2012, nu hij pas in 2013 bij eiseres in Nederland is komen wonen.4.1.. De Dienst Toeslagen heeft erkend dat in het toeslagjaar 2012 vooringenomen is gehandeld. De rechtbank laat daarom het betoog van eiseres daarover – waaronder het betoog over de vermeende onjuiste afhandeling van een herzieningsverzoek – buiten beschouwing.\n\n4.2.. De Dienst Toeslagen heeft zich op het standpunt gesteld dat sprake is van een ernstige onregelmatigheid, waardoor geen recht bestaat op compensatie voor het toeslagjaar 2012. Eiseres heeft evident geen recht op kinderopvangtoeslag, omdat haar toeslagpartner niet voldeed aan de vereisten van artikel 1.6, derde lid, van de Wko en niet is gebleken dat kinderopvang is afgenomen. Voor het eerst op de zitting heeft de Dienst Toeslagen zich op het standpunt gesteld dat ook niet is gebleken dat eiseres zelf in het toeslagjaar 2012 voldeed aan de voorwaarden van artikel 1.6, eerste lid, van de Wko.\n\n4.3.. Voor de beoordeling van het beroep zijn de volgende regels van belang.\n\n4.3.1.. De Dienst Toeslagen kent op aanvraag compensatie toe aan een aanvrager van kinderopvangtoeslag, die schade heeft geleden, doordat ten aanzien van haar bij de uitvoering van de kinderopvangtoeslag sprake is geweest van institutionele vooringenomenheid van de Dienst Toeslagen.De compensatie wordt niet toegekend indien de door de aanvrager geleden schade is te wijten aan ernstige onregelmatigheden die aan haar toerekenbaar zijn.Van een ernstige onregelmatigheid is in ieder geval sprake als uit het dossier blijkt dat er evident geen recht op kinderopvangtoeslag bestond, bijvoorbeeld als het kind in het geheel geen opvang heeft genoten.\n\n4.3.2.. Degene die voor een deel van het berekeningsjaar als partner wordt aangemerkt, wordt ook als partner aangemerkt in de andere perioden van het berekeningsjaar, voor zover hij in die perioden op het zelfde woonadres als de belanghebbende staat ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens.\n\n4.3.3.. Een ouder heeft voor een berekeningsjaar aanspraak op een kinderopvangtoeslag, indien de ouder in dat jaar, kort gezegd, arbeid verricht of gebruik maakt van een voorziening gericht op arbeidsinschakeling.\n\n4.4.. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de Dienst Toeslagen ten onrechte geen compensatie toegekend voor het toeslagjaar 2012. De Dienst Toeslagen heeft niet aannemelijk gemaakt dat sprake is van een ernstige onregelmatigheid. De echtgenoot van eiseres was de toeslagpartner van eiseres vanaf het huwelijk op 5 oktober 2012.Omdat hij in de periode daarvoor niet met eiseres samenwoonde, kon hij in die periode niet als toeslagpartner worden aangemerkt.De activeringscoach van de gemeente Rotterdam heeft verklaard dat eiseres vanaf 8 april 2011 heeft deelgenomen aan ‘ [traject 1] ’ en vanaf 23 november 2012 aan ‘ [traject 2] ’. Dit zijn voorzieningen gericht op arbeidsinschakeling. Volgens eiseres hebben deze trajecten elkaar opgevolgd, zodat zij aaneensluitend kinderopvang nodig had. Verder blijkt uit het overzicht arbeidsverleden van het UWV dat eiseres in 2012 in beperkte mate heeft gewerkt. Daarmee is het niet evident dat eiseres in het toeslagjaar 2012 niet voldeed aan de vereisten van artikel 1.6, eerste lid, van de Wko (oud). De deelname aan de voorzieningen gericht op arbeidsinschakeling is bovendien een aanwijzing dat eiseres wel daadwerkelijk kinderopvang heeft afgenomen, nu het bij zulke trajecten doorgaans verplicht is gebruik te maken van kinderopvang. Het feit dat in de KOI-viewergeen opvanggegevens stonden geregistreerd, legt daartegenover onvoldoende gewicht in de schaal, omdat kinderopvanginstellingen in 2012 niet verplicht waren gegevens over de opvang aan de Dienst Toeslagen te verstrekken. Het voorgaande betekent dat het niet evident is dat eiseres geen recht had op kinderopvangtoeslag van 1 januari 2012 tot 5 oktober 2012. De beroepsgrond slaagt.\n\nConclusie en gevolgen\n\n5. Het beroep is gegrond. Het bestreden besluit is in strijd met artikel 2.1, tweede lid, van de Wht en kan niet in stand blijven. De rechtbank kan niet zelf in de zaak voorzien, omdat de berekening van de hoogte van de eventuele compensatie te ingewikkeld is. De rechtbank zal het bestreden besluit vernietigen voor zover het de afwijzing van compensatie betreft over de periode van 1 januari 2012 tot 5 oktober 2012 en de Dienst Toeslagen opdragen ten aanzien van deze periode een nieuw besluit op het bezwaar nemen. De rechtbank geeft de Dienst Toeslagen hiervoor een termijn van zes weken.\n\n5.1.. Omdat het beroep gegrond is, moet de Dienst Toeslagen het door eiseres betaalde griffierecht vergoeden. De rechtbank veroordeelt de Dienst Toeslagen ook in de kosten die eiseres in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.868,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het bijwonen van de zitting, met een waarde per punt van € 934,- en wegingsfactor 1).\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\nverklaart het beroep gegrond;\n\nvernietigt het bestreden besluit voor zover dit betrekking heeft op de periode van 1 januari 2012 tot 5 oktober 2012;\n\ndraagt de Dienst Toeslagen op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;\n\nbepaalt dat de Dienst Toeslagen het betaalde griffierecht van € 53,- aan eiseres vergoedt;\n\nveroordeelt de Dienst Toeslagen in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 1.868,-.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. R.J.P. Ferwerda, rechter, in aanwezigheid van mr. J. Nieuwstraten, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar op 30 juni 2026.\n\ngriffier\n\nDe rechter is verhinderd\n\nde uitspraak te ondertekenen\n\nrechter\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.\n\n Artikel 2.1, eerste lid, onderdeel a, van de Wht.\n\n Artikel 2.1, tweede lid, van de Wht.\n\nKamerstukken II2021\u002F22, 35151, nr. 3, p. 72.\n\n Artikel 3, tweede lid, van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (Awir), zoals geldend op 1 januari 2012.\n\n Artikel 1.6, eerste lid, van de Wko, zoals geldend op 1 januari 2012.\n\n Artikel 3, eerste lid, aanhef en onder a, van de Awir (oud).\n\n Artikel 3, tweede lid, van de Awir (oud).","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2026:8191","ecli-nl-rbrot-2026-8191",{"courtName":6,"legalDomain":100,"decisionType":22,"procedureType":23},"Bestuursrecht",{"id":102,"ecli":103,"caseNumber":14,"courtId":5,"courtName":14,"decisionDate":95,"fullText":104,"language":7,"source":17,"sourceUrl":105,"summary":14,"slug":106,"metadata":107},"596","ECLI:NL:RBDHA:2026:18730","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Rotterdam\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummers: NL26.8583, NL26.8585, NL26.8587 en NL26.8589\n uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaken tussen\n [eiser 1] , V-nummer: [nummer 1] , en\n\n [eiser 2], V-nummer: [nummer 2] , en\n\n [eiser 3], V-nummer: [nummer 3] , en\n\n [eiser 4], V-nummer: [nummer 4] ,\n\nhierna tezamen: eisers\n\n(gemachtigde: mr. N. van Bremen),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, verweerder\n\n(gemachtigde: mr. J.M. Sánchez Rhemrev).\n\nProcesverloop\n\nBij besluiten van 11 februari 2026 (de bestreden besluiten) heeft verweerder de aanvragen tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd (asielaanvraag) van [eiser 1] , [eiser 2] en [eiser 3] afgewezen als kennelijk ongegrond. De asielaanvraag van [eiser 4] is afgewezen als ongegrond. Daarnaast heeft verweerder terugkeerbesluiten uitgevaardigd.\n\nEisers hebben tegen de bestreden besluiten beroepen ingesteld. Zij hebben tevens de voorzieningenrechter verzocht om voorlopige voorzieningen te treffen.\n\nDe rechtbank heeft de beroepen, samen met de verzoeken om een voorlopige voorziening, op 12 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: [eiser 1] , de gemachtigde van eisers, waargenomen door mr. A. Šimičević, H. Amin als tolk, de gemachtigde van verweerder en [persoon A] als voogd van Nidos.\n\nTotstandkoming van het besluit\n\nHet asielrelaas\n\n1.1.. Eisers hebben de Iraakse nationaliteit en behoren tot de Jezidi bevolkingsgroep. [eiser 1] is geboren op [geboortedatum 1] 1998, [eiser 2] is geboren op [geboortedatum 2] 2002, [eiser 3] is geboren op [geboortedatum 3] 2009 en [eiser 4] is geboren op [geboortedatum 4] 2012. [eiser 1] , [eiser 2] en [eiser 3] zijn broers. [eiser 4] is een neefje van hen.\n\n1.2.. Eisers leggen aan hun asielaanvraag kort samengevat ten grondslag dat zij in Irak niet veilig zijn omdat zij Jezidi zijn. Eisers hebben de aanval van IS op Jezidi’s in de regio Sinjar in 2014 meegemaakt en hebben sindsdien in een tentenkamp in de KAR( [naam tentenkamp] in Zakho) verbleven. Binnen het tentenkamp waren de omstandigheden niet goed. Zo vlogen er tenten door kortsluiting in brand. Als Jezidi krijgen eisers regelmatig te maken met discriminatie. Ook vinden er in de regio gevechten en bombardementen plaats. Eisers vrezen bij terugkeer voor de onveilige situatie, verdere discriminatie en rekrutering door de PKK of YPG. Ook vrezen eisers opnieuw te worden aangevallen door IS-strijders die schuldig waren aan de genocide in 2014 omdat zij na een generaal pardon zullen worden vrijgelaten en de hulp van de Koerden geen zekerheid is.\n\n1.3.. Om hun asielrelaas te onderbouwen hebben eisers ieder een identiteitskaart, nationaliteitsbewijs\u002Fnationaliteitsverklaring en een geboorteakte overgelegd. [eiser 1] , [eiser 3] en [eiser 4] hebben daarnaast ook een paspoort overgelegd.\n\nDe bestreden besluiten\n\n2. Uit Eurodac is gebleken dat eisers internationale bescherming hebben gekregen in Griekenland. Verweerder heeft er voor gekozen om de asielaanvragen in Nederland wel in behandeling te nemen. Verweerder heeft hierbij vastgesteld dat het asielrelaas van eisers het asielmotief identiteit, nationaliteit en herkomstbevat. Het asielrelaas van [eiser 1] omvat daarnaast ook het asielmotiefproblemen vanwege het behoren tot de Jezidi gemeenschap.\n\n2.1.. Verweerder heeft de identiteit, nationaliteit en herkomst van eisers geloofwaardig geacht. Verweerder heeft in het geval van [eiser 1] de geloofwaardigheid van de problemen vanwege het behoren tot de Jezidi gemeenschap in het midden gelaten. Verweerder heeft vervolgens in alle zaken van eisers beoordeeld of zij een gegronde vrees voor vervolging hebben of een reëel risico lopen op ernstige schade bij terugkeer.\n\n2.2.. De identiteit, nationaliteit en herkomst van eisers en in het geval van [eiser 1] , de problemen vanwege het behoren tot de Jezidi gemeenschap, leiden volgens verweerder niet tot een vervolgingsgrond in de zin van het Verdrag betreffende de status van vluchtelingen (Vluchtelingenverdrag) of tot een reëel risico op ernstige schade in de zin van artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Verweerder heeft de asielaanvragen van [eiser 1] , [eiser 2] en [eiser 3] afgewezen als kennelijk ongegrond op grond van artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder d van de Vreemdelingenwet (Vw) omdat zij opzettelijk hun Griekse documenten hebben weggegooid. De asielaanvraag van [eiser 4] is afgewezen als ongegrond. Daarnaast omvatten de bestreden besluiten een terugkeerbesluit.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\nNormale woon- en verblijfplaats\n\n3. Eisers stellen zich op het standpunt dat verweerder het tentenkamp [naam tentenkamp] in Zakho, KAR ten onrechte als normale woon- en verblijfplaats heeft aangemerkt. Eisers doen hierbij een beroep op verschillende uitsprakenwaarin deze rechtbank heeft geoordeeld dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd dat ontheemdenkampen als normale woon- en verblijfplaats kunnen worden aangemerkt. Volgens eisers maakt verweerder in hun zaken dezelfde fouten door slechts naar beleidswijzingen en eerdere interne beleidskeuzes te verwijzen zonder daarbij de feitelijke leefomstandigheden in het ontheemdenkamp [naam tentenkamp] , de sluitingsplannen van het kamp, de beschikbaarheid van opvang na terugkeer in het kamp, de veiligheidssituatie in de KAR en de bijzondere kwetsbaarheid van Jezidi’s bij zijn beoordeling te betrekken. De leefomstandigheden in de kampen zijn verslechterd, zoals onder meer volgt uit het Thematisch ambtsbericht Irak van november 2025 (TAB). Eisers volgen verweerder niet in zijn standpunt dat de verslechterde omstandigheden niet bij de beoordeling hoeven te worden betrokken omdat deze niet door strijdende partijen worden veroorzaakt. Eisers wijzen er verder op dat Jezidi’s een kwetsbare minderheid vormen.Daarnaast menen [eiser 1] , [eiser 2] en [eiser 3] dat hun asielaanvraag ten onrechte als kennelijk ongegrond is afgewezen omdat de situatie van Jezidi’s in de KAR complex en volop in ontwikkeling is. Een versnelde afdoening past hier niet bij.\n\n3.1.. De rechtbank ziet zich allereerst voor de vraag gesteld of verweerder deugdelijk heeft gemotiveerd dat, en waarom, hij het vluchtelingenkamp [naam tentenkamp] in Zakho, KAR voor eisers heeft aangemerkt als normale woon- en verblijfplaats. Een beoordeling voor wat betreft de vraag of eisers een gegronde vrees voor vervolging hebben of bij terugkeer een reëel risico lopen op ernstige schade, heeft pas betekenis tegen de achtergrond van waarnaartoe eisers moeten terugkeren. Hierbij gaat het – volgens verweerder, en dit staat verder niet ter discussie – om de normale woon- en verblijfplaats, in dit geval vluchtelingenkamp [naam tentenkamp] .\n\n3.2.. Verweerder stelt zich hierover op het standpunt dat het bij het bepalen van de normale woon- en verblijfplaats gaat om de feitelijke duur en legaliteit van het verblijf. Humanitaire omstandigheden zijn hierbij volgens verweerder niet relevant. Een humanitaire situatie in een bepaald gebied kan volgens verweerder in beginsel niet tot een asielverlening leiden. Dit is volgens verweerder alleen anders als de humanitaire omstandigheden het gevolg zijn van een gewapend conflict. Verweerder verwijst hierbij naar het arrest van het EHRM van 28 juni 2011 (ECLI:CE:ECHR:2011:0628JUD000831907, Sufi en Elmi). Nu niet aannemelijk is gemaakt dat dit het geval is, stelt verweerder zich op het standpunt dat hij niet gehouden is om nader onderzoek te doen naar de humanitaire situatie in het kamp. Daarnaast wijst verweerder op het Algemeen Ambtsbericht Irak van november 2023. Volgens verweerder volgt hieruit dat de algemene situatie in de opvangkampen niet zodanig slecht is dat er bij terugkeer een reëel risico is op ernstige schade. Omdat eisers voorafgaand aan hun vertrek zeven jaar, dan wel acht jaar in het tentenkamp [naam tentenkamp] in de KAR hebben verbleven, kan dit volgens verweerder als hun normale woon- en verblijfplaats worden gezien.\n\n3.3.. De rechtbank acht het standpunt van verweerder onvoldoende zorgvuldig tot stand gekomen en onvoldoende deugdelijk gemotiveerd. Zij overweegt hiertoe dat verweerder aan zijn standpunt dat [naam tentenkamp] voor eisers als normale woon- en verblijfplaats kan worden aangemerkt, enkel ten grondslag heeft gelegd dat eisers hier voorafgaand aan hun vertrek zeven, dan wel acht jaar hebben verbleven. Uit de uitspraak van de Afdeling van 18 september 2012 (ECLI:NL:RVS:2012:357, ro. 1.4), volgt echter dat bij de beantwoording van de vraag of een plaats kan worden beschouwd als de plaats waar de vreemdeling zijn normale woon- en verblijfplaats had, onder meer van belang is hoe lang en onder welke omstandigheden de vreemdeling daar heeft verbleven. Anders dan verweerder stelt volgt hieruit dat er bij de vraag of een plaats als normale woon- en verblijfplaats kan worden gezien ook rekening moet worden gehouden met de (humanitaire) omstandigheden waaronder de vreemdeling op die plaats heeft verbleven. Ook overigens merkt de rechtbank op dat de toenmalig Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid in antwoord op Kamervragen zelf heeft aangegeven dat, bij de vraag of een gebied waar een Jezidi heeft verbleven aangemerkt wordt als normale woon-of verblijfplaats, van belang is of de Jezidi daar naar lokale maatstaven gemeten op een normaal niveau heeft kunnen functioneren.\n\n3.4.. In weerwil van het voorgaande blijkt uit de bestreden besluiten niet dat verweerder de feitelijke situatie, en daarmee ook de humanitaire omstandigheden, in het kamp voor Jezidi’s heeft onderzocht en betrokken bij zijn beoordeling. Dit schrijnt te meer nu eisers al bij hun zienswijze hebben gewezen op meerdere uitspraken waarin door de rechtbank is geconcludeerd dat verweerder ten onrechte de feitelijke situatie in de ontheemdenkampen of in zijn algemeenheid in de KAR voor Jezidi’s niet heeft onderzocht. Daarnaast blijkt uit het TAB dat de situatie in de kampen zorgwekkend is, onder andere omdat de financiering van hulporganisaties is gestopt en teruggelopen, hetgeen resulteerde in een gebrek aan basisvoorzieningen, medische zorg, psychosociale ondersteuning en slechte leefomstandigheden in de kampen. Daarnaast blijkt uit eisers verklaringen ook dat de omstandigheden in de kampen slecht waren. Zo heeft [eiser 1] verklaard dat er geen warm water of constante stroom was (p. 7 nader gehoor) en heeft [eiser 2] onder andere verklaard dat tenten in de brand vlogen en dat hij via Youtube onderwijs heeft genoten (p. 6 nader gehoor). Hij heeft ook verklaard dat ze geen mogelijkheid hadden om elders te gaan wonen, omdat de overheid dat niet accepteerde, maar ze tegelijkertijd niet de tent waar ze verbleven mochten ombouwen tot een woning van stenen (p. 10 nader gehoor). [eiser 4] heeft ook verklaard dat er soms tenten in de brand vlogen (p. 8 nader gehoor). [eiser 3] bevestigd dit ook en verklaart dat hierbij soms mensen verbrandden of overleden (p. 4 nader gehoor). De school was volgens [eiser 3] een tent waarbij niet docenten, maar andere vluchtelingen het onderwijs verzorgden (p. 4 en 9 nader gehoor). Niet is gebleken dat verweerder landeninformatie, waaronder de informatie uit het TAB, en de verklaringen van eisers bij zijn beoordeling of het tentenkamp als normale woon- en verblijfplaats kan worden aangemerkt, heeft betrokken. De rechtbank volgt verweerder verder ook niet in zijn standpunt dat uit het arrest Sufi en Elmi volgt dat humanitaire omstandigheden enkel bij de beoordeling hoeven te worden betrokken als deze het gevolg zijn van een gewapend conflict. Uit dit arrest volgt namelijk ook dat humanitaire omstandigheden die geen verband houden met willekeurig geweld, wel een rol kunnen spelen in de meer algemene beoordeling onder artikel 3 van het EVRM of uitzetting een reëel risico op blootstelling aan een onmenselijke behandeling oplevert.Verweerder dient zich daarvan rekenschap te geven, maar heeft dat onvoldoende gedaan, te meer daar het TAB - waarop eisers hebben gewezen – in het bestreden besluit in dat kader niet is betrokken. Bij schending van artikel 3 van het EVRM vanwege humanitaire omstandigheden, kan evenmin sprake zijn van een normale woon- en verblijfplaats. De beroepsgrond slaagt.\n\nTerugkeerbesluit\n\n4. Eisers hebben zich ter zitting op het standpunt gesteld dat verweerder ten onrechte terugkeerbesluiten tegen hen heeft uitgevaardigd, omdat zij een status in Griekenland hebben.\n\n4.1.. De rechtbank stelt vast dat eisers internationale bescherming hebben in Griekenland. Verweerder kan de door Griekenland verleende vluchtelingenstatus niet intrekken of beëindigen. Die mogelijkheid staat alleen open voor de Griekse autoriteiten. Gelet op de uitspraken van de Afdeling van 2 juli 2025 (ECLI:NL:RVS:2025:2865) en 3 juli 2025 (ECLI:NL:RVS:2025:2936) kan verweerder naar het oordeel van de rechtbank geen terugkeerbesluit uitvaardigen in zaken van Griekse statushouders voordat hij de uitkomst van zijn beoordeling of de vreemdeling in aanmerking komt voor een asielstatus heeft gedeeld met de Griekse autoriteiten en de Griekse autoriteiten in reactie daarop hebben aangegeven dat zij aanleiding zien om de verleende asielstatus in te trekken. Niet is gebleken dat verweerder de uitkomst van de beoordeling met de Griekse autoriteiten heeft gedeeld en ook niet wat de reactie van de Griekse autoriteiten daarop is geweest. Daarmee is onduidelijk gebleven of de Griekse autoriteiten de verleende asielstatussen zullen intrekken. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder daarom (nog) geen terugkeerbesluiten mogen uitvaardigen. De beroepsgrond slaagt.\n\nConclusie en gevolgen\n\n5. Gelet op hetgeen onder 3.3., 3.4. en 4.1. is overwogen, zijn de beroepen gegrond vanwege strijd met het zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel. De rechtbank vernietigt daarom de bestreden besluiten en laat de overige gronden onbesproken. De rechtbank ziet geen aanleiding om de rechtsgevolgen van de vernietigde besluiten in stand te laten of mogelijkheid om zelf in de zaken te voorzien. Verweerder zal nieuwe besluiten op de aanvragen van eisers moeten nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank geeft verweerder hiervoor zes weken de tijd.\n\n6. Omdat de beroepen gegrond zijn, krijgen eisers een vergoeding van hun proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. Omdat de rechtbank de zaken als samenhangend beschouwt in de zin van artikel 3 van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb), blijft de proceskostenvergoeding beperkt tot het bedrag wat in één zaak zou zijn toegekend. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Bpb voor de door een derde beroepsmatig verleende bijstand vast op € 1.868,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1).\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\nverklaart de beroepen gegrond;\n\nvernietigt de bestreden besluiten;\n\ndraag verweerder op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak nieuwe besluiten te nemen op de aanvragen, waarbij rekening wordt gehouden met deze uitspraak;\n\nveroordeelt verweerder tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eisers.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. A.M.J. Adriaansen, rechter, in aanwezigheid van mr. A. Duijf, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift in de zaken NL26.8583, NL26.8585, NL26.8587 ( [eiser 1] , [eiser 2] en [eiser 3] ) moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Het hogerberoepschrift in de zaak NL26.8589 ( [eiser 4] ) moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.\n\n De voorlopige voorzieningen staan geregistreerd onder zaaknummers: NL26.8584, NL26.8586 en NL26.8588.\n\n Koerdische Autonome Regio\n\n Eisers verwijzen hierbij naar ECLI:NL:RBDHA:2026:2642, ECLI:NL:RBDHA:2025:24349, ECLI:NL:RBDHA:2025:24369, ECLI:NL:RBDHA:2025:24572 en ECLI:NL:RBDHA:2026:772.\n\n Eisers verwijzen hierbij naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 8 maart 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BL7409.\n\n Aanhangsel van de Handelingen van 10 juli 2019, vergaderjaar 2018-2019 nummer 3345; antwoord van Staatssecretaris Broekers – Knol (Justitie en Veiligheid) ontvangen 5 juli 2019.\n\n ECLI:CE:ECHR:2011:0628JUD000831907 r.o. 291 en 296.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18730","ecli-nl-rbdha-2026-18730",{"courtName":6,"legalDomain":21,"decisionType":22,"procedureType":23},{"id":109,"ecli":110,"caseNumber":14,"courtId":5,"courtName":14,"decisionDate":95,"fullText":111,"language":7,"source":17,"sourceUrl":112,"summary":14,"slug":113,"metadata":114},"1422","ECLI:NL:RBROT:2026:7917","Rechtbank RotterdamZittingsplaats Rotterdam\n\nMeervoudige kamer strafzaken\n\nParketnummer: 10-247847-25\n\nDatum uitspraak: 30 juni 2026\n\nDatum zitting: 16 juni 2026\n\nTegenspraak\n\nVerdachte:\n\n [verdachte], geboren op [geboortedatum 1] 1977 in [geboorteplaats] ( [geboorteland] ), ingeschreven op het adres:\n\n [adres] , [postcode] [plaatsnaam] , gedetineerd in de penitentiaire inrichting in Krimpen aan den IJssel.\n\nAdvocaat van de verdachte: mr. P. van Tour\n\nOfficier van justitie: mr. B.M. van Heemst\n\nKern van het vonnis\n\nDe verdachte wordt veroordeeld voor het belagen (stalking) en mishandelen van zijn (ex)vriendin. De feiten kunnen de verdachte in verminderde mate worden toegerekend. De rechtbank zal aan de verdachte een gevangenisstraf opleggen van 250 dagen met aftrek van het voorarrest. Daarnaast zal de rechtbank een tbs-maatregel met dwangverpleging opleggen. Ook wordt aan de verdachte een 38v-maatregel opgelegd in de vorm van een contactverbod met de aangeefster.1. Tenlastelegging\n\nDe officier van justitie beschuldigt de verdachte ervan dat hij - samengevat - zijn (ex)vriendin heeft belaagd, mishandeld en bedreigd.\n\nDe volledige tenlastelegging houdt in dat:\n\nfeit 1 hij in de periode van 1 augustus 2025 tot en met 28 december 2025 te Rotterdam, althans in Nederland, wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op eens anders persoonlijke levenssfeer, te weten die van [slachtoffer] , door: - veelvuldig berichten te sturen naar die [slachtoffer] en\u002Fof - veelvuldig te (video)bellen naar die [slachtoffer] en\u002Fof - naar de vader van die [slachtoffer] te bellen en\u002Fof - zich veelvuldig, althans meerdere malen, op te houden in de buurt van het werk en\u002Fof de woning van die [slachtoffer] en\u002Fof - door de brievenbus van die [slachtoffer] naar binnen in de woning van die [slachtoffer] te kijken met het oogmerk die [slachtoffer] , te dwingen iets te doen, niet te doen, te dulden en\u002Fof vrees aan te jagen;\n\nfeit 2 hij in de periode van 1 augustus 2025 tot en met 31 augustus 2025 te Rotterdam, althans in Nederland, [slachtoffer] heeft mishandeld, door aan haar haren te trekken en\u002Fof aan haar oorbel te trekken; feit 3 hij op of omstreeks 13 september 2025 te Rotterdam, althans in Nederland, [slachtoffer] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en\u002Fof met zware mishandeling, door die [slachtoffer] dreigend de woorden toe te voegen \"straks gooi ik je in de sloot en laat ik je verdrinken\", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking.2. Bewijs2.1.. \n\nVordering van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte moet worden veroordeeld voor de feiten 1, 2 en 3.2.2.. \n\nConclusie van de verdediging\n\nDe verdediging heeft vrijspraak bepleit voor feit 3. Verder heeft de verdediging verzocht de pleegperiode met betrekking tot feit 1 te beperken tot de periode vanaf 14 september 2025. Ten aanzien van feit 2 heeft de verdediging zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.2.3.. Oordeel van de rechtbank2.3.1.. \n\nBewezenverklaring en bewijsmiddelen belaging en mishandeling (feiten 1 en 2)\n\nBewezen is dat de verdachte zijn (ex)vriendin heeft belaagd en mishandeld. De volledige bewezenverklaring is vermeld in paragraaf 2.3.2.