[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"decision-ecli-nl-ghams-2026-1670":3,"decision-more-ecli-nl-ghams-2026-1670":20},{"id":4,"ecli":5,"caseNumber":6,"courtId":7,"courtName":8,"courtSlug":9,"decisionDate":10,"fullText":11,"language":12,"source":13,"sourceUrl":14,"summary":6,"slug":15,"metadata":16},"2004","ECLI:NL:GHAMS:2026:1670","",56,"Amsterdam","amsterdam","2026-06-23T00:00:00.000Z","GERECHTSHOF AMSTERDAM\n\nafdeling civiel recht en belastingrecht,\n\nteam I (handel)\n\nzaaknummer : 200.349.867\u002F01\n\nzaak-\u002Frolnummer rechtbank : C\u002F15\u002F333568 \u002F HA ZA 22-668\n\narrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 23 juni 2026\n\nin de zaak van\n\n1. PODOCENTRUM ALKMAAR B.V.,\n\n gevestigd te Alkmaar,\n\n2. [appellant 1],\n\n handelend onder de naam PODOLOGIC,\n\n gevestigd te Ommen,\n\n3. [appellant 2]en\n\n [appellant 3],\n\n vennoten van SHOE-FIT V.O.F.,\n\n gevestigd te Tegelen,\n\n4. [appellant 4],\n\n handelend onder de naam PODOZORG NIEUWPOORT,\n\n gevestigd te Nieuwpoort,\n\n5. STICHTING VOOR VOET- EN HOUDING BEROEPEN,\n\n handelend onder de naam STICHTING LANDELIJK OVERKOEPELEND ORGAAN\n\n VOOR PODOLOGIE,\n\n gevestigd te Utrecht,\n\nappellanten in principaal hoger beroep, geïntimeerden in incidenteel hoger beroep,\n\nadvocaat: mr. T.A.M. van den Ende te Utrecht,\n\ntegen\n\n1. VGZ U.A.,\n\n2. VGZ ZORGVERZEKERAAR N.V.,\n\n3. IZA ZORGVERZEKERAAR N.V.,\n\n4. N.V. ZORGVERZEKERAAR UMC,\n\n5. N.V. UNIVÉ ZORG,\n\n allen gevestigd te Arnhem,\n\ngeïntimeerden in principaal hoger beroep, appellanten in incidenteel hoger beroep,\n\nadvocaat: mr. M.E. Jannink te Amsterdam.\n\nPartijen worden hierna LOOP e.a. en VGZ e.a. genoemd.\n\nAppellanten 1 tot en met 4 in principaal hoger beroep worden gezamenlijk ook aangeduid als de aangesloten zorgaanbieders.\n\nAppellante 5 in principaal hoger beroep wordt afzonderlijk aangeduid als Stichting LOOP.\n\n1. De zaak in het kort\n\nDe bij Stichting LOOP aangesloten zorgaanbieders verlenen voetzorg. Zij verstrekken onder meer steunzolen aan hun cliënten. Deze verstrekkingen vallen niet onder de verplichte basiszorgverzekering. VGZ e.a. zijn zorgverzekeraars. De procedure gaat om de vraag of VGZ e.a. verplicht zijn de kosten van de steunzolen aan hun verzekerden te vergoeden als deze een aanvullende zorgverzekering hebben en de steunzolen worden verstrekt door registerpodologen of podoposturaal therapeuten, die geen podotherapeut zijn. De rechtbank is van oordeel dat dit niet zo is, en het hof is het daarmee eens.\n\n2. Het geding in hoger beroep\n\nLOOP e.a. zijn bij dagvaarding van 3 januari 2025 in hoger beroep gekomen van een vonnis van 9 oktober 2024 van de rechtbank Noord-Holland, onder bovenvermeld zaaknummer gewezen tussen VGZ e.a. als eisers in conventie, verweerders in reconventie en LOOP e.a. als gedaagden in conventie, eisers in reconventie.\n\nPartijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:\n\n- memorie van grieven tevens akte wijziging van eis, met producties;\n\n- memorie van antwoord in principaal hoger beroep\u002Fmemorie van grieven in incidenteel hoger beroep tevens akte wijziging eis, met producties;\n\n- memorie van antwoord in incidenteel hoger beroep, tevens akte bezwaar wijziging eis.\n\nOp 13 april 2026 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden. De advocaten hebben de zaak toegelicht aan de hand van spreekaantekeningen die zij hebben overgelegd. VGZ e.a. hebben nog een productie in het geding gebracht.\n\nTen slotte is arrest gevraagd.\n\n3. Feiten\n\nHet hof gaat uit van de volgende feiten.\n\n3.1.. \n\nVGZ e.a. zijn zorgverzekeraars. Stichting Loop is een brancheorganisatie. Zij behartigt de belangen van zorgaanbieders op het gebied van podologie. Zorgaanbieders die bij Stichting Loop zijn aangesloten zijn onder andere registerpodologen en podoposturaal therapeuten. Een registerpodoloog is gespecialiseerd in het onderzoeken en behandelen van klachten die ontstaan in de stand van de voeten. Een podoposturaal therapeut maakt gebruik van reflexwerking onder de voeten om stands- en houdingsverandering hoger in het lichaam teweeg te brengen. Naast registerpodologen en podoposturaal therapeuten verlenen ook podotherapeuten voetzorg. Podotherapeuten zijn niet bij Stichting LOOP aangesloten.\n\nDe appellanten 1 tot en met 4 in principaal hoger beroep zijn zorgaanbieders die zijn aangesloten bij Stichting LOOP.\n\n3.2.. Zowel podotherapeuten als registerpodologen en podoposturaal therapeuten kunnen steunzolen leveren. Tot 2015 bestond tussen Stichting LOOP en VGZ e.a. een overeenkomst op grond waarvan Stichting LOOP de kosten van door de aangesloten zorgaanbieders afgeleverde steunzolen bij VGZ e.a. declareerde. VGZ e.a. vergoedden deze kosten als de desbetreffende aanvullende zorgverzekering in een vergoeding voor de kosten van steunzolen voorzag. Vanaf 2015 moesten de aangesloten zorgaanbieders zelf de kosten bij VGZ e.a. declareren. Sindsdien is er tussen Stichting LOOP e.a. en VGZ e.a. gecorrespondeerd over het wel of niet blijven vergoeden van de kosten van door de aangesloten zorgaanbieders afgeleverde steunzolen.\n\n3.3.. \n\nVGZ e.a. hebben in 2020 besloten het vergoeden van de kosten van door de aangesloten zorgaanbieders afgeleverde steunzolen te beëindigen met ingang van 2021.\n\nBij vonnis van 10 november 2020 heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Gelderland in kort geding onder meer VGZ e.a. geboden ‘het op 18 juni 2020 genomen besluit om de door\n\nregisterpodologen en podoposturaal therapeuten te leveren steun- en\u002Fof therapiezolen vanaf\n\n1 januari 2021 niet langer vanuit de aanvullende verzekering te vergoeden, zoals zij dat op\n\ndit moment nog wel doen, met onmiddellijke ingang ongedaan te maken’ en VGZ e.a. veroordeeld ‘om het afleveren van steun- en therapiezolen door registerpodologen en\n\npodoposturaal therapeuten aan haar verzekerden met een aanvullende verzekering\n\ngedurende het jaar 2021 te blijven vergoeden overeenkomstig de wijze van vergoeding in\n\n2020’ en ‘op hun website(s) binnen vijf werkdagen na heden bekend te maken dat de vergoeding van door registerpodologen en podoposturaal therapeuten te leveren steun- en therapiezolen in 2021 gehandhaafd blijft’.\n\n3.4.. VGZ e.a. hebben Stichting LOOP op 16 augustus 2021 bericht dat zij met ingang van 1 januari 2022 de kosten van door registerpodologen en podoposturaal therapeuten afgeleverde steunzolen niet langer vanuit de aanvullende zorgverzekering zouden vergoeden. Bij vonnis van 27 september 2021 heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Gelderland in kort geding VGZ e.a. verboden om aan dit besluit uitvoering te geven.\n\n3.5.. Bij arrest van 15 februari 2022 heeft het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden het kortgedingvonnis van 10 november 2020 bekrachtigd wat betreft de in 3.3 vermelde beslissingen.\n\n4. Procedure bij de rechtbank\n\n4.1.. VGZ e.a. hebben bij de rechtbank gevorderd om bij vonnis, zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, te verklaren voor recht dat het VGZ e.a. jegens gedaagden vrijstaat om in haar polisvoorwaarden van aanvullende verzekeringen de vergoeding voor het verstrekken van steunzolen geleverd door (register)podologen en podoposturaal therapeuten uit te sluiten, met veroordeling van LOOP e.a. in de proceskosten.\n\n4.2.. LOOP e.a. hebben in reconventie gevorderd om bij vonnis, zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, te verklaren voor recht dat VGZ e.a. jegens LOOP e.a. onrechtmatig handelen:\n\n- door de vergoeding voor het leveren van steunzolen door registerpodologen en podoposturaal therapeuten niet op te nemen in de polisvoorwaarden van aanvullende verzekeringen; en\n\n- door de vergoeding van de voetzorg door de registerpodologen en podoposturaal therapeuten niet op te nemen in de aanvullende verzekeringen, dan wel door de voetzorg door de registerpodologen en podoposturaal therapeuten niet vanuit de aanvullende verzekeringen te vergoeden,\n\nmet veroordeling van VGZ e.a. in de proceskosten.\n\n4.3.. Bij het bestreden vonnis heeft de rechtbank in conventie voor recht verklaard dat het VGZ e.a. vrijstaat om in hun polisvoorwaarden van aanvullende zorgverzekeringen de vergoeding voor het verstrekken van steunzolen geleverd door (register)podologen uit te sluiten. De vorderingen van LOOP e.a. in reconventie zijn afgewezen. LOOP e.a. zijn in conventie en reconventie veroordeeld in de proceskosten.\n\n5. Vorderingen in hoger beroep\n\n5.1.. LOOP e.a. vorderen dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen, de vorderingen van VGZ e.a. alsnog zal afwijzen en, met wijziging van hun oorspronkelijke (reconventionele) eis, te verklaren voor recht:\n\n- dat VGZ e.a. onrechtmatig jegens LOOP e.a. handelen door de vergoeding voor het leveren van steunzolen door registerpodologen en podoposturaal therapeuten niet op te nemen in de polisvoorwaarden van aanvullende verzekeringen; en\n\n- dat VGZ e.a. onrechtmatig jegens LOOP e.a. handelen door de vergoeding van de voetzorg door de registerpodologen en podoposturaal therapeuten niet op te nemen in de aanvullende verzekeringen, dan wel door deze voetzorg niet vanuit de aanvullende verzekeringen te vergoeden; en\n\n- dat VGZ e.a. gehouden zijn de vergoeding van de steunzolen door registerpodologen en podoposturaal therapeuten onverminderd voort te zetten conform de door haar gemaakte afspraak,\n\nmet veroordeling, zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, van VGZ e.a. in de proceskosten.\n\n5.2.. Volgens VGZ e.a. moet het hof de vorderingen van LOOP e.a. afwijzen en het vonnis bekrachtigen.\n\n5.3.. VGZ e.a. vorderen daarnaast in incidenteel hoger beroep, met wijziging van hun oorspronkelijke eis, dat het hof voor recht zal verklaren dat het VGZ e.a. ten opzichte van LOOP e.a. vrijstaat om:\n\n- in hun polisvoorwaarden van aanvullende zorgverzekeringen de vergoeding voor het verstrekken van steunzolen geleverd door (register)podologen en podoposturaal therapeuten uit te sluiten;\n\n- de coulancevergoeding voor het verstrekken van steunzolen geleverd door (register)podologen dan wel podoposturaal therapeuten te beëindigen,\n\nmet veroordeling, zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, van LOOP e.a. in de proceskosten.\n\n6. Beoordeling\n\n6.1.. Deze procedure gaat over het vergoeden van de kosten voor voetzorg, in het bijzonder de kosten voor steunzolen, aan verzekerden van VGZ e.a. Het afleveren van steunzolen is geen verzekerde prestatie onder de verplichte zorgverzekering (de basisverzekering). De aanvullende zorgverzekeringen die VGZ e.a. aanbieden, voorzien in veel gevallen wel in een vergoeding. Aan een dergelijke vergoeding zijn voorwaarden verbonden die zijn opgenomen in de polisvoorwaarden van deze aanvullende verzekeringen.