[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"court-tilburg":3},{"court":4,"decisions":10},{"id":5,"name":6,"country":7,"level":8,"jurisdiction":9},76,"Tilburg","nl","first_instance","civil",[11,24,31,40,49,56,65,72],{"id":12,"ecli":13,"caseNumber":14,"courtId":5,"courtName":14,"decisionDate":15,"fullText":16,"language":7,"source":17,"sourceUrl":18,"summary":14,"slug":19,"metadata":20},"983","ECLI:NL:RBZWB:2026:6066","","2026-06-15T00:00:00.000Z","RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT\n\nToezicht\n\nLocatie Tilburg\n\ntoezichtnummer\n\n:\n\nNL:TZ:0000045431:B001\n\nCBM-nummer\n\n:\n\nBM11365\n\nbeschikkingsnummer\n\n:\n\n002\n\ndatum\n\n:\n\n15 juni 2026Beschikking van de kantonrechter\n\n op verzoek van:\n\n [bewindvoerder],\n\nhandelend onder de naam [bewindvoerderskantoor], [adres], Kamer van Koophandel-nummer [kvk-nummer],\n\nhierna te noemen: bewindvoerder,\n\n met betrekking tot:\n [betrokkene], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1984, wonende op een bij de kantonrechter bekend geheim adres,\n\nhierna te noemen: betrokkene.\n\nProcedure\n\nDe kantonrechter heeft kennisgenomen van: - het verzoek (met bijlagen), ontvangen op 13 oktober 2025,\n\n- de nadere informatie, ontvangen op 29 oktober 2025.\n\nDe kantonrechter heeft op grond van de ontvangen informatie afgezien van een mondelinge behandeling.\n\nVerzoek en beoordeling\n\nDe bewindvoerder vraagt handhaving van de beloning voor haarwerkzaamheden volgens artikel 3 lid 2 sub b voor de periode 1 november 2025 tot en met 31 oktober 2026.\n\nHet gaat in deze zaak om een betrokkene die met ingang van 1 november 2025 schuldenvrij is omdat er eenmalig een uitdeling aan de schuldeisers is gedaan op basis van het vermogen van betrokkene. Er loopt geen saneringstraject, maar de schuldeisers nemen feitelijk genoegen met het gegeven dat hun schuld niet kan worden afbetaald en gaan akkoord met een eenmalige uitdeling. Betrokkene is daarmee na acceptatie van de eenmalige uitdeling per direct schuldenvrij geworden.\n\nHet is de kantonrechter ambtshalve bekend dat deze halvering van de looptijd een belangrijke inkomstenderving betekent voor bewindvoerders van personen met problematische schulden. In de praktijk concentreren de werkzaamheden bij bewinden met problematische schulden zich met name in de eerste maanden na aanvang van het bewind. In die eerste periode stond de hoogte van de beloning niet in verhouding tot de werkzaamheden, maar doordat het bewind in de regel daarna nog (tenminste) drie jaar duurde, was de beloning over de gehele periode van drie jaar wel in balans. Doordat die periode door de wetswijziging met de helft is verkort, is deze balans onder druk komen te staan. Dit effect wordt versterkt door de werkwijze bij een nul-aanbod en een eenmalige uitdeling. Na acceptatie van de eenmalige uitdeling is er geen sprake meer van problematische schulden en evenmin van een lopend schuldentraject met een uitzicht op een schuldenvrije situatie na afloop van dit traject. Strikt genomen betekent dit dat na acceptatie van de eenmalige uitdeling er geen recht meer bestaat op de hogere beloning voor werkzaamheden in verband met de problematische schulden.\n\nDe kantonrechter stelt vast dat de bewindvoerder in deze situatie van een eenmalige uitdeling in de aanloop tot het moment dat betrokkene schuldenvrij is dezelfde werkzaamheden verricht als eerder voor invoering van de verkorting van de termijn van drie naar anderhalf jaar. Dat komt er doorgaans op neer dat de eerste maanden inkomsten, uitgaven en schulden worden geïnventariseerd en de casus wordt voorgelegd aan de afdeling binnen de gemeente belast met schuldhulpverlening. Hiervan uitgaande komt dit er op neer dat de bewindvoerder in de regel bij een nul-aanbod niet 36, noch 18 maar slechts (circa) zes maanden de hogere beloning in rekening kan brengen. Met de opkomst van de verkorting van de schuldenregeling en het nul-aanbod is geen rekening gehouden in de Regeling beloning en in de Aanbevelingen meerderjarigenbewind.\n\nGelet hierop is de kantonrechter van oordeel dat het uitgangspunt dat de hogere beloning bij problematische schulden eindigt op het moment dat betrokkene schuldenvrij is, omdat de eenmalige uitdeling is geaccepteerd onvoldoende recht doet aan de systematiek van de Regeling beloning en de wijze waarop deze in de afgelopen jaren door kantonrechters is toegepast.\n\nDe kantonrechter is van oordeel dat, nu betrokkene schuldenvrij is, het verzoek van de bewindvoerder afwezen dient te worden en zal -ambtshalve- de beloning vanaf 1 november 2025 vaststellen volgens artikel 3 lid 2 sub a van de Regeling beloning curatoren, bewindvoerders en mentoren.\n\nAangezien in het meeste werk zich in het voortraject van een schuldregeling bevindt zal de kantonrechter aan de bewindvoerder -ambtshalve- een maximale en eenmalige extra beloning van 7,5 uur (op basis van de extra beloning van 5 uur per jaar) toekennen.\n\nBeslissing\n\nDe kantonrechter:\n\nwijst het verzoek van de bewindvoerder af;\n\nstelt -ambtshalve- de maandelijkse beloning van de bewindvoerder met ingang van 1 november 2025 vast volgens artikel 3 lid 2 sub a van de Regeling beloning curatoren, bewindvoerders en mentoren;\n\nkent -ambtshalve- aan de bewindvoerder een eenmalige extra beloning toe van 7,5 uur á € 82,50 (exclusief BTW) per uur, derhalve totaal € 618,75 (exclusief BTW).\n\nDeze beschikking is gegeven door mr. Dijkman, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 15 juni 2026.\n\nTegen deze beschikking kan -uitsluitend door tussenkomst van een advocaat- hoger beroep worden ingesteld bij het Gerechtshof 's-Hertogenbosch: a. door de verzoeker en degenen aan wie een afschrift van deze beschikking (digitaal) is verstrekt of verzonden binnen drie maanden na de dag van de uitspraak; b. door andere belanghebbenden binnen drie maanden na betekening daarvan of nadat deze beschikking hun op andere wijze bekend is geworden.","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:6066","ecli-nl-rbzwb-2026-6066",{"courtName":6,"legalDomain":21,"decisionType":22,"procedureType":23},"Civiel recht; Personen- en familierecht","uitspraak","Uitspraak",{"id":25,"ecli":26,"caseNumber":14,"courtId":5,"courtName":14,"decisionDate":15,"fullText":27,"language":7,"source":17,"sourceUrl":28,"summary":14,"slug":29,"metadata":30},"982","ECLI:NL:RBZWB:2026:5919","RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT\n\nToezicht\n\nLocatie Tilburg\n\ntoezichtnummer\n\n:\n\nNL:TZ:0000298976:B001\n\nCBM-nummer\n\n:\n\nBM15347\n\nbeschikkingsnummer\n\n:\n\n003\n\ndatum\n\n:\n\n15 juni 2026Beschikking van de kantonrechter\n\n op verzoek van:\n\nBest Bewindvoering B.V., correspondentieadres: Postbus 321, 5000 AH Tilburg, Kamer van Koophandel-nummer 58447733,\n\nhierna te noemen: verzoeker,\n\n met betrekking tot:\n [betrokkene], geboren te [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedag] 1991, volgens BasisRegistratie Personen ingeschreven op het [adres], maar zonder bij de kantonrechter een bekende woon- of verblijfplaats, hierna te noemen: betrokkene.\n\nProcedure\n\nDe kantonrechter heeft kennisgenomen van: - het verzoek (met bijlage), ontvangen op 20 mei 2026,\n\n- de nadere informatie, ontvangen op 8 juni 2026.\n\nDe kantonrechter heeft op grond van de ontvangen informatie afgezien van een mondelinge behandeling.\n\nBeoordeling\n\nVerzoeker vraagt om een beloning toe te kennen voor de ontruiming van de woning van betrokkene.\n\nDe door verzoeker verrichte werkzaamheden voldoen aan de in de aanbevelingen meerderjarigenbewind genoemde voorwaarden. Het verzoek zal worden toegewezen.\n\nBeslissing\n\nDe kantonrechter wijst het verzoek toe en stelt de aanvullende vergoeding voor het ontruimen van de woning van betrokkene vast conform de Regeling beloning curatoren, bewindvoerders en mentoren, voor 2026 groot € 478,00.\n\nDeze beschikking is gegeven door mr. Speekenbrink, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 15 juni 2026.\n\nTegen deze beschikking kan -uitsluitend door tussenkomst van een advocaat- hoger beroep worden ingesteld bij het Gerechtshof 's-Hertogenbosch: a. door de verzoeker en degenen aan wie een afschrift van deze beschikking (digitaal) is verstrekt of verzonden binnen drie maanden na de dag van de uitspraak; b. door andere belanghebbenden binnen drie maanden na betekening daarvan of nadat deze beschikking hun op andere wijze bekend is geworden.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:5919","ecli-nl-rbzwb-2026-5919",{"courtName":6,"legalDomain":21,"decisionType":22,"procedureType":23},{"id":32,"ecli":33,"caseNumber":14,"courtId":5,"courtName":14,"decisionDate":34,"fullText":35,"language":7,"source":17,"sourceUrl":36,"summary":14,"slug":37,"metadata":38},"978","ECLI:NL:RBZWB:2026:5256","2026-06-10T00:00:00.000Z","RECHTBANKZEELAND-WEST-BRABANT\n\nCiviel recht\n\nKantonrechter\n\nZittingsplaats Tilburg\n\nZaaknummer: 11871712 \\ CV EXPL 25-4436\n\nVonnis van 10 juni 2026\n\nin de zaak van\n\n1. [eiser 1] ,\n\nte [plaats] , 2. [eiser 2],\n\nte [plaats] ,\n\neisende partijen,\n\nhierna samen te noemen: [eisers] ,\n\nprocederend in persoon,\n\ntegen\n\n1. [gedaagde 1] ,\n\nte [plaats] , 2. [gedaagde 2],\n\nte [plaats] ,\n\ngedaagde partijen,\n\nhierna samen te noemen: [gedaagden] ,\n\ngemachtigde: [gemachtigde] .\n\n1. De procedure\n\n1.1.. Het verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- de dagvaarding van 4 augustus 2025;\n\n- de akte van 28 augustus 2025 met eiswijziging van [eisers] ; - de conclusie van antwoord van 15 oktober 2025; - de akte rectificatie van [gedaagden] ; - de akte van [eisers] van 29 oktober 2025;\n\n- de akte met eiswijziging van [eisers] van 11 november 2025;\n\n- de mondelinge behandeling van 7 mei 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt;\n\n- het proces-verbaal van de descente d.d. 7 mei 2026.\n\n1.2.. Ten slotte is vonnis bepaald.\n\n2. De feiten\n\n2.1.. \n [eisers] en [gedaagden] zijn buren van elkaar. [eisers] is sinds 2019 eigenaar van het perceel aan de [adres 1] te [plaats] . [gedaagden] is sinds 1973 eigenaar van het perceel aan de [adres 2] te [plaats] .\n\n2.2.. Zowel de voortuinen als de achtertuinen van beide percelen grenzen aan elkaar. Ter verduidelijking wordt hieronder een uitsnede van de kadastrale kaart weergegeven:\n\n[uitsnede kadastrale kaart]\n\n2.3.. De rechtsvoorganger van [eisers] heeft in 2004 aan zijn woning in de achtertuin een aanbouw geplaatst. Deze is ingetekend op de kadastrale kaart.\n\n2.4.. De woning van [gedaagden] heeft ook een aanbouw, die is ingetekend op de kadastrale kaart. Aansluitend aan deze aanbouw, in de noordwestelijke hoek van het perceel, staat een garage. Deze is niet ingetekend op de kaart. De garage is in 1976 gebouwd en staat gedeeltelijk op het perceel van [eisers] ( [subperceel] ). De aanbouw is gebouwd in 2005. Bij het plaatsen van de aanbouw is een strook dakleer over de daktrim van [adres 1] aangebracht om lekkages te voorkomen. [eisers] kijkt vanuit zijn tuin uit op de muur van zowel de garage als de aanbouw van [gedaagden] .\n\n2.5.. In de voortuin van [gedaagden] staan binnen twee meter van de erfgrens een bolcatalpa en een taxus.\n\n3. Het geschil\n\n3.1.. \n [eisers] vordert – zoals tijdens de zitting is besproken en de kantonrechter uit de stukken heeft begrepen – samengevat:\n\nI. [gedaagden] te veroordelen tot verwijdering van de dakbedekking voorbij de perceelgrens, voor het geval dit anders zou leiden tot het verkrijgen van eigendom van de onderliggende muur door verjaring;\n\nII. [gedaagden] te veroordelen in de helft van de kosten van het Kadaster, zowel ten aanzien van de kosten die al zijn gemaakt als de nog te maken kosten voor het inmeten van de perceelgrens tot aan de garage;\n\nIII. [gedaagden] te veroordelen tot verwijdering van de taxus en bolcatalpa in de voortuin tot een maximale hoogte van 1 meter, binnen twee maanden;\n\nIV. [gedaagden] te veroordelen tot betaling van een vergoeding van € 400,00 in verband met buitengerechtelijke kosten en schade;\n\nV. [gedaagden] te veroordelen in de proceskosten;\n\nVI. Voor recht te verklaren dat de (verhoogde) scheidingsmuur tot aan de garage het mede-eigendom is van [eisers] ;\n\nVII. [gedaagden] te veroordelen tot het periodiek – in ieder geval elke 5 jaar – laten uitvoeren van schilderwerk aan de garagemuur, bij gebreke waarvan [eisers] dit zelf mag doen;\n\nVIII. Te verklaren voor recht dat het subperceel aangeduid met nummer [subperceel] door verjaring het eigendom is geworden van [gedaagden] en dat dit door de kantonrechter kenbaar wordt gemaakt aan het Kadaster;\n\nIX. [gedaagden] te veroordelen tot betaling van een nader te bepalen bedrag (maximaal € 100,00) wegens emotionele schade, met nakosten en de kosten voor verwijdering van de bomen door derden;\n\nX. Een dwangsom te koppelen aan de verwijdering van de bomen in de voortuin.\n\n3.2.. Ter onderbouwing van zijn vorderingen wijst [eisers] op de discussie die tussen partijen bestaat over de erfgrens en het eigendom van de scheidingsmuur tot aan de garage. Ook over periode waarin de bomen in de voortuin zijn geplaatst, zijn partijen het niet eens.\n\n3.3.. \n [gedaagden] vindt dat de vorderingen van [eisers] afgewezen moeten worden, met veroordeling van [eisers] in de kosten van de procedure.\n\n3.4.. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.\n\n4. De beoordeling\n\n [gedaagden] hoeft de dakbedekking niet te verwijderen\n\n4.1.. Allereerst ligt de vraag voor of [gedaagden] gehouden is een deel van zijn dakbedekking te verwijderen. [eisers] stelt dat [gedaagden] voor het aanbrengen van de dakbedekking op het dak van zijn aanbouw gebruikt heeft gemaakt van het dak van [eisers] . [eisers] vordert in deze procedure verwijdering van die dakbedekking, voor zover dit anders zou leiden tot het verkrijgen van het eigendom van de onderliggende muur door [gedaagden] .\n\n4.2.. \n [gedaagden] heeft erkend dat hij bij de bouw van de aanbouw een strook dakleer over de daktrim van [eisers] heeft gelegd. Dit was volgens hem noodzakelijk om lekkages te voorkomen. Daarbij is hiervoor toestemming verleend door de voormalige eigenaar van de woning van [eisers] .\n\n4.3.. Tijdens de zitting is de insteek van de vordering met partijen besproken. [eisers] heeft toegelicht dat hij geen bezwaar heeft tegen de overlap van de dakbedekking, zolang dit er niet toe kan leiden dat het eigendom van de onderliggende muur wijzigt. Partijen zijn het er inmiddels over eens dat door de overlap van de dakbedekking de eigendomssituatie niet verandert. Nu dat het geval is, hoeft de dakbedekking niet verwijderd te worden en heeft [eisers] geen belang bij zijn vordering. De kantonrechter zal deze vordering in het eindvonnis afwijzen.\n\n [gedaagden] hoeft geen kosten te betalen voor inmeting van het subperceel\n\n4.4.. \n [eisers] vraagt de kantonrechter verder om [gedaagden] te veroordelen in de helft van de kosten van het Kadaster. [eisers] heeft tijdens de zitting toegelicht dat het hierbij zowel gaat om de kosten die hij al heeft gemaakt voor het inmeten van het subperceel [subperceel] , als de kosten die nog gemaakt moeten worden voor het inmeten van de erfgrens.\n\n4.5.. De kantonrechter overweegt dat [eisers] zonder overleg en op eigen initiatief het Kadaster heeft ingeschakeld om het subperceel [subperceel] in te meten. Daarom kan van [gedaagden] niet worden verwacht dat hij voor de helft bijdraagt in deze kosten. Wat betreft de nog te maken kosten voor het inmeten van de erfgrens, is in zijn geheel niet duidelijk waarom die kosten gemaakt moeten worden en waarom [gedaagden] daaraan zou moeten meebetalen. Deze vordering zal daarom in het eindvonnis worden afgewezen.