\n\nDe bewezenverklaring van feit 1 en 2 is gebaseerd op de inhoud van de bewijsmiddelen. De verdachte heeft het feit bekend en er is geen vrijspraak bepleit. Daarom worden voor dit feit de bewijsmiddelen hieronder wel genoemd maar niet uitgeschreven.\n\n1. Verklaring van de verdachte\n\n2. Proces-verbaal van de politie, verklaring [aangeefster]\n\n3. Proces-verbaal van de rechter-commissaris, verklaring [aangeefster]\n\n4. Proces-verbaal van de politie\n\n5. Proces-verbaal van de politie2.3.2.. Volledige bewezenverklaring\n\nBewezen is dat:\n\nFeit 1\n\nhij in de periode van 14 september 2025 tot en met 28 december 2025 te Rotterdam, wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op eens anders persoonlijke levenssfeer, te weten die van [slachtoffer] , door:\n\n- veelvuldig berichten te sturen naar die [slachtoffer] en\n\n- veelvuldig te (video)bellen naar die [slachtoffer] en\n\n- zich meerdere malen op te houden in de buurt van de woning van die [slachtoffer] en\n\n- door de brievenbus van die [slachtoffer] naar binnen in de woning van die [slachtoffer] te kijken\n\nmet het oogmerk die [slachtoffer] te dwingen iets te doen en\u002Fof te dulden;\n\nFeit 2\n\nhij in de periode van 1 augustus 2025 tot en met 31 augustus 2025 te Rotterdam, [slachtoffer] heeft mishandeld, door aan haar haren te trekken.2.3.3.. \n\nVrijspraak bedreiging (feit 3)\n\nDe bedreiging waarvan de verdachte wordt beschuldigd is niet bewezen. De aangeefster heeft verklaard dat de verdachte haar heeft bedreigd met de woorden: “straks gooi ik je in de sloot en laat ik je verdrinken”. De moeder van de aangeefster heeft weliswaar verklaard dat de verdachte zou hebben gedreigd, maar zij heeft het gebruik door de verdachte van deze specifieke, dan wel daarmee vergelijkbare, bewoordingen niet bevestigd. Zij spreekt over wezenlijk andere bewoordingen. De verdachte heeft de gestelde bedreiging bovendien uitdrukkelijk ontkend. De verdachte wordt daarom vrijgesproken van de tenlastegelegde bedreiging.3. Kwalificatie en strafbaarheid3.1.. \n\nKwalificatie\n\nDe bewezen feiten leveren de volgende strafbare feiten op:\n\nFeit 1\n\nbelaging;\n\nFeit 2\n\nmishandeling.\n\n3.2.. \n\nStrafbaarheid van de feiten en van de verdachte\n\nDe feiten en de verdachte zijn strafbaar.4. Straf en maatregel4.1.. \n\nEis van de officier van justitie\n\nDe verdachte moet voor de feiten 1, 2 en 3 worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 250 dagen met aftrek van voorarrest. Daarnaast moet de maatregel van terbeschikkingstelling (tbs) met dwangverpleging (ongemaximeerd), de 38v-maatregel (een contactverbod) en de 38z-maatregel worden opgelegd.4.2.. \n\nStandpunt van de verdediging\n\nVerzocht is een gedeeltelijk voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen en af te zien van oplegging van een tbs-maatregel met dwang, omdat dit niet proportioneel en noodzakelijk is. Als toch een tbs-maatregel wordt opgelegd, dan wordt verzocht deze maatregel met voorwaarden op te leggen.4.3.. Oordeel van de rechtbank4.3.1.. \n\nErnst en omstandigheden van de feiten\n\nDe verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan belaging en mishandeling van zijn (ex)vriendin. De verdachte heeft zijn toenmalige vriendin mishandeld door aan haar haren te trekken. Toen de relatie kort daarna door de aangeefster werd verbroken is de verdachte haar gaan stalken. Zo heeft hij haar in een periode van bijna vier maanden veelvuldig berichten gestuurd en gebeld, heeft hij zich in de buurt van haar woning opgehouden en door haar brievenbus naar binnen gekeken. Dit alles terwijl de verdachte wist dat de aangeefster geen contact meer met hem wilde. Ook dat de verdachte was aangehouden voor de belaging en hij daarvoor in voorarrest zat, weerhield hem er niet van om contact op te nemen met de aangeefster, evenmin na oplegging van een contactverbod door de officier van justitie. Tijdens de schorsing van zijn voorlopige hechtenis is eveneens door de rechtbank een contactverbod met de aangeefster opgelegd aan de verdachte. Tot drie keer toe is de voorlopige hechtenis van verdachte geschorst en tot drie keer toe heeft verdachte de schorsingsvoorwaarden overtreden door steeds weer opnieuw contact te zoeken met de aangeefster. De verdachte heeft met zijn handelen een grove inbreuk gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van de aangeefster. Dat de feiten een grote impact hebben gehad blijkt onder meer uit de schriftelijke slachtofferverklaring van de aangeefster. Hieruit blijkt dat zij zich nog altijd niet veilig voelt en veel angst heeft overgehouden aan de gebeurtenissen.4.3.2.. \n\nPersoon en persoonlijke omstandigheden\n\nStrafblad\n\nUit het strafblad van 26 mei 2026 blijkt dat de verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld voor mishandeling. Het strafblad van de verdachte leidt dus tot een hogere straf.\n\nRapporten van deskundigen en de reclassering\n\nIn het rapport van de psycholoog [naam 1]van 6 januari 2026 staat onder meer dat bij de verdachte sprake is van een verstandelijke beperking, een antisociale persoonlijkheidsstoornis en stoornissen in het gebruik van alcohol en cocaïne.\n\nIn het aanvullende rapport van de psycholoog [naam 1]van 8 mei 2026 staat onder meer het volgende. De eerder genoemde stoornissen waren aanwezig ten tijde van het ten laste gelegde en werkten daarin door. Het alcoholgebruik zorgde voor spanningen binnen de relatie en de verdachte werd door het gebruik agressiever, ook naar de aangeefster. Vervolgens bleek ook sprake van een terugval in cocaïnegebruik en was sprake van achterdocht bij de verdachte. Toen de aangeefster de relatie met de verdachte wilde verbreken werd dit door hem niet geaccepteerd. Hij zocht haar veelvuldig op en stuurde haar berichten. Het niet beantwoorden van zijn oproepen door de aangeefster zorgde voor boosheid en agressiedoorbraken, zoals het aan de haren trekken van de aangeefster. De verdachte lijkt het gedrag van de aangeefster bovendien onjuist te hebben geïnterpreteerd en hij had onvoldoende inzicht in zijn grensoverschrijdende gedrag en dat dit angst kon oproepen bij de aangeefster. Voorgaande zaken, zoals een beperkte frustratietolerantie, onvoldoende inlevingsvermogen, impulsiviteit en het onvoldoende overzien van de gevolgen van zijn eigen gedrag, zijn passend bij een verstandelijke beperking en een antisociale persoonlijkheidsstoornis. Het alcohol en cocaïnegebruik van de verdachte lijkt zijn vermogen om eigen gedrag te plannen en te reguleren verder negatief te hebben beïnvloed. Geadviseerd wordt het ten laste gelegde, indien bewezen, in verminderde mate toe te rekenen.\n\nHet risico op geweld bij stalking wordt bij verdachte matig-hoog ingeschat en het risico op volharding in het stalkingsgedrag wordt ingeschat als hoog. Gelet op dit risico en de ernst van de problematiek wordt intensieve forensische behandeling met een hoge mate van toezicht geïndiceerd, waarbij een klinische behandeling wordt gevolgd door een ambulante behandeling. Verwacht wordt dat deze behandeling een periode van meerdere jaren in beslag zal nemen. In het rapport van 6 januari 2026 beschreef de psycholoog haar twijfels omtrent de haalbaarheid van een behandel- en interventietraject binnen het kader van bijzondere voorwaarden. Deze twijfels zijn toegenomen door het aanvullende gesprek met de verdachte en de ontwikkelingen in december 2025. Voor een strafrechtelijk kader met voorwaarden (waaronder tbs met voorwaarden) is intrinsieke motivatie nodig. Dit is slechts beperkt aanwezig bij de verdachte. Hoewel hij in eerste instantie aangaf dat hij bereid was om mee te werken aan behandeling, was hij ambivalent over de bereidheid om mee te werken aan klinische behandeling. Daarnaast is de kans dat de verdachte terugvalt in middelengebruik groot, en is gebleken dat hij bij tegenslagen en middelengebruik sterker geneigd is om terug te vallen in stalkingsgedrag. De verdachte heeft bovendien nauwelijks besef van eigen problematiek en de aanwezige risicofactoren. Ook heeft hij nauwelijks inzicht in de gevolgen van zijn gedrag voor de aangeefster en toont weinig empathie. Gelet op het voorgaande in combinatie met de ingeschatte risico's, de aard van de problematiek, het beloop ten tijde van de schorsing van de voorlopige hechtenis en de noodzaak van een langdurige intensievere vorm van forensische behandeling rest enkel nog het kader van een tbs met dwangverpleging. Daarnaast adviseert de psycholoog om een gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel op te leggen.\n\nIn het rapport van de psychiater [naam 2]van 8 mei 2026 staat onder meer het volgende.\n\nBij de verdachte is sprake van een ernstige stoornis in het gebruik van alcohol en cocaïne en een antisociale persoonlijkheidsstoornis. Daarnaast is er sprake van een licht verstandelijke beperking. Deze stoornissen waren aanwezig ten tijde van het ten laste gelegde en werkten daarin door. Door het middelengebruik is de relatie tussen de verdachte en de aangeefster meermaals onder spanning komen te staan. Vanuit zijn persoonlijkheidsstoornis is de verdachte gevoelig voor krenking. De verdachte kan zich nauwelijks inleven en heeft een gebrekkige gewetensfunctie. Hij is wantrouwend en voelt zich emotioneel tekort gedaan. Hij reageert dwangmatig en rigide. Hij heeft de afwijzing van de aangeefster niet kunnen verdragen en raakt emotioneel overspoeld. Als gevolg hiervan gaat de verdachte stalkingsgedrag vertonen en voelt hij geen rem meer. Hij is impulsief en heeft problemen met agressieregulatie. Vanuit zijn problematiek blijft de verdachte de aangeefster herhaaldelijk benaderen, gaat over haar grenzen en laat fysieke agressie zien. Doordat de verdachte onvoldoende adequate copingsmechanismen heeft om met gevoelens om te gaan vervalt hij in het gebruik van middelen, hetgeen het stalkingsgedrag voedt. Hij kan zijn middelengebruik onvoldoende controleren. De verdachte beschikte dus over onvoldoende vaardigheden om zich staande te houden binnen de intieme relatie en kon de emoties als gevolg van de relatiebreuk onvoldoende reguleren. Hij kon de gevolgen van zijn gedrag niet overzien. Geadviseerd wordt het ten laste gelegde, indien bewezen, in een verminderde mate toe te rekenen.\n\nHet risico op geweld en belaging op korte, lange en middellange termijn wordt ingeschat als hoog. Om dit risico terug te dringen is behandeling nodig gericht op de persoonlijkheids- en verslavingsproblematiek van de verdachte. Er is intensieve behandeling nodig in een forensische psychiatrische intramurale setting op een zeer hoog beveiligingsniveau en passend bij het intelligentieniveau van de verdachte. De inschatting is dat de klinische fase van de behandeling voldoende lang dient plaats te vinden om het recidiverisico te doen verlagen en de verdachte veilig te kunnen resocialiseren naar de maatschappij. De verdachte is niet gemotiveerd voor behandeling en heeft nauwelijks probleembesef of het vermogen tot zelfreflectie. De verdachte heeft recentelijk meermaals zijn schorsingsvoorwaarden overtreden. Voor een voorwaardelijk kader dient er niet alleen voldoende motivatie maar ook enige mate van inzicht te zijn. De psychiater schat de duurzame bereidwilligheid van de verdachte om zich te conformeren aan voorwaarden beperkt in. De inschatting is dat hij door beperkt ziektebesef en zijn impulsieve levensstijl niet in staat is zich langere tijd aan voorwaarden te conformeren. De combinatie van de persoonlijkheidsproblematiek en de stoornissen in middelengebruik, gebrekkige gewetensfunctie, weinig respons op eerdere behandeling, ontbreken van intrinsieke motivatie en het hardnekkige delictpatroon maken dat tbs met dwangverpleging wordt geadviseerd. De psychiater beseft dat dit een vergaande maatregel is, maar stelt dat alleen op deze wijze de kern van de problematiek behandeld kan worden en dat gedragsverandering kan worden gerealiseerd. De verwachting is dat behandeling middels tbs met voorwaarden niet zal slagen en dat de maatschappij daarmee onvoldoende beveiligd zal worden. Mogelijk is de duur van de geadviseerde maatregel, mocht deze gemaximeerd zijn, niet voldoende. De psychiater geeft daarom in overweging een gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel op te leggen.\n\nIn het rapport van de Verslavingsreclassering GGZvan 3 juni 2026 staat onder meer het volgende. Er is sprake van een patroon aangaande geweld gepleegd binnen de huiselijke kring. Ondanks de verdachte zich conformeerde aan de meldplichtafspraken binnen de schorsing van de preventieve hechtenis, is er geen sprake van intrinsieke motivatie tot gedragsverandering. Ten grondslag hieraan ligt mogelijk zijn onvermogen, waarbij er een gebrek is aan ziekte-inzicht en geen sprake is van probleembesef. De verdachte legt de verantwoordelijkheid voor onderhavige feiten volledig buiten zichzelf. Eerdere reclasseringscontacten zijn vroegtijdig negatief beëindigd. De verdachte ontkent een verslaving te hebben wat betreft alcohol en cocaïne en wenst hiervoor niet behandeld te worden. De leefgebieden van de verdachte zijn ontwricht, dit maakt dat er geen beschermende factoren waarneembaar zijn. De reclassering ziet dat het welenwee van zijn ex-partner bij de verdachte nog geheel op de voorgrond staat. In het verleden is de verdachte meermaals veroordeeld wegens vermogens- en geweldsfeiten, meermaals gepleegd tegen vrouwen. Om het hoge risico op recidive te verminderen is het van belang een langdurige klinische behandeling in te zetten gericht op de persoonlijkheids- en verslavingsproblematiek van de verdachte. Er dient gewerkt te worden aan algehele abstinentie. Gezien het verleden en zijn problematiek dient hiervoor een langdurig intensief traject plaats te vinden. Het verleden leert dat de verdachte zich uiteindelijk binnen een voorwaardelijk kader niet conformeert aan bijzondere voorwaarden, zich hieraan onttrekt en zich zorgmijdend opstelt. Hiernaast is er geen sprake van een behandelcommitment. De inschatting is dat de verdachte door beperkt ziektebesef en zijn impulsieve levensstijl niet in staat zal zijn zich langdurig te kunnen conformeren aan voorwaarden binnen een voorwaardelijk kader. De reclassering ziet gezien de hoge risico’s op recidive, de psychiatrische- en verslavingsproblematiek waarbij een wens tot behandeling ontbreekt en de houding van de verdachte geen mogelijkheden om hem te begeleiden binnen een tbs-maatregel met voorwaarden.\n\nOp basis van de rapporten van de psychiater en de psycholoog, stelt de rechtbank vast dat bij de verdachte psychische stoornissen en een verstandelijke handicap bestonden en dat deze het gedrag van de verdachte tijdens het begaan van de strafbare feiten beïnvloedden. De feiten worden daarom in verminderde mate aan de verdachte toegerekend.4.3.3.. Oplegging straf en maatregelen\n\nStraf\n\nGelet op de ernst van de feiten is een gevangenisstraf passend. Bij het bepalen van die strafsoort en de duur hiervan is rekening gehouden met straffen die in soortgelijke zaken zijn opgelegd. De rechtbank vindt de door de officier van justitie geëiste gevangenisstraf passend en zal dan ook een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 250 dagen opleggen met aftrek van de tijd die de verdachte reeds in voorarrest heeft doorgebracht.\n\nTbs-maatregel\n\nDe rechtbank oordeelt verder dat de verdachte ter beschikking moet worden gesteld en dat hij onder dwang moet worden verpleegd. Aan de voorwaarden voor oplegging van de maatregel is voldaan. Er bestond bij de verdachte tijdens het plegen van de bewezenverklaarde strafbare feiten een gebrekkige ontwikkeling en een ziekelijke stoornis van de geestvermogens, namelijk een licht verstandelijke beperking, een ernstige stoornis in het gebruik van alcohol en cocaïne en een antisociale persoonlijkheidsstoornis. Daarnaast is de belaging een in de wet vermeld misdrijf waarvoor oplegging van de tbs-maatregel mogelijk is. De rechtbank is van oordeel dat de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen oplegging van de tbs-maatregel vereist. Gelet op de inhoud van de over de verdachte uitgebrachte rapporten acht de rechtbank de tbs met dwangverpleging het enige passende kader, waarbinnen de verdachte de noodzakelijke behandeling kan krijgen en het hoge recidiverisico voldoende ingeperkt kan worden. Daarbij is in het bijzonder gelet op de aard, ernst en complexiteit van de stoornissen, alsmede de langdurige intensieve behandeling die nodig wordt geacht. De rechtbank realiseert zich dat een bevel verpleging een verstrekkende en ingrijpende maatregel betreft, maar ziet mede gelet op het beperkte ziekte-inzicht en probleembesef bij de verdachte geen mogelijkheid om de noodzakelijke behandeling in een lichter kader te realiseren. Daarbij weegt de rechtbank uitdrukkelijk mee dat de voorlopige hechtenis van de verdachte drie keer is geschorst en dat die schorsing vervolgens drie keer weer is opgeheven omdat de verdachte zich niet aan de schorsingsvoorwaarden hield. De rechtbank onderschrijft, gelet op het voorgaande, de bevindingen van de deskundigen dat de verdachte op dit moment niet in staat is om zich gedurende een langere periode aan voorwaarden te kunnen houden. Een voorwaardelijk kader, zoals door de verdediging is bepleit, is om die reden geen passende optie.\n\nDuur van de terbeschikkingstelling\n\nOp grond van artikel 38e, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht gaat de totale duur van de tbs-maatregel een periode van vier jaar niet te boven, tenzij de tbs-maatregel is opgelegd ter zake een misdrijf dat is gericht tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen. Anders dan de officier van justitie, is de rechtbank van oordeel dat hiervan geen sprake is. Belaging kan niet zonder meer worden aangemerkt als een misdrijf als bedoeld in artikel 38e van het Wetboek van Strafrecht. In deze zaak zien de belagingshandelingen voornamelijk op het veelvuldig telefonisch contacteren van de aangeefster en het zich nabij haar woning bevinden. De contacten waren niet dreigend van aard. Dat maakt dat de wijze waarop en de inhoud van de belaging in dit geval niet zodanig was dat gesproken kan worden van een misdrijf dat is gericht tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen. Weliswaar wordt de verdachte ook veroordeeld voor een (eenvoudige) mishandeling van de aangeefster, maar een dergelijke mishandeling is geen strafbaar feit waarvoor oplegging van een tbs-maatregel wettelijk mogelijk is. Deze mishandeling vond bovendien plaats enige tijd voorafgaand aan de stalking, en hield daarmee geen verband. Dit betekent dat de duur van de dwangverpleging is gemaximeerd tot vier jaar.\n\nVoorwaardelijk verzoekDe verdediging heeft gevraagd om het laten opmaken van een aanvullend reclasseringsrapport over de wenselijkheid van oplegging van tbs met dwang, als de rechtbank komt tot oplegging van deze maatregel. De reclassering benoemt dit in haar maatregelenrapport van 3 juni 2026 namelijk niet expliciet.\n\nDe rechtbank vindt het niet noodzakelijk om een aanvullend reclasseringsrapport op te laten maken. De psycholoog en psychiater hebben hun advies om tbs met dwangverpleging op te leggen uitvoerig toegelicht, waarbij ook gemotiveerd is aangegeven waarom een voorwaardelijk kader niet toereikend is. De reclassering heeft de rapporten van voornoemde deskundigen betrokken bij haar advies van 3 juni 2026 en is tot eenzelfde conclusie gekomen: namelijk dat een tbs met voorwaarden niet toereikend is. Gelet hierop acht de rechtbank zich voldoende voorgelicht. Het verzoek wordt afgewezen.\n\nOverige maatregelen (38v en 38z Wetboek van Strafrecht)\n\nOm strafbare feiten te voorkomen, wordt een vrijheidsbeperkende maatregel opgelegd voor de duur van vijf jaren. Deze maatregel houdt een contactverbod in met [slachtoffer] (geboren op [geboortedatum 2] 1985). Voor iedere keer dat de verdachte niet aan de maatregel voldoet, kan vervangende hechtenis worden toegepast van twee weken, met een totale maximale duur van zes maanden. De hechtenis heft de verplichtingen op grond van de maatregel niet op.\n\nDe rechtbank verklaart de maatregel dadelijk uitvoerbaar, omdat er gelet op de eerdere aanhoudende contactpogingen van de verdachte - ook na oplegging van een contactverbod (als schorsingsvoorwaarde) - ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de zich verdachte opnieuw een strafbaar feit pleegt of zich belastend zal gedragen ten aanzien van de aangeefster. Dit betekent dat de maatregel ook geldt als de verdachte in hoger beroep gaat.\n\nDe rechtbank ziet, mede gelet op de zeer summiere onderbouwing door de deskundigen, geen aanleiding om naast de tbs-maatregel met dwangverpleging en de 38v-maatregel ook nog de gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel als bedoeld in artikel 38z op te leggen.5. Wettelijke voorschriften\n\nDe oplegging van deze straf en maatregel zijn gebaseerd op de artikelen 37a, 37b, 38v, 38w, 57, 63, 285b en 300 van het Wetboek van Strafrecht.6. Beslissingen\n\nDe rechtbank:\n\nVrijspraak\n\nverklaart niet bewezen dat de verdachte feit 3 heeft gepleegd en spreekt de verdachte daarvan vrij;\n\nBewezenverklaring\n\nverklaart bewezen dat de verdachte feiten 1 en 2, zoals in hoofdstuk 2 is omschreven, heeft gepleegd;\n\nKwalificatie en strafbaarheid\n\nstelt vast dat het bewezenverklaarde oplevert de in hoofdstuk 3 vermelde strafbare feiten;\n\nverklaart de verdachte strafbaar;\n\nStraf en maatregelen\n\nGevangenisstraf\n\nveroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf van 250 dagen;\n\nbeveelt dat de tijd die door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, in mindering wordt gebracht op de gevangenisstraf, voor zover deze tijd niet al op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;\n\nTBS-maatregel\n\nbeveelt dat de verdachte voor feit 1 ter beschikking wordt gestelden beveelt dat de terbeschikkinggesteldevan overheidswege wordt verpleegd;\n\nVrijheidsbeperkende maatregel (art. 38v Sr)\n\nlegt de verdachte voor de feiten 1 en 2 op de maatregel strekkende tot beperking van de vrijheid voor de duur van 5 jaar na dit vonnis, inhoudende dat de verdachte op geen enkele wijze direct of indirect contact zoekt of heeft met [slachtoffer] (geboren op [geboortedatum 2] 1985), bepaalt dat voor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan vervangende hechtenis wordt toegepast voor de duur van 2 weken, met een totale duur van ten hoogste 6 maanden;\n\nbeveelt dat de maatregel dadelijk uitvoerbaar is.\n\n7. Samenstelling rechtbank en ondertekening\n\nDit vonnis is gewezen door:\n\nmr. E. IJspeerd, voorzitter,\n\nen mrs. J.A. Terstegge en B.R.D. Hoebeke, rechters,\n\nin tegenwoordigheid van mr. E.S. Brouwer, griffier,\n\nen uitgesproken op de openbare zitting van deze rechtbank op 30 juni 2026.\n\nMrs. Terstegge en Hoebeke zijn niet in de gelegenheid dit vonnis te ondertekenen.\n\n Verklaard tijdens de zitting van 16 juni 2026.\n\n Pagina’s 1-7 van het proces-verbaal met nummer: [proces-verbaalnummer 1].\n\n Proces-verbaal van de rechter-commissaris van 8 december 2025.\n\n Het proces-verbaal met nummer: [proces-verbaalnummer 2].\n\n Pagina’s 9-17 van het proces-verbaal met nummer: [proces-verbaalnummer 3].","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2026:7917","ecli-nl-rbrot-2026-7917",{"courtName":6,"legalDomain":40,"decisionType":22,"procedureType":23},{"id":116,"ecli":117,"caseNumber":14,"courtId":5,"courtName":14,"decisionDate":95,"fullText":118,"language":7,"source":17,"sourceUrl":119,"summary":14,"slug":120,"metadata":121},"1437","ECLI:NL:RBROT:2026:7931","Rechtbank RotterdamZittingsplaats Rotterdam\n\nMeervoudige kamer strafzaken\n\nParketnummer: 10-219328-24\n\nDatum uitspraak: 30 juni 2026\n\nDatum zitting: 16 juni 2026\n\nTegenspraak\n\nVerdachte:\n\n [verdachte], geboren op [geboortedatum] 2004 in [geboorteplaats], ingeschreven op het adres: [adres], [postcode] in [plaatsnaam].\n\nAdvocaat van de verdachte: mr. F. El Makhtari\n\nOfficier van justitie: mr. K.L. Rook\n\nKern van het vonnis\n\nDe verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot zware mishandeling in vereniging door samen met een vriend meermaals tegen het lichaam en hoofd van de aangever te schoppen, die op dat moment op de grond lag. Het beroep op noodweer en noodweerexces wordt verworpen. De verdachte wordt veroordeeld tot een onvoorwaardelijke taakstraf van 80 uren, met aftrek van voorarrest.1. Tenlastelegging\n\nDe officier van justitie beschuldigt de verdachte ervan dat hij - samengevat - samen met een ander heeft geprobeerd [slachtoffer] van het leven te beroven, dan wel zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, dan wel openlijk geweld heeft gepleegd.