\n\n6.2.. In de polisvoorwaarden van de aanvullende zorgverzekeringen van VGZ e.a. is als voorwaarde voor het vergoeden van de kosten van steunzolen opgenomen dat de steunzolen moeten zijn afgeleverd door een podotherapeut of een orthopedische schoenmakerij (SEMH-OSB) of werkplaats (SEMH-OIM). De polisvoorwaarden van sommige aanvullende zorgverzekeringen stonden daarnaast vergoeding toe van steunzolen die werden afgeleverd door podoposturaal therapeuten.6.3.. Tussen VGZ e.a. en Stichting LOOP heeft gedurende een aantal jaren tot 2015 een overeenkomst bestaan op grond waarvan podoposturaal therapeuten en registerpodologen die bij Stichting LOOP waren aangesloten, voetzorg onder de basisverzekering mochten leveren en tevens onder de aanvullende zorgverzekeringen steunzolen mochten afleveren, voor zover die verzekeringen toelieten dat steunzolen ook werden afgeleverd door podoposturaal therapeuten. Vanaf 2015 vergoeden VGZ e.a. onder de basisverzekering geen voetzorg meer die wordt verleend door podoposturaal therapeuten en registerpodologen. In overleg met Stichting LOOP zijn VGZ e.a. vanaf 2015 nog wel – buiten de polisvoorwaarden van de aanvullende zorgverzekeringen om – de kosten blijven vergoeden van steunzolen die werden afgeleverd door bij Stichting LOOP aangesloten registerpodologen, voor zover het ging om aanvullende zorgverzekeringen die wél voorzagen in een vergoeding van door podoposturaal therapeuten afgeleverde steunzolen.\n\n6.4.. VGZ e.a. hebben de polisvoorwaarden van de aanvullende zorgverzekeringen met ingang van 2020 aangepast, waardoor de aanspraak op vergoeding verviel voor de kosten van steunzolen die podoposturaal therapeuten afleverden. Na overleg met Stichting LOOP hebben VGZ e.a. besloten de praktijk van het vergoeden van kosten van steunzolen van podoposturaal therapeuten en registerpodologen in 2020 nog voort te zetten. Vervolgens is deze vergoeding blijven bestaan op grond van de in kort geding gegeven uitspraken.\n\nUitgangspunt\n\n6.5.. Een aanvullende zorgverzekering is een schadeverzekering. Het hof stelt voorop dat aan VGZ e.a. als zorgverzekeraars de vrijheid toekomt om de aanvullende zorgverzekeringen naar eigen inzichten vorm te geven. Dit is een wezenlijk verschil met de basisverzekering in de zin van de Zorgverzekeringswet, die moet voldoen aan hetgeen daarover bij of krachtens de Zorgverzekeringswet is geregeld, en waarvan de verzekerde prestaties het bij of krachtens deze wet geregelde niet te boven mogen gaan. Het uitgangspunt is dan ook dat VGZ e.a. in de polisvoorwaarden van de aanvullende zorgverzekeringen de vergoeding voor kosten van steunzolen mogen beperken tot steunzolen die worden afgeleverd door podotherapeuten en orthopedische schoenmakerijen of werkplaatsen.\n\nSchakeljurisprudentie (onrechtmatig handelen)\n\n6.6.. \n\nLOOP e.a. bepleiten een beperking van de vrijheid die VGZ e.a. op dit punt toekomt.\n\nZij doen daarvoor onder meer een beroep op de zogenoemde schakeljurisprudentie.\n\nDe grieven 4 en 5 van LOOP e.a. in principaal hoger beroep hebben hierop betrekking.\n\nDe schakeljurisprudentie houdt het volgende in:\n\n‘Wanneer iemand zich contractueel heeft gebonden, waardoor de contractsverhouding waarbij hij partij is in het rechtsverkeer een schakel is gaan vormen waarmee de belangen van derden, die aan dit verkeer deelnemen, in allerlei vormen kunnen worden verbonden, staat het hem niet onder alle omstandigheden vrij de belangen te verwaarlozen die derden bij de behoorlijke nakoming van het contract kunnen hebben. Indien de belangen van een derde zo nauw zijn betrokken bij de behoorlijke uitvoering van de overeenkomst dat hij schade of ander nadeel kan lijden als een contractant in die uitvoering tekortschiet, kunnen de normen van hetgeen volgens ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt, meebrengen dat die contractant deze belangen dient te ontzien door zijn gedrag mede door die belangen te laten bepalen. Bij de beantwoording van de vraag of deze normen dit meebrengen, zal de rechter de terzake dienende omstandigheden van het geval in zijn beoordeling dienen te betrekken, zoals de hoedanigheid van alle betrokken partijen, de aard en strekking van de desbetreffende overeenkomst, de wijze waarop de belangen van de derde daarbij zijn betrokken, de vraag of deze betrokkenheid voor de contractant kenbaar was, de vraag of de derde erop mocht vertrouwen dat zijn belangen zouden worden ontzien, de vraag in hoeverre het voor de contractant bezwaarlijk was met de belangen van de derde rekening te houden, de aard en omvang van het nadeel dat voor de derde dreigt en de vraag of van hem kon worden gevergd dat hij zich daartegen had ingedekt, alsmede de redelijkheid van een eventueel aan de derde aangeboden schadeloosstelling.’ In dit ‘beoordelingskader is bepalend of de aangesproken partij haar verklaringen en gedragingen ter zake van de overeenkomst waarbij zij partij is, mede diende te laten bepalen door de belangen van de betrokken derde, en is dus niet mede vereist dat de aangesproken partij is tekortgeschoten in de nakoming van de overeenkomst waarbij zij partij is en waarmee de belangen van die derde verbonden zijn’ (HR 14 juli 2017, ECLI:NL:HR:2017:1355, rov. 3.3.2 en 3.3.3, HR 24 september 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO9069, rov: 3.4).\n\n6.7.. In de kern komt het betoog van LOOP e.a. erop neer dat zij er een belang bij hebben dat VGZ e.a. de kosten van door podoposturaal therapeuten en registerpodologen afgeleverde steunzolen aan hun aanvullend verzekerden blijven vergoeden en dat VGZ e.a. hun keuzes bij het vaststellen van de voorwaarden voor het vergoeden van deze kosten mede moeten laten bepalen door dit belang. Volgens LOOP e.a. maakt het daarbij niet uit of VGZ e.a. al dan niet jegens hun verzekerden tekortschieten in het nakomen van verplichtingen op grond van de aanvullende zorgverzekering als de vergoedingen voor door podoposturaal therapeuten en registerpodologen afgeleverde steunzolen van dekking worden uitgesloten. LOOP e.a. zien het overigens ook als een belang van de aanvullend verzekerden om vergoeding te blijven ontvangen voor dergelijke steunzolen.\n\n6.8.. Het hof is van oordeel dat het behoorlijk uitvoeren van de overeenkomsten tussen VGZ e.a. en hun aanvullend verzekerden niet in het gedrang komt als VGZ e.a. de kosten van steunzolen van podoposturaal therapeuten en registerpodologen niet meer vergoeden. Het staat namelijk niet ter discussie dat VGZ e.a. de polisvoorwaarden in de relatie met hun verzekerden (jaarlijks) hebben mogen aanpassen en dat dit plaatsvindt met instemming van de verzekerden. Deze verzekerden kunnen hun aanvullende verzekering opzeggen en overstappen naar een andere verzekeraar die andere voorwaarden hanteert, indien de aanpassing hun instemming niet heeft. Er is bovendien geen of onvoldoende aanleiding om aan te nemen dat de aanvullend verzekerden in de praktijk worden belemmerd om steunzolen te verkrijgen in het geval de vergoeding daarvan volgens de voorwaarden van de aanvullende zorgverzekeringen van VGZ e.a. is beperkt tot steunzolen die worden afgeleverd door podotherapeuten.\n\n6.9.. De vraag is dus of VGZ e.a., ondanks het behoorlijk uitvoeren van de overeenkomsten met betrekking tot de aanvullende zorgverzekeringen, verplicht zijn om in het belang van LOOP e.a. de kosten van door de aangesloten zorgaanbieders afgeleverde steunzolen te vergoeden. De aard en strekking van de aanvullende zorgverzekering dwingen daar niet toe. Het gaat als gezegd immers om een schadeverzekering die VGZ e.a. als verzekeraars juist de vrijheid geeft om zelf de voorwaarden te bepalen voor het verstrekken van vergoedingen. Deze vrijheid brengt mee dat VGZ e.a. mogen bepalen welke zorgaanbieders de zorg mogen verlenen die voor vergoeding in aanmerking komt. VGZ e.a. mogen daarbij hun eigen afwegingen maken, zoals in dit geval over de kosten van de zorg (wat betreft de steunzolen) zoals die blijken uit hun administratie, de kwalificaties die de zorgverleners hebben (opleiding, BIG-registratie) en de verbinding tussen basiszorg en aanvullende zorg voor hun verzekerden (stepped care-beginsel). Het gaat er niet om of LOOP e.a. het eens zijn met deze afwegingen en evenmin of er andere of betere afwegingen mogelijk zijn. Het gaat erom dat VGZ e.a. deze afwegingen mogen maken en dat de gemaakte afwegingen niet kennelijk onredelijk zijn of op andere wijze de vrijheid te buiten gaan die VGZ e.a. in dit verband hebben. Het onderscheid dat VGZ e.a. maken tussen de zorg die podotherapeuten verlenen en die podoposturaal therapeuten en registerpodologen verlenen, is dan ook geen verboden onderscheid.\n\n6.10.. Voor de aangesloten zorgaanbieders kan dit meebrengen dat zij cliënten verliezen of minder cliënten aantrekken, en dat is VGZ e.a. bekend, maar dit is eigen aan het systeem van schadeverzekeringen en de daarin besloten contractsvrijheid, die dus ook geldt voor de aanvullende zorgverzekering. Dit mogelijk financieel nadeel verschaft geen aanspraak jegens VGZ e.a. op vergoeding. Het zou ook bezwaarlijk voor VGZ e.a. zijn om het maken van keuzes ten aanzien van de voorwaarden voor vergoeding mede te moeten laten bepalen door financiële aanspraken van zorgaanbieders, omdat het honoreren van de aanspraak van de één kan leiden tot nadeel van de aanspraak van de ander en\u002Fof ten koste kan gaan van het beperken van zorgkosten in het algemeen. De aangesloten zorgaanbieders hebben geen andere positie dan de positie van andere aanbieders van diensten waarvan de kosten niet vallen onder een schadeverzekering die een verzekerde heeft afgesloten.\n\n6.11.. VGZ e.a. hebben vanaf 2015 bij verschillende gelegenheden te kennen gegeven dat zij het vergoeden van de kosten van door podoposturaal therapeuten en registerpodologen afgeleverde steunzolen willen beëindigen. Aan de omstandigheid dat in overleg de vergoeding enkele jaren is blijven bestaan, hebben LOOP e.a. niet het vertrouwen kunnen en mogen ontlenen dat VGZ e.a. de vergoeding niet meer zouden beëindigen. Daarbij komt dat de aangesloten zorgaanbieders inmiddels enkele jaren de tijd hebben gekregen, ook door de uitspraken in kort geding, om hun bedrijfsvoering aan te passen en zich in te dekken tegen het verlies van de vergoeding. Het is gebleken dat zij dit ook hebben gedaan, met name door zich bij te scholen tot podotherapeut of door een of meer podotherapeuten bij hun praktijk te betrekken.