[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"decision-ecli-nl-ghams-2026-1762":3,"decision-more-ecli-nl-ghams-2026-1762":20},{"id":4,"ecli":5,"caseNumber":6,"courtId":7,"courtName":8,"courtSlug":9,"decisionDate":10,"fullText":11,"language":12,"source":13,"sourceUrl":14,"summary":6,"slug":15,"metadata":16},"1503","ECLI:NL:GHAMS:2026:1762","",56,"Amsterdam","amsterdam","2026-07-02T00:00:00.000Z","afdeling strafrecht\n\nparketnummer: 23-000407-23\n\ndatum uitspraak: 2 juli 2026\n\nTEGENSPRAAK\n\nVerkort arrest van het gerechtshof Amsterdam, gewezen op het hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 25 januari 2023 in de strafzaak onder parketnummer 13-650568-18 tegen\n\n [verdachte] B.V.,\n\ngevestigd te [adres] .\n\n1. Onderzoek van de zaak\n\nDit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 2 juni 2026 en 2 juli 2026, en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.\n\nDe verdachte en het openbaar ministerie hebben hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank.\n\nHet hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van wat de vertegenwoordiger van de verdachte, de heer [Naam 1 ] (als bestuurder van [verdachte] Group B.V., op haar beurt bestuurder van de verdachte), de raadsvrouw en de advocaat van de benadeelde partijen (nabestaanden) naar voren hebben gebracht.\n\n2. Tenlastelegging\n\nAan de verdachte is (samengevat) tenlastegelegd dat:\n\nzij, verdachte, al dan niet samen met een ander of anderen, in of omstreeks de periode van 1 januari 2018 tot en met 25 november 2018 te Amsterdam, zeer, of in ieder geval aanmerkelijk, onvoorzichtig en\u002Fof onoplettend en\u002Fof nalatig heeft gehandeld door geen, althans onvoldoende, toezicht te houden op het (veilig gebruik maken van het) zwembad en\u002Fof de daar werkzame medewerkers en\u002Fof de aan haar zorg en\u002Fof toezicht toevertrouwde [slachtoffer] (hierna: [slachtoffer]), waardoor [slachtoffer] is overleden.\n\nDit verwijt is – vereenvoudigd en met letters in plaats van gedachtestreepjes aangegeven – in de tenlastelegging geconcretiseerd in de volgende deelverwijten:\n\na. het Toezichtplan van de verdachte was onvoldoende bekend bij en\u002Fof niet ondertekend door het personeel;\n\nb. in het zwembad waren onvoldoende gekwalificeerde toezichthouders aanwezig;\n\nc. het aanwezige personeel was onvoldoende geïnstrueerd over volwassenen die onvoldoende zwemvaardig zijn en over het vluchtelingen zwemprogramma;\n\nd. het Toezichtplan was niet of onvoldoende aangepast naar aanleiding van het vluchtelingen zwemprogramma voor volwassenen die onvoldoende zwemvaardig waren;\n\ne. de huisregels waren niet in een andere taal dan het Nederlands aanwezig;\n\nf. de portofoons en de lamellen werkten niet en een verplichte drijflijn ontbrak;\n\ng. voor de gebreken onder f was geen alternatieve werkwijze gekomen.\n\nDe volledige tekst van de tenlastelegging is opgenomen in bijlage 1 bij dit arrest en geldt als hier ingevoegd. Niet heeft ter discussie gestaan dat daarin met ’ [verdachte] B.V.' wordt bedoeld ’ [verdachte] B.V.' Het hof beschouwt dat als een kennelijke verschrijving, door verbetering waarvan de verdachte niet in haar belangen is geschaad.\n\n3. Vonnis waarvan beroep\n\nHet vonnis van de rechtbank zal worden vernietigd, omdat het hof tot een (deels) andere bewezenverklaring en strafoplegging komt. Het hof neemt wel de delen uit het vonnis van de rechtbank over waarmee het hof het eens is. Daarnaast zal het hof niet meer beslissen op de vorderingen van de benadeelde partijen, omdat die vorderingen in hoger beroep zijn ingetrokken.\n\n4. Overwegingen over het bewijs\n\n4.1. Inleiding\n\nDe verdachte exploiteert bedrijfsmatig als besloten vennootschap het Bijlmerbad in Amsterdam Zuid-Oost . Deze verdachte wordt ‘dood door schuld’ verweten door verdrinking in dat bad op zondag 25 november 2018 van een volwassen man aan wie als vluchteling een verblijfsstatus was verleend, de heer [slachtoffer] . De schuld zou bestaan in meerdere tekortkomingen in en rond het zwembad, geconcretiseerd in een zevental verwijten die hierboven en hierna zijn aangeduid met de letters a. tot en met g.\n\n4.2. Standpunt van het openbaar ministerie\n\nDe advocaat-generaal heeft zich, aan de hand van haar overgelegd schriftelijk requisitoir, op het standpunt gesteld dat het tenlastegelegde bewezen kan worden, met uitzondering van het deelverwijt onder e. De tekortkomingen van de verdachte, zoals opgenomen onder a tot en met d en f en g, hebben in onderlinge samenhang bijgedragen aan het overlijden van [slachtoffer] . Gelet op het samenstel van deze tekortkomingen is volgens de advocaat-generaal sprake van zeer onvoorzichtig en nalatig handelen door de verdachte. Als de veiligheidsmaatregelen wel op orde waren geweest, had het slachtoffer tijdig kunnen worden herkend als niet-zwemvaardig, beter kunnen worden begeleid en gecontroleerd en zou de verdrinking waarschijnlijk zijn voorkomen. De gedragingen en nalatigheden vonden plaats binnen de bedrijfsvoering van de verdachte en kunnen daarom aan haar, als rechtspersoon, worden toegerekend.\n\n4.3. Standpunt van de verdediging\n\nTer terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsvrouw, op gronden zoals verwoord in de overgelegde pleitnota, vrijspraak bepleit. Zij heeft daartoe (samengevat) aangevoerd dat geen sprake is geweest van verwijtbaar aanmerkelijk onvoorzichtig of nalatig handelen door de verdachte. Het overlijden van [slachtoffer] was het gevolg van een noodlottige samenloop van omstandigheden die niet specifiek aan één partij zijn toe te rekenen. Daarbij speelde ook zijn eigen verantwoordelijkheid als volwassene een rol. Niet kan worden vastgesteld wat zich voorafgaand aan de verdrinking precies heeft afgespeeld. Daarom ontbreekt een voldoende causaal verband tussen de verweten gedragingen en het overlijden. De gemaakte verwijten kunnen niet, in ieder geval niet zonder meer, aan de rechtspersoon worden toegerekend. Eventuele individuele fouten van medewerkers of incidentele uitvoeringsgebreken rechtvaardigen volgens de verdediging geen strafrechtelijke aansprakelijkheid van de verdachte.\n\nBij de specifieke deelverwijten heeft de verdediging, kort samengevat, het volgende aangevoerd.\n\na. Het personeel was voldoende bekend met het Toezichtplan en voldoende geïnstrueerd over de regels daarin en de bijbehorende verantwoordelijkheden. Zij werden op meerdere manieren getraind en ingewerkt in het toezichthouden. Dat sommige medewerkers zich bepaalde onderdelen van het Toezichtplan – waaronder de 10\u002F20-regel – achteraf niet goed of onder deze benaming konden herinneren, betekent niet dat zij onvoldoende waren opgeleid of dat de inhoud van het Toezichtplan hun onvoldoende bekend was.\n\nb. Op de dag van het incident waren voldoende (gekwalificeerde) toezichthouders aanwezig. Zowel aan de wettelijke eisen als aan de eisen van het Toezichtplan was in kwantitatief en in kwalitatief opzicht voldaan.\n\nc. en d. De in het Toezichtplan opgenomen regels voor onvoldoende zwemvaardige bezoekers, waaronder ook deelnemers aan het vluchtelingenprogramma, en de aanvullende maatregelen (zoals de oranje polsbandjes) waren toereikend. Een aanpassing van het Toezichtplan of aanvullende instructies waren niet noodzakelijk.\n\ne. Het ontbreken van huisregels in andere talen heeft geen rol gespeeld bij het overlijden van [slachtoffer] .\n\nf. en g. Niet is komen vast te staan dat portofoons ondeugdelijk functioneerden. Voor zover daarvan al sprake was, kan dit niet aan de verdachte worden toegerekend en ontbreekt bovendien een causaal verband met het overlijden. Het defect aan de lamellen is in de eerste plaats niet toe te rekenen aan de verdachte. Bovendien heeft dat, samen met het ontbreken van een alternatieve voorziening daarvoor het zicht van de toezichthouders niet zodanig beïnvloed dat daardoor het ongeval is veroorzaakt. De conclusie dat het slachtoffer daardoor niet is opgemerkt berust op aannames. Ten aanzien van de drijflijn in de breedte ter hoogte van de overgang van het ondiepe gedeelte naar het diepe gedeelte heeft de verdediging betoogd dat er die dag geen verplichting was deze drijflijn aan te brengen, maar ook het ontbreken van deze drijflijn of een alternatieve voorziening daarvoor heeft niet aantoonbaar bijgedragen aan het overlijden van [slachtoffer] .\n\n4.4. Oordeel van het hof\n\n4.4.1. Juridisch kader: dood door schuld, begaan door een rechtspersoon\n\nHet hof stelt voorop dat een rechtspersoon, in de zin van artikel 51 van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr), als dader van een strafbaar feit kan worden aangemerkt indien de verweten gedraging redelijkerwijs aan de rechtspersoon kan worden toegerekend. Die toerekening is afhankelijk van de concrete omstandigheden van het geval, waartoe mede behoort de aard van de (verboden) gedraging of van het nalaten. Een belangrijk oriëntatiepunt daarbij is of de gedraging of het nalaten heeft plaatsgevonden of is verricht in de sfeer van de rechtspersoon. Van een gedraging in de sfeer van de rechtspersoon kan sprake zijn wanneer zich een of meer van de hierna volgende omstandigheden, de zogenoemde drijfmest-criteria, voordoen (vlg. HR 21 oktober 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF7938):\n\nhet gaat om een handelen of nalaten van iemand die hetzij uit hoofde van een dienstbetrekking hetzij uit anderen hoofde werkzaam is ten behoeve van de rechtspersoon;\n\nde gedraging past in de normale bedrijfsvoering van de rechtspersoon;\n\nde gedraging is de rechtspersoon dienstig geweest in het door hem uitgeoefende bedrijf;\n\nde rechtspersoon vermocht erover te beschikken of de gedraging al dan niet zou plaatsvinden en zodanig of vergelijkbaar gedrag werd gezien de feitelijke gang van zaken door de rechtspersoon aanvaard of placht te worden aanvaard. Onder aanvaarden is mede begrepen het niet betrachten van de zorg die in redelijkheid van de rechtspersoon kan worden gevergd met het oog op de voorkoming van de gedraging.\n\nSchuld in de zin van artikel 307 Sr komt in beeld als een verdachte een bepaald gevolg (de dood) van zijn of haar handelen niet heeft willen veroorzaken, maar dat gevolg de verdachte toch verweten kan worden omdat de verdachte niet alleen anders had moeten handelen (vermijdbaarheid) maar ook anders had kunnen handelen (verwijtbaarheid). Daarbij is niet elke fout die wordt gemaakt voldoende om in strafrechtelijke zin te kunnen spreken van schuld. Het moet gaan om een verwijtbare, evidente, grotere fout. In strafrechtelijke bewoordingen moet minimaal sprake zijn van aanmerkelijke schuld om tot een veroordeling te kunnen komen. Gekeken moet worden naar de manier waarop die schuld in de tenlastelegging is geconcretiseerd en verder naar het geheel van de gedragingen van de verdachte, de aard en de ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval.\n\nHet uiteindelijke gevolg van de gedragingen van de verdachte weegt niet mee bij deze beoordeling. Hoe ernstig de gevolgen ook zijn, de schuld moet beoordeeld worden zonder het uiteindelijke gevolg daarin mee te wegen. Verder is voor schuld vereist dat tussen de gemaakte fout en de dood voldoende oorzakelijk verband (causaliteit) bestaat en dat het gevolg voldoende voorzienbaar was. Het juridische criterium om dit vast te stellen, is in een geval als dit het toerekenen naar redelijkheid.\n\nAls het gedrag uit nalaten bestaat, komt een eventueel op de verdachte rustende zorgplicht in beeld en kan die zorgplicht voor het bewijs van de aanmerkelijke schuld (culpa) van grote betekenis zijn.\n\nHet hof concludeert uit de wijze van ten laste leggen dat de feitelijk aan de verdachte verweten gedragingen alle bestaan uit nalaten. Daarom ziet het hof zich bij de beoordeling van de vraag of het aan de schuld van de verdachte te wijten is dat [slachtoffer] is verdronken, voor de volgende vragen gesteld:\n\nHad de verdachte een bepaalde zorgplicht voor [slachtoffer] en, zo ja, wat hield die zorgplicht feitelijk in?\n\nHeeft de verdachte deze zorgplicht (in het licht van de toepasselijke normstelling) geschonden, en, zo ja, op welke wijze?\n\nBestaat tussen de door de verdachte geschonden zorgplicht en het overlijden van [slachtoffer] een causaal verband?\n\nIndien sprake is van dat causaal verband, kan van het schenden van die zorgplicht aan de verdachte dan ten minste een aanmerkelijk verwijt worden gemaakt en zo ja, waarin bestaat dan dit verwijt?\n\nTer beantwoording van deze vier vragen neemt het hof de volgende – naar het oordeel van het hof vaststaande – feiten en omstandigheden in overweging 4.4.2 in aanmerking. Vervolgens bespreekt het hof de vier vragen in de overwegingen 4.4.3 tot en met 4.4.6.\n\n4.4.2. Vaststelling van de feiten\n\nHet hof stelt de volgende feiten en omstandigheden vast.\n\nDe verdachte exploiteert zoals hiervoor genoemd het Bijlmer Sportcentrum in Amsterdam Zuid-Oost , dat eigendom is van de Gemeente Amsterdam. Dit sportcentrum omvat onder meer een aantal bassins om in te zwemmen, met beperkte recreatieve voorzieningen (het “ Bijlmerbad ”) en wordt hier verder gezamenlijk aangeduid met “het zwembad” of “de badinrichting”.\n\n [Naam 1 ] heeft als de (uiteindelijke) vertegenwoordiger van de verdachte tijdens zijn verhoren verklaard dat dit zwembad in Amsterdam Zuid-Oost een speciaal type zwembad is, omdat daar gezien de multiculturele omgeving een heel ander type bezoeker komt dan in zwembaden elders in het land. Het hof begrijpt dit zo, dat er in dit zwembad eerder sprake zal zijn van niet zwemvaardige volwassenen dan in zwembaden elders in het land.\n\n [Naam 1 ] is overigens bij het hof afgeweken van deze eerdere verklaring en stelt dat hij hierbij alleen jongeren had bedoeld, maar daarin vindt het hof [Naam 1 ] niet geloofwaardig. [Naam 1 ] komt pas in een laat stadium hiermee en dat valt op, omdat het hier gaat om een element dat relevant is in deze strafzaak, namelijk de vraag naar verantwoordelijkheid voor volwassenen die nog niet veilig kunnen zwemmen. De bijgestelde verklaring vindt onvoldoende steun in het verdere dossier. Het hof stelt die nuancering van [Naam 1 ] dan ook terzijde en gaat uit van wat in een eerder stadium door [Naam 1 ] is verklaard.\n\nDe kernactiviteiten van het zwembad bestaan – in ieder geval in het najaar van 2018 – uit het verzorgen van zwemlessen, doelgroepenactiviteiten en een speciaal zwemproject voor vluchtelingen, dat door de gemeente Amsterdam werd aangeboden. Die activiteiten van de verdachte waren daarmee in belangrijke mate gericht op personen die niet of slechts beperkt zwemvaardig zijn. De lessen in het kader van het zwemproject voor vluchtelingen werden destijds alleen op zaterdagen gegeven. Op zondagen was in het Bijlmer Sportcentrum na 12:00 uur sprake van recreatiezwemmen, ook wel 'vrij zwemmen' genoemd.