\n\nDe volledige tenlastelegging (hierna: de beschuldiging) houdt in dat:\n\nprimair hij op of omstreeks 7 juli 2024 te Rotterdam, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte en\u002Fof zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om [slachtoffer] opzettelijk van het leven te beroven, die [slachtoffer] meermaals op\u002Ftegen het gezicht, het hoofd en\u002Fof het lichaam heeft geschopt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;\n\nsubsidiair hij op of omstreeks 7 juli 2024 te Rotterdam, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte en\u002Fof zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, die [slachtoffer] meermaals op\u002Ftegen het gezicht, het hoofd en\u002Fof het lichaam heeft geschopt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;\n\nmeer subsidiair hij op of omstreeks 7 juli 2024 te Rotterdam, openlijk, te weten op\u002Faan de Lijnbaan, in elk geval op of aan de openbare weg en\u002Fof op een voor het publiek toegankelijke plaats, in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een persoon, te weten [slachtoffer], door die [slachtoffer] meermaals op\u002Ftegen het gezicht, het hoofd en\u002Fof het lichaam te schoppen.2. Bewijs2.1.. \n\nVordering van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte moet worden vrijgesproken van het primair tenlastegelegde feit en moet worden veroordeeld voor het subsidiair tenlastegelegde feit.2.2.. \n\nConclusie van de verdediging\n\nDe verdediging heeft vrijspraak bepleit voor het primair en subsidiair tenlastegelegde feit. De verdediging heeft zich ten aanzien van het meer subsidiaire feit gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.2.3.. Oordeel van de rechtbank2.3.1.. \n\nVrijspraak poging doodslag (primair)\n\nDe beschuldiging is niet bewezen. De verdachte wordt daarvan dus vrijgesproken. De officier van justitie en de verdediging zijn tot dezelfde conclusie gekomen, zodat de rechtbank dit niet verder zal motiveren.2.3.2.. \n\nBewezenverklaring en bewijsmiddelen (subsidiair)\n\nBewezen is dat de verdachte samen met een ander heeft geprobeerd zwaar lichamelijk letsel toe te brengen aan [slachtoffer]. De volledige bewezenverklaring is vermeld in paragraaf 2.3.3.\n\nDe bewezenverklaring van het feit is gebaseerd op de hieronder opgenomen inhoud van de bewijsmiddelen.\n\n1. Verklaring van de verdachte\n\nOp 7 juli 2024 was ik samen met een vriend op de Lijnbaan in Rotterdam. Wij hebben een man geschopt. U, jongste rechter, toont de camerabeelden. Het klopt dat ik de persoon op de beelden ben met de capuchon op. U, jongste rechter, houdt mij voor dat ik de aangever drie keer zou hebben geschopt. Dat klopt.\n\n2. Proces-verbaal van de politie, verklaring van [slachtoffer]\n\nOp 7 juli 2024 ben ik op de Lijnbaan in Rotterdam tegen mijn hoofd geschopt. Dit was door twee mannen.\n\n3. Proces-verbaal van de politie\n\nCamerabeelden Team Technisch Toezicht (Rotterdam Centrum, 7 juli 2024)\n\nVerdachte 2 had een capuchon op zijn hoofd. Ik zag verdachte 1 onder de luifel vandaan komen en het slachtoffer op de grond vallen. Ik zag dat verdachte 1 zijn rechterbeen met hoge snelheid tegen het lichaam of hoofd van het slachtoffer aan schopte. Vervolgens zag ik dat verdachte 1 zijn rechterbeen optilde en deze met snelheid op het hoofd van het slachtoffer bewoog. Ik zag dat de voet van verdachte 1 de zijkant van het hoofd van het slachtoffer raakte, waardoor het hoofd van het slachtoffer op de grond terecht kwam en terugkaatste. Ik zag dat verdachte 2 zijn linkerbeen optrok en met snelheid richting het lichaam van het slachtoffer bewoog. Ik zag dat de voet van verdachte 2 op het lichaam ter hoogte van de rechterbil van het slachtoffer kwam. Ik zag dat verdachte 1 nogmaals zijn rechterbeen naar achteren bewoog en met snelheid richting het hoofd van het slachtoffer bewoog. Ik zag dat de rechtervoet van de verdachte het gezicht van het slachtoffer raakte. Ik zag dat het hoofd van het slachtoffer hierna naar achteren bewoog. Ik zag dat verdachte 2 zijn linkerbeen naar achteren en omhoog bewoog om vervolgens met snelheid richting het lichaam van het slachtoffer te bewegen. Ik zag dat de linkervoet van verdachte 2 op het lichaam van het slachtoffer belandde ter hoogte van zijn rechterschouder. Ik zag dat verdachte 1 nogmaals zijn been naar achteren bewoog en op korte afstand met hoge snelheid richting het hoofd van het slachtoffer bewoog. Ik zag dat verdachte 1 zijn voet tegen het lichaam van het slachtoffer aankwam, ik zag niet waar dit op het lichaam was alleen dat het aan de bovenzijde van romp zou was.2.3.3.. Volledige bewezenverklaring\n\nBewezen is dat:\n\nFeit 1 subsidiair\n\nhij op 7 juli 2024 te Rotterdam, tezamen en in vereniging met een ander, ter uitvoering van het door verdachte en zijn mededader voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, die [slachtoffer] meermaals op\u002Ftegen het gezicht, het hoofd en het lichaam heeft geschopt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.3. Kwalificatie en strafbaarheid3.1.. \n\nKwalificatie\n\nHet bewezen feit levert het volgende strafbare feit op:\n\nFeit 1 subsidiair\n\nmedeplegen van een poging tot zware mishandeling\n\n3.2.. Strafbaarheid van het feit en van de verdachte3.2.1.. \n\nStandpunt verdediging\n\nDe verdediging heeft zich primair op het standpunt gesteld dat sprake is van noodweer. De aangever heeft de confrontatie met de verdachte en zijn vriend opgezocht. Daartegen mochten zij zich verdedigen. De geweldshandelingen waren noodzakelijk en proportioneel. Mocht de rechtbank de geweldshandelingen niet proportioneel achten, dan doet de verdediging een beroep op noodweerexces. Bij de verdachte was namelijk sprake van een hevige gemoedsbeweging ten tijde van de geweldshandelingen.3.2.2.. \n\nStandpunt van de officier van justitie\n\nVolgens de officier van justitie is er inderdaad sprake van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding van de aangever waartegen verdediging noodzakelijk was. Deze verdediging was echter niet proportioneel gebleken. Het beroep op noodweer kan daarom niet slagen. Daarnaast is het bestaan van een hevige gemoedsbeweging bij de verdachte ten tijde van de geweldshandelingen niet aannemelijk geworden, waardoor het beroep op noodweerexces evenmin kan slagen.3.2.3.. \n\nOordeel van de rechtbank\n\nVoor een beroep op noodweer is allereerst vereist dat sprake is van een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding, waartegen verdediging noodzakelijk was. Op basis van de camerabeelden en de verklaring van de verdachte op de zitting stelt de rechtbank vast dat de aangever als eerste de confrontatie heeft opgezocht door met beide armen naar voren gestoken op de vriend van de verdachte af te lopen en hem te duwen. De vriend van de verdachte heeft vervolgens de aangever teruggeduwd, waardoor de aangever op de grond is gevallen. Vrijwel direct daarna heeft de aangever het been van de vriend van de verdachte vastgepakt en vastgehouden. De rechtbank is gelet op het voorgaande van oordeel dat sprake was van een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding door de aangever, waartegen de verdachte en zijn vriend zich mochten verdedigen. Voor een beroep op noodweer is evenwel vereist dat de verdediging proportioneel was. Op de duw door de aangever is gereageerd door terug te duwen, waardoor de aangever op de grond viel. Dat handelen is op zichzelf niet disproportioneel. De verdachte en zijn vriend hebben vervolgens echter de aangever, die op dat moment de grond lag en het been van de vriend van de verdachte vasthad, meermalen met hoge snelheid tegen het hoofd en lichaam geschopt. De rechtbank vindt dat deze geweldshandelingen niet in redelijke verhouding staan tot de ernst van de aanranding. Het beroep op noodweer wordt dan ook verworpen.\n\nHet beroep op noodweerexces kan evenmin slagen, nu niet aannemelijk is geworden dat bij de verdachte op het moment dat hij de aangever schopte sprake is geweest van een hevige gemoedsbeweging als bedoeld in artikel 41, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht. De stellingen van de verdachte dat hij in paniek was, dat de aangever een brede man met tatoeages is en je in Rotterdam nooit weet of iemand “iets” (de rechtbank begrijpt: een wapen) bij zich heeft, bieden daarvoor onvoldoende basis. Het beroep op noodweerexces wordt dan ook verworpen.\n\nHet feit en de verdachte zijn daarom dus strafbaar.4. Straf4.1.. \n\nEis van de officier van justitie\n\nDe verdachte moet voor het feit worden veroordeeld tot een taakstraf van 120 uren.4.2.. \n\nStandpunt van de verdediging\n\nBij een strafoplegging wordt verzocht de verdachte een geheel voorwaardelijke taakstraf op te leggen.4.3.. Oordeel van de rechtbank4.3.1.. \n\nErnst en omstandigheden van het feit\n\nDe verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot zware mishandeling in vereniging. Een vriend van de verdachte is in conflict geraakt met de aangever en heeft hem – nadat hij zelf werd geduwd – op de grond geduwd. Toen de aangever vervolgens het been van de vriend van de verdachte vastpakte, hebben de verdachte en zijn vriend fors fysiek geweld gebruikt. De verdachte en zijn vriend hebben de aangever, die op dat moment nog op de grond lag, meerdere keren geschopt tegen zijn lichaam en op zijn hoofd. Hoewel de rechtbank oog heeft voor het feit dat de aangever in eerste instantie de confrontatie heeft opgezocht, waren deze geweldshandelingen buitenproportioneel en dit levert een ernstige inbreuk op de lichamelijke integriteit van de aangever op. Bovendien zorgt dergelijk geweld voor gevoelens van angst en onveiligheid in de samenleving, te meer nu het geweld heeft plaatsgevonden op de openbare weg, in het uitgaansgebied in het centrum van Rotterdam.4.3.2.. \n\nPersoon en persoonlijke omstandigheden\n\nStrafblad\n\nUit het strafblad van 21 mei 2026 blijkt dat de verdachte niet eerder onherroepelijk is veroordeeld voor strafbare feiten. Het strafblad van de verdachte leidt dus niet tot een hogere straf.\n\nRapport van de reclassering\n\nIn het rapport van Verslavingsreclassering GGZ van 22 mei 2026 staat onder meer het volgende. Indien de verdachte wordt veroordeeld ziet de reclassering in het delict enige signalen van beperkte probleemoplossende vaardigheden. De verdachte komt sindsdien echter niet meer in aanraking met justitie. De reclassering acht het mogelijk dat het sociaal netwerk een rol heeft gespeeld bij het ontstaan van zijn (delict)gedrag. De verdachte lijkt de schuld van het delict bij de aangever te leggen. De reclassering ziet hierdoor enige risico’s in zijn houding. In het leven van de verdachte is stabiliteit. Hij heeft vaste huisvesting, een vaste dagbesteding en een vast inkomen. Er is geen sprake van een schuldenlast, anders dan een studieschuld. Hij heeft een vriendin, woont bij zijn moeder waarmee hij een goede relatie heeft en heeft een baan als bezorger voor een apotheek. De verdachte heeft geen hulpvragen. De reclassering ziet beperkte risico’s op herhaald (delict)gedrag en acht reclasseringstoezicht niet noodzakelijk. Bij een veroordeling adviseert de reclassering dan ook een straf zonder bijzondere voorwaarden.\n\nOverige persoonlijke omstandigheden\n\nDe verdachte heeft geen VOG gekregen door deze verdenking, waardoor zijn beoogde baan als glasvezelmonteur geen doorgang kon vinden. Hiervoor had hij al certificaten en cursussen behaald, waarvoor hij zo’n € 1.500,- euro heeft betaald.4.3.3.. \n\nOplegging straf\n\nGelet op de omstandigheden waaronder het feit is gepleegd en de rol daarin van de aangever, de persoonlijke omstandigheden van de verdachte (waaronder zijn jonge leeftijd), het tijdsverloop sinds het feit is gepleegd en het feit dat de verdachte sindsdien niet meer in aanraking is gekomen met politie en justitie, zal geen gevangenisstraf worden opgelegd. Gelet op de ernst van het strafbare feit acht de rechtbank oplegging van een onvoorwaardelijke taakstraf wel passend en geboden. Een geheel voorwaardelijke taakstraf – zoals door de verdediging is verzocht – wordt gelet op de ernst van het bewezenverklaarde feit niet passend geacht. Bij het bepalen van de duur van de taakstraf houdt de rechtbank rekening met straffen die in soortgelijke zaken zijn opgelegd en de LOVS-oriëntatiepunten. Gelet op de jonge leeftijd van de verdachte, alsmede de gevolgen die de verdachte al heeft ondervonden van de strafzaak, zal de rechtbank een lagere taakstraf opleggen dan door de officier van justitie is geëist. De rechtbank legt een taakstraf van 80 uur op, met aftrek van de tijd die de verdachte reeds in voorarrest heeft doorgebracht.5. Wettelijke voorschriften\n\nDe oplegging van deze straf is gebaseerd op de artikelen 9, 22c, 22d, 45, 47 en 302 van het Wetboek van Strafrecht.6. Beslissingen\n\nDe rechtbank:\n\nVrijspraak\n\nverklaart niet bewezen dat de verdachte het primair tenlastegelegde feit heeft gepleegd en spreekt de verdachte daarvan vrij;\n\nBewezenverklaring\n\nverklaart bewezen dat de verdachte het subsidiair tenlastegelegde feit, zoals in hoofdstuk 2 is omschreven, heeft gepleegd;\n\nKwalificatie en strafbaarheid\n\nstelt vast dat het bewezenverklaarde oplevert het in hoofdstuk 3 vermelde strafbare feit;\n\nverklaart de verdachte strafbaar;\n\nStraf\n\nveroordeelt de verdachte tot een taakstraf van 80 (tachtig) uur, waarbij de reclassering bepaalt uit welke werkzaamheden deze taakstraf zal bestaan;\n\nbeveelt dat de tijd die door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, in mindering wordt gebracht op de taakstraf volgens de maatstaf van 2 (twee) uur per dag, zodat 74 (vierenzeventig) uur taakstrafmoet worden verricht;\n\nbeveelt dat, voor het geval de verdachte de taakstraf niet (goed) verricht, vervangende hechteniszal worden toegepast voor de duur van 37 (zevenendertig) dagen;\n\nVoorlopige hechtenis\n\nheft op het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte; deze voorlopige hechtenis is eerder geschorst.7. Samenstelling rechtbank en ondertekening\n\nDit vonnis is gewezen door:\n\nmr. E. IJspeerd, voorzitter,\n\nen mrs. J.A. Terstegge en B.R.D. Hoebeke, rechters,\n\nin tegenwoordigheid van mr. E.S. Brouwer, griffier,\n\nen uitgesproken op de openbare zitting van deze rechtbank op 30 juni 2026.\n\nMrs. Terstegge en Hoebeke zijn niet in de gelegenheid dit vonnis te ondertekenen.\n\nDe exacte vindplaatsen van de bewijsmiddelen zijn genoemd in de bijbehorende voetnoot. Als wordt verwezen naar paginanummers, wordt - tenzij anders vermeld - gedoeld op paginanummers uit het proces-verbaal met nummer [nummer].\n\n Verklaard tijdens de zitting van 16 juni 2026.\n\n Pagina 82.\n\n Pagina’s 34-36.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2026:7931","ecli-nl-rbrot-2026-7931",{"courtName":6,"legalDomain":40,"decisionType":22,"procedureType":23},{"id":123,"ecli":124,"caseNumber":14,"courtId":5,"courtName":14,"decisionDate":95,"fullText":125,"language":7,"source":17,"sourceUrl":126,"summary":14,"slug":127,"metadata":128},"597","ECLI:NL:RBROT:2026:7538","RECHTBANK ROTTERDAM\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: ROT 25\u002F8091\n uitspraak van de meervoudige kamer van 30 juni 2026 in de zaak tussen\n [bedrijf] V.O.F., uit [plaats] , eiseres\n\nen\n\nhet college van burgemeester en wethouders van de gemeente Rotterdam, het college\n\n(gemachtigde: mr. drs. M.A.C. Kooij).\n\nSamenvatting\n\n1. Deze uitspraak gaat over de vaststelling van nadeelcompensatie die aan eiseres is toegekend vanwege de werkzaamheden bij knooppunt Roseknoop in Rotterdam . Eiseres is het niet eens met de wijze waarop de hoogte van het nadeel is vastgesteld. Aan de hand van de beroepsgronden van eiseres beoordeelt de rechtbank de vaststelling van het nadeel.\n\n1.1.. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college vanwege de coronacrisis uit heeft kunnen gaan van één referentiejaar, in dit geval 2022. Er zijn verder geen bijzondere omstandigheden op grond waarvan het college van het normaal maatschappelijke risico van 25% had moeten afwijken. Wel heeft het college ten onrechte geen kosten van rechtsbijstand van eiseres in bezwaar vergoed. Eiseres krijgt op dit punt gelijk en het beroep is dus in zoverre gegrond. Het bestreden besluit wordt, voor zover de proceskosten in bezwaar niet zijn vergoed, vernietigd. De rechtbank zal die proceskostenvergoeding zelf vast stellen. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nProcesverloop\n\n2. Eiseres heeft het college verzocht om nadeelcompensatie voor omzetdaling door de werkzaamheden aan knooppunt Roseknoop. Het college heeft met het besluit van 8 januari 2025 het verzoek toegewezen en het nadeel vastgesteld op € 16.849,- (exclusief € 245,- wettelijke rente, uitgaande van het moment van het volledig aangevulde verzoek).\n\n2.1.. Eiseres heeft daartegen bezwaar gemaakt. Met het bestreden besluit van 4 september 2025 is het bezwaar voor zover gericht tegen de ingangsdatum van de wettelijke rente gegrond verklaard. Het college heeft de ingangsdatum van de wettelijke rente bepaald op de datum van ontvangst van het verzoek en gelet daarop de wettelijke rente verhoogd en vastgesteld op € 1.593,96. Voor het overige is het bezwaar ongegrond verklaard.\n\n2.2.. Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.\n\n2.3.. De rechtbank heeft het beroep op 7 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger] , de gemachtigde van het college en mr. A. Şengür van Stichting Adviesbureau Onroerende Zaken (SAOZ) als deskundige namens het college.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\nTotstandkoming van het bestreden besluit\n\n3. Eiseres heeft een woninginrichtingszaak aan [straat] in [plaats] . Als gevolg van de werkzaamheden aan het knooppunt Roseknoop heeft eiseres nadeel geleden (omzetderving). Op 23 augustus 2023 heeft eiseres voor het jaar 2023 een verzoek om nadeelcompensatie ingediend bij het college.\n\n3.1.. Met het besluit van 8 januari 2025 heeft het college het nadeel van eiseres voor het jaar 2023 vastgesteld op € 17.094 (inclusief wettelijke rente). Het college baseert zich daarbij op het rapport van de SAOZ van 18 december 2024. Voor zover relevant voor dit beroep is de hoogte van het nadeel vastgesteld aan de hand van de omzetdaling in 2023 ten opzichte van het referentiejaar 2022. Volgens de SAOZ is de werkelijke omzet over 2023 (€ 300.175,-) € 77.042,- lager uitgevallen dan mocht worden verwacht op basis van 2022, rekening houdend met de branchecorrectie van 3,1% voor de groei in 2023. Het nadeel is vervolgens vastgesteld aan de hand van de brutowinstmarge waarop de korting voor het normaal maatschappelijk risico van 25% is toegepast. Het voor vergoeding in aanmerking komend nadeel bedraagt € 16.849,-. De wettelijke rente is berekend vanaf het moment dat het verzoek van eiseres volledig was voorzien van de juiste gegevens (29 oktober 2024) en bedraagt € 245,-.\n\n3.2.. In het bestreden besluit houdt het college onder verwijzing naar het advies van de Algemene Bezwaarschriftencommissie van 5 augustus 2025 vast aan het hiervoor vastgestelde nadeel. Wel wordt de wettelijke rente opnieuw berekend omdat de datum van ontvangst van het verzoek om nadeelcompensatie (23 augustus 2023) als uitgangspunt moet worden genomen. De wettelijke rente wordt daarom vastgesteld op € 1.593,96. Het college heeft niet beslist op het verzoek van eiseres om een proceskostenvergoeding in bezwaar.\n\nToetsingskader\n\n4. Tot de inwerkingtreding van de wettelijke regeling voor nadeelcompensatie in de Algemene wet bestuursrecht (Awb) werd nadeelcompensatie toegekend op grond van vaste rechtspraak.Uitgangspunt is dat als een bestuursorgaan in de rechtmatige uitoefening van zijn publiekrechtelijke bevoegdheid of taak schade veroorzaakt die uitgaat boven het normaal maatschappelijk risico of het normaal ondernemersrisico (onevenredig nadeel) en die de benadeelde in vergelijking met anderen onevenredig zwaar treft, dit nadeel wordt vergoed. De gemeente Rotterdam heeft in de destijds toepasselijke Algemene Verordening Nadeelcompensatie (AVN) en de bijbehorende Beleidsregel nadere regels opgenomen om de hoogte van de nadeelcompensatie vast te stellen.\n\n4.1.. Het wettelijk kader van deze zaak is opgenomen in de bijlage bij deze uitspraak.\n\nIs de juiste referentieperiode tot uitgangspunt genomen en is de normomzet daarmee correct vastgesteld?\n\n5. Eiseres stelt dat het college ten onrechte is afgeweken van het uitgangspunt dat voor de berekening van het nadeel een referentieperiode van drie jaar voorafgaand aan het schadejaar wordt gebruikt. Doordat het college uitsluitend 2022 als referentiejaar heeft genomen, is de normomzet aanzienlijk lager dan wanneer was uitgegaan van de periode 2020-2022 of een gemiddelde van de jaren 2020 en 2022 zonder piekjaar 2021. In dat verband heeft eiseres erop gewezen dat bij 50-60 andere ondernemers in de omgeving voor de berekening van het nadeel wel is uitgegaan van een referentieperiode van drie jaar.\n\n5.1.. Het college stelt zich op het standpunt dat voor de berekening van het nadeel gebruik is gemaakt van het rapport van de SAOZ en zij kon uitgaan van de juistheid van dit advies. Het college wijst er verder op dat voor de berekening van het nadeel in beginsel een referentieperiode van drie jaar wordt aangehouden, maar dat dit niet is voorgeschreven. De SAOZ heeft in het rapport van 18 december 2024 aangegeven dat hiervan kan worden afgeweken vanwege evidente maatschappelijke en\u002Fof economische ontwikkelingen en\u002Fof omstandigheden en de omzet van verzoeker als gevolg daarvan een autonome (bestendige) daling dan wel stijging heeft laten zien. De SAOZ stelt in dat verband dat niet voorbij kan worden gegaan aan de invloed van de coronacrisis (2020-2022). Door de maatregelen die de overheid heeft getroffen in 2020 en 2021, stelt de SAOZ dat die boekjaren niet representatief zijn. Voor 2022 ligt dat anders omdat de invloed van de coronacrisis en de bijbehorende maatregelen vanaf begin 2022 is afgenomen.\n\n5.2.. De rechtbank overweegt dat volgens vaste rechtspraak een bestuursorgaan op het advies van een deskundige mag afgaan als sprake is van een onpartijdige en onafhankelijk deskundige en op objectieve wijze verslag is gedaan van het door deze deskundige verrichte onderzoek en daarin op inzichtelijke wijze is aangegeven welke feiten en omstandigheden aan de conclusies ervan ten grondslag zijn gelegd en deze conclusies niet onbegrijpelijk zijn.Het bestuursorgaan dient zich ervan te vergewissen dat daaraan is voldaan. Als voldoende concrete aanknopingspunten worden aangevoerd om te twijfelen aan de zorgvuldigheid van de totstandkoming van het advies, de begrijpelijkheid van de in het advies gevolgde redenering of het aansluiten van de conclusies, kan het bestuursorgaan niet zonder nadere motivering op het advies afgaan. Zo nodig vraagt het bestuursorgaan de deskundige om een reactie op wat over het advies is aangevoerd.\n\n5.3.. De rechtbank stelt voorop dat volgens artikel 4 van de AVN het nadeel in beginselwordt bepaald door uit te gaan van een referentieperiode vanzo mogelijkdrie jaar. In de toelichting op de AVN is opgenomen dat het kan voorkomen dat de omzetten uit de drie jaar voorafgaande aan de schadeperiode niet beschikbaar zijn of niet voldoende representatief zijn. Ook kan het voorkomen dat de omzet in de jaren voorafgaande aan de schadeperiode een dusdanig trendmatig verloop vertoont, dat het gemiddelde van deze omzetten geen objectief beeld oplevert. In die gevallen zal de normomzet anderszins moeten worden berekend. De rechtbank moet de vraag beantwoorden of in dit geval kon worden uitgegaan van referentieperiode van één jaar, te weten het jaar 2022. De rechtbank overweegt in dit verband dat de SAOZ kwalificeert als deskundige en het college in dit geval heeft kunnen uitgaan van het advies van de SAOZ. Het college heeft – onder verwijzing naar de adviezen van de SAOZ – voldoende gemotiveerd dat de coronacrisis zo een uitzonderlijke situatie betrof dat die jaren niet als referentieperiode kunnen gelden. Omdat deze crisis volgens de SAOZ een dusdanige invloed (in positieve en negatieve zin) heeft gehad op de omzetontwikkeling van bedrijven, en iedere branche \u002F bedrijf een eigen unieke reactie heeft gehad op de coronamaatregelen, kan in algemene zin niet meer gesproken worden van representatieve omzetten voor het vaststellen van het nadeel. De rechtbank betrekt daarbij dat eiseres tijdens de hoorzitting van de SAOZ de invloed van de coronacrisis zelf heeft erkend. Zij heeft destijds aangegeven dat de verkopen in 2020 en 2021 behoorlijk zijn gestegen omdat mensen door de coronacrisis meer thuis zaten (omzetgroei van 42,5% respectievelijk 19,3%). De omzet in 2022 was volgens eiseres juist weer gekrompen (daling van 22% ten opzichte van 2021) en als het ware genormaliseerd ten opzichte van de fors positieve coronajaren. Tegen de achtergrond van de uitzonderlijke omstandigheden van de coronacrisis is de rechtbank van oordeel dat het college in dit geval heeft kunnen uitgaan van een referentieperiode van één (1) jaar en daarvoor 2022 als uitgangspunt heeft kunnen nemen. Het beroep op het gelijkheidsbeginsel en, zoals ter zitting is gebleken, het evenredigheidsbeginsel, leidt niet tot een andere conclusie. In dat verband heeft eiseres weliswaar aangevoerd dat bij andere ondernemingen wel is uitgegaan van een referentieperiode van drie jaar, maar eiseres heeft dat niet geconcretiseerd en met stukken onderbouwd. Ter zitting heeft de SAOZ desgevraagd bevestigd dat slechts in een enkel geval is uitgegaan van een referentieperiode van drie jaar, maar dat daar sprake was van een stabiele omzet gedurende de referentieperiode. Omdat eiseres het beroep op het evenredigheidsbeginsel niet anders heeft onderbouwd dan dat zij op dezelfde wijze behandeld wil worden als andere ondernemingen en vindt dat een langere referentieperiode had moeten worden aangehouden, leidt dat standpunt onder verwijzing naar het voorgaande niet tot een andere uitkomst. Verder is ter zitting komen vast te staan dat met de toegepaste branchecorrectie van 3,1% in het voordeel van eiseres het hoogste groeipercentage is toegepast, zodat eiseres geen belang heeft bij de beoordeling van de vraag of de winkel van eiseres in een andere branche valt. Op grond van bovenstaande is de rechtbank van oordeel dat het college de normomzet juist heeft vastgesteld.