\n\n [gedaagden] moet de taxus en bolcatalpa terugsnoeien tot 1 meter\n\n4.6.. Verder verzoekt [eisers] de kantonrechter om [gedaagden] te veroordelen tot verwijdering van de taxus en bolcatalpa in de voortuin tot een hoogte van 1 meter. De kantonrechter begrijpt dit als een veroordeling tot het terugsnoeien van de bomen. Volgens [eisers] bevinden de bolcatalpa en taxus zich binnen twee meter van de erfgrens. Doordat beide bomen - maar met name de taxus - erg hoog zijn, hinderen deze het zicht van [eisers] . Zowel vanuit zijn woonkamer, maar ook bij het verlaten van zijn oprit met de auto.\n\n4.7.. Volgens [gedaagden] is de vordering tot verwijdering verjaard. De taxus is in 1998 tijdens de renovatie van de voortuin geplant. De bolcatalpa is in 2002 geplant. Daartegenover stelt [eisers] dat de vordering niet is verjaard. Vanuit de gemeente heeft [eisers] een foto ontvangen uit 2006 waarop beide bomen nog niet zichtbaar zijn. Daardoor is het onwaarschijnlijk dat de taxus en de bolcatalpa vóór 2006 zijn geplant.\n\n4.8.. Op grond van artikel 5:42 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) is het niet geoorloofd om binnen twee meter afstand van de grenslijn van het erf van een ander bomen te hebben, tenzij de eigenaar daartoe toestemming heeft gegeven of dat erf een openbare weg of een openbaar water is. Tussen partijen is niet in geschil dat de taxus en bolcatalpa binnen deze afstand van de erfgrens staan. Op grond van de wet is dat niet toegestaan, tenzij daarvoor toestemming is gegeven. Dat die toestemming is gegeven, is niet gesteld noch gebleken.\n\n4.9.. Het beroep van [gedaagden] op verjaring slaagt niet. De kantonrechter stelt vast dat op een foto uit 2006 die door de gemeente is verstrekt de taxus en de bolcatalpa niet zichtbaar zijn. Hieruit kan de kantonrechter niet anders dan opmaken dat de bomen op dat moment nog niet aanwezig waren. Nu daaruit geconcludeerd moet worden dat de bomen op het moment van dagvaarden nog geen 20 jaar aanwezig zijn, heeft [eisers] de mogelijkheid op grond van artikel 5:42 BW verwijdering te vorderen. Nu [eisers] ervoor gekozen heeft om te vorderen dat de bomen worden teruggesnoeid tot 1 meter, zal die vordering in het eindvonnis worden toegewezen.\n\n4.10.. De gevorderde dwangsom zal in het eindvonnis worden afgewezen. De kantonrechter gaat ervan uit dat [gedaagden] vrijwillig aan de veroordeling zal voldoen.\n\nDe door [eisers] gevraagde vergoedingen worden in het eindvonnis afgewezen\n\n4.11.. \n [eisers] vordert een vergoeding van € 400,00 in verband met buitengerechtelijke kosten en schade. De kosten die gevorderd worden, zien op: inmeetkosten, kadasterkosten, portokosten, kosten voor het opvragen van bewijsstukken, kantoorkosten, reiskosten, emotionele schade, manuren en kosten voor een scherm en een afdekstrip. Na wijziging van zijn eis, vordert [eisers] een extra vergoeding van maximaal € 100,00 in verband met emotionele schade, nakosten en eventuele kosten voor verwijdering van de bomen.\n\n4.12.. Volgens [gedaagden] moeten de kosten worden afgewezen. Het is niet duidelijk op welke grond de kosten worden gevorderd en daarnaast is niet gebleken dat het gaat om werkzaamheden die meer omvatten dan het voorbereiden van de procedure. Er wordt bovendien niet voldaan aan de dubbele redelijkheidstoets.\n\n4.13.. Tijdens de zitting heeft de kantonrechter [eisers] gevraagd zijn vordering toe te lichten. In reactie op de vraag van de kantonrechter of [eisers] buitengerechtelijke werkzaamheden heeft verricht, was zijn antwoord nee. De vordering die daarmee verband houdt, zal dan ook in het eindvonnis worden afgewezen.\n\n4.14.. Voor de overige schade die [eisers] geleden stelt te hebben, heeft hij onvoldoende feiten aangevoerd op grond waarvan de vordering zou moeten worden toegewezen. Ook heeft hij niet duidelijk gemaakt waarom deze kosten, waaronder voor het scherm en de afdekstrip, voor rekening van [gedaagden] moeten komen. Daarnaast ziet een deel van de gevorderde kosten op kosten die vallen onder de proceskosten uit artikelen 237 tot en met 240 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv). Voornoemde artikelen bevatten voor deze kosten een uitputtende regeling. Dat betekent dat de kosten niet voor vergoeding in aanmerking komen als zij worden beschouwd als proceskosten. Dat is hier het geval.\n\nDe vordering in verband met het periodiek schilderen van de garagemuur wordt in het eindvonnis afgewezen\n\n4.15.. Door [eisers] wordt gevorderd [gedaagden] te veroordelen tot het periodiek – in ieder geval elke 5 jaar – laten uitvoeren van schilderwerk aan de garagemuur. Als [gedaagden] dat nalaat, wil [eisers] dat het hem is toegestaan dat zelf te doen.\n\n4.16.. \n [eisers] heeft op de zitting erkend dat de garage, en daarmee ook de garagemuur, eigendom van [gedaagden] is. Gelet hierop is het uitsluitend aan [gedaagden] om over deze garagemuur te beschikken. Er bestaat geen rechtsregel die [eisers] de bevoegdheid verleent om het schilderen van de muur af te dwingen. Daarom zal de vordering van [eisers] in het eindvonnis worden afgewezen.\n\nPerceel [subperceel] is eigendom van [gedaagden]\n\n4.17.. \n [eisers] vordert voor recht te verklaren dat het subperceel aangeduid met nummer [subperceel] door verjaring eigendom is geworden van [gedaagden] en dat dit door de kantonrechter kenbaar wordt gemaakt aan het Kadaster.\n\n4.18.. Tijdens de zitting is duidelijk geworden dat partijen het erover eens zijn dat de strook grond waarop de garage van [gedaagden] staat (perceel [subperceel] ) door verjaring eigendom van [gedaagden] is geworden. [gedaagden] heeft daarbij toegelicht dat hij zich in het verleden steeds heeft verzet tegen de registratie van de eigendomsverkrijging, omdat hij daarvoor geen kosten wilde maken.\n\n4.19.. Gezien het voorgaande zal de kantonrechter bij eindvonnis de verklaring voor recht toewijzen. [eisers] verzoekt de kantonrechter om dit aan het Kadaster te melden. De kantonrechter heeft tijdens de zitting toegelicht dat het melden aan het Kadaster niet tot haar bevoegdheden behoort en zal daartoe dan ook niet overgaan.\n\nDe kantonrechter is voornemens het Kadaster te vragen de erfgrens uit te zetten\n\n4.20.. \n [eisers] vordert dat voor recht wordt verklaard dat de (verhoogde) scheidingsmuur tot aan de garage zijn mede-eigendom is. Volgens [eisers] volgt uit veldwerk van het Kadaster uit 1967 dat de muur die destijds aansloot op de gevel als gemeenschappelijk eigendom is aangemerkt. De perceelgrens loopt volgens [eisers] nu dan ook over het hart van de bestaande scheidingsmuur.\n\n4.21.. \n [gedaagden] betwist dat de bestaande scheidingsmuur als gemeenschappelijk eigendom aangemerkt moet worden. Volgens hem dateert de huidige muur uit 1976 en heeft hij deze zelf gebouwd op eigen grond. Het betreft dan ook een privé muur. Die privé muur is gebouwd tegen een schuurtje dat aanwezig was op het perceel van de rechtsvoorganger van [eisers] . De muur van dat schuurtje markeerde destijds de erfgrens. De muur die door [gedaagden] is gezet, is daardoor gebouwd tegen en niet op de erfgrens.\n\n4.22.. De kantonrechter stelt vast dat partijen van mening verschillen over de ligging van de erfgrens, zodat zij niet als vaststaand kan worden aangenomen.\n\n4.23.. De kantonrechter is voornemens om een deskundigenonderzoek te laten plaatsvinden. De kantonrechter acht het deskundigenbericht nodig, nu partijen verschillen van mening over de ligging van de erfgrens. Wanneer niet duidelijk is waar de erfgrens ligt, is het voor de kantonrechter niet mogelijk om vast te stellen of de muur op de erfgrens of tegen de erfgrens staat en bij wie het eigendom ligt.\n\n4.24.. Het Kadaster registreert de eigendomsrechten op grond en gebouwen en handelt daarbij volledig neutraal ten opzichte van betrokken partijen. Daarom beschouwt de rechtbank het Kadaster als de geschikte instantie om een deskundigenonderzoek uit te voeren, door middel van een kadastrale meting, om de exacte ligging van de erfgrens vast te stellen.\n\n4.25.. De kantonrechter is op dit moment van oordeel dat in ieder geval de navolgende vragen moeten worden voorgelegd:\n\nKunt u de kadastrale erfgrens vaststellen tussen de percelen [perceel 1] en [perceel 2] ?\n\nStaat de huidige erfafscheiding op of tegen de kadastrale erfgrens?\n\n4.26.. Voordat over wordt gegaan tot een deskundigenonderzoek, zal de kantonrechter partijen in de gelegenheid stellen zich uit te laten over de aan de deskundige aanvullend voor te leggen vragen.\n\n4.27.. Nadat het deskundigenonderzoek heeft plaatsgevonden krijgen partijen de kans om hierop te reageren. Deze reactie moet beperkt blijven tot het geschilpunt over de scheidingsmuur tussen de percelen tot aan de garage. De overige geschilpunten staan niet meer ter discussie.\n\n4.28.. Het aan de deskundige te betalen voorschot met betrekking tot zijn kosten zal, volgens de hoofdregel, in eerste instantie door [eisers] moeten worden voorgeschoten. In het eindvonnis zal de kantonrechter beslissen wie van partijen uiteindelijk de kosten van de deskundige moet betalen.\n\n4.29.. De kantonrechter verwijst de zaak naar de rol van 8 juli 2026 voor akten van partijen waarin zij zich uit kunnen laten over het voornemen een deskundige in te schakelen.\n\n4.30.. Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.\n\n5. De beslissing\n\nDe kantonrechter\n\n5.1.. verwijst de zaak naar de rol van 8 juli 2026 voor het nemen van een akte door beide partijen waarin zij zich uitlaten over het aangekondigde deskundigenonderzoek;\n\n5.2.. houdt iedere verdere beslissing aan.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. Badal en in het openbaar uitgesproken op 10 juni 2026.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:5256","ecli-nl-rbzwb-2026-5256",{"courtName":6,"legalDomain":39,"decisionType":22,"procedureType":23},"Civiel recht",{"id":41,"ecli":42,"caseNumber":14,"courtId":5,"courtName":14,"decisionDate":43,"fullText":44,"language":7,"source":17,"sourceUrl":45,"summary":14,"slug":46,"metadata":47},"1693","ECLI:NL:RBZWB:2026:5044","2026-06-03T00:00:00.000Z","RECHTBANKZEELAND-WEST-BRABANT\n\nCiviel recht\n\nKantonrechter\n\nZittingsplaats Tilburg\n\nZaaknummer: 11693992 \\ CV EXPL 25-2354\n\nVonnis bij vervroeging van 3 juni 2026\n\nin de zaak van\n\nVEMAD B.V.,\n\nte Tilburg,\n\neisende partij,\n\nhierna te noemen: VEMAD,\n\ngemachtigde: [gemachtigde] (R&R Gerechtsdeurwaarders B.V. te Breda),\n\ntegen\n\n [gedaagde] ,h.o.d.n. [bedrijf] ,\n\nte [plaats] ,\n\ngedaagde partij,\n\nhierna te noemen: [gedaagde] ,\n\nprocederend in persoon.\n\nDe zaak in het kort\n\nVEMAD heeft vanaf oktober 2021 een BMW verhuurd aan [gedaagde] . [gedaagde] heeft huurfacturen onbetaald gelaten. Daarnaast heeft VEMAD een factuur van de autogarage voldaan, waarvan zij stelt dat [gedaagde] deze factuur had moeten voldoen. [gedaagde] erkent dat hij facturen (gedeeltelijk) onbetaald gelaten heeft, maar daar had hij zijn redenen voor. Daarnaast betwist hij de hoogte van de huurfacturen en de verschuldigdheid van de factuur van de autogarage. De kantonrechter is van oordeel dat de betwisting door [gedaagde] onvoldoende gemotiveerd is. De kantonrechter wijst de vordering van VEMAD daarom toe.\n\n1. De procedure\n\n1.1.. \n\nHet verloop van de procedure blijkt uit:\n\na. het tussenvonnis van 23 juli 2025, waarbij mondelinge behandeling is bepaald,\n\nb. de brief van 31 december 2025, waarbij mondelinge behandeling nader is bepaald,\n\nc. de mondelinge behandeling van 21 mei 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.\n\n1.2.. Daarna is een datum bepaald waarop dit vonnis wordt uitgesproken.\n\n2. De feiten\n\n2.1.. De kantonrechter gaat uit van de volgende feiten.\n\na. VEMAD verhuurde aan [gedaagde] vanaf oktober 2021 een BMW type 218 met [kenteken] (hierna: de auto).\n\nb. Partijen hebben geen huurovereenkomst aan de kantonrechter overgelegd.\n\nc. De huurovereenkomst is telkens maandelijks stilzwijgend verlengd.\n\nd. De huurprijs per maand bedroeg bij aanvang € 1.113,16 per maand.\n\ne. De huurprijs per maand is per februari 2024 verhoogd tot € 1.140,99 per maand.\n\nf. [gedaagde] heeft de huur gedurende de periode februari 2024 tot en met maart 2025 tien maanden onbetaald gelaten.\n\ng. [gedaagde] heeft de facturen van maart, mei en juli 2024 wel betaald.\n\nh. [gedaagde] heeft geen toestemming gevraagd voor het (op kosten van VEMAD) laten updaten van het navigatiesysteem van de auto en het beschikken over vervangend vervoer tijdens deze werkzaamheden.\n\ni. VEMAD heeft de factuur van [autogarage] (hierna: de autogarage) voor de update van het navigatiesysteem en het vervangend vervoer voldaan.\n\nj. VEMAD heeft deze factuur doorbelast aan [gedaagde] . [gedaagde] heeft deze factuur onbetaald gelaten.\n\nk. [gedaagde] heeft de auto ingeleverd bij VEMAD op 28 februari 2025.\n\nl. De huurovereenkomst is beëindigd met ingang van 1 maart 2025.\n\n3. Het geschil\n\n3.1.. VEMAD vordert - samengevat - veroordeling van [gedaagde] tot betaling van € 13.134,82, vermeerderd met de wettelijke handelsrente vanaf 1 mei 2025 en kosten.\n\n3.2.. VEMAD legt aan de vordering het volgende ten grondslag. VEMAD verhuurde de auto aan [gedaagde] op basis van een huurovereenkomst die maandelijks stilzwijgend werd verlengd. [gedaagde] heeft de huurfacturen van tien maanden onbetaald gelaten. VEMAD vordert betaling van deze facturen op basis van nakoming. Daarnaast vordert ze betaling van een factuur voor de update van het navigatiesysteem en vervangend vervoer op grond van doorbelasting.\n\n3.3.. \n [gedaagde] voert verweer. [gedaagde] erkent dat hij facturen onbetaald heeft gelaten, maar voert aan dat hij daar zijn redenen voor had. Zo voert [gedaagde] aan dat hij in een onaangename en ongewenste zakelijke situatie terechtkwam met fors inkomensverlies tot gevolg. Daarnaast betwist [gedaagde] de hoogte van de onbetaald gebleven facturen, in zoverre dat er een tussentijdse prijsverhoging heeft plaatsgevonden waarvan hij geen kennisgeving heeft ontvangen. Ook is hij onder meer van mening dat de factuur voor de update van het navigatiesysteem en vervangend vervoer niet voor zijn rekening mag komen. [gedaagde] concludeert kort gezegd tot afwijzing van de vorderingen van VEMAD.\n\n3.4.. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.\n\n4. De beoordeling\n\nNiet betaalde huurfacturen\n\n4.1.. VEMAD vordert betaling van de onbetaald gebleven huurfacturen. Tussen partijen staat vast dat zij een huurovereenkomst hadden voor de auto. Onderdeel van deze overeenkomst was de verbintenis dat [gedaagde] maandelijks een bedrag betaalde als tegenprestatie voor het gebruik van de auto. VEMAD heeft gesteld en onderbouwd dat [gedaagde] de huur over de maanden februari, april, juni, augustus, september, oktober, november en december 2024 en januari en februari 2025 niet heeft betaald. Het totaal van deze facturen bedraagt € 11.409,90.\n\n4.2.. \n [gedaagde] heeft de hoogte van de onbetaald gebleven facturen betwist. Zo heeft hij aangevoerd dat hij geen kennisgeving heeft ontvangen van een tussentijdse verhoging van de huurprijs. Volgens [gedaagde] bestond voor deze prijsverhoging ook geen grondslag. Hoewel de kantonrechter niet beschikt over een huurovereenkomst, is wel vast komen staan dat [gedaagde] de facturen in de maanden maart, mei en juli 2024 heeft betaald. Ook staat vast dat deze facturen de (inmiddels) verhoogde huurprijs van € 1.140,99 bedroegen. Verder is de kantonrechter ook niet gebleken dat [gedaagde] in die periode tegen de prijsverhoging heeft geprotesteerd bij VEMAD. Pas in zijn conclusie van antwoord heeft [gedaagde] een punt gemaakt van de prijsverhoging. Uit deze feiten en omstandigheden leidt de kantonrechter af dat [gedaagde] gedurende de looptijd van de huurovereenkomst akkoord is gegaan met de prijsverhoging. Dit betekent dat [gedaagde] de stelling van VEMAD dat de facturen € 1.140,99 per maand bedroegen onvoldoende gemotiveerd heeft betwist. [gedaagde] had de verhoogde huurprijs moeten betalen aan VEMAD.