\n\n6.12.. \n\nAlle omstandigheden in aanmerking genomen komt het hof tot de conclusie dat VGZ e.a. niet onrechtmatig jegens LOOP e.a. handelen door het vergoeden van de kosten van door podoposturaal therapeuten en registerpodologen afgeleverde steunzolen niet meer te vergoeden. Het hof tekent hierbij aan dat VGZ e.a. hebben verklaard dat dit zal gelden vanaf\n\n1 januari 2027, zoals VGZ e.a. hebben aangekondigd in een brief van 8 april 2026 (productie 30 in hoger beroep), en dat verstrekte vergoedingen niet zullen worden teruggevorderd.\n\n6.13.. Uit het voorgaande volgt dat de grieven 4 en 5 van LOOP e.a. in principaal hoger beroep niet slagen.\n\nOvereenkomst\n\n6.14.. LOOP e.a. hebben niet alleen aangevoerd dat VGZ e.a. onrechtmatig handelen als zij de vergoeding beëindigen, maar ook dat er een overeenkomst met LOOP e.a. is die VGZ e.a. verplicht om de kosten van de door LOOP e.a. af te leveren steunzolen te blijven vergoeden. Het wel of niet bestaan van deze overeenkomst is onderwerp van de grieven 1 en 2 van LOOP e.a. in principaal hoger beroep.\n\n6.15.. \n\nLOOP e.a. stellen in hun memorie van grieven (nr. 5.4) dat VGZ e.a. bij e-mail van\n\n22 november 2015 de afspraak (kennelijk: met LOOP e.a.) hebben gemaakt om de kosten te blijven vergoeden van de steunzolen die door podoposturaal therapeuten en registerpodologen zijn afgeleverd. Volgens LOOP e.a. is deze afspraak bij e-mail van 11 maart 2019 bevestigd. LOOP e.a. voeren aan dat hiermee een nieuwe overeenkomst is gesloten (memorie van grieven nr. 5.5) en dat VGZ e.a. op grond daarvan de kosten zijn blijven vergoeden, en niet op grond van de polisvoorwaarden van de aanvullende zorgverzekeringen.\n\n6.16.. De e-mails waar LOOP e.a. naar verwijzen, moeten worden gelezen in de context waarin deze zijn verzonden. Vanaf 2015 is het vergoeden van voetzorg onder de basisverzekering door podoposturaal therapeuten en registerpodologen vervallen, terwijl de kosten van door dezen afgeleverde steunzolen onder verschillende aanvullende zorgverzekeringen nog wel werden vergoed. Uit de e-mail van 22 november 2015 van een zorginkoper van Coöperatie VGZ U.A. valt niet méér op te maken dan dat de tekst op bepaalde websites zou worden aangepast. Een overeenkomst over het vergoeden van steunzolen of het bevestigen van een dergelijke overeenkomst, valt in de e-mail niet te lezen. LOOP e.a. hebben ook geen bijkomende feiten of omstandigheden naar voren gebracht waaruit volgt dat zij de e-mail wel op die wijze hebben begrepen en mochten begrijpen.\n\n6.17.. \n\nDe e-mail van 11 maart 2019 is van een medewerker van de afdeling Controles en Correcties Klantdeclaraties. In de e-mail wordt meegedeeld dat de afspraak uit 2015 blijft gehandhaafd en dat dit wil zeggen – in het kort – dat als een verzekerde op grond van een aanvullende zorgverzekering recht heeft op het vergoeden van de kosten van steunzolen, deze steunzolen ook mogen zijn afgeleverd door registerpodologen.\n\nLOOP e.a. hebben hieruit mogen opmaken dat deze handelwijze in 2019 zou blijven bestaan. Er zijn echter geen of onvoldoende feiten of omstandigheden aangedragen waaruit volgt dat zij redelijkerwijs erop hebben mogen vertrouwen dat aan deze e-mail of handelwijze een overeenkomst ten grondslag lag die inhield dat ook na 2019 aanspraak op de vergoeding kon worden gemaakt. Een dergelijke overeenkomst is ook in kort geding niet voorshands aangenomen (zie rov. 4.3 van het vonnis van 10 november 2020 van de voorzieningenrechter en rov. 3.3 van het arrest van 15 februari 2022 van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden).\n\n6.18.. De gang van zaken vanaf 2015 maakt verder duidelijk dat het vergoeden van de kosten van door LOOP e.a. afgeleverde steunzolen niet berust op een gewoonte. Het vergoeden is voortdurend onderwerp geweest van gemaakte keuzes en rechterlijke uitspraken. Er is te weinig gesteld of gebleken om aan te nemen dat in de kring van zorgverzekeraars en zorgaanbieders, of tussen partijen, met betrekking tot deze vergoeding een gedragslijn is aan te wijzen die zo algemeen en voortdurend wordt gevolgd, dat men binnen die kring wordt geacht haar na te leven. Het hof wijst er verder nog op dat volgens art. 6:248 lid 1 BW een gewoonte mede de rechtsgevolgen van een gesloten overeenkomst kan bepalen, maar niet een overeenkomst doet ontstaan.\n\n6.19.. \n\nHet hof merkt ten slotte op dat zelfs als sprake zou zijn geweest van een overeenkomst om de kosten van door podoposturaal therapeuten en registerpodologen afgeleverde steunzolen te vergoeden, en deze overeenkomst van onbepaalde duur zou zijn, er te weinig is gesteld om te oordelen dat VGZ e.a. een dergelijke overeenkomst niet op enig moment mochten of mogen beëindigen. Evenzeer is te weinig gesteld voor het oordeel dat het beëindigen van de vergoeding – en dus van een dergelijke overeenkomst als die bestaat – per\n\n1 januari 2027, zoals VGZ e.a. nu beogen en de wijze waarop dat is gedaan, in strijd is met enige verplichting van VGZ e.a., of naar maatstaven van redelijk en billijkheid onaanvaardbaar is.\n\n6.20.. Bij de mondelinge behandeling in hoger beroep hebben LOOP e.a. hun stellingen in die zin nog aangepast of uitgewerkt dat zij stellen dat de overeenkomst tussen de aangeslotenen en VGZ e.a. een betaalovereenkomst is en dat de enige wijziging in 2015 was dat de kosten niet meer via Stichting LOOP werden gedeclareerd, maar rechtstreeks door de aangesloten zorgaanbieders. Het hof kan in het midden laten of deze aanpassing toelaatbaar is in het licht van de twee-conclusieregel. Ook als het juist is wat LOOP e.a. hier stellen, kan dit niet eraan afdoen dat VGZ e.a. het vergoeden en de gestelde overeenkomst mogen beëindigen.\n\n6.21.. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat ook de grieven 1 en 2 van LOOP e.a. in principaal hoger beroep geen doel treffen.\n\nHet verstrekken van informatie aan verzekerden\n\n6.22.. Met grief 3 in principaal hoger beroep betogen LOOP e.a. dat VGZ e.a. een schimmig beleid voeren ten aanzien van het vergoeden van de kosten van steunzolen en daarover hun verzekerden onjuiste, onvolledige en\u002Fof misleidende informatie verschaffen. Volgens LOOP e.a. levert dit een wanprestatie op van VGZ e.a. jegens hun aanvullend verzekerden en lopen de aangesloten zorgaanbieders hierdoor omzet mis.\n\n6.23.. VGZ e.a. hebben al jaren geleden een einde willen maken aan de praktijk dat de kosten van door podoposturaal therapeuten en registerpodologen afgeleverde steunzolen werden vergoed, hoewel de vergoeding niet was voorzien in de polisvoorwaarden van de aanvullende zorgverzekeringen. Het blijven vergoeden van deze kosten heeft aanvankelijk plaatsgevonden in overleg met LOOP e.a. en is sinds 2021 het gevolg van uitspraken in kort geding. Er is dus in elk geval al jarenlang geen sprake van een beleid van VGZ e.a. met betrekking tot deze vergoeding, maar van een door de rechter opgelegde verplichting. Met de onderhavige bodemprocedure willen VGZ e.a. hieraan juist een einde maken. Het verwijt dat LOOP e.a. hierover aan VGZ e.a. maken, is onterecht.\n\n6.24.. Dat VGZ e.a. aan hun aanvullend verzekerden onjuiste of misleidende informatie verschaffen over de nu nog bestaande vergoeding voor de kosten van door podoposturaal therapeuten en registerpodologen afgeleverde steunzolen, valt uit de stellingen van LOOP e.a. niet op te maken. De vermelding op de website(s) van VGZ e.a. waarnaar LOOP e.a. verwijzen (memorie van grieven nr. 5.21) is niet kennelijk onjuist of misleidend. Of de informatie onvolledig is in die zin dat VGZ e.a. podoposturaal therapeuten en registerpodologen niet op dezelfde wijze vindbaar maken als podotherapeuten, en of dit een tekortkoming jegens de aanvullend verzekerden is, hoeft het hof in deze procedure niet te beoordelen. Er is geen vordering ingesteld die daarop betrekking heeft.\n\n6.25.. De conclusie is dat ook grief 3 van LOOP e.a. in principaal hoger beroep niet kan leiden tot het vernietigen van het bestreden vonnis.\n\nTegenvorderingen LOOP e.a.\n\n6.26.. LOOP e.a. hebben in eerste aanleg tegenvorderingen ingesteld en die in hoger beroep gewijzigd en aangevuld. Grief 6 van LOOP e.a. in principaal hoger beroep heeft hierop betrekking.\n\n6.27.. \n\nDe tegenvorderingen van LOOP e.a. hebben tot grondslag dat VGZ e.a. verplicht zijn om de kosten van door podoposturaal therapeuten en registerpodologen afgeleverde steunzolen te blijven vergoeden, door deze vergoeding op te nemen in de polisvoorwaarden van de aanvullende zorgverzekeringen of door het handhaven van de bestaande praktijk. Het hof heeft vastgesteld dat VGZ e.a. deze verplichting niet hebben.\n\nDe tegenvorderingen zijn daarom niet toewijsbaar. Dit brengt mee dat ook grief 6 van LOOP e.a. in principaal hoger beroep niet slaagt.\n\nHet incidenteel hoger beroep\n\n6.28.. De rechtbank heeft de vorderingen van VGZ e.a. alleen toegewezen voor zover deze betrekking hebben op registerpodologen. De rechtbank heeft hiervoor als reden gegeven dat de aangesloten zorgaanbieders registerpodologen zijn en niet ook podoposturaal therapeuten. VGZ e.a. komen hiertegen op in hun grief in incidenteel hoger beroep. Zij wijzen op appellanten in principaal hoger beroep die (ook) podoposturaal therapeuten zijn of podoposturaal therapeut(en) in dienst hebben. LOOP e.a. hebben dit niet tegengesproken, zodat het hof hiervan uitgaat. De vorderingen van VGZ e.a. zijn dus ook toewijsbaar voor zover deze betrekking hebben op podoposturaal therapeuten.\n\n6.29.. De conclusie is dat de grief van VGZ e.a. in incidenteel hoger beroep slaagt.\n\nHet wijzigen en aanvullen van de oorspronkelijke eis van VGZ e.a.\n\n6.30.. VGZ e.a. hebben in hoger beroep hun oorspronkelijke eis aangevuld door het vorderen van een tweede verklaring voor recht. Zij beogen hiermee zekerheid te verkrijgen dat zij het vergoeden van de kosten van door podoposturaal therapeuten en registerpodologen afgeleverde steunzolen mogen beëindigen, kort gezegd, ongeacht op welke grondslag deze vergoeding tot nog toe werd verstrekt.\n\n6.31.. LOOP e.a. maken bezwaar tegen het aanvullen van de eis. Zij stellen dat de aanvulling de omvang van het geschil volledig wijzigt en dat dit hun verdediging hindert, terwijl de aangevulde eis al in eerste aanleg had kunnen worden ingesteld. Zij menen dat de aanvulling in strijd is met de goede procesorde.\n\n6.32.. Voorop staat dat partijen, ook VGZ e.a., vrij zijn om in hoger beroep hun eis te wijzigen en aan te vullen. Inherent aan deze vrijheid is dat het niet uitmaakt dat in eerste aanleg geen oordeel is gegeven over de gewijzigde en aangevulde eis. Dat is dan ook op zichzelf geen reden om de gewijzigde of aangevulde eis buiten beschouwing te laten.