\n\n [slachtoffer] meldt zich op zondag 25 november 2018 rond 13:05 uur bij [naam 2] , de receptiemedewerker van het Bijlmerbad die op dat moment aan het werk is. [naam 2] ziet dat [slachtoffer] een brief voor deelname aan het vluchtelingen zwemprogramma bij zich heeft. [naam 2] vertelt [slachtoffer] dat er geen zwemlessen plaatsvinden op zondag, maar dat [slachtoffer] mag oefenen als hij een ticket betaalt voor toegang. [slachtoffer] betaalt voor toegang en begeeft zich vervolgens naar de ruimte met kleedhokken en kluisjes. In de brief die aan [slachtoffer] door de gemeente is gestuurd, staat dat hij in het kader van het zwemproject op 18 november 2018 (een zondag) voor de eerste keer wordt verwacht in het Bijlmersportcentrum en dat hij de brief moet meenemen naar zijn eerste les. Uit de verklaring van [naam 8] , de locatiemanager, volgt dat de datum in de brief een fout moet zijn geweest, omdat de lessen aan vluchtelingen alleen op zaterdag werden gegeven. [slachtoffer] zou zijn eerste zwemles op zaterdag 17 november 2018 hebben. De naam van [slachtoffer] is voor de tweede zwemles op zaterdag 24 november 2018 niet afgetekend; hij was daar toen niet geweest.\n\nDe badinrichting omvat verschillende bassins, waaronder een bassin met een breedte van 15 meter en een lengte van 25 meter (hierna: het 25-meterbad). Het 25-meterbad is voorzien van een gedeeltelijk beweegbare bodem om de waterdiepte in het ondiepe deel van het zwembad te kunnen aanpassen. Op 25 november 2018 was de beweegbare bodem van het 25-meterbad afgesteld op een maximale waterdiepte van 1.40 meter. Het beweegbare deel wordt afgesloten met een klep. Het overige (niet beweegbare) deel van de bodem van het bad is niet verstelbaar. De maximale waterdiepte daar is 3.50 meter.\n\nOp zondag 25 november 2018 was het relatief druk in het zwembad en er was van 13.00 tot 16.00 uur als bijzonderheid een kinderfeestje ingepland. In het 25-meterbad lagen drijfmatten, was de duikplank in gebruik en lag geen drijflijn in de breedte ter hoogte van de overgang van het ondiepe gedeelte naar het diepe gedeelte. In de lengterichting van het 25-meterbad lagen twee drijflijnen, zodat twee banen waren gecreëerd voor het banenzwemmen.\n\nOm ongeveer 13:15 uur liep [slachtoffer] richting de douches. Voorbij de douches bevinden zich de bassins. Recreant [naam 3] zag [slachtoffer] van de kant van de douches via de trap het ondiepe gedeelte van het 25-meterbad ingaan. [naam 3] heeft [slachtoffer] niet zien zwemmen en weet niet hoe [slachtoffer] ging zwemmen, maar was wel in het 25-meterbad toen [slachtoffer] aankwam en korte tijd later uit het water werd gehaald.\n\nDat gebeurde nadat een negenjarig meisje aan een toezichthouder had verteld dat zij iemand in het water had zien zweven. Een van de toezichthouders heeft toen [slachtoffer] in een bewusteloze toestand uit het 25-meterbad gehaald; hij trof [slachtoffer] na een duik bij een waterdiepte van ongeveer 2.50 meter in het bad aan. Geen van de toezichthouders had [slachtoffer] op een eerder moment in of rond de bassins in het zwembad gezien. Twee toezichthouders startten met reanimeren en het 112-alarmnummer werd gebeld. Omstreeks 13:45 uur namen de ter plaatse gekomen verbalisanten de reanimatie over met behulp van een AED. Vervolgens is [slachtoffer] overgebracht naar het ziekenhuis, waar hij een dag later is overleden.\n\nHoewel de doodsoorzaak van [slachtoffer] niet met honderd procent zekerheid is komen vast te staan, concludeert het hof dat [slachtoffer] ten gevolge van verdrinking is overleden. Daartoe overweegt het hof het volgende. Er is geen zekere oorzaak gevonden voor het te water onwel worden, de reanimatiebehoefte en de noodzaak tot ziekenhuisopname. Uit zijn medisch dossier volgen geen bijzonderheden en [slachtoffer] was – volgens zijn huisarts – kerngezond. Daarom is het hof van oordeel dat er geen begin van aannemelijkheid is van een andere doodsoorzaak, voorafgaand aan de verdrinking. De door de pathologen geconstateerde dubbelzijdige acute longontsteking past ook goed bij het feit dat [slachtoffer] 70 minuten lang is gereanimeerd, in kritieke toestand in het ziekenhuis is opgenomen en daar een dag later is overleden. De bevindingen en conclusies van de forensisch patholoog en de neuropatholoog passen bovendien bij het scenario dat [slachtoffer] als gevolg van zuurstoftekort is verdronken doordat hij onvoldoende zwemvaardig was. Het hof stelt dus vast dat [slachtoffer] alleen door verdrinking is overleden.\n\nTen tijde van de verdrinking waren [naam 4] en [Naam 5] aanwezig bij het 25-meterbad. [naam 4] was werkzaam als toezichthouder en [Naam 5] liep stage. Zij hadden de opdracht toezicht te houden bij het 25-meterbad. Zij bevonden zich hoofdzakelijk aan de lange zijde van het 25-meterbad aan de kant van de recreatiebaden. Aan de overzijde, gezien vanuit die positie, is een grote raampartij. De ramen in die raampartij zijn voorzien van lamellen als zonwering (gemonteerd in de ruimte tussen het dubbele glas), maar dat systeem was (deels) defect. [naam 4] en [Naam 5] kregen van toezichthouder [naam 6] , die niet bij het 25-meterbad stond, te horen dat er mogelijk een man onder water lag in het 25-meterbad. [naam 4] is het water in gesprongen om de man te zoeken en heeft na enige tijd [slachtoffer] uit het water gehaald. [naam 4] en [Naam 5] hebben verklaard dat zij [slachtoffer] vanaf de kant niet konden zien. [slachtoffer] lag recht voor hen in het water, op een afstand van twee tot drie meter verwijderd van de positie waar zij zich bevonden.\n\nIn de periode van de tenlastelegging geldt voor het zwembad het ‘Toezichtplan [verdachte] BV’ (hierna: het Toezichtplan) van augustus 2013, dat destijds voor het laatst was geactualiseerd in november 2016. Het Toezichtplan voorziet, ter waarborging van de veiligheid van gasten, in regels voor het toezicht tijdens verschillende activiteiten, waarvoor het (bad)personeel verantwoordelijk is. Daarin zijn ook de voor de medewerkers geldende afspraken en verantwoordelijkheden uitgewerkt. De Wet hygiëne en veiligheid badinrichtingen en zwemgelegenheden (hierna: Whvbz) en het bezoekerspatroon in het zwembad zijn richtinggevend voor het Toezichtplan.\n\n4.4.3. De zorgplicht van de verdachte voor [slachtoffer] en andere onvoldoende zwemvaardige volwassenen en de feitelijke inhoud van die zorgplicht\n\nIn beginsel rust op ieder zwembad een zorgplicht in de vorm van ervoor zorgen dat alle bezoekers te allen tijde veilig gebruik kunnen maken van het zwembad.\n\nHet hof stelt voorop dat uit de rechtspraak volgt dat in bepaalde gevallen voor personen, of in dit geval een rechtspersoon, wegens hun bijzondere hoedanigheid of een bepaalde functie en beroepsuitoefening, hogere eisen aan hun kennis, beleid, (het betrachten van) oplettendheid en bekwaamheid gesteld kunnen worden dan normaal het geval is en die dus vanwege hun specifieke verantwoordelijkheid als het ware een verhoogde aansprakelijkheid hebben. Dit wordt ook wel de ‘Garantenstellung’genoemd (vlg. HR 19 februari 1963, ECLI:NL:HR:1963:2).\n\nZoals uit de feitenvaststelling volgt, exploiteert [verdachte] B.V. een zwembad met beperkte recreatiemogelijkheden, met een specifieke doelgroep.\n\nHet gaat om een zwembad waarin met name zwemlessen werden verzorgd en waarin ook wekelijks in het kader van het zwemproject voor vluchtelingen les werd gegeven aan niet-zwemvaardige volwassenen. Op de exploitant van dit zwembad – dus op de verdachte – rust dan ook een bijzondere zorgplicht ten aanzien van (volwassen) bezoekers die niet of onvoldoende zwemvaardig zijn. Die bijzondere zorgplicht geldt in ieder geval tijdens de zwemlessen, maar is daartoe niet beperkt. De ligging van het zwembad in een meer multiculturele omgeving maakte het zwembad ook al bekend met een heel ander type bezoekers – onder wie volwassenen – die veel meer aandacht vragen als het gaat om zwemvaardigheid.\n\nHoewel op het moment van het ongeval geen zwemles werd verzorgd, maar sprake was van vrij zwemmen, doet dat aan de op de verdachte rustende zorgplicht niet af. Juist vanwege de multiculturele doelgroep van het zwembad, de kernactiviteiten van de verdachte en haar bekendheid met de aanwezigheid van niet-zwemvaardige volwassenen binnen het vluchtelingenprogramma, diende de verdachte er ook tijdens vrij zwemmen rekening mee te houden dat niet-zwemvaardige bezoekers van de zwemvoorzieningen gebruik maakten. Zoals blijkt uit het dossier adviseerden sommige zweminstructeurs de deelnemers bovendien dat zij ook buiten de zwemlessen mochten oefenen. Des te meer reden om aan te nemen dat op de verdachte ook buiten de lessen een bijzondere zorgplicht rust.\n\nVerdrinking met dodelijke afloop van een niet-zwemvaardige volwassene, zeker als die zich begeeft in een gedeelte van het zwembad waar hij niet kan staan, vormt een concreet en reëel risico. En het onder water raken en verdrinken voltrekt zich vaak, zo is algemeen bekend, in relatieve stilte in plaats van met alarmerende geluiden of gebaren.\n\nGelet op dit risico en de ernst van de mogelijke gevolgen daarvan, houdt de op de verdachte rustende zorgplicht naar het oordeel van het hof in dat zij haar organisatie, toezicht, veiligheidsvoorzieningen en werkinstructies zodanig inricht dat niet-zwemvaardige bezoekers worden herkend, adequaat worden geïnstrueerd, niet ongemerkt in voor hen gevaarlijke gedeelten van het zwembad of in niet-toegestane bassins terecht kunnen komen en, indien zij toch in de problemen raken, tijdig worden opgemerkt, zodat onmiddellijk kan worden ingegrepen.\n\nOp grond van het voorgaande concludeert het hof ten aanzien van de hierboven als vraag 1 aangeduide vraag dat de verdachte een specifieke zorgplicht heeft voor [slachtoffer] , namelijk dat zij zich ervan vergewist dat voldoende waarborgen aanwezig zijn om te voorkomen dat [slachtoffer] zich, als niet-zwemvaardige bezoeker, in een voor hem onveilige situatie in het water bevindt.\n\n4.4.4. De schending van de zorgplicht door de verdachte\n\nTegen de achtergrond van de hiervoor vastgestelde bijzondere zorgplicht van de verdachte zal het hof in deze alinea beoordelen of de verdachte die zorgplicht in dit geval heeft geschonden. Daartoe zal het hof per deelverwijt nagaan of dat deelverwijt van belang is voor of dienstig aan de (uitvoering van de) zorgplicht en, zo ja, of en hoe de verdachte daarmee haar zorgplicht heeft geschonden.\n\nDeelverwijt a.: Toezichtplan voldoende bekend bij het personeel?\n\nAlleen al omdat de regels in het Toezichtplan zijn opgesteld ter waarborging van de veiligheid van de gasten, vindt het hof de bekendheid daarmee bij het personeel van belang voor de op de verdachte rustende zorgplicht. Het gaat om een kader voor de manier waarop het uitoefenen van toezicht gestalte moet krijgen.\n\nVan de verdachte en haar personeel mag worden verwacht dat zij op de hoogte zijn van de inhoud van het Toezichtplan en dat zij zich daaraan in het algemeen houden. Uit bepaling 1.3 van het Toezichtplan volgt dat medewerkers door middel van ondertekening van het Toezichtplan aangeven het Toezichtplan te kennen. Nieuwe medewerkers worden tijdens hun inwerkperiode begeleid door een mentor, die hen wegwijs maakt in de regels die in het Toezichtplan zijn neergelegd en hen daarop toetst.\n\nVerder zijn in het Toezichtplan regels en afspraken opgenomen die zien op de vereiste vaardigheden waarover een toezichthouder moet beschikken. Zo is onder meer in paragraaf 5 met als titel “Taken\u002Fverantwoordelijkheden medewerkers” in bepaling 5.10 de zogenoemde ‘10\u002F20 regel’ opgenomen. Deze regel houdt in dat toezichthouders binnen tien seconden het aan hen toevertrouwde gebied moeten overzien, waarbij zij systematisch de bodem afzoeken op mogelijke slachtoffers en letten op personen aan de oppervlakte die op enige wijze een gevaar voor zichzelf of anderen vormen. Daarnaast moeten zij in staat zijn om binnen twintig seconden bij een slachtoffer te zijn en alarm te slaan.\n\n [Naam 5] , die ten tijde van de verdrinking van [slachtoffer] als stagiair bij het 25-meterbad stond samen met toezichthouder [naam 4] , heeft verklaard dat hij het Toezichtplan deels heeft gelezen voor zijn stage, maar dat hij zich vooral de huisregels herinnert. Hij heeft het Toezichtplan zonder uitleg ontvangen en hem is nooit gevraagd of hij het Toezichtplan heeft doorgelezen. [Naam 5] heeft verklaard dat hij vanuit zijn opleiding Sport en Recreatie aan het ROC op de hoogte is van de zogenoemde ‘10\u002F20 regel’. Volgens [Naam 5] heeft deze regel betrekking op calamiteiten. Een toezichthouder moet bij een calamiteit tien seconden observeren en binnen twintig seconden reageren.\n\n [naam 4] , die toezichthouder was en op die dag bij het 25-meterbad stond met [Naam 5] , heeft het Toezichtplan ontvangen bij zijn contract. Hij heeft het Toezichtplan destijds gelezen, maar kan zich de inhoud niet herinneren. De ‘10\u002F20 regel’ kent hij niet als zodanig. [naam 4] heeft niet naar de bodem van het bad gekeken, maar keek naar de personen aan de oppervlakte. De bodem is volgens [naam 4] het laatste punt waar hij naar zou kijken. [naam 4] denkt dat het twintig seconden heeft geduurd voordat hij [slachtoffer] zag, vanaf het moment dat hij van een andere toezichthouder te horen kreeg dat er mogelijk een man in het water zou zweven.\n\n [naam 7] , hoofd zwemzaken, heeft verklaard dat zij ervan uitgaat dat alle medewerkers op de hoogte zijn van het Toezichtplan, maar dat de locatiemanager eindverantwoordelijk is om ervoor te zorgen dat het Toezichtplan bekend is bij alle medewerkers. Wanneer nieuw personeel werd aangenomen, werd het Toezichtplan door [naam 7] zelf of de locatiemanager verstrekt.\n\n [naam 8] heeft onder meer verklaard dat zij niet weet of al het op 25 november 2018 aanwezige badpersoneel het Toezichtplan kende en dat het de eigen verantwoordelijkheid van de medewerkers is om bekend te zijn met de inhoud daarvan. Zij weet ook niet of receptioniste [naam 2] het Toezichtplan ooit heeft ontvangen.\n\nHet hof stelt vast dat niet alleen de 10\u002F20-regel onvoldoende bekend was bij het personeel, maar dat dit ook gold voor andere essentiële onderdelen van het Toezichtplan. Zo volgt uit de verklaring van [naam 8] dat zij geen duidelijk onderscheid kon maken tussen een junior toezichthouder en een toezichthouder en ook niet wist of een stagiair als gekwalificeerd toezichthouder kon optreden. Ook uit de verklaringen van [naam 4] en [Naam 5] blijkt dat onduidelijkheid bestond over de kwalificaties en bevoegdheden van toezichthouders. [naam 4] heeft verklaard niet te weten of een stagiair als volwaardig toezichthouder gold, terwijl [Naam 5] niet wist of hij als junior toezichthouder of als toezichthouder werd aangemerkt.