\n\n4.3.. Verder heeft [gedaagde] aangevoerd dat hij structureel veel minder kilometers heeft gereden met de auto dan bij huurovereenkomst was overeengekomen. Volgens [gedaagde] is dit aanleiding om een minderprijs per niet gereden kilometer toe te passen. Tijdens de mondelinge behandeling heeft VEMAD toegelicht dat de huurovereenkomst een kilometrage toestaat van 3000 kilometer per maand (100 kilometer per dag), maar dat de huurprijs niet gekoppeld was aan de kilometrage en dat er geen afspraken zijn gemaakt over (compensatie van) minderkilometers. [gedaagde] heeft ook deze stelling van VEMAD onvoldoende gemotiveerd betwist.\n\n4.4.. Omdat [gedaagde] de genoemde facturen onbetaald heeft gelaten, ook nadat hij in gebreke is gesteld door VEMAD, wijst de kantonrechter de gevorderde betaling van deze facturen toe. [gedaagde] moet daarom aan VEMAD een bedrag van € 11.409,90 betalen.\n\nKosten update navigatiesysteem en vervangend vervoer\n\n4.5.. VEMAD vordert ook betaling van een door haar betaalde factuur van € 203,07. Deze factuur van de autogarage ziet op de update van het navigatiesysteem van de auto en het vervangend vervoer waarvan [gedaagde] gedurende werkzaamheden gebruik heeft gemaakt. VEMAD heeft deze factuur voldaan, maar heeft tijdens de mondelinge behandeling toegelicht dat zij deze factuur heeft doorbelast aan [gedaagde] . [gedaagde] heeft deze factuur echter onbetaald gelaten.\n\n4.6.. De kantonrechter begrijpt de vordering van VEMAD zo dat zij betaling van deze factuur vordert op grond van onverschuldigde betaling (artikel 6:203 van het Burgerlijk Wetboek). VEMAD heeft gesteld dat zij het factuurbedrag heeft voldaan aan de autogarage, terwijl de factuur voor rekening van [gedaagde] moest komen. [gedaagde] heeft dit betwist en heeft aangevoerd dat hij als huurder mocht verwachten dat de auto beschikte over een up-to-date navigatiesysteem. [gedaagde] had echter toestemming aan VEMAD moeten vragen voor het laten verrichten van deze werkzaamheden aan de auto, als hij de kosten voor rekening van VEMAD had willen laten komen. Vast is komen te staan dat [gedaagde] dit niet heeft gedaan. Dit betekent dat [gedaagde] een overeenkomst heeft gesloten met [autogarage] om het navigatiesysteem te laten updaten. Gedurende die werkzaamheden heeft hij gebruikgemaakt van vervangend vervoer. VEMAD was geen partij bij deze overeenkomst. De betaling van de factuur aan de autogarage heeft VEMAD daarom onverschuldigd gedaan. Dit betekent dat [gedaagde] € 203,07 aan VEMAD moet betalen.\n\nWettelijke handelsrente\n\n4.7.. VEMAD vordert de wettelijke handelsrente over de onbetaald gebleven facturen. VEMAD heeft bij dagvaarding de wettelijke handelsrente vanaf 30 dagen na de factuurdata tot 1 mei 2025 berekend op een bedrag van € 642,13. VEMAD vordert daarom verder toe te wijzen de wettelijke handelsrente vanaf 1 mei 2025 tot de dag van volledige betaling over € 11.612,97. Het staat vast dat [gedaagde] de betreffende facturen onbetaald heeft gelaten. Bij niet tijdige betaling is [gedaagde] op grond van artikel 6:119a BW de wettelijke handelsrente over de factuurbedragen verschuldigd vanaf de dag van opeisbaarheid daarvan. De kantonrechter wijst aan wettelijke handelsrente het bedrag van € 642,13 tot 1 mei 2025 toe. Daarnaast wijst hij de wettelijke handelsrente toe over het hiervoor genoemde bedrag van € 11.612,97 vanaf 1 mei 2025.\n\nBuitengerechtelijke incassokosten\n\n4.8.. VEMAD vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). VEMAD vordert een bedrag van € 879,72. VEMAD heeft voldoende gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden voor haar zijn verricht. VEMAD heeft daarom recht op een vergoeding voor de kosten van die werkzaamheden. Daarom wijst de kantonrechter het gevorderde bedrag van € 879,72 toe.\n\nWat [gedaagde] moet betalen aan VEMAD\n\n4.9.. Op basis van de overwegingen 4.4, 4.6, 4.7 en 4.8 moet [gedaagde] aan VEMAD het door VEMAD gevorderde bedrag van € 13.134,82 betalen.\n\nProceskosten\n\n4.10.. \n [gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom ook de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van VEMAD worden begroot op:\n\n- kosten van de dagvaarding\n\n€\n\n123,16\n\n- griffierecht\n\n€\n\n1.461,00\n\n- salaris gemachtigde\n\n€\n\n864,00\n\n(2 punten × € 432,00)\n\n- nakosten\n\n€\n\n144,00\n\n(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)\n\nTotaal\n\n€\n\n2.592,16\n\n5. De beslissing\n\nDe kantonrechter\n\n5.1.. veroordeelt [gedaagde] om aan VEMAD te betalen een bedrag van € 13.134,82 aan onbetaald gebleven facturen (inclusief wettelijke handelsrente als bedoeld in artikel 6:119a BW en buitengerechtelijke incassokosten), te vermeerderen met de wettelijke handelsrente over een bedrag van € 11.612,97 vanaf 1 mei 2025 tot de dag van volledige betaling,\n\n5.2.. veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 2.592,16, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,\n\n5.3.. verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,\n\n5.4.. wijst het meer of anders gevorderde af.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. drs. Paijmans en in het openbaar bij vervroeging uitgesproken op 3 juni 2026.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:5044","ecli-nl-rbzwb-2026-5044",{"courtName":6,"legalDomain":48,"decisionType":22,"procedureType":23},"Civiel recht; Verbintenissenrecht",{"id":50,"ecli":51,"caseNumber":14,"courtId":5,"courtName":14,"decisionDate":43,"fullText":52,"language":7,"source":17,"sourceUrl":53,"summary":14,"slug":54,"metadata":55},"1691","ECLI:NL:RBZWB:2026:5192","rECHTBANKZEELAND-WEST-BRABANT\n\nCiviel recht\n\nKantonrechter\n\nZittingsplaats Tilburg\n\nZaaknummer: 11944348 \\ CV EXPL 25-5468\n\nVonnis van 3 juni 2026\n\nin de zaak van\n\n [eiser] , H.O.D.N. [bedrijf 1],\n\nte [plaats] ,\n\neisende partij,\n\nhierna te noemen: [bedrijf 1] ,\n\ngemachtigde: mr. J.M.A. Koole,\n\ntegen\n\nOPTISPORT MAASDRIEL B.V.,\n\nte Tilburg,\n\ngedaagde partij,\n\nhierna te noemen: Optisport,\n\ngemachtigde: mr. L.R.J.M. Boer.\n\n1. De zaak in het kort\n\n1.1.. \n [bedrijf 1] wilde haar festival organiseren op een locatie van Optisport, maar Optisport heeft uiteindelijk laten weten de locatie niet ter beschikking te stellen. [bedrijf 1] vordert daarom schadevergoeding, primair op grond van wanprestatie, subsidiair op grond van een onrechtmatige daad en meer subsidiair vanwege het onaanvaardbaar afbreken van de onderhandelingen. Optisport betwist de vorderingen en voert aan dat er geen overeenkomst is gesloten omdat [bedrijf 1] heeft gehandeld met een onbevoegd persoon. Daarnaast stond het Optisport vrij om de onderhandelingen af te breken. De kantonrechter volgt dit verweer en wijst de vorderingen van [bedrijf 1] af. Hierna wordt uitgelegd hoe de kantonrechter tot dit oordeel is gekomen.\n\n2. De procedure\n\n2.1.. Het verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- de dagvaarding van 27 mei 2025 met producties; - de conclusie van antwoord met producties; - de brief waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald;\n\n- de mondelinge behandeling van 17 april 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.2.2.. Ten slotte is vonnis bepaald.\n\n3. De feiten\n\n3.1.. De heer [eiser] (hierna: [eiser] ) heeft namens [bedrijf 1] de locatie van Optisport bezocht. [eiser] heeft daar gesproken met mevrouw [teamleider horeca] ( teamleider horeca bij Optisport, hierna: [teamleider horeca] ) over het concept van het door [bedrijf 1] te organiseren festival. Op 25 januari 2024 hebben [eiser] en [teamleider horeca] via Whatsapp contact gehad omtrent het maken van een afspraak.\n\n3.2.. Op 26 januari 2024 heeft [teamleider horeca] via Whatsapp haar zakelijke e-mailadres verstrekt aan [eiser] . [eiser] heeft aangegeven het draaiboek te zullen verzenden en [teamleider horeca] heeft hierop laten weten dat zij de plattegronden op zou zoeken.\n\n3.3.. Op 6 februari 2024 hebben [eiser] , [teamleider horeca] en de heer [manager] (manager bij Optisport, hierna: [manager] ) een gesprek gehad op de locatie van Optisport.\n\n3.4.. Op 8 februari 2024 heeft [teamleider horeca] aan [bedrijf 1] de volgende schriftelijke offerte uitgebracht:\n\n[schriftelijke offerte]\n\nOok is in de offerte het volgende opgenomen:\n\n“Aalscholver is de vergaderzaal. In overleg met de Organisatie wordt deze ruimte gebruikt voor de catering van de medewerkers van [bedrijf 2] .\n\nDe sportzaal wordt ingericht als festivalruimte.\n\nDe prijzen zijn inclusief gebruik van de hal en de sluis.\n\nDe kosten voor stroom, gas en extra beheer zijn op nacalculatie.”\n\n3.5.. In het begeleidende e-mailbericht bij de offerte heeft [teamleider horeca] aan [eiser] het volgende bericht:\n\n“Goedemorgen [eiser] ,\n\nHierbij de offerte voor de gegeven datums. Ik moest even wachten op een akkoord.\n\nLees het even goed door, zodat er geen verwarring ontstaat.\n\nVan [manager] moet ik er wel de volgende kanttekening bij maken:\n\n- Voor evenementen rekenen we eigenlijk andere prijzen, maar we willen jullie de commerciële prijzen van de zaalhuur bieden.\n\n- Daarnaast is dit een berekening voor 21 t\u002Fm 25 augustus (5 dagen totaal), het is dan niet mogelijk om een dag minder te huren en als jullie dit wel willen, blijft dit wel de vaste prijs.\n\nIk hoop je zo voldoende te hebben geïnformeerd! We houden contact!\n\nMet vriendelijke groet,\n\n [teamleider horeca]”\n\n3.6.. Bij e-mailbericht van 1 maart 2024 heeft [eiser] hierop als volgt gereageerd:\n\n“Hi [teamleider horeca] ,\n\nSorry voor de verlate reactie.\n\nHierbij gaan wij akkoord met de verstuurde offerte voor het huren van de locatie zoals benoemd.\n\nWat is de procedure voor betaling? Wordt het geheel in rekening gebracht na afloop van het festival aangezien er elementen op nacalculatie zijn of wensen jullie een aanbetaling?\n\nLaat ook even weten welke gegevens jullie van ons nodig hebt.\n\nNog een aantal aanvullende vragen:\n\n- Is het nog mogelijk om aanvullende documenten te ontvangen zoals constructietekeningen van het complex (DWG)? Deze zijn benodigd voor de vergunningsaanvraag.\n\n- Is er ook meer informatie\u002F een tekening met stroomvoorzieningen, zoals krachtstroom etc.\n\n- Is het mogelijk om een hoogwerker naar binnen te rijden in de zaal voor het opbouwen van o.a. het podium?\n\n- Wat is de draaglast van de vloer?”\n\n3.7.. Op 24 maart 2024 heeft [teamleider horeca] het e-mailbericht van [eiser] van 1 maart 2024 doorgestuurd aan [manager] , waarbij [teamleider horeca] het volgende aan [manager] heeft bericht:\n\n“Zou jij hierop kunnen reageren? Ik weet namelijk niet hoe dit allemaal zit.”\n\n3.8.. In zijn reactie op 24 maart 2024 heeft [manager] aangegeven de openstaande punten op korte termijn te willen bespreken en hiervoor een afspraak in te plannen.\n\n3.9.. Op 26 maart 2024 heeft [manager] per e-mail het volgende bericht aan [eiser] :\n\n“Dag [eiser]\n\nBelangrijk is denk ik eerst even alle afspraken goed op papier te zetten want die heb ik even niet meer helemaal helder op dit moment.\n\nKunnen jullie aangeven wat volgens jullie nu de afspraken zijn en dan met name die wat regelt zodat hier geen misverstand over is.\n\nAls dit geheel duidelijk is dan stellen wij het contract op voor het festival.\n\nMet sportieve groet,\n\n [manager]”\n\n3.10.. Hierop heeft [eiser] op 27 maart 2024 het volgende gereageerd:\n\n“Goedemorgen [manager] ,\n\nDit is wel een klein beetje teleurstellend. Volgens mij hebben wij van jullie een offerte gekregen, die we reeds akkoord hebben gegeven.\n\nHierop staat alles benoemd wat de afspraken zijn...\n\nHet enige wat wij aanvullend nog gevraagd hebben, zie mail naar [teamleider horeca] ;\n\n- Is het nog mogelijk om aanvullende documenten te ontvangen zoals constructietekeningen van het complex (DWG)?\n\nDeze zijn benodigd voor de vergunningsaanvraag.\n\n- Is er ook meer informatie\u002F een tekening met stroomvoorzieningen, zoals krachtstroom etc.\n\n- Is het mogelijk om een hoogwerker naar binnen te rijden in de zaal voor het opbouwen van o.a. het podium?\n\n- Wat is de draaglast van de vloer?\n\nNogmaals, dit hebben wij onder andere nodig voor de vergunning aanvraag dus het zou fijn zijn dit zo snel mogelijk te ontvangen aangezien wij hier nu op aan het wachten zijn.”\n\n3.11.. \n [manager] heeft [eiser] vervolgens op 30 maart 2024 het volgende bericht:\n\n“Dag [eiser]\n\nDe vraag naar jou toe was vooral vanwege het feit dat [teamleider horeca] op dit moment op vakantie is en ik hierop snel wilde handelen.\n\nLet er wel even op dat er pas een volledig en bindend akkoord is als het contract van beide kanten is ondertekend.\n\nIk hoop aankomende week alles duidelijk te krijgen vanuit [teamleider horeca] waarna wij hierop naar jullie kunnen reageren.\n\nIk snap uiteraard dat jullie snel duidelijkheid willen hebben en ik zal daar naar streven om deze dinsdag te geven.\n\nWbt de tekeningen, ik kan deze zelf op dit moment niet vinden, in de aanvragen in het verleden hebben wij deze ook niet ingediend zie ik als ik de aanvragen terugkijk.\n\nIk zal de organisaties van de laatste grote evenementen contacten om hier meer info over te vragen.\n\nIK kom snel terug met een reactie\n\nMet sportieve groet,\n\n [manager]”\n\n3.12.. \n [eiser] heeft hierop op 1 april 2024 als volgt gereageerd:\n\n“Hi [manager] ,\n\nBegrijpelijk en het wordt gewaardeerd dat je snel wilt handelen. Dat wensen wij ook omdat wij de aanvraag z.s.m. bij de gemeente neer willen leggen.\n\nDe constructie tekeningen vragen wij dan ook niet alleen aan voor de vergunning maar juist ook voor de opbouw van het festival.\n\nWij willen weten wat de draagkracht van zowel de vloer als het dak is, zodat wij kunnen voorkomen dat er schade of ongevallen ontstaan.\n\nDaarin zijn de vragen of dat er een hoogwerker naar binnen kan etc. ook van belang voor wat er mogelijk is qua opbouw.\n\nGraag vernemen wij morgen je reactie,\n\n [eiser]”\n\n3.13.. Op 2 april 2024 heeft [manager] aan [eiser] per e-mail bericht dat hij de tekeningen niet in zijn bezit heeft. Diezelfde dag heeft [teamleider horeca] per e-mail het draaiboek voor het festival gestuurd aan [manager] .\n\n3.14.. Op 6 april 2024 heeft [eiser] via een Whatsapp-bericht op het privénummer van [teamleider horeca] gevraagd of zij aanwezig wil zijn bij het gesprek met de beveiliging. Diezelfde dag heeft [eiser] [teamleider horeca] verzocht om de gegevens voor de sociale hygiëne te verstrekken.\n\n3.15.. Op 16 april 2024 heeft [eiser] per e-mail het volgende bericht aan [manager] :\n\n“Hi [manager] ,\n\nIs het alsnog mogelijk de tekening van de tribune\u002F bovenverdieping te ontvangen?\n\nHier willen wij namelijk ook gebruik van maken en hebben wij nodig richting de gemeente om aanvraag te doen.\n\nDaarnaast hebben wij nog geen contract ontvangen nadat wij de offerte hebben ondertekend.\n\nWanneer kunnen wij deze verwachten?\n\nWat betreft de constructietekeningen, deze zijn inderdaad niet noodzakelijk maar zoals je zelf ook aangeeft, is het spannend wanneer wij niet weten wat belastbaar is.\n\nWij willen diverse technische onderdelen aan het dak weghangen en zal er ook een dusdanig gewicht op de vloer geplaatst worden waarbij het handig is hier wel meer informatie over te hebben.