Skip to main content

ECLI:NL:CBB:2026:317

Instanță

Den Haag

Data

7 July 2026

Limba

nl

Rezumatul Cauzei

Problema Juridică

Bestuursrecht

Hotărâre / Soluție

Uitspraak

Den Haag

Procedure: UitspraakDomain: BestuursrechtType: uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummers: 25/383 en 25/384

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 7 juli 2026 in de zaken tussen

[naam 1] , handelend onder de naam [naam 2] , te [woonplaats] (ondernemer)

en

de minister van Economische Zaken en Klimaat

(gemachtigde: mr. S. Piron)

Procesverloop

Met het besluit van 25 februari 2025 (afwijzingsbesluit) heeft de minister de verzoeken van de ondernemer tot herziening van de besluiten van 9 maart 2022 en 10 mei 2022 tot afwijzing van de subsidieaanvragen op grond van de Regeling subsidie vaste lasten financiering COVID-19 (TVL) voor respectievelijk het vierde kwartaal (Q4) van 2021 en het eerste kwartaal (Q1) van 2022 afgewezen.

Met de besluiten van 10 april 2025 (bestreden besluiten) heeft de minister het daartegen

door de ondernemer gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

De ondernemer heeft tegen de bestreden besluiten beroep ingesteld.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

De ondernemer heeft nadere stukken ingediend.

De zitting was op 21 mei 2026. Aan de zitting hebben deelgenomen: [naam 1] en de gemachtigde van de minister.

Inleiding

1.1. De ondernemer heeft op 24 december 2021 en 30 maart 2022 aanvragen gedaan voor TVL-subsidie voor respectievelijk Q4 van 2021 (voor zaak 25/383) en Q1 van 2022 (voor zaak 25/384). Op 9 maart 2022 (voor zaak 25/383) en 10 mei 2022 (voor zaak 25/384) heeft de minister deze aanvragen afgewezen (subsidiebesluiten), omdat de ondernemer niet voldoet aan het vereiste van minimaal 30% omzetverlies. De ondernemer heeft geen bezwaar gemaakt tegen de subsidiebesluiten.

1.2. Op 26 november 2024 heeft de ondernemer verzocht om herziening van de subsidiebesluiten (herzieningsverzoeken). De minister heeft de herzieningsverzoeken afgewezen. Dat de ondernemer wel in aanmerking zou komen voor de TVL-subsidies, behoorde al eerder bekend te zijn en had hij daarom al eerder moeten inbrengen. Een gegrond beroep in een eerder subsidiekwartaal werkt bovendien niet door in latere kwartalen. De minister heeft de bezwaren van de ondernemer tegen de afwijzingsbesluiten ongegrond verklaard omdat er geen sprake is van relevante nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden. Ook is er geen sprake van een kennelijke misslag of van bijzondere feiten en omstandigheden die maken dat de afwijzing van de herzieningsverzoeken evident onredelijk zou zijn.

1.3. De vraag die in deze zaken voorligt is of de minister de herzieningsverzoeken terecht heeft afgewezen.

Wettelijk kader

2 Het toepasselijke wettelijke kader is opgenomen in een bijlage bij deze uitspraak.

Standpunten van partijen

3 De ondernemer is het niet eens met de afwijzing van de herzieningsverzoeken. Hij voert aan dat er wel sprake is van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden. Op 21 maart 2023 heeft het College hem in het gelijk gesteld in een beroep over een subsidie voor Q1 van 2021 op grond van de Regeling subsidie financiering vaste lasten startende MKB-ondernemingen COVID-19 (SVL) (ECLI:NL:CBB:2023:145; de uitspraak van 21 maart 2023). Hieruit volgt dat hij wel degelijk in aanmerking komt voor TVL-subsidie. Daardoor is er ook sprake van een kennelijke misslag in de subsidiebesluiten, omdat overduidelijk is dat de TVL-subsidies moesten worden verleend. Bovendien had de minister de subsidiebesluiten moeten herzien, in overeenstemming met zijn eigen herzieningspraktijk voor gevallen waarin onjuiste SBI-codes ten onrechte niet zijn gecorrigeerd na een toegekend bezwaar in eerdere periodes. Verder is door de minister ten onrechte geen rekening gehouden met zijn medische situatie en andere persoonlijke en zakelijke omstandigheden tijdens de coronacrisis. Hij is op 14 februari 2021 met spoed opgenomen in het ziekenhuis vanwege hartproblemen en heeft hierna nog veel last gehad van fysieke en psychische klachten. Het is daarom ook evident onredelijk om de herzieningsverzoeken af te wijzen.

4 De minister stelt zich op het standpunt dat hij de herzieningsverzoeken terecht heeft afgewezen. Er is geen sprake van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden. De uitspraak van 21 maart 2023 levert geen nieuw feit of veranderde omstandigheid op. In die uitspraak ging het over SVL voor subsidieperiode Q1 van 2021 en daaruit volgt niet dat de ondernemer recht zou hebben op TVL-subsidie voor andere kwartalen. In die zaak had de minister een fout gemaakt die niet met een intrekking van het besluit mocht worden hersteld. Dat betekent niet dat er daarom wel recht op TVL-subsidie zou bestaan voor de subsidieperiodes Q4 van 2021 en Q1 van 2022. De uitspraak van 21 maart 2023 verandert niets aan het feit dat die subsidieaanvragen terecht zijn afgewezen. Indien geen sprake is van een nieuw feit of veranderde omstandigheid, hanteert de minister bij de TVL het vaste uitgangspunt om bij verzoeken om herziening overeenkomstige toepassing te geven aan artikel 4:6, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Alleen als er sprake is van een evidente onredelijkheid of van een kennelijke misslag ziet de minister dan aanleiding om te herzien. In deze procedure is de minister niet gebleken dat sprake is van een kennelijke misslag of dat er bijzondere omstandigheden zijn die het afwijzingsbesluit evident onredelijk maken. De persoonlijke en overige omstandigheden geven geen aanleiding om het afwijzingsbesluit te herzien. Deze zaak valt ook niet onder de categorale uitzonderingsgrond voor onjuiste SBI-codes die ten onrechte niet zijn gecorrigeerd. Tijdens de zitting heeft de minister toegelicht dat de TVL-aanvragen voor Q4 van 2021 en Q1 van 2022 niet zijn afgewezen vanwege een onjuiste SBI-code. Deze categorale uitzonderingsgrond gold alleen voor twee specifieke TVL-subsidieperiodes (Q4 van 2020 en Q1 van 2021) en dus niet voor de voor deze zaak relevante subsidieperiodes (Q4 van 2021 en Q1 van 2022).