\n\nVerder stelt het hof vast dat de kennis van het personeel over de omgang met niet-zwemvaardige bezoekers niet overeenkwam met de uitgangspunten van het Toezichtplan. Uit de verklaringen van verschillende medewerkers blijkt dat zij ervan uitgingen dat volwassen bezoekers zelf verantwoordelijk waren voor het inschatten van hun zwemvaardigheid en dat bijzondere aandacht alleen was vereist voor niet-zwemvaardige kinderen. Zo’n onderscheid tussen kinderen en volwassenen wordt echter niet gemaakt in het Toezichtplan. Zo volgt uit bepaling 5.22 van het Toezichtplan dat bij twijfel over de zwemvaardigheid van bezoekers al bij de receptie actie moet worden ondernomen, zonder daarbij onderscheid te maken naar leeftijd.\n\nHet hof is dus van oordeel dat het Toezichtplan in de periode van de tenlastelegging onvoldoende bekend was bij het personeel van de verdachte. Niet alleen ontbrak bij medewerkers kennis van concrete voorschriften, maar er bestond ook onduidelijkheid over de wijze waarop die voorschriften in de praktijk moesten worden toegepast. Daardoor is op dit onderdeel sprake van schending van de op de verdachte rustende zorgplicht.\n\nDeelverwijt b.: voldoende gekwalificeerde toezichthouders aanwezig?\n\nOmdat kwantiteit en kwaliteit van de aanwezige toezichthouders rechtstreeks verband houdt met (de waarborging van) de veiligheid van de gasten, vindt het hof deze punten van belang voor de op de verdachte rustende zorgplicht.\n\nDe aanduiding ‘voldoende toezicht’ is ontleend aan het ten tijde van de tenlastegelegde periode geldende Besluit hygiëne en veiligheid badinrichtingen en zwemgelegenheden (hierna: Bhvbz), een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 3 van de destijds geldende wet, de Whvbz.\n\nArtikel 25, eerste lid, van dat Besluit luidt als volgt:\n\n“In de badinrichting wordt gedurende de openstelling in voldoende mate toezicht uitgeoefend”.\n\nUit de wetsgeschiedenis van dit artikel blijkt onder meer het volgende.\n\nDe zinsnede “voldoende mate toezicht” in genoemd artikel doelt zowel op het aantal toezichthoudende personen als op de vereiste vaardigheid waarover deze personen moeten beschikken. Wat betreft het aantal houdt dit meestal in dat bij ieder bassin door ten minste één persoon voortdurend toezicht wordt uitgeoefend. Bij grote drukte of wanneer een springplank in gebruik is, zullen over het algemeen meerdere personeelsleden nodig zijn. In bepaalde omstandigheden zal het echter ook aanvaardbaar kunnen zijn dat het toezicht niet voortdurend doch met onderbrekingen wordt uitgevoerd, bijvoorbeeld wanneer het bad slechts door een paar zwemmers in gebruik is en vaststaat dat deze de zwemkunst machtig zijn.\n\nDe strekking van deze bepaling is dan ook dat in een zwembad bij ieder bassin waarin wordt gezwommen, voortdurend door tenminste één persoon feitelijk toezicht wordt gehouden, maar dat bepaalde omstandigheden, grote drukte of het gebruik van een springplank, meer dan één toezichthouder vereisen.\n\nArtikel 25 Bhvbz is geïmplementeerd in bepaling 7.2.8 van het Toezichtplan van de verdachte. Daaruit volgt dat tijdens recreatief zwemmen bij elk bassin een toezichthouder moet staan en dat bij de glijbaan of springplank ook een toezichthouder hoort te staan.\n\nUit de hiervoor vermelde feiten en omstandigheden volgt dat zondag 25 november 2018 een drukke dag was door onder meer een ingepland kinderfeest. Er lagen in het 25-meterbad drijfmatten en een springplank om vanaf te duiken – een duikplank – was in het 25-meterbad geopend en werd gebruikt. Ook waren er twee drijflijnen in de lengte van het bad voor het zwemmen van banen en was er geen drijflijn in de breedte ter hoogte van de overgang van het ondiepe naar het diepe deel van het bad. Gelet op artikel 25 Bhvbz en bepaling 7.2.8 van het Toezichtplan hadden onder deze omstandigheden bij het 25-meterbad (tenminste) twee toezichthouders moeten staan.\n\nUit bepaling 2.4.1 van het Toezichtplan volgt, voor zover hier van belang, dat allemedewerkers die belast zijn met het toezicht over de vereiste diploma’s en vaardigheden moeten beschikken. Alle toezichthouders, zowel de junior toezichthouder als de toezichthouder, moeten de [verdachte] zwemtest met goed gevolg hebben afgelegd en deze test moet ieder jaar opnieuw worden afgelegd.\n\nTen tijde van het incident stonden toezichthouder [naam 4] en stagiair [Naam 5] bij het 25-meterbad. Op grond van het voorgaande voldeed [Naam 5] niet aan de eisen die mede op grond van het Toezichtplan golden om als volwaardig toezichthouder te worden aangemerkt. Hij liep nog stage, zag zichzelf niet als een (volwaardig) toezichthouder en anderen zagen hem ook als een stagiair, omdat het pas zijn derde keer in het zwembad was en hij nog werd ingewerkt. Het hof acht verder de verklaring van [naam 8] van belang, die inhoudt dat een stagiair niet als volwaardig toezichthouder kan worden aangemerkt.\n\nHoewel het aantal aanwezige toezichthouders voor het gehele zwembad voldeed aan de minimale bezettingseisen, stelt het hof vast dat de feitelijke inzet van voldoende gekwalificeerde toezichthouders bij het 25-meterbad ontoereikend was vanwege de daar aanwezige omstandigheden zoals hiervoor beschreven\n\nDaardoor is op onderdeel b. sprake van schending van de op de verdachte rustende zorgplicht.\n\nDeelverwijten c. en d.: personeel onvoldoende geïnstrueerd over kwetsbaarheid van niet-zwemvaardige volwassenen en vluchtelingen zwemprogramma en onvoldoende aanpassing van het Toezichtplan\n\nHet hof stelt voorop dat juist de bekendheid van het personeel met de bijzondere kwetsbaarheid van de doelgroepen van het zwembad, die in belangrijke mate bestaan uit niet-zwemvaardige bezoekers, en de met het oog daarop getroffen maatregelen, van rechtstreeks belang zijn voor de veiligheid van die bezoekers, en daarmee van belang voor de op de verdachte rustende zorgplicht.\n\nHet hof stelt het volgende vast voor de beantwoording van de vragen of de verdachte voldoende heeft zorggedragen voor het tenlastegelegde onder de deelverwijten c. (of het personeel voldoende was geïnstrueerd over niet-zwemvaardige volwassenen, het zwemproject voor vluchtelingen en de kwetsbaarheid van deze deelnemers) en onder d. (of het Toezichtplan voldoende daarop was aangepast).\n\nHet belang van (de inhoud van) het Toezichtplan wordt benadrukt in bepaling 1.2 van het Toezichtplan. Daarin staat dat het plan wordt opgesteld in overleg met alle betrokken medewerkers. Omdat het Toezichtplan feitelijk een werkinstructie betreft voor niet alleen de toezichthouders, maar al het bij de verdachte werkzame personeel, moet het minimaal drie keer per jaar als agendapunt worden besproken bij het werkoverleg. Alle medewerkers behoren ook te worden ingelicht over eventuele wijzigingen, door een gewijzigd Toezichtplan overhandigd te krijgen.\n\nDe beoordeling van de zwemvaardigheid van alle bezoekers komt terug in meerdere bepalingen in het Toezichtplan. Zo volgt impliciet uit bepaling 5.22 dat de receptiemedewerker een eerste filter is als het aankomt op de beoordeling of bezoekers – en dus ook volwassen bezoekers – voldoende zwemvaardig zijn en bij twijfel over onder meer de zwemvaardigheid de toezichtverantwoordelijke moet waarschuwen.\n\nUit bepaling 6.2 volgt dat personen zonder zwemdiploma niet in diepe bassins mogen zwemmen en dat het badpersoneel dat beoordeelt. Ten aanzien van het 25-meterbad volgt uit bepaling 7.1.2 wederom dat het badpersoneel beoordeelt of bezoekers beschikken over een zwemdiploma, wat is vereist om in het 25-meterbad te mogen zwemmen.\n\nUit een interne memo van 15 augustus 2017, van [Naam 9] (het hof begrijpt: [Naam 9] , als kwaliteitsmanager werkzaam bij\u002Fvoor alle [verdachte] ) met een beleid over oranje polsbandjes, volgt dat de receptiemedewerker als eerste aanspreekpunt beoordeelt of sprake is van bijzondere omstandigheden of veiligheidsrisico's. Dat is in lijn met bepaling 5.22 van het Toezichtplan. Bij twijfel over de zwemvaardigheid van een bezoeker moet de receptiemedewerker het toezichthoudend personeel waarschuwen. De strekking van de memo is dat bezoekers die niet kunnen zwemmen herkenbaar moeten zijn voor het personeel. Voor bezoekers ouder dan 12 jaar die niet zwemvaardig zijn, geldt dat zij uitsluitend in de ondiepe baden mogen zwemmen en verplicht een oranje polsbandje moeten dragen. Ook hun begeleider moet een oranje polsbandje dragen. De oranje polsbandjes dienen er dus toe niet-zwemvaardige bezoekers (en hun begeleiders) voor het personeel direct herkenbaar te maken, zodat daarop extra toezicht kan worden gehouden. Als een bezoeker weigert een oranje polsbandje te dragen of niet onder begeleiding komt zwemmen, moet de toegang tot het zwembad worden geweigerd. Bij twijfel over de zwemvaardigheid van een bezoeker moet deze door een toezichthouder worden beoordeeld, zo nodig door middel van een zwemtest.\n\nVolgens [Naam 9] is het beleid met oranje polsbandjes voor niet-zwemmers begin 2018 centraal ingevoerd en gold dat voor alle [verdachte] . De interne memo over de verplichting van de oranje polsbandjes bij niet-zwemvaardige bezoekers zou echter op initiatief van locatiemanager [naam 8] pas twee weken voorafgaand aan het incident op 25 november 2018 zijn verspreid aan de medewerkers van dit zwembad. Hoe dat precies zit, maakt voor de beoordeling van deze zaak geen verschil. Het hof constateert dat dit bericht gezien de aanhef daarvan zag op “kinderen\u002Ftieners die niet kunnen zwemmen”, terwijl verder ook de inhoud daarvan niet specifiek – ook – was gericht op niet zwemvaardige volwassenen. Dus een specifiek beleid met oranje polsbandjes gold (nog) niet voor de volwassenen die niet voldoende zwemvaardig waren, maar de beoordeling van de zwemvaardigheid gold voor alle bezoekers.\n\nMedewerkers op lokaal niveau gingen in principe uit van de eigen verantwoordelijkheid van volwassenen bij het zwemmen. Ook het zwemproject voor vluchtelingen was niet bekend bij alle lokale medewerkers. Uit de verklaringen van stagiair [Naam 5] volgt dat hem is verteld dat bezoekers van achttien jaar of ouder zonder zwemdiploma op eigen risico zwemmen. [Naam 5] was niet op de hoogte van het feit dat in het zwembad lessen werden verzorgd aan vluchtelingen in het kader van het zwemproject voor vluchtelingen. Stagiair [Naam 10] , die op de dag van het incident voor het eerst meeliep, wist nog niet alles over het protocol over toezicht en hij was ook niet bekend met de overige protocollen en afspraken in het zwembad. [Naam 10] heeft verklaard dat hij weet dat onvoldoende zwemvaardige bezoekers naar het recreatiebad gestuurd kunnen worden. Toezichthouder Inocente vraagt volgens eigen zeggen alleen aan kinderen of ze in het bezit zijn van een zwemdiploma. Bij volwassenen gaat hij uit van hun eigen verantwoordelijkheid. Hij is ook niet bekend met het zwemproject voor vluchtelingen. Ook [naam 7] en [naam 8] gaan uit van de eigen verantwoordelijkheid voor hun zwemvaardigheid en daarmee hun veiligheid van volwassen bezoekers.\n\nReceptiemedewerker [naam 2] heeft verklaard dat aan volwassenen niet wordt gevraagd of ze een zwemdiploma bezitten, omdat die meestal zelf wel weten hoe ver ze kunnen gaan. Zij was op de hoogte van het zwemproject voor vluchtelingen, maar dat was min of meer toevallig, omdat zij ook op zaterdagen werkte en dan werden zwemlessen aan vluchtelingen gegeven. Ondanks het feit dat [naam 2] wist van dit zwemproject voor statushouders, is zij niet aangeslagen op de door [slachtoffer] getoonde brief die alleen bij een eerste les moest worden getoond. Zij heeft niet voor zichzelf bedacht of anderen gewaarschuwd dat het hier naar alle waarschijnlijkheid ging om een niet zwemvaardige volwassene die gebruik van de baden wilde maken.\n\n [Naam 11] , die destijds als horecamedewerker feitelijk ook werkzaam was als receptioniste, is nooit gewezen op het Toezichtplan en heeft verklaard dat de receptiemedewerkers pas sinds het incident volwassenen moeten vragen naar een diploma. Ook zij was alleen op de hoogte van het vluchtelingenzwemprogramma, omdat zij op zaterdagen in de horeca van het zwembad werkte. Ook wist zij dat sommige deelnemers uit deze groep op advies van de zweminstructeur buiten de lesmomenten mochten komen oefenen.\n\nOver het beleid over de oranje polsbandjes volgt uit diverse verklaringen dat medewerkers op lokaal niveau daar geen weet van hadden. Bij de rechter-commissaris verklaarde [Hoofd facilitair] hoofd facilitair van de verdachte en destijds al ruim twintig jaar bij de verdachte in dienst, dat hij niet op de hoogte was van de regeling met oranje polsbandjes en dat deze regeling nog niet werd gehanteerd ten tijde van het incident. [Naam 11] was ook niet bekend met het beleid rond oranje polsbandjes voor niet-zwemvaardige bezoekers. Zij heeft verklaard dat er ten tijde van het ongeval nog geen bandjes waren, maar deze daarna op enig moment zijn besteld. [Naam 5] en [naam 4] hebben in hoger beroep bij de raadsheer-commissaris verklaard dat zij tijdens dat verhoor pas voor het eerst hebben gehoord over het beleid rond de oranje polsbandjes en dat zij daar eerder niet mee bekend waren.\n\nHet destijds geldende Toezichtplan was voor het laatst in november 2016 geactualiseerd. Het hof stelt vast dat voorafgaand aan het incident het plan niet was aangepast naar aanleiding van het zwemproject voor vluchtelingen en het beleid rond de oranje polsbandjes. Het is niet gebleken dat deze ontwikkelingen als agendapunten zijn besproken in het werkoverleg, dat volgens bepaling 1.2 van het Toezichtplan drie keer per jaar moet plaatsvinden. Het hof betrekt naast de hiervoor genoemde verklaringen, waaruit duidelijk volgt dat niet alle personeelsleden op de hoogte waren van deze punten, ook de verklaring van toezichthouder [Naam 13] . Op 27 maart 2019 heeft hij namelijk verklaard dat hij het Toezichtplan drie en een half jaar geleden heeft ontvangen en niet weet of het nadien is aangepast.\n\nDe verklaringen van het bij de verdachte werkzame personeel staan haaks op het beleid en de inhoud van het Toezichtplan van de verdachte. Zo volgt uit de hiervoor genoemde verklaringen van personeelsleden dat zij, gelet op de eigen verantwoordelijkheid van de volwassen bezoekers, niet vonden dat zij de zwemvaardigheid van deze bezoekers moesten beoordelen. Verder kan uit die verklaringen worden opgemaakt dat niet alle personeel op de hoogte was van het zwemproject voor vluchtelingen. Het beleid over de polsbandjes was ook niet bekend onder de medewerkers op lokaal niveau.\n\nWeliswaar mag in beginsel van volwassen bezoekers worden verwacht dat zij hun eigen zwemvaardigheid kunnen beoordelen, maar die eigen verantwoordelijkheid heft de op de verdachte rustende zorgplicht niet op. Daarbij neemt het hof in aanmerking dat het Toezichtplan, zoals hiervoor is overwogen, er uitdrukkelijk rekening mee houdt dat bezoekers, ongeacht de leeftijd, niet of onvoldoende zwemvaardig kunnen zijn. Het plan bevat immers voorschriften voor het signaleren van dergelijke bezoekers en voor het treffen van veiligheidsmaatregelen.