\n\nMocht hierin mogelijkheid zijn om er meer informatie over te ontvangen, horen wij dat graag.\n\nVerneem graag je reactie,\n\n [eiser]”\n\n3.16.. Op 18 april 2024 hebben [eiser] en [teamleider horeca] via Whatsapp contact gehad over een rioleringsput.\n\n3.17.. Bij e-mailbericht van 20 april 2024 heeft [manager] het volgende aan [eiser] bericht:\n\n“Dag [eiser]\n\nDe afgelopen maanden is er met [teamleider horeca] afgetast welke mogelijkheden er zijn voor een samenwerking om tot een evenement in augustus te komen.\n\nDit heeft geleidt tot een offerte vanuit ons, hierbij is wel aangegeven dat er nog geen zekerheid is totdat het contract getekend is.\n\nHelaas moet ik aangeven dat wij afzien van het faciliteren van het evenement in augustus.\n\nIk snap dat dat een teleurstelling is voor jullie ook omdat jullie al veel ideeën hebben hierover.\n\nDe reden van het niet door laten gaan van dit evenement vanuit onze kant is omdat wij tegen het einde van ons contact aanlopen en wij daarom geen extra evenementen aannemen.\n\nDaarnaast hebben wij steeds minder collega’s in dienst waardoor wij hier niet goed op kunnen in spelen en wij onze vaste huurder alle mogelijkheden willen geven om gebruik te maken van de ruimtes..\n\nOnze excuses voor het ongemak en hopelijk vinden jullie toch een plekje om dit mooie project op te zetten.\n\nMet sportieve groet,\n\n [manager]”\n\n3.18.. \n [eiser] heeft daarop op 24 april 2024 het volgende gereageerd:\n\n“Goedemorgen [manager] ,\n\nEr is naar mijn weten niet ‘afgetast’ wat de mogelijkheden zijn, er is concreet besproken en besloten wat onze samenwerking zou inhouden.\n\nDit is vastgelegd in een offerte waarbij er geen sprake was van twijfel of het door kon gaan.\n\nDeze offerte is door ons akkoord bevonden en daarmee een vastlegging van onze samenwerking.\n\nHierin hebben wij meerdere malen om diverse documentatie en ook een contract gevraagd waarin vanuit jullie nauwelijks tot geen reactie is gekomen.\n\n2 maanden na akkoord bevinden van een offerte en het niet versturen van een contract, melden dat jullie er vanaf zien is niet alleen teleurstellend.\n\nMet de reden dat wij er al ruim 2 maanden vanuit gaan ons festival bij de [locatie] te laten plaatsvinden, hebben wij al ruime kosten gemaakt ter voorbereiding, het is immers nog maar 4 maanden tot het plaatsvinden van het festival.\n\nHopelijk kunnen jullie het huizen van het evenement nog eens in heroverweging nemen aangezien een akkoord bevonden offerte een bindend document is.\n\nMochten jullie definitief van de samenwerking afzien, zullen wij hierin andere stappen ondernemen om onze gemaakte kosten wellicht te kunnen verhalen.\n\nVernemen graag je reactie,\n\n [eiser]”\n\n3.19.. Bij e-mailbericht van 6 mei 2024 heeft [manager] het volgende aan [eiser] bericht:\n\n“Dag [eiser]\n\nDank voor je mail.\n\nUiteraard snap ik je mailtje.\n\nNaar mijn idee was het op dit moment nog niet verder gekomen dan aftasten en was ik niet op de hoogte van de offerte die verstuurd was, hiervoor mijn excuses.\n\nIk kom hier begin volgende week graag even op terug\n\nMet vriendelijke groet,\n\n [manager]”3.20.. Op 18 mei 2024 heeft [eiser] per e-mail aan [manager] medegedeeld dat hij nog geen reactie had ontvangen, met het verzoek of [manager] die week nog van zich wilde laten horen.\n\n3.21.. In antwoord daarop heeft [manager] op 20 mei 2024 per e-mail toegezegd die week nog te zullen antwoorden.\n\n4. Het geschil\n\n4.1.. \n [bedrijf 1] vordert - samengevat – voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:\n\nprimair:\n\nI. Voor recht te verklaren dat gedaagde toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming van de tussen partijen gesloten overeenkomst en derhalve aansprakelijk is op grond van artikel 6:74 BW;\n\nII. Gedaagde te veroordelen tot betaling aan eiser van een schadevergoeding ten bedrage van € 111.817,78, te vermeerderen met de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW vanaf de dag waarop gedaagde in verzuim is (20 april 2024) tot aan de dag der algehele voldoening;\n\nsubsidiair:\n\nIII. Voor recht te verklaren dat gedaagde onrechtmatig jegens eiser heeft gehandeld in de zin van artikel 6:162 BW en derhalve gehouden is de schade van eiser te vergoeden van € 111.817,78, te vermeerderen met de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW vanaf de dag waarop gedaagde in verzuim is (20 april 2024) tot aan de dag der algehele voldoening;\n\nmeer subsidiair:\n\nIV. Voor recht te verklaren dat gedaagde aansprakelijk is voor de schade die eiser heeft geleden door het zich op onaanvaardbare wijze terugtrekken uit de precontractuele onderhandelingen van € 111.817,78, te vermeerderen met de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW vanaf de dag waarop gedaagde in verzuim is (20 april 2024) tot aan de dag der algehele voldoening;\n\nbij dit alles:\n\nV. Gedaagde te veroordelen tot betaling van de buitengerechtelijke incassokosten ten bedrage van € 1.893,18;\n\nVI. Gedaagde te veroordelen in de proceskosten.\n\n4.2.. \n [bedrijf 1] legt aan haar vordering het volgende ten grondslag. Tussen partijen is een overeenkomst tot stand gekomen met betrekking tot de huur van de festivallocatie. Optisport heeft een offerte uitgebracht die als een aanbod moet worden gekwalificeerd, welk aanbod door [bedrijf 1] is aanvaard. [bedrijf 1] is naar aanleiding daarvan gestart met voorbereidingswerkzaamheden voor het festival. Optisport heeft nadien bevestigd dat het evenement doorgang kon vinden, maar heeft uiteindelijk toch laten weten de locatie niet ter beschikking te stellen. Door op een later moment af te zeggen, heeft [bedrijf 1] aanzienlijke schade geleden. [bedrijf 1] wil dan ook dat Optisport deze schade vergoedt.\n\n4.3.. Optisport voert verweer. Volgens Optisport is geen overeenkomst tussen partijen tot stand gekomen omdat [bedrijf 1] contact heeft gehad met een persoon die niet bevoegd was om Optisport te vertegenwoordigen. Daarnaast stelt Optisport dat het haar vrijstond om de onderhandelingen af te breken.\n\n4.4.. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.\n\n5. De beoordeling\n\nIs een overeenkomst tot stand gekomen?\n\n5.1.. \n [bedrijf 1] baseert haar primaire vordering op de stelling dat tussen partijen een huurovereenkomst tot stand is gekomen. [bedrijf 1] stelt daartoe het volgende. De wilsovereenstemming tussen partijen blijkt voldoende uit de offerte, de daaropvolgende aanvaarding en het handelen van beide partijen. [teamleider horeca] heeft namens Optisport op 1 maart 2024 een voldoende bepaalbaar aanbod tot verhuur van de betreffende locatie gedaan in de vorm van een offerte, welk aanbod door [bedrijf 1] ondubbelzinnig is aanvaard. Voorafgaand aan het toezenden van deze offerte heeft [teamleider horeca] intern overleg gevoerd en akkoord gekregen van [manager] . Bovendien hebben partijen nadien doorlopend contact gehad over praktische zaken en constructieve voorzieningen. Dat er geen schriftelijk contract is, doet daar niet aan af. Verder beroept [bedrijf 1] zich op het vertrouwensbeginsel zoals neergelegd in artikel 3:35 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW). Optisport heeft door haar uitingen en gedragingen bij [bedrijf 1] het gerechtvaardigd vertrouwen gewekt dat zij met [bedrijf 1] een definitieve overeenkomst is aangegaan. Optisport heeft daarbij nagelaten enig voorbehoud te maken bij het uitbrengen van haar aanbod. Bij gebreke van enig expliciet voorbehoud is het aanbod als onvoorwaardelijk aan te merken waardoor [bedrijf 1] heeft mogen vertrouwen op de rechtsgeldigheid en uitvoerbaarheid van de gemaakte afspraken.\n\n5.2.. Optisport betwist dat tussen partijen een overeenkomst tot stand is gekomen en voert daartoe het volgende aan. De offerte is zodanig summier, dat deze niet de basis kan vormen voor een overeenkomst. Omdat verschillende onderwerpen die van wezenlijk belang zijn niet zijn geregeld, is geen sprake van overeenstemming over de essentialia van de huur. De offerte kan bovendien niet worden aangemerkt als een aanbod in de zin van artikel 6:217 BW, omdat bij Optisport de daartoe vereiste wil ontbrak. Het vermeende aanbod is namelijk niet op een voor Optisport gebruikelijke wijze gedaan. Als de offerte wel wordt aangemerkt als aanbod, voert Optisport aan dat er alsnog geen overeenkomst tot stand is gekomen omdat het aanbod is gedaan door [teamleider horeca] terwijl zij daartoe niet bevoegd was. Optisport stelt dat, zoals ook volgt uit het handelsregister, enkel de (indirect) bestuurder van Optisport, de heer [bestuurder] , bevoegd is om Optisport te vertegenwoordigen.\n\n5.3.. De kantonrechter overweegt als volgt. Voor het ontstaan van een overeenkomst is een aanbod en de aanvaarding daarvan vereist (artikel 6:127 BW). Tussen partijen is niet in geschil dat [teamleider horeca] de offerte heeft uitgebracht. Deze offerte vormt volgens [bedrijf 1] het aanbod. [bedrijf 1] heeft ter zitting erkend dat [teamleider horeca] niet zelfstandig bevoegd was om Optisport te vertegenwoordigen, maar stelt dat sprake is van schijn van volmachtverlening. De kantonrechter zal daarom hierna beoordelen of de offerte van [teamleider horeca] aan Optisport kan worden toegerekend als een geldig aanbod op grond van die gewekte schijn.\n\nSchijn van volmachtverlening\n\n5.4.. \n [bedrijf 1] stelt in dit kader dat [teamleider horeca] door haar gedragingen en communicatie jegens [bedrijf 1] de schijn heeft gewekt dat zij namens Optisport handelde, terwijl Optisport deze schijn heeft laten voortbestaan. [bedrijf 1] voert ter onderbouwing daarvan de volgende omstandigheden aan. Direct bij aankomst op de locatie van Optisport heeft [eiser] gevraagd of er iemand aanwezig was om mee te spreken. Vervolgens is [teamleider horeca] naar [eiser] toegekomen en heeft zij zich voorgesteld als leidinggevende, waarna zij met [eiser] heeft gesproken over het festivalplan van [bedrijf 1] . Door deze benadering mocht [bedrijf 1] ervan uitgaan dat [teamleider horeca] daartoe bevoegd was. Daarnaast impliceert de functie van [teamleider horeca] als teamleider horeca de verantwoordelijkheid over praktische, operationele en vergunningsaspecten van de locatie. In die hoedanigheid heeft [teamleider horeca] de offerte gestuurd, voerde zij logistiek overleg (zowel intern met Optisport als met derden) en organiseerde zij de aanwezigheid van derden op de locatie. Verder bleek uit e-mailcorrespondentie dat [teamleider horeca] handelde in afstemming met haar leidinggevende, [manager] . Zo had [manager] vooraf akkoord gegeven voor het doorgeven van een prijsindicatie aan [bedrijf 1] en was de offerte blijkens het begeleidende e-mailbericht in overleg met [manager] opgesteld, nu [manager] een aantal kanttekeningen plaatste bij de offerte. [manager] was bovendien nauw betrokken bij het proces. Hij is steeds uitgenodigd voor overleggen en locatiebezoeken en had zelf contact met [bedrijf 1] . Tot slot heeft Optisport voorafgaand aan deze procedure nooit gesteld dat [teamleider horeca] onbevoegd was, ook niet toen zij zich terugtrok. Volgens [bedrijf 1] heeft Optisport hiermee als organisatie de schijn van vertegenwoordigingsbevoegdheid gewekt. Voor zover er sprake was van een beperkte volmacht, had Optisport dit moeten melden. Het risico van een onduidelijke of gebrekkige volmachtstructuur ligt immers bij Optisport. [bedrijf 1] wijst er in dit verband op dat uit het handelsregister een voor derden onoverzichtelijke structuur van verschillende rechtspersonen blijkt. [bedrijf 1] concludeert dan ook dat Optisport op grond van de gewekte schijn van vertegenwoordigingsbevoegdheid aan de overeenkomst is gebonden.\n\n5.5.. Optisport betwist dat sprake is van schijn van vertegenwoordigingsbevoegdheid. Zij voert aan dat het sluiten van verhuurovereenkomsten voor een festival van deze omvang niet past binnen de functie van een teamleider horeca . Voor zover al sprake zou zijn van enige schijn, is deze volgens Optisport uitsluitend gewekt door het handelen van [teamleider horeca] . Een beroep op de schijn van volmachtverlening kan echter alleen slagen als de schijn is opgewekt door iemand die bevoegd was Optisport te vertegenwoordigen. Optisport benadrukt dat ook [manager] niet bevoegd was om Optisport ter zake van een dergelijk evenement te vertegenwoordigen.\n\n5.6.. De kantonrechter overweegt als volgt. Op grond van de hoofdregel van artikel 150 van het Wetboek van Rechtsvordering (hierna: Rv) rusten de stelplicht en bewijslast van de schijn van volmachtverlening op [bedrijf 1] . Artikel 3:61 lid 2 BW bepaalt dat een partij toch gebonden kan zijn aan een overeenkomst of rechtshandeling die door een niet-vertegenwoordigingsbevoegde is gesloten of verricht, indien de wederpartij op grond van een verklaring of gedraging van die partij heeft aangenomen en onder de gegeven omstandigheden redelijkerwijze mocht aannemen dat een toereikende volmacht was verleend. Op grond van vaste rechtspraak (bijvoorbeeld ECLI:NL:HR:2017:142) kan voor toerekening van de schijn van volmachtverlening plaats zijn, in geval de wederpartij gerechtvaardigd heeft vertrouwd op volmachtverlening aan de pseudogevolmachtigde. Daarvoor moet sprake zijn van (bijkomende) feiten en omstandigheden die voor risico van de onbevoegd vertegenwoordigde komen en waaruit naar verkeersopvattingen zodanige schijn van vertegenwoordigingsbevoegdheid kan worden afgeleid.\n\n5.7.. Ten aanzien van gewekte schijn van vertegenwoordigingsbevoegdheid stelt de kantonrechter voorop dat een dergelijke schijn alleen gewekt kan worden door personen die bevoegd zijn Optisport rechtsgeldig te vertegenwoordigen, in dit geval [bestuurder] (hierna: [bestuurder] ). Gesteld noch gebleken is dat [bestuurder] met verklaringen of handelingen deze schijn heeft gewekt. Dat [teamleider horeca] [eiser] in het begin heeft benaderd, de offerte heeft gestuurd en daarna contact heeft gehad met [bedrijf 1] over praktische en logistieke zaken (zoals beveiliging, sociale hygiëne en riolering) is onvoldoende om aan te nemen dat sprake is van schijn van volmachtverlening. Al deze handelingen zijn immers verricht door [teamleider horeca] zelf. [bedrijf 1] wijst erop dat [teamleider horeca] handelde in afstemming met haar leidinggevende, [manager] . Dit blijkt volgens [bedrijf 1] onder meer uit het feit dat [manager] aanwezig was bij het gesprek op 6 februari 2024, dat [manager] aan [teamleider horeca] akkoord gaf om de prijsindicatie aan [bedrijf 1] te sturen, dat [manager] kanttekeningen plaatste bij de offerte en dat [teamleider horeca] blijkens de e-mail van 8 februari 2024 moest wachten op een akkoord van [manager] . Dat [bedrijf 1] hieruit heeft afgeleid dat [teamleider horeca] in afstemming met [manager] handelde, is begrijpelijk, maar leidt niet tot een ander oordeel. [manager] was immers ook niet zelfstandig bevoegd om Optisport te vertegenwoordigen bij een evenement van deze omvang. Omdat [manager] zelf onbevoegd was, kon zijn betrokkenheid bij het proces bij [bedrijf 1] niet het gerechtvaardigd vertrouwen wekken dat [teamleider horeca] wél bevoegd was om Optisport te binden. De schijn kan immers niet worden gewekt door een eveneens onbevoegd persoon.