\n\n5.4.. \n\nDeze beroepsgrond slaagt niet.\n\nIs het toegepaste normaal maatschappelijk risico van 25% disproportioneel?\n\n6. Eiseres stelt dat, gelet op de grote hinder en de lange duur van de werkzaamheden, sprake is van bijzondere omstandigheden op grond waarvan het normaal maatschappelijk risico lager moet worden vastgesteld (bijvoorbeeld 10%) dan het toegepaste percentage van 25% waar het college op grond van de AVN standaard van uitgaat. Eiseres stelt in dat verband dat de Roseknoop één van de drukste verkeersknooppunten is van Rotterdam en dat het kruispunt volledig afgesloten was voor het autoverkeer, tram- en buslijnen niet reden en fietsers en voetgangers grote omwegen moesten maken via drukke routes, met een structurele vermindering van bezoekersstromen en omzetdaling voor omliggende ondernemingen tot gevolg. Daarbij stelt eiseres dat er in de eerste maanden van de werkzaamheden geen adequate bewegwijzering en informatievoorziening voor bezoekers en winkeliers was, zodat geen mitigerende maatregelen konden worden getroffen.\n\n6.1.. Het college geeft aan dat bij het vaststellen van het normaal maatschappelijk risico beoordelingsruimte bestaat. Daarbij is als uitgangspunt gekozen voor 25%, welk percentage – zo bevestigt de SAOZ in het rapport van 18 december 2024 – overeenkomt met de stand van het recht en de algemene praktijk. Van dat percentage kan worden afgeweken in bijzondere omstandigheden, bijvoorbeeld als de werkzaamheden langer duren dan normale infrastructurele werken of onderhoudswerken. Het college stelt dat uit vaste rechtspraakvolgt dat reconstructieve beheersmatige- en\u002Fof onderhoudswerkzaamheden aan de openbare infrastructuur en de publieke ruimte, zoals de werkzaamheden rondom de Roseknoop, niet uitzonderlijk zijn en worden aangemerkt als een normale maatschappelijke ontwikkeling.\n\n6.2.. De rechtbank is van oordeel dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van bijzondere omstandigheden op grond waarvan het college van het gebruikelijke percentage van 25% had moeten afwijken. Voor de vraag of gelet op de aard, omvang en duur van de werkzaamheden sprake was van bijzondere omstandigheden die hadden moeten leiden tot een lager kortingspercentage, heeft het college zich onder meer kunnen baseren op rechtspraak over vergelijkbare werkzaamheden.Ook daar was – ondanks bijvoorbeeld een duur van 23 maanden voor werkzaamheden, veel langer dan in dit geval – geen sprake van bijzondere omstandigheden die konden leiden tot een lager normaal maatschappelijk risico.Het is de rechtbank verder niet gebleken dat de winkel van eiseres door de werkzaamheden helemaal niet meer toegankelijk was. Ook voor het overige is niet gebleken van bijzondere omstandigheden die maken dat het college niet mocht uitgaan van een normaal maatschappelijk risico van 25%. De rechtspraak waar eiseres naar verwijst voor een andersluidend standpunt, ziet niet op vergelijkbare situaties en blijft om die reden buiten bespreking.\n\n6.3.. \n\nDeze beroepsgrond slaagt niet.\n\nHeeft het college de juiste startdatum voor de wettelijke rentevergoeding gehanteerd?\n\n7. Eiseres stelt zich verder op het standpunt dat het college ten onrechte heeft bepaald dat de wettelijke rente pas begint te lopen bij het verzoek om nadeelcompensatie (23 augustus 2023) en niet op het moment van aanvang van het schadeveroorzakend handelen (9 januari 2023).\n\n7.1.. Uit zowel artikel 7, aanhef en onder b, van de AVN als rechtspraakvolgt dat de wettelijke rente aanvangt op het moment van het verzoek om nadeelcompensatie dan wel – als het nadeel later ontstaat – op het moment dat dat nadeel ontstaat. Hieruit kan niet worden afgeleid dat – voor zover later om nadeelcompensatie is verzocht dan het nadeel is ontstaan – de wettelijke rente met terugwerkende kracht tot aan de aanvang van het schadeveroorzakend handelen moet worden berekend. Dat volgt ook niet uit de rechtspraak waar eiseres naar verwijst. De rechtbank is van oordeel dat het college voor het bepalen van de wettelijke rente in het bestreden besluit terecht is uitgegaan van het moment van het verzoek om nadeelcompensatie.\n\n7.2.. Deze beroepsgrond slaagt niet.\n\nHad het college de kosten voor rechtsbijstand in bezwaar moeten vergoeden?\n\n8. Eiseres heeft tot slot verzocht om vergoeding van de kosten die zij heeft gemaakt in bezwaar. Die kosten zien op het inschakelen van een deskundige en een advocaat en haar eigen tijdsbesteding.\n\n8.1.. De rechtbank heeft het beroep zo opgevat dat eiseres stelt dat het college ten onrechte geen proceskostenvergoeding heeft toegekend in bezwaar. In bezwaar is daar wel om verzocht. Ter zitting heeft het college onderkend dat hier in het bestreden besluit niet op is besloten, maar dat geen aanleiding bestaat om de proceskosten te vergoeden. Het college stelt dat het besluit van 8 januari 2025 is gehandhaafd, omdat daarin ook al wettelijke rente is toegekend. In het bestreden besluit is uitsluitend de datum voor de berekening verschoven en dat leidt maar tot een beperkte aanpassing van de toegekende wettelijke rente.\n\n8.2.. Op grond van artikel 7:15, tweede lid, van de Awb vergoedt het bestuursorgaan op verzoek de kosten die de belanghebbende redelijkerwijs heeft moet maken voor de behandeling van het bezwaar voor zover het bestreden besluit wordt herroepen door een aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid. Uit vaste rechtspraak volgt dat van herroeping alleen sprake is als een ontvankelijk bezwaar leidt tot intrekking of wijziging van het primaire besluit (zodanig dat het primaire besluit wordt gewijzigd voor wat betreft het daarbij beoogde rechtsgevolg).Van ‘herroepen’ is in dit geval naar het oordeel van de rechtbank sprake. Met het bestreden besluit heeft het college de aanvangsdatum – conform de voorschriften als beschreven onder 7.1 – voor het bepalen van de wettelijke rente immers gewijzigd. Dat is – anders dan het college betoogt – een materiële wijziging van het primaire besluit als bedoeld in artikel 7:15, tweede lid, van de Awb en heeft tot gevolg dat – door de aanpassing van die aanvangsdatum – eiseres een hoger bedrag aan wettelijke rente krijgt vergoed. Dat de wijziging van het primaire besluit volgens het college heeft geleid tot een beperkte aanpassing van de wettelijke rente, maakt voorgaande niet anders. Uit het dossier volgt dat dit punt in bezwaar is aangevoerd door de advocaat van eiseres, die tevens aanwezig was bij de hoorzitting op 23 juni 2025. De rechtbank oordeelt daarom dat het college ten onrechte de kosten voor voornoemde professionele rechtsbijstand niet heeft vergoed. Omdat de deskundige geen bijdrage heeft geleverd aan dit onderdeel, komen deze kosten niet in aanmerking voor vergoeding. De eigen tijdsbesteding van eiseres is geen kostenpost die onder het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) valt. Omdat het Bpb uitputtend opsomt welke kosten voor vergoeding in aanmerking komen, is het college niet verplicht deze kosten te vergoeden.\n\n8.3.. Deze beroepsgrond slaagt.\n\nConclusie en gevolgen\n\n9. Voor zover het beroep van eiseres ziet op de vergoeding van de kosten van rechtsbijstand in bezwaar slaagt het beroep. De overige beroepsgronden slagen niet.\n\n9.1.. De rechtbank zal daarom het beroep gegrond verklaren en het bestreden besluit wegens strijd met artikel 7:15, tweede lid, van de Awb vernietigen voor zover daarbij de kosten van rechtsbijstand van eiseres in bezwaar niet zijn vergoed.Dat betekent dat de overige onderdelen van het bestreden besluit (omvang van het nadeel en de uiteindelijk vastgestelde wettelijke rente) in stand blijven.\n\n9.2.. De rechtbank ziet aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb zelf in de zaak te voorzien en de proceskostenvergoeding in bezwaar vast te stellen. De rechtbank beschouwt de zaak als van gemiddeld gewicht waarvoor een wegingsfactor 1 wordt gehanteerd. De rechtbank zal daarom de kosten die eiseres in verband met de behandeling van het bezwaar heeft moeten maken onder toepassing van het huidige Bpb vaststellen op € 1.332,- (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift, 1 punt voor de hoorzitting, € 666,- per punt, wegingsfactor 1). Deze uitspraak treedt in de plaats van het vernietigde deel van het bestreden besluit.\n\n9.3.. Gelet op het voorgaande zal de rechtbank verweerder opdragen het door eiseres betaalde griffierecht van € 385,- te vergoeden. Er bestaat geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling in beroep, omdat in beroep geen bijstand is verleend door een professioneel rechtsbijstandverlener en alleen bij professionele rechtsbijstandverlening een proceskostenvergoeding aan de orde is.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep gegrond;\n\n- vernietigt het bestreden besluit voor zover daarbij de gemaakte kosten van rechtsbijstand in bezwaar niet zijn vergoed;\n\n- bepaalt dat het college aan eiseres een bedrag van € 1.332,- aan kosten van rechtsbijstand in bezwaar vergoedt;\n\n- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het bestreden besluit voor zover dat is vernietigd;\n\n- bepaalt dat het college aan eiseres het door haar betaalde griffierecht van € 385,- vergoedt.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. F.P. Heijne, voorzitter, en mr. A.M.J. Adriaansen en mr. A. Dingemanse, leden, in aanwezigheid van A. Ay, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar op 30 juni 2026.\n\nDe griffier is verhinderd om de uitspraak te ondertekenen.\n\ngriffier\n\nvoorzitter\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.\n\nBijlage: het wettelijk kader van deze uitspraak\n\nAlgemene wet bestuursrecht\n\nArtikel 7:15\n\n2. De kosten, die de belanghebbende in verband met de behandeling van het bezwaar redelijkerwijs heeft moeten maken, worden door het bestuursorgaan uitsluitend vergoed op verzoek van de belanghebbende voor zover het bestreden besluit wordt herroepen wegens aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid.\n\nAlgemene Verordening Nadeelcompensatie Rotterdam\n\nArtikel 2 Recht op nadeelcompensatie\n\nHet bestuursorgaan kent op aanvraag van degene die schade heeft geleden ten gevolge van de rechtmatige uitoefening van zijn publiekrechtelijke bevoegdheid of taak een vergoeding toe, voor zover de benadeelde daardoor in het bijzonder en in abnormale mate wordt getroffen.\n\nNiet voor vergoeding komt in aanmerking schade die behoort tot het normaal maatschappelijk risico of het normaal ondernemersrisico.\n\nHet college van B&W kan nadere regels stellen met betrekking tot de omvang van het normaal ondernemersrisico en het normaal maatschappelijk risico.\n\nIndien een schadeoorzaak als bedoeld in artikel 1 voor de aanvrager naast schade tevens voordeel oplevert, dan wordt dit, voor zover dit redelijk is, bij de vaststelling van de te vergoeden schade in mindering gebracht.\n\nArtikel 4 Winst- of inkomstenderving\n\n1. Indien de schade bestaat uit winst- of inkomstenderving, wordt de omvang daarvan in beginsel bepaald door:\n\na. de gemiddelde omzet gedurende een periode van zo mogelijk drie jaar te vergelijken met de omzet in het jaar waarin de schade is geleden. Daarbij wordt een inflatiecorrectie toegepast en waar mogelijk een branchecorrectie of een trendcorrectie;\n\nb. van de vastgestelde gemiste omzet worden afgetrokken de kosten van het product of de dienst alsmede de kosten die ten gevolge van de omzet- of inkomstenderving bespaard zijn of redelijkerwijs bespaard hadden kunnen worden.\n\nArtikel 7 Andere voor nadeelcompensatie in aanmerking komende kosten\n\nVoor vergoeding komen tevens in aanmerking:\n\n(…)\n\nb. de wettelijke rente vanaf de ontvangst van de aanvraag of indien het nadeel op een later tijdstip is ontstaan, vanaf dat tijdstip;Artikelsgewijze toelichting op de AVN\n\nArtikel 4\n\n(…)\n\nNormomzet\n\nHet uitgangspunt bij de omzetbenadering wordt gevormd door de ‘normomzet' die wordt bepaald aan de hand van in het verleden gerealiseerde omzetten. Als normomzet wordt beschouwd de omzet die naar redelijke verwachting behaald zou zijn in de schadeperiode, de schadeveroorzakende omstandigheid weggedacht. De berekening van de normomzet gebeurt in 3 stappen. In de eerste plaats wordt een referentieperiode vastgesteld. Vervolgens worden de in de referentieperiode behaalde omzetten gecorrigeerd voor inflatie naar een peildatum voorafgaand aan het eerste schadejaar (inflatiecorrectie). Tenslotte wordt van deze gecorrigeerde omzetten het gemiddelde genomen en wordt op dat gemiddelde een branchecorrectie toegepast die representatief wordt verondersteld voor de gemiddelde bedrijfsontwikkeling in de betreffende branche sedert de peildatum.\n\nReferentieperiode\n\nVoor de bepaling van de normomzet wordt een referentieperiode vastgesteld die bij voorkeur bestaat uit de drie jaar voorafgaande aan de schadeperiode. Het kan voorkomen dat de omzetten uit de drie jaar voorafgaande aan de schadeperiode niet beschikbaar zijn of niet voldoende representatief zijn. Ook kan het voorkomen dat de omzet in de jaren voorafgaande aan de schadeperiode een dusdanig trendmatig verloop vertoont, dat het gemiddelde van deze omzetten geen objectief beeld oplevert. In die gevallen zal de normomzet anderszins moeten worden berekend\n\nBeleidsregel behorende bij de Algemene Verordening Nadeelcompensatie Rotterdam\n\nNormaal maatschappelijk risico\n\nGroei, ontwikkeling en verbetering zijn in een stad als Rotterdam voortdurend aan de orde en noodzakelijk om aan de behoeften van alle gebruikers van de stad te blijven voldoen. Veel van de (onder-houds)werkzaamheden die in de stad worden uitgevoerd, gelden dan ook als normale maatschappelijke ontwikkeling, waarmee een ieder kan worden geconfronteerd en waarvan de nadelige gevolgen in beginsel voor rekening van de daardoor getroffene(n) mogen worden gelaten. Dit verschijnsel wordt aangeduid met het begrip 'normaal maatschappelijk risico'.\n\nVoor de gemeente Rotterdam geldt dat in ieder geval tot de normale maatschappelijke ontwikkelingen behoren alle periodieke en reguliere werkzaamheden en onderhoud aan de infrastructuur in de stad (zoals wegen, fiets- en voetgangerspaden, straatverlichting, bruggen, riolering, kabels en leidingen). Maar ook nieuwbouw en herinrichting van wijken en straten en al dan niet tijdelijke verkeersmaatregelen, gelden als normaal maatschappelijk verschijnsel.\n\nNormaal ondernemersrisico\n\nVoor bedrijven geldt daarnaast het normale bedrijfs- of ondernemersrisico. Uitgangspunt is dat elke zelfstandige ondernemer zijn onderneming drijft voor zijn eigen risico en ook zelf verantwoordelijk is voor zijn beslissingen. Tot het normale ondernemersrisico behoren nadelen die direct samenhangen met de keuze voor een bepaald type bedrijfsvoering of een bepaalde inrichting van het bedrijf inclusief de keuze voor een bepaalde locatie (bijv. garages die in drukke straten gevestigd zijn, horeca die rekening moet houden met wijzigingen in sluitingstijdenbeleid, supermarkten gelegen in gebieden met beperkte laad en losmogelijkheden). Ondernemers hebben te maken met een uitgebreidere risicotoerekening. Alleen als de maatregel sterk afwijkt van het normale verwachtingspatroon, waarop elke ondernemer bedacht dient te zijn, kan een aanspraak op nadeelcompensatie bestaan.\n\nKortingspercentage\n\nWanneer sprake is van overlast of nadeel dat het normaal maatschappelijk risico en dus de drempelwaarde van 8% overstijgt, komt een verzoek om nadeelcompensatie wel voor behandeling in aanmerking. De berekening van de schade zal in deze gevallen plaatsvinden aan de hand van de algemene regels voor wettelijke verplichtingen tot schadevergoeding (Boek 6, Titel 1, afdeling 10 BW). Dit betekent dat ook aspecten als causaal verband, verrekening van voordeel, eigen schuld en de plicht tot schadebeperking, worden meegewogen.\n\nBij toekenning van nadeelcompensatie wordt – van oudsher – de aanwezigheid van enig normaal maatschappelijk risico of het normaal ondernemersrisico vervolgens verdisconteerd door middel van een korting in de vorm van een percentage van het schadebedrag. Bij de kortingspercentages gaat het om de vraag in welke mate een eenmaal vastgesteld onevenredig nadeel voor rekening van de getroffene dient te blijven. Dus in die gevallen waarin vaststaat dat sprake is van een onevenredig nadeel, wordt niet alle schade vergoed, omdat een deel daarvan tot het normaal maatschappelijk of het normaal ondernemersrisico wordt gerekend. Het College van B&W heeft gekozen voor een kortingspercentage van 25%. Dit deel van het nadeel blijft zo, vanwege normaal maatschappelijk risico of normaal ondernemersrisico, voor rekening van de benadeelde.\n\nBijzondere omstandigheden\n\nOp grond van bijzondere omstandigheden kan worden afgeweken van de drempelwaarde van 8% en het kortingspercentage van 25%. Het is niet mogelijk om in alle gevallen de daar genoemde percentages te hanteren, gezien het brede toepassingsbereik van deze verordening. Het is lastig om thans een uitspraak te doen over de vraag hoe de genoemde percentages zullen uitpakken en daarom is in de AVN de mogelijkheid opgenomen om deze percentages te kunnen bijstellen.\n\nIn bijzondere omstandigheden kan het college er voor kiezen een aanvullende regeling vast te stellen. Dit doet zich voor als te verwachten is dat de ingreep zodanig is dat deze langer gaat duren dan normale infrastructurele werken of onderhoudswerken. Daarbij kan gedacht worden aan grote herinrichtingsplannen of aanleg van ingrijpende verkeers- en vervoersinfrastructuur.\n\n Per 1 januari 2024 is de regeling voor nadeelcompensatie vastgelegd in artikel 4:126 e.v. van de Awb. Tot die datum volgde de regeling uit rechtspraak over het ongeschreven égalitébeginsel (zie hieronder). Voor de toepasselijkheid van de wettelijke regeling wordt gekeken naar de datum van het schadeveroorzakend besluit. Dat ligt hier voor 1 januari 2024. Dit betekent dat het toepasselijk kader in deze zaak wordt bepaald door de rechtspraak.\n\n Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 11 juli 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:2317), onder 9.\n\n Dit volgt uit artikel 3:2 van de Awb.\n\n Zie de uitspraak van de Afdeling van 27 september 2023 (ECLI:NL:RVS:2023:3623), onder 16.\n\n Zie de uitspraak van de Afdeling van 15 juni 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:1650).\n\n Zoals bijvoorbeeld voornoemde uitspraak van de Afdeling\n\n Zie de uitspraak van de Afdeling van 17 januari 2024 (ECLI:NL:RVS:2024:124), onder 30.\n\n Uitspraak van de Afdeling van 13 juni 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:1969).\n\n Bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 1 april 2020 (ECLI:NL:RVS:2020:941), onder 3.2 en de uitspraak van de Afdeling van 21 februari 2024 (ECLI:NL:RVS:2024:716).\n\n Zie bijvoorbeeld de uitspraak van het gerechtshof Amsterdam van 14 maart 2023 (ECLI:NL:GHAMS:2023:1254), onder 4.3.\n\n Dit volgt uit artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Awb.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2026:7538","ecli-nl-rbrot-2026-7538",{"courtName":6,"legalDomain":100,"decisionType":22,"procedureType":23},{"id":130,"ecli":131,"caseNumber":14,"courtId":5,"courtName":14,"decisionDate":132,"fullText":133,"language":7,"source":17,"sourceUrl":134,"summary":14,"slug":135,"metadata":136},"594","ECLI:NL:RBDHA:2026:18727","2026-06-29T00:00:00.000Z","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Rotterdam\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL26.7194\n uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n [eiser] , V-nummer: [nummer] , eiser\n\n(gemachtigde: mr. K. Logtenberg),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, verweerder\n\n(gemachtigde: mr. J.M. Sánchez Rhemrev).\n\nProcesverloop\n\nBij besluit van 3 februari 2026 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd (asielaanvraag) afgewezen als kennelijk ongegrond. Daarnaast is een terugkeerbesluit en een inreisverbod voor de duur van twee jaar tegen eiser uitgevaardigd.\n\nEiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Hij heeft tevens de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.\n\nDe rechtbank heeft het beroep, samen met het verzoek om een voorlopige voorziening (NL26.8616), op 12 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, S. Mahed als tolk en de gemachtigde van verweerder.\n\nTotstandkoming van het besluit\n\nHet asielrelaas\n\n1. Eiser stelt dat hij de Somalische nationaliteit heeft en dat hij is geboren op [geboortedatum 1] 2006 (te [geboorteplaats] , Somalië). Verder legt eiser aan zijn asielaanvraag kort samengevat ten grondslag dat hij is gevlucht voor Al-Shabaab omdat zij wilden dat eiser zich bij hen zou aansluiten. Eiser heeft dit geweigerd. Al-Shabaab heeft eiser toen gevangen genomen en mishandeld. Bij terugkeer naar Somalië vreest eiser door Al-Shabaab te worden vermoord.\n\nOm zijn asielrelaas te onderbouwen heeft eiser de volgende documenten overgelegd:\n\nGeboorteakte, afgegeven door de gemeente Mogadishu op 13 december 2023\n\nCertificaat van bevestiging identiteit, afgegeven door de gemeente Mogadishu op 13 december 2023.\n\nHet bestreden besluit\n\n2. Het asielrelaas van eiser bevat volgens verweerder de volgende asielmotieven:\n\n1. Identiteit, nationaliteit en herkomst\n\n2. Problemen met Al-Shabaab\n\n2.1.. Verweerder acht het eerste asielmotief ongeloofwaardig. Verweerder legt aan dit standpunt kort samengevat ten grondslag dat eisers verklaringen over zijn nationaliteit en identiteit niet aannemelijk zijn en dat eiser in grote lijnen niet als geloofwaardig kan worden beschouwd. Nu een asielmotief alleen betekenis heeft tegen de achtergrond van de identiteit, nationaliteit en herkomst, heeft verweerder eisers problemen met Al-Shabaab niet beoordeeld.\n\n2.2.. Omdat de identiteit, nationaliteit en herkomst (het eerste asielmotief) niet geloofwaardig zijn geacht, is niet vast te stellen of eiser een gegronde vrees heeft voor vervolging in de zin van het Verdrag betreffende de status van vluchtelingen (Vluchtelingenverdrag) of dat eiser bij terugkeer naar Somalië een reëel risico loopt op ernstige schade in de zin van artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Omdat eiser volgens verweerder belangrijke informatie en documenten omtrent zijn nationaliteit en identiteit in Griekenland heeft achtergehouden, heeft verweerder de asielaanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond op grond van artikel 31, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw), in samenhang bezien met artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vw. Daarnaast omvat het bestreden besluit een terugkeerbesluit en een inreisverbod voor de duur van twee jaar.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\nGeloofwaardigheidsbeoordeling identiteit, nationaliteit en herkomst\n\n3. Eiser stelt zich op het standpunt dat zijn identiteit, nationaliteit en herkomst ten onrechte ongeloofwaardig zijn geacht. Eiser voert hiertoe aan dat verweerder onvoldoende rekening heeft gehouden met zijn referentiekader.Daarnaast zijn eisers verklaringen over de registratie in Griekenland (met als geboortedatum [geboortedatum 2] 2004) niet wisselend, maar vullen zij elkaar aan. Eiser had begrepen dat hij als Somaliër in Griekenland geen kans maakte op asiel en daarom heeft hij zich daar voorgedaan als Jemeniet. Over de registratie in Griekenland stelt eiser zich verder op het standpunt dat er geen sprake is geweest van een fysiek leeftijdsonderzoek, maar van een visuele schatting. Verder stelt eiser dat de registratie in Duitsland (met als geboortedatum [geboortedatum 3] 2000), is gebaseerd op een neppaspoort. In Nederland heeft eiser naar waarheid verklaard, zijnde te zijn geboren op [geboortedatum 1] 2006. Dit volgt ook uit de door eiser overgelegde en echt bevonden bevestiging van zijn identiteit en de geboorteakte. De geboortedatum op deze documenten komt overeen met eisers verklaringen. Er zijn volgens eiser dan ook concrete aanknopingspunten dat de in Griekenland en Duitsland geregistreerde geboortedata niet juist zijn.Daarnaast blijkt uit de in beroep overgelegde kopieën van de paspoorten van eisers ouders dat zij de Somalische nationaliteit hebben.\n\n3.1.. Eiser stelt zich verder op het standpunt dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd waarom hij wisselende lezingen zou hebben gegeven over de dood van zijn vader en waarom hij daardoor in grote lijnen niet als geloofwaardig zou kunnen worden beschouwd. Het voorgaande betekent volgens eiser ook dat verweerder ten onrechte niet heeft getoetst of eiser bij terugkeer naar Somalië een reëel risico loopt op ernstige schade zoals bedoeld in artikel 3 van het EVRM. Nu eiser geen informatie of documenten heeft achtergehouden, en verweerder er al mee bekend was dat eiser in Griekenland als Jemenitisch wordt gezien, heeft verweerder de asielaanvraag niet kunnen afwijzen als kennelijk ongegrond.