\n\nDe verdachte wist dat binnen het vluchtelingenzwemprogramma niet-zwemvaardige volwassenen deelnamen en dat deze deelnemers ook wel eens buiten de lesmomenten gebruik konden maken van het zwembad om hun zwemvaardigheid te oefenen. Juist daarom had de verdachte ervoor moeten zorgen dat haar medewerkers voldoende bekend waren met het vluchtelingenzwemprogramma, de aanwezigheid van niet-zwemvaardige volwassenen (ook buiten de lesmomenten) en de extra kwetsbaarheid van deze groep. Het hof stelt vast dat dit onvoldoende is gebeurd. Hoewel uit het beleid rond de oranje polsbandjes blijkt dat de verdachte onderkende dat niet-zwemvaardige bezoekers herkenbaar moesten zijn en extra aandacht behoefden, is onvoldoende gebleken dat dit beleid op de werkvloer bekend was en daadwerkelijk werd toegepast. Het hof leidt hieruit af dat de verdachte onvoldoende heeft zorggedragen voor de uitvoering van haar eigen – terechte – veiligheidsbeleid en onvoldoende heeft geborgd dat medewerkers alert waren op de aanwezigheid van niet-zwemvaardige volwassenen en de risico's die voor hen golden. Daardoor is op de onderdelen c. en d. sprake van schending van de op de verdachte rustende zorgplicht.\n\nDeelverwijt e.: huisregels in een andere taal dan het Nederlands aanwezig?\n\nHet hof is, met de verdediging en de advocaat-generaal, van oordeel dat de verdachte moet worden vrijgesproken van het onder e. tenlastegelegde, alleen al omdat het hof onvoldoende verband ziet tussen de taal waarin deze huisregels met pictogrammen zijn opgesteld en de door het hof vastgestelde, op de verdachte rustende zorgplicht.\n\nDeelverwijten f. en g.: defecte portofoons en lamellen, een ontbrekende verplichte drijflijn en de afwezigheid van alternatieve werkwijze(n) daarvoor\n\nI. Portofoons\n\nOmdat portofoons het primaire communicatiemiddel waren tussen de aanwezige toezichthouders onderling en de receptie zijn de aanwezigheid en het functioneren daarvan van directe invloed op de waarborging van de veiligheid van de gasten, zodat deze, of een alternatief daarvoor, naar het oordeel van het hof van belang zijn voor de op de verdachte rustende zorgplicht.\n\nVanwege het belang van veiligheid benoemt het Toezichtplan het gebruik van portofoons, ook bijvoorbeeld om vervanging te regelen als je als toezichthouder actief bent. Uit hetzelfde oogpunt van veiligheid wordt ook meerdere keren intern aandacht gevraagd voor het verplichte gebruik van de portofoons en het te melden als een collega zich daaraan niet houdt. Dat volgt uit interne memo’s van 12 januari 2017 en 14 maart 2017.\n\nUit de verklaringen van verschillende personeelsleden volgt echter dat de portofoons al langere tijd niet goed werkten. [Naam 12] heeft verklaard dat de communicatie werd belemmerd, omdat de portofoons niet werkten en [Naam 5] heeft verklaard dat ze stuk waren en pas na het incident zijn vervangen. Uit de verklaringen van onder meer [Naam 5] , [naam 4] en [Naam 12] volgt dat het niet is toegestaan om een (privé)telefoon bij je te dragen tijdens je dienst. Door het gebrek aan communicatiemiddelen nam [Naam 12] haar eigen telefoon toch mee en legde die in het badkantoor, zodat deze binnen haar bereik was bij calamiteiten.\n\nOp 29 oktober 2018 heeft [naam 7] in een e-mailbericht aan het Bijlmersportcentrum facilitair en [naam 8] laten weten dat zij van de toezichthouders heeft doorgekregen dat de portofoons niet meer naar behoren werken (‘het aan het begeven zijn’) en gevraagd of ze daar iets aan kunnen doen. Op 16 november 2018 heeft zij wederom een e-mail gestuurd over deze portofoons. Daarin benadrukt zij dat de portofoons hersteld of vervangen moeten worden, omdat de batterijen snel leeg zijn. Zij benoemt daarin ook expliciet dat de onbruikbare portofoons een onveilige situatie creëren. In december 2018 is het verzoek van [naam 7] om herstel of vervanging van de portofoons nog steeds niet opgepakt. Dat volgt uit haar e-mail van 3 december 2018, met daarin de vraag of er nieuwe portofoons zijn besteld.\n\nNaar het oordeel van het hof is het ervoor zorgen dat de mensen op de werkvloer kunnen beschikken over goed werkende communicatiemiddelen, zoals hiervoor overwogen, wezenlijk voor de veiligheid van de badgasten en daarmee deel van de op de verdachte rustende zorgplicht. Bij afwezigheid van een alternatieve voorziening die dit mankement zou kunnen opheffen, constateert het hof dat de op de verdachte rustende zorgplicht in zoverre is geschonden. Of hier al dan niet een verband valt te constateren met het komen te overlijden van [slachtoffer] , is een vraag die hierna bij de causaliteit aan de orde komt.\n\nII. Lamellen\n\nHet hof oordeelt dat de aanwezigheid van (functionerende) lamellen of een alternatief daarvoor op zichzelf van belang kan zijn voor de waarborging van de veiligheid van de zwemgasten, omdat deze mede bepalend kunnen zijn voor de zichtbaarheid van de badgasten in het water voor de toezichthouders.\n\nOp basis van wat ter terechtzitting in hoger beroep is besproken acht het hof bewezen dat het systeem van de lamellen, dat als zonwering was gemonteerd in de ruimte tussen het dubbele glas, bij de grote raampartijen van het 25-meterbad, (deels) al geruime tijd defect was.\n\nToezichthouder [Naam 13] heeft verklaard dat het goed is om toezicht te houden vanaf de raamzijde, omdat vanaf dat punt de bodem beter zichtbaar is, ondanks de schittering van zonlicht. Het hof maakt uit onder meer de verklaringen van [Naam 5] op dat op 25 november 2018 de zon in ieder geval op momenten scheen. [Naam 5] hield op de bewuste dag toezicht bij het 25-meterbad, was dus aldaar ter plekke en kon constateren hoe het weer toen en daar was. Die concrete omstandigheden worden onvoldoende weerlegd door de weerrapporten van die dag waarnaar de verdachte verwijst en waaruit zou moeten volgen dat er op die dag in het geheel geen zon heeft geschenen of geen sprake is geweest van zonuren. Verbalisant Haagstam heeft geconstateerd dat reflecterend (zon)licht het zicht op de bodem van het zwembad kan verminderen.\n\nHet hof is, ondanks deze omstandigheden, van oordeel dat niet met een voor een bewezenverklaring vereiste mate van zekerheid is vast te stellen dat de defecte lamellen en (de daardoor veroorzaakte) schittering van het licht in bepalende mate van invloed zijn geweest op het zicht van de toezichthouders in het 25-meterbad. Zij hebben immers niet verklaard dat zij door deze omstandigheden [slachtoffer] niet hebben gezien of hebben kunnen zien op of richting de bodem van het bad. Naar het oordeel van het hof rustte op de verdachte dan ook geen verplichting om zorg te dragen voor reparatie van dit lamellensysteem of voor het laten aanbrengen van een alternatief daarvoor, althans niet in het kader van deze strafzaak, nog los van de vraag naar de verantwoordelijkheid van de gemeente hierin. De verdachte moet dus van dit onderdeel van de tenlastelegging worden vrijgesproken.\n\nIII. Drijflijn\n\nEen drijflijn in de breedte van het zwembad vormt, naar het oordeel van het hof, een optische barrière voor de zwemmer ter markering van (in dit geval) de overgang van een ondieper naar een dieper gedeelte van het bassin, en draagt in dat opzicht mede bij aan de veiligheid van de zwemmer. Ook dit onderdeel is dus van belang bij de zorgplicht van de verdachte.\n\nDe raadsvrouw heeft zich specifiek ten aanzien van de verplichting van een drijflijn in de breedte op het standpunt gesteld dat (het destijds geldende) artikel 20, tweede lid, Bhvbz niet van toepassing is, omdat deze bepaling volgens haar ziet op situaties waarin zwemmers kunnen uitglijden en een beweegbare bodem, en meer in het bijzonder de klep daarvan, niet als bodem in de zin van die bepaling kan worden aangemerkt.\n\nHet hof volgt dit standpunt niet en overweegt daartoe als volgt. Dat doet het hof overigens op basis van de regelgeving zoals die ten tijde van de tenlastelegging gold.\n\nArtikel 20 Bhvbz was geplaatst onder paragraaf 6 van het besluit met als titel ‘Diepte van het zwem- en badwater, aanduiding daarvan, technische voorzieningen’.Daaruit blijkt dat deze bepaling betrekking had op diepteverschillen in het bassin en de daarmee samenhangende veiligheidsrisico’s. De in het tweede lid voorgeschreven drijflijn dient om zwemmers te waarschuwen voor de overgang van een ondiep naar een dieper gedeelte van het bad. In artikel 20, tweede lid, Bhvbz is de verplichting neergelegd om, in het geval dat de bodem een steilere helling heeft dan 0.06 meter per strekkende meter, bij waterdieptes tussen 1.10 meter en 1.40 meter op een afstand van 0.50 meter voor het begin van een beweegbare bodem een drijflijn te leggen.\n\nZoals eerder in dit arrest is vastgesteld, is in een deel van het 25-meterbad de waterdiepte verstelbaar door middel van een beweegbare bodem. De beweegbare bodem was op 25 november 2018\n\nin ieder geval volgens de metingen van [Naam 14] , toezichthoudend ambtenaar bij de Omgevingsdienst Noord-Holland Noord, afgesteld op een waterdiepte van 1.40 meter (en bedroeg feitelijk: 1.37 meter). [Naam 14] heeft vastgesteld dat de helling van de bodem, bij de overgang van het beweegbare deel van de bodem van het zwembad naar het niet beweegbare, diepere deel, steiler was dan 0.06 meter per strekkende meter.\n\nHet hof stelt op grond van het voorgaande vast dat ten tijde van het incident op de verdachte de verplichting rustte om een drijflijn in de breedte te laten hangen. Het hof ziet, anders dan de verdediging, geen reden om een beweegbare bodem of de klep daarvan niet als onderdeel van een bodem aan te merken en dat buiten het bereik van artikel 20, tweede lid, Bhvbz te laten vallen. Daarbij merkt het hof op dat als over een beweegbare bodem kan worden gelopen, daarover ook kan worden uitgegleden. Ook om die reden volgt het hof het onderscheid dat de raadsvrouw maakt tussen een vaste en een beweegbare bodem niet.\n\nDiepteaanduidingen en pylonnen waren ter markering van de diepte – en dus als alternatief – aanwezig. Die konden in beginsel een voldoende alternatief vormen voor een drijflijn. Daarmee heeft de verdachte op zichzelf op dit punt in voldoende mate voldaan aan de op haar rustende zorgplicht, zodat zij ook van dit deel van dit deelverwijt zal worden vrijgesproken. Wel brengt het ontbreken van een drijflijn in de breedte mee dat van de toezichthouders een verhoogde mate van oplettendheid mag worden verwacht. Een drijflijn vormt immers een duidelijke optische barrière tussen het ondiepe en het diepe gedeelte van het bad. Bij het ontbreken daarvan neemt het belang van adequaat toezicht toe. In zoverre is dit ontbreken van de drijflijn in de breedte bij de beoordeling van deze zaak dus van belang en om die reden ook benoemd bij de vraag naar voldoende toezicht.\n\n4.4.5. De causaliteitsvraag\n\nWil tot een bewezenverklaring van dood door schuld gekomen kunnen worden, dan moet er een zodanig verband bestaan tussen het schenden van de (hiervoor bewezenverklaarde varianten van de op de verdachte rustende) zorgplicht en het overlijden van [slachtoffer] dat dit gevolg redelijkerwijs aan dit verwijtbare handelen en nalaten van de verdachte kan worden toegerekend. Daarnaast moet het gevolg redelijkerwijs voorzienbaar zijn geweest voor de verdachte op het moment dat zij haar zorgplicht schond. Naar het oordeel van het hof kan de verdrinking van [slachtoffer] aan de zorgplichtschending op de hiervoor gesignaleerde onderdelen de verdachte worden toegerekend en was dit ook een voor de verdachte voorzienbaar gevolg.\n\nHet hof neemt hierbij de vastgestelde feiten en omstandigheden en met name het volgende in aanmerking. [slachtoffer] kwam in het zwembad met een brief voor deelname aan zwemlessen in het kader van het vluchtelingenprogramma. De receptiemedewerker, die onvoldoende door de verdachte was ingelicht over de risico’s van de kwetsbare groepen die dit zwembad bezoeken en ook onvoldoende op de hoogte was van haar ‘eerste filter’ functie, heeft hem toegelaten zonder dat (verder) speciale aandacht aan hem werd besteed of speciale aandacht voor hem werd gevraagd bij de aanwezige toezichthouders. [slachtoffer] is vervolgens onopgemerkt door de toezichthouders het 25-meterbad ingegaan, aan de ondiepe kant.\n\nHet was een drukke zondag en in het 25-meterbad ontbrak de vereiste drijflijn tussen diep en ondiep en dat brengt, zoals hiervoor geconstateerd, een verzwaarde plicht tot toezicht en alertheid met zich. [slachtoffer] kon niet of onvoldoende zwemmen – hij had een brief bij zich voor zijn eerste zwemles als vluchteling – en de in het zwembad aanwezige toezichthouders hadden geen bijzondere aandacht voor hem of anderszins instructies hoe om te gaan met deze doelgroep van het zwembad. Volgens bepaling 7.1.2 van het Toezichtplan had [slachtoffer] zonder zwemdiploma niet in het 25-meterbad mogen zijn, dat op zijn diepste punt 3.50 m diep was. Het toezicht bij dat bad was in de omstandigheden van die dag (kwantitatief en kwalitatief) ontoereikend. Het is dan ook duidelijk dat [slachtoffer] onder deze omstandigheden in een zeer risicovolle situatie terecht is gekomen.\n\nHet door de (op meerdere punten) geschonden zorgplicht ingetreden gevolg, te weten de dood van [slachtoffer] , kan redelijkerwijs aan de verdachte worden toegerekend, omdat zij juist op cruciale punten van wat vanuit haar bijzondere zorgplicht van haar kon en mocht worden gevergd tekort is geschoten.\n\nConcluderend is het hof van oordeel dat [slachtoffer] is overleden door verdrinking als gevolg van de optelsom van zorgplichtschendingen die direct verband houden met de veiligheid van met name volwassen gebruikers van dit specifieke zwembadencomplex. Als zodanig was dit gevolg ook voor de verdachte voorzienbaar. Als de maatregelen rondom de veiligheid in orde waren geweest, was [slachtoffer] tijdig gesignaleerd als onvoldoende zwemvaardig en had hij op zijn minst een kans gehad op (over)leven.\n\n4.4.6. De mate van schuld\n\nVoor het aannemen van schuld in de zin van artikel 307 Sr (culpa) geldt het juridisch kader dat onder 4.4.1 in dit arrest is opgenomen. De verdachte kon anders handelen en had dat ook moeten doen. De maatstaf waartegen dat wordt beoordeeld, wordt ook bepaald door de bijzondere verantwoordelijkheid die op de verdachte rust als professionele zwembadexploitant, zoals onder 4.4.3 in dit arrest verder is toegelicht.\n\nTen aanzien van de mate van schuld overweegt het hof in het bijzonder nog het volgende.\n\nHet hof oordeelt dat de hiervoor onder overweging 4.4.4 vastgestelde tekortkomingen, in onderlinge samenhang bezien, leiden tot aanmerkelijke verwijtbaarheid aan de zijde van de verdachte. Daarbij gaat het niet om een enkele vergissing of een incidentele tekortkoming, maar om een samenstel van tekortkomingen op meerdere voor de veiligheid essentiële onderdelen van de bedrijfsvoering, ook gedurende langere tijd. Als gevolg daarvan is gevaar ontstaan voor de veiligheid van bezoekers van het zwembad en lag een (fatale) verdrinking op de loer. Gelet op het veiligheidsbelang bij de verschillende deelverwijten was dat gevaar voor de verdachte ook voorzienbaar.