ECLI:NL:CBB:2026:309
Rezumatul Cauzei
Bestuursrecht
Uitspraak
Den Haag
proces-verbaal uitspraakCOLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
zaaknummer: 24/1016
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van22 juni 2026
Voorzitter:mr. R.C. Stam
Griffier: mr. J.M. Baars
Partijen
[naam 1], te [vestigingsplaats] (de maatschap), waarvoor aanwezig zijn [naam 2] en [naam 3] , bijgestaan door mr. Th.J.H.M. Linssen
en
de minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur, vertegenwoordigd door mr. C.J.M. Daniels
Beslissing
Het College:
verklaart het beroep gegrond;
vernietigt de beslissing op bezwaar van 17 oktober 2024 voor zover daarbij de hoogte van de toegekende subsidie is gehandhaafd op € 1.502.419,92;
herroept het besluit van 29 mei 2024 in zoverre, stelt de toe te kennen subsidie vast op € 1.573.809,93 en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde gedeelte van de beslissing op bezwaar;
draagt de minister op het betaalde griffierecht van € 371,- aan de maatschap te vergoeden;
veroordeelt de minister in de proceskosten van de maatschap tot een bedrag van
€ 3.001,-.
Overwegingen
1. Met het besluit van 29 mei 2024 heeft de minister subsidie aan de maatschap toegekend op grond van de Landelijke beëindigingsregeling veehouderijlocaties voor stikstofreductie (Lbv). Met het besluit van 17 oktober 2024 heeft de minister het bezwaar van de maatschap tegen het subsidiebesluit ongegrond verklaard. Tegen dat besluit heeft de maatschap beroep ingesteld.
2 Op 12 mei 2026 heeft een zitting van de meervoudige kamer plaatsgevonden. Aan de zitting hebben deelgenomen: [naam 2] en [naam 3] , namens de maatschap, bijgestaan door mr. Th.J.H.M. Linssen, en mr. C.J.M. Daniels en C. Zieleman, namens de minister. Het College heeft het onderzoek op de zitting geschorst om de maatschap de gelegenheid te bieden nader bewijs bij te brengen en de zaak verwezen naar de enkelvoudige kamer. De (vervolg)zitting van de enkelvoudige kamer heeft plaatsgevonden op 22 juni 2026.
3 Na de schorsing hebben partijen overeenstemming bereikt over dat de berging, drukkamer en luchtwasser (in totaal 140,08 m2) door een brandwerende wand worden gescheiden van de rest van stal 1 en daarmee (toch) behoren tot het dierenverblijf en voor subsidie in aanmerking komen. Dat betekent dat de minister met het besluit van 29 mei 2024 te weinig subsidie aan de maatschap heeft toegekend.
4 Tussen partijen is nog in geschil of van stal 2 de centrale gang (in totaal 115,55 m2) subsidiabel is. Stal 2 is in 1980 volledig gerenoveerd en heringericht, en is daarbij ook vergroot. Er is een gang aangebouwd langszij een oorspronkelijke buitenmuur. Die centrale gang verbindt de compartimenten van de stal. De gang is nodig voor de aan- en afvoer van de dieren (ze zouden anders rechtstreeks in de open lucht terecht komen) en vervult tevens een wezenlijke functie bij de klimaatbeheersing en luchtzuivering van de stal.
5 Tijdens de zittingen heeft het College samen met partijen de verschillende bouwtekeningen en foto’s van de gebouwen bezien en besproken. Het College is van oordeel dat het door de minister van subsidie uitgesloten deel van stal 2 (centrale gang) zich wel binnen de buitenmuren van het gebouw bevindt. Een buitenmuur is de muur aan de voorkant, achterkant of zijkant van een gebouw, die beschermt tegen weersinvloeden en bijdraagt aan de isolatie en structurele stabiliteit. Stal 2 is vergroot met een langszij één van de oorspronkelijke buitenmuren gebouwde centrale gang. Het College heeft geen reden om te twijfelen aan de juistheid van de door de maatschap beschreven functies van die centrale gang. Met de volledige renovatie en het vergroten van de oorspronkelijke stal is een nieuwe buitenmuur gerealiseerd. Dat bij die renovatie de oorspronkelijke buitenmuur is blijven staan (en nog steeds bijdraagt aan de stabiliteit van het gebouw), is daarbij van geen belang. De Woz-taxatieverslagen, waar de minister zich mede op beroept, vormen misschien een aanwijzing voor de tot een gebouw behorende oppervlakte, maar zijn hier voor het bewijs niet doorslaggevend.
6 Dit alles leidt tot het oordeel dat de minister bij de toekenning van de Lbv-subsidie van een te klein subsidiabel oppervlakte is uitgegaan. Het beroep is daarom gegrond. Het College zal de beslissing op bezwaar vernietigen voor wat betreft de hoogte van het subsidiebedrag. Het College zal zelf in de zaak voorzien door het besluit van 29 mei 2024 in zoverre te herroepen en de toe te kennen subsidie vast te stellen op € 1.573.809,93. Hierbij is het College van de volgende gegevens uitgegaan.
7 Bij de berekening van het subsidiebedrag heeft de minister voor stal 1 140,08 m2 aan oppervlakte te weinig in aanmerking genomen en voor stal 2 115,55 m2. De waarde per m2 bedraagt voor stal 1 € 418,90 en voor stal 2 € 110,-. De minister heeft dus € 71.390,01 ((140,08× € 418,90 = € 58.679,51) + (115,55× € 110,- = € 12.710,50)) te weinig subsidie toegekend. De (alsnog) totaal toe te kennen subsidie komt daarmee op € 1.573.809,93
(€ 1.502.419,92 + € 71.390,01).
8 Omdat het beroep gegrond is moet de minister het door de maatschap betaalde griffierecht van € 371,- aan haar vergoeden. Het College zal verder de minister veroordelen in de door de maatschap in bezwaar en beroep gemaakte proceskosten. Deze proceskosten stelt het College op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 3.001,- .
punten
tarief
bezwaarschrift
1
€ 666,-
€ 666,-
beroepschrift
1
€ 934,-
€ 934,-
zitting
1
€ 934,-
€ 934,-
vervolgzitting
0,5
€ 934,-
€ 467,-
totaal
€ 3.001,-
De voorzitter is verhinderd dit w.g. J.M. Baars
proces-verbaal te ondertekenen.