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n4. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat eiser zijn nationaliteit, identiteit en herkomst niet aannemelijk heeft gemaakt. Verweerder heeft eiser in dit kader terecht tegengeworpen dat hij in Nederland heeft verklaard de Somalische nationaliteit te hebben, terwijl uit het Griekse dossier blijkt dat hij daar heeft verklaard dat hij de Jemenitische nationaliteit heeft. Uit het Griekse dossier blijkt verder dat eiser een Jemenitische geboorteakte heeft overgelegd en dat eiser meermaals heeft verklaard dat hij een Jemenitische staatsburger is, dat hij uit de stad Mukulla komt en dat hij tot een leeftijd van acht maanden in Jemen heeft verbleven. Eiser is daarna naar Somalië vertrokken. Eiser heeft in Griekenland ook verklaard dat hij niet de Somalische nationaliteit heeft en dat hij in Somalië geen paspoort kon aanvragen omdat hij de Jemenitische nationaliteit heeft (o.a. p. 4 en 20-24 vertaling Grieks dossier). Verweerder heeft de uit Griekenland verkregen informatie over eisers nationaliteit terecht tegenstrijdig gevonden aan eisers verklaringen in Nederland en daarom terecht gemeend dat er twijfel bestaat over de door eiser in Nederland opgegeven nationaliteit. Het is immers onduidelijk of eiser de Jemenitische of de Somalische nationaliteit heeft. Deze twijfel wordt niet weggenomen door landeninformatie, nu uit (p. 113 van) het Algemeen Ambtsbericht Somalië van april 2025 (het ambtsbericht) blijkt dat Somalië duizenden migranten uit Jemen opvangt, ook in Puntland waar eiser blijkens zijn verklaringen in Nederland zijn hele leven zou hebben gewoond.\n\n4.1.. Verweerder heeft zich naar het oordeel van de rechtbank verder terecht op het standpunt gesteld dat eiser er met de door hem overgelegde geboorteakte en certificaat van identiteitsbevestiging van de gemeente Mogadishu niet in is geslaagd om de twijfel over zijn nationaliteit, identiteit en herkomst weg te nemen. Verweerder heeft er terecht op gewezen dat eiser in Nederland een geboorteakte uit Somalië heeft overgelegd, terwijl eiser in Griekenland een geboorteakte uit Jemen heeft overgelegd. Verweerder stelt zich terecht op het standpunt dat eiser maar op één plek geboren kan zijn en er daarom niet zonder meer kan worden uitgegaan van de authenticiteit van eisers Somalische geboorteakte, temeer nu eiser voor de afgifte van de in Nederland overgelegde documenten al bij de Griekse autoriteiten heeft verklaard de Jemenitische nationaliteit te bezitten. Daarnaast heeft verweerder er terecht op gewezen dat de inhoud van de overgelegde documenten niet overeenkomt met eisers verklaringen over zijn herkomst in Somalië. Er blijkt namelijk uit dat eiser in Waabari in Mogadishu zou wonen. Eiser heeft echter ten tijde van het gehoor verklaard dat hij voor zijn vertrek uitsluitend in Af-Urur in het noorden van Somalië heeft gewoond en dat hij tijdens zijn doorreis slechts één of twee weken in Mogadishu heeft verbleven (p. 7 aanmeldgehoor en p. 19 nader gehoor). Op de zitting kon eiser hier ook geen duidelijkheid over geven. Zo stelde hij dat het ging om informatie die de moeder aan de autoriteiten had doorgegeven ten behoeve van de afgifte van de documenten, dan wel om de huidige woonplaats van zijn moeder. Daarnaast heeft verweerder er terecht op gewezen dat Somalië geen allesomvattend nationaal registratiesysteem of burgerlijke stand kent en dat er blijkens het ambtsbericht (p. 87) sprake is van corruptie bij Somalische overheidsinstanties waardoor het betrekkelijk eenvoudig is om aan vervalste documenten of documenten met valse identiteitsgegevens te komen. Gelet op het voorgaande stelt verweerder zich terecht op het standpunt dat de door eiser overgelegde documenten onvoldoende bewijswaarde hebben en dat eiser hiermee niet zijn (Somalische) identiteit en nationaliteit aannemelijk heeft gemaakt.\n\n4.2.. Verweerder heeft zich naar het oordeel van de rechtbank ook terecht op het standpunt gesteld dat eiser zijn identiteit, specifiek zijn geboortedatum, niet aannemelijk heeft gemaakt. Naast hetgeen hiervoor is overwogen, heeft verweerder terecht aan eiser tegengeworpen dat uit de uitgevoerde leeftijdsschouwen blijkt dat eiser evident meerderjarig is. Daarnaast heeft eiser in Nederland verklaard dat hij minderjarig is en op [geboortedatum 1] 2006 is geboren (p. 4 aanmeldgehoor), terwijl eiser in Duitsland en Griekenland staat geregistreerd met een meerderjarige leeftijd ( [geboortedatum 3] 2000 respectievelijk [geboortedatum 2] 2004). Eiser heeft hierover verklaard dat zijn leeftijd in Griekenland niet goed is genoteerd en dat er een schatting is gemaakt (p. 4 aanmeldgehoor en p. 3 nader gehoor). Verweerder wijst er in dit kader terecht op dat eiser in Griekenland een geboorteakte heeft overgelegd waar zijn geboortedatum op staat. Over de registratie in Duitsland heeft eiser verklaard dat de gegevens van het door eiser in Duitsland overgelegde valse paspoort zijn overgenomen (p. 4 aanmeldgehoor en p. 3 nader gehoor). Uit de informatie van de Duitse autoriteiten blijkt echter dat eiser in Duitsland geen bewijs van identiteit heeft overgelegd (he did not provide proof of identity). Verweerder heeft eisers verklaringen over de registratie in Griekenland en Duitsland daarom terecht ongeloofwaardig geacht. Gelet hierop, heeft verweerder de door eiser opgegeven leeftijd in Nederland terecht onaannemelijk gevonden.\n\n4.3.. Tot slot heeft verweerder zich, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, terecht op het standpunt gesteld dat eiser in grote lijnen niet als geloofwaardig kan worden beschouwd. Verweerder wijst er in dit kader verder terecht op dat eiser informatie over de asielprocedure in Griekenland heeft achtergehouden en dat, zoals hiervoor ook is overwogen, eiser meerdere wisselende verklaringen heeft afgegeven. Dat verweerder er inmiddels (ten tijde van de besluitvorming) mee bekend was geraakt dat eiser in Griekenland als Jemenitisch wordt gezien doet hier niet aan af. Dit neemt namelijk niet weg dat het aan eiser is om zijn asielrelaas aannemelijk te maken en dat eiser heeft nagelaten om hierbij informatie en documenten te verstrekken die relevant zijn voor zijn asielaanvraag, waaronder de in Griekenland overgelegde informatie en documenten. Verweerder stelt dan ook terecht dat de hiervoor genoemde tegenwerpingen het vertrouwen in eisers algemene geloofwaardigheid in het geding brengen en dat eiser daarom in grote lijnen niet als geloofwaardig kan worden beschouwd.\n\n4.4.. Al gelet op de hiervoor genoemde tegenwerpingen, in samenhang bezien, heeft verweerder zich naar het oordeel van de rechtbank terecht op het standpunt gesteld dat eisers identiteit, nationaliteit en herkomst onaannemelijk zijn. Gelet op vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling), waaronder de uitspraak van 30 mei 2024 (ECLI:NL:RVS:2024:2265, overweging 3.1.), heeft verweerder daarom ook terecht niet beoordeeld of eisers problemen met Al-Shabaab geloofwaardig zijn. Asielmotieven hebben immers alleen maar betekenis tegen de achtergrond van de herkomst, identiteit en nationaliteit van een vreemdeling. Dit betekent ook dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat niet kan worden vastgesteld of eiser in Somalië een gegronde vrees heeft voor vervolging, of dat eiser bij terugkeer naar Somalië een reëel risico loopt op ernstige schade.\n\n4.5.. Verweerder heeft de asielaanvraag terecht afgewezen als kennelijk ongegrond omdat, zoals onder 4.3. is overwogen, eiser verweerder heeft misleid door belangrijke informatie en documenten over zijn nationaliteit en identiteit in Griekenland achter te houden.\n\n4.6.. De beroepsgronden slagen niet.\n\nTerugkeerbesluit en inreisverbod\n\n5. Eiser stelt zich op het standpunt dat er ten onrechte een terugkeerbesluit tegen hem is uitgevaardigd. Er bestaat namelijk onduidelijkheid over zijn status in Griekenland. Gelet op de uitspraak van de Afdeling van 3 juli 2025 (ECLI:NL:RVS:2025:2936) had verweerder daarom geen terugkeerbesluit mogen uitvaardigen. Dit betekent volgens eiser ook dat verweerder ten onrechte een inreisverbod heeft uitgevaardigd. Op de zitting heeft eiser daarnaast nog verwezen naar het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (het Hof) van 17 oktober 2024 (ECLI:NL:EU:C:2024:892, C-156\u002F23, Ararat) en de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Amsterdam van 10 maart 2026 (ECLI:NL:RBDHA:2026:6477). Volgens eiser volgt uit deze uitspraken dat bij het uitvaardigen van een terugkeerbesluit altijd in ogenschouw moet worden genomen of er sprake is van een risico op refoulement. Vanwege de situatie in Somalië en Jemen had er volgens eiser geen terugkeerbesluit kunnen worden uitgevaardigd zonder nader onderzoek door verweerder. Verder heeft eiser op de zitting verzocht om het beroep aan te houden in afwachting van de beantwoording van prejudiciële vragen over het opleggen van een terugkeerbesluit aan statushouders.\n\n5.1.. De rechtbank stelt vast dat eiser internationale bescherming heeft in Griekenland. Verweerder kan de door Griekenland verleende vluchtelingenstatus niet intrekken of beëindigen. Die mogelijkheid staat alleen open voor de Griekse autoriteiten. Gelet op de uitspraken van de Afdeling van 2 juli 2025 (ECLI:NL:RVS:2025:2865) en 3 juli 2025 (ECLI:NL:RVS:2025:2936) kan verweerder naar het oordeel van de rechtbank geen terugkeerbesluit uitvaardigen in zaken van Griekse statushouders voordat hij de uitkomst van zijn beoordeling of de vreemdeling in aanmerking komt voor een asielstatus heeft gedeeld met de Griekse autoriteiten en de Griekse autoriteiten in reactie daarop hebben aangegeven dat zij aanleiding zien om de verleende asielstatus in te trekken. Niet is gebleken dat verweerder de uitkomst van de beoordeling met de Griekse autoriteiten heeft gedeeld en ook niet wat de reactie van de Griekse autoriteiten daarop is geweest. Daarmee is onduidelijk gebleven of de Griekse autoriteiten de verleende asielstatus zullen intrekken. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder alleen hierom al (nog) geen terugkeerbesluit tegen eiser mogen uitvaardigen. Dit betekent ook dat verweerder geen inreisverbod tegen eiser heeft mogen uitvaardigen op grond van artikel 66a, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw. De beroepsgrond slaagt reeds hierom. De rechtbank laat eisers standpunt dat er daarnaast een refoulement beoordeling had moeten plaatsvinden daarom onbesproken. Ten overvloede wijst de rechtbank er wel op dat – als een terugkeerbesluit in de toekomst (opnieuw) aan de orde zou zijn – een inhoudelijke en volledige beoordeling van het risico op refoulement alsnog aan de orde kan komen.Het voorgaande betekent evenzo dat de rechtbank geen aanleiding ziet om het beroep aan te houden in afwachting van de beantwoording van de prejudiciële vragen.\n\nConclusie en gevolgen\n\n6. Gelet op hetgeen onder 5.1. is overwogen, is het beroep gegrond, voor zover een terugkeerbesluit en inreisverbod tegen eiser is uitgevaardigd terwijl nog onduidelijk is of de Griekse autoriteiten de door hen aan eiser verleende vluchtelingenstatus zullen intrekken. De rechtbank vernietigt daarom in zoverre het bestreden besluit. De rechtbank ziet geen aanleiding om de rechtsgevolgen van het terugkeerbesluit en het inreisverbod in stand te laten. Verweerder dient bij de Griekse autoriteiten na te vragen of de beoordeling van de asielaanvraag in Nederland maakt dat zij de aan eiser verleende asielstatus intrekken, en daarna te beoordelen wat dit betekent voor een eventueel te nemen terugkeerbesluit en inreisverbod. Voor zover het besluit de afwijzing van de asielaanvraag betreft, blijft het bestreden besluit in stand.\n\n7. Omdat het beroep gegrond is krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende bijstand vast op € 1.868,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1).\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\nverklaart het beroep gegrond;\n\nvernietigt het bestreden besluit voor zover daarbij een terugkeerbesluit en inreisverbod tegen eiser is uitgevaardigd;\n\nlaat het bestreden besluit voor het overige (de afwijzing van de asielaanvraag) in stand;\n\nveroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.868,-.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. A.M.J. Adriaansen, rechter, in aanwezigheid van mr. A. Duijf, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.\n\n Eiser stelt dat hij een getraumatiseerde puber is met weinig opleiding.\n\n Eiser verwijst hierbij naar een uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Zwolle van 31 maart 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:7563.\n\n De rechtbank begrijpt: de prejudiciële vragen die op 19 februari 2026 zijn gesteld door de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem (ECLI:NL:RBDHA:2026:3626)\n\n De rechtbank wijst in dat kader ook op de uitspraak van de Afdeling van 8 mei 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1970, ro. 5.3 e.v..","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18727","ecli-nl-rbdha-2026-18727",{"courtName":6,"legalDomain":21,"decisionType":22,"procedureType":23},{"id":138,"ecli":139,"caseNumber":14,"courtId":5,"courtName":14,"decisionDate":132,"fullText":140,"language":7,"source":17,"sourceUrl":141,"summary":14,"slug":142,"metadata":143},"1308","ECLI:NL:RBROT:2026:7443","RECHTBANK ROTTERDAM\n\nTeam handel en haven\n\nZittingsplaats Rotterdam\n\nzaaknummer: 711202 HA RK 25-1185\n\ndatum uitspraak: 29 juni 2026\n\nBeschikking van de rechter\n\nin de zaak van\n\n [verzoekster],\n\nwoonplaats: [woonplaats],\n\nverzoekster,\n\nadvocaat: mr. H.B. Dekker,\n\ntegen\n\nStichting Nederlands Fotomuseum,\n\nvestigingsplaats: Rotterdam,\n\nverweerster,\n\nadvocaat: mr. M. Hurks.\n\nVerzoekster\u002Fwerkneemster wordt hierna ‘de bestuurder’ genoemd. Verweerster\u002Fwerkgever wordt hierna ‘de RvT’ of ‘werkgever’ genoemd.\n\n1. De procedure1.1.. Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:\n\nhet verzoekschrift van de bestuurder, met bijlagen;\n\nhet verweerschrift van de RvT met bijlagen;\n\nde aanvullende bijlagen van de bestuurder;\n\nde spreekaantekeningen van de advocaten;\n\nde schriftelijke verklaring die de bestuurder tijdens de zitting heeft voorgedragen.\n\n1.2.. Op 18 mei 2026 is de zaak tijdens een mondelinge behandeling besproken. De bestuurder was aanwezig met haar advocaat. Namens de RvT waren de voorzitter en drie leden aanwezig, met de advocaat.\n\n2. De beoordeling\n\nWaar gaat de zaak over?\n\n2.1.. De bestuurder werkte bij werkgever als directeur-bestuurder. De RvT heeft de bestuurder op 18 juli 2025 ontslagen, met een opzegtermijn van twee maanden. De arbeidsovereenkomst is geëindigd per 1 oktober 2025. De bestuurder is het niet eens met het ontslag. Zij vraagt een verklaring voor recht dat er geen redelijke grond was om de arbeidsovereenkomst op te zeggen, dan wel dat de opzegging het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de RvT. De bestuurder vraagt primair een billijke vergoeding van € 400.000,- bruto inclusief onderzoekskosten en juridische kosten. Als dit bedrag niet wordt toegewezen vraagt de bestuurder een billijke vergoeding van € 300.000,- bruto plus onderzoekskosten en juridische kosten. Ook vraagt de bestuurder om werkgever te veroordelen een rectificatie op de website te plaatsen en deze te sturen aan de hoofdredacteuren van de Volkskrant, NRC, het AD, de NOS en het ANP. De RvT vindt dat de verzoeken moeten worden afgewezen.\n\nDe uitkomst\n\n2.2.. De bestuurder krijgt gelijk. De rechter oordeelt dat er geen redelijke grond was voor het opzeggen van de arbeidsovereenkomst en dat werkgever ernstig verwijtbaar heeft gehandeld. Werkgever moet aan de bestuurder de gevraagde billijke vergoeding betalen van € 400.000,- bruto. Ook moet werkgever een rectificatie plaatsen. Hierna wordt uitgelegd waarom dit de uitkomst is.\n\nWat is er gebeurd?\n\n2.3.. De bestuurder werkte sinds 15 november 2018 bij werkgever als directeur-bestuurder.\n\n2.4.. In april\u002Fmei 2024 vernam de bestuurder dat de Volkskrant bezig was met een onderzoek naar de werksfeer bij werkgever. In overleg met de RvT is een statement en Q&A-lijst voor medewerkers opgesteld. In september 2024 kreeg de RvT signalen dat de Volkskrant bezig was met een artikel. Op initiatief van de RvT is vervolgens een Cultuuronderzoek uitgevoerd door een extern onderzoeksbureau (Kroll).\n\n2.5.. In mei 2025 ontving de bestuurder een concept artikel van de Volkskrant, waarin zij werd beschuldigd van narcisme, toxisch management en schrikbewind. De bestuurder heeft dit concept doorgestuurd aan de RvT, personeelsvertegenwoordiging (‘PVT’) en het managementteam (‘MT’). De bestuurder heeft aan de Volkskrant een reactie gestuurd op het concept. De RvT stuurde ook een reactie aan de Volkskrant en een met de PVT en het MT afgestemd statement. Daarin werd steun aan de bestuurder uitgesproken.\n\n2.6.. Op 19 juni 2025 heeft de RvT de bestuurder per direct geschorst. Als reden gaf de RvT dat hij de vorige dag informatie uit de organisatie had ontvangen over het functioneren van de bestuurder. De RvT wilde niet zeggen welke informatie dat was. De RvT kondigde aan dat hij een intern onderzoek zou starten. Vanaf dat moment had de bestuurder geen toegang meer tot haar mailbox. De RvT heeft de schorsing per e-mail bevestigd en de bestuurder uitgenodigd voor de RvT-vergadering van 18 juli 2025, waarin haar voorgenomen ontslag als bestuurder op de agenda stond. De RvT heeft na de schorsing van de bestuurder bij de Volkskrant het statement met de steun aan de bestuurder ingetrokken.\n\n2.7.. De bestuurder heeft diezelfde dag per mail tegen de schorsing geprotesteerd. De volgende dag heeft zij gevraagd om een nadere toelichting en om toegang tot haar e-mail.\n\n2.8.. \n\nOp 23 juni 2025 heeft de RvT de bestuurder laten weten dat de RvT serieuze signalen had gekregen dat hij verschillende malen informatie had ontvangen, die mogelijk door\n\nde bestuurder zou zijn beïnvloed. Daardoor zou de RvT zijn controlerende taak niet volledig of naar behoren hebben kunnen uitvoeren.\n\n2.9.. Op 24 juni 2025 heeft de advocaat van de bestuurder nogmaals gevraagd om een toelichting op het schorsingsbesluit. Op 26 juni 2025 heeft de advocaat van de RvT de bestuurder en haar advocaat uitgenodigd voor een hoorgesprek op 3 juli 2025.\n\n2.10.. Op 26 juni 2025 heeft de Volkskrant gepubliceerd over de schorsing van de bestuurder. Op 1 juli 2025 verscheen in de Volkskrant een uitgebreid artikel over de bestuurder.\n\n2.11.. Op 3 juli 2025 vond het hoorgesprek plaats. Op 8 juli 2025 heeft de bestuurder schriftelijk een aanvullende reactie gegeven op onderwerpen die tijdens het hoorgesprek aan de orde kwamen. Op 9 juli 2025 heeft de bestuurder gereageerd op de notulen van het hoorgesprek die zij twee dagen daarvoor ontving. Ook heeft de bestuurder op 9 juli 2025 gereageerd op aanvullende vragen van de RvB. Diezelfde dag heeft de RvB weer aanvullende vragen gesteld. Deze heeft de bestuurder op 10 juli 2025 beantwoord.\n\n2.12.. Op 11 juli 2025 heeft de RvT de bestuurder laten weten dat het voorgenomen ontslag in stand bleef. De bestuurder ontving de conclusies van het onderzoek, een brief met daarin de redenen voor het voorgenomen ontslag en een agenda voor de vergadering op 18 juli 2025.\n\n2.13.. Op 14 juli 2025 heeft de bestuurder gereageerd op het onderzoek van de RvT. Zij heeft gevraagd om de Whatsapp berichten en de managementrapportages van 2024 en 2025 waarnaar de RvT verwees. Zij vroeg ook opnieuw om toegang tot haar mailbox. De RvT heeft alleen de managementrapportages verstrekt en geweigerd om de andere gevraagde informatie aan de bestuurder te verstrekken. De bestuurder kreeg ook geen toegang tot haar mailbox.\n\n2.14.. Op 16 juli 2025 heeft de bestuurder aanvullende stukken gestuurd aan de RvB. Op 17 juli 2025 ontving de bestuurder een aangepast onderzoeksrapport. Daarop heeft de bestuurder diezelfde dag nog gereageerd.\n\n2.15.. Op 18 juli 2025 is de bestuurder tijdens de RvT vergadering ontslagen als bestuurder. De arbeidsovereenkomst tussen de RvT en de bestuurder is per 1 oktober 2025 geëindigd.\n\n2.16.. Op 19 juli 2025 om 06.00 uur heeft de RvT op haar website een statement over het ontslag van de bestuurder geplaatst. Op dat moment is een pushbericht verstuurd aan meer dan 130 personen in binnen- en buitenland, die zich op persnieuwsberichten van werkgever hebben geabonneerd.\n\n2.17.. Na het ontslag van de bestuurder, in september 2025, heeft de RvT door extern onderzoeksbureau Unravelling een onderzoek laten uitvoeren naar de cultuur binnen de organisatie.\n\nWat vindt de rechter?\n\nHet ontslag was onterecht\n\n2.18.. Werkgever had geen redelijke grond om de arbeidsovereenkomst met de bestuurder op te zeggen. Op de zitting heeft de RvT gesteld dat sprake zou zijn van de h-grond en anders de g-grond. Voor de h-grond is nodig dat sprake is van omstandigheden die zodanig zijn dat van de RvT niet gevergd kan worden de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. Voor de g-grond moet sprake zijn van een ernstig en duurzaam verstoorde arbeidsrelatie, waardoor van de RvT niet gevergd kan worden de arbeidsovereenkomst te laten voortduren.\n\n2.19.. De verwijten die de RvT in dit verband aan de bestuurder maakt zijn naar het oordeel van de rechter onterecht. Het is niet gebleken dat sprake was van sociale onveiligheid of een angstcultuur, veroorzaakt door de leiderschapsstijl van de bestuurder. Evenmin heeft de bestuurder de RvT niet voldoende of onjuist geïnformeerd over sociale onveiligheid en personeelsverloop, waardoor de RvT zijn toezichthoudende taak onvoldoende heeft kunnen uitoefenen. Verder staat niet vast dat sprake is van een ernstig en duurzaam verstoorde relatie. Voor zover er kritiek was op het leiderschap van de bestuurder, de wijze waarop de RvT geïnformeerd werd of sprake was van een verstoring in de werkrelatie, dan was dat in de gegeven omstandigheden nog geen reden voor ontslag. De RvT, die de bestuurder hier al die jaren niet op heeft aangesproken of vragen over heeft gesteld, kan dan niet ineens grijpen naar zo’n zware sanctie. Hierna wordt dit oordeel uitgelegd.\n\nGeen sociale onveiligheid en angstcultuur\n\n2.20.. Het staat niet vast dat sprake was van sociale onveiligheid en cultuurproblemen (angstcultuur) door het leiderschap van de bestuurder.\n\n2.21.. Het is wel zo dat er bij sommige medewerkers en oud-medewerkers de nodige weerstand was tegen de bestuurder. De bestuurder heeft uitgelegd dat dit te maken had met de opdracht die zij in 2018 bij haar aantreden van de RvT de opdracht kreeg. Dat was de opdracht om de organisatie weer op de rails te krijgen. De organisatiestond er zowel financieel als organisatorisch zeer slecht voor. De bestuurder heeft verschillende maatregelen getroffen en veranderingen doorgevoerd in de organisatie, waarbij zij merkte dat niet iedereen openstond voor die veranderingen en zij zelfs werd tegengewerkt. Dat wordt bevestigd door het onderzoek van Berenschot in 2020. Berenschot concludeerde dat een aantal medewerkers moeite had met de voortvarende aanpak van de bestuurder, terwijl een deel juist waardering had voor de frisse wind van de bestuurder en erkende dat verandering nodig was. Volgens Berenschot was er in het verleden sprake geweest van vrijblijvendheid en hobbyisme. In het rapport schrijft Berenschot: “dat er een schisma is tussen de oude garde en de nieuwelingen”, “Er is weerstand maar niet precies duidelijk is waartegen”, “Er zijn koninkrijkjes in het museum”, “Het benoemen financiële crisis, vormen crisisteam en bevriezen MT en het ontslag van twee “aanwezige” medewerkers is bij aantal medewerkers verkeerd gevallen. Dit wordt door aantal medewerkers aangegrepen om dwars te liggen (in gedrag en houding). Weerstand is nadrukkelijk zichtbaar bij maatregelen\u002Finterventies directeur.”\n\n2.22.. Volgens de bestuurder kende de RvT dit rapport. In 2021 had de bestuurder haar eerste en enige functioneringsgesprek met de RvT (met de toenmalige voorzitter en een van de leden). De bestuurder heeft onweersproken gesteld dat in dit gesprek veel waardering is uitgesproken voor het functioneren van de bestuurder, en ook voor het feit dat de bestuurder nadat ze zag wat ze aantrof binnen de organisatie, de baan niet had teruggegeven. Ook vroegen zij de bestuurder tijdens dat gesprek hoe zij het gif uit de organisatie ging halen. De bestuurder antwoordde daarop ‘Door mensen aan te spreken op hun gedrag. Maar dat zal niet makkelijk zijn.' De RvT heeft dit onvoldoende gemotiveerd weersproken. De bestuurder heeft ook allerlei organisatorische veranderingen doorgevoerd, zoals het instellen van een externe vertrouwenspersoon, een gedragscode, een klokkenluidersregeling, het aanstellen van een HR-medewerker en het invoeren van drie functioneringsgesprekken per jaar en het organiseren van teamuitjes. Daarmee is door de bestuurder een forse verbeterslag gemaakt op het gebied van professionalisering van de organisatie.