\n\nGelet op de aard, de duur en de samenhang van de vastgestelde tekortkomingen kwalificeert het hof dit langdurige handelen en nalaten als aanmerkelijk verwijtbaar. Het hof vindt dan ook bewezen dat sprake is van schuld in de zin van artikel 307 Sr.\n\n4.4.7. De toerekening aan de verdachte\n\nDe vastgestelde nalatigheden kunnen aan de verdachte als rechtspersoon worden toegerekend. Deze nalatigheden vonden plaats binnen de normale bedrijfsvoering van de verdachte en waren dienstig aan het door de verdachte uitgeoefende bedrijf. Deze hadden betrekking op de organisatie, het toezicht en het (veiligheids)beleid binnen het zwembad. Voor zover het gaat om het (niet) handelen of nalaten van een of meer personen geldt dat deze personen voor de verdachte werkzaam waren, in dienstbetrekking of uit anderen hoofde. Het gaat om onderwerpen die tot de verantwoordelijkheid van de verdachte behoren. De verdachte had kunnen en moeten toezien op de wijze waarop op lokaal niveau (geen) uitvoering werd gegeven aan bepaalde regelsl en afspraken. De verdachte had erop moeten toezien, en kon hierover ook beschikken, dat op lokaal niveau alle veiligheidsmaatregelen waren geïmplementeerd en dat daar werd gewerkt conform die regels. De verdachte is gedurende langere tijd tekortgeschoten op meerdere punten, waardoor dit incident heeft kunnen gebeuren en heeft niet de zorg betracht die in redelijkheid van haar kon worden gevergd met het oog op de voorkoming van die gedragingen of nalatigheden.\n\n4.5. Vrijspraak van medeplegen\n\nNiet is gebleken dat de verdachte heeft samengewerkt met een ander. Daarom wordt de verdachte\n\nvrijgesproken van medeplegen.\n\n5. Bewezenverklaring\n\nHet hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:\n\n [verdachte] B.V. in of omstreeks de periode van 1 januari 2018 tot en met 25 november 2018 te Amsterdam, aanmerkelijk nalatig heeft gehandeld, immers heeft zij, verdachte, in de hiervoor genoemde periode:\n\nonvoldoende zorggedragen dat (de inhoud van) het Toezichtplan bekend was bij het personeel en\n\nop 25 november 2018onvoldoende zorggedragen voor de aanwezigheid van voldoende gekwalificeerde en\u002Fof gediplomeerde toezichthouders in het zwembad, en\n\nonvoldoende ervoor zorggedragen dat de in dat zwembad aanwezige toezichthouders en receptioniste voldoende waren geïnformeerd en\u002Fof geïnstrueerd over volwassenen die onvoldoende zwemvaardig zijn en\u002Fof over extra alertheid rondom het vluchtelingenprogramma, en\u002Fof de kwetsbaarheid van deze deelnemers, en\n\nonvoldoende ervoor zorggedragen dat het Toezichtplan aangepast werd met betrekking tot het vluchtelingenprogramma, en\u002Fof\n\nop 25 november 2018onvoldoende zorggedragen voor voldoende werkende portofoons en\u002Fof\n\nop 25 november 2018onvoldoende ervoor zorggedragen dat er een alternatieve werkwijze is gekomen ter vervanging van de niet en\u002Fof gebrekkig en\u002Fof onvoldoende werkende portofoons,\n\nwaardoor het aan de schuld van haar, verdachte, te wijten is geweest dat [slachtoffer] toen en aldaar is verdronken en uiteindelijk (te weten op 26 november 2018) is overleden.\n\nWat meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.\n\nHet bewezenverklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.\n\n6. Strafbaarheid van het bewezenverklaarde\n\nGeen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.\n\nHet bewezenverklaarde levert op:\n\naan zijn schuld de dood van een ander te wijten zijn, begaan door een rechtspersoon.\n\n7. Strafbaarheid van de verdachte\n\nDe verdachte is strafbaar, omdat geen omstandigheid aannemelijk is geworden die de strafbaarheid ten aanzien van het bewezenverklaarde uitsluit.\n\n8. Oplegging van straf\n\nDe rechtbank heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezenverklaarde veroordeeld tot een geldboete ter hoogte van € 30.000,00.\n\nDe advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een geldboete ter hoogte van € 50.000,00, waarvan € 25.000,00 voorwaardelijk met een proeftijd voor de duur van twee jaren.\n\nHet hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de draagkracht van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.\n\nOp 26 november 2018 is [slachtoffer] overleden als gevolg van verdrinking die een dag eerder plaatsvond in het zwembad van de verdachte. Zijn overlijden heeft onherstelbaar en onomkeerbaar leed veroorzaakt en diepe sporen nagelaten in het leven van zijn vrouw en twee jonge kinderen. Uit de ter terechtzitting in hoger beroep voorgedragen slachtofferverklaring blijkt hoe groot het verdriet en gemis van de nabestaanden nog altijd is.\n\n [slachtoffer] ging die dag naar het zwembad om te leren zwemmen. Juist voor bezoekers zoals hij, die naar het zwembad gaan voor lessen of om te oefenen, rustte op de verdachte een bijzondere verantwoordelijkheid. Het hof heeft vastgesteld dat de verdachte gedurende langere tijd op meerdere essentiële punten is tekortgeschoten in de zorgplicht die van een professionele zwembadexploitant ook voor volwassenen die niet zwemvaardig zijn, mag worden verwacht. Daardoor heeft de verdachte onvoldoende gewaarborgd dat deze bezoekers veilig gebruik konden maken van het zwembad. Het hof rekent het de verdachte aan dat zij, ondanks haar bekendheid met deze kwetsbare doelgroep, onvoldoende heeft gezorgd voor passende organisatie, toezicht en alertheid, terwijl juist die maatregelen bedoeld zijn om verdrinkingsgevaar te voorkomen.\n\nHet hof heeft daarbij oog voor het feit dat de verdachte dit gevolg niet heeft gewild. Uit de verklaringen van verschillende (oud-)medewerkers blijkt dat ook zij diep zijn geraakt door het incident en dat het overlijden van [slachtoffer] , jaren later, nog altijd impact op hen heeft. Juist daarom had van de vertegenwoordiger van de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep meer inzicht mogen worden verwacht in de gevolgen die het incident niet alleen voor de nabestaanden, maar ook voor de eigen\n\n(oud-)medewerkers tot op de dag van vandaag heeft gehad. Het meer tonen van verantwoordelijkheid en begrip voor die gevolgen had de vertegenwoordiger van de verdachte gesierd. Oog hebben voor verdachtes eigen aandeel jegens de mensen op de werkvloer is iets dat het hof onvoldoende heeft teruggezien in deze zaak.\n\nBij het bepalen van de straf houdt het hof er verder rekening mee dat de verdachte een rechtspersoon is, zodat een gevangenisstraf of taakstraf niet tot de mogelijkheden behoort. Het hof zal een geldboete opleggen. Anders dan de advocaat-generaal ziet het hof geen aanleiding een deel van die op te leggen geldboete voorwaardelijk op te leggen. Het hof ziet ook geen aanleiding om – wat kan in het geval dat de verdachte een rechtspersoon is – een geldboete uit een naast hogere categorie op te leggen. Daarbij betrekt het hof dat inmiddels een vaststellingsovereenkomst is gesloten tussen de verdachte en de nabestaanden en dat sinds het incident geruime tijd is verstreken. Het hof houdt dus het destijds geldende strafmaximum van € 20.700,00 voor ogen.\n\nDe verdachte heeft tot slot ook verdere maatregelen getroffen om het risico op soortgelijke voorvallen te beperken. In dit laatste is ook een reden gelegen dat het hof geen aanleiding ziet voor het opleggen van een deels voorwaardelijke geldboete.\n\nHet hof acht, alles afwegende, een geldboete van na te melden hoogte passend en geboden.\n\n9. Vorderingen benadeelde partijen\n\nDe advocaat van de benadeelde partijen heeft ter terechtzitting in hoger beroep naar voren gebracht dat de vorderingen van de benadeelde partijen, die aanvankelijk in hoger beroep waren gehandhaafd – gelet op de tussen partijen gesloten vaststellingsovereenkomst – worden ingetrokken. Het hof zal daarom geen beslissing meer nemen op die vorderingen.\n\n10. Toepasselijke wettelijke voorschriften\n\nDe op te leggen straf is gegrond op de artikelen 23, 24, 51 en 307 Sr.\n\nBESLISSING\n\nHet hof:\n\nVernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:\n\nVerklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.\n\nVerklaart niet bewezen wat de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.\n\nVerklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.\n\nVeroordeelt de verdachte tot een geldboetevan€ 20.000,00 (twintigduizend euro).\n\nDit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. B.A.A. Postma, mr. J.L. Bruinsma en mr. D.A.C. Koster, in tegenwoordigheid van\n\nmr. Z. Hoshmand en E.D. Sabajo, griffiers, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 2 juli 2026.\n\nGriffier E.D. Sabajo is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.\n\nBijlage 1: de tenlastelegging\n\n [verdachte] B.V. op een of meerdere tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 januari 2018 tot en met 25 november 2018 te Amsterdam, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en\u002Fof onoplettend en\u002Fof nalatig heeft gehandeld door geen, althans onvoldoende, toezicht te houden op het (veilig gebruik maken van het) zwembad en\u002Fof de daar werkzame medewerkers en\u002Fof de aan haar, verdachtes zorg en\u002Fof toezicht toevertrouwde [slachtoffer] , immers heeft\u002Fhebben, zij verdachte en\u002Fof haar mededader(s) in de hiervoor genoemde periode:\n\n- niet, althans onvoldoende zorggedragen dat (de inhoud van) het toezichtplan bekend en\u002Fof ondertekend was door het personeel, in elk geval hier geen zicht op heeft gehad, en\u002Fof\n\n- niet, althans onvoldoende zorggedragen voor de aanwezigheid van voldoende gekwalificeerd(e) en\u002Fof gediplomeerd(e) toezichthouders\u002Fpersoneel in het zwembad, en\u002Fof\n\n- niet, althans onvoldoende ervoor zorggedragen dat de\u002Fhet in dat zwembad aanwezige toezichthouders en\u002Fof personeel en\u002Fof receptioniste voldoende was geïnformeerd en\u002Fof geïnstrueerd over volwassenen die onvoldoende zwemvaardig zijn en\u002Fof over extra alertheid rondom het vluchtelingenprogramma, en\u002Fof de kwetsbaarheid van deze deelnemers, en\u002Fof\n\n- niet, althans onvoldoende ervoor zorggedragen dat het toezichtplan aangepast werd met betrekking tot volwassenen die niet kunnen zwemmen vanaf het moment dat het plan van het vluchtelingenprogramma aangenomen was tot en met de start van het vluchtelingenprogramma, en\u002Fof\n\n- niet, althans onvoldoende ervoor zorggedragen dat er (in elk geval gedurende het vluchtelingenprogramma) een vertaling van de huisregels in een andere taal dan het Nederlandse, aanwezig was, en\u002Fof\n\n- niet, althans onvoldoende zorggedragen voor voldoende werkende portofoons, en\u002Fof lamellen en\u002Fof de verplichte drijflijn, en\u002Fof\n\n- niet, althans onvoldoende ervoor zorggedragen dat er een alternatieve werkwijze is gekomen ter vervanging van de niet en\u002Fof gebrekkig en\u002Fof onvoldoende werkende portofoons, en\u002Fof voor de defecte lamellen en\u002Fof voor het ontbreken van de verplichte drijflijn,\n\nwaardoor, althans mede waardoor, het aan de schuld van haar, verdachte, en\u002Fof haar mededader(s) te wijten is geweest dat [slachtoffer] toen en aldaar is verdronken en uiteindelijk is overleden.\n\n=========================================================================\n\n […]","nl","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHAMS:2026:1762","ecli-nl-ghams-2026-1762",{"courtName":8,"legalDomain":17,"decisionType":18,"procedureType":19},"Strafrecht","uitspraak","Uitspraak",[21,32,43,52,62],{"id":22,"ecli":23,"caseNumber":6,"courtId":24,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":26,"language":12,"source":13,"sourceUrl":27,"summary":6,"slug":28,"metadata":29},"410","ECLI:NL:RBLIM:2026:6423",66,"2026-07-08T00:00:00.000Z","RECHTBANK limburg\n\nZittingsplaats Roermond\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: ROE 25 \u002F 2565\n\nuitspraak van de meervoudige kamer van 8 juli 2026 in de zaak tussen\n\n [belanghebbende] , gevestigd te [plaats], belanghebbende\n\n(gemachtigde: M.O.E. Uyen)\n\nen\n\nde heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking Gemeenten en Waterschappen, de heffingsambtenaar (gemachtigde: A. van den Dool).\n\nProcesverloop\n\nDe heffingsambtenaar heeft op grond van de Wet waardering onroerende zaken (Wet woz) de waarde van de onroerende zaken van belanghebbende voor het belastingjaar 2025 vastgesteld (het primaire besluit).\n\nBelanghebbende heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt.\n\nDe heffingsambtenaar heeft het bezwaar van belanghebbende gegrond verklaard (het bestreden besluit). Aan belanghebbende is een proceskostenvergoeding van in totaal € 161,74 toegekend.\n\nBelanghebbende heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.\n\nDe heffingsambtenaar heeft verweer gevoerd.\n\nOp 4 mei 2026, aangevuld op 11 mei 2026, zijn van belanghebbende nadere gronden en stukken ontvangen.\n\nHet onderzoek ter zitting heeft vervolgens plaatsgevonden op 15 mei 2026. Belanghebbende heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. L.H.G.M. Driessen, kantoorgenote van haar gemachtigde bij Previcus B.V. te Boxmeer. De heffingsambtenaar heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.\n\nOverwegingen\n\n1. De rechtbank stelt vast dat de woz-waarde tussen partijen niet meer in geschil is. Het beroep van belanghebbende richt zich enkel tegen de toegekende proceskostenvergoeding en spitst zich toe op de vraag of de heffingsambtenaar bij de vaststelling van de proceskostenvergoeding in bezwaar toepassing heeft mogen geven aan de vermenigvuldigingsfactor 0,125 van artikel 30a, eerste lid, van de Wet woz, zoals dit artikellid luidt met ingang van 1 januari 2025.\n\n2. De heffingsambtenaar heeft in het bestreden besluit de proceskostenvergoeding van € 161,74 als volgt gespecificeerd:\n\n- indienen bezwaarschrift: 1 punt x waarde per punt € 647,- x factor 0,125 = € 80,87 +\n\n- bijwonen hoorzitting: 1 punt x waarde per punt € 647,- x factor 0,125 = € 80,87 = € 161,74.\n\n3. Belanghebbende vindt dat de heffingsambtenaar een te lage proceskostenvergoeding heeft toegekend. Zij verzoekt de rechtbank om artikel 30a van de Wet woz buiten toepassing te laten, omdat haar gemachtigde een bijzonder geval is als bedoeld in het zogenoemde 30a-arrest van de Hoge Raad van 17 januari 2025 (ECLI:NL:HR:2025:46).\n\n4. In het 30a-arrest heeft de Hoge Raad geoordeeld dat bijzondere gevallen zich onderscheiden doordat zij niet voldoen aan de volgende kenmerken: dat aan de belanghebbende rechtsbijstand wordt verleend door een beroepsmatig optredende gemachtigde, dan wel een kantoor, waarvan het bedrijfsmodel eruit bestaat dat\n\n( i) wordt opgetreden op basis van no cure no pay,\n\n(ii) daarbij zodanige afspraken met de cliënten worden gemaakt dat het bedrag van eventuele proceskostenvergoedingen aan de gemachtigde of aan het kantoor wordt afgedragen, en\n\n(iii) de procedures op een zodanige wijze worden gevoerd dat de daarin toegekende proceskostenvergoedingen de in redelijkheid gemaakte kosten ver overtreffen.