\n\n5.8.. Ook de overige stellingen van [bedrijf 1] slagen niet. De kantonrechter volgt [bedrijf 1] niet in haar standpunt dat uit het handelsregister een voor derden onoverzichtelijke structuur van rechtspersonen blijkt. Uit het handelsregister volgt dat Optisport Group B.V. de bestuurder van Optisport is, dat Optisport Holding B.V. op haar beurt de bestuurder van Optisport Group B.V. is en dat [bestuurder] de bestuurder van Optisport Holding B.V. is. Door een aantal uittreksels te raadplegen had [bedrijf 1] dus eenvoudig de vertegenwoordigingsbevoegdheid kunnen controleren. Dit had ook van haar mogen worden verwacht, te meer gelet op de functietitel van [teamleider horeca] . In tegenstelling tot wat [bedrijf 1] aanvoert, mag uit de functie van teamleider horeca niet worden afgeleid dat [teamleider horeca] bevoegd was om Optisport te binden aan de organisatie van een festival. Deze functietitel had bij [bedrijf 1] juist tot extra oplettendheid moeten leiden. Dat Optisport niet eerder expliciet heeft gemeld dat [teamleider horeca] onbevoegd was, kan haar evenmin worden tegengeworpen. Optisport verkeerde immers in de veronderstelling dat partijen zich nog in een vrijblijvende verkenningsfase bevonden. Nu zij er niet van uitging dat er al een bindende overeenkomst was, bestond er voor haar ook geen aanleiding om de onbevoegdheid van [teamleider horeca] te melden. Sterker nog, toen [manager] in beeld kwam, heeft hij in het e-mailbericht van 30 maart 2024 direct kenbaar gemaakt dat nog geen sprake was van een bindend contract.\n\n5.9.. Concluderend heeft Optisport dus geen verklaring of gedraging geuit op basis waarvan [bedrijf 1] redelijkerwijs een volmacht voor [teamleider horeca] mocht aannemen. Ook zijn er geen omstandigheden gesteld die voor risico van Optisport komen waardoor toerekening van schijn van volmachtverlening kan worden geconcludeerd. Van schijn van volmachtverlening is dus geen sprake waardoor er geen rechtsgeldig aanbod is gedaan en dus ook geen overeenkomst tot stand is gekomen.\n\nOnrechtmatige daad door het ontbreken van de vereiste vergunning\n\n5.10.. Subsidiair stelt [bedrijf 1] dat Optisport onrechtmatig heeft gehandeld door zonder voorafgaand onderzoek naar de juridische en feitelijke (on)mogelijkheden, een aanbod te doen tot verhuur voor een festival terwijl zij niet beschikte over de vereiste gebruiksvergunning. De kantonrechter is van oordeel dat deze stellingen niet tot toewijzing van de vordering kunnen leiden. Voor zover deze stellingen juist zouden zijn, is hierdoor geen schade geleden. Het festival is niet doorgegaan, omdat Optisport de locatie niet ter beschikking heeft gesteld. Optisport hoefde de locatie ook niet ter beschikking te stellen, zoals is besproken bij de beoordeling van de primaire grondslag (wanprestatie). De vraag of Optisport onrechtmatig heeft gehandeld door een aanbod te doen zonder te beschikken over de vereiste gebruiksvergunning, is dan ook niet relevant. De kantonrechter zal de subsidiaire stellingen daarom verder onbesproken laten.\n\nAfgebroken onderhandelingen\n\n5.11.. Meer subsidiair stelt [bedrijf 1] dat Optisport onrechtmatig heeft gehandeld door zonder geldige rechtsgrond de onderhandelingen af te breken, terwijl [bedrijf 1] gerechtvaardigd mocht vertrouwen op de totstandkoming van de overeenkomst, waardoor sprake is van precontractuele aansprakelijkheid. Optisport heeft een concreet en voldoende bepaalbaar en intern afgestemd aanbod gedaan, bevestigde dit aan [bedrijf 1] en stemde in met praktische voorbereidingen zoals locatiebezoeken en overleggen over onder andere de catering en veiligheid. Optisport heeft geen voorbehoud gemaakt over het contracteren en trok het aanbod pas ruim twee maanden na acceptatie van het aanbod zonder objectieve of zwaarwegende redenen in. [bedrijf 1] heeft aanzienlijke kosten en verplichtingen gemaakt op basis van het aanbod en mocht er redelijkerwijs op vertrouwen dat de overeenkomst gesloten zou worden. Daarnaast mocht [bedrijf 1] aannemen dat Optisport bevoegd was de locatie beschikbaar te stellen en dat de benodigde vergunningen geregeld waren. Het ontbreken van een actuele gebruiksvergunning behoort tot de risicosfeer van Optisport en door dit gebrek te verzwijgen, heeft Optisport cruciale informatie achtergehouden en bij [bedrijf 1] het gerechtvaardigd vertrouwen gewekt dat zij haar verplichtingen kon nakomen. Het afbreken van de onderhandelingen zonder deze informatie te verstrekken is naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar.\n\n5.12.. Optisport betwist de stellingen van [bedrijf 1] en stelt zij de onderhandelingen terecht mocht afbreken. Op het moment dat Optisport zich op 20 april 2024 terugtrok uit de onderhandelingen, mocht [bedrijf 1] er niet zonder meer op vertrouwen dat een overeenkomst tot stand zou komen. Van totstandkomingsvertrouwen is met name sprake in gevallen waarin de onderhandelingen probleemloos verlopen, maar hier was juist sprake van grote onduidelijkheid, zoals blijkt uit de vele door [bedrijf 1] gestelde en onbeantwoorde vragen. Als gevolg hiervan was Optisport, ondanks herhaaldelijke verzoeken van [bedrijf 1] , niet in staat een contract op te stellen voor de verhuur van de ruimtes. Daarnaast is het faciliteren van een festival complex en vereist dat veel afstemming. Naarmate de te sluiten overeenkomst complexer is, mag er minder snel op worden vertrouwd dat een overeenkomst tot stand zou komen. [bedrijf 1] mocht er dan ook niet zomaar van uitgaan dat Optisport het festival zou faciliteren. Bovendien was er al geruime tijd geen vooruitgang in de onderhandelingen en was twee maanden na de offerte nog steeds geen overeenkomst, wat totstandkomingsvertrouwen vermindert. Voor zover al sprake zou zijn van totstandkomingsvertrouwen, is dat niet door toedoen van Optisport gewekt. [bedrijf 1] baseert het vertrouwen voornamelijk op uitingen van [teamleider horeca] , terwijl zij niet bevoegd was Optisport te vertegenwoordigen. Daar komt bij dat Optisport uitdrukkelijk en herhaaldelijk het voorbehoud heeft gemaakt dat slechts een overeenkomst tot stand kon komen na ondertekening door een daartoe bevoegd persoon. Verder had het [bedrijf 1] moeten opvallen dat de offerte zodanig summier was dat deze niet tot een overeenkomst kon leiden. Zelfs als sprake zou zijn geweest van gerechtvaardigd totstandkomingsvertrouwen, had Optisport zich terug mogen trekken uit de onderhandelingen, omdat zij niet zonder meer kon garanderen dat zij in staat zou zijn het festival te organiseren door praktische en organisatorische belemmeringen. Optisport had dus een gerechtvaardigd belang om de onderhandelingen af te breken en geen overeenkomst aan te gaan.\n\nDe maatstaf\n\n5.13.. Het arrest [naam] van de Hoge Raad (HR 12 augustus 2005, ECLI:NL:HR:2005:AT7337) is het standaardarrest met betrekking tot het leerstuk van de afgebroken onderhandelingen. Als uitgangspunt heeft te gelden dat ieder van de onderhandelende partijen vrij is om de onderhandelingen af te breken. Dit is slechts anders als (1) de wederpartij er gerechtvaardigd op mag vertrouwen dat de overeenkomst tot stand gaat komen of (2) als het afbreken van de onderhandelingen in verband met andere omstandigheden van het geval onaanvaardbaar zou zijn. Daarbij moet rekening worden gehouden met de mate waarin en de wijze waarop de partij die de onderhandelingen afbreekt tot het bestaan van dat vertrouwen heeft bijgedragen en met de gerechtvaardigde belangen van deze partij. Wat betreft het vertrouwen is doorslaggevend hoe daaromtrent op het moment van afbreken van de onderhandelingen moet worden geoordeeld tegen de achtergrond van het gehele verloop van de onderhandelingen. De Hoge Raad heeft gezegd dat dit een tot terughoudendheid nopende maatstaf is. Daaraan zal dus niet al te snel zijn voldaan.\n\nHet afbreken van de onderhandelingen was niet onaanvaardbaar\n\n5.14.. Het is aan [bedrijf 1] om te stellen en bij betwisting te bewijzen dat zij het vertrouwen mocht hebben dat er een huurovereenkomst tussen haar en Optisport tot stand zou komen. [bedrijf 1] heeft naar het oordeel van de kantonrechter onvoldoende gesteld om dit aan te nemen, zoals hierna wordt toegelicht.\n\n5.15.. De onderhandelingen zijn in eerste instantie gevoerd door [teamleider horeca] . Zoals hierboven is besproken, was zij niet bevoegd om een huurovereenkomst voor het festival te sluiten en is er door Optisport geen vertrouwen gewekt dat zij wel bevoegd was. Ditzelfde geldt voor [manager] , die in een latere fase bij de onderhandelingen is betrokken. Vanuit de wel bevoegde persoon is geen enkele bemoeienis geweest met de onderhandelingen. Om deze reden mocht [bedrijf 1] er niet gerechtvaardigd op vertrouwen dat de overeenkomst tot stand zou komen. [bedrijf 1] heeft ook geen omstandigheden gesteld die ertoe leiden dat het afbreken van de onderhandelingen onaanvaardbaar zou zijn. De stellingen van [bedrijf 1] omtrent de vergunningen kunnen onbesproken blijven. Nu het festival niet is doorgegaan op de locatie omdat Optisport deze niet ter beschikking heeft gesteld, is de vraag of er al dan niet een vergunning verleend kon worden niet meer relevant bij de beoordeling van de afgebroken onderhandelingen.\n\n5.16.. De kantonrechter is gelet op het voorgaande van oordeel dat het Optisport vrij stond de onderhandelingen met [bedrijf 1] op 20 april 2024 af te breken zonder schadevergoedingsverplichting. De vordering tot schadevergoeding kan daarom niet worden toegewezen.\n\nConclusie\n\n5.17.. Gelet op het voorgaande worden de vorderingen van [bedrijf 1] afgewezen.\n\nDe wettelijke rente en de buitengerechtelijke incassokosten\n\n5.18.. Nu de vorderingen worden afgewezen, worden ook de gevorderde wettelijke rente en de buitengerechtelijke incassokosten afgewezen.\n\nDe proceskosten\n\n5.19.. \n [bedrijf 1] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van Optisport worden begroot op:\n\n- salaris gemachtigde\n\n€\n\n2.020,00\n\n(2 punten × € 1.010,00)\n\n- nakosten\n\n€\n\n144,00\n\n(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)\n\nTotaal\n\n€\n\n2.164,00\n\nUitvoerbaarheid bij voorraad\n\n5.20.. Dit vonnis wordt ten aanzien van de proceskosten, zoals gevorderd, uitvoerbaar bij voorraad verklaard (artikel 233 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering). Dit betekent dat deze uitspraak geldt, totdat in een eventueel hoger beroep anders is beslist.\n\n6. De beslissing\n\nDe kantonrechter\n\n6.1.. wijst de vorderingen van [bedrijf 1] af,\n\n6.2.. veroordeelt [bedrijf 1] in de proceskosten van € 2.164,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [bedrijf 1] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,\n\n6.3.. verklaart dit vonnis voor wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. Ebben en in het openbaar uitgesproken op 3 juni 2026.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:5192","ecli-nl-rbzwb-2026-5192",{"courtName":6,"legalDomain":48,"decisionType":22,"procedureType":23},{"id":57,"ecli":58,"caseNumber":14,"courtId":5,"courtName":14,"decisionDate":59,"fullText":60,"language":7,"source":17,"sourceUrl":61,"summary":14,"slug":62,"metadata":63},"676","ECLI:NL:RBZWB:2026:5043","2026-05-22T00:00:00.000Z","RECHTBANKZEELAND-WEST-BRABANT\n\nCiviel recht\n\nKantonrechter\n\nZittingsplaats Tilburg\n\nZaaknummer \u002F rekestnummer: 11850634 \\ AZ VERZ 25-68\n\nBeschikking van 22 mei 2026\n\nin de zaak van\n\n [verzoeker],\n\nwonende te [plaats] ,\n\nverzoekende partij,\n\nhierna te noemen: [verzoeker] ,\n\ngemachtigde: mr. M.M. van der Marel,\n\ntegen\n\nde besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid MATCH TALENT RECRUITMENT B.V.,\n\ngevestigd te Tilburg ,\n\nverwerende partij,\n\nhierna te noemen: MatchTalent ,\n\ngemachtigde: mr. A.C.M. van den Kieboom.\n\n1. De zaak in het kort\n\n [verzoeker] is ten onrechte op staande voet ontslagen. Hij heeft daarom recht op de transitievergoeding, de gefixeerde schadevergoeding en in beginsel een billijke vergoeding. Omdat onduidelijk is wat de gemiddelde bonus is die [verzoeker] heeft ontvangen in de periode januari 2024 tot en met april 2025 zijn partijen in de gelegenheid gesteld om zich hierover uit te laten. Naar aanleiding van de aktes van partijen stelt de kantonrechter vast op welke transitievergoeding en gefixeerde schadevergoeding [verzoeker] recht heeft. De door [verzoeker] verzochte billijke vergoeding zal worden afgewezen. Hierna wordt uitgelegd waarom.\n\n2. De procedure\n\n2.1.. Het verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- de beschikking van 27 februari 2026 en de daarin genoemde processtukken;\n\n- de akte uitlating van [verzoeker] met producties;\n\n- de antwoordakte van MatchTalent met producties; - de brief van de griffier van 9 april 2025 aan de gemachtigde van [verzoeker] waarin hij in de gelegenheid is gesteld om te reageren op de producties ontvangen bij antwoordakte.\n\n2.2.. \n [verzoeker] heeft niet meer gereageerd op de door MatchTalent overgelegde producties bij antwoordakte. Daarom is de beschikking bepaald op vandaag.3. De verdere beoordeling\n\n3.1.. Bij beschikking van 27 februari 2026 is [verzoeker] in de gelegenheid gesteld om onderbouwd aan te geven wat de gemiddelde bonus is die hij heeft ontvangen over de periode van januari 2024 tot en met april 2025 (16 maanden).\n\n3.2.. \n [verzoeker] stelt bij akte dat hij niet meer beschikt over de loonstroken van januari 2024 en november 2024. Hij stelt dat het totaalbedrag aan uitbetaalde bonussen over de hele periode € 4.068,52 is en wegens de twee missende loonstroken van januari 2024 en november 2024 deelt hij dat bedrag door 14 maanden en komt uit op een gemiddelde bonus van € 290,61.\n\n3.3.. MatchTalent voert bij antwoordakte aan dat in de beschikking van 27 februari 2026 onder 5.22 ten onrechte is overwogen dat de ontvangen bonussen een structureel karakter hebben. Volgens MatchTalent dient de gemiddelde bonus niet betrokken te worden bij de hoogte van de gefixeerde schadevergoeding en billijke vergoeding. Daarnaast voert MatchTalent aan dat de gemiddelde bonus berekend dient te worden over het hele dienstverband van totaal 18 maanden. MatchTalent legt de loonstroken van januari 2024 en november 2024 over en voert aan dat daaruit volgt dat [verzoeker] in november 2024 een bonus van € 547,98 bruto heeft ontvangen en de gemiddelde bonus per maand € 256,50 bruto (€ 4.617,00\u002F18) bedraagt.\n\n3.4.. De kantonrechter stelt vast dat [verzoeker] niet meer gereageerd heeft op de door MatchTalent overgelegde loonstroken van januari 2024 en november 2024 en zal die daarom als juist beschouwen en meenemen bij de verdere beoordeling.\n\nTransitievergoeding\n\n3.5.. Het verzoek van [verzoeker] om MatchTalent te veroordelen tot betaling van een transitievergoeding wordt toegewezen. Er is geen grond om te oordelen dat het eindigen van de arbeidsovereenkomst het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van [verzoeker] .\n\n3.6.. De hoogte van de transitievergoeding wordt berekend aan de hand van het loon. Wat onder loon wordt verstaan is bepaald in de artikelen 2 en 3 van het Besluit loonbegrip vergoeding aanzegtermijn en transitievergoeding (hierna: het Besluit) in verbinding met de artikelen 4 en 5 van de Regeling looncomponenten en arbeidsduur. Daarom zal naast het loon van € 3.100,00 bruto per maand vermeerderd met 8% vakantietoeslag rekening worden gehouden met de bonus. Omdat [verzoeker] een maandelijks bonus kreeg als hij bepaalde prestaties of resultaten bereikte en geen sprake is van een jaarlijks betaalde bonus waar artikel 3 lid 1 onderdeel c van het Besluit vanuit gaat, zal de gemiddelde bonus worden vastgesteld over de hele duur van het dienstverband en dus over een periode van 18 maanden. Gezien het totaal aan ontvangen bonussen van € 4.617,00 komt dat neer op € 256,50 (€ 4.617,00\u002F18) per maand. Het door [verzoeker] gestelde mobiliteitsbudget wordt niet beschouwd als looncomponent die bij de berekening van de transitievergoeding moet worden meegenomen. Uit artikel 4.3 van de ‘overeenkomst mobiliteitsbudget’ – waarin is bepaald dat er geen aanspraak meer is op het mobiliteitsbudget bij langer dan 10 werkdagen afwezigheid – volgt dat sprake is van een reiskostenvergoeding. Het mobiliteitsbudget wordt daarom buiten beschouwing gelaten bij de berekening van de transitievergoeding.