\n\n2.23.Volgens de bestuurder was de RvT op de hoogte van alle veranderingen die zij heeft doorgevoerd en was de RvT in zijn jaarlijkse verslagen altijd zeer lovend over de verrichtingen van de bestuurder en haar team. Het is niet vast komen te staan dat na 2021 met de bestuurder is gesproken over haar functioneren. De RvT stelt dat zij periodiek feedbackgesprekken had met de bestuurder, maar die betwist dat. Dat waren volgens de bestuurder koffiemomenten die plaatsvonden in het kader van de re-integratie van de bestuurder na een ernstige ziekte. Zij kreeg daarin geen feedback op haar functioneren. De RvT heeft geen stukken overgelegd waaruit kan worden afgeleid dat dat anders is. Er zijn wel stukken en e-mails van de periode na 2021, maar daarin staat niets over (enige feedback op) het functioneren van de bestuurder.\n\n2.24.. Dat er andere zorgelijke signalen waren over het leiderschap van de bestuurder, of dat zelfs sprake was van een angstcultuur binnen de organisatie, zoals de RvT stelt, is evenmin gebleken. De bestuurder stelt onweersproken dat er de afgelopen jaren zes externe onderzoeken zijn uitgevoerd binnen de organisatie en dat daar niets uit is gekomen wat wijst op sociale onveiligheid of problemen in de cultuur. In 2018 en 2022 zijn onderzoeken uitgevoerd door Berenschot, in 2022 en in 2024 vonden medewerkersonderzoeken plaats. In januari 2024 verscheen een rapport van de Visitatiecommissie van OCW. De commissie concludeerde dat er een open relatie was tussen de RvT en de bestuurder, de RvT en de medewerkers en tussen de bestuurder en de medewerkers. Ook werd volgens de commissie adequaat gereageerd op incidenten die raken aan een veilige werkomgeving binnen het museum. De commissie was zeer onder de indruk van de betrokkenheid en bevlogenheid van zowel de medewerkers als de bestuurders. Wel werd de werkdruk door sommige medewerkers als hoog ervaren door de aankomende verhuizing. In 2024 heeft de externe vertrouwenspersoon een rapport uitgebracht. Daarin stond dat in 2023 een minimaal beroep op de vertrouwenspersoon was gedaan en dat medewerkers goed de weg wisten te vinden als er sprake is van (mogelijk) grensoverschrijdend gedrag. In 2024 vond het Cultuuronderzoek door Kroll plaats. Uit het rapport blijkt dat erkend werd dat het museum een noodzakelijke ontwikkeling had doorgemaakt van een familiale cultuur naar een meer hiërarchische cultuur en dat dit nodig was geweest. De ondervraagden hadden er begrip voor dat de verandering ook had geleid tot het vertrek van medewerkers. Volgens de bestuurder zijn uit al deze onderzoeken geen signalen naar voren gekomen die de beschuldigingen van de RvT ondersteunen. De RvT heeft dit alles niet weersproken. De RvT trekt nu de betrouwbaarheid van die onderzoeken in twijfel, omdat zij meent dat de bestuurder die uitkomsten zou hebben beïnvloed. Die beschuldiging is onterecht, zoals hierna zal worden uitgelegd. Op de zitting heeft de RvT nog gezegd dat het rapport van de externe vertrouwenspersoon niet zoveel zegt, omdat medewerkers niet naar de externe vertrouwenspersoon durfden, maar de RvT onderbouwt dat niet. Er is geen reden om aan te nemen dat wat de RvT zegt klopt. Volgens het rapport van de vertrouwenspersoon wisten medewerkers de weg naar de vertrouwenspersoon juist goed te vinden.\n\n2.25.. De bestuurder heeft er ook op gewezen dat in de periode in 2022, toen zij langdurig afwezig was vanwege een ernstige ziekte en vervangen werd door een interim-directeur, van zijn kant ook geen signalen zijn gekomen dat sprake was van een onveilige cultuur. De bestuurder heeft er in dit verband ook onweersproken op gewezen dat deze interim-directeur volgens de RvT ‘warm en benaderbaar’ was. Als er serieuze problemen waren binnen de organisatie, dan ligt het voor de hand dat dit ook onder de aandacht van de interim directeur zouden zijn gebracht.\n\n2.26.. Uit signalen van de PVT blijkt evenmin dat sprake was van sociale onveiligheid of een angstcultuur. De RvT legt een brief over van de PVT uit 2020 aan de RvT, waaruit volgens de RvT blijkt dat de PVT ernstige zorgen heeft over de bestuurder. De PVT heeft deze brief echter nooit verstuurd. Op de zitting heeft de RvT uitgelegd dat dat was omdat het de bedoeling van de PVT was om deze brief te sturen namens het hele personeel, maar niet iedereen stond hier achter. De RvT stelt in het verweerschrift dat zij in 2021 van de PVT “zorgelijke signalen kreeg over de organisatie en met name de onrust en werkdruk voor het personeel” maar dit is verder niet onderbouwd. Uit niets blijkt dat de RvT hierop enige actie heeft ondernomen of dit met de bestuurder heeft besproken. De RvT legt verder nog een brief over van de PVT aan de bestuurder van 22 februari 2024. De bestuurder heeft uitgelegd dat zij hier uitgebreid op heeft gereageerd en dat zij naar aanleiding van deze brief ook verschillende maatregelen heeft getroffen, die zij ook benoemt. De bestuurder zegt dat zij niet heeft gehoord dat de PVT de acties niet voldoende vond. Zij heeft daarna geen signalen meer gekregen van de PVT. Ook niet van de RvT, aan wie zij de brief van de PVT en haar uitgebreide reactie daarop had doorgestuurd. De RvT heeft dit alles niet weersproken.\n\n2.27.. De RvT onderbouwt de gestelde sociale onveiligheid en angstcultuur verder met zijn eigen onderzoek en een onderzoek door Unravelling. Uit het eigen onderzoek zijn volgens de RvT signalen gekomen dat er al lange tijd iets mis lijkt met de cultuur. Volgens de RvT worden die uitkomsten bevestigd door het in september 2025 uitgevoerde cultuuronderzoek door extern onderzoeksbureau Unravelling. De rechter is het met de bestuurder eens dat beide onderzoeken onvoldoende objectief zijn en onvoldoende met feiten onderbouwd zijn. Daarom leveren zij geen deugdelijke onderbouwing op voor de gestelde ontslagredenen en de verwijten die de RvT aan de bestuurder maakt.\n\n2.28.. Het eigen intern onderzoek van de RvT is naar het oordeel van de rechter onvoldoende betrouwbaar. De rechter is het eens met de conclusies uit het rapport van Verinorm, dat door de bestuurder is ingeschakeld en neemt deze over. Verinorm komt tot de conclusie dat het onderzoek onvoldoende onpartijdig, onafhankelijk, zorgvuldig en objectief is uitgevoerd. De RvT heeft in het kader van het eigen onderzoek met een beperkt aantal personen gesproken. De bestuurder werd vervolgens uitgenodigd voor een hoorgesprek, zonder dat zij wist waar dat over zou gaan. Ondanks herhaald verzoek kreeg zij geen toegang tot haar e-mail. De bestuurder is daardoor onvoorbereid het drie uur durende hoorgesprek in gegaan, waarin zij allerlei verwijten te horen kreeg. Verder was de RvT zelf ook partij bij een van de verwijten aan de bestuurder, namelijk het verwijt dat de bestuurder hem onvoldoende zou hebben geïnformeerd. De beschuldiging over beïnvloeding van het Cultuuronderzoek en medewerkersonderzoek is – naar de rechter begrijpt – gebaseerd op enkele verklaringen van anonieme medewerkers. De verklaringen van deze medewerkers ontbreken en ook de stukken waarop de RvT zich kennelijk baseert, zitten niet bij hun onderzoeksrapport. De bestuurder heeft ook niet de beschikking gekregen over deze stukken en\u002Fof verklaringen, zodat zij zich daartegen niet naar behoren heeft kunnen verweren. Het rapport lijkt vooral een bevestiging van vooraf ingenomen conclusies. De vragen die aan de bestuurder zijn gesteld waren sturend en de RvT baseert zich grotendeels op subjectieve verklaringen en ervaringen van enkele anonieme medewerkers. Uit het rapport blijkt niet dat deze verklaringen zijn getoetst aan andere (objectieve) data. Aan de verklaringen van de bestuurder en de stukken die zij heeft aangeleverd heeft de RvT ten onrechte weinig waarde gehecht, terwijl de bestuurder daarmee het overgrote deel van de gemaakte verwijten deugdelijk heeft weerlegd. Dit was overigens mede te danken aan het feit dat de bestuurder kortdurend – zonder dat de RvT dit overigens mogelijk had gemaakt – toegang bleek te hebben tot haar mailbox, waardoor zij meerdere belangrijke stukken boven water heeft kunnen halen.\n\n2.29.. De rechter is met de bestuurder van oordeel dat ook het onderzoek van Unravelling onvoldoende betrouwbaar is en geen deugdelijke onderbouwing oplevert voor de gestelde sociale onveiligheid door het leiderschap van de bestuurder. Dit onderzoek is achteraf, na het ontslag van de bestuurder, in opdracht van de RvT uitgevoerd. De bestuurder is niet op de hoogte gesteld van dit onderzoek. Hoewel het onderzoek werd gepresenteerd als een ‘cultuuronderzoek’, ging het gelet op de vraagstelling grotendeels over het leiderschap door de bestuurder. De bestuurder kwam hier pas achter nadat de onderzoekers aan haar ook een vragenformulier hadden toegezonden als ‘oud-medewerker’. De uitkomsten van het onderzoek zijn beïnvloed door de suggestieve presentatie en vraagstelling, zoals Verinorm ook constateert. Zo staat bijvoorbeeld in de uitnodiging die is verzonden aan de medewerkers en oud-medewerkers dat de RvT had besloten tot dit onderzoek omdat meerdere (oud)medewerkers naar aanleiding van het vertrek van de bestuurder hun ervaringen wilden delen “met het oog op verwerking en herstel”. Verder blijkt uit het rapport dat alle medewerkers en oud-medewerkers anoniem zijn ondervraagd naar hun negatieve ervaringen met de bestuurder. De uitkomsten zijn onvoldoende representatief omdat het gaat om een kleine groep deelnemers. In het rapport staat “Het aantal respondenten is te klein om statistisch significante uitspraken te doen”. Bovendien staan in het rapport alleen meningen en ervaringen van de anonieme deelnemers aan het onderzoek. Niet is onderzocht of beoordeeld of de ervaringen feitelijk juist zijn. Opvallend is ook dat alle oud-medewerkers uit de bestuursperiode van de bestuurder zouden zijn uitgenodigd om deel te nemen, maar enkele door de bestuurder genoemde personen die positief verklaren over haar functioneren zijn niet uitgenodigd voor het onderzoek. Gelet op dit alles kunnen er naar het oordeel van de rechter geen algemene conclusies over de cultuur en de leiderschapsstijl van de bestuurder worden getrokken op basis van dit onderzoeksrapport, laat staan de conclusie dat sprake was van een angstcultuur.\n\n2.30.. Hiermee wil de rechter overigens niet afdoen aan de beleving van sommige (oud) medewerkers over hun ervaringen met de bestuurder, zoals die blijken uit het onderzoeksrapport. Er was sprake van directief leiderschap, dat mede gelet op de opdracht die de bestuurder van de RvT had meegekregen – het gif uit de organisatie halen – niet bij alle medewerkers steeds in goede aarde is gevallen. Er zijn ingrijpende maatregelen getroffen, zoals het gedwongen vertrek van twee medewerkers met een lange staat van dienst. Ook was de werkdruk binnen de organisatie hoog vanwege de verhuizing naar een nieuwe locatie en alle voorbereidingen die hiermee samenhingen. Maar als er pas achteraf, nadat de bestuurder al is ontslagen, met een onderzoek op de manier zoals dat hier is ingestoken, signalen over onvrede bij medewerkers en oud-medewerkers worden opgehaald, dan moeten de bevindingen wel kritisch worden beschouwd en in het juiste perspectief worden geplaatst. Daarbij had de RvT rekening moeten houden met wat hij al die tijd al wist, namelijk dat er een tweedeling was tussen de oude en de nieuwe garde, waarbij sommige medewerkers nu eenmaal moeite hadden met de voortvarende aanpak van de bestuurder. Dit heeft de RvT onvoldoende gedaan.\n\nDe bestuurder heeft de RvT niet onvoldoende of onjuist ingelicht\n\n- Uitstroomcijfers en vertrekredenen\n\n2.31.. In het verweerschrift maakt de RvT aan de bestuurder een nieuw verwijt, te weten dat de bestuurder de RvT onvolledig of onjuist heeft geïnformeerd over de jarenlange zorgelijk hoge uitstroomcijfers. De bestuurder voert terecht aan dat de uitstroomcijfers over de eerdere jaren niet aan haar ontslag ten grondslag zijn gelegd. Het ontslag had te maken met de uitstroom over 2024. Bovendien waren de uitstroomcijfers in de bestuursperiode van de bestuurder niet hoger dan in de jaren voordat de bestuurder aantrad. Verder heeft de bestuurder gemotiveerd weersproken dat de RvT al die jaren niet op de hoogte was van de uitstroomcijfers of dat de bestuurder hierover onjuiste informatie heeft verstrekt. De uitstroomcijfers staan volgens de bestuurder in alle jaarverslagen en waren de RvT dus bekend. Volgens de bestuurder heeft de RvT nooit vragen gesteld over de uitstroomcijfers of zijn zorgen hierover uitgesproken. De RvT heeft dit allemaal onvoldoende weersproken.\n\n2.32.. Het verwijt dat de bestuurder de RvT onvoldoende of onjuist heeft geïnformeerd over de vertrekredenen en feedback van de in 2024 vertrokken medewerkers, is eveneens onterecht. De RvT stelt dat de bestuurder in het jaarverslag 2024 onjuiste informatie heeft verstrekt, omdat daarin staat dat uit de exitgesprekken met de vertrekkende medewerkers geen algemene reden voor hun vertrek naar voren is gekomen. Volgens de RvT blijkt uit de e-mail van HR die de bestuurder op 30 september 2024 ontving wel degelijk een rode draad in de feedback uit de exitgesprekken. De RvT stelt dat hij de informatie die de bestuurder heeft achtergehouden nodig had om zijn toezichthoudende taak te kunnen uitoefenen, zeker gezien de Cultuurscan die zou starten.\n\n2.33.. \n\nDe bestuurder heeft de mail van HR van 30 september 2024 niet gedeeld met de RvT. Dit kan de bestuurder niet worden verweten. De rechter vindt leest in die e-mail geen informatie, die maakte dat deze e-mail door de bestuurder met de RvT moest worden gedeeld. In die mail staat het volgende over het vertrek van zes medewerkers in 2024:\n\n\"Feedback die in exitgesprekken meerdere malen naar voren kwam:\n\n. onduidelijkheid over mandaten\n\n. micromanagement wordt meermaals genoemd\n\n. ervaren gebrek aan (gewenste) transparantie, met name over medewerkers die eerder uit dienst gingen, sociale (on)veiligheid wordt hierdoor sterker beleefd\n\n. weinig worden betrokken bij processen, (dit speelt ook onder medewerkers in dienst)\n\n. te veel ad hoc werk wat ervaren werkdruk vergroot”\n\n2.34.. De bestuurder heeft in haar aanvullende reactie op het hoorgesprek aan de RvT al uitgelegd, dat volgens haar uit het overzicht van HR geen patroon in de vertrekredenen kan worden afgeleid. De rechter is het hiermee eens. Uit de e-mail blijkt dat sprake was van verschillende, deels persoonlijke vertrekredenen. De bestuurder verwijst naar een e-mail van HR van 22 augustus 2024, dat haar standpunt bevestigt. Er staat: “In de jaarplannen staat aangegeven dat uit de exitgesprekken met de uitdiensttredende medewerkers geen algemene reden voor vertrek is gekomen. Het deels natuurlijke verloop is conform de beweging die op de arbeidsmarkt in de cultuursector te zien was. Dit klopt in mijn ogen grotendeels wel, ook als we kijken naar andere organisaties in de sector”.Volgens de bestuurder heeft HR deze e-mail opgesteld voor het overleg met de PVT van 29 augustus 2024, waarbij ook een RvT lid aanwezig was. Volgens de bestuurder heeft dit RvT-lid tijdens dat overleg ook gezegd dat de uitstroom volgens zijn ervaring niet ongebruikelijk was. De RvT heeft dit niet weersproken. Volgens de bestuurder was de RvT bovendien al op de hoogte van het vertrek en de vertrekreden van drie van de zes medewerkers (de directiesecretaresse, de controller en de zakelijk leider) waar de mail van HR over ging. Van de andere drie medewerkers heeft de bestuurder de redenen toegelicht: twee hadden een andere uitdaging gevonden en één medewerker gaf aan dat zijn baan te veel stress opleverde. Ook dit heeft de RvT onvoldoende weersproken.\n\n2.35.. De bestuurder voert verder onweersproken aan dat zij naar aanleiding van de feedback uit de exitgesprekken ook de nodige acties heeft ondernomen. De onderwerpen 'onduidelijkheid mandaten, micromanagement, weinig betrokken bij processen' zijn meegenomen in het Organisatie Ontwikkelingsplan, dat begin 2024 is gestart en in het Management development Traject, dat begin 2025 van start is gegaan. Naar aanleiding van de feedback ‘te veel adhoc werk wat de werkdruk verder vergroot' is de afspraak gemaakt dat alleen teamleiders aan medewerkers een opdracht kunnen geven en niet collega’s onderling. Om collega's weerbaarder te maken en tegen collega's durven te zeggen dat ze geen opdracht kunnen aannemen, is daaraan aandacht besteed in de door de bestuurder georganiseerde cursus feedback voor alle medewerkers. Naar aanleiding van de feedback 'ervaren gebrek aan (gewenste) transparantie over medewerkers die uit dienst gaan', is in de teams uitleg gegeven, namelijk dat over een afscheid van een medewerker vaak niets gezegd kan worden in verband met privacy of omdat er nog gesprekken plaatsvinden met de betreffende medewerker.\n\n2.36.. De rechter is van oordeel dat op basis van de feedback uit de exitgesprekken inderdaad niet kan worden geconcludeerd dat sprake was van een rode draad, die wijst op een cultuurprobleem. Bovendien was de RvT al op de hoogte van de vertrekredenen van drie van de zes medewerkers. De rechter vindt daarom dat de bestuurder geen verwijt valt te maken dat zij de RvT niet heeft geïnformeerd over de e-mail van 30 september 2024. Als de RvT meer informatie had gewild of vragen had over de uitstroomcijfers, had de RvT hiernaar kunnen vragen. Maar daar zag de RvT toen kennelijk geen reden voor. Bovendien heeft de bestuurder de feedback ter harte genomen en adequate acties genomen.\n\n2.37.. De RvT maakt aan de bestuurder ook een verwijt rondom de opzegging van zijn dienstverband door curator [naam 1] (hierna: de curator) na 20 jaar dienstverband. De RvT stelt in dit verband dat de bestuurder de opzeggingsbrief van de curator van 30 september 2024 twee weken onbeantwoord heeft gelaten, daarop vervolgens harteloos heeft gereageerd en de RvT niet heeft geïnformeerd over zijn ontslag. De bestuurder betwist dat. Zij heeft erop gewezen dat zij de voltallige RvT direct per e-mail op de hoogte heeft gebracht van het ontslag van de curator. Daarnaast zegt de bestuurder dat zij in een persoonlijk gesprek met de curator heeft gesproken over zijn beweegredenen en dat zij samen met hem de berichtgeving over zijn vertrek heeft opgesteld. Verder heeft de bestuurder een verrassingsafscheid georganiseerd, waarbij zij de curator heeft toegesproken en een waardebon van € 600,- heeft gegeven voor een nieuwe I-pad. Dit alles heeft de RvT niet weersproken. De Rvt heeft op de zitting gezegd dat hij niet wist van het gesprek tussen de bestuurder en de curator. Dat had de RvT niet afgeleid uit de ontslagbevestiging die de bestuurder aan de curator heeft gestuurd, en heeft vervolgens zelf de conclusie getrokken dat geen gesprek had plaatsgevonden, zonder dit bij de bestuurder of de curator na te vragen. Verder meent de RVT dat de brief van de bestuurder aan de curator harteloos was. In die brief schrijft de bestuurder onder meer: “(…) lk waardeer je uitgebreide toelichting, openheid en feedback die je in jouw ontslagbrief meegeeft. Dit biedt waardevolle inzichten die ons kunnen helpen bij het verbeteren van de organisatie(processen). Indien je jouw feedback verder wenst toe te lichten, ben je van harte uitgenodigd een exitgesprek te voeren met [naam medewerker] van HR. Door jouw ervaringen en feedback beter te begrijpen, kunnen we gerichter werken aan verbeteringen die onze organisatie in ontwikkeling ten goede komen. (…) Ik wil je hartelijk bedanken voor jouw bijzonder waardevolle bijdrage, die je jarenlang aan het fotomuseum hebt geleverd. Ik wens je veel voorspoed in je verdere carrière en hoop dat je een positieve herinnering aan jouw tijd bij [naam werkgever] (…) zult bewaren. Tot slot kijk ik ernaar uit om ook in de toekomst in het museum tentoonstellingen van jouw hand te zien.”De RvT heeft op de vraag van de rechter niet kunnen uitleggen wat hier harteloos aan is. Dat de curator in de gelegenheid is gesteld om met HR een exitgesprek te voeren, in plaats van met de bestuurder, waarvan de RvT ook een punt maakt, is naar het oordeel van de rechter juist positief te noemen. HR kan zo’n gesprek neutraler voeren dan de leidinggevende van de vertrekkende medewerker.\n\n- Beïnvloeding uitkomsten Cultuurscan en medewerkersonderzoek\n\n2.38.. Dat de bestuurder medewerkers onder druk heeft gezet, waardoor zij de uitkomsten van de Cultuurscan en het medewerkersonderzoek heeft beïnvloed, staat naar het oordeel van de rechter niet vast.\n\n2.39.. Volgens de RvT blijkt uit haar eigen onderzoek dat twee medewerkers zich in het najaar van 2024 door de bestuurder onder druk gezet voelden om de interviews ten behoeve van het Cultuuronderzoek op een voor de bestuurder positieve wijze in te vullen. Een andere medewerker voelde zich onder druk gezet het medewerkersonderzoek 2024 meerdere keren in te vullen.\n\n2.40.. De bestuurder heeft de beschuldigingen gemotiveerd weersproken. Zij voert aan dat zij geen enkele betrokkenheid heeft gehad bij de beide onderzoeken en ook niet wist welke vragen gesteld zouden worden aan de medewerkers. Zij heeft alleen op verzoek van het onderzoeksbureau Kroll de uitnodigingen verstuurd voor het Cultuuronderzoek. De bestuurder voert aan dat zij medewerkers met vragen juist naar Kroll heeft verwezen. Zij heeft hen niet gevraagd om de vragen voor te bereiden. De bestuurder onderbouwt dit met een e-mail, waaruit blijkt dat zij een medewerker die vragen had, heeft verwezen naar het onderzoeksbureau. Verder voert de bestuurder aan dat de RvT bij het onderzoeksbureau had kunnen informeren of de bestuurder wist welke vragen gesteld zouden worden en ook of de uitkomsten van het onderzoek wel of niet representatief waren. Dat alles heeft de RvT niet gedaan. De RvT heeft ook niet gesteld dat de uitkomsten afwijkend waren. Over het medewerkersonderzoek voert de bestuurder aan dat het helemaal niet mogelijk was om dat meerdere keren in te vullen. Ook dat had de RvT kunnen navragen bij het onderzoeksbureau.\n\n2.41.. De RvT baseert zijn conclusie op een door hem zelf uitgevoerd intern onderzoek. Het zou gaan om twee medewerkers. Niet duidelijk is welke medewerkers zijn gehoord en wat zij precies hebben verklaard. De RvT zegt dat hij beschikt over aanvullend bewijs in de vorm van Whatsappberichten tussen een van die medewerkers en diens partner en nog andere documenten. Op basis van die stukken vindt de RvT die verklaringen van die medewerkers geloofwaardig, ondanks de ontkenning van de bestuurder. De bestuurder heeft de stukken waarop de RvT zich baseert, ondanks herhaald verzoek, niet mogen inzien. Ook de rechter kent die stukken niet. De RvT zegt dat dat vanwege privacy is en dat het ook niet nodig is, omdat de bestuurder stellig ontkent dat zij de medewerkers heeft beïnvloed. Volgens de RvT heeft bewijs leveren dan geen zin. Dat standpunt is onjuist en onbegrijpelijk. Het uitgangspunt is juist dat een partij die iets stelt, wat door een ander gemotiveerd wordt betwist, zijn standpunt moet onderbouwen. Van de RvT had dus verwacht mogen worden dat hij de zeer ernstige beschuldigingen aan de bestuurder zou onderbouwen met (eventueel geanonimiseerde) stukken, waarover hij zegt te beschikken. De RvT krijgt geen gelegenheid om die stukken alsnog te overleggen. Daar heeft hij genoeg kans voor gehad. De RvT heeft ook geen andere stukken overgelegd waaruit kan worden afgeleid dat de twee werknemers door de bestuurder zijn beïnvloed. Ook heeft de RvT niet toegelicht dat de uitkomsten daadwerkelijk zijn beïnvloed. Uit het rapport van Kroll blijkt juist dat er lange, open gesprekken met de medewerkers zijn gevoerd. Overigens valt ook niet goed in te zien dat de uitkomst van het Cultuuronderzoek, waarin met meerdere personen in de organisatie is gesproken door het onderzoeksbureau, erg beïnvloed zouden worden doordat de bestuurder twee medewerkers onder druk zou hebben gezet om positief over de organisatie te verklaren. Omdat de RvT zijn stelling onvoldoende heeft onderbouwd, wordt aan bewijslevering niet toegekomen.\n\n2.42.. Het staat ook niet vast dat de bestuurder een medewerker onder druk heeft gezet het medewerkersonderzoek dat is uitgevoerd door onderzoeksbureau Solon in 2024 twee keer in te vullen. De RvT stelt dat, maar de bestuurder betwist dat. Zij voert aan dat Solon heeft gezegd dat het helemaal niet mogelijk is om het onderzoek meerdere keren in te vullen. De RvT heeft haar stelling niet nader onderbouwd, terwijl dat wel op zijn weg had gelegen. De RvT verwijst alleen naar haar eigen interne onderzoek waarin de betreffende medewerker dit zou hebben verklaard, maar enige onderbouwing ontbreekt, evenals relevante stukken. De rechter kan dus niet vaststellen of dit verwijt klopt. De RvT krijgt geen gelegenheid om haar stelling nader te onderbouwen, daar heeft zij genoeg kans voor gehad en niet voldaan aan haar stelplicht.\n\n- Medewerkersonderzoek 2024\n\n2.43.. Niet gebleken is dat de bestuurder de RvT onvoldoende of onjuist heeft ingelicht over de uitkomsten van het medewerkersonderzoek in 2024.\n\n2.44.. De RvT verweet de bestuurder tijdens het drie uur durende hoorgesprek, dat zij het rapport van het medewerkersonderzoek niet met de RvT had gedeeld. De bestuurder heeft dat weerlegd en aangetoond dat zij het rapport op 14 februari 2025 heeft gemaild aan de voorzitter [naam 2] en aan RvT lid [naam 3]. Toen kwam er een nieuw verwijt, dat de bestuurder bijlage 3 bij dat rapport niet had verstrekt, met daarin de antwoorden op de open vragen. De bestuurder heeft erkend dat zij die bijlage niet heeft meegestuurd op 14 februari 2025. Maar tijdens het onderzoek en ook op de zitting heeft de bestuurder uitgelegd dat zij die bijlage op 14 februari 2025 nog niet had. Zij kon die toen dus ook niet doorsturen. De bestuurder verwijst naar haar mail van 14 februari 2025 aan [naam 2] en [naam 3] waarin zij schrijft dat zij het onderzoeksbureau Solon heeft gevraagd om de antwoorden op de open vragen nog in het rapport te verwerken. De bestuurder legt daarin ook uit dat Solon dat aanvankelijk niet gedaan vanwege de vrees tot herleidbaarheid, maar dat zou alsnog worden gedaan. De bestuurder schrijft dat zodra dat er is, zij dit zal doorsturen. De bestuurder heeft bij die mail ook de e-mailcorrespondentie met Solon overgelegd. De RvT heeft nooit gevraagd aan de bestuurder om de bijlage bij het rapport aan hem door te sturen.