\n\n5. De daarbij te hanteren regels zijn nader uitgewerkt in de arresten van de Hoge Raad van 25 april 2025 (ECLI:NL:HR:2025:670) en 18 juli 2025 (ECLI:NL:HR:2025:1175).\n\n5.1.. Volgens de Hoge Raad rusten op de belanghebbende de stelplicht en bewijslast van feiten die meebrengen dat buiten redelijke twijfel komt vast te staan dat, beoordeelt naar de situatie op het moment waarop het desbetreffende rechtsmiddel is aangewend, het bedrijfsmodel van de betreffende gemachtigde of diens kantoor kennelijk niet allehiervoor bedoelde drie kenmerken heeft en dat aldus sprake is van een bijzonder geval. Er is dus (al) sprake van een bijzonder geval als één van de drie kenmerken niet van toepassing is.\n\n5.2.. Bij de beoordeling van het bedrijfsmodel gaat het niet specifiek om de werkzaamheden die de gemachtigde heeft verricht in de procedure waarop de proceskostenvergoeding ziet. Met het bedrijfsmodel is namelijk meer in het algemeen de wijze bedoeld waarop de gemachtigde zijn inkomsten verwerft met het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand.\n\n5.3.. Indien het bedrijfsmodel van een gemachtigde of een kantoor inhoudt dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay (i), of op een grondslag die daarmee in wezen overeenkomt en daarmee dus op één lijn kan worden gesteld, en dat daarbij afspraken met de cliënten worden gemaakt als hiervoor onder (ii) bedoeld, zal aldus moeten worden beoordeeld of dit bedrijfsmodel voldoet aan het hiervoor onder (iii) vermelde kenmerk van vergaande overdekking. Daartoe moet een vergelijking worden gemaakt tussen enerzijds het totale bedrag aan proceskostenvergoedingen dat aan de gemachtigde of aan het kantoor wordt afgedragen, en anderzijds het totale bedrag van de kosten van de gemachtigde of van het kantoor die kunnen worden toegerekend aan het voeren van de procedures waarop die proceskostenvergoedingen betrekking hebben. Het komt dus erop aan of het totale bedrag van de afgedragen proceskostenvergoedingen het totale bedrag van de zojuist bedoelde kosten verre overtreft. De omstandigheid dat vaak geheel of ten dele gebruik wordt gemaakt van gestandaardiseerde tekstblokken die niet zijn toegespitst op de desbetreffende zaak, vormt een aanwijzing dat het bedrijfsmodel wel het derde kenmerk van vergaande overdekking heeft, en zal daarom in het algemeen volstaan om aan te nemen dat de belanghebbende niet in dit door hem te leveren bewijs is geslaagd.\n\n6. In het arrest van 26 september 2025 (ECLI:NL:HR:2025:1375) heeft de Hoge Raad nader uitgewerkt wanneer sprake is van een bedrijfsmodel dat eruit bestaat dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay (i). Bij optreden op basis van no cure no pay moet worden uitgegaan van afspraken tussen de belanghebbende en de rechtsbijstandverlener op grond waarvan de belanghebbende geen financieel risico loopt bij inschakeling van de rechtsbijstandverlener, omdat geen instapvergoeding verschuldigd is noch een percentage van de bespaarde belasting als vergoeding moet worden afgestaan (zie Kamerstukken II 2023\u002F24, 36 427, nr. 3, blz. 2). Bij de beoordeling van de vraag of het bedrijfsmodel van een beroepsmatig optredende gemachtigde, dan wel een kantoor, eruit bestaat dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay, komt het dus erop aan of die gemachtigde dan wel diens kantoor afspraken maakt met klanten op grond waarvan zij geen financieel risico lopen bij het verstrekken van de opdracht tot het verlenen van rechtsbijstand in een belastingprocedure. De verschuldigdheid van een instapvergoeding staat niet in alle gevallen eraan in de weg dat afspraken met een rechtsbijstandsverlener worden aangemerkt als afspraken op basis van no cure no pay. Onder het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand op basis van no cure no pay wordt namelijk ook begrepen het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand op een grondslag die daarmee in wezen overeenkomt en daarmee dus op één lijn kan worden gesteld. Dan moet worden gedacht aan de betaling van een zodanig laag bedrag dat die betaling als een pro forma of symbolische bijdrage moet worden beschouwd.\n\n7. De rechtbank stelt vast dat de gemachtigde van belanghebbende in deze zaak niet heeft bestreden dat haar bedrijfsmodel de hiervoor onder (ii) en (iii) vermelde kenmerken heeft.\n\n8. Belanghebbende bestrijdt dat het bedrijfsmodel van haar gemachtigde ten tijde van het instellen van bezwaar (en beroep) eruit bestaat dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay (i). Hiertoe heeft de gemachtigde verwezen naar een beschrijving van haar per 1 januari 2025 gewijzigde bedrijfsmodel (“Bijzonder geval: bedrijfsmodel Previcus en artikel 30a Wet WOZ”).\n\n8.1.. Volgens die beschrijving is de werkwijze met ingang van 1 januari 2025 fundamenteel gewijzigd. Het aantal dossiers is vanaf 2025 aanzienlijk afgenomen van 128.000 zaken naar circa 1.291 zaken. De zaken worden (vrijwel) niet meer op basis van no cure no pay uitgevoerd, maar volgens een regulier model waarin een cliënt, ongeacht de uitkomst van de zaak, een vaste startvergoeding betaalt (doorgaans gebaseerd op het aantal aanslagbiljetten) en\u002Fof een deel van de gerealiseerde besparing afdraagt (in bijna alle gevallen 40% van de besparing). De vóór 2025 aangebrachte zaken worden nog op basis van no cure no pay uitgevoerd. Bovendien worden vanaf 2025 alle aanslagbiljetten op voorhand gescreend en worden enkel de zaken doorgezet waarbij op voorhand onvoldoende duidelijk is dat er geen fouten zijn gemaakt. Er is, aldus de beschrijving, geen sprake meer van een grote massa waar de wetswijziging (Wet herwaardering proceskostenvergoeding WOZ en Bpm) op zag. De gemachtigde richt zich voortaan op de zakelijke markt, waarbij vrijwel altijd ook prijsafspraken met belanghebbenden worden gemaakt die losstaan van eventueel toegekende proceskostenvergoedingen.\n\n8.2.. De gemachtigde heeft de prijsafspraken over 2025 als volgt in een overzicht opgenomen.\n\n8.3.. De vermelding in de volmacht dat de vergoeding voor de werkzaamheden uitsluitend het totaal van de proceskostenvergoedingen bedraagt, klopt, aldus de beschrijving, niet meer. De onderliggende overeenkomsten bepalen dat cliënten zelf vergoedingen verschuldigd zijn. De proceskostenvergoeding speelt daarin nog slechts een kleine aanvullende rol.\n\n9. Op 4 mei 2026 heeft de gemachtigde van belanghebbende de facturen en betaalbewijzen in een groot aantal zaken, waarin zij als gemachtigde optreedt, ingezonden. Op 11 mei 2026 is daarvan een overzicht overgelegd. Die stukken bevestigen het beeld dat de beschrijving van het bedrijfsmodel geeft. Uit de facturen en betaalbewijzen blijkt namelijk dat de gemachtigde van een groot deel van haar cliënten een “besparingsfee” van minimaal 30% van de eventuele belastingbesparing vraagt, zij die “besparingsfee” aan haar cliënten factureert en die “besparingsfee” vervolgens ook door de cliënten wordt betaald.\n\n10. Daarnaast komt uit de facturen en betaalbewijzen naar voren dat de meeste cliënten (bovenop de “besparingsfee”) tevens een (in hoogte variërende) “startfee” zijn verschuldigd. Op zitting heeft de gemachtigde toegelicht dat, indien overeengekomen, de “startfee” altijd wordt gefactureerd en betaald. Dat dit niet in alle gevallen gebeurt blijkt uit de overgelegde facturen en betaalbewijzen, en komt, aldus de gemachtigde, doordat de “startfee”, die ongeacht de uitkomst is verschuldigd, in die gevallen eerder is gefactureerd en betaald. Dat is anders bij de “besparingsfee”, die niet eerder dan na het nemen van het bestreden besluit in rekening kan worden gebracht, omdat dan pas de (hoogte van de) besparing duidelijk is.\n\n11. De heffingsambtenaar heeft zich ter zitting op het standpunt gesteld dat het pas op 4 mei 2026 door de gemachtigde van belanghebbende indienen van facturen en betaalbewijzen (die op 6 mei 2026 door de rechtbank zijn vrijgegeven), die al in 2025 beschikbaar waren, in strijd is met een goede procesorde. De rechtbank overweegt dat partijen in beginsel vrij zijn om gedurende de procedure hun standpunten aan te vullen. Die vrijheid wordt echter begrensd door de beginselen van de goede procesorde. Hoewel de late indiening van reeds voorhanden zijnde stukken niet de schoonheidsprijs verdient, ziet de rechtbank hierin geen grond om die stukken vanwege strijd met een goede procesorde buiten beschouwing te laten. Hiertoe acht de rechtbank van belang dat de stukken een onderbouwing vormen van een eerder door de gemachtigde ingenomen standpunt, een reactie zijn op het verweerschrift en dat de aard en de omvang van de stukken niet zodanig zijn dat van de heffingsambtenaar om adequaat hierop te kunnen reageren een nader diepgaand (feiten)onderzoek wordt gevergd. De inhoudelijke reactie van de heffingsambtenaar op de stukken in de pleitnota bevestigen dit oordeel.\n\n12. De rechtbank stelt voorop dat voor haar de facturen en de betaalbewijzen leidend zijn voor de beoordeling van de vraag of kenmerk (i) op de gemachtigde van belanghebbende van toepassing is. Naar het oordeel van de rechtbank zijn (alleen) die stukken, en niet (ook) de overeenkomst, de website en de algemene voorwaarden van de gemachtigde (op 9 februari 2025), waarvan gesteld is dat die op dat moment nog niet in overeenstemming met het gewijzigde bedrijfsmodel waren gebracht, relevant voor de vraag of sprake is van een bedrijfsmodel op basis van no cure no pay. Omdat het bedrijfsmodel van de gemachtigde (en niet de vergoedingen in de aan de rechtbank voorliggende zaken) moet worden beoordeeld, blijft die beoordeling, anders dan de heffingsambtenaar stelt, niet beperkt tot de gemeenten binnen het ambtsgebied van de heffingsambtenaar. Daaruit volgt ook dat op grond van het (incidenteel) ontbreken van facturen en betaalbewijzen in aan de rechtbank voorliggende zaken niet zonder meer kan worden geconcludeerd dat kenmerk (i) op het bedrijfsmodel van de gemachtigde van toepassing is.\n\n13. De rechtbank is van oordeel dat met voldoende gegevens is onderbouwd dat de gemachtigde in 2025 voor een groot deel van de procedures een “besparingsfee” in rekening heeft gebracht. Door het betalen van een “besparingsfee” loopt een belanghebbende bij de inschakeling een gemachtigde voor het voeren van een procedure een financieel risico (zie hiervoor het arrest van de Hoge Raad van 26 september 2025). Deze door de gemachtigde gevraagde vergoeding (van 30-40%) acht de rechtbank, nog daargelaten dat de Hoge Raad dat enkel ten aanzien van “instapvergoedingen” heeft geoordeeld, ook niet dusdanig laag dat kan worden gesproken van rechtsbijstandverlening op een grondslag die in wezen overeenkomt met rechtsbijstandverlening op basis van no cure no pay. Op grond van het vorenstaande heeft belanghebbende, naar het oordeel van de rechtbank, buiten redelijke twijfel bewezen dat het bedrijfsmodel van de gemachtigde ten tijde van het instellen van bezwaar niet het kenmerk van optreden op basis van no cure no pay heeft (i). Daaraan doet niet af dat een belanghebbende vooraf ermee heeft ingestemd dat een eventuele vergoeding van proceskosten aan de gemachtigde toekomt. Dat geldt ook voor het ontbreken van facturen en betaalbewijzen van op een eerder moment in rekening gebrachte “startfees” en de door de heffingsambtenaar gestelde inconsistenties in de hoogte hiervan.\n\n14. Uit het vorenstaande volgt dat sprake is van een bijzonder geval en de heffingsambtenaar ten onrechte toepassing heeft gegeven aan artikel 30a, eerste lid, van de Wet woz.\n\n15. Dit betekent dat het beroep van belanghebbende gegrond is. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit voor zover dat ziet op de toegekende proceskostenvergoeding en bepaalt met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht de proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase op € 1.332,- (2 x € 666,-).\n\n16. Aan het standpunt van belanghebbende dat aan het bestreden besluit een motiveringsgebrek kleeft, wordt niet toegekomen.\n\n17. Omdat het beroep gegrond is, moet de heffingsambtenaar het griffierecht aan belanghebbende vergoeden.\n\n18. De rechtbank acht termen aanwezig om de heffingsambtenaar te veroordelen in de proceskosten die belanghebbende redelijkerwijs heeft moeten maken in verband met de behandeling van het beroep, een en ander eveneens overeenkomstig de normen van het Besluit proceskosten bestuursrecht. Aan belanghebbende is door een derde beroepsmatig rechtsbijstand verleend. Voor de in aanmerking te nemen proceshandelingen worden 2 punten (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen op zitting met een waarde van € 934,- per punt) toegekend. De rechtbank bepaalt in overeenstemming met het Richtsnoer proceskostenvergoeding belastingkamers gerechtshoven 2024 (neergelegd in de uitspraak van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 7 augustus 2024, ECLI:NL:GHSHE:2024:2524) de wegingsfactor op 0,5. Gelet hierop bedraagt het vanwege de in deze zaak verleende rechtsbijstand te vergoeden bedrag in totaal € 934,-.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep gegrond;\n\n- vernietigt het bestreden besluit voor zover dat ziet op de toegekende proceskostenvergoeding, stelt de proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase vast op € 1.332,- en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;\n\n- draagt de heffingsambtenaar op het betaalde griffierecht van € 385,- aan belanghebbende te vergoeden;\n\n- veroordeelt de heffingsambtenaar in de proceskosten van belanghebbende wegens verleende rechtsbijstand in beroep tot een bedrag van € 934,-.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. B.F.A. van Huijgevoort, voorzitter, en mrs. E.P.J. Rutten en J.H. van Hoof leden, in aanwezigheid van mr. D.D.R.H. Lechanteur, griffier.De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 8 juli 2026.\n\ngriffier rechter\n\nAfschrift verzonden aan partijen op: 8 juli 2026.\n\nRechtsmiddel\n\nTegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof ’s-Hertogenbosch (belastingkamer).\n\nU kunt digitaal beroep instellen via www.rechtspraak.nl. Daar klikt u op “Formulieren en inloggen”. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ’s-Hertogenbosch (belastingkamer).\n\nBij het instellen van het hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:\n\n1. bij het hogerberoepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;\n\n2 - het hogerberoepschrift moet, indien het op papier wordt ingediend, ondertekend zijn. Verder moet het ten minste het volgende vermelden:\n\na. de naam en het adres van de indiener;\n\nb. de datum van verzending;\n\nc. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;\n\nd. de redenen waarom u het niet eens bent met de uitspraak (de gronden van het hoger beroep).","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBLIM:2026:6423","ecli-nl-rblim-2026-6423",{"courtName":30,"legalDomain":31,"decisionType":18,"procedureType":19},"Roermond","Bestuursrecht; Belastingrecht",{"id":33,"ecli":34,"caseNumber":35,"courtId":36,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":37,"language":38,"source":39,"sourceUrl":6,"summary":40,"slug":41,"metadata":42},"85","ECLI:RO:2026:JudecatoriaSECTORUL5BUCURESTI:17050-302-2025-a1","17050\u002F302\u002F2025\u002Fa1",97,"Admite cererea de îndreptare a erorii materiale din cuprinsul sentin?ei civile nr. 2484\u002F06.03.2026, pronunţată de Judecătoria Sectorului 5 Bucure?ti în dosar nr. 17050\u002F302\u002F2025, formulată din oficiu.       \nDispune îndreptarea erorii materiale strecurată în cuprinsul sentin?ei civile nr. 2484\u002F06.03.2026 pronun?ată în cadrul dosarului nr. 17050\u002F302\u002F2025, în sensul re?inerii că pârâtul Vasile Constantin are codul numeric personal ............, iar nu ............., astfel cum în mod eronat s-a consemnat.   \nPrezenta încheiere face parte integrantă din cuprinsul sentin?ei civile nr. 2484\u002F06.03.2026 pronun?ată în cadrul dosarului nr. 17050\u002F302\u002F2025.   \nÎndreptarea se va efectua în toate exemplarele sentin?ei.\n\tCu drept de apel în 30 de zile de la comunicare. Cererea de apel se va depune la Judecătoria Sectorului 5 Bucure?ti.   \n\tPronun?ată prin punerea solu?iei la dispozi?ia păr?ilor prin intermediul grefei instan?ei, astăzi, 08.07.2026.\n","ro","portalquery_ro","Admite cererea","ecli-ro-2026-judecatoriasectorul5bucuresti-17050-302-2025-a1",null,{"id":44,"ecli":45,"caseNumber":6,"courtId":46,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":47,"language":12,"source":13,"sourceUrl":48,"summary":6,"slug":49,"metadata":50},"296","ECLI:NL:GHDHA:2026:2250",58,"Rolnummer: 22-001978-23\n\nParketnummer: 10-066729-23\n\nDatum uitspraak: 8 juli 2026\n\nTEGENSPRAAK\n\nArrestvan de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Den Haag gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 28 juni 2023 in de strafzaak tegen de verdachte:\n\n [verdachte],\n\ngeboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2002,\n\nBRP-adres: [BRP-adres] , [woonplaats] .\n\nOnderzoek van de zaak\n\nDit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof.\n\nHet hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.\n\nProcesgang\n\nIn eerste aanleg is de verdachte van het onder 1 tenlastegelegde vrijgesproken en ter zake van het onder 2 en 3 tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 120 dagen, met aftrek van voorarrest, waarvan 73 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren. Voorts is beslist op de vorderingen van de benadeelde partijen, zoals nader omschreven in het vonnis waarvan beroep.\n\nNamens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.\n\nOmvang van het hoger beroep\n\nDe verdachte is door de rechtbank Rotterdam vrijgesproken van hetgeen aan hem onder 1 is tenlastegelegd. Het hoger beroep is door de verdachte onbeperkt ingesteld en is derhalve mede gericht tegen de in eerste aanleg gegeven beslissing tot vrijspraak. Gelet op hetgeen is bepaald in artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering staat voor de verdachte tegen deze beslissing geen hoger beroep open. Het hof zal de verdachte mitsdien niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep gegeven vrijspraak.\n\nWaar hierna wordt gesproken van \"de zaak\" of \"het vonnis\", wordt daarmee bedoeld de zaak of het vonnis voor zover op grond van het vorenstaande aan het oordeel van dit hof onderworpen.\n\nTenlastelegging\n\nAan de verdachte is – voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen – tenlastegelegd dat:\n\n2. hij op of omstreeks 01 januari 2023 te 's-Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard, openlijk, te weten, op of aan de Smidsweg en\u002Fof de Langestraat, in elk geval op of aan (een) openbare weg(en), in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een of meer verbalisanten van de politie Eenheid Rotterdam, te weten [hoofdagent] (hoofdagent) en\u002Fof [aspirant] (aspirant) en\u002Fof één of meer verbalisanten, zijnde groepsleden van de Mobiele Eenheid van politie Eenheid Rotterdam, te weten [verbalisant 1] en\u002Fof [verbalisant 2] en\u002Fof [verbalisant 3] en\u002Fof [verbalisant 4] en\u002Fof [verbalisant 5] en\u002Fof [verbalisant 6] en\u002Fof [verbalisant 7] en\u002Fof [verbalisant 8] en\u002Fof [verbalisant 9] en\u002Fof [verbalisant 10] en\u002Fof [verbalisant 11] en\u002Fof [verbalisant 12] en\u002Fof [verbalisant 13] en\u002Fof [verbalisant 14] en\u002Fof [verbalisant 15] en\u002Fof [verbalisant 16] en\u002Fof [verbalisant 17] en\u002Fof [verbalisant 18] en\u002Fof [verbalisant 19] en\u002Fof [verbalisant 20] , althans een of meer (andere) verbalisanten door\n\n- één of meer stuks zwaar (illegaal) vuurwerk (betreffende onder meer: cobra's \u002F nitraten \u002F shells) en\u002Fof vuurwerkbommen op\u002Ftegen, althans in de richting van\u002Fnaar voornoemde verbalisanten af te schieten en\u002Fof te gooien, waarbij voornoemd(e) vuurwerk\u002Fvuurwerkbommen vlakbij\u002Fnaast het\u002Fde lichamen en\u002Fof het\u002Fde hoofden\u002Fgezichten van voornoemde verbalisanten tot ontploffing is\u002Fzijn gekomen en\u002Fof\n\n- ( met kracht) één of meer stenen en\u002Fof glaswerk op\u002Ftegen, althans in de richting van voornoemde verbalisanten te gooien en\u002Fof\n\n- ( dreigend) zich op te dringen aan voornoemde ambtenaren en\u002Fof\n\n- ( daarbij) (dreigend) een of meerdere ploertendoders, althans slagvoorwerpen, aan voornoemde ambtenaren te tonen\u002Fvoor te houden en\u002Fof\n\n- ( daarbij) aan die [aspirant] en\u002Fof [hoofdagent] en\u002Fof een of meer (andere) verbalisanten de weg te versperren, althans de doorgang te beletten en\u002Fof (daarbij) te verhinderen dat die [aspirant] en\u002Fof [hoofdagent] en\u002Fof anderen met\u002Fin een (politie)voertuig weg konden rijden en\u002Fof\n\n- naar\u002Fin de richting van voornoemde ambtenaren te schelden, met de woorden: \"Kankerlijers\", \"Kanker op joh\" en\u002Fof \"Kankerpolitie\" en\u002Fof\n\n- ( met kracht) op\u002Ftegen het (politie)schild van die [verbalisant 2] te trappen\u002Fschoppen;\n\n3. hij op of omstreeks 31 december 2022 te 's-Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard opzettelijk en wederrechtelijk een vuilnisbak\u002Fprullenbak, in elk geval enig goed, dat\u002Fdie geheel of ten dele aan Gemeente Hoeksche Waard, in elk geval aan een ander dan aan verdachte toebehoorde(n) heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt.\n\nVordering van de advocaat-generaal\n\nDe advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de bewezenverklaring zal worden bevestigd en dat de verdachte ter zake van het onder 2 en 3 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 107 dagen, met aftrek van voorarrest, waarvan 60 dagen voorwaardelijk en met een proeftijd van 2 jaren.\n\nHet vonnis waarvan beroep\n\nHet vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.\n\nVrijspraak\n\nDe advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het onder 2 tenlastegelegde wettig en overtuigend kan worden bewezenverklaard, nu de verdachte met zijn handelen een bijdrage van voldoende gewicht heeft geleverd aan het openlijk geweld tegen de desbetreffende verbalisanten. Zo heeft de verdachte voorafgaand aan de jaarwisseling deel genomen aan een WhatsApp-groep waarin werd gesproken over het voornemen onrust te veroorzaken ten tijde van de jaarwisseling. Voorts heeft de verdachte in de nacht van de jaarwisseling – nadat hij door leden van de Mobiele Eenheid (ME) was ingesloten –op zijn telefoon een video-opname gemaakt waarin er samen met medeverdachte [medeverdachte] (hierna: [medeverdachte] ) wordt gepraat over het doodschoppen van een ME’er. Vijftien minuten nadat hij deze video had opgenomen, is [medeverdachte] aangehouden voor het schoppen tegen het schild van een ME’er.\n\nHet hof overweegt als volgt.\n\nHet hof stelt voorop dat van het \"in vereniging\" plegen van geweld sprake is, indien de betrokkene een voldoende significante of wezenlijke bijdrage levert aan het geweld, zij het dat deze bijdrage zelf niet van gewelddadige aard hoeft te zijn. De enkele omstandigheid dat iemand aanwezig is in een groep die openlijk geweld pleegt is niet zonder meer voldoende om hem te kunnen aanmerken als iemand die \"in vereniging\" geweld pleegt. Beoordeeld zal moeten worden of de door de verdachte geleverde – intellectuele en\u002Fof materiële – bijdrage aan het delict van voldoende gewicht is.\n\nMet de advocaat-generaal en de verdediging is het hof van oordeel dat op grond van het verhandelde ter terechtzitting niet kan worden bewezen dat de verdachte omstreeks de jaarwisseling geweld heeft gebruikt jegens de verbalisanten, zoals het gooien met stenen of vuurwerk. Het hof is voorts van oordeel dat evenmin bewezen kan worden dat de verdachte op enige wijze geweldshandelingen die door andere personen zijn gepleegd heeft ondersteund of anderszins heeft bijgedragen aan het ontstaan of het voortduren van het geweld jegens de verbalisanten. Het hof neemt hierbij in aanmerking dat [medeverdachte] bij de raadsheer-commissaris als getuige is gehoord en heeft verklaard dat hetgeen de verdachte in de video-opname heeft gezegd, los stond van zijn handelen daarna en dat de verdachte niet in de buurt was toen [medeverdachte] tegen het schild van verbalisant [verbalisant 2] aan schopte. De enkele aanwezigheid in de groep die door de politie\u002FME was ingesloten en het feit dat de verdachte deel uit maakte van een WhatsApp-groep acht het hof evenmin een bijdrage van voldoende gewicht. Gelet op het voorgaande is niet vast komen te staan dat de verdachte een voldoende significante of wezenlijke bijdrage heeft geleverd aan het tenlastegelegde geweld tegen de desbetreffende verbalisanten, zodat het ten laste gelegde niet kan worden bewezen en de verdachte daarvan zal worden vrijgesproken.\n\nBewezenverklaring\n\nHet hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 3 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:\n\n3. hij op of omstreeks31 december 2022 te 's-Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard opzettelijk en wederrechtelijk eenvuilnisbak\u002Fprullenbak, in elk geval enig goed,dat\u002Fdiegeheel of ten deleaan Gemeente Hoeksche Waard, in elk geval aan een ander dan aan verdachtetoebehoorde(n)heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt;.\n\nHetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.\n\nBewijsvoering\n\nHet hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.\n\nIn die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.\n\nStrafbaarheid van het bewezenverklaarde\n\nHet onder 3 bewezenverklaarde levert op\n\nopzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen.\n\nStrafbaarheid van de verdachte\n\nEr is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.\n\nStrafmotivering\n\nHet hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.\n\nDaarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.\n\nDe verdachte heeft zich op oudejaarsavond schuldig gemaakt aan vernieling van een prullenbak door hierop zwaar vuurwerk tot ontploffing te brengen. Een dergelijk feit is gevaarzettend en geschikt om gevoelens van angst en onveiligheid in de maatschappij teweeg te brengen. De verdachte heeft met zijn handelen de gemeente en daarmee de gemeenschap financiële schade berokkend en hij heeft hiermee overlast veroorzaakt.\n\nHet hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie van 1 juni 2026, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder voor een vergelijkbaar feit is veroordeeld.\n\nTen aanzien van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) overweegt het hof dat deze is aangevangen op 6 maart 2023. In eerste aanleg is de redelijke termijn niet overschreden. Het hof stelt vast dat de behandeling van de zaak in hoger beroep niet heeft plaatsgevonden binnen de daartoe gestelde redelijke termijn,. Namens de verdachte is immers op 4 juli 2023 hoger beroep ingesteld en het hof wijst op 8 juli 2026 eindarrest. De redelijke termijn van de berechting in hoger beroep is derhalve met meer dan één jaar overschreden. Het hof ziet, ook gelet op de duur van de procedure als geheel, aanleiding te volstaan met de constatering van dit verzuim, gelet op de gekozen strafmodaliteit en de hoogte van de op te leggen straf.\n\nHet hof is – alles afwegende – van oordeel dat een onvoorwaardelijke taakstraf van na te melden duur een passende en geboden reactie vormt. Anders dan de verdediging heeft bepleit acht het hof een geldboete, gelet op de context waarin en de wijze waarop de vernieling plaatsvond – tijdens de jaarwisseling en met (illegaal) vuurwerk – niet passend. Evenmin zal om die reden toepassing worden gegeven aan het bepaalde in artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht.\n\nVorderingen tot schadevergoeding\n\nIn het onderhavige strafproces hebben tweeëntwintig verbalisanten zich als benadeelde partij gevoegd ter zake van het onder 2 ten laste gelegde. De benadeelde partijen [verbalisant 17] , [verbalisant 12] , [verbalisant 8] , [verbalisant 9] , [verbalisant 19] , [verbalisant 20] , [verbalisant 18] , [verbalisant 15] , [verbalisant 10] , [verbalisant 4] , [verbalisant 1] , [verbalisant 16] , [verbalisant 3] , [aspirant] , [verbalisant 7] , [hoofdagent] , [verbalisant 14] , [verbalisant 5] en [verbalisant 6] vorderen per persoon een vergoeding van € 350,00 aan immateriële schade. De benadeelde partijen [verbalisant 13] en [verbalisant 11] vorderen per persoon een vergoeding van € 400,00 aan immateriële schade en de benadeelde partij [verbalisant 2] vordert een vergoeding van € 750,00 aan immateriële schade.\n\nNu de verdachte ter zake van het onder 2 tenlastegelegde wordt vrijgesproken, zullen de benadeelde partijen niet-ontvankelijk worden verklaard in hun vordering.\n\nGelet daarop zullen de benadeelde partijen worden veroordeeld in de kosten die de verdachte tot aan deze uitspraak in verband met de verdediging tegen die vorderingen heeft moeten maken, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil.\n\nToepasselijke wettelijke voorschriften\n\nHet hof heeft gelet op de artikelen 9, 22c, 22d en 350 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.\n\nBESLISSING\n\nHet hof:\n\nVerklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder 1 tenlastegelegde.\n\nVernietigt het vonnis waarvan beroep voor zover thans aan het oordeel van het hof onderworpen en doet in zoverre opnieuw recht:\n\nVerklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 2 tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.\n\nVerklaart, zoals hiervoor overwogen, bewezen dat de verdachte het onder 3 tenlastegelegde heeft begaan.\n\nVerklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.\n\nVerklaart het onder 3 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.\n\nVeroordeelt de verdachte tot een taakstrafvoor de duur van60 (zestig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door30 (dertig) dagen hechtenis.