\n\n3.7.. Op grond van het voorgaande stelt de kantonrechter de transitievergoeding tot datum uitdiensttreding (23 juni 2025) en rekening houdend met het loon van € 3.604,50 (inclusief vakantiegeld en de gemiddelde bonus) per maand vast op € 2.976,04 bruto. Dit bedrag zal worden toegewezen.\n\n3.8.. De door [verzoeker] verzochte wettelijke verhoging over de transitievergoeding zal worden afgewezen omdat de transitievergoeding geen “in geld vastgesteld loon” als bedoeld in artikel 7:625 BW is. De verzochte wettelijke rente over de transitievergoeding zal worden toegewezen vanaf een maand na de dag waarop de arbeidsovereenkomst is geëindigd (artikel 7:686a BW).\n\nGefixeerde schadevergoeding\n\n3.9.. Door de onregelmatige opzegging is MatchTalent een gefixeerde schadevergoeding verschuldigd. De gefixeerde schadevergoeding omvat het bedrag van het “in geld vastgestelde loon” over de termijn dat de arbeidsovereenkomst bij regelmatige opzegging had behoren voort te duren.De kantonrechter is van oordeel dat gezien de voormelde formulering en de bewuste keuze van de wetgever om niet te voorzien in een volledige schadevergoeding maar in een gefixeerde schadevergoeding wegens onregelmatige opzegging, deze vergoeding moet worden gebaseerd op het overeengekomen loon. Dat bestaat uit het bedrag van € 3.100,00 bruto per maand, vermeerderd met 8% vakantietoeslag en de gemiddelde bonus. Het feit dat [verzoeker] arbeidsongeschikt is vanaf maart 2025 doet er niet aan af dat hij (ook) recht heeft op doorbetaling van de gemiddelde bonus. Het mobiliteitsbudget wordt hier buiten beschouwing gelaten omdat het geen loon is, zoals eerder is overwogen. De gefixeerde schadevergoeding wordt berekend over de periode van 23 juni 2025 tot 1 augustus 2025 en vastgesteld op € 4.565,70 bruto ((€ 3.604,50\u002F30) x 8) + € 3.604,50).\n\n3.10.. De door [verzoeker] verzochte wettelijke verhoging over de gefixeerde schadevergoeding zal worden afgewezen omdat het geen loon betreft. De verzochte wettelijke rente over de gefixeerde schadevergoeding wordt toegewezen vanaf de dag waarop de arbeidsovereenkomst is geëindigd, dus vanaf 23 juni 2025.\n\nBillijke vergoeding\n\n3.11.. \n [verzoeker] verzoekt dat MatchTalent hem een billijke vergoeding toekent van € 25.000,00 bruto waarvan:\n\n€ 2.712,40 aan misgelopen bonussen vanaf maart 2025,\n\n€ 3.900,00 aan misgelopen mobiliteitsbudget,\n\n€ 17.205,00 aan 75% van een gesloten leningsovereenkomst na toezeggingen van MatchTalent ,\n\n€ 1.182,60 aan immateriële schadevergoeding.\n\n3.12.. MatchTalent betwist dat [verzoeker] recht heeft op een billijke vergoeding.\n\n3.13.. De kantonrechter is van oordeel dat [verzoeker] in beginsel recht heeft op toekenning van een billijke vergoeding omdat MatchTalent ernstig verwijtbaar heeft gehandeld door onterecht tot ontslag op staande voet over te gaan. Bij het bepalen van de hoogte van de vergoeding kan rekening gehouden worden met alle omstandigheden van het geval, met inachtneming van de (niet limitatieve) gezichtspunten die de Hoge Raad in het New Hairstyle-arrestheeft geformuleerd, zoals de mate van verwijtbaarheid van de werkgever bij beëindiging en de gevolgen van het ontslag voor de werknemer.3.14.. De kantonrechter neemt het door [verzoeker] gestelde mobiliteitsbudget niet mee als materiele schadecomponent omdat het een onkostenvergoeding is. Evenmin neemt de kantonrechter de kosten van de leningsovereenkomst voor aanschaf van een auto mee als schadecomponent. Het was namelijk de eigen keuze van [verzoeker] om die leningsovereenkomst aan te gaan voor een luxere auto in plaats van gebruik van de poolauto die MatchTalent hem bood en dat staat los van de door MatchTalent beëindigde arbeidsovereenkomst. Voor wat betreft de misgelopen bonus geldt dat deze eerst na beëindiging van de arbeidsovereenkomst een schadecomponent kan zijn.\n\n3.15.. Hier is sprake van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd dat zonder het ontslag op staande voet per 1 augustus 2025 geëindigd zou zijn. In maart 2025 had MatchTalent al aan [verzoeker] medegedeeld dat zij de arbeidsovereenkomst niet wilde verlengen en vanaf 1 augustus 2025 heeft [verzoeker] een andere baan. Ten aanzien van die nieuwe baan heeft [verzoeker] ter zitting aangegeven dat hij bij zijn nieuwe werkgever iets meer verdient dan bij MatchTalent . Daarmee is inkomensverlies (aan misgelopen bonus) van [verzoeker] in ieder geval beperkt. MatchTalent heeft ernstig verwijtbaar gehandeld door het onterecht gegeven ontslag op staande voet en de eerdere onterecht opgelegde loonstop. Maar daar staat tegenover dat [verzoeker] zelf ook verwijtbaar heeft gehandeld en daarmee een rol heeft gespeeld in het ontstaan van het geschil. [verzoeker] heeft namelijk niet steeds een coöperatieve houding gehad tijdens het re-integratietraject, heeft ten onrechte geen toestemming gevraagd aan MatchTalent voor uitvoering van de taakstraf in april 2025 en hij heeft informatie gedeeld over zijn arbeidsrelatie met MatchTalent in ChatGPT. [verzoeker] heeft de gestelde immateriële schade niet onderbouwd en daarvoor ziet de kantonrechte geen aanleiding gezien het eigen verwijtbare handelen. Alles afwegende is de kantonrechter van oordeel dat er gezien het beperkte inkomensverlies van [verzoeker] , de mate van verwijtbaarheid alsmede de reeds toegekende transitievergoeding en vergoeding wegens onregelmatige opzegging geen aanleiding is om een billijke vergoeding toe te kennen.\n\nProceskosten\n\n3.16.. \n [verzoeker] verzoekt om vergoeding van werkelijke proceskosten wegens ernstig verwijtbaar handelen van MatchTalent . Een vergoeding van de werkelijke proceskosten is alleen toewijsbaar in geval van misbruik van procesrecht of onrechtmatig handelen. Daarvan is pas sprake als (in casu) het voeren van verweer, gelet op de evidente ongegrondheid ervan, in verband met de betrokken belangen van de wederpartij achterwege had behoren te blijven. Hiervan kan eerst sprake zijn als MatchTalent haar verweer baseert op feiten en omstandigheden waarvan zij de onjuistheid kende dan wel behoorde te kennen of op stellingen waarvan zij op voorhand moest begrijpen dat deze geen kans van slagen hadden. Bij het aannemen hiervan past terughoudendheid, gelet op het recht op toegang tot de rechter dat mede gewaarborgd wordt door artikel 6 EVRM.\n\n3.17.. De kantonrechter is van oordeel dat [verzoeker] onvoldoende onderbouwd heeft dat van misbruik van procesrecht of onrechtmatig handelen zijdens MatchTalent sprake is. De kantonrechter zal dan ook niet over gaan tot een veroordeling in de volledige proceskosten. De kantonrechter zal de proceskosten begroten op basis van het toepasselijke liquidatietarief. De proceskosten aan de zijde van [verzoeker] worden begroot op € 1.578,00 (€ 257,00 aan griffierecht, € 1.177,00 aan salaris gemachtigde en € 144,00 aan nakosten).\n\n4. De beslissing\n\nDe kantonrechter\n\n4.1.. veroordeelt MatchTalent om aan [verzoeker] te betalen een transitievergoeding van € 2.976,04 bruto vermeerderd met de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW hierover vanaf een maand na de dag waarop de arbeidsovereenkomst is geëindigd tot de dag van volledige betaling,\n\n4.2.. veroordeelt MatchTalent om aan [verzoeker] te betalen een gefixeerde schadevergoeding van € 4.565,70 bruto vermeerderd met de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW vanaf 23 juni 2025 tot de dag van volledige betaling,\n\n4.3.. veroordeelt MatchTalent in de proceskosten van € 1.578,00 te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als MatchTalent niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en de beschikking daarna wordt betekend,\n\n4.4.. verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad,\n\n4.5.. wijst het meer of anders verzochte af.\n\nDeze beschikking is gegeven door mr. Tilman-Knoester en in het openbaar uitgesproken op 22 mei 2026.\n\n Artikel 7:672 lid 11 BW\n\n Hoge Raad 30 juni 2017, ECLI:NL:HR:2017:1187\n\n Hoge Raad 29 juni 2007, ECLI:NL:HR:2012:BV7828\n\n Uitvoerbaar bij voorraad betekent dat de veroordelingen in de beschikking uitgevoerd moeten worden, ook als eventueel in hoger beroep wordt gegaan.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:5043","ecli-nl-rbzwb-2026-5043",{"courtName":6,"legalDomain":64,"decisionType":22,"procedureType":23},"Civiel recht; Arbeidsrecht",{"id":66,"ecli":67,"caseNumber":14,"courtId":5,"courtName":14,"decisionDate":59,"fullText":68,"language":7,"source":17,"sourceUrl":69,"summary":14,"slug":70,"metadata":71},"1153","ECLI:NL:RBZWB:2026:5037","RECHTBANKZEELAND-WEST-BRABANT\n\nCiviel recht\n\nKantonrechter\n\nZittingsplaats Tilburg\n\nZaaknummer \u002F rekestnummer: 12119469 \\ AZ VERZ 26-20\n\nBeschikking van 22 mei 2026\n\nin de zaak van\n\n [werknemer],\n\nwonende te [plaats 1] ,\n\nverzoekende partij,\n\nhierna te noemen: [werknemer] ,\n\ngemachtigde: mr. D.F. Oberman,\n\ntegen\n\nde besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [werkgever] B.V.,\n\nstatutair gevestigd en kantoorhoudende te [plaats 1] ,\n\nverwerende partij,\n\nhierna te noemen: [werkgever] ,\n\ngemachtigde: mr. C.H.G. Heijnen.\n\n1. De zaak in het kort\n\nHet gaat in deze zaak om door [werkgever] verleend ontslag op staande voet om reden dat [werknemer] in de bedrijfskantine van de Bijenkorf – waar [werkgever] een pop up store had – producten niet of niet volledig heeft afgerekend en goedkopere producten heeft aangeslagen dan de daadwerkelijk afgenomen producten. [werknemer] verzoekt om vernietiging van het ontslag op staande voet. [werknemer] betwist niet onjuist te hebben afgerekend, maar beroept zich op persoonlijke omstandigheden waardoor de dringende reden minder zwaar zou wegen. Daarnaast beroept [werknemer] zich op de ernstige gevolgen van het ontslag op staande voet voor hem. De kantonrechter oordeelt dat het ontslag op staande voet rechtsgeldig is gegeven. [werknemer] verzoekt ook om betaling van achterstallig loon en onverschuldigde betalingen die hij heeft gedaan. Die verzoeken worden toegewezen. Hierna zal worden uitgelegd waarom.\n\n2. De procedure\n\n2.1.. Het verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- het verzoekschrift met producties 1 tot en met 12;\n\n- het verweerschrift met producties 1 tot en met 5;\n\n- de namens [werknemer] toegezonden aanvullende producties 13 tot en met 16;\n\n- de namens [werkgever] toegezonden aanvullende producties 6 en 7.\n\n2.2.. Op 31 maart 2026 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden waarbij partijen met hun gemachtigden aanwezig waren. Partijen hebben spreekaantekeningen overgelegd en voorgedragen. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van de zitting. Na de inhoudelijke behandeling is de zitting geschorst voor het treffen van een regeling tussen partijen. Na de schorsing hebben partijen de kantonrechter medegedeeld dat zij een regeling hebben bereikt waarbij onder meer overeengekomen is dat de arbeidsovereenkomst op 28 februari 2026 is beëindigd. Die regeling is vastgelegd in een proces-verbaal en is (wegens een printerstoring bij de rechtbank) na afloop van de zitting door partijen op 31 maart 2026 ondertekend.\n\n2.3.. Bij bericht van 13 april 2026 heeft de gemachtigde van [werknemer] aan de kantonrechter medegedeeld dat [werknemer] gebruik wil maken van de bedenktermijn van veertien dagen en primair verzocht om een nieuwe mondelinge behandeling en subsidiair verzocht om een beslissing te geven. Als reactie daarop heeft de gemachtigde van [werkgever] bij brief van 14 april 2026 aan de kantonrechter medegedeeld dat [werknemer] misbruik van recht maakt door zich te beroepen op de bedenktermijn (onder meer) omdat zij kosten heeft gemaakt voor uitvoering van de afspraken en er een betaling van € 4.000,00 netto is verricht. De gemachtigde van [werkgever] heeft aangegeven dat er geen grond is voor aanhouding van de zaak of een nieuwe behandeling. De griffie van de rechtbank heeft de gemachtigden van partijen vervolgens bericht dat de zaak wordt verwezen voor beschikking.\n\n3. De feiten\n\n3.1.. \n [werkgever] is een bedrijf dat gespecialiseerd is in de verkoop van zoete lekkernijen (Turks fruit). Zij levert producten vanuit Turkije die onder het merk [merk] verkocht worden aan afnemers op de Nederlandse markt.\n\n3.2.. Sinds 1 oktober 2023 is [werknemer] (geboren op [geboortedag] 1983) als kennismigrant via een payrollconstructie (waarbij Ravecruitment BV en later [bedrijf] optraden als payrollbedrijf) bij [werkgever] in dienst getreden voor onbepaalde tijd in de functie van operations manager. De arbeidsovereenkomst is per 1 juli 2025 door [werkgever] en [werknemer] voortgezet voor bepaalde tijd tot en met 30 september 2026 voor 40 uur per week tegen een loon van laatstelijk € 5.688,00 bruto per maand te vermeerderen met 8% vakantietoeslag.\n\n3.3.. \n [werknemer] verrichtte in zijn functie van operations manager een zelfstandige en verantwoordelijke rol. Hij onderhield contacten met leveranciers in Turkije en was betrokken bij de verkoopactiviteiten.\n\n3.4.. In aanloop naar de feestdagen in december 2025 was [werknemer] veel aanwezig in de pop up store die [werkgever] had in de Bijenkorf in [plaats 2] . Eerder, op 9 mei 2025, heeft [werknemer] een zogenaamde dervingsverklaring bij de Bijenkorf getekend waarin (onder meer) staat dat zij een strikt beleid voert op het gebied van interne fraude en de gevolgen bij fraude zijn dat het dienstverband onmiddellijk wordt beëindigd en er aangifte wordt gedaan bij de politie.\n\n3.5.. Op 24 december 2024 is [werkgever] benaderd door de fraudeafdeling van de Bijenkorf omdat zij naar aanleiding van het algoritme van het softwareprogramma intern onderzoek heeft gedaan waaruit is gebleken dat [werknemer] in de periode van 21 november 2025 tot en met 5 december 2025 producten niet, of niet volledig, heeft afgerekend en goedkopere producten heeft aangeslagen dan de daadwerkelijk in de personeelskantine van de Bijenkorf door [werknemer] afgenomen producten. Dit is in die periode 17 keer voorgekomen waarbij totaal € 33,25 te weinig is betaald.\n\n3.6.. Op 29 december 2025 heeft [werkgever] [werknemer] in een gesprek geconfronteerd met de bevindingen van de Bijenkorf (waaronder foto’s en camerabeelden) en medegedeeld dat er sprake is van fraude dan wel diefstal. [werknemer] heeft in dat gesprek de gedragingen niet ontkend en aangegeven dat het een gering bedrag was en hij het missende bedrag wil betalen. [werkgever] heeft [werknemer] na afloop van het gesprek op non-actief gesteld.\n\n3.7.. \n [werkgever] heeft [werknemer] uitgenodigd voor een vervolggesprek op 31 december 2025 waarbij ook de echtgenote van [werknemer] aanwezig was. In dat gesprek heeft [werknemer] volgens [werkgever] geen afdoende verklaring gegeven voor zijn handelen. [werkgever] heeft [werknemer] in dat gesprek op staande voet ontslagen wegens fraude bij de Bijenkorf.\n\n3.8.. \n\nIn de ontslagbrief van 31 december 2025, die de heer [persoon 1] (hierna: [persoon 1] ) – die teamleider is bij [werkgever] – heeft ondertekend, is de volgende dringende reden genoemd:\n\n“Op 29 december 2025 bent u geïnformeerd dat er een melding is gekomen van fraude door u bij een van onze leveranciers, daarop bent u voor een periode van 48 uur op non-actief gesteld in verband met een intern onderzoek. Naar aanleiding van de uitkomsten van dit onderzoek is vandaag besloten uw arbeidsovereenkomst met onmiddellijke ingang te ontbinden.”