\n\n6.33.. Het hof ziet verder niet in dat de aangevulde eis de omvang van het geschil wijzigt. Het geschil gaat erover, en LOOP e.a. hebben dit redelijkerwijs niet anders kunnen opvatten, dat VGZ e.a. het vergoeden van de kosten van door podoposturaal therapeuten en registerpodologen afgeleverde steunzolen willen beëindigen. Het zijn LOOP e.a. zelf geweest die hun verweer mede erop hebben gebaseerd dat tussen partijen een overeenkomst zou bestaan die daaraan in de weg staat. In hoger beroep hebben zij dat uitdrukkelijk tot onderwerp van hun grieven 1 en 2 gemaakt, en daaraan vorderingen verbonden waarmee zij hun oorspronkelijke eis in reconventie hebben uitgebreid. Het staat VGZ e.a. vrij om mede met het oog daarop hun oorspronkelijke eis aan te vullen en te verduidelijken.\n\n6.34.. Het valt verder evenmin in te zien op welke wijze LOOP e.a. door het aanvullen van de eis in hun verdediging zijn benadeeld. Zij hebben niet (voldoende) duidelijk gemaakt dat zij niet in staat zijn geweest om over het vergoeden en de grondslagen daarvan aan te voeren wat zij nodig achtten. Ook voor het overige is niets of te weinig aangedragen om te oordelen dat het aanvullen van de eis in strijd is met de goede procesorde.\n\n6.35.. De conclusie is dat het bezwaar van LOOP e.a. tegen het wijzigen en aanvullen van de oorspronkelijke eis van VGZ e.a. ongegrond is.\n\n6.36.. Uit hetgeen het hof heeft overwogen bij het bespreken van de grieven van LOOP e.a. in principaal hoger beroep, volgt dat ook de verklaring voor recht die VGZ e.a. voor het eerst in hoger beroep vorderen, moet worden gegeven. Het hof zal daarbij in het midden laten of het gaat om een vergoeding die uit coulance is gegeven, omdat dit niet relevant is voor de uitspraak in deze zaak.\n\nSlot\n\n6.37.. \n\nWat partijen verder nog naar voren hebben gebracht, kan niet leiden tot een andere uitkomst van deze procedure. Er zijn dus ook geen feiten gesteld die moeten worden bewezen.\n\nDit brengt mee dat het bewijsaanbod van LOOP e.a. wordt gepasseerd.\n\n6.38.. Het hof zal het bestreden vonnis vernietigen voor zover de verklaring voor recht in het dictum onder 5.1 geen betrekking heeft op podoposturaal therapeuten en de vorderingen van VGZ e.a. in zoverre in 5.6 zijn afgewezen. Voor de duidelijkheid zal het hof deze verklaring voor recht in haar geheel opnemen in het dictum van dit arrest. Verder zal het hof de tweede verklaring voor recht geven die VGZ e.a. in hoger beroep hebben gevorderd. De gewijzigde eis van LOOP e.a. zal het hof afwijzen.\n\nProceskosten\n\n6.39.. LOOP e.a. zijn in hoger beroep in het ongelijk gesteld en moeten om die reden de proceskosten in principaal en incidenteel hoger beroep dragen. De proceskosten in principaal hoger beroep van VGZ e.a. stelt het hof als volgt vast:\n\n- griffierecht € 798,00\n\n- salaris advocaat € 2.580,00 (tarief II, 2 punten)\n\nTotaal € 3.378,00\n\n6.40.. De proceskosten in incidenteel hoger beroep stelt het hof vast op € 645,00 (tarief II, 0,5 punt), omdat geen werkzaamheden in incidenteel hoger beroep zijn verricht die een hogere vergoeding rechtvaardigen.\n\n6.41.. De rechtbank heeft in eerste aanleg LOOP e.a. niet hoofdelijk veroordeeld in de proceskosten, omdat VGZ e.a. niet duidelijk hadden gemaakt waarop zij de hoofdelijkheid baseren (rov. 4.20). Ook in hoger beroep hebben VGZ e.a. dit niet gedaan. Het hof zal om die reden geen hoofdelijke proceskostenveroordeling uitspreken.\n\n6.42.. \n\nOver de proceskosten is de wettelijke rente verschuldigd als bedoeld in art. 6:119 BW, en niet de wettelijke handelsrente als bedoeld in art. 6:119a BW, zoals VGZ e.a. vorderen.\n\nEr is immers geen sprake van een verbintenis tot betaling van een geldsom die voortvloeit uit een handelsovereenkomst.\n\n7. Beslissing\n\nHet hof:\n\nin principaal en incidenteel hoger beroep\n\n7.1.. bekrachtigt het bestreden vonnis, behalve voor zover de verklaring voor recht in het dictum onder 5.1 van dat vonnis geen betrekking heeft op podoposturaal therapeuten en de vorderingen van VGZ e.a. in zoverre in 5.6 zijn afgewezen;\n\n7.2.. vernietigt in zoverre het bestreden vonnis en doet opnieuw recht:\n\n7.3.. verklaart voor recht dat het VGZ e.a. ten opzichte van LOOP e.a. vrij staat om in de polisvoorwaarden van hun aanvullende zorgverzekeringen de vergoeding voor het verstrekken van steunzolen die zijn afgeleverd door (register)podologen en podoposturaal therapeuten uit te sluiten;\n\n7.4.. verklaart voor recht dat het VGZ e.a. ten opzichte van LOOP e.a. vrij staat om de vergoeding voor het verstrekken van steunzolen die zijn afgeleverd door (register)podologen en podoposturaal therapeuten te beëindigen;\n\n7.5.. veroordeelt, uitvoerbaar bij voorraad, LOOP e.a. in de proceskosten in principaal en incidenteel hoger beroep, tot nu vastgesteld op € 4.023,00, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW, als niet binnen veertien dagen na dit arrest aan de kostenveroordeling is voldaan;\n\n7.6.. wijst het meer of anders gevorderde af.\n\nDit arrest is gewezen door mrs. W.J.J. Los, J.W. Hoekzema en M. Spanjaart en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 23 juni 2026.","nl","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHAMS:2026:1670","ecli-nl-ghams-2026-1670",{"courtName":8,"legalDomain":17,"decisionType":18,"procedureType":19},"Civiel recht","uitspraak","Uitspraak",[21,32,43,53,63],{"id":22,"ecli":23,"caseNumber":6,"courtId":24,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":26,"language":12,"source":13,"sourceUrl":27,"summary":6,"slug":28,"metadata":29},"410","ECLI:NL:RBLIM:2026:6423",66,"2026-07-08T00:00:00.000Z","RECHTBANK limburg\n\nZittingsplaats Roermond\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: ROE 25 \u002F 2565\n\nuitspraak van de meervoudige kamer van 8 juli 2026 in de zaak tussen\n\n [belanghebbende] , gevestigd te [plaats], belanghebbende\n\n(gemachtigde: M.O.E. Uyen)\n\nen\n\nde heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking Gemeenten en Waterschappen, de heffingsambtenaar (gemachtigde: A. van den Dool).\n\nProcesverloop\n\nDe heffingsambtenaar heeft op grond van de Wet waardering onroerende zaken (Wet woz) de waarde van de onroerende zaken van belanghebbende voor het belastingjaar 2025 vastgesteld (het primaire besluit).\n\nBelanghebbende heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt.\n\nDe heffingsambtenaar heeft het bezwaar van belanghebbende gegrond verklaard (het bestreden besluit). Aan belanghebbende is een proceskostenvergoeding van in totaal € 161,74 toegekend.\n\nBelanghebbende heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.\n\nDe heffingsambtenaar heeft verweer gevoerd.\n\nOp 4 mei 2026, aangevuld op 11 mei 2026, zijn van belanghebbende nadere gronden en stukken ontvangen.\n\nHet onderzoek ter zitting heeft vervolgens plaatsgevonden op 15 mei 2026. Belanghebbende heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. L.H.G.M. Driessen, kantoorgenote van haar gemachtigde bij Previcus B.V. te Boxmeer. De heffingsambtenaar heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.\n\nOverwegingen\n\n1. De rechtbank stelt vast dat de woz-waarde tussen partijen niet meer in geschil is. Het beroep van belanghebbende richt zich enkel tegen de toegekende proceskostenvergoeding en spitst zich toe op de vraag of de heffingsambtenaar bij de vaststelling van de proceskostenvergoeding in bezwaar toepassing heeft mogen geven aan de vermenigvuldigingsfactor 0,125 van artikel 30a, eerste lid, van de Wet woz, zoals dit artikellid luidt met ingang van 1 januari 2025.\n\n2. De heffingsambtenaar heeft in het bestreden besluit de proceskostenvergoeding van € 161,74 als volgt gespecificeerd:\n\n- indienen bezwaarschrift: 1 punt x waarde per punt € 647,- x factor 0,125 = € 80,87 +\n\n- bijwonen hoorzitting: 1 punt x waarde per punt € 647,- x factor 0,125 = € 80,87 = € 161,74.\n\n3. Belanghebbende vindt dat de heffingsambtenaar een te lage proceskostenvergoeding heeft toegekend. Zij verzoekt de rechtbank om artikel 30a van de Wet woz buiten toepassing te laten, omdat haar gemachtigde een bijzonder geval is als bedoeld in het zogenoemde 30a-arrest van de Hoge Raad van 17 januari 2025 (ECLI:NL:HR:2025:46).\n\n4. In het 30a-arrest heeft de Hoge Raad geoordeeld dat bijzondere gevallen zich onderscheiden doordat zij niet voldoen aan de volgende kenmerken: dat aan de belanghebbende rechtsbijstand wordt verleend door een beroepsmatig optredende gemachtigde, dan wel een kantoor, waarvan het bedrijfsmodel eruit bestaat dat\n\n( i) wordt opgetreden op basis van no cure no pay,\n\n(ii) daarbij zodanige afspraken met de cliënten worden gemaakt dat het bedrag van eventuele proceskostenvergoedingen aan de gemachtigde of aan het kantoor wordt afgedragen, en\n\n(iii) de procedures op een zodanige wijze worden gevoerd dat de daarin toegekende proceskostenvergoedingen de in redelijkheid gemaakte kosten ver overtreffen.\n\n5. De daarbij te hanteren regels zijn nader uitgewerkt in de arresten van de Hoge Raad van 25 april 2025 (ECLI:NL:HR:2025:670) en 18 juli 2025 (ECLI:NL:HR:2025:1175).\n\n5.1.. Volgens de Hoge Raad rusten op de belanghebbende de stelplicht en bewijslast van feiten die meebrengen dat buiten redelijke twijfel komt vast te staan dat, beoordeelt naar de situatie op het moment waarop het desbetreffende rechtsmiddel is aangewend, het bedrijfsmodel van de betreffende gemachtigde of diens kantoor kennelijk niet allehiervoor bedoelde drie kenmerken heeft en dat aldus sprake is van een bijzonder geval. Er is dus (al) sprake van een bijzonder geval als één van de drie kenmerken niet van toepassing is.\n\n5.2.. Bij de beoordeling van het bedrijfsmodel gaat het niet specifiek om de werkzaamheden die de gemachtigde heeft verricht in de procedure waarop de proceskostenvergoeding ziet. Met het bedrijfsmodel is namelijk meer in het algemeen de wijze bedoeld waarop de gemachtigde zijn inkomsten verwerft met het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand.\n\n5.3.. Indien het bedrijfsmodel van een gemachtigde of een kantoor inhoudt dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay (i), of op een grondslag die daarmee in wezen overeenkomt en daarmee dus op één lijn kan worden gesteld, en dat daarbij afspraken met de cliënten worden gemaakt als hiervoor onder (ii) bedoeld, zal aldus moeten worden beoordeeld of dit bedrijfsmodel voldoet aan het hiervoor onder (iii) vermelde kenmerk van vergaande overdekking. Daartoe moet een vergelijking worden gemaakt tussen enerzijds het totale bedrag aan proceskostenvergoedingen dat aan de gemachtigde of aan het kantoor wordt afgedragen, en anderzijds het totale bedrag van de kosten van de gemachtigde of van het kantoor die kunnen worden toegerekend aan het voeren van de procedures waarop die proceskostenvergoedingen betrekking hebben. Het komt dus erop aan of het totale bedrag van de afgedragen proceskostenvergoedingen het totale bedrag van de zojuist bedoelde kosten verre overtreft. De omstandigheid dat vaak geheel of ten dele gebruik wordt gemaakt van gestandaardiseerde tekstblokken die niet zijn toegespitst op de desbetreffende zaak, vormt een aanwijzing dat het bedrijfsmodel wel het derde kenmerk van vergaande overdekking heeft, en zal daarom in het algemeen volstaan om aan te nemen dat de belanghebbende niet in dit door hem te leveren bewijs is geslaagd.