\n\nBeveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van 2 uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.\n\nVordering van de benadeelde partijen:\n\n- [verbalisant 17] ,\n\n- [verbalisant 12] ,\n\n- [verbalisant 13] ,\n\n- [verbalisant 8] ,\n\n- [verbalisant 9] ,\n\n- [verbalisant 19] ,\n\n- [verbalisant 20] ,\n\n- [verbalisant 11]\n\n- [verbalisant 18] ,\n\n- [verbalisant 15] ,\n\n- [verbalisant 10] ,\n\n- [verbalisant 4] ,\n\n- [verbalisant 1] ,\n\n- [verbalisant 16] ,\n\n- [verbalisant 3] ,\n\n- [verbalisant 2]\n\n- [aspirant] ,\n\n- [verbalisant 7] ,\n\n- [hoofdagent] ,\n\n- [verbalisant 14] ,\n\n- [verbalisant 5] , en\n\n- [verbalisant 6]\n\nVerklaart de hiervoor genoemde benadeelde partijen telkens niet-ontvankelijk in hun vordering tot schadevergoeding.\n\nVeroordeelt de hiervoor genoemde benadeelde partijen telkens in de door verdachte gemaakte kosten en begroot deze telkens op nihil.\n\nDit arrest is gewezen door mr. F.W. Pieters, als voorzitter, mr. E.C. van Veen en mr. M.C. Bruining, leden, in bijzijn van de griffier mr. V.V. de Lange.\n\nHet is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 8 juli 2026.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHDHA:2026:2250","ecli-nl-ghdha-2026-2250",{"courtName":51,"legalDomain":17,"decisionType":18,"procedureType":19},"Den Haag",{"id":53,"ecli":54,"caseNumber":6,"courtId":55,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":56,"language":12,"source":13,"sourceUrl":57,"summary":6,"slug":58,"metadata":59},"348","ECLI:NL:RBDHA:2026:18721",65,"RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Groningen\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL26.20806\n uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n \n [naam], eiseres,\n\nV-nummer: [v-nummer:],\n\n(gemachtigde: mr. I.M. Zuidhoek),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, de minister.\n\nInleiding\n\n1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 7 april 2026 niet in behandeling genomen omdat daarvoor Frankrijk verantwoordelijk is.\n\n1.1.. De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiseres. Zij doet dat mede aan de hand van de argumenten die eiseres heeft aangevoerd, de beroepsgronden.\n\n3. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiseres ongelijk krijgt en het bestreden besluit in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nToepasselijk recht\n\n4. Op deze zaak is het recht van toepassing dat gold vóór 12 juni 2026.\n\nTotstandkoming van het besluit\n\n5. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening.Op grond van de Dublinverordening neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.In dit geval heeft Nederland bij Frankrijk een verzoek om terugname gedaan. Frankrijk heeft dit verzoek aanvaard.\n\nMag de minister ten opzichte van Frankrijk uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel?\n\n6. Eiseres stelt zich op het standpunt dat er in Frankrijk voor haar een onveilige situatie zal optreden. Dit is het gevolg van de aanwezigheid van veel Libanezen in Frankrijk, waaronder ook de familie van haar moeder die haar eerder al bedreigde. Bovendien heeft eiseres in Nederland een community gevonden waar zij zich veilig bij voelt en in Frankrijk heeft zij niemand, dit is voor haar een angstaanjagend vooruitzicht. Dit terwijl in Nederland er een sterke en diverse LHBT-gemeenschap is waar zij zich veilig voelt. Volgens eiseres is er in Frankrijk bovendien nog steeds een groot probleem met betrekking tot de opvang van asielzoekers. Ze verwijst naar het AIDA-rapport over Frankrijk, update 2024.Er is een tekort aan opvangplekken en eiseres loopt bij terugkeer een reëel risico om in een situatie van materiële deprivatie terecht te komen. Volgens eiseres is het bestreden besluit niet zorgvuldig voorbereid en berust het evenmin op een deugdelijke motivering.\n\n6.1.. De beroepsgrond slaagt niet. Naar het oordeel van de rechtbank mag de minister ten aanzien van Frankrijk uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. De Afdelingheeft meermaals bevestigd dat ten aanzien van Frankrijk in algemene zin kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Hierbij is ook het AIDA rapport, update 2024, betrokken. De rechtbank overweegt ambtshalve dat ook het recente AIDA rapport, update 2025, geen wezenlijk ander beeld geeft van de opvangvoorzieningen in Frankrijk dan de informatie die is betrokken door de Afdeling in eerdere uitspraken.\n\n6.2.. Uit de AIDA rapporten blijkt niet dat sprake is van structurele tekortkomingen in de opvang of asielprocedure, ook niet ten aanzien van de LHTBI-gemeenschap. Eiseres heeft bovendien niet aannemelijk gemaakt dat zij bij overdracht aan Frankrijk persoonlijk geen opvang, rechtsbescherming of toegang tot de procedure zal krijgen. Eiseres heeft niet eerder een asielaanvraag in Frankrijk ingediend waardoor zij geen persoonlijke ervaring heeft met de kwaliteit van de asielprocedure en de opvangvoorzieningen in Frankrijk.\n\n6.3.. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van bijzondere, individuele omstandigheden op basis waarvan de minister de aanvraag toch zou moeten behandelen.\n\nConclusie en gevolgen\n\n7. Het beroep is kennelijk ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft en eiseres overgedragen kan worden aan Frankrijk. Eiseres krijgt geen vergoeding van haar proceskosten.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. A. Sibma, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Strating, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.\n\nDe uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over verzet\n\nAls partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.\n\n Zie artikel 84 van de Asiel- en migratiebeheerverordening inzake het overgangsrecht.\n\n Verordening (EU) nr. 604\u002F2013.\n\n Dit staat ook in artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.\n\n Update 2024 van juni 2025.\n\n Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.\n\n Update 2025 van mei 2026.\n\n Zie ook de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Arnhem, van 3 juli 2026. (ECLI:NL:RBDHA:2026:18469, r.o. 7.1) en de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Middelburg, van 25 juni 2026 (ECLI:NL:RBDHA:2026:17711).","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18721","ecli-nl-rbdha-2026-18721",{"courtName":60,"legalDomain":61,"decisionType":18,"procedureType":19},"Groningen","Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht",{"id":63,"ecli":64,"caseNumber":6,"courtId":65,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":66,"language":12,"source":13,"sourceUrl":67,"summary":6,"slug":68,"metadata":69},"418","ECLI:NL:RBDHA:2026:18726",61,"RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Rotterdam\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL26.36068uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n\n [naam eiser] , eiser\n\nV-nummer: [V-nummer]\n\n(gemachtigde: mr. J.S. Dobosz),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, verweerder\n\n(gemachtigde: mr. C. van der Zijde).\n\nSamenvatting\n\n1. Deze uitspraak gaat over de maatregel van vreemdelingenbewaring die aan eiser is opgelegd. Deze maatregel is opgelegd op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser is het niet eens met die maatregel. Hij voert daartegen een beroepsgrond aan. Onder meer aan de hand van deze beroepsgrond beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van die maatregel en de vraag of aan eiser een schadevergoeding moet worden toegekend.\n\n1.1.. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep gegrond is. Het opleggen van de maatregel van vreemdelingenbewaring is onrechtmatig. De rechtbank kent daarom een schadevergoeding toe. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.\n\n1.2.. In deze uitspraak gebruikt de rechtbank de volgende afkortingen voor de wet- en regelgeving:\n\nAwb: Algemene wet bestuursrecht\n\nVw: Vreemdelingenwet 2000\n\nVb: Vreemdelingenbesluit 2000\n\nProcesverloop\n\n2. Met het bestreden besluit van 29 juni 2026 heeft verweerder aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.\n\n2.1.. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.\n\n2.2.. De rechtbank heeft het beroep op 7 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, K.A. Ozdzinska als tolk en de gemachtigde van verweerder.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\nToetsingskader\n\n3. Verweerder kan als het belang van de openbare orde of de nationale veiligheid dat vordert, de vreemdeling die geen rechtmatig verblijf heeft in vreemdelingenbewaring stellen.Verweerder stelt een vreemdeling slechts in vreemdelingenbewaring, voor zover geen minder dwingende maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast en de vreemdelingenbewaring blijft achterwege of wordt beëindigd, indien deze niet langer noodzakelijk is met het oog op het doel van de vreemdelingenbewaring.Deze vreemdeling kan in vreemdelingenbewaring worden gesteld op grond dat het belang van de openbare orde of nationale veiligheid zulks vordert, indien a) een onderduikrisico bestaat, of b) de vreemdeling de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert.De maatregel kan alleen worden opgelegd wegens het bestaan van een onderduikrisico, indien ten minste twee van de gronden, genoemd in artikel 5.6, tweede lid, van het Vb zich voordoen.\n\nGronden\n\n4. Eiser heeft de gronden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd niet bestreden. De gronden, die de ambtshalve toetsing van de rechtbank doorstaan, zijn tezamen voldoende om de maatregel van bewaring te kunnen dragen.\n\nRechtmatig verblijf\n\n5. Eiser heeft aangevoerd dat er sprake is van een rechtmatig verblijf van eiser in Nederland op grond van artikel 7 van de Richtlijn 2004\u002F38\u002FEG. Eiser is een maand voorafgaand aan de onderhavige zaak opgehouden op 3 juni 2026. Hij heeft ter onderbouwing het proces-verbaal van ophouding overgelegd. Op deze dag is onderzoek gedaan naar de arbeidssituatie van eiser. Gebleken is dat eiser arbeid verricht voor een Nederlands uitzendbureau en beschikte over een arbeidscontract. Eiser is vervolgens heengezonden wegens bestendig verblijf. Verweerder kon ten aanzien van de onderhavige maatregel van bewaring op 29 juni 2026 niet zonder meer terugvallen op het standpunt dat sprake is van voortgezet onrechtmatig verblijf. Dit is onverenigbaar met de bevinding op 3 juni 2026. De maatregel van bewaring is dan ook onvoldoende zorgvuldig voorbereid en onvoldoende gemotiveerd.\n\n5.1.. Verweerder heeft aan de maatregel ten grondslag gelegd dat eiser geen rechtmatig verblijf in Nederland heeft, nu zijn verblijfsrecht als Unieburger bij beschikking van 6 maart 2025 is beëindigd. De rechtbank stelt voorop dat de enkele omstandigheid dat het verblijfsrecht van een Unieburger eerder is beëindigd, niet zonder meer meebrengt dat deze op een later moment geen rechten meer aan het Unierecht kan ontlenen. Indien sprake is van gewijzigde feiten en omstandigheden dient verweerder de verblijfsrechtelijke positie van de betrokkene opnieuw te beoordelen alvorens tot het oordeel te komen dat hij geen rechtmatig verblijf heeft.\n\n5.2.. De rechtbank oordeelt als volgt. In de maatregel van bewaring is vermeld dat eiser heeft verklaard werkzaam te zijn voor een Nederlands uitzendbureau en dit ook heeft aangetoond, dat eiser werkzaam is in België waar hij ook wordt voorzien van woonruimte door de werkgever en dat hij in België mag verblijven. Naar het oordeel van de rechtbank vormen deze omstandigheden concrete aanwijzingen dat de feitelijke situatie van eiser sinds de beschikking van 6 maart 2025 is gewijzigd. Van verweerder mocht daarom worden verwacht dat hij kenbaar zou onderzoeken welke betekenis deze gewijzigde omstandigheden hebben voor de actuele verblijfsrechtelijke positie van eiser. Uit de maatregel van bewaring, het gehoor voorafgaand aan deze maatregel en de overige stukken in het dossier is niet gebleken dat een dergelijk onderzoek heeft plaatsgevonden. Daarbij betrekt de rechtbank dat uit het proces-verbaal van ophouding van eiser op 3 juni 2026 blijkt dat eiser is heengezonden, omdat sprake was van ‘mogelijk bestendig verblijf’. Uit het proces-verbaal van verhoor op die dag blijkt dat het werken voor een Nederlands uitzendbureau hier ook aan de orde is geweest. Vervolgens wordt nog geen maand later in de onderhavige maatregel van bewaring zonder kenbare motivering aangenomen dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft. Niet valt in te zien waarom verweerder er zonder nader onderzoek van uit heeft kunnen gaan dat eiser geen aan het Unierecht ontleend verblijfsrecht had. De motivering dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft, is onder deze omstandigheden onvoldoende draagkrachtig. Gelet hierop is de maatregel in strijd met artikel 3:2 en 3:46 van de Awb tot stand gekomen en is dan ook onrechtmatig. Deze beroepsgrond slaagt.\n\nConclusie en gevolgen\n\n6. Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is gegrond. Deze maatregel is vanaf het moment van het opleggen daarvan onrechtmatig. De rechtbank beveelt de opheffing van deze maatregel met ingang van vandaag.\n\n6.1.. Op grond van artikel 106 van de Vw kan de rechtbank indien zij de opheffing van de maatregel van vreemdelingenbewaring beveelt aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen. De rechtbank acht gronden aanwezig om een schadevergoeding toe te kennen voor 10 dagen onrechtmatige (tenuitvoerlegging van de) vreemdelingenbewaring ten bedrage van 0 x € 160,- (verblijf politiecel) en 10 x € 120,- (verblijf detentiecentrum) = € 1.200,-.\n\n6.2.. Eiser krijgt een vergoeding van zijn proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- omdat de gemachtigde van eiser geacht wordt beroep te hebben ingesteld en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep gegrond;\n\n- veroordeelt de Staat der Nederlanden tot het betalen van € 1.200,- aan schadevergoeding aan eiser, te betalen door de griffier en beveelt de tenuitvoerlegging van deze schadevergoeding;\n\n- beveelt de opheffing van de maatregel van vreemdelingenbewaring met ingang van vandaag;\n\n- veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiser.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. S.N. Abdoelkadir, rechter, in aanwezigheid van mr. M. Stehouwer, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.\n\n Het beroep tegen een maatregel van bewaring wordt ook aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding. Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 59c van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 5.5 van het Vb.\n\n Dit volgt uit artikel 5.6, eerste lid, van het Vb.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18726","ecli-nl-rbdha-2026-18726",{"courtName":70,"legalDomain":61,"decisionType":18,"procedureType":19},"Rotterdam"]