\n\n3.9.. Vanaf juli 2025 tot en met oktober 2025 heeft [werkgever] het loon van [werknemer] niet volledig uitbetaald. Het (gedeeltelijke) loon van oktober 2025 heeft [werkgever] in december 2025 uitbetaald. Het loon van de maanden november en december 2025 is helemaal niet betaald.3.10.. Op 26 februari 2026 heeft de Bijenkorf aangifte gedaan van diefstal door [werknemer] in de periode tussen 21 november 2025 en 5 december 2025 door structureel te weinig af te rekenen.\n\n4. Het verzoek en het verweer\n\n4.1.. \n\n [werknemer] verzoekt:\n\nbij wijze van voorlopige voorziening\n\nI. [werkgever] te veroordelen tot betaling van het loon van € 5.688,00 bruto per maand, vermeerderd met vakantietoeslag vanaf 1 november 2025 tot de dag van rechtsgeldige beëindiging;\n\nII. [werkgever] in staat te stellen de overeengekomen werkzaamheden te verrichten, onder verbeurte van een dwangsom;\n\nprimair\n\nIII. het ontslag op staande voet te vernietigen;\n\nIV. [werkgever] te verplichten [werknemer] toe te laten tot de overeengekomen werkzaamheden, onder verbeurte van een dwangsom;\n\nsubsidiair\n\nV. [werkgever] te veroordelen tot betaling van een billijke vergoeding van € 55.000,00 bruto;\n\nVI. [werkgever] te veroordelen tot betaling van een transitievergoeding van € 4.266,00 bruto;\n\nVII. [werkgever] te veroordelen tot betaling van een vergoeding wegens onregelmatige opzegging begroot op € 5.688,00 bruto;\n\nVIII. [werkgever] te veroordelen tot overlegging van een deugdelijke eindafrekening met specificatie op straffe van een dwangsom van € 1.000,00 per dag;\n\nmeer subsidiair,voor het geval de arbeidsovereenkomst rechtsgeldig geëindigd mocht zijn door ontslag;\n\nIX. [werkgever] te veroordelen tot betaling van een transitievergoeding van € 4.056,48 bruto;\n\nX. [werkgever] te veroordelen tot overlegging van een deugdelijke eindafrekening met specificatie, op straffe van een dwangsom;\n\nin alle gevallen\n\nXI. [werkgever] te veroordelen tot betaling van de wettelijke rente vanaf het tijdstip van opeisbaarheid over de hiervoor genoemde bedragen;\n\nXII. [werkgever] te veroordelen tot betaling van achterstallig loon en onverschuldigde bedragen van € 20.547,79 netto vermeerderd met de wettelijke verhoging en wettelijke rente zodat het verschuldigde bedrag uitkomt op € 31.643,60 netto;\n\nXIII. [werkgever] te veroordelen in de kosten van de procedure.\n\n4.2.. \n [werknemer] stelt zich op het standpunt dat het ontslag op staande voet niet rechtsgeldig is gegeven omdat hij zich niet bewust was van eventuele fouten door medische klachten, de taalbarrière en sprake was van niet volledig betaald loon. Volgens [werknemer] heeft [werkgever] ten onrechte geen rekening gehouden met de verstrekkende gevolgen van het ontslag voor zijn verblijfsrecht en van zijn gezin dat van hem afhankelijk is. Daarnaast stelt [werknemer] dat hij totaal € 17.043,98 netto te weinig loon betaald heeft gekregen en hij onverschuldigde privébetalingen van totaal € 3.503,81 heeft gedaan aan [werkgever] die zij dient terug te betalen.4.3.. \n [werkgever] voert verweer en stelt dat het ontslag op staande voet wel terecht is gegeven. Volgens haar moet het verzoek tot vernietiging van het ontslag op staande voet worden afgewezen.\n\n4.4.. \n [werkgever] heeft een voorwaardelijk tegenverzoek gedaan voor het geval de kantonrechter het ontslag op staande voet zal vernietigen. In dat geval verzoekt zij om ontbinding van de arbeidsovereenkomst, zonder toekenning van een vergoeding en met veroordeling van [werknemer] in de kosten van de procedure.\n\n4.5.. Als reactie op het voorwaardelijk tegenverzoek heeft [werknemer] aangevoerd dat het verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst dient te worden afgewezen.\n\n5. De beoordeling\n\nBedenktermijn\n\n5.1.. Een werknemer heeft het recht om een gesloten vaststellingsovereenkomst (waarbij de arbeidsovereenkomst met de werkgever is beëindigd) zonder opgaaf van redenen, binnen veertien dagen na de datum waarop de overeenkomst tot stand is gekomen te ontbinden.Volgens de wetsgeschiedenis is gekozen voor een bedenktermijn om de werknemer een extra bescherming te bieden in verband met het grote belang voor de werknemer bij een arbeidsovereenkomst en gelet op het aan het arbeidsrecht ten grondslag liggende beginsel van de ongelijkheidscompensatie.Door de bedenktermijn moet voorkomen worden dat een werknemer (al dan niet onder psychische druk van de werkgever, in een emotionele toestand) instemt met een opzegging of beëindigingsovereenkomst, terwijl hij onvoldoende heeft kunnen overzien welke gevolgen de beëindiging van zijn arbeidsovereenkomst voor hem heeft.\n\n5.2.. De kantonrechter volgt [werkgever] niet in haar standpunt dat [werknemer] geen gebruik kon maken van de bedenktermijn. Het kan namelijk voorkomen dat een werknemer de gevolgen van een beëindigingsovereenkomst niet helemaal overziet en dat hij zich pas later realiseert wat de consequenties zijn van ondertekening van de beëindigingsovereenkomst. Niet vereist is dat de werknemer motiveert waarom hij gebruik maakt van zijn recht om zich te bedenken. Dit recht kan niet worden uitgesloten. Daarom kan ook niet snel sprake zijn van misbruik van omstandigheden. De kantonrechter is van oordeel dat hier geen sprake is van misbruik van omstandigheden door [werknemer] . Eventueel gemaakte kosten van [werkgever] voor uitvoering van de regeling en de gestelde betaling van [werkgever] maken niet dat het inroepen van de bedenktermijn door [werknemer] naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Dit betekent dat [werknemer] de vaststellingsovereenkomst rechtsgeldig heeft ontbonden. Dit heeft tot gevolg dat de arbeidsovereenkomst niet met wederzijds goedvinden per 28 februari 2026 is beëindigd.\n\nVerzoek tot vernietiging ontslag op staande voet: geen switch\n\n5.3.. Een werknemer, die vindt dat zijn arbeidsovereenkomst niet rechtsgeldig is opgezegd door zijn werkgever, moet in een procedure een keuze maken tussen het verzoek tot vernietiging van de opzegging en het verzoek tot toekenning van schadevergoeding (billijke vergoeding en gefixeerde schadevergoeding). [werknemer] heeft gekozen voor de vernietiging van de opzegging en heeft geen ‘switch’ gemaakt. [werknemer] heeft daardoor ervoor gekozen het verzoek tot vernietiging van het ontslag te laten beoordelen en niet het subsidiaire verzoek tot toekenning van de voornoemde schadevergoeding.\n\nOntslag op staande voet5.4. De kantonrechter oordeelt dat het ontslag op staande voet rechtsgeldig is. De kantonrechter legt hierna uit hoe zij tot dit oordeel is gekomen.\n\n5.5.. Op grond van de wet is iedere partij bevoegd de arbeidsovereenkomst onverwijld op te zeggen om een dringende reden, onder onverwijlde mededeling van die reden aan de wederpartij.Het ontslag moet dus ‘onverwijld’ zijn gegeven, er moet sprake zijn van een dringende reden voor het ontslag en die reden moet ook ‘onverwijld’ zijn meegedeeld.\n\n5.6.. Als dringende redenen worden beschouwd zodanige daden, eigenschappen of gedragingen van de werknemer, die ten gevolge hebben dat van de werkgever redelijkerwijs niet gevergd kan worden de arbeidsovereenkomst te laten voortduren.Bij de beoordeling van de vraag of van een zodanige dringende reden sprake is, zijn alleen de opgegeven redenen maatgevend en moeten de omstandigheden van het geval in onderling verband en samenhang in aanmerking worden genomen. Tot deze omstandigheden behoren onder meer de persoonlijke omstandigheden van de werknemer, zoals diens leeftijd, de aard en duur van het dienstverband en de gevolgen van het ontslag op staande voet. Ook als de gevolgen ingrijpend zijn, kan een afweging van de persoonlijke omstandigheden tegen de aard en de ernst van de dringende reden tot de slotsom leiden dat een onmiddellijke beëindiging van de arbeidsovereenkomst gerechtvaardigd is.\n\nBevoegd gegeven ontslag en onverwijld\n\n5.7.. Het ontslag op staande voet is gegeven door [persoon 1] in het gesprek van 31 december 2025. [persoon 1] heeft dat ontslag op staande voet met toestemming van [werkgever] gegeven. Mevrouw [persoon 2] (hierna: [persoon 2] ), die indirect bestuurder is van [werkgever] , was namelijk ook bij het gesprek van 31 december 2025 aanwezig en de ontslagbrief (die per mail is verzonden) is ook in cc aan [persoon 2] verzonden. Op de mondelinge behandeling heeft [werknemer] ook gesteld dat hij het ontslag door een bevoegd persoon niet langer betwist. Uitgegaan wordt daarom van een bevoegd gegeven ontslag. De kantonrechter is daarnaast van oordeel dat het ontslag onverwijld is gegeven. Dit is ook niet in geschil tussen partijen.\n\nHoor\u002Fwederhoor\n\n5.8.. \n\n [werknemer] beroept zich erop dat [werkgever] ten onrechte geen wederhoor heeft toegepast, maar daarin volgt de kantonrechter [werknemer] niet. Er hebben namelijk gesprekken plaatsgevonden op 29 en 31 december 2025 waarin [werkgever] de bevindingen over het onjuist afrekenen in de personeelskantine heeft voorgehouden aan [werknemer] en hem gelegenheid gegeven om daarop te reageren. [werknemer] heeft in die gesprekken de bevindingen niet ontkend en ook in deze procedure heeft hij het verweten handelen niet ontkend. Gelet op de erkenning van [werknemer] , die bevestigd wordt met de overgelegde foto’s, is geen sprake van ongefundeerde beschuldigingen. De stelling van [werknemer] dat er in de gesprekken sprake was van een intimiderende toonzetting van de zijde van HacibabaHd, heeft [werkgever] betwist en dat is niet komen vast te staan. Het van de zijde van [werkgever] benoemen van diefstal en [werknemer] erop wijzen dat hij daarmee een groot probleem heeft, kan voor [werknemer] hard zijn overgekomen, maar is niet te beschouwen als een ontoelaatbare bejegening. Het door [werkgever] aan [werknemer] voorhouden van de bevindingen in combinatie met de ontslagbrief maken dat het voor [werknemer] voldoende duidelijk was wat de dringende reden van het ontslag op staande voet is. De kantonrechter passeert daarom ook de stelling van [werknemer] dat de ontslagbrief te algemeen en onvoldoende geconcretiseerd is.\n\nDringende reden\n\n5.9.. \n\nDe dringende reden bestaat uit het onjuist afrekenen van producten in de personeelskantine van de Bijenkorf. [werknemer] ontkent niet dat hij in de periode van 21 november 2025 tot en met 5 december 2025 17 keer onjuist heeft afgerekend. [werknemer] heeft bij de Bijenkorf een dervingsverklaring getekend en niet uitdrukkelijk betwist dat hij wist van het zero-tolerance beleid van de Bijenkorf. Bijenkorf heeft het onjuist afrekenen door [werknemer] hoog opgenomen door aangifte te doen bij de politie en de store approvalvan [werknemer] in te trekken. [werknemer] heeft in de korte periode dat hij werd gecontroleerd dagelijks onjuist afgerekend. Van een werknemer mag verwacht worden dat hij weet dat hij alle producten op zijn dienblad moet aanslaan en dat hij juiste aanslagen doet. [werknemer] heeft dit niet gedaan want hij heeft minder producten en\u002Fof totaal andere producten aangeslagen dan op zijn dienblad stonden. Verwacht mocht worden dat hij het verschil tussen knäckebröd en een muffin of bolletje begreep. Ook waren de op het dienblad geplaatste artikelen als muffin en cola Engelstalig en mag verondersteld worden dat die [werknemer] bekend waren. Ter zitting heeft [werknemer] aangegeven dat hij dacht dat het systeem “het gepakt heeft” maar nergens uit blijkt dat sprake was van een gebrekkig kassasysteem en het lag op de weg van [werknemer] om steeds te kijken dat producten goed geselecteerd waren na het aanslaan. [werknemer] heeft meerdere keren onjuist afgerekend waardoor sprake is van een patroon. Daarbij komt dat [werknemer] een voorbeeldfunctie als manager naar collega’s had, waardoor zijn handelen extra is aan te rekenen. Het eventuele feit dat [werkgever] [werknemer] niet in het FAD systeem heeft geregistreerd, doet er niet aan af dat sprake is van een dringende reden.\n\nVerzachtende omstandigheden\n\n5.10.. De stelling van [werknemer] dat hij destijds regelmatig last had van migraine, daarvoor medicatie gebruikte als valproïnezuur, Relpax en eletriptan, een andere taalachtergrond heeft, soms lange werkdagen maakte en hij sinds oktober 2025 geen loon had ontvangen, maken de dringende reden niet minder zwaarwegend. Voor zover medische klachten of medicijngebruik van invloed konden zijn op zijn functioneren had verwacht mogen worden dat hij zich ziek had gemeld. [werknemer] heeft ook niet aan [werkgever] gemeld dat hij niet in staat was om zijn werkzaamheden naar behoren te verrichten of dat lange dagen van invloed waren op zijn functioneren. Overigens blijkt uit het door [werkgever] overgelegde overzicht met kloktijden (productie 7) dat het aantal dagen dat hij langer dan 8,5 uur (8 uur werktijd en 0,5 uur pauze) aanwezig was relatief beperkt was. [werknemer] erkent verder dat hij uitleg had gekregen van personeel van de Bijenkorf over bediening van de kassa en hij bediende ook de kassa bij de shop van Hacibiba in de Bijenkorf. Een taalbarrière kan verder geen rechtvaardiging zijn voor het verkeerd aanslaan, want als hij tegen onduidelijkheden aanliep of vragen had over het kassasysteem dan had hij daarvoor hulp moeten inroepen. Verder is het feit dat [werknemer] niet zijn volledige loon ontving vervelend voor hem, maar geen verzachtende omstandigheid voor zijn handelen. Dat geldt ook voor de door [werknemer] beweerde stress die hij ervoer bij het afrekenen in de personeelskantine van de Bijenkorf omdat meerdere mensen achter hem stonden. Een rij achter hem betekende namelijk niet dat hij producten niet of niet volledig hoefde aan te slaan.\n\nGevolgen\n\n5.11.. De vraag is dan of de gedragingen van [werknemer] , gelet op de gevolgen van het ontslag op staande voet voor hem het ontslag op staande voet rechtvaardigen. De kantonrechter is van oordeel dat de gevolgen van het ontslag op staande voet voor [werknemer] groot zijn omdat hij geen inkomen heeft en naar eigen zeggen zijn verblijfsvergunning in gevaar komt. Dit maakt echter niet dat [werkgever] hem niet als gevolg van deze diefstallen bij haar belangrijkste klant mocht ontslaan.\n\n5.12.. Op grond van het voorgaande wordt het verzoek tot vernietiging van het ontslag op staande voet afgewezen. Het verzoek tot toelating tot de werkzaamheden zal ook worden afgewezen.\n\nTransitievergoeding\n\n5.13.. Het verzoek om [werkgever] te veroordelen tot betaling van een transitievergoeding wordt eveneens afgewezen. De kantonrechter heeft hiervoor geoordeeld dat sprake is van feiten en omstandigheden die een dringende reden opleveren voor het ontslag op staande voet. Die feiten en omstandigheden brengen in dit geval ook mee dat het eindigen van de arbeidsovereenkomst het gevolg is van handelen of nalaten van [werknemer] dat als ernstig verwijtbaar moet worden aangemerkt. Daarom is geen transitievergoeding verschuldigd.\n\nEindafrekening\n\n5.14.. \n [werknemer] verzoekt om een eindafrekening met specificatie op straffe van een dwangsom. Uit de laatste loonstrook van december 2025 blijkt niet dat [werkgever] een eindafrekening heeft verstrekt met opgebouwd vakantiegeld en niet opgenomen vakantiedagen tot 31 december 2025. [werkgever] zal daarom veroordeeld worden die te verstrekken. Voor oplegging van een dwangsom ziet de kantonrechter geen aanleiding en die zal worden afgewezen.\n\nLoon\n\nTe weinig betaald loon\n\n5.15.. \n [werknemer] stelt dat in zijn nettoloon van € 4.607,33 per maand de 30% regeling is inbegrepen en dat vanaf juli 2025 niet meer volledig is betaald en de maanden november en december 2025 helemaal niet meer zijn betaald. Hij stelt dat [werkgever] over de periode van juli 2025 tot en met december 2025 totaal € 17.043,98 netto te weinig loon heeft betaald.