\n\n6. In het arrest van 26 september 2025 (ECLI:NL:HR:2025:1375) heeft de Hoge Raad nader uitgewerkt wanneer sprake is van een bedrijfsmodel dat eruit bestaat dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay (i). Bij optreden op basis van no cure no pay moet worden uitgegaan van afspraken tussen de belanghebbende en de rechtsbijstandverlener op grond waarvan de belanghebbende geen financieel risico loopt bij inschakeling van de rechtsbijstandverlener, omdat geen instapvergoeding verschuldigd is noch een percentage van de bespaarde belasting als vergoeding moet worden afgestaan (zie Kamerstukken II 2023\u002F24, 36 427, nr. 3, blz. 2). Bij de beoordeling van de vraag of het bedrijfsmodel van een beroepsmatig optredende gemachtigde, dan wel een kantoor, eruit bestaat dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay, komt het dus erop aan of die gemachtigde dan wel diens kantoor afspraken maakt met klanten op grond waarvan zij geen financieel risico lopen bij het verstrekken van de opdracht tot het verlenen van rechtsbijstand in een belastingprocedure. De verschuldigdheid van een instapvergoeding staat niet in alle gevallen eraan in de weg dat afspraken met een rechtsbijstandsverlener worden aangemerkt als afspraken op basis van no cure no pay. Onder het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand op basis van no cure no pay wordt namelijk ook begrepen het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand op een grondslag die daarmee in wezen overeenkomt en daarmee dus op één lijn kan worden gesteld. Dan moet worden gedacht aan de betaling van een zodanig laag bedrag dat die betaling als een pro forma of symbolische bijdrage moet worden beschouwd.\n\n7. De rechtbank stelt vast dat de gemachtigde van belanghebbende in deze zaak niet heeft bestreden dat haar bedrijfsmodel de hiervoor onder (ii) en (iii) vermelde kenmerken heeft.\n\n8. Belanghebbende bestrijdt dat het bedrijfsmodel van haar gemachtigde ten tijde van het instellen van bezwaar (en beroep) eruit bestaat dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay (i). Hiertoe heeft de gemachtigde verwezen naar een beschrijving van haar per 1 januari 2025 gewijzigde bedrijfsmodel (“Bijzonder geval: bedrijfsmodel Previcus en artikel 30a Wet WOZ”).\n\n8.1.. Volgens die beschrijving is de werkwijze met ingang van 1 januari 2025 fundamenteel gewijzigd. Het aantal dossiers is vanaf 2025 aanzienlijk afgenomen van 128.000 zaken naar circa 1.291 zaken. De zaken worden (vrijwel) niet meer op basis van no cure no pay uitgevoerd, maar volgens een regulier model waarin een cliënt, ongeacht de uitkomst van de zaak, een vaste startvergoeding betaalt (doorgaans gebaseerd op het aantal aanslagbiljetten) en\u002Fof een deel van de gerealiseerde besparing afdraagt (in bijna alle gevallen 40% van de besparing). De vóór 2025 aangebrachte zaken worden nog op basis van no cure no pay uitgevoerd. Bovendien worden vanaf 2025 alle aanslagbiljetten op voorhand gescreend en worden enkel de zaken doorgezet waarbij op voorhand onvoldoende duidelijk is dat er geen fouten zijn gemaakt. Er is, aldus de beschrijving, geen sprake meer van een grote massa waar de wetswijziging (Wet herwaardering proceskostenvergoeding WOZ en Bpm) op zag. De gemachtigde richt zich voortaan op de zakelijke markt, waarbij vrijwel altijd ook prijsafspraken met belanghebbenden worden gemaakt die losstaan van eventueel toegekende proceskostenvergoedingen.\n\n8.2.. De gemachtigde heeft de prijsafspraken over 2025 als volgt in een overzicht opgenomen.\n\n8.3.. De vermelding in de volmacht dat de vergoeding voor de werkzaamheden uitsluitend het totaal van de proceskostenvergoedingen bedraagt, klopt, aldus de beschrijving, niet meer. De onderliggende overeenkomsten bepalen dat cliënten zelf vergoedingen verschuldigd zijn. De proceskostenvergoeding speelt daarin nog slechts een kleine aanvullende rol.\n\n9. Op 4 mei 2026 heeft de gemachtigde van belanghebbende de facturen en betaalbewijzen in een groot aantal zaken, waarin zij als gemachtigde optreedt, ingezonden. Op 11 mei 2026 is daarvan een overzicht overgelegd. Die stukken bevestigen het beeld dat de beschrijving van het bedrijfsmodel geeft. Uit de facturen en betaalbewijzen blijkt namelijk dat de gemachtigde van een groot deel van haar cliënten een “besparingsfee” van minimaal 30% van de eventuele belastingbesparing vraagt, zij die “besparingsfee” aan haar cliënten factureert en die “besparingsfee” vervolgens ook door de cliënten wordt betaald.\n\n10. Daarnaast komt uit de facturen en betaalbewijzen naar voren dat de meeste cliënten (bovenop de “besparingsfee”) tevens een (in hoogte variërende) “startfee” zijn verschuldigd. Op zitting heeft de gemachtigde toegelicht dat, indien overeengekomen, de “startfee” altijd wordt gefactureerd en betaald. Dat dit niet in alle gevallen gebeurt blijkt uit de overgelegde facturen en betaalbewijzen, en komt, aldus de gemachtigde, doordat de “startfee”, die ongeacht de uitkomst is verschuldigd, in die gevallen eerder is gefactureerd en betaald. Dat is anders bij de “besparingsfee”, die niet eerder dan na het nemen van het bestreden besluit in rekening kan worden gebracht, omdat dan pas de (hoogte van de) besparing duidelijk is.\n\n11. De heffingsambtenaar heeft zich ter zitting op het standpunt gesteld dat het pas op 4 mei 2026 door de gemachtigde van belanghebbende indienen van facturen en betaalbewijzen (die op 6 mei 2026 door de rechtbank zijn vrijgegeven), die al in 2025 beschikbaar waren, in strijd is met een goede procesorde. De rechtbank overweegt dat partijen in beginsel vrij zijn om gedurende de procedure hun standpunten aan te vullen. Die vrijheid wordt echter begrensd door de beginselen van de goede procesorde. Hoewel de late indiening van reeds voorhanden zijnde stukken niet de schoonheidsprijs verdient, ziet de rechtbank hierin geen grond om die stukken vanwege strijd met een goede procesorde buiten beschouwing te laten. Hiertoe acht de rechtbank van belang dat de stukken een onderbouwing vormen van een eerder door de gemachtigde ingenomen standpunt, een reactie zijn op het verweerschrift en dat de aard en de omvang van de stukken niet zodanig zijn dat van de heffingsambtenaar om adequaat hierop te kunnen reageren een nader diepgaand (feiten)onderzoek wordt gevergd. De inhoudelijke reactie van de heffingsambtenaar op de stukken in de pleitnota bevestigen dit oordeel.\n\n12. De rechtbank stelt voorop dat voor haar de facturen en de betaalbewijzen leidend zijn voor de beoordeling van de vraag of kenmerk (i) op de gemachtigde van belanghebbende van toepassing is. Naar het oordeel van de rechtbank zijn (alleen) die stukken, en niet (ook) de overeenkomst, de website en de algemene voorwaarden van de gemachtigde (op 9 februari 2025), waarvan gesteld is dat die op dat moment nog niet in overeenstemming met het gewijzigde bedrijfsmodel waren gebracht, relevant voor de vraag of sprake is van een bedrijfsmodel op basis van no cure no pay. Omdat het bedrijfsmodel van de gemachtigde (en niet de vergoedingen in de aan de rechtbank voorliggende zaken) moet worden beoordeeld, blijft die beoordeling, anders dan de heffingsambtenaar stelt, niet beperkt tot de gemeenten binnen het ambtsgebied van de heffingsambtenaar. Daaruit volgt ook dat op grond van het (incidenteel) ontbreken van facturen en betaalbewijzen in aan de rechtbank voorliggende zaken niet zonder meer kan worden geconcludeerd dat kenmerk (i) op het bedrijfsmodel van de gemachtigde van toepassing is.\n\n13. De rechtbank is van oordeel dat met voldoende gegevens is onderbouwd dat de gemachtigde in 2025 voor een groot deel van de procedures een “besparingsfee” in rekening heeft gebracht. Door het betalen van een “besparingsfee” loopt een belanghebbende bij de inschakeling een gemachtigde voor het voeren van een procedure een financieel risico (zie hiervoor het arrest van de Hoge Raad van 26 september 2025). Deze door de gemachtigde gevraagde vergoeding (van 30-40%) acht de rechtbank, nog daargelaten dat de Hoge Raad dat enkel ten aanzien van “instapvergoedingen” heeft geoordeeld, ook niet dusdanig laag dat kan worden gesproken van rechtsbijstandverlening op een grondslag die in wezen overeenkomt met rechtsbijstandverlening op basis van no cure no pay. Op grond van het vorenstaande heeft belanghebbende, naar het oordeel van de rechtbank, buiten redelijke twijfel bewezen dat het bedrijfsmodel van de gemachtigde ten tijde van het instellen van bezwaar niet het kenmerk van optreden op basis van no cure no pay heeft (i). Daaraan doet niet af dat een belanghebbende vooraf ermee heeft ingestemd dat een eventuele vergoeding van proceskosten aan de gemachtigde toekomt. Dat geldt ook voor het ontbreken van facturen en betaalbewijzen van op een eerder moment in rekening gebrachte “startfees” en de door de heffingsambtenaar gestelde inconsistenties in de hoogte hiervan.\n\n14. Uit het vorenstaande volgt dat sprake is van een bijzonder geval en de heffingsambtenaar ten onrechte toepassing heeft gegeven aan artikel 30a, eerste lid, van de Wet woz.\n\n15. Dit betekent dat het beroep van belanghebbende gegrond is. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit voor zover dat ziet op de toegekende proceskostenvergoeding en bepaalt met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht de proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase op € 1.332,- (2 x € 666,-).\n\n16. Aan het standpunt van belanghebbende dat aan het bestreden besluit een motiveringsgebrek kleeft, wordt niet toegekomen.\n\n17. Omdat het beroep gegrond is, moet de heffingsambtenaar het griffierecht aan belanghebbende vergoeden.\n\n18. De rechtbank acht termen aanwezig om de heffingsambtenaar te veroordelen in de proceskosten die belanghebbende redelijkerwijs heeft moeten maken in verband met de behandeling van het beroep, een en ander eveneens overeenkomstig de normen van het Besluit proceskosten bestuursrecht. Aan belanghebbende is door een derde beroepsmatig rechtsbijstand verleend. Voor de in aanmerking te nemen proceshandelingen worden 2 punten (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen op zitting met een waarde van € 934,- per punt) toegekend. De rechtbank bepaalt in overeenstemming met het Richtsnoer proceskostenvergoeding belastingkamers gerechtshoven 2024 (neergelegd in de uitspraak van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 7 augustus 2024, ECLI:NL:GHSHE:2024:2524) de wegingsfactor op 0,5. Gelet hierop bedraagt het vanwege de in deze zaak verleende rechtsbijstand te vergoeden bedrag in totaal € 934,-.