Beoordeling van het beroep

5.1. Bij een verzoek om herziening is een bestuursorgaan in het algemeen bevoegd om het verzoek inhoudelijk te behandelen. Daarbij zal het bestuursorgaan het oorspronkelijke besluit in volle omvang heroverwegen en kan het bestuursorgaan het verzoek inwilligen of afwijzen. Een bestuursorgaan mag dit ook als de aanvrager aan zijn verzoek geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden ten grondslag heeft gelegd. In dat geval toetst de bestuursrechter het besluit op die aanvraag als ware dit het eerste besluit over die aanvraag. Het bestuursorgaan kan er ook voor kiezen om het verzoek af te wijzen onder verwijzing naar zijn eerdere afwijzende besluit, als er volgens hem geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn. Daarmee geeft het bestuursorgaan dan overeenkomstige toepassing aan artikel 4:6, tweede lid, van de Awb. In dat geval toetst de bestuursrechter of het bestuursorgaan zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat er geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn. Van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zoals bedoeld in artikel 4:6 van de Awb is sprake als deze feiten en omstandigheden na het eerdere besluit zijn voorgevallen of niet vóór dat besluit konden en dus behoorden te worden aangevoerd.

5.2. In dit geval heeft de minister de herzieningsverzoeken afgewezen, omdat geen sprake was van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden. Het College zal toetsen of dit standpunt van de minister terecht is.

5.3. Het is vaste rechtspraak dat een uitspraak van een rechterlijke instantie geen nieuw gebleken feit of veranderde omstandigheid is als bedoeld in artikel 4:6 van de Awb (zie bijvoorbeeld de uitspraak van het College van 2 maart 2021, ECLI:NL:CBB:2021:217). Uit de uitspraak van 21 maart 2023 over de SVL voor subsidieperiode Q1 van 2021 volgt overigens niet dat de ondernemer in aanmerking komt voor TVL-subsidie voor andere subsidieperiodes. Verder is niet gebleken van nieuwe feiten en of veranderde omstandigheden die de ondernemer niet eerder had kunnen inbrengen in een bezwaar tegen de subsidiebesluiten. Dat betekent dat het standpunt van de minister dat de ondernemer aan zijn herzieningsverzoek geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden ten grondslag heeft gelegd, juist is. Dit kan de afwijzing van de verzoeken om terug te komen op een in rechte onaantastbaar besluit in beginsel dragen. Dit is anders als de weigering door het bestuursorgaan om terug te komen van een eerder besluit evident onredelijk is.

5.4. In aanvulling op de hiervoor genoemde uitspraak luidt het beleid van de minister voor herziening in verband met een kennelijke misslag als volgt. De minister komt terug op een besluit als op het moment van het nemen van het besluit sprake was van een kennelijke misslag in het besluit. Dat is het geval als sprake is van een overduidelijk onjuist besluit, dat wil zeggen dat het in één oogopslag en zonder enig nader onderzoek duidelijk is. Dat is in deze zaak niet het geval. Niet is gebleken dat sprake is van een kennelijke misslag. Zoals de minister heeft toegelicht, is hier ook niet de categorale uitzonderingsgrond voor onjuiste SBI-codes van toepassing.

5.5. Voor het oordeel dat de weigering om een eerder besluit te herzien evident onredelijk is, moeten zich bijzondere feiten en/of omstandigheden voordoen die tot het oordeel kunnen leiden dat de minister in het geval van de onderneming minder belang heeft mogen hechten aan overwegingen van rechtszekerheid en doelmatig bestuur dan aan het financiële belang van de onderneming. Van zulke feiten of omstandigheden is niet gebleken. Daarbij is van belang dat de ondernemer de mogelijkheid heeft gehad om tegen de subsidiebesluiten rechtsmiddelen in te stellen en dat niet heeft gedaan. Dit moet voor zijn rekening en risico komen. Een herzieningsprocedure is niet bedoeld om alsnog een bezwaarprocedure te kunnen doorlopen. In dit licht acht het College het afwijzingsbesluit ook niet evident onredelijk. De minister heeft de herzieningsverzoeken van de onderneming daarom terecht afgewezen.

Slotsom

6 De beroepen zijn ongegrond. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

Het College verklaart de beroepen ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.J. Jacobs, in aanwezigheid van mr. L. ten Hove, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 7 juli 2026.

w.g. M.J. Jacobs w.g. L. ten Hove

Bijlage

Algemene wet bestuursrecht (Awb)

Artikel 4:6

1. Indien na een geheel of gedeeltelijk afwijzende beschikking een nieuwe aanvraag wordt gedaan, is de aanvrager gehouden nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden te vermelden.

2. Wanneer geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden worden vermeld, kan het bestuursorgaan zonder toepassing te geven aan artikel 4:5 de aanvraag afwijzen onder verwijzing naar zijn eerdere afwijzende beschikking.

Mai Multe Decizii