ECLI:NL:GHAMS:2026:1764
Rezumatul Cauzei
Strafrecht
Uitspraak
Amsterdam
afdeling strafrecht
parketnummer: 23-001893-23
datum uitspraak: 2 juli 2026
TEGENSPRAAK
Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 27 juni 2023 in gevoegde strafzaken onder de parketnummers 13-085027-23 (zaak A) en 13-048967-20 (zaak B), alsmede 13-144879-21 (TUL) tegen:
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1998,
adres: [adres].
1. Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 18 juni 2026 en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van wat de verdachte en zijn raadsman naar voren hebben gebracht.
2. Vonnis waarvan beroep
Het hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep en zal dit dus bevestigen, behalve ten aanzien van de beslissing ten aanzien van de vordering tot tenuitvoerlegging – in zoverre zal het vonnis worden vernietigd – en met dien verstande dat het hof:
ambtshalve acht heeft geslagen op de overschrijding van de redelijke termijn in eerste aanleg (een overschrijding van ruim 1 jaar en 6 maanden) en in hoger beroep (een overschrijding van ruim 1 jaar), wat het hof niet tot een ander oordeel brengt ten aan zien van de opgelegde straf;
de motivering van de beslissing omtrent de vordering van de benadeelde partij tot vergoeding van immateriële schade vervangt door de navolgende overweging.
3. Immateriële vordering benadeelde partij (zaak B)
De benadeelde partij [slachtoffer] heeft € 1.785,00 aan vergoeding van immateriële schade gevorderd, te vermeerderen met de wettelijke rente. Vast staat dat de benadeelde partij door de in zaak B subsidiair (impliciet subsidiair) tenlastegelegde mishandeling rechtstreeks immateriële schade is toegebracht, bestaand uit lichamelijk letsel aan haar lip als bedoeld in artikel 6:106, aanhef en onder b van het Burgerlijk Wetboek. Gelet hierop heeft zij recht op een naar billijkheid te bepalen schadevergoeding. Het hof begroot de omvang van de immateriële schade, rekening houdend met bedragen die in soortgelijke zaken door rechters worden toegewezen en de zogenaamde Rotterdamse schaal, naar maatstaven van billijkheid, net zoals de rechtbank heeft gedaan, op een bedrag van € 1.785,00.
4. Vordering tenuitvoerlegging
Het openbaar ministerie heeft de tenuitvoerlegging gevorderd van de bij vonnis van de rechtbank Amsterdam van 4 augustus 2021 opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 8 maanden. De rechtbank heeft deze vordering gedeeltelijk toegewezen, te weten voor de duur van 4 maanden. De vordering is in hoger beroep opnieuw aan de orde.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de vordering tot tenuitvoerlegging geheel wordt toegewezen, maar wordt omgezet naar een taakstraf voor de duur van 240 uren.
De raadsman heeft het hof primair verzocht de vordering tot tenuitvoerlegging af te wijzen en subsidiair verzocht de in eerste aanleg toegewezen gevangenisstraf voor de duur van 4 maanden te halveren. Daartoe heeft hij aangevoerd dat de voorwaardelijk opgelegde straf is opgelegd voor een andersoortig feit dan het in deze zaak tenlastegelegde, dat de redelijke termijn door het grote tijdsverloop is overschreden en dat de verdachte in een andere zaak meewerkt aan bijzondere voorwaarden en zijn persoonlijke omstandigheden zijn gewijzigd.
Het hof overweegt als volgt.
Voorwaardelijke straffen als de onderhavige worden opgelegd om veroordeelden ervan te weerhouden om nogmaals strafbare feiten te plegen. In de onderhavige zaak is dat niet gelukt, nu is gebleken dat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt. Daarom kan de tenuitvoerlegging van die voorwaardelijk opgelegde straf worden gelast. Dat de verdachte is veroordeeld voor een andersoortig feit, maakt het voorgaande niet anders. Het hof is dan ook van oordeel dat niet kan worden volstaan met de afwijzing van de vordering tot tenuitvoerlegging, zoals de verdediging heeft betoogd, en is van oordeel dat de vordering in beginsel dient te worden toegewezen.
Overeenkomstig de vordering van de advocaat-generaal ziet het hof evenwel aanleiding om de voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf om te zetten naar een taakstraf. Sinds de tenlastegelegde feiten en de rechtsgang in eerste aanleg is namelijk veel tijd verstreken en gedurende die tijd lijkt de verdachte vooruitgang te hebben geboekt, nu hij onder meer een Cognitieve Vaardigheidstraining volgt, een uitkering heeft, zijn schulden afbetaalt en met een jobcoach op zoek is naar een baan. Om deze vooruitgang niet de doorkruisen, maar anderzijds wel recht te doen aan de voorwaardelijke veroordeling, zal het hof in plaats van de voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf de tenuitvoerlegging van de maximaal op te leggen taakstraf gelasten.
Het hof zal in plaats van een last tot tenuitvoerlegging van deze vrijheidsstraf een taakstraf van 240 uren duur gelasten.
5. BESLISSING
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de beslissing ten aanzien van de vordering tenuitvoerlegging en doet in zoverre opnieuw recht.
Gelast in plaats van het bevelen van de tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de rechtbank Amsterdam van 4 augustus 2021 (parketnummer 13-144879-21), voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf voor de duur van 8 maanden, een taakstrafvoor de duur van240 (tweehonderdveertig) uren, bij gebreke van het naar behoren verrichten te vervangen door120 (honderdtwintig) dagen hechtenis.
Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige, met inachtneming van het hiervoor overwogene.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. R.A.J. Hübel, mr. R. van der Heijden en mr. P.K. van Riemsdijk, in tegenwoordigheid van mr. C.H. Sillen en Y. Amama, griffiers, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 2 juli 2026.
Mr. R.A.J. Hübel, mr. P.K. van Riemsdijk en Y. Amama zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.
=========================================================================
proces-verbaal uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
afdeling strafrecht
parketnummer: 23-001893-23
Proces-verbaal van de in het openbaar gehouden terechtzitting van dit gerechtshof, op 2 juli 2026.
Tegenwoordig zijn:
mr. C.J. van der Wilt, raadsheer,
I. de Bruijne, griffier.
Het openbaar ministerie wordt vertegenwoordigd door mr. M. Spruijt, advocaat-generaal.
De raadsheer doet de zaak tegen de verdachte [verdachte] uitroepen.
De verdachte is wel / nietin de zaal van de terechtzitting aanwezig.
Raadsman/raadsvrouw is wel / nietaanwezig.
(zo ja:) naam raadsman/raadsvrouw en plaats:
Tolk is wel / nietaanwezig. (zo ja:) naam tolk en taal:
De raadsheer spreekt het arrest uit.
De raadsheer geeft de verdachte kennis, dat daartegen binnen 14 dagen na heden beroep in cassatie kan worden ingesteld. (indien de VTE is verschenen)
De verdachte heeft wel / geenafstand gedaan van het recht aanwezig te zijn bij de uitspraak.(indien VTEin deze zaak is gedetineerd)
Waarvan is opgemaakt dit proces-verbaal, dat door de raadsheer en de griffier is vastgesteld en ondertekend.