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep gegrond;\n\n- vernietigt het bestreden besluit voor zover dat ziet op de toegekende proceskostenvergoeding, stelt de proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase vast op € 1.332,- en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;\n\n- draagt de heffingsambtenaar op het betaalde griffierecht van € 385,- aan belanghebbende te vergoeden;\n\n- veroordeelt de heffingsambtenaar in de proceskosten van belanghebbende wegens verleende rechtsbijstand in beroep tot een bedrag van € 934,-.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. B.F.A. van Huijgevoort, voorzitter, en mrs. E.P.J. Rutten en J.H. van Hoof leden, in aanwezigheid van mr. D.D.R.H. Lechanteur, griffier.De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 8 juli 2026.\n\ngriffier rechter\n\nAfschrift verzonden aan partijen op: 8 juli 2026.\n\nRechtsmiddel\n\nTegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof ’s-Hertogenbosch (belastingkamer).\n\nU kunt digitaal beroep instellen via www.rechtspraak.nl. Daar klikt u op “Formulieren en inloggen”. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ’s-Hertogenbosch (belastingkamer).\n\nBij het instellen van het hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:\n\n1. bij het hogerberoepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;\n\n2 - het hogerberoepschrift moet, indien het op papier wordt ingediend, ondertekend zijn. Verder moet het ten minste het volgende vermelden:\n\na. de naam en het adres van de indiener;\n\nb. de datum van verzending;\n\nc. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;\n\nd. de redenen waarom u het niet eens bent met de uitspraak (de gronden van het hoger beroep).","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBLIM:2026:6423","ecli-nl-rblim-2026-6423",{"courtName":30,"legalDomain":31,"decisionType":18,"procedureType":19},"Roermond","Bestuursrecht; Belastingrecht",{"id":33,"ecli":34,"caseNumber":35,"courtId":36,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":37,"language":38,"source":39,"sourceUrl":6,"summary":40,"slug":41,"metadata":42},"85","ECLI:RO:2026:JudecatoriaSECTORUL5BUCURESTI:17050-302-2025-a1","17050\u002F302\u002F2025\u002Fa1",97,"Admite cererea de îndreptare a erorii materiale din cuprinsul sentin?ei civile nr. 2484\u002F06.03.2026, pronunţată de Judecătoria Sectorului 5 Bucure?ti în dosar nr. 17050\u002F302\u002F2025, formulată din oficiu.       \nDispune îndreptarea erorii materiale strecurată în cuprinsul sentin?ei civile nr. 2484\u002F06.03.2026 pronun?ată în cadrul dosarului nr. 17050\u002F302\u002F2025, în sensul re?inerii că pârâtul Vasile Constantin are codul numeric personal ............, iar nu ............., astfel cum în mod eronat s-a consemnat.   \nPrezenta încheiere face parte integrantă din cuprinsul sentin?ei civile nr. 2484\u002F06.03.2026 pronun?ată în cadrul dosarului nr. 17050\u002F302\u002F2025.   \nÎndreptarea se va efectua în toate exemplarele sentin?ei.\n\tCu drept de apel în 30 de zile de la comunicare. Cererea de apel se va depune la Judecătoria Sectorului 5 Bucure?ti.   \n\tPronun?ată prin punerea solu?iei la dispozi?ia păr?ilor prin intermediul grefei instan?ei, astăzi, 08.07.2026.\n","ro","portalquery_ro","Admite cererea","ecli-ro-2026-judecatoriasectorul5bucuresti-17050-302-2025-a1",null,{"id":44,"ecli":45,"caseNumber":6,"courtId":46,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":47,"language":12,"source":13,"sourceUrl":48,"summary":6,"slug":49,"metadata":50},"296","ECLI:NL:GHDHA:2026:2250",58,"Rolnummer: 22-001978-23\n\nParketnummer: 10-066729-23\n\nDatum uitspraak: 8 juli 2026\n\nTEGENSPRAAK\n\nArrestvan de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Den Haag gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 28 juni 2023 in de strafzaak tegen de verdachte:\n\n [verdachte],\n\ngeboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2002,\n\nBRP-adres: [BRP-adres] , [woonplaats] .\n\nOnderzoek van de zaak\n\nDit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof.\n\nHet hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.\n\nProcesgang\n\nIn eerste aanleg is de verdachte van het onder 1 tenlastegelegde vrijgesproken en ter zake van het onder 2 en 3 tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 120 dagen, met aftrek van voorarrest, waarvan 73 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren. Voorts is beslist op de vorderingen van de benadeelde partijen, zoals nader omschreven in het vonnis waarvan beroep.\n\nNamens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.\n\nOmvang van het hoger beroep\n\nDe verdachte is door de rechtbank Rotterdam vrijgesproken van hetgeen aan hem onder 1 is tenlastegelegd. Het hoger beroep is door de verdachte onbeperkt ingesteld en is derhalve mede gericht tegen de in eerste aanleg gegeven beslissing tot vrijspraak. Gelet op hetgeen is bepaald in artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering staat voor de verdachte tegen deze beslissing geen hoger beroep open. Het hof zal de verdachte mitsdien niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep gegeven vrijspraak.\n\nWaar hierna wordt gesproken van \"de zaak\" of \"het vonnis\", wordt daarmee bedoeld de zaak of het vonnis voor zover op grond van het vorenstaande aan het oordeel van dit hof onderworpen.\n\nTenlastelegging\n\nAan de verdachte is – voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen – tenlastegelegd dat:\n\n2. hij op of omstreeks 01 januari 2023 te 's-Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard, openlijk, te weten, op of aan de Smidsweg en\u002Fof de Langestraat, in elk geval op of aan (een) openbare weg(en), in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een of meer verbalisanten van de politie Eenheid Rotterdam, te weten [hoofdagent] (hoofdagent) en\u002Fof [aspirant] (aspirant) en\u002Fof één of meer verbalisanten, zijnde groepsleden van de Mobiele Eenheid van politie Eenheid Rotterdam, te weten [verbalisant 1] en\u002Fof [verbalisant 2] en\u002Fof [verbalisant 3] en\u002Fof [verbalisant 4] en\u002Fof [verbalisant 5] en\u002Fof [verbalisant 6] en\u002Fof [verbalisant 7] en\u002Fof [verbalisant 8] en\u002Fof [verbalisant 9] en\u002Fof [verbalisant 10] en\u002Fof [verbalisant 11] en\u002Fof [verbalisant 12] en\u002Fof [verbalisant 13] en\u002Fof [verbalisant 14] en\u002Fof [verbalisant 15] en\u002Fof [verbalisant 16] en\u002Fof [verbalisant 17] en\u002Fof [verbalisant 18] en\u002Fof [verbalisant 19] en\u002Fof [verbalisant 20] , althans een of meer (andere) verbalisanten door\n\n- één of meer stuks zwaar (illegaal) vuurwerk (betreffende onder meer: cobra's \u002F nitraten \u002F shells) en\u002Fof vuurwerkbommen op\u002Ftegen, althans in de richting van\u002Fnaar voornoemde verbalisanten af te schieten en\u002Fof te gooien, waarbij voornoemd(e) vuurwerk\u002Fvuurwerkbommen vlakbij\u002Fnaast het\u002Fde lichamen en\u002Fof het\u002Fde hoofden\u002Fgezichten van voornoemde verbalisanten tot ontploffing is\u002Fzijn gekomen en\u002Fof\n\n- ( met kracht) één of meer stenen en\u002Fof glaswerk op\u002Ftegen, althans in de richting van voornoemde verbalisanten te gooien en\u002Fof\n\n- ( dreigend) zich op te dringen aan voornoemde ambtenaren en\u002Fof\n\n- ( daarbij) (dreigend) een of meerdere ploertendoders, althans slagvoorwerpen, aan voornoemde ambtenaren te tonen\u002Fvoor te houden en\u002Fof\n\n- ( daarbij) aan die [aspirant] en\u002Fof [hoofdagent] en\u002Fof een of meer (andere) verbalisanten de weg te versperren, althans de doorgang te beletten en\u002Fof (daarbij) te verhinderen dat die [aspirant] en\u002Fof [hoofdagent] en\u002Fof anderen met\u002Fin een (politie)voertuig weg konden rijden en\u002Fof\n\n- naar\u002Fin de richting van voornoemde ambtenaren te schelden, met de woorden: \"Kankerlijers\", \"Kanker op joh\" en\u002Fof \"Kankerpolitie\" en\u002Fof\n\n- ( met kracht) op\u002Ftegen het (politie)schild van die [verbalisant 2] te trappen\u002Fschoppen;\n\n3. hij op of omstreeks 31 december 2022 te 's-Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard opzettelijk en wederrechtelijk een vuilnisbak\u002Fprullenbak, in elk geval enig goed, dat\u002Fdie geheel of ten dele aan Gemeente Hoeksche Waard, in elk geval aan een ander dan aan verdachte toebehoorde(n) heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt.\n\nVordering van de advocaat-generaal\n\nDe advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de bewezenverklaring zal worden bevestigd en dat de verdachte ter zake van het onder 2 en 3 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 107 dagen, met aftrek van voorarrest, waarvan 60 dagen voorwaardelijk en met een proeftijd van 2 jaren.\n\nHet vonnis waarvan beroep\n\nHet vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.\n\nVrijspraak\n\nDe advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het onder 2 tenlastegelegde wettig en overtuigend kan worden bewezenverklaard, nu de verdachte met zijn handelen een bijdrage van voldoende gewicht heeft geleverd aan het openlijk geweld tegen de desbetreffende verbalisanten. Zo heeft de verdachte voorafgaand aan de jaarwisseling deel genomen aan een WhatsApp-groep waarin werd gesproken over het voornemen onrust te veroorzaken ten tijde van de jaarwisseling. Voorts heeft de verdachte in de nacht van de jaarwisseling – nadat hij door leden van de Mobiele Eenheid (ME) was ingesloten –op zijn telefoon een video-opname gemaakt waarin er samen met medeverdachte [medeverdachte] (hierna: [medeverdachte] ) wordt gepraat over het doodschoppen van een ME’er. Vijftien minuten nadat hij deze video had opgenomen, is [medeverdachte] aangehouden voor het schoppen tegen het schild van een ME’er.\n\nHet hof overweegt als volgt.\n\nHet hof stelt voorop dat van het \"in vereniging\" plegen van geweld sprake is, indien de betrokkene een voldoende significante of wezenlijke bijdrage levert aan het geweld, zij het dat deze bijdrage zelf niet van gewelddadige aard hoeft te zijn. De enkele omstandigheid dat iemand aanwezig is in een groep die openlijk geweld pleegt is niet zonder meer voldoende om hem te kunnen aanmerken als iemand die \"in vereniging\" geweld pleegt. Beoordeeld zal moeten worden of de door de verdachte geleverde – intellectuele en\u002Fof materiële – bijdrage aan het delict van voldoende gewicht is.