\n\n5.16.. \n [werkgever] betwist dat [werknemer] recht had op de 30% regeling omdat die uitsluitend gold bij het dienstverband met Ravecruitment\u002F [bedrijf] en die regeling niet is overeengekomen bij voortzetting van de arbeidsovereenkomst met haar.\n\n5.17.. De kantonrechter is van oordeel dat [werknemer] onvoldoende heeft onderbouwd waarom hij ook op grond van de (direct) met [werkgever] gesloten arbeidsovereenkomst per 1 juli 2025 recht had op de 30% regeling. Een afspraak hierover blijkt niet uit de gesloten arbeidsovereenkomst en dit heeft [werknemer] na de betwisting van [werkgever] niet onderbouwd. Daarnaast is ook niet gesteld of gebleken dat partijen daarvoor gezamenlijk een aanvraag hebben ingediend bij de belastingdienst en dat de belastingdienst goedkeuring heeft gegeven. Toepassing van de 30% regeling kan alleen aan de orde zijn als de belastingdienst goedkeuring daarvoor heeft bevestigd.\n\n5.18.. Op basis van de loonstroken en betaalbewijzen zal uitgegaan worden van een nog door [werkgever] verschuldigd bedrag aan achterstallig loon van totaal € 13.181,72 netto zoals volgt uit navolgend overzicht:\n\nNettoloon volgens loonstroken\n\nBetaald\n\nNog te betalen\n\nJuli 25 - € 3.963,62\n\n€ 1.000,-- d.d. 13-08-2025\n\n€ 2.963,62\n\nAug 25 - € 3.963,62\n\n€ 3.200,-- d.d 27-08-2025\n\n€ 763,62\n\nSep 25 - € 3.963,62\n\n€ 3.200,-- d.d. 24-10-2025\n\n€ 763,62\n\nOkt 25 - € 3.963,62\n\n€ 3.200,-- d.d. 24-12-2025\n\n€ 763,62\n\nNov 25 - € 3.963,62\n\nniets\n\n€ 3.963,62\n\nDec 25 - € 3.963,62\n\nniets\n\n€ 3.963,62\n\nTotaal\n\n€ 13.181,72 netto\n\n5.19.. Op grond van het voorgaande zal aan achterstallig loon over de periode juli 2025 tot en met december 2025 een bedrag van € 13.181,72 netto worden toegewezen. Voor zover [werknemer] de door [werkgever] gestelde betaling van € 4.000,00 heeft ontvangen, dient dit in mindering te worden gebracht op het toe te wijzen bedrag aan loon.\n\nTerugbetaling privébetalingen5.20.. Daarnaast verzoekt [werknemer] om terugbetaling van privébetalingen die hij heeft gedaan aan [werkgever] omdat [werkgever] in de eerste helft van 2025 een loon van € 3.125,00 netto en later € 3.200,00 netto passend achtte. [werknemer] stelt dat het gaat om terugbetaling van totaal € 3.503,81 netto (op 03-03-2025 € 574,49, op 26-03-2025 € 607,33, op 27-04-2025 € 607,33, op 26-05-2025 € 607,33 en op 05-07-2025 € 1.107,33).\n\n5.21.. \n [werkgever] betwist dat [werknemer] recht heeft op het verzochte bedrag van € 3.503,81 netto en voert ter zitting aan dat sprake was van een lening waarop door [werknemer] werd afbetaald.\n\n5.22.. De kantonrechter is van oordeel dat [werkgever] onvoldoende onderbouwd heeft dat sprake was van afbetalingen van [werknemer] op een lening. Ter zitting heeft [werkgever] aan de kantonrechter wel een briefje in het Turks getoond, maar dat is een stuk dat door [werkgever] zelf is opgesteld en nergens uit blijkt dat [werknemer] daarmee akkoord is gegaan. Aan het verweer van [werkgever] dat de betalingen van [werknemer] zien op een lening wordt daarom als onvoldoende onderbouwd voorbij gegaan. Omdat er geen grond is gebleken waarom [werknemer] de betalingen aan [werkgever] heeft gedaan, heeft [werknemer] recht op terugbetaling van het bedrag van € 3.503,81 netto. Dit bedrag is toewijsbaar.\n\nWettelijke verhoging\n\n5.23.. \n [werknemer] verzoekt om toekenning van de wettelijke verhoging van 50% over het totale loon. [werkgever] verzoekt om matiging van die wettelijke verhoging gelet op de omstandigheden van het geval en omdat [werknemer] de wijze van betaling niet eerder ter discussie heeft gesteld.\n\n5.24.. De kantonrechter zal de wettelijke verhoging toewijzen over het bedrag van € 13.181,72 omdat [werkgever] dat loon ten onrechte niet heeft betaald en van rechtswege in verzuim is met te late betaling. De kantonrechter ziet aanleiding de wettelijke verhoging te matigen tot 25% gezien de gestelde financiële situatie van [werkgever] . De wettelijke verhoging over het bedrag van € 3.503,81 netto zal worden afgewezen omdat die uit hoofde van onverschuldigde betaling toewijsbaar is en niet als loon.\n\nWettelijke rente\n\n5.25.. De door [werknemer] verzochte wettelijke rente over het onbetaalde loon van € 13.181,72 netto zal worden toegewezen vanaf de data van opeisbaarheid. Daarnaast zal de wettelijke rente over de privébetalingen van € 3.503,81 netto worden toegewezen vanaf datum van indiening van het verzoekschrift, zijnde 26 februari 2026. Niet gesteld of gebleken is namelijk dat er sprake is van kwader trouw bij [werkgever] ten aanzien van het bedrag van € 3.503,81 netto waardoor zij op grond van artikel 6:205 BW zonder ingebrekestelling in verzuim is en de wettelijke rente vanaf datum ontvangst van de betalingen zou moeten lopen.\n\nVoorlopige voorziening\n\n5.26.. Aan het verzoek van [werknemer] om een voorlopige voorziening wordt gezien de eindbeslissing niet toegekomen.\n\nVoorwaardelijke ontbinding\n\n5.27.. \n\nHet verzoek van [werkgever] tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst is ingediend voor het geval het ontslag op staande voet niet rechtsgeldig zou zijn verleend. Omdat hiervoor is geoordeeld dat het ontslag wel rechtsgeldig is gegeven en de voorwaarde voor het verzoek op ontbinding niet is vervuld, komt de kantonrechter niet toe aan behandeling van dat verzoek.\n\nProceskosten\n\n5.28.. Omdat beide partijen op punten ongelijk krijgen, ziet de kantonrechter aanleiding om de proceskosten te compenseren, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.\n\n6. De beslissing\n\nDe kantonrechter\n\n6.1.. wijst de verzoeken tot vernietiging van het ontslag op staande voet en werkhervatting af,\n\n6.2.. veroordeelt [werkgever] om aan [werknemer] een eindafrekening te verstrekken met specificatie,\n\n6.3.. veroordeelt [werkgever] om aan [werknemer] te betalen een bedrag van € 13.181,72 netto aan te weinig betaald loon, vermeerderd met de wettelijke verhoging ex artikel 7:625 BW van 25% en vermeerderd met de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW vanaf de verzuimdata tot de dag van volledige betaling,\n\n6.4.. veroordeelt [werkgever] om aan [werknemer] te betalen een bedrag van € 3.503,81 netto aan onverschuldigde betalingen, vermeerderd met de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW vanaf 26 februari 2026 tot de datum van volledige betaling,6.5.. bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt,\n\n6.6.. verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad,\n\n6.7.. wijst het meer of anders verzochte af.\n\nDeze beschikking is gegeven door mr. Tilman-Knoester en in het openbaar uitgesproken op 22 mei 2026.\n\n Artikel 7:670b lid 2 Burgerlijk Wetboek (BW)\n\n Kamerstukken II 2013\u002F14, 33 818, nr. 3, p. 103\n\n Kamerstukken II 2013\u002F14, 33 818, nr. 7, p. 56\n\n Artikel 7:677 lid 1 BW\n\n Artikel 7:678 lid 1 BW\n\n Artikel 7:673 lid 7, onder c BW\n\n Uitvoerbaar bij voorraad betekent dat de veroordelingen in de beschikking uitgevoerd moeten worden, ook als eventueel in hoger beroep wordt gegaan.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:5037","ecli-nl-rbzwb-2026-5037",{"courtName":6,"legalDomain":64,"decisionType":22,"procedureType":23},{"id":73,"ecli":74,"caseNumber":14,"courtId":5,"courtName":14,"decisionDate":75,"fullText":76,"language":7,"source":17,"sourceUrl":77,"summary":14,"slug":78,"metadata":79},"1154","ECLI:NL:RBZWB:2026:5038","2026-05-11T00:00:00.000Z","RECHTBANKZEELAND-WEST-BRABANT\n\nCiviel recht\n\nKantonrechter\n\nZittingsplaats Tilburg\n\nZaaknummer \u002F rekestnummer: 12078654 \\ AZ VERZ 26-11\n\nBeschikking van 11 mei 2026\n\nin de zaak van\n\n [werknemer],\n\nwonende te [plaats] ,\n\nverzoekende partij,\n\nhierna te noemen: [werknemer] ,\n\ngemachtigde: mr. T.T. van Woensel,\n\ntegen\n\nde besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [werkgever] B.V.,\n\nstatutair gevestigd te [plaats] ,\n\nverwerende partij,\n\nhierna te noemen: [werkgever] ,\n\nprocederend in persoon, vertegenwoordigd door [gemachtigde] (bestuurder).\n\n1. De zaak in het kort\n\n [werknemer] verzoekt om toekenning van een transitievergoeding wegens opzegging van de arbeidsovereenkomst door [werkgever] . [werkgever] erkent een transitievergoeding verschuldigd te zijn, maar beroept zich op verrekening met ongeoorloofde verzuimuren. De kantonrechter wijst het beroep van [werkgever] op verrekening af en wijst de vastgestelde transitievergoeding toe.\n\n2. De procedure\n\n2.1.. Het verloop van de procedure blijkt uit:\n\nhet verzoekschrift met producties dat op 30 januari 2026 ter griffie is ontvangen;\n\nde akte houdende wijziging van het verzoek, tevens overlegging aanvullende producties;\n\nde door [werkgever] overgelegde producties;\n\nde mondelinge behandeling van 13 april 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt;\n\nde spreekaantekeningen van [werknemer] , met daarin een eiswijziging.\n\n2.2.. De beschikking is bepaald op vandaag.\n\n3. De feiten\n\n3.1.. \n [werknemer] , geboren [geboortedag] 2006, is per 1 juli 2022 in dienst getreden bij [werkgever] als algemeen medewerker voor de duur van veertien maanden. Per 1 augustus 2023 hebben partijen een nieuwe arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd gesloten (voor 36 maanden). Die arbeidsovereenkomst was gekoppeld aan een opleidingsovereenkomst in het kader van de beroepsbegeleidende leerweg zoals bedoeld in de Wet educatie en beroepsonderwijs, gesloten tussen [werknemer] , [werkgever] en het [mbo-school] .\n\n3.2.. \n [werknemer] ontving van [werkgever] een loon van laatstelijk € 1.645,94 bruto per maand voor de overeengekomen duur van 38 uur per week.\n\n3.3.. Op de gesloten arbeidsovereenkomst is de CAO voor het Metaalbewerkingsbedrijf van toepassing.\n\n3.4.. Bij brief van 29 september 2025 heeft [werkgever] aan [werknemer] medegedeeld dat de arbeidsovereenkomst wordt beëindigd wegens tekortkomingen in het functioneren en dat met een opzegtermijn van één maand de laatste werkdag van [werknemer] op 31 oktober 2025 zal zijn.\n\n3.5.. \n [werknemer] heeft berust in de opzegging van [werkgever] .\n\n3.6.. De gemachtigde van [werknemer] heeft aan [werkgever] verzocht om verstrekking van loonstroken en de jaaropgave alsmede betaling van de transitievergoeding. [werknemer] heeft inmiddels toegang tot de loonstroken en jaaropgave, maar de transitievergoeding heeft hij niet ontvangen.\n\n4. Het verzoek en het verweer\n\n4.1.. \n [werknemer] verzoekt de kantonrechter (na schriftelijke eiswijziging ter zitting) om [werkgever] te veroordelen om aan hem te betalen het netto-equivalent van € 2.241,81 bruto aan verschuldigde transitievergoeding vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 31 oktober 2025 tot de dag van volledige betaling, met veroordeling van [werkgever] in de kosten van de procedure, vermeerderd met de wettelijke rente.\n\n4.2.. \n [werknemer] legt aan zijn verzoek het volgende ten grondslag. Door opzegging van de arbeidsovereenkomst door [werkgever] is [werkgever] de transitievergoeding verschuldigd. De transitievergoeding moet worden berekend tot 1 augustus 2026 omdat [werkgever] de arbeidsovereenkomst tegen die datum regelmatig kon opzeggen.\n\n4.3.. \n [werkgever] voert verweer. Zij voert het volgende aan. Op de verschuldigde transitievergoeding dient in mindering te worden gebracht 45 uur ongeoorloofde verzuimuren op school. [werkgever] heeft geen bezwaar gemaakt tegen de ter zitting gewijzigde eis van [werknemer] .\n\n5. De beoordeling\n\nTransitievergoeding\n\n5.1.. Het gaat in deze zaak om de vraag of [werkgever] een transitievergoeding verschuldigd is aan [werknemer] . [werkgever] heeft geen bezwaar gemaakt tegen de ter zitting gewijzigde eis van [werknemer] en is hierdoor ook niet in haar verweer benadeeld.\n\n5.2.. Omdat de arbeidsovereenkomst niet is voortgezet op initiatief van [werkgever] is zij op grond van de wet een transitievergoeding verschuldigd.De kantonrechter dient de transitievergoeding ambtshalve te berekenen.De hoogte van de transitievergoeding dient te worden bepaald aan de hand van het tijdstip waarop de arbeidsovereenkomst zou zijn geëindigd als de werkgever deze regelmatig (met de juiste opzegtermijn) zou hebben opgezegd.Bij regelmatige beëindiging (uitgaande van toestemming van het UWV tot opzegging) kon [werkgever] de arbeidsovereenkomst op grond van artikel 1 lid 2 van de arbeidsovereenkomst (productie 3 verzoekschrift) tussentijds beëindigen met een opzegtermijn van één maand.De transitievergoeding wordt daarom berekend over de periode van 1 juli 2022 tot en met 31 oktober 2025. Uitgaande van het door [werknemer] gestelde bruto maandloon van € 1.645,94 – welk loon [werkgever] niet betwist – en vermeerderd met 8% vakantietoeslag, bedraagt de door [werkgever] verschuldigde transitievergoeding € 1.975,13 bruto.\n\n5.3.. \n [werkgever] beroept zich op verrekening met ongeoorloofde verzuimuren van [werknemer] . [werknemer] betwist echter dat sprake is van ongeoorloofd verzuim en [werkgever] heeft niet met overzichten inzichtelijk gemaakt wanneer dan sprake zou zijn geweest van ongeoorloofd verzuim. [werkgever] heeft daarmee onvoldoende gesteld voor een mogelijke vordering van haar op [werknemer] . Omdat de gegrondheid van het beroep op verrekening niet op eenvoudige wijze is vast te stellen, zal de kantonrechter op grond van de wet aan het beroep op verrekening voorbij gaan.\n\n5.4.. Het voorgaande leidt ertoe dat aan transitievergoeding het bedrag van € 1.975,13 bruto toewijsbaar is.\n\nWettelijke rente\n\n5.5.. De wettelijke rente over de transitievergoeding wordt toegewezen vanaf een maand na de dag waarop de arbeidsovereenkomst is geëindigd (artikel 7:686a lid 1 BW).\n\nProceskosten\n\n5.6.. De proceskosten komen voor rekening van [werkgever] omdat [werkgever] ongelijk krijgt. De proceskosten aan de zijde van [werknemer] worden begroot op € 814,00 (€ 93,00 aan griffierecht, € 577,00 aan salaris gemachtigde en € 144,00 aan nakosten) plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing.\n\n5.7.. De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.\n\n6. De beslissing\n\nDe kantonrechter\n\n6.1.. veroordeelt [werkgever] om aan [werknemer] te betalen het netto-equivalent van € 1.975,13 bruto aan transitievergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over dat bedrag vanaf een maand na de dag waarop de arbeidsovereenkomst is geëindigd tot aan de dag van de gehele betaling,\n\n6.2.. veroordeelt [werkgever] in de proceskosten van € 814,00 te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [werkgever] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en de beschikking daarna wordt betekend,\n\n6.3.. veroordeelt [werkgever] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,\n\n6.4.. verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad,\n\n6.5.. wijst het meer of anders verzochte af.\n\nDeze beschikking is gegeven door mr. Zander en in het openbaar uitgesproken op 11 mei 2026.\n\n Artikel 7:673 Burgerlijk Wetboek (BW)\n\n Hoge Raad 7 maart 2025, ECLI:NL:HR:2025:365\n\n Hoge Raad 17 juli 2020, ECLI:NL:HR:2020:1286 r.o. 3.3.9\n\n Artikel 16 CAO en artikel 7:672 BW\n\n Artikel 6:136 BW\n\n Uitvoerbaar bij voorraad betekent dat de veroordelingen in de beschikking uitgevoerd moeten worden, ook als eventueel in hoger beroep wordt gegaan.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:5038","ecli-nl-rbzwb-2026-5038",{"courtName":6,"legalDomain":64,"decisionType":22,"procedureType":23}]