\n\n2.45.. De bestuurder heeft verder uitgelegd dat de toegevoegde waarde van bijlage 3 beperkt is, omdat de resultaten alsnog waren verwerkt in het rapport. De bestuurder voert verder aan dat de RvT pas in het kader van het vervolg van het onderzoek met het verwijt is gekomen over de bijlage 3. De RvT heeft hier niet naar gevraagd op het moment dat de bestuurder het medewerkersonderzoek mailde in februari 2025 en ook niet op een later moment De RvT heeft tegen al deze argumenten van de bestuurder onvoldoende ingebracht. De voorzitter van de RvT heeft verklaard dat zij vanwege privé omstandigheden niet had gezien dat de bestuurder het onderzoeksrapport had gemaild op 14 februari 2025. Daarom was de e-mail van de bestuurder aan haar aandacht ontsnapt en ging de RvT er in het hoorgesprek vanuit dat het rapport niet aan RvT ter beschikking was gesteld.\n\n2.46.. De RvT maakt de bestuurder ook een verwijt dat zij de uitkomsten van het medewerkersonderzoek niet afzonderlijk met de RvT heeft besproken. Maar de RvT heeft daar ook niet om gevraagd. Verder voert de bestuurder onweersproken aan dat de RvT was uitgenodigd om de presentatie bij te wonen, waar de resultaten besproken zijn en de vervolgestappen met de medewerkers zijn afgesproken. Het was de bedoeling dat de voorzitter van de RvT daar een presentatie zou geven, maar omdat zij verhinderd was heeft RvT-lid [naam 3] dat gedaan. Daarnaast heeft de bestuurder de resultaten verwerkt in het jaarverslag en de managementletters. De RvT heeft hier toen geen vragen over gesteld. Daar zag de RvT kennelijk geen aanleiding voor. De rechter is met het de bestuurder eens dat zij er daarom van uit mocht gaan dat zij de resultaten niet nogmaals afzonderlijk met de RvT hoefde te bespreken.\n\n2.47.. Het staat ook niet vast dat sprake was van een sterke achteruitgang van het welbevinden van de medewerkers. Het verwijt dat de bestuurder deze achteruitgang heeft gebagatelliseerd en in managementletters en het jaarverslag geflatteerd heeft weergegeven is evenmin juist. De bestuurder betwist dat sprake was van een sterke achteruitgang. Volgens onderzoeksbureau Solon was de uitkomst van het medewerkersonderzoek – waaruit een daling naar voren kwam over de mate van medewerkerstevredenheid ten opzichte van het vorige onderzoek – niet ongebruikelijk bij een tweede onderzoek. Er was dus volgens de bestuurder geen reden om aan te nemen dat die achteruitgang te maken had met sociale onveiligheid of cultuurproblemen. De RvT heeft dit verwijt ook niet verder toegelicht of onderbouwd.\n\n- Eenzijdige besluiten bestuurder om reputatie te redden\n\n2.48.. Het staat niet vast dat de bestuurder eenzijdig besluiten heeft doorgedrukt om haar eigen reputatie te redden, met het oog op het artikel in de Volkskrant. De RvT verwijt de bestuurder onder andere dat zij het MT onder druk heeft gezet om een waarschuwingsbrief te tekenen aan een medewerker en dat zij de opening van pakhuis Santos op 25 september 2025 er eenzijdig doorgedrukt heeft.\n\nCasus medewerker B\n\n2.49.. De bestuurder erkent dat zij het voltallige MT heeft gevraagd een waarschuwingsbrief te ondertekenen, die gericht was aan een medewerker. De bestuurder vroeg dat omdat zij wilde dat de brief ‘extra indruk zou maken’ op deze medewerker. De bestuurder heeft uitgelegd dat zij tijdens het Management Development-traject in bijzijn van een externe begeleider heeft gezegd dat zij betreurde dat enkele MT-leden zich kennelijk onder druk gezet hadden gevoeld en dat zij een vergelijkbare situatie in de toekomst zal voorkomen. Volgens de bestuurder was het daarmee uitgesproken. De RvT heeft niet gezegd dat dit voor het MT anders was. De rechter is het met de RvT eens dat het wellicht beter was geweest als de bestuurder het MT hier niet op deze manier in had betrokken. Dat erkent de bestuurder ook. Maar de rechter vindt dat uit het handelen van de bestuurder daarna kan worden afgeleid dat zij open heeft gestaan voor de feedback van MT leden en deze serieus heeft genomen.\n\nOpening Santos\n\n2.50.. Niet gebleken is dat de bestuurder het besluit tot de opening van de nieuwe locatie, Santos, op 25 september 2025 eenzijdig doorgedrukt heeft. De RvT maakt de bestuurder wel dat verwijt, maar dat is niet terecht. De bestuurder heeft verschillende verklaringen overgelegd waaruit blijkt dat er tijdens de vergaderingen van de MT stuurgroepen steeds is besproken of de geplande datum haalbaar was. Uit die verklaringen blijkt ook dat tijdens het MT overleg op 17 juni 2025 de laatste stand van zaken is besproken en dat zowel het MT-lid Hoofd Presentatie & Publieksbereik als het MT-lid Team Actieplan hebben bevestigd dat de planning haalbaar was. Uit een van die verklaringen blijkt ook dat tijdens het overleg voldoende ruimte was om tegengas te geven, maar dat niemand heeft aangegeven dat de planning niet haalbaar was. De RvT heeft tegenover deze verklaringen onvoldoende ingebracht. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de bestuurder op een vraag van de rechter geantwoord dat bovendien wekelijks tijdens de MT-overleggen is gesproken over de planning en de openingsdatum van Santos. Van de MT-overleggen zijn ook steeds verslagen opgemaakt. De RvT heeft die verslagen niet overgelegd en deze stelling van de bestuurder niet gemotiveerd weersproken, zodat de rechter uitgaat van de juistheid van wat de bestuurder op dit punt heeft gesteld. Het is ook niet voorstelbaar dat de bestuurder zo’n belangrijke datum, de verhuizing waar een aantal jaren naartoe is gewerkt en waar allerlei adviseurs bij betrokken waren, er eenzijdig ‘doorheen zou hebben gedrukt’. De RvT is met niets gekomen waaruit blijkt dat dit verwijt terecht is. Dat na het ontslag van de bestuurder besloten is om de verhuizing uit te stellen, betekent nog niet dat de verhuisdatum niet haalbaar was op het moment dat in het MT tot de verhuisdatum werd besloten.\n\n- Weghouden medewerkers bij RvT en de RvT bij PVT?\n\n2.51.. De bestuurder betwist dat zij medewerkers heeft weggehouden bij de RvT doordat zij de RvT heeft afgeschilderd als een groep personen die niet serieus genomen hoefde te worden of de indruk heeft gewekt dat zij goed bevriend was met de voorzitter. De RvT heeft dit niet nader onderbouwd. Ook betwist de bestuurder dat zij de RvT heeft weggehouden bij de PVT. Aanvankelijk was daar volgens de bestuurder inderdaad discussie over, nadat de bestuurder had ontdekt dat RvT-lid [naam 3] zonder dat de bestuurder dit wist, tweemaal overleg had gehad met de PVT. Dat heeft de bestuurder met [naam 3] en de voorzitter RvT besproken. Afgesproken is dat twee keer per jaar een bijeenkomst zou plaatsvinden tussen de RvT en PVT, zonder aanwezigheid van de bestuurder (die wel nadien zou aansluiten). De RvT heeft deze uitleg van de bestuurder niet weersproken. Het is voor de rechter onduidelijk gebleven waarom dit overleg niet van de grond is gekomen, zeker na de ontvangst van de brief van de PVT van 22 februari 2024 (zie hiervoor). De RvT stelt dat er sinds 2023 ‘pittige discussies’ werden gevoerd met de bestuurder hierover, maar heeft geen stukken overgelegd waaruit dat blijkt of verder uitgelegd waarover deze discussies dan zouden zijn gegaan. De bestuurder betwist dat zij de RvT negatief heeft afgeschilderd. Zij voert aan dat de RvT altijd werd uitgenodigd voor bijeenkomsten met medewerkers, maar dat de RvT hier bijna nooit aanwezig was. De RvT heeft geen stukken of verklaringen overgelegd waaruit kan worden afgeleid dat de bestuurder de RvT op een negatieve manier heeft afgeschilderd.\n\n2.52.. Het is naar het oordeel van de rechter eerder zo geweest, dat de RvT op het enkele signaal dat wel bij hen is binnengekomen, geen adequate actie heeft ondernomen om de PVT en\u002Fof de medewerkers zelf te kunnen spreken. Zo heeft de RvT tijdens de mondelinge behandeling verklaard dat naar aanleiding van de brief van de PVT van 22 februari 2024 (zie r.o. 2.26), die ook aan de RvT was gestuurd, er geen concrete stappen door de RvT zijn genomen om met de PVT en\u002Fof de medewerkers hierover in gesprek te gaan. Als het echt zo zou zijn geweest dat zo’n gesprek werd gedwarsboomd door de bestuurder, zoals de RvT lijkt te willen stellen maar niet verder onderbouwt, dan is niet te begrijpen waarom de RvT dit al die tijd heeft laten gebeuren en waarom daarover dan niets staat in de e-mails die tussen de RvT en de bestuurder zijn gewisseld.\n\nGeen duurzaam verstoorde verhouding\n\n2.53.. Voor zover al moet worden aangenomen dat sprake is van een onwerkbare situatie tussen de bestuurder en het MT en andere belangrijke sleutelpersonen, is de rechter van oordeel dat de RvT geen enkele poging heeft gedaan om hiervoor een oplossing te zoeken, anders dan tot ontslag over te gaan.\n\n2.54.. Dat sprake was van een zodanige verstoring dat de samenwerking blijvend onmogelijk was geworden, is naar het oordeel van de rechter in elk geval niet gebleken. De RvT stelt dat tijdens het onderzoek zou zijn gebleken dat de leden van het MT geen vertrouwen meer hebben in een samenwerking met de bestuurder. Ook andere sleutelpersonen hebben volgens de RvT het vertrouwen in de bestuurder opgezegd. De bestuurder betwist dat. Zij voert onweersproken aan dat tijdens het onderzoek helemaal niet met haar is gesproken over een verstoring in de verhouding met MT leden of andere sleutelpersonen. Pas in het ontslagbesluit is dit voor het eerst gezegd. De bestuurder heeft hierop tijdens het onderzoek dus helemaal niet kunnen reageren. De bestuurder betwist dat sprake is van een onwerkbare relatie. Zij weet niet de ‘andere sleutelpersonen’ zijn. De bestuurder voert aan dat de verhouding met het MT goed was tot het moment van de schorsing. De bestuurder wijst onder meer op de steun die zij op 31 mei 2025 kreeg van het MT naar aanleiding van het aangekondigde artikel in de Volkskrant. De bestuurder heeft ook 40 steunbetuigingen overgelegd, waarvan 25 van verschillende medewerkers. Ook legt de bestuurder een Whatsapp-bericht van de voorzitter van de PVT over, waarin zij ook haar steun betuigt aan de bestuurder. De rechter gaat voorbij aan de opmerking van de RvT dat aan de door de bestuurder overgelegde steunbetuigingen weinig waarde worden gehecht, omdat die medewerkers alleen hun steun hebben betuigd om niet verdacht over te komen als de bestuurder eventueel zou terugkeren. Dit blijkt nergens uit en vindt ook geen steun in de grote hoeveelheid steunbetuigingen.\n\n2.55.. De RvT heeft niet concreet gemaakt waaruit de verstoorde relatie verder precies zou bestaan. Zij heeft alleen een niet-ondertekende zeer algemene verklaring van het MT overgelegd, waarin staat dat het MT geen vertrouwen meer heeft in de bestuurder. De rechter vindt dat van de RvT verwacht had mogen worden dat zij meer had toegelicht en met stukken onderbouwd waaruit de gestelde onwerkbare situatie zou bestaan. Dat geldt ook voor de gestelde vertrouwensbreuk met “andere belangrijke sleutelpersonen”. De RvT heeft niet toegelicht om wie het gaat en waaruit de onwerkbare relatie blijkt. Hiernaast is vaste rechtspraak dat van een werkgever kan worden verlangd om stappen te ondernemen om een verstoorde arbeidsverhouding te herstellen, bijvoorbeeld door het inzetten van mediation. Dat is niet eens geprobeerd.\n\nVoor zover er zorgen waren, dan nog geen ontslag\n\n2.56.. Voor zover de RvT kritiek of zorgen had over het leiderschap van de bestuurder of de informatie die zij aan de RvT verstrekte, dan was dit nog geen rechtvaardiging om de bestuurder te ontslaan en haar te behandelen zoals de RvT dat heeft gedaan. Van de RvT had verwacht mogen worden om over hun zorgen met de bestuurder in gesprek te gaan en zo nodig duidelijke afspraken te maken om tot verbetering te komen. Hiernaast mocht van de RvT, zoals hiervoor is overwogen, ook worden verwacht dat hij zich zou inspannen om de gestelde verstoorde relatie te herstellen. Dit alles is niet gebeurd.\n\n2.57.. Hierbij neemt de rechter in aanmerking dat vaststaat dat de bestuurder goede resultaten heeft geboekt. De bestuurder heeft ervoor gezorgd dat de financiële positie van het museum sterk is verbeterd, de interne organisatie is geprofessionaliseerd, nieuwe huisvesting is mogelijk gemaakt en het museum is naar buiten toe (nationaal en internationaal) weer op de kaart gezet. Ook is van belang dat de RvT altijd lovend over de bestuurder is geweest en haar niet eerder heeft aangesproken op haar functioneren. De RvT had in deze omstandigheden andere maatregelen moeten treffen in plaats van te kiezen voor de meest verstrekkende maatregel van ontslag.\n\nWerkgever moet een billijke vergoeding betalen van € 400.000,-\n\n2.58.. Omdat de arbeidsovereenkomst is opgezegd zonder redelijke grond, heeft de bestuurder recht op een billijke vergoeding.Herstel van het dienstverband is juridisch gezien niet mogelijk, aangezien het gaat om het ontslag van een bestuurder van een stichting. De wet biedt geen mogelijkheid om zo’n ontslag te laten vernietigen. De rechter kan alleen een billijke vergoeding toekennen aan een bestuurder, als die onterecht is ontslagen.\n\n2.59.. De Hoge Raad heeft uitgangspunten gegeven voor het bepalen van de hoogte van de billijke vergoeding. De rechter moet bij het bepalen van de billijke vergoeding rekening houden met alle (uitzonderlijke) omstandigheden van het geval. Daarbij kan in aanmerking worden genomen hoe lang de arbeidsovereenkomst nog zou hebben geduurd als het ernstig verwijtbaar handelen of nalaten door de RvT wordt weggedacht. Ook mag rekening worden gehouden met de gevolgen van het ontslag. Het gaat er uiteindelijk om dat de bestuurder wordt gecompenseerd voor het ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever. De rechter vindt in dit geval de gevraagde billijke vergoeding van € 400.000,- bruto, wat ongeveer neerkomt op twee jaarsalarissen, passend. Bij de begroting van dit bedrag houdt de rechter rekening met de volgende omstandigheden.2.60.. De rechter gaat er van uit dat als de arbeidsovereenkomst niet door het ernstig verwijtbaar handelen van werkgever zou zijn geëindigd, deze nog minimaal twee jaar zou hebben voortgeduurd. Er is geen reden om aan te nemen dat de arbeidsovereenkomst eerder zou zijn geëindigd. De bestuurder heeft in de jaren dat zij het museum heeft geleid goede resultaten geboekt en de RvT heeft haar nooit eerder aangesproken op haar leiderschap of op het onvoldoende verstrekken van informatie. De rechter verwerpt het standpunt van de RvT de arbeidsovereenkomst van de bestuurder door de uitkomsten van het onderzoek van Unravelling in ieder geval rechtsgeldig zou kunnen worden opgezegd per 1 juni 2026. Hiervoor is al uitgelegd dat dit onderzoek naar het oordeel van de rechter onvoldoende objectief en feitelijk onderbouwd is en dus geen rechtvaardiging vormt voor een ontslag van de bestuurder.2.61.. De rechter houdt ook rekening met de omstandigheid dat de bestuurder heeft verklaard dat zij sinds haar ontslag geen vergelijkbare positie met een vergelijkbaar inkomen heeft kunnen verwerven en ook niet verwacht dat dit binnen afzienbare termijn zal lukken. De mooie loopbaan van de bestuurder is door het onterechte ontslag tot een abrupt einde gekomen. Volgens de bestuurder is haar verdere (internationale) carrière geruïneerd door alle negatieve publiciteit, die zoals gezegd mede door de onzorgvuldige handelwijze van RvT ten opzichte van de bestuurder verder is gevoed. De RvT heeft hiertegen onvoldoende ingebracht en gelet op de hele gang van zaken is de rechter van oordeel dat dit inderdaad aannemelijk is. De rechter ziet in de gegeven situatie geen aanleiding om de WW-uitkering in mindering te brengen. Zonder het ernstig verwijtbaar handelen van de RvT zou de bestuurder haar WW-rechten nog niet hoeven op te souperen.\n\n2.62.. De rechter neemt ook de mate van het ernstig verwijtbaar handelen van werkgever in aanmerking. De RvT heeft zeer ernstig verwijtbaar gehandeld rondom de schorsing, de onderzoeken en het ontslag en heeft steeds veel te weinig oog gehad voor de belangen van de bestuurder. Het valt de RvT ernstig aan te rekenen dat zij de bestuurder drie maanden voor de geplande opening van Santos abrupt heeft geschorst, zonder eerst in gesprek te gaan en zonder een toelichting te geven over de redenen voor de schorsing. De bestuurder moest direct haar sleutels inleveren, mocht niet meer in het museum komen en geen contact hebben met medewerkers. Erg kwalijk is ook dat aan de bestuurder de toegang tot haar mail is ontzegd, en geweigerd is om haar op een later moment nog toegang tot haar mail te geven, zodat zij zich niet behoorlijk kon verdedigen tegen de forse beschuldigingen. De RvT heeft de bestuurder ook naar buiten toe als een baksteen laten vallen. De RvT heeft direct de Volkskrant geïnformeerd over de schorsing en het statement waarin de RvT eerder steun uitsprak aan de bestuurder, bij de Volkskrant “ingetrokken”. Vooruitlopend op de uitkomsten van het eigen onderzoek heeft de RvT de bestuurder al geïnformeerd dat haar voorgenomen ontslag op 18 juli 2025 op de agenda stond. Dat doet vermoeden dat voor de RvT de uitkomst van het onderzoek al vaststond, zoals de bestuurder ook stelt. Dat de RvT het onderzoek dat leidde tot het ontslag van de bestuurder zelf heeft gedaan en niet een extern bureau hiervoor heeft ingeschakeld, en de wijze waarop dit onderzoek door de RvT is uitgevoerd, was onzorgvuldig, onpartijdig en onvoldoende objectief.\n\n2.63.. De bestuurder heeft ondanks herhaald verzoek geen toegang gekregen tot haar mail en kreeg ook geen nadere uitleg over de beschuldigingen. Vervolgens is zij in een drie uur durend gesprek ondervraagd. Hoewel de bestuurder de gemaakte verwijten vervolgens grotendeels met stukken heeft kunnen weerleggen, heeft de RvT de bestuurder op 18 juli 2025 toch ontslagen. Kennelijk heeft de RvT hoe dan ook niet willen wijken van de op 19 juni 2025 ingezette ramkoers. De rechter sluit niet uit dat het vernietigende artikel in de Volkskrant daarbij een belangrijke rol heeft gespeeld en voor de RvT reden was om de bestuurder ‘voor de bus te gooien’. Bij dit alles heeft de RvT onvoldoende rekening gehouden met de zeer ernstige gevolgen van het ontslag voor de bestuurder, ook door de vele negatieve publiciteit. En er was geen redelijke ontslaggrond. Een billijke vergoeding van € 400.000,- bruto is in de gegeven omstandigheden dan ook gerechtvaardigd.\n\n2.64.. De RvT heeft overigens ook na het ontslag nog een aantal beschadigende acties ondernomen, waarbij onvoldoende rekening gehouden met de gerechtvaardigde belangen van de bestuurder. Hoewel de RvT tegen de bestuurder had gezegd dat hij terughoudend zou zijn met de berichtgeving, heeft de RvT het ontslag de volgende ochtend meteen bekend gemaakt op de website van werkgever, met een zeer gedetailleerd, negatief en beschadigend bericht. Hiervan is ook een pushbericht gestuurd aan 130 personen die zich hadden ingeschreven voor nieuws van het museum. De RvT heeft op de zitting uitgelegd dat het versturen van dat pushbericht niet de bedoeling was, maar zij heeft niets gedaan om de gevolgen te beperken. De RvT heeft ook geen excuses aangeboden. Daarna is de reputatie van de bestuurder nog verder beschadigd door het onderzoek van Unravelling. De uitkomsten van dat onderzoek heeft de RvT gedeeld met alle medewerkers en meerdere stakeholders, waaronder de gemeenteraad en het Ministerie. Het staat vast dat het ontslag van de bestuurder en alle negatieve publiciteit, die verder is gevoed door de handelwijze van de RvT, zeer ernstige en beschadigende gevolgen heeft gehad voor de bestuurder, ook voor haar gezondheid door alle stress die bij de bestuurder is veroorzaakt.\n\n2.65.. Tot slot nog een opmerking over de onderzoekskosten en buitengerechtelijke kosten. De bestuurder heeft gesteld dat als aan haar een billijke vergoeding van € 400.000,- bruto wordt toegekend, zij geen separate vergoeding voor onderzoekskosten en buitengerechtelijke kosten vraagt. Gelet hierop hoeft niet meer te worden beslist over de onderzoekskosten en buitengerechtelijke kosten. \n\nRectificatie\n\n2.66.. De verzochte rectificatie wordt grotendeels toegewezen. De werkgever hoeft in de rectificatie niet de gevraagde excuses en het dankwoord op te nemen. Daarvoor bestaat naar het oordeel van de rechter geen grond. Gelet op de aankondiging van werkgever dat zij voornemens is om het een en ander aan de tekst toe te voegen, als de rectificatie wordt toegewezen, bepaalt de rechter dat het werkgever niet is toegestaan om in de rectificatie een verwijzing te maken naar het onderzoek van Unravelling of anderszins de tekst te wijzigen en\u002Fof iets toe te voegen.\n\nWerkgever moet de volgende tekst plaatsen en niet meer dan dat:\n\n\"De rechtbank Rotterdam heeft bij beschikking d.d. 29 juni 2026 Stichting Nederlands Fotomuseum veroordeeld tot het plaatsen dan wel delen, van de volgende rectificatie:\n\nDe Raad van Toezicht van Stichting Nederlands Fotomuseum verklaart hierbij dat hij ten onrechte [verzoekster] heeft beschuldigd van het herhaaldelijk achterhouden en onjuist presenteren van informatie. De RvT heeft zijn toezichthoudende taak derhalve naar behoren kunnen uitoefenen, ook met betrekking tot het welzijn in de organisatie. De Raad is te overhaast overgegaan tot de schorsing van [verzoekster] en had niet zelf een onderzoek moeten uitvoeren, dat vervolgens heeft geleid tot een ontslag van [verzoekster] op onterechte gronden. Ten onrechte is daarbij het beeld ontstaan dat [verzoekster] onvoldoende zou hebben gezorgd voor een veilige werksfeer in het museum.\"\n\n2.67.. De gevraagde dwangsom wordt toegewezen. De rechter ziet aanleiding om de dwangsom te maximeren op € 100.000,-.\n\nWerkgever moet de proceskosten betalen\n\n2.68.. De proceskosten komen voor rekening van werkgever omdat hij voor het grootste deel ongelijk krijgt. De rechter begroot de kosten die werkgever aan de bestuurder moet betalen op € 331,- aan griffierecht, € 1.766,- aan salaris voor de advocaat en € 189,- aan nakosten. Dit is totaal € 2.286,-. Hier kan nog een bedrag bij komen als de uitspraak wordt betekend.\n\n2.69.. Werkgever hoeft niet de volledige advocaatkosten te vergoeden die de bestuurder heeft gemaakt in het kader van deze procedure, zoals de bestuurder wel vraagt. Dat hoeft namelijk alleen maar als sprake is van buitengewone omstandigheden, zoals misbruik van procesrecht of onrechtmatig procederen. Dit kan niet snel worden aangenomen, omdat iedereen het recht heeft om een zaak te laten beoordelen door de rechter (artikel 6 EVRM).In dit geval zijn er niet zulke buitengewone omstandigheden. Dat werkgever ernstig verwijtbaar heeft gehandeld ten opzichte de bestuurder rechtvaardigt geen volledige proceskostenveroordeling.\n\nDeze beschikking is uitvoerbaar bij voorraad\n\n2.70.. Deze beschikking wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard omdat de bestuurder dat heeft gevraagd en werkgever daar geen bezwaar tegen heeft gemaakt (artikel 288 Rv). Dat betekent dat de beschikking meteen mag worden uitgevoerd, ook als één van de partijen aan een hogere rechter vraagt om de zaak opnieuw te beoordelen.\n\n3. De beslissing\n\nDe rechter:\n\n3.1.. verklaart voor recht dat de RvT ten onrechte is overgegaan tot het ontslag van de bestuurder, waardoor er geen redelijke grond bestaat voor de opzegging van haar arbeidsovereenkomst door werkgever;\n\n3.2.. verklaart voor recht dat (de RvT van) werkgever ernstig verwijtbaar heeft gehandeld door de wijze waarop de schorsing, het onderzoek en het ontslag van de bestuurder tot stand is gekomen;\n\n3.3.. veroordeelt werkgever om aan de bestuurder een billijke vergoeding te voldoen van € 400.000,- bruto, binnen een week na betekening van de beschikking;\n\n3.4.. veroordeelt werkgever om binnen 24 uur na betekening van de beschikking, de in 2.66 genoemde rectificatie – met de daarbij gegeven aanwijzing – te plaatsen op de website van het werkgever als nieuwsbericht, met verzending van een pushbericht aan de abonnees van nieuwsberichten van werkgever, aan alle huidige medewerkers van werkgever en aan alle ex-medewerkers vanaf 2019 aan wie de uitnodiging voor het onderzoek van Unravelling in september 2025 is verstuurd en aan de hoofdredacteur van de landelijke dagbladen Volkskrant, NRC en AD, evenals aan de NOS en het ANP, op straffe van een dwangsom van op straffe van een dwangsom van € 5.000,- per (gedeelte van een) dag dat werkgever hiermee in gebreke is, met een maximum van € 100.000,-;\n\n3.5.. veroordeelt werkgever in de proceskosten, die aan de kant van de bestuurder tot vandaag worden vastgesteld op € 2.286,-;\n\n3.6.. verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;\n\n3.7.. wijst al het andere af.\n\nDeze beschikking is gegeven door rechter mr. C.J. Frikkee en in het openbaar uitgesproken.\n\n3168\n\n Een redelijke grond als bedoeld in artikel 7:669 Burgerlijk Wetboek (BW)\n\n Artikel 7:669 lid 3 onder h BW\n\n Artikel 7:669 lid 3 onder g BW.\n\n Artikel 7:682 lid 3 onder a BW en artikel 7:671 lid 1 onder e BW\n\n Artikel 2:298a lid 1 Burgerlijk Wetboek\n\n Hoge Raad 30 juni 2017, ECLI:NL:HR:2017:1187 (New Hairstyle) en Hoge Raad 30 november 2018, ECLI:NL:HR:2018:2218 (ServiceNow)\n\n Uit Hoge Raad 30 juni 2017, ECLI:NL:HR:2017:1187, volgt overigens ook dat bij het bepalen van de hoogte van de billijke vergoeding met buitengerechtelijke kosten geen rekening kan worden gehouden.