\n\nMet de advocaat-generaal en de verdediging is het hof van oordeel dat op grond van het verhandelde ter terechtzitting niet kan worden bewezen dat de verdachte omstreeks de jaarwisseling geweld heeft gebruikt jegens de verbalisanten, zoals het gooien met stenen of vuurwerk. Het hof is voorts van oordeel dat evenmin bewezen kan worden dat de verdachte op enige wijze geweldshandelingen die door andere personen zijn gepleegd heeft ondersteund of anderszins heeft bijgedragen aan het ontstaan of het voortduren van het geweld jegens de verbalisanten. Het hof neemt hierbij in aanmerking dat [medeverdachte] bij de raadsheer-commissaris als getuige is gehoord en heeft verklaard dat hetgeen de verdachte in de video-opname heeft gezegd, los stond van zijn handelen daarna en dat de verdachte niet in de buurt was toen [medeverdachte] tegen het schild van verbalisant [verbalisant 2] aan schopte. De enkele aanwezigheid in de groep die door de politie\u002FME was ingesloten en het feit dat de verdachte deel uit maakte van een WhatsApp-groep acht het hof evenmin een bijdrage van voldoende gewicht. Gelet op het voorgaande is niet vast komen te staan dat de verdachte een voldoende significante of wezenlijke bijdrage heeft geleverd aan het tenlastegelegde geweld tegen de desbetreffende verbalisanten, zodat het ten laste gelegde niet kan worden bewezen en de verdachte daarvan zal worden vrijgesproken.\n\nBewezenverklaring\n\nHet hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 3 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:\n\n3. hij op of omstreeks31 december 2022 te 's-Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard opzettelijk en wederrechtelijk eenvuilnisbak\u002Fprullenbak, in elk geval enig goed,dat\u002Fdiegeheel of ten deleaan Gemeente Hoeksche Waard, in elk geval aan een ander dan aan verdachtetoebehoorde(n)heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt;.\n\nHetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.\n\nBewijsvoering\n\nHet hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.\n\nIn die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.\n\nStrafbaarheid van het bewezenverklaarde\n\nHet onder 3 bewezenverklaarde levert op\n\nopzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen.\n\nStrafbaarheid van de verdachte\n\nEr is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.\n\nStrafmotivering\n\nHet hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.\n\nDaarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.\n\nDe verdachte heeft zich op oudejaarsavond schuldig gemaakt aan vernieling van een prullenbak door hierop zwaar vuurwerk tot ontploffing te brengen. Een dergelijk feit is gevaarzettend en geschikt om gevoelens van angst en onveiligheid in de maatschappij teweeg te brengen. De verdachte heeft met zijn handelen de gemeente en daarmee de gemeenschap financiële schade berokkend en hij heeft hiermee overlast veroorzaakt.\n\nHet hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie van 1 juni 2026, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder voor een vergelijkbaar feit is veroordeeld.\n\nTen aanzien van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) overweegt het hof dat deze is aangevangen op 6 maart 2023. In eerste aanleg is de redelijke termijn niet overschreden. Het hof stelt vast dat de behandeling van de zaak in hoger beroep niet heeft plaatsgevonden binnen de daartoe gestelde redelijke termijn,. Namens de verdachte is immers op 4 juli 2023 hoger beroep ingesteld en het hof wijst op 8 juli 2026 eindarrest. De redelijke termijn van de berechting in hoger beroep is derhalve met meer dan één jaar overschreden. Het hof ziet, ook gelet op de duur van de procedure als geheel, aanleiding te volstaan met de constatering van dit verzuim, gelet op de gekozen strafmodaliteit en de hoogte van de op te leggen straf.\n\nHet hof is – alles afwegende – van oordeel dat een onvoorwaardelijke taakstraf van na te melden duur een passende en geboden reactie vormt. Anders dan de verdediging heeft bepleit acht het hof een geldboete, gelet op de context waarin en de wijze waarop de vernieling plaatsvond – tijdens de jaarwisseling en met (illegaal) vuurwerk – niet passend. Evenmin zal om die reden toepassing worden gegeven aan het bepaalde in artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht.\n\nVorderingen tot schadevergoeding\n\nIn het onderhavige strafproces hebben tweeëntwintig verbalisanten zich als benadeelde partij gevoegd ter zake van het onder 2 ten laste gelegde. De benadeelde partijen [verbalisant 17] , [verbalisant 12] , [verbalisant 8] , [verbalisant 9] , [verbalisant 19] , [verbalisant 20] , [verbalisant 18] , [verbalisant 15] , [verbalisant 10] , [verbalisant 4] , [verbalisant 1] , [verbalisant 16] , [verbalisant 3] , [aspirant] , [verbalisant 7] , [hoofdagent] , [verbalisant 14] , [verbalisant 5] en [verbalisant 6] vorderen per persoon een vergoeding van € 350,00 aan immateriële schade. De benadeelde partijen [verbalisant 13] en [verbalisant 11] vorderen per persoon een vergoeding van € 400,00 aan immateriële schade en de benadeelde partij [verbalisant 2] vordert een vergoeding van € 750,00 aan immateriële schade.\n\nNu de verdachte ter zake van het onder 2 tenlastegelegde wordt vrijgesproken, zullen de benadeelde partijen niet-ontvankelijk worden verklaard in hun vordering.\n\nGelet daarop zullen de benadeelde partijen worden veroordeeld in de kosten die de verdachte tot aan deze uitspraak in verband met de verdediging tegen die vorderingen heeft moeten maken, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil.\n\nToepasselijke wettelijke voorschriften\n\nHet hof heeft gelet op de artikelen 9, 22c, 22d en 350 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.\n\nBESLISSING\n\nHet hof:\n\nVerklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder 1 tenlastegelegde.\n\nVernietigt het vonnis waarvan beroep voor zover thans aan het oordeel van het hof onderworpen en doet in zoverre opnieuw recht:\n\nVerklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 2 tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.\n\nVerklaart, zoals hiervoor overwogen, bewezen dat de verdachte het onder 3 tenlastegelegde heeft begaan.\n\nVerklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.\n\nVerklaart het onder 3 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.\n\nVeroordeelt de verdachte tot een taakstrafvoor de duur van60 (zestig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door30 (dertig) dagen hechtenis.\n\nBeveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van 2 uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.\n\nVordering van de benadeelde partijen:\n\n- [verbalisant 17] ,\n\n- [verbalisant 12] ,\n\n- [verbalisant 13] ,\n\n- [verbalisant 8] ,\n\n- [verbalisant 9] ,\n\n- [verbalisant 19] ,\n\n- [verbalisant 20] ,\n\n- [verbalisant 11]\n\n- [verbalisant 18] ,\n\n- [verbalisant 15] ,\n\n- [verbalisant 10] ,\n\n- [verbalisant 4] ,\n\n- [verbalisant 1] ,\n\n- [verbalisant 16] ,\n\n- [verbalisant 3] ,\n\n- [verbalisant 2]\n\n- [aspirant] ,\n\n- [verbalisant 7] ,\n\n- [hoofdagent] ,\n\n- [verbalisant 14] ,\n\n- [verbalisant 5] , en\n\n- [verbalisant 6]\n\nVerklaart de hiervoor genoemde benadeelde partijen telkens niet-ontvankelijk in hun vordering tot schadevergoeding.\n\nVeroordeelt de hiervoor genoemde benadeelde partijen telkens in de door verdachte gemaakte kosten en begroot deze telkens op nihil.\n\nDit arrest is gewezen door mr. F.W. Pieters, als voorzitter, mr. E.C. van Veen en mr. M.C. Bruining, leden, in bijzijn van de griffier mr. V.V. de Lange.\n\nHet is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 8 juli 2026.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHDHA:2026:2250","ecli-nl-ghdha-2026-2250",{"courtName":51,"legalDomain":52,"decisionType":18,"procedureType":19},"Den Haag","Strafrecht",{"id":54,"ecli":55,"caseNumber":6,"courtId":56,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":57,"language":12,"source":13,"sourceUrl":58,"summary":6,"slug":59,"metadata":60},"348","ECLI:NL:RBDHA:2026:18721",65,"RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Groningen\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL26.20806\n uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n \n [naam], eiseres,\n\nV-nummer: [v-nummer:],\n\n(gemachtigde: mr. I.M. Zuidhoek),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, de minister.\n\nInleiding\n\n1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 7 april 2026 niet in behandeling genomen omdat daarvoor Frankrijk verantwoordelijk is.\n\n1.1.. De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiseres. Zij doet dat mede aan de hand van de argumenten die eiseres heeft aangevoerd, de beroepsgronden.\n\n3. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiseres ongelijk krijgt en het bestreden besluit in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nToepasselijk recht\n\n4. Op deze zaak is het recht van toepassing dat gold vóór 12 juni 2026.\n\nTotstandkoming van het besluit\n\n5. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening.Op grond van de Dublinverordening neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.In dit geval heeft Nederland bij Frankrijk een verzoek om terugname gedaan. Frankrijk heeft dit verzoek aanvaard.\n\nMag de minister ten opzichte van Frankrijk uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel?\n\n6. Eiseres stelt zich op het standpunt dat er in Frankrijk voor haar een onveilige situatie zal optreden. Dit is het gevolg van de aanwezigheid van veel Libanezen in Frankrijk, waaronder ook de familie van haar moeder die haar eerder al bedreigde. Bovendien heeft eiseres in Nederland een community gevonden waar zij zich veilig bij voelt en in Frankrijk heeft zij niemand, dit is voor haar een angstaanjagend vooruitzicht. Dit terwijl in Nederland er een sterke en diverse LHBT-gemeenschap is waar zij zich veilig voelt. Volgens eiseres is er in Frankrijk bovendien nog steeds een groot probleem met betrekking tot de opvang van asielzoekers. Ze verwijst naar het AIDA-rapport over Frankrijk, update 2024.Er is een tekort aan opvangplekken en eiseres loopt bij terugkeer een reëel risico om in een situatie van materiële deprivatie terecht te komen. Volgens eiseres is het bestreden besluit niet zorgvuldig voorbereid en berust het evenmin op een deugdelijke motivering.\n\n6.1.. De beroepsgrond slaagt niet. Naar het oordeel van de rechtbank mag de minister ten aanzien van Frankrijk uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. De Afdelingheeft meermaals bevestigd dat ten aanzien van Frankrijk in algemene zin kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Hierbij is ook het AIDA rapport, update 2024, betrokken. De rechtbank overweegt ambtshalve dat ook het recente AIDA rapport, update 2025, geen wezenlijk ander beeld geeft van de opvangvoorzieningen in Frankrijk dan de informatie die is betrokken door de Afdeling in eerdere uitspraken.