\n\n Hoge Raad 15 september 2017, ECLI:NL:HR:2017:2360, 5.3.3 en 5.3.4","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2026:7443","ecli-nl-rbrot-2026-7443",{"courtName":6,"legalDomain":144,"decisionType":22,"procedureType":23},"Civiel recht",{"id":146,"ecli":147,"caseNumber":14,"courtId":5,"courtName":14,"decisionDate":132,"fullText":148,"language":7,"source":17,"sourceUrl":149,"summary":14,"slug":150,"metadata":151},"1647","ECLI:NL:RBROT:2026:7979","Rechtbank RotterdamZittingsplaats Rotterdam\n\nMeervoudige kamer strafzaken\n\nParketnummer: 10-280604-25\n\nDatum uitspraak: 29 juni 2026\n\nDatum zitting: 15 juni 2026\n\nTegenspraak\n\nVerdachte:\n\n [verdachte] ,\n\ngeboren op [geboortedatum] 1973 in [geboorteplaats] ,\n\ningeschreven op het adres [adres] , [postcode] [woonplaats] .\n\nAdvocaat van de verdachte: mr. C.R. Pirone\n\nOfficier van justitie: mr. N. van Manen\n\nKern van het vonnis\n\nDe verdachte heeft kinderporno in zijn bezit gehad. De rechtbank legt een gevangenisstraf op van 151 dagen waarvan 150 dagen voorwaardelijk in combinatie met een taakstraf van 240 uren, zoals geëist door de officier van justitie. De rechtbank legt geen meldplicht en\u002Fof behandelverplichting op in de vorm van bijzondere voorwaarden, omdat de reclassering hiervoor geen mogelijkheden ziet.1. Tenlastelegging\n\nDe officier van justitie beschuldigt de verdachte ervan dat hij – samengevat – op 10 maart 2025 kinderpornografische afbeeldingen in zijn bezit had.\n\nDe volledige beschuldiging (tenlastelegging) houdt in dat:\n\nhij op of omstreeks 10 maart 2025 te Bergschenhoek, althans in Nederland,\n\nmeermalen, althans eenmaal,\n\neen of meer visuele weergaven van seksuele aard en\u002Fof met onmiskenbaar seksuele strekking waarbij een persoon die kennelijk de leeftijd van achttien jaren nog niet had bereikt, te weten een of meer onbekend gebleven personen waren betrokken of schijnbaar waren betrokken\n\nheeft verworven en\u002Fof in bezit heeft gehad en\u002Fof zich daartoe de toegang heeft verschaft\n\nte weten\n\nafbeeldingen en\u002Fof gegevensdragers (te weten een desktop Asus en\u002Fof een mobiele telefoon Samsung Galaxy S23), bevattende afbeeldingen,\n\nwaarop te zien is dat:\n\ndie persoon oraal en\u002Fof anaal wordt gepenetreerd met een penis en\u002Fof vinger\u002Fhand\n\nen\u002Fof\n\neen ander persoon oraal wordt gepenetreerd met een penis door die persoon\n\nen\u002Fof\n\nhet eigen lichaam anaal wordt gepenetreerd met een voorwerp door die persoon (afbeeldingen #01, 02, 03, 04, 05, 06, 08)\n\nen\u002Fof\n\nhet geslachtsdeel en\u002Fof de billen van die persoon met een vinger\u002Fhand en\u002Fof mond\u002Ftong en\u002Fof penis wordt\u002Fworden aangeraakt\n\nen\u002Fof\n\nhet geslachtsdeel en\u002Fof de billen van een ander kind\u002Fpersoon met een vinger\u002Fhand en\u002Fof de mond\u002Ftong en\u002Fof de penis wordt\u002Fworden aangeraakt door die persoon\n\nen\u002Fof\n\ndie persoon het eigen geslachtsdeel met een mond\u002Ftong aanraakt\n\n(afbeeldingen #5, 6, 7, 9, 10, 11, 12, 13)\n\nen\u002Fof\n\ndie persoon poserend of in een pose is afgebeeld, waarbij\n\n- die persoon geheel of gedeeltelijk naakt is en\u002Fof\n\n- door het camerastandpunt nadrukkelijk het geslachtsdeel en\u002Fof billen van die persoon in beeld worden gebracht\n\n(afbeeldingen #14, 15, 18)\n\nen\u002Fof\n\nbij\u002Fop het gezicht en\u002Fof het lichaam van die persoon sperma wordt gespoten en\u002Fof zichtbaar wordt gemaakt\n\n(afbeeldingen #16 en 17).2. Bewijs2.1.. \n\nStandpunt van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld voor het feit.2.2.. \n\nStandpunt van de verdediging\n\nDe verdediging heeft zich voor de bewijsvraag gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.2.3.. Oordeel van de rechtbank2.3.1.. \n\nBewezenverklaring en bewijsmiddelen\n\nBewezen is dat:\n\nhij op 10 maart 2025 te [plaats] ,\n\nvisuele weergaven van seksuele aard en\u002Fof met onmiskenbaar seksuele strekking waarbij een persoon die kennelijk de leeftijd van achttien jaren nog niet had bereikt, te weten een of meer onbekend gebleven personen waren betrokken of schijnbaar waren betrokken\n\nin bezit heeft gehad\n\nte weten\n\ngegevensdragers (te weten een desktop Asus en een mobiele telefoon Samsung Galaxy S23), bevattende afbeeldingen,\n\nwaarop te zien is dat:\n\ndie persoon oraal en\u002Fof anaal wordt gepenetreerd met een penis en\u002Fof vinger\u002Fhand\n\nen\n\neen ander persoon oraal wordt gepenetreerd met een penis door die persoon\n\nen\n\nhet eigen lichaam anaal wordt gepenetreerd met een voorwerp door die persoon (afbeeldingen #01, 02, 03, 04, 05, 06, 08)\n\nen\n\nhet geslachtsdeel en\u002Fof de billen van die persoon met een vinger\u002Fhand en\u002Fof mond\u002Ftong en\u002Fof penis wordt\u002Fworden aangeraakt\n\nen\n\nhet geslachtsdeel en\u002Fof de billen van een ander kind\u002Fpersoon met een vinger\u002Fhand en\u002Fof de mond\u002Ftong en\u002Fof de penis wordt\u002Fworden aangeraakt door die persoon\n\nen\n\ndie persoon het eigen geslachtsdeel met een mond\u002Ftong aanraakt\n\n(afbeeldingen #5, 6, 7, 9, 10, 11, 12, 13)\n\nen\n\ndie persoon poserend of in een pose is afgebeeld, waarbij\n\n- die persoon geheel of gedeeltelijk naakt is en\u002Fof\n\n- door het camerastandpunt nadrukkelijk het geslachtsdeel en\u002Fof billen van die persoon in beeld worden gebracht\n\n(afbeeldingen #14, 15, 18)\n\nen\n\nbij\u002Fop het gezicht en\u002Fof het lichaam van die persoon sperma wordt gespoten en\u002Fof zichtbaar wordt gemaakt\n\n(afbeeldingen #16 en 17).\n\nDe bewezenverklaring is gebaseerd op de inhoud van de bewijsmiddelen. De verdachte heeft het feit bekend en er is geen vrijspraak bepleit. Daarom worden de bewijsmiddelen hieronder wel genoemd maar niet uitgeschreven.\n\nDe verklaring van de verdachte tijdens de zitting van 15 juni 2026.\n\nHet proces-verbaal van bevindingen ‘overname en veiligstellen van inbeslaggenomen goederen’, met documentcode [documentcode 1] uit onderzoek Koraal ( [nummer] ).\n\nHet proces-verbaal beschrijving kinderpornografisch materiaal met bijlagen, met documentcode [documentcode 2] uit onderzoek Koraal.3. Kwalificatie en strafbaarheid3.1.. \n\nKwalificatie\n\nHet bewezen feit levert het volgende strafbare feit op:\n\neen visuele weergave van seksuele aard\u002Fmet een onmiskenbaar seksuele strekking, waarbij een persoon die kennelijk de leeftijd van achttien jaren nog niet heeft bereikt, is betrokken\u002Fschijnbaar is betrokken, in bezit hebben, meermalen gepleegd.\n\n3.2.. \n\nStrafbaarheid van het feit en van de verdachte\n\nHet feit en de verdachte zijn strafbaar.4. Straffen4.1.. \n\nEis van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft geëist dat de verdachte voor het feit wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 151 dagen, waarvan 150 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar en met als bijzondere voorwaarden een meldplicht bij de reclassering en een behandelverplichting bij [zorginstelling] , in combinatie met een onvoorwaardelijke taakstraf van 240 uren, subsidiair 120 dagen hechtenis.4.2.. \n\nStandpunt van de verdediging\n\nDe verdediging heeft verzocht hoogstens een taakstraf, eventueel gecombineerd met een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen, waarbij de verdachte heeft verzocht rekening te houden met de belasting die de taakstraf die hij in een andere zaak uitvoert hem oplevert.4.3.. Oordeel van de rechtbank4.3.1.. \n\nErnst en omstandigheden van het feit\n\nDe verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het bezit van kinderporno. Op zijn gegevensdragers zijn ruim 3.000 visuele weergaven aangetroffen waarop seksuele handelingen te zien zijn met of door minderjarige kinderen. Het bezit van kinderporno is verwerpelijk omdat bij de vervaardiging ervan kinderen seksueel worden misbruikt en geëxploiteerd. Zulk misbruik doorkruist een normale seksuele ontwikkeling en kan voor minderjarigen ernstige gevolgen hebben, waar zij nog lange tijd last van kunnen hebben. Naast het misbruik is het voor slachtoffers ook schadelijk dat de afbeeldingen op het internet lange tijd blijven rondgaan. Door het downloaden en in bezit hebben van kinderporno heeft de verdachte eraan bijgedragen dat het grove seksuele misbruik van kinderen in stand blijft. De verdachte heeft hier geen oog voor gehad.4.3.2.. \n\nPersoon en persoonlijke omstandigheden\n\nUit het strafblad (uittreksel justitiële documentatie) van 1 mei 2026 blijkt dat de verdachte niet eerder onherroepelijk is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten.\n\nIn het rapport van Reclassering Nederland van 12 mei 2026 staat het volgende. Bij een veroordeling adviseert de reclassering een straf zonder bijzondere voorwaarden. Een behandeling wordt niet geadviseerd, omdat er na 2016 geen nieuw strafbaar materiaal op de computer is aangetroffen en er inmiddels tien jaar is verstreken. Daarnaast zijn de risicofactoren beperkt en ziet de reclassering geen mogelijkheden om met interventies of toezicht de risico’s te beperken of het gedrag te veranderen.\n\nDe verdachte heeft zich in november 2025 bij [zorginstelling] gemeld omdat zijn verleden van seksueel (mis)gebruik tussen zijn 15e en 17e levensjaar naar boven kwam door deze zaak. [zorginstelling] heeft daarop op 14 april 2026 bericht dat zij naar aanleiding van het intakegesprek en na zorgvuldig overleg hebben vastgesteld dat zij de verdachte op dit moment geen passende behandeling kunnen bieden, omdat de verdachte geen hulpvraag of lijdensdruk heeft en (een patroon van) delictgedrag ontkent.4.3.3.. \n\nOplegging straffen\n\nGelet op de ernst van het strafbare feit is een gevangenisstraf noodzakelijk. De rechtbank volgt de eis van de officier van justitie, wat maakt dat aan de verdachte een gevangenisstraf zal worden opgelegd voor de duur van 151 dagen waarvan 150 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar. De voorwaardelijke straf heeft als doel te voorkomen dat de verdachte in de toekomst opnieuw een strafbaar feit pleegt. De rechtbank verbindt geen bijzondere voorwaarden aan de voorwaardelijke straf. Gelet op voornoemd advies van de Reclassering worden het nut en de noodzaak hiervan niet ingezien.\n\nGelet op de ernst van het feit legt de rechtbank daarnaast een taakstraf op van 240 uren (subsidiair 120 dagen hechtenis) zoals geëist door de officier van justitie.5. In beslag genomen voorwerpen5.1.. \n\nStandpunt van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft gevorderd dat de in beslag genomen Asus desktop ( [goednummer 1] ) en de Samsung Galaxy S23 telefoon ( [goednummer 2] ) worden onttrokken aan het verkeer. Als de rechtbank zou beslissen tot teruggave aan de verdachte van de Samsung telefoon, dan dient de telefoon eerst te worden teruggezet naar de fabrieksinstellingen, zodat het kinderpornografische materiaal niet aan de verdachte wordt teruggegeven.5.2.. \n\nStandpunt van de verdediging\n\nVerzocht is de in beslag genomen Samsung telefoon aan de verdachte terug te geven omdat het een dure telefoon is.5.3.. Oordeel van de rechtbank5.3.1.. \n\nOnttrekking aan het verkeer\n\nDe rechtbank beslist dat de in beslag genomen Asus desktop en Samsung telefoon worden onttrokken aan het verkeer. Het strafbare feit is met behulp van deze voorwerpen gepleegd en het ongecontroleerde bezit daarvan is in strijd met de wet, omdat hierop kinderpornografisch materiaal staat. De rechtbank ziet in hetgeen de verdediging heeft aangevoerd onvoldoende aanleiding om de Samsung telefoon aan de verdachte terug te geven.6. Wettelijke voorschriften\n\nDe oplegging van deze straffen en maatregel is gebaseerd op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36b, 36c, 57, 63 en 252 van het Wetboek van Strafrecht.7. Beslissingen\n\nDe rechtbank:\n\nBewezenverklaring\n\nverklaart bewezen dat de verdachte het feit, zoals in hoofdstuk 2 is omschreven, heeft gepleegd;\n\nKwalificatie en strafbaarheid\n\nstelt vast dat het bewezenverklaarde oplevert het in hoofdstuk 3 vermelde strafbare feit;\n\nverklaart de verdachte strafbaar;\n\nStraffen\n\nGevangenisstraf\n\nveroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf van 151 (honderdeenenvijftig) dagen;\n\nVoorwaardelijk strafdeel\n\nbepaalt dat 150 (honderdvijftig) dagen van deze gevangenisstrafniet ten uitvoer zullen worden gelegd, tenzij de rechter later anders beslist;\n\nverbindt hieraan een proeftijd, die wordt gesteld op 2 (twee) jaar, waarbij tot tenuitvoerlegging van het voorwaardelijke gedeelte van de straf kan worden beslist als de verdachte zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit schuldig maakt;\n\nTaakstraf\n\nveroordeelt de verdachte tot een taakstraf van 240 (tweehonderdveertig) uur, waarbij de reclassering bepaalt uit welke werkzaamheden deze taakstraf zal bestaan;\n\nbeveelt dat, voor het geval de verdachte de taakstraf niet (goed) verricht, vervangende hechteniszal worden toegepast voor de duur van 120 (honderdtwintig) dagen;\n\nIn beslag genomen voorwerpen\n\nverklaart voor het feit onttrokken aan het verkeer: Asus desktop ( [goednummer 1] ) en Samsung Galaxy S23 telefoon ( [goednummer 2] ).8. Samenstelling rechtbank en ondertekening\n\nDit vonnis is gewezen door:\n\nmr. A.J.P. van Essen, voorzitter,\n\nen mrs. L. den Teuling en A.J. van der Velden, rechters,\n\nin tegenwoordigheid van mrs. M.M. Dijk en E. Naaijen-van Kleunen, griffiers,\n\nen uitgesproken op de openbare zitting van deze rechtbank op 29 juni 2026.\n\nMrs. A.J. van der Velden en E. Naaijen-van Kleunen zijn niet in de gelegenheid dit vonnis te ondertekenen.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2026:7979","ecli-nl-rbrot-2026-7979",{"courtName":6,"legalDomain":40,"decisionType":22,"procedureType":23},{"id":153,"ecli":154,"caseNumber":14,"courtId":5,"courtName":14,"decisionDate":132,"fullText":155,"language":7,"source":17,"sourceUrl":156,"summary":14,"slug":157,"metadata":158},"1649","ECLI:NL:RBROT:2026:8014","Rechtbank Rotterdam\n\nParketnummer: 10-092585-24\n\nDatum uitspraak: 29 juni 2026\n\nBeslissing van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, naar aanleiding van een onderzoek als bedoeld in artikel 6:6:14 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) in de zaak tegen de veroordeelde:\n\n [verdachte] ,\n\ngeboren te [geboorteplaats] ( [geboorteland] ) op [geboortedatum] 1995,\n\ningeschreven in de basisregistratie personen op het adres:\n\n [adres] , [postcode] [woonplaats] ,\n\nverblijvende in de PI [naam P.I.]\n\nraadsman mr. F.G.J. Staals, advocaat te Amsterdam.\n\n1. Inleiding\n\nBij vonnis van deze rechtbank van 12 juni 2024 is aan de veroordeelde opgelegd de maatregel tot plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders (hierna: ISD-maatregel) voor de duur van twee jaren.\n\n2. Procesverloop\n\nOp 20 maart 2026 heeft de griffie van de rechtbank een verzoek ontvangen tot een tussentijdse beoordeling van de noodzaak van de voortzetting van de tenuitvoerlegging van de ISD-maatregel, als bedoeld in artikel 6:6:14, eerste lid, Sv.\n\nIn het dossier bevindt zich verder een Verklaring omtrent de stand van uitvoering van het plan van aanpak van de veroordeelde tot de ISD-maatregel van de directeur van de inrichting waar de veroordeelde verblijft van 11 juni 2026.\n\nDe zaak is behandeld op de openbare terechtzitting van 15 juni 2026. De officier van justitie mr. D.D.B. Reuter, de veroordeelde en zijn raadsman zijn gehoord. Als deskundige is gehoord [deskundige] , als casemanager ISD verbonden aan de inrichting waar de veroordeelde verblijft.\n\n3. Standpunten van partijen\n\nDe officier van justitie heeft geconcludeerd tot voortzetting van de ISD-maatregel.\n\nDe veroordeelde en de raadsman hebben zich over de voortduring van de ISD-maatregel gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. Door hen is – zakelijk weergegeven – aangevoerd dat er geen daadwerkelijke concrete invulling wordt gegeven aan het traject dat ziet op de uitstroom naar Begeleid Wonen zoals gewenst door de veroordeelde. De veroordeelde verzoekt de rechtbank daarom om daar door middel van een tussentijdse beoordeling verandering in te brengen.\n\n4. Beoordeling\n\nDe rechtbank begrijpt dat de veroordeelde een wijziging van de invulling van de ISD-maatregel zou verkiezen. De wet biedt deze mogelijkheid echter niet. Ter beoordeling staat enkel of voortzetting van de tenuitvoerlegging van de ISD-maatregel is vereist of dat deze maatregel kan worden beëindigd. Bij de beoordeling of de ISD-maatregel kan worden beëindigd dient de rechtbank als eerste na te gaan of opheffing van de maatregel zal leiden tot te verwachten onveiligheid, ernstige (drugs)overlast en verloedering van het publieke domein. Als dat zo is, moet bezien worden of verdere voortzetting van de maatregel niet zinvol is door omstandigheden die buiten de macht van de veroordeelde liggen.\n\nDe rechtbank oordeelt dat de noodzaak tot voortzetting van de maatregel in de zaak van de veroordeelde nog steeds bestaat. Daarbij is onder meer gelet op voornoemde Verklaring omtrent de stand van uitvoering van het plan van aanpak van de veroordeelde tot de ISD-maatregel, waarin wordt geadviseerd de maatregel voort te zetten. Het is belangrijk dat er met de veroordeelde, naast de huidige middelenbehandeling en zijn motivatie om abstinent te blijven van harddrugs, wordt gewerkt aan de overige beschermende factoren. Zo is het belangrijk dat de veroordeelde een passende woonplek krijgt, waar de juiste zorg wordt geboden.\n\nDe rechtbank heeft ter zitting begrepen dat in de zaak van de veroordeelde ook in de laatste fase van de tenuitvoerlegging van de ISD-maatregel nog steeds actief wordt gewerkt aan het behalen van de doelen van de ingezette (behandel)trajecten. De rechtbank wijst er daarbij op dat de keuzemogelijkheden voor de veroordeelde daarbij, in het bijzonder in het kader van het vinden van een passende woonplek, niet onbegrensd zijn.\n\nVoortzetting van de tenuitvoerlegging van de ISD-maatregel is daarom nog altijd noodzakelijk en zinvol. Er is geen grond om tot beëindiging van de maatregel over te gaan.\n\n5. Beslissing\n\nDe rechtbank:\n\nbeslist dat de tenuitvoerlegging van de maatregel van plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders wordt voortgezet.\n\nDeze beslissing is gegeven door:\n\nmr. A.J.P. van Essen, voorzitter,\n\nen mr. L. den Teuling en mr. A.J. van der Velden, rechters,\n\nin tegenwoordigheid van mr. M.M. Dijk en mr. E. Naaijen-van Kleunen, griffiers,\n\nen in het openbaar uitgesproken op 29 juni 2026.\n\nMrs. A.J. van der Velden en E. Naaijen-van Kleunen zijn niet in de gelegenheid dit vonnis te ondertekenen.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2026:8014","ecli-nl-rbrot-2026-8014",{"courtName":6,"legalDomain":40,"decisionType":22,"procedureType":23},{"id":160,"ecli":161,"caseNumber":14,"courtId":5,"courtName":14,"decisionDate":162,"fullText":163,"language":7,"source":17,"sourceUrl":164,"summary":14,"slug":165,"metadata":166},"819","ECLI:NL:RBROT:2026:7461","2026-06-26T00:00:00.000Z","RECHTBANK ROTTERDAM\n\nlocatie Rotterdam\n\nzaaknummer: 11426273 CV EXPL 24-29911\n\ndatum uitspraak: 26 juni 2026\n\nVonnis van de kantonrechter\n\nin de zaak van\n\n [bedrijf 1] B.V.,\n\nvestigingsplaats: [plaats 1] ,\n\neiseres,\n\ngemachtigde: mr. G.H. Kroon,\n\ntegen\n\n [bedrijf 2] B.V., tevens handelend onder de naam[handelsnaam],\n\nvestigingsplaats: [plaats 2] ,\n\ngedaagde,\n\nvoormalig gemachtigde: mr. I. Rhodes.\n\nDe partijen worden hierna ‘ [eiseres] ’ en ‘ [gedaagde] ’ genoemd.\n\n1. De procedure1.1.. Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:\n\nde dagvaarding van 7 november 2024, met bijlagen 1 t\u002Fm 9;\n\nhet antwoord;\n\nde brief van 18 februari 2026 van mr. Rhodes, waarbij hij zich als gemachtigde van [gedaagde] onttrekt;\n\nde brief van 15 mei 2026 met bijlage 10 van de kant van [eiseres] .\n\n1.2.. Op 28 mei 2026 is de zaak tijdens een zitting besproken. Daarbij waren [persoon A] (directeur van [eiseres] ) en mr. Kroon aanwezig. Ook [gedaagde] was voor de zitting uitgenodigd, maar van haar kant is niemand verschenen zonder enig bericht.\n\n2. De beoordeling\n\nWaar gaat de zaak over?\n\n2.1.. \n [eiseres] eist € 12.500,00 van [gedaagde] . [eiseres] baseert die eis op een contract dat zij heeft gesloten op 19 januari 2024. Volgens [eiseres] is [gedaagde] gebonden aan het in dat contract opgenomen relatiebeding en dient zij op grond daarvan te worden veroordeeld tot betaling van een boete en bijkomende kosten. [gedaagde] betwist dat. De kantonrechter geeft [gedaagde] gelijk en wijst de eis af.\n\n [gedaagde] is niet gebonden aan het contract van [eiseres]\n\n2.2.. \n [eiseres] kan [gedaagde] niet aanspreken op basis van het contract. In de weg staat dat het contract niet door [gedaagde] is gesloten en, voor zover het contract zou zijn gesloten in naam van [gedaagde] , er geen sprake is van de schijn van vertegenwoordigings-bevoegdheid. Dat wordt hierna uitgelegd.\n\n2.3.. Het contract waar [eiseres] de eis op baseert, is volgens de tekst die in de kop van het contract staat, gesloten met:\n\n“ [opdrachtnemer] , kantoorhoudende te [plaats 2] ( [postcode] ) aan de\n\n [adres] ,dezen handelend onder de naam [handelsnaam]\n\ningeschreven in het handelsregister onder nummer KVK : [kvk-nummer] hierna te noemen ‘opdrachtnemer’.”\n\nHet KvK-nummer is van [gedaagde] , maar de handelsnaam is onjuist. De geregistreerde handelsnaam van [gedaagde] is ‘ [bedrijf 2] ’. Ook het adres dat wordt genoemd, is niet het adres van [gedaagde] dat in het handelsregister staat geregistreerd. Uit het handelsregister blijkt evenmin dat [opdrachtnemer] bevoegd was [gedaagde] te vertegenwoordigen.\n\nDe bepalingen van het contract duiden er daarnaast op dat [opdrachtnemer] werkzaam is als zelfstandige op het gebied van beveiliging en dat [eiseres] hem inhuurt om als zelfstandige beveiligingswerkzaamheden te doen. De directeur van [eiseres] heeft tijdens de zitting ook bevestigd dat hij [opdrachtnemer] als zelfstandige wilde inhuren. Weliswaar stelt [eiseres] dat zij [opdrachtnemer] heeft willen inhuren als zelfstandige onder zijn bedrijfsnaam – daarmee kennelijk doelend op “ [handelsnaam] ” – maar die bedrijfsnaam is niet dezelfde als de handelsnaam van [gedaagde] . De kantonrechter houdt het er daarom voor dat het contract is gesloten door [opdrachtnemer] en niet door [gedaagde] .\n\n2.4.. Voor zover aan het voorgaande voorbij zou moeten worden gegaan en het ervoor zou moeten worden gehouden dat het contract in naam van [gedaagde] is gesloten door [opdrachtnemer] , is [gedaagde] niet gebonden aan het contract. Er is namelijk geen sprake van de schijn van vertegenwoordigingsbevoegdheid (artikel 3:61 lid 2 BW). Enig handelen van [gedaagde] als pseudo-volmachtgever op basis waarvan [eiseres] erop heeft mogen vertrouwen dat [opdrachtnemer] bevoegd was om [gedaagde] te vertegenwoordigen, ontbreekt namelijk. [eiseres] stelt weliswaar terecht dat ook in een niet-doen van de pseudo-volmachtgever een schijn van vertegenwoordigingsbevoegdheid besloten kan liggen, maar in dit geval is dat niet voldoende. Nergens blijkt namelijk uit dat [gedaagde] ervan op de hoogte was, laat staan dat zij ermee instemde, dat [opdrachtnemer] een contract met [eiseres] sloot in haar naam. [eiseres] heeft het in de dagvaarding wel over mailberichten van [eiseres] aan [gedaagde] waarop [gedaagde] geen rectificatie of reactie heeft gestuurd, maar die mails zitten niet in het dossier en ook heeft [eiseres] niet uitgelegd wat voor mails het betreft. Het had op de weg van [eiseres] gelegen om die mails in de procedure te overleggen, maar dat is niet gebeurd. Dat [opdrachtnemer] een mailadres van [gedaagde] heeft gebruikt om een mail te sturen naar een opdrachtgever van [eiseres] is ook onvoldoende voor het aannemen van de schijn van vertegenwoordigingsbevoegdheid. Niet alleen betreft het slechts een handelen van de pseudo-gevolmachtigde zelf en niet van de pseudo-volmachtgever, ook betreft het geen mail aan [eiseres] . Dat [opdrachtnemer] het mailadres heeft gebruikt, laat zich mogelijk verklaren door de stelling van [eiseres] dat [opdrachtnemer] een relatie heeft (gehad) met de eigenaar van [gedaagde] , maar ook dat is onvoldoende om te kunnen oordelen dat [eiseres] er op heeft mogen vertrouwen dat [opdrachtnemer] bevoegd was om [gedaagde] te vertegenwoordigen.\n\nDe eisen worden afgewezen\n\n2.5.. De gevorderde contractuele boete is niet toewijsbaar, omdat [eiseres] [gedaagde] niet kan aanspreken op basis van het contract. De daarbij gevorderde rente en incassokosten zijn daarom ook niet toewijsbaar.\n\n [eiseres] moet de proceskosten betalen\n\n2.6.. De proceskosten komen voor rekening van [eiseres] , omdat zij ongelijk krijgt (artikel 237 Rv). De kantonrechter begroot de kosten die [eiseres] aan [gedaagde] moet betalen op € 432,00 aan salaris voor de gemachtigde (1 punt x € 432,00), omdat de voormalige gemachtigde van [gedaagde] het antwoord heeft ingediend voordat die zich heeft onttrokken. Bij deze kosten kan nog een bedrag komen als dit vonnis wordt betekend.\n\n3. De beslissing\n\nDe kantonrechter:\n\n3.1.. wijst de eis af;\n\n3.2.. veroordeelt [eiseres] in de proceskosten, die aan de kant van [gedaagde] worden begroot op € 432,00;\n\n3.3.. wijst al het andere af.\n\nDit vonnis is gewezen door kantonrechter mr. F. Aukema-Hartog en in het openbaar uitgesproken.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2026:7461","ecli-nl-rbrot-2026-7461",{"courtName":6,"legalDomain":144,"decisionType":22,"procedureType":23}]