\n\n6.2.. Uit de AIDA rapporten blijkt niet dat sprake is van structurele tekortkomingen in de opvang of asielprocedure, ook niet ten aanzien van de LHTBI-gemeenschap. Eiseres heeft bovendien niet aannemelijk gemaakt dat zij bij overdracht aan Frankrijk persoonlijk geen opvang, rechtsbescherming of toegang tot de procedure zal krijgen. Eiseres heeft niet eerder een asielaanvraag in Frankrijk ingediend waardoor zij geen persoonlijke ervaring heeft met de kwaliteit van de asielprocedure en de opvangvoorzieningen in Frankrijk.\n\n6.3.. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van bijzondere, individuele omstandigheden op basis waarvan de minister de aanvraag toch zou moeten behandelen.\n\nConclusie en gevolgen\n\n7. Het beroep is kennelijk ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft en eiseres overgedragen kan worden aan Frankrijk. Eiseres krijgt geen vergoeding van haar proceskosten.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. A. Sibma, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Strating, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.\n\nDe uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over verzet\n\nAls partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.\n\n Zie artikel 84 van de Asiel- en migratiebeheerverordening inzake het overgangsrecht.\n\n Verordening (EU) nr. 604\u002F2013.\n\n Dit staat ook in artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.\n\n Update 2024 van juni 2025.\n\n Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.\n\n Update 2025 van mei 2026.\n\n Zie ook de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Arnhem, van 3 juli 2026. (ECLI:NL:RBDHA:2026:18469, r.o. 7.1) en de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Middelburg, van 25 juni 2026 (ECLI:NL:RBDHA:2026:17711).","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18721","ecli-nl-rbdha-2026-18721",{"courtName":61,"legalDomain":62,"decisionType":18,"procedureType":19},"Groningen","Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht",{"id":64,"ecli":65,"caseNumber":6,"courtId":66,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":67,"language":12,"source":13,"sourceUrl":68,"summary":6,"slug":69,"metadata":70},"418","ECLI:NL:RBDHA:2026:18726",61,"RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Rotterdam\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL26.36068uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n\n [naam eiser] , eiser\n\nV-nummer: [V-nummer]\n\n(gemachtigde: mr. J.S. Dobosz),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, verweerder\n\n(gemachtigde: mr. C. van der Zijde).\n\nSamenvatting\n\n1. Deze uitspraak gaat over de maatregel van vreemdelingenbewaring die aan eiser is opgelegd. Deze maatregel is opgelegd op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser is het niet eens met die maatregel. Hij voert daartegen een beroepsgrond aan. Onder meer aan de hand van deze beroepsgrond beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van die maatregel en de vraag of aan eiser een schadevergoeding moet worden toegekend.\n\n1.1.. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep gegrond is. Het opleggen van de maatregel van vreemdelingenbewaring is onrechtmatig. De rechtbank kent daarom een schadevergoeding toe. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.\n\n1.2.. In deze uitspraak gebruikt de rechtbank de volgende afkortingen voor de wet- en regelgeving:\n\nAwb: Algemene wet bestuursrecht\n\nVw: Vreemdelingenwet 2000\n\nVb: Vreemdelingenbesluit 2000\n\nProcesverloop\n\n2. Met het bestreden besluit van 29 juni 2026 heeft verweerder aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.\n\n2.1.. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.\n\n2.2.. De rechtbank heeft het beroep op 7 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, K.A. Ozdzinska als tolk en de gemachtigde van verweerder.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\nToetsingskader\n\n3. Verweerder kan als het belang van de openbare orde of de nationale veiligheid dat vordert, de vreemdeling die geen rechtmatig verblijf heeft in vreemdelingenbewaring stellen.Verweerder stelt een vreemdeling slechts in vreemdelingenbewaring, voor zover geen minder dwingende maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast en de vreemdelingenbewaring blijft achterwege of wordt beëindigd, indien deze niet langer noodzakelijk is met het oog op het doel van de vreemdelingenbewaring.Deze vreemdeling kan in vreemdelingenbewaring worden gesteld op grond dat het belang van de openbare orde of nationale veiligheid zulks vordert, indien a) een onderduikrisico bestaat, of b) de vreemdeling de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert.De maatregel kan alleen worden opgelegd wegens het bestaan van een onderduikrisico, indien ten minste twee van de gronden, genoemd in artikel 5.6, tweede lid, van het Vb zich voordoen.\n\nGronden\n\n4. Eiser heeft de gronden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd niet bestreden. De gronden, die de ambtshalve toetsing van de rechtbank doorstaan, zijn tezamen voldoende om de maatregel van bewaring te kunnen dragen.\n\nRechtmatig verblijf\n\n5. Eiser heeft aangevoerd dat er sprake is van een rechtmatig verblijf van eiser in Nederland op grond van artikel 7 van de Richtlijn 2004\u002F38\u002FEG. Eiser is een maand voorafgaand aan de onderhavige zaak opgehouden op 3 juni 2026. Hij heeft ter onderbouwing het proces-verbaal van ophouding overgelegd. Op deze dag is onderzoek gedaan naar de arbeidssituatie van eiser. Gebleken is dat eiser arbeid verricht voor een Nederlands uitzendbureau en beschikte over een arbeidscontract. Eiser is vervolgens heengezonden wegens bestendig verblijf. Verweerder kon ten aanzien van de onderhavige maatregel van bewaring op 29 juni 2026 niet zonder meer terugvallen op het standpunt dat sprake is van voortgezet onrechtmatig verblijf. Dit is onverenigbaar met de bevinding op 3 juni 2026. De maatregel van bewaring is dan ook onvoldoende zorgvuldig voorbereid en onvoldoende gemotiveerd.\n\n5.1.. Verweerder heeft aan de maatregel ten grondslag gelegd dat eiser geen rechtmatig verblijf in Nederland heeft, nu zijn verblijfsrecht als Unieburger bij beschikking van 6 maart 2025 is beëindigd. De rechtbank stelt voorop dat de enkele omstandigheid dat het verblijfsrecht van een Unieburger eerder is beëindigd, niet zonder meer meebrengt dat deze op een later moment geen rechten meer aan het Unierecht kan ontlenen. Indien sprake is van gewijzigde feiten en omstandigheden dient verweerder de verblijfsrechtelijke positie van de betrokkene opnieuw te beoordelen alvorens tot het oordeel te komen dat hij geen rechtmatig verblijf heeft.\n\n5.2.. De rechtbank oordeelt als volgt. In de maatregel van bewaring is vermeld dat eiser heeft verklaard werkzaam te zijn voor een Nederlands uitzendbureau en dit ook heeft aangetoond, dat eiser werkzaam is in België waar hij ook wordt voorzien van woonruimte door de werkgever en dat hij in België mag verblijven. Naar het oordeel van de rechtbank vormen deze omstandigheden concrete aanwijzingen dat de feitelijke situatie van eiser sinds de beschikking van 6 maart 2025 is gewijzigd. Van verweerder mocht daarom worden verwacht dat hij kenbaar zou onderzoeken welke betekenis deze gewijzigde omstandigheden hebben voor de actuele verblijfsrechtelijke positie van eiser. Uit de maatregel van bewaring, het gehoor voorafgaand aan deze maatregel en de overige stukken in het dossier is niet gebleken dat een dergelijk onderzoek heeft plaatsgevonden. Daarbij betrekt de rechtbank dat uit het proces-verbaal van ophouding van eiser op 3 juni 2026 blijkt dat eiser is heengezonden, omdat sprake was van ‘mogelijk bestendig verblijf’. Uit het proces-verbaal van verhoor op die dag blijkt dat het werken voor een Nederlands uitzendbureau hier ook aan de orde is geweest. Vervolgens wordt nog geen maand later in de onderhavige maatregel van bewaring zonder kenbare motivering aangenomen dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft. Niet valt in te zien waarom verweerder er zonder nader onderzoek van uit heeft kunnen gaan dat eiser geen aan het Unierecht ontleend verblijfsrecht had. De motivering dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft, is onder deze omstandigheden onvoldoende draagkrachtig. Gelet hierop is de maatregel in strijd met artikel 3:2 en 3:46 van de Awb tot stand gekomen en is dan ook onrechtmatig. Deze beroepsgrond slaagt.\n\nConclusie en gevolgen\n\n6. Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is gegrond. Deze maatregel is vanaf het moment van het opleggen daarvan onrechtmatig. De rechtbank beveelt de opheffing van deze maatregel met ingang van vandaag.\n\n6.1.. Op grond van artikel 106 van de Vw kan de rechtbank indien zij de opheffing van de maatregel van vreemdelingenbewaring beveelt aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen. De rechtbank acht gronden aanwezig om een schadevergoeding toe te kennen voor 10 dagen onrechtmatige (tenuitvoerlegging van de) vreemdelingenbewaring ten bedrage van 0 x € 160,- (verblijf politiecel) en 10 x € 120,- (verblijf detentiecentrum) = € 1.200,-.\n\n6.2.. Eiser krijgt een vergoeding van zijn proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- omdat de gemachtigde van eiser geacht wordt beroep te hebben ingesteld en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep gegrond;\n\n- veroordeelt de Staat der Nederlanden tot het betalen van € 1.200,- aan schadevergoeding aan eiser, te betalen door de griffier en beveelt de tenuitvoerlegging van deze schadevergoeding;\n\n- beveelt de opheffing van de maatregel van vreemdelingenbewaring met ingang van vandaag;\n\n- veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiser.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. S.N. Abdoelkadir, rechter, in aanwezigheid van mr. M. Stehouwer, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.\n\n Het beroep tegen een maatregel van bewaring wordt ook aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding. Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 59c van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 5.5 van het Vb.\n\n Dit volgt uit artikel 5.6, eerste lid, van het Vb.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18726","ecli-nl-rbdha-2026-18726",{"courtName":71,"legalDomain":